512,2-3
16-10-1887
(VI) « » (VIII)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

VII.

 

Het laatste verschil, waarop gewezen dient, ligt in de onderdanen van Koning Jezus, of wil men in het ambt der geloovigen.

In die koninkrijken, keizerrijken, hertogdommen enz., die zich op aarde in den burgerstaat gevormd hebben, is er een koning, keizer of groothertog met onderdanen.

Wel heeft men in onzen tegenwoordigen tijd dit woord onderdanen in onbruik gebracht, als den vrijen burger onwaardig; maar dat is puur uitvloeisel van de revolutionaire theorie. Wie naar het beginsel der Fransche revolutie geen overhoogheid van Godswege over zich erkent, en het koningschap óf op het contrat social, óf op het algemeen belang, óf op de gevolgen der historie laat rusten, kan uiteraard in een burger nooit een onderdaan zien.

Dit komt er van, als het geloof uit het hart verdwijnt. Dan toch buigt het schepsel niet meer voor een God, die boven hem staat; en erkent dus nog veel minder een hoogheid van eenigen mensch, die door God over hem gesteld is en aan wien hij zich om Gods wil heeft te onderwerpen.

Al wie daarentegen met Rom. XIII nog erkent en belijdt, dat alle macht door God over ons gezet is, en met den Man van smarten voor Pilatus’ rechterstoel bekent, dat niemand macht over hem heeft, tenzij die hem van boven gegeven zij, die kan noch mag met deze revolutionaire theorie meegaan.

Voor dien blijft het: God boven en over ons; wij onder God en absolutelijk aan Hem onderworpen; en diensvolgens onderdanen van den koning of vorst, dien het God den Heere beliefd heeft over ons te stellen.

Ook in dat andere Koninkrijk, waarvan op het terrein der kerk sprake is, gaat dit derhalve door.

Ook Koning Jezus, die in de hemelen zijn residentie heeft, bezit onderdanen.

Niet onderdanen, die Hij willekeurig kiest, maar dezulken, die Hem van den Vader gegeven zijn; en die Hij als zoodanig beschermt, bewaart en onderhoudt. En in dit onderdanenverband staan eveneens al diegenen, die, hoewel slechts uitwendig met de kerk verbonden, toch het teeken van onderdaanschap in den Doop ontvangen hebben. Ook al zijn er toch, helaas, onder deze onderscheidene die van achteren zullen blijken niet door den Vader aan den Zoon gegeven te zijn, toch doen deze zich, als behoorende tot het Rijk Christi voor; worden er in afwachting van latere beslissing onder gerekend; staan derhalve in het onderdanenverband; en moeten ook door ons als onderdanen van Koning Jezus beschouwd worden.

Onderdanen van Koning Jezus zijn we, omdat de Heere Heere over ons te zeggen heeft, en Hij dit zeggenschap over ons aan Koning Jezus heeft overgedragen; alzoo Jezus als Koning over ons gezet en aangesteld heelt; en misdien van ons eischt, dat we ons aan het woord en den wil en het welbehagen van dezen Koning onderwerpen zullen, tot tijd en wijle eens de laatste vijand zal zijn te niet gedaan, als wanneer de Heere Heere weer zelf rechtstreeks Koning over ons zijn zal en Hij zal blijken te wezen alles in allen.

Nu echter doet zich hier het hoogst opmerkelijk verschijnsel voor, dat deze onderdanen tevens op hun beurt koningen, priesters en profeten zijn. „Zij zullen als Koningen heerschen in allen eeuwen.” Ze zingen het heilig Godslam toe: „Die ons gemaakt heeft tot Koningen en Priesters Gode en den Vader!” Ook noemt de heilige apostel Petrus hen: „Een uitverkoren geslacht, een Koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk!”

De onderdanen van Koning Jezus in Nederland verkeeren dus metterdaad in een andere conditie dan de onderdanen van koning Willem III in den burgerstaat. Ze zijn en blijven onderdanen, maar tegelijk, met dat ze onderdanen zijn, zijn ze tevens zelven koningen.

Veel is over de beteekenis van deze woorden getwist, en bijna in den regel zijn ze misverstaan, doordien men verzuimde in het wezen van het ambt door te dringen.

Men heeft deze uitdrukking, dat de onderdanen van Koning Jezus tevens zelven koningen zijn, pogen te verklaren door te wijzen op den broederband die tusschen hen en hun Koning bestond. Hij aller broeder. Dus zij zijn broederen. Alzoo van prinselijk geslacht en koninklijken bloede. En derhalve tredende in die bijzondere rechten, die ook in den burgerstaat aan prinsen van het koninklijk huis plegen te worden toegekend. En ongetwijfeld ligt hier een deel waarheid in.

Hij de eenige, eeuwige en natuurlijke Zoon van God, maar toch ook wij om zijnentwille als kinderen van dienzelfden Vader aangenomen. Hij de erfgenaam en wij mede-erfgenamen van Christus.

Toch zegt dit niet genoeg. Want hoe hoog prinsen van ’s konings huis in den burgerstaat ook staan mogen, nooit zal men hen daarom toch zelven persoonlijk koningen noemen.

Dit voelende heeft men daarom gepoogd hen tot een soort onderkoningen van den Koning Jezus te maken, en het voorgesteld, alsof hun het koningschap over de wereld, over de heidenen, over de krachten der natuur, en zooveel meer gegeven ware.

Doch dit kan uit den aard der zaak geen steek houden. Deels niet omdat men op die wijs het woord koning oneigenlijk en overdrachtelijk neemt. En deels niet omdat ook zoo de geloovigen zulk een macht niet bezitten noch uitoefenen.

Overdrachtelijk en oneigenlijk neemt men het woord koning, wanneer men daaronder verstaat zekere geestelijke meerderheid over de heidenwereld en over de ongeloovigen; want koning duidt niet aan zekere ongemerkte meerderheid van den verborgen persoon, maar een uitoefening van gezag. En dit ontbreekt hier. Ook gaat het zoo niet op van de geloovigen stuk voor stuk, maar slechts van de geheele Christenheid als één geheel gedacht. Terwijl er toch uitdrukkelijk staat, dat zij persoonlijk koningen en priesters gemaakt zijn.

En ook het gaat niet door. Want het is niet waar dat de geloovigen steeds een geestelijke meerderheid bezitten. Omgekeerd vindt men veeleer de geloovigen vaak in een donkeren hoek verscholen en in bekrompenheid voortkwijnen, terwijl de lieden der wereld op alle manier over hen heerschen.

Waar nog ten derde dit bezwaar bijkomt, dat bij die opvatting het koningschap der geloovigen bij hun dood zou eindigen. In den hemel toch zijn niets dan geloovigen, en ontbreekt dus de heidenwereld, die hun onderworpen zou zijn.

De zaak ligt dan ook geheel anders, en om haar te verslaan, moet men naar het Paradijs terug.

Adam, ook nog eer Eva uit zijn ribbe geschapen was, stond in het Paradijs als koning. Hij stond in zijn goddelijk ambt. Hij stond in dit ambt rechtstreeks onder God. En dat ambt was, dat hij in dienst van God stond, bij God in dienst was, en nu als knecht Gods en dienstknecht des Allerhoogsten, niemand dan God boven zich had.

Van onze koningen op aarde nu is dit juist de beschrijving van het kenmerk: Dat ze niemand dan God boven zich hebben.

En dit koninklijk kenmerk nu van „niemand dan God boven zich te hebben”, dat komt aan elk kind van God toe; niet in den burgerstaat, want daar handelen we thans niet van; maar in het Koninkrijk der hemelen.

Denkt ge u een toestand buiten de zonde, dan heeft ook niemand eenigen mensch boven zich, en is er niemand boven ons dan God. En als eenmaal de zonde en daarmee de laatste vijand, d.i. de dood zal zijn te niet gedaan, zal Jezus zelf het Koninkrijk weer aan den Vader overgeven, en alle ambt van menschen over menschen vervallen zijn.

Een ambt waarmee aan een mensch macht over menschen gegeven is, bestaat alleen om der zonde wil. Zondaren regeert God door menschen. Die nog geen zondaren waren of ophielden zondaren te zijn, regeert Hij zelf rechtstreeks.

Hiermeê valt echter het ambt als zoodanig niet weg, want dan juist is het ieders koninklijk ambt om den Heere zijn God te dienen. Wat wegvalt, is alleen dat om der zonde wil ingetreden ambt van hoogheid, waardoor menschen over menschen worden gesteld. Dit is een straf voor de zonde en een middel ter fnuiking der zonde. Valt die eens weg, dan keert alzoo het oorspronkelijk ambt, in het goddelijk beroep, terug, en zal, gelijk onze Catechismus zegt, een ieder God recht kennen als profeet, Hem lief hebben als priester, en met Hem in de eeuwige zaligheid als koning heerlijk zijn.

Trad nu met de wedergeboorte opeens de hemelsche toestand voor Gods kinderen in, dan zou op staanden voet de zonde in hen uit hebben, alle band ook in den burgerstaat voor hen wegvallen, en zelfs van een Koningschap van Jezus over hen zou geen sprake zijn.

Doch dit is niet zoo.

Een kind van God op aarde verkeert in een gemengden toestand. Hij is heilig en toch ligt hij nog midden in de zonde. Hij is vrij en toch draagt hij nog kluisters. Hij leeft in den hemel en toch wandelt hij nog op aarde. En eerst door den dood gaat hij in den zuiveren, onvermengden toestand in. Vandaar komt het, dat hij kind van God en toch aan de burgerlijke overheid onderworpen is. Dat hij niet meer kan zondigen en toch nog dagelijks struikelt. En zoo ook dat hij zelf tot koning gemaakt is en toch nog in Jezus een Koning over zich heeft.

Dit laatste zou nu strijden, en niet kunnen, indien Koning Jezus niet tevens God zelf ware. Maar nu zijn van God gezalfde Koning tevens zelf van God en God is, nu heeft voor het diepst van zijn bewustzijn deze strijd opgehouden. Feitelijk toch heeft hij dan in zijn Koning Jezus niemand minder dan een God boven zich, en is hij aan niemand dan aan God onderworpen.

En wijl dit nu het koninklijk kenmerk is, niemand dan God boven zich te hebben, is metterdaad en in der waarheid elk kind van God zelf in den koninklijken stand.

En hieruit nu vloeit rechtstreeks het ambt der geloovigen voort, waarop onze Confessie zooveel nadruk legt, en dat, na lange jaren geslapen te hebben, nu deze laatste dagen weer eenigszins tot veler bewustzijn begint door te dringen.

Is het toch waar, dat de onderdanen van dezen Koning niemand dan God boven zich hebben; zonen der vrije en niet der dienstbare zijn; broeders van den Koning genoemd worden en alzoo van prinselijken bloede zijn; ja, dat ze uit éénen Vader met hun Koning geboren, erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus zijn; en hoewel nog in dezen gemengden staat verkeerende, toch nu reeds door den Zoon waarlijk zijn vrijgemaakt, dan volgt hieruit rechtstreeks, dat er in de kerk geen plaats is voor een ambt, dat door menschen bediend, een heerschappij over de kinderen Gods zou oprichten.

Een aardsch koning stelt personen, die hij benoemt over zijn gewone onderdanen aan, om over hen te heerschen; maar dit zal hij nooit of nimmer doen over de prinsen van zijn eigen huis.

En zoo ook stelt Jezus als Koning in zijn kerk nooit personen aan om over zijn onderdanen te heerschen, eenvoudig omdat al zijn onderdanen zijn medegenooten in de Koninklijke eere zijn.

Voorzoover er dus toch ambten in de kerk optreden, staan deze in geheel andere verhouding tot de onderdanen, dan een burgemeester of een commissaris des konings.

Deze staan boven de onderdanen; iets wat nooit bij de kerkelijke ambtsdragers bestaan kan.

Immers met het ambt bekleed zijn in Jezus Koninkrijk al de zijnen.