509,3
25-09-1887
(IV) « » (VI)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

V.

 

De residentie van Koning Jezus, niet te Rome, en niet in eenige hoofdstad, maar hoog in de hemelen; — dit zij voor een iegelijk die het kerkelijk ambt vatten wil uitgangspunt.

Want, laat ons het niet verhelen, het baat u niets, of ge nu al zegt: „De vergelijking 

van de burgerlijke en kerkelijke Overheid gaat niet door!”

Zonder meer maakt het volk, maakt uw eigen denken die vergelijking toch.

Ge kunt er niet aan ontkomen.

Regeeren is regeeren. En zoodra ge met ons belijdt, dat ook de burgerlijke regeering een goddelijke instelling is, brengt uw denken onwilkeurig de gestalte van deze burgerlijke Overheid toch op de kerkregeering over.

En dat moet in beginsel ook.

Beide regeeringen zijn uitvloeisels van eenzelfde autoriteit Gods. In beide werkt zijn Souvereiniteit. Onder beider vorm hebt ge uw gehoorzaamheid en onderworpenheid niet aan menschen, maar aan God te betoonen.

Vergelijk dus vrij; laat door niets u van die vergelijking afhouden; maar zie toe dat ge juist vergelijkt.

En juist daaraan hapert het zoo telkens.

Hapert het zoo vooral bij onze Synodalen.

Om u daar nu tegen te vrijwaren, wezen we u op de residentie én van den Koning op aarde, én van den Koning der kerk.

De residentie van onzen Koning op aarde is in ’s-Gravenhage op het paleis in het Noordeinde; maar de residentie van onzen Koning die over de kerk regeert, is in de hemelen, in het paleis om Gods troon.

Begin dus nu eens, teneinde bij uw vergelijking juist te loopen, met alles wat Koning Willem III als koning in Den Haag doet, over te brengen, niet op een paus, niet op eenige synode, maar op Koning Jezus in zijn residentie, die in de hemelen is.

En immers dan springt het terstond in het oog, dat er in ons gansche vaderland geen enkele wet als wet kan gelden, of Koning Willem III moet die gegeven hebben. Hoe die wet tot stand kwam, is nu de vraag niet. Of er ministers aan werkten, en de Staten-Generaal er in gemoeid werd, en de Raad van Staten er op wierd gehoord, is bijzaak. Hoofdzaak is alleen dit: dat geen wet wet wordt, dan doordien ze rechtstreeks van den Koning uitgaat, gegeven in zijn residentie.

Staten-Provinciaal of Generaal of Gemeenteraden mogen volstrekt geen wetten maken. Deden ze dit, niemand zou zulke schijnwetten mogen gehoorzamen. De Koning zou een ieder, die deze wetten als wetten erkende, terstond tot de orde roepen en straffen.

Wel mogen de Staten-Provinciaal en Gemeenteraden, omdat deze ten deele ook Regeerings-colleges zijn, verordeningen maken, maar wetten nooit.

En dat niet alleen, maar ook alle verordeningen die de wetten weerspreken en met de wetten in strijd zijn, missen geldende kracht.

Breng ik dit nu op de kerk over, dan kom ik dus tot deze vergelijking.

Ook voor de kerk, kunnen evenals voor het land, geen andere wetten tot stand komen of gelden, dan die door den Koning der kerk rechtstreeks gegeven zijn.

Van een kerkelijke wet te spreken, die niet uit den hemel, uit de residentie van Jezus’ Majesteit, door Jezus zelf gegeven zij, is een wanbegrip, een gedrochtelijke ongerijmdheid, en een onderstbovenkeering van al wat ge bij de burgerlijke overheid erkent en belijdt.

Wel wil de Revolutie het zoo.

Zij voerde „wetgevende” Kamers in, en wil dat door het volk de wet tot zelfs aan den Koning worde opgelegd.

Maar dan is natuurlijk elk begrip van een Koning bij de gratie Gods volkomen vernietigd. Dan is de wimpel der Revolutie aan den top van het Admiraalschip geheschen. Dan staan we niet langer op Christelijk terrein.

Zij derhalve, die aan eenigen paus of synode de macht toekennen om wetten voor de kerk te geven, plaatsen zich daarmee voor die kerk op het standpunt der groote Revolutie en verloochenen de Koninklijke heerschappij zoowel voor Koning Willem III in ’s-Gravenhage als voor Koning Jezus in zijn hemelsche residentie.

Bij eenig zuiver denken kan derhalve de conclusie geen andere dan deze zijn.

Wetten voor het koninkrijk der Nederlanden geeft alleen de Koning in zijn paleis te ’s-Gravenhage; en evenzoo wetten voor het koninkrijk der kerk geeft alleen Koning Jezus uit zijn paleis, dat in de hemelen is.

En zijn er nu, gelijk in het land, zoo ook in de kerk, deelen, die vertegenwoordigd zijn in Synode, Classis en Kerkeraden, dan mogen ook de regeerders dezer deelen wel verordeningen maken, gelijk dat recht ook toekomt aan de Staten-Provinciaal en de Gemeenteraden, maar 1°. deze verordeningen mogen zich nooit of nimmer als wetten aandienen; en 2°. deze verordeningen mogen nooit met de wetten van Koning Jezus in strijd zijn.

Gelijk toch in den burgerstaat elke verordening die met de landswet strijdt per se nietig is, zoo ook is in de kerk per se nietig en niet geldend, elke verordening of kerkenordening, die door eenigen Kerkeraad of Synode gemaakt mocht zijn.

Wat dunkt u? Is dit niet eenvoudig, doorzichtig en duidelijk?

Nu heeft Koning Jezus ons zijn wet gegeven in zijn heilig Woord.

Ontkent men dus, gelijk de Modernen, dat er zulk een heilig, met majesteit bekleed Woord Gods is, of tornt men er aan, gelijk de jongere Ethischen, dan natuurlijk moet, eer men verder zal komen, eerst dit punt uitgemaakt. En in zoover zijn de Modernen en Ethischen consequent, die geen absolute wet van den Koning in Gods Woord erkennende, feitelijk de Koninklijke macht van Jezus in phrasen en woorden vervluchtigen en aan hun Synode het recht toekennen om wetten te maken, gelijk een koning die maakt.

Zij dwalen dan daarin, dat ze Gods Woord niet eeren, en de Koninklijke regeering van Koning Jezus niet werkelijk opvatten, maar, eenmaal die dwaling toegedaan, zijn ze consequent.

Alle diegenen daarentegen, die met ons aan Gods Woord wel absoluut gezag toekennen en de Koninklijke regeering van Koning Jezus in zijn kerk even werkelijk en waarlijk opvatten als de regeering van Koning Willem III in den Haag, moeten hiertegen opkomen. Voor hen is een tweede wetgevende macht naast Jezus ondenkbaar. En zoo ze dan, gelijk heden ten dage allen doen, die Gereformeerd zeggen te zijn en nochtans onder de Synodale Hiërarchie blijven, toch zulk een tweede wetgevende macht naast die van Koning Jezus stellen, dan verraden ze óf hun onnoozele kortzichtigheid op dit stuk, óf wel ze veroorloven zich de vrijheid, om uit zekere consideratie van eigen goeddunken, met bewustheid, tegen de heerschappij van hun Koning te zondigen.

Onnoozele kortzichtigheid toch is geen te krasse uitdrukking, voor den man die meê wil praten, en die van een wet naast of onder een andere wet wil spreken.

Dit toch stemt elk man van gezonde zinnen toe, dat het begrip van wet nu eenmaal geen ander dan absoluut zijn kan, en dat dit begrip anders te nemen, even dom en onnoozel is, als te zoeken naar een oppergezag met een tweede oppergezag er naast.

Wel, en dit moet volledigheidshalve opgemerkt, bestaat er ten onzent zeker onderscheid tusschen een Grondwet en een organieke Wet, maar met dit onderscheid komen onze tegensprekers geen stroospier verder.

Indien er toch al sprake van kon zijn, dat bij één van deze beide niet de Koning alleen en absoluut de wet tot wet maakte, zou dit juist alleen van de Grondwet, en nooit van de gewone wetten gelden. Daargelaten nu nog, dat het gezag van een gewone wet het gezag van de Grondwet nooit vernietigen kan.

Ook al ging dit onderscheid dus in de kerk door, dan zouden ze nog nooit kunnen zeggen: Koning Jezus heeft wel een Grondwet in zijn Woord gegeven, maar een Synode kan daarom zeer goed organieke wetten maken. Want dit zou even ongerijmd, dom en onnoozel zijn, alsof een boer ging vertellen, dat Koning Willem III wel de Grondwet maakt, maar dat de gewone wetten gemaakt worden door de Gemeenteraden of Staten-Provinciaal.

En ook, al neemt ge dit aan, ook dan nog zou nooit eenige wet door kerkbesturen op aarde gemaakt, tegen de Grondwet van het Woord kunnen ingaan, maar steeds daarvan afhangen, en daaraan onderworpen zijn.

Hoe ook bezien altoos is dus dit begrip van een synode of paus die wetten voor de kerk meent te kunnen maken, logisch een dom wanbegrip, en op geestelijk terrein een rechtstreeksche verloochening en aanranding van de Koninklijke Majesteit waarmee Koning Jezus in zijn residentie in de hemelen door den Almachtigen God bekleed is.

Wanneer derhalve de Synodale Hiërarchie aan haar Synode o.a. toekent de „hoogste wetgevende macht,” is dit een zoo sterk mogelijke aanranding van het Koninklijk gezag van Koning Jezus.

Want te zeggen, gelijk eenige beuzelaars doen: „Hiermeê is niet bedoeld, dat de Synode boven Gods Woord zou staan, maar alleen dat zij ook voor de wetgevende macht hooger staat, dan de provinciale, classicale en gemeentelijke besturen”, is dwaas op alle manier.

Zoo toch doen deze praters het voorkomen, alsof er wel drieërlei wetgevende macht zou zijn! Een wetgevende macht bij de Kerkeraden, een dito wetgevende macht bij de hoogere Besturen, en eindelijk nog een hoogste wetgevende macht bij de Synode.

En denk dat nu eens in!

Een wetgevende macht bij de Gemeenteraden. Een dito wetgevende macht bij de Staten-Provinciaal. En dan nog een hoogste dito bij de Staten-Generaal.

Zoo praten blinden over de kleuren, en leerlingen op de laagste klasse over de Constitutie, maar zoo moeten geen mannen die een naam hebben te verliezen zich uitlaten in een ernstig debat.

Er kan natuurlijk nooit anders dan één wetgevende macht zijn. En reeds het spreken van een hoogste wetgevende macht kan alleen opkomen in het verwarde brein van een beuzelaar die sprak eer hij dacht.

Doch neem dan nu dezen onzin eens een oogenblik aan, dan zou het er nog meê door kunnen zoo ze zeiden: Koning Jezus heeft de hoogste wetgevende macht, en de lagere is bij de Synode.

Maar hooger dan het hoogste is er toch wel zeker niet?

Bijaldien dus de hoogste wetgevende macht bij eenige Synode berust, dan zal het toch wel duidelijk zijn, dat er geen nog hoogere macht dan deze hoogste is, en dat alzoo dat goddelooze zeggen: „De hoogste wetgevende macht berust bij de Synode” kort en goed niets anders beduidt dan dit: „Koning Jezus heeft als Koning niets over ons genootschap te zeggen!”

En daar doen dan „Verlosten door het bloed des Lams” aan meê. En Bedienaren des Woords beelden zich in dat ze door zoo goddeloozen waan te voeden, niet grovelijk zondigen.