91
2,88-99
01-06-1991

|88|

 

Geroepen door God en zijn gemeente

Enkele kanttekeningen bij de nieuwe orden voor de bevestiging van ambtsdragers

1

‘Bent u er ten volle van overtuigd, dat God zelf u door Zijn gemeente tot deze dienst geroepen heeft?’ Dat is de vraag, die met enige variatie al enkele honderden jaren in Nederland aan te bevestigen ambtsdragers is gesteld. De nieuwe proeforden voor de bevestiging van ambtsdragers van het Hervormd/Gereformeerd Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst (SO) hebben met het opnemen van deze vraag aansluiting gezocht bij een lange traditie. De persoonlijke roeping van de aanstaande ambtsdrager wordt verondersteld, ingebed in zijn (be)roeping door de gemeente.

Naast het handhaven van een aantal klassieke noties uit de eigen traditie heeft het SO in veel gevallen eveneens gekozen voor nieuwe inzichten uit de oecumenische beweging. Uit de verantwoording voor- en achteraf blijkt, dat oecumenische overwegingen een belangrijke invloed hebben uitgeoefend op het werk van het SO.2 Tot op heden is het oordeel over de proeven voorzichtig en welwillend gebleven. Het zijn orden, die vooral in de praktijk van de eredienst haar waarde moeten bewijzen. Tegelijkertijd hebben verschillende commentatoren vastgesteld, dat in het werkstuk van het SO de neiging bestaat (predikants)ambt en gemeente zelfstandig ten opzichte van elkaar te laten functioneren. Het lijkt er op, ‘of het ambt het een en al is.’3 In verhouding tot de gemeente


1. Bevestiging van ambtsdragers (Proeven voor de eredienst — aflevering 2), Leid-schendam/Leusden 1989.
2. Idem, 7.
3. P. Oskamp, De bevestiging van ambtsdragers — Een tweede proeve van een nieuw dienstboek, in: Eredienstvaardig 6 (1990), 136-139, 139. Vgl. H. Hogenhuis, Bevestiging van ambtsdragers, in: Ouderlingenblad 68 (1990), nr. 789, 20-24, 23v.

|89|

wordt de indruk ‘gevestigd dat het boven de gemeente staat.’4

In dit artikel wil ik aan de hand van de teksten én de bijgeleverde toelichting laten zien, dat de reeds geleverde kritiek niet als incidenteel kan worden afgedaan en een enkele wijziging in de tekst onvoldoende is. De proeven ademen structureel een geest, die op gespannen voet staat met zowel de gereformeerde5 traditie als de recente besluitvorming omtrent het ambt in de Gereformeerde Kerken.

Het doorlichten van liturgische teksten is omstreden. Ze zijn immers in de eerste instantie voor liturgisch gebruik bedoeld.6 De combisynode heeft daarom op voorstel van het SO besloten in het ‘streven naar vernieuwing van liturgische vormen voorrang te verlenen aan poëtische en pastorale overwegingen boven leerstellige, en dan ook af te zien van iedere dogmatische vooringenomenheid bij de te kiezen bewoording van in de eredienst te gebruiken teksten’7. Toch heeft de synode in dogmatisch opzicht een zekere, zij het vrij vage, grens gesteld, namelijk ‘het belijden der kerk’.8 Ook het SO geeft indirect toe, dat het zo eenvoudig nog niet is ‘af te zien van iedere dogmatische vooringenomenheid’. Kort na de synodezittingen verschenen enkele artikelen over voorvragen bij de bevestiging van ambtsdragers.9 Gelet op de wijze waarop tegenwoordig orden van dienst tot stand komen lijkt het mij ten zeerste de vraag, of het op basis van de klassieke regel ‘lex orandi-lex credendi’ nog vol te houden is, dat de viering ‘dus (curs. K.W.d.J.) voorrang (zal) moeten hebben op de verantwoording.’10 Zo makkelijk komen wij niet los van hetgeen de Kerk in twintig eeuwen op het gebied van het ambt gedaan én gedacht heeft.11 Omgekeerd zullen de voorgelegde teksten inwerken op het denken en geloven in de Kerken. Een


4. Hogenhuis, a.w., 24.
5. Onder Gereformeerd (met een hoofdletter) versta ik in dit artikel datgene wat op enigerlei wijze met de Gereformeerde Kerken in Nederland verbonden is. Geschreven met een kleine letter heeft gereformeerd betrekking op het geheel van de calvinistische traditie in Nederland.
6. W.R. van der Zee, Lex orandi en lex credendi, in: Eredienstvaardig 4 (1988), 243-246. Vgl. J.T. Bakker, Luther in de spiegel van zijn liederen, Kampen 1983, 6.
7. Gezamenlijke vergadering van de Generale Synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland van 27 tot en met 29 oktober 1988 in ‘De Blije Werelt’ te Lunteren, 46 (besluit), 224 (rapport SO), 249v (commissie van rapport).
8. Idem, 43 (voorstel P. Schravendeel), 43v (reactie SO), 46 (besluit), 248, 250 (commissie van rapport).
9. Eredienstvaardig 4 (1988), nummer 6. Vgl. hetgeen in Bevestiging, 7, over verantwoording gezegd wordt.
10. Bevestiging, 7.
11. Opmerkingen van soortgelijke strekking zijn ook ter synode gemaakt, maar niet in voorstellen vastgelegd (Gezamenlijke vergadering, 40 (opmerking van F.T. Bos), 248 (commissie van rapport)).

|90|

dergelijke te verwachten invloed mag, moet zelfs kritisch worden getoetst.

 

Bevestiging of verbintenis?

Een van de belangrijkste vooronderstellingen in de proeven is de onderscheiding tussen een eerste en een latere bevestiging, van bevestiging en verbintenis.12

In de kanttekeningen bij de proeven wordt in de fundering van deze onderscheiding verwezen naar de landelijke synode van Middelburg 1581 en de verklaring van de kerkorde van Joh. Jansen.13 Het is merkwaardig, dat niet verwezen wordt naar het Dienstboek in ontwerp. Ook daarin wordt in de formule van de voorgestelde bevestigingsgebeden voor predikanten onderscheid tussen een ‘eerste’ en een ‘latere’ bevestiging gemaakt.14 De gedachte van de verbintenis in de eerste én latere bevestiging wordt in de gebedsformules door het werkwoord ‘verbinden’ tot uitdrukking gebracht. En dit gebeurt bewust.15 Overigens heeft deze constructie geen basis in de Hervormde Kerkorde van 1951. Daar wordt slechts van de term bevestiging gebruik gemaakt.16

Terugkomend op de verwijzing van het SO naar enkele synoden in de 16e eeuw en het boek van Jansen, kunnen deze gegevens de onderscheiding tussen bevestiging en verbintenis ondersteunen? Het lijkt me, dat de auteurs van de proeven in hun kijk hierop teveel uitgaan van de huidige (op)waardering van de handoplegging.17 Het besluit van de synode van Middelburg 1581 moet gezien worden tegen de achtergrond van een grote terughoudendheid inzake deze


12. De synode sprak op voorstel van het SO uit ‘dat bij bepaling van draagkracht en waardigheid der ambten een variabel evenwicht in het geding is van continuïteit en terminering, zodat de (zegs- en) handelswijze ‘herbevestiging’ geen vorm behoort te krijgen.’ (Gezamenlijke vergadering, 46 (besluit), 219v, 252 (voorstel SO)).
13. Citeert de proeve (Bevestiging, 31) juist? Ingevoegd wordt het woordje ‘tegelijk’ in het citaat uit Joh. Jansen, Korte verklaring van de Kerkorde der Gereformeerde Kerken, Kampen 1923, 28. Vgl. B. Smilde, Bevestiging en/of verbintenis?, in: Eredienstvaardig 4 (1988), 273-275, 275 (die dit terecht (!) weglaat).
14. Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk in ontwerp, ’s-Gravenhage 19656, 142, 151, 156v. Deze lijn wordt niet gevolgd bij de formulieren voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen.
15. A.F.N. Lekkerkerker, Kanttekeningen bij het Hervormde Dienstboek IV, ’s-Gravenhage 1956, 121.
16. Ordinantie 3, art. 12 (ouderlingen en diakenen), art. 21 (predikanten; vgl. ordinantie 13, art. 14). De term ‘verbinden’ zou in het Dienstboek gekozen zijn als complement van de klassieke term ‘losmaken’.
17. Zie bijvoorbeeld het zogenaamde LIMA-rapport, Doop, eucharistie en ambt — Verklaringen van de Commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken, Amersfoort 1983, ‘Ambt’, par. 39, 40 en 41.

|91|

handeling. Handoplegging geschiedde slechts dan, ‘soo het de gheleghentheydt der kerck lijden mach’18. Het gaat, zeker gelet op de overige gegevens uit die tijd,19 te ver om te stellen, ‘dat er in feite altijd onderscheid is gemaakt’20 (curs. K.W.d.J.). Het bevreemdt het SO, dat Jansen in zijn kerkordeverklaring de elementen van de bevestiging, ‘de plechtige aanvaarding van het ambt’ en ‘de openlijke verbintenis aan de roepende kerk’, niet onderscheidt en uiteenlegt. Maar zo vreemd is dit niet. Jansen kijkt waarschijnlijk op een heel andere wijze tegen de verhouding ambt-kerk aan dan het SO. Evenals bij Kuyper21 valt de waarde van de handoplegging in het niet bij het belang van ‘de roeping van de plaatselijke kerk’22. Eerst ‘door de bevestiging krijgt de roeping effect.’23

Het SO heeft op zich natuurlijk gelijk als het stelt, dat er in de huidige praktijk een verschil bestaat tussen een eerste en een latere bevestiging. Het zou de onderscheidene handelingen inderdaad ten goede kunnen komen, als dit verschil ook in het woordgebruik tot uiting zou worden gebracht.

Helaas blijft deze verheldering uit, omdat het SO onvoldoende duidelijkheid verschaft over de gekozen terminologie. Als ik het goed zie, is er enerzijds B. Smilde, die in een voorstudie onder de bevestiging de aanvaarding van het ambt én de verbintenis aan een gemeente of dienstwerk verstaat.24 De kanttekeningen en in mindere mate de uitgangspunten bij de nieuwe proeven lijken dit onderscheid eveneens te maken.25 Aan de andere kant staat G.C. van der Kamp, die de bevestiging ziet als de bekleding met het ambt en in de ordinatie de bevestiging en de verbintenis doet samenvallen.26 De teksten van de nieuwe orden lijken in het verlengde hiervan te liggen, hoewel de term ordinatie daarin niet voorkomt.27


18. Middelburg 1581, art. 4.
19. Zie bijvoorbeeld de lijst van P.A. Elderenbosch, De oplegging der handen, ’s-Gravenhage 1953, 146v.
20. Bevestiging, 96. Vgl. idem, 33. Soms werd de handoplegging geheel weggelaten. Ook dan is er geen sprake van onderscheid tussen een eerste en latere bevestiging!
21. Elderenbosch (a.w., 104) wijst op het geringe belang van de handoplegging bij Kuyper.
22. Jansen, a.w., 34.
23. Idem, 28. Het is jammer, dat in de kanttekeningen (Bevestiging, 31) deze zin niet is opgenomen. In een eerder gepubliceerde toelichting gebeurde dit wel (Smilde, a.w., 275).
24. Smilde, a.w. (met name 275).
25. Bevestiging, 31, 93v.
26. G.C. van der Kamp, Handoplegging bij ambtsbevestiging, in: Eredienstvaardig 4 (1988), 267-273, met name 271v.
27. Bevestiging, 41, 52 (idem, 50, laat de zaak in het vage). Zie ook onder de paragraaf ‘presentatie’ van dit artikel.

|92|

Maar zelfs als de terminologie verhelderd zou worden verdient het tevens overweging om op de klassieke wijze te blijven spreken over bevestiging, ook als die al eerder in een andere gemeente heeft plaatsgevonden. Deze term houdt immers twee zaken dicht bij elkaar, die wezenlijk op elkaar betrokken zijn, het ambt en de roeping daartoe vanuit de gemeente. De gemeente kan eveneens een groep van gemeenten (meerdere vergadering) zijn, die een predikant of een andere ambtsdrager (!) een bijzondere opdracht geeft.

Een enkel woord nog over de praktische gevolgen van de door het SO uitgezette lijn. Deze kan naar de ambten van ouderling en diaken toe drempelverhogend werken.28 ‘De bevestiging in het ambt is eenmalig, omdat deze bevestiging een levenslange toewijding aan de Heer betekent.’29 Er valt voor een dergelijke gedachte best iets te zeggen. Geldt hetzelfde eigenlijk al niet voor het afleggen van openbare geloofsbelijdenis? Maar het zal het er voor sommigen niet makkelijker op maken positief te antwoorden op de roep van de gemeente.

Onbeantwoord blijft verder de vraag, welke de term is voor bevestiging van ouderlingen en diakenen, als er sprake is van een voortzetting of hervatting van het ambtswerk. Daarvoor wordt geen voorstel gedaan. In het opschrift van de orde staat slechts ‘voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen’.

 

De orde voor de bevestiging van een dienaar des Woords

In het vervolg loop ik de verschillende onderdelen van de orde voor de bevestiging van een dienaar des Woords langs. Hier en daar maak ik een uitstapje naar de orde voor de verbintenis van een predikant en de orde voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen.

 

Inleidend gebed

Het inleidend gebed30 is in grote lijnen vertaald uit The Alternative Service Book 1980 van de Kerk van Engeland (af te korten met ASB). Weggelaten is de zinsnede aan het slot ‘and give your servants now to


28. Hogenhuis, a.w., 23v. Dit lijkt me nu een duidelijke pastorale overweging, waar het leerstellige een stapje terug zou mogen doen (vgl. Gezamenlijke vergadering, 46 (besluit), 224, 250 (voorstel SO)).
29. Bevestiging, 95.
30. De tekst (Bevestiging, 41, vgl. 56 en 70) luidt: ‘Vg. God onze Vader, Heer van hemel en aarde, wij danken U, dat Gij door uw Zoon ons hebt geroepen in de gemeenschap van uw kerk over heel de wereld: hoor ons gebed voor al uw gelovigen, opdat ieder van ons in de dienst waartoe Gij ons roept, een goed instrument van uw liefde mag zijn. Door onze Heer en Heiland Jezus Christus. Gem. Amen.’

|93|

be ordained the needful gifts of grace’. Dat lijkt misschien vreemd en willekeurig31, maar is een goede zaak. De bede om de ‘needful gifts of grace’ is hier niet op haar plaats. Zij volgt namelijk later, in een meer specifieke vorm. De Nederlandse variant doet bovendien het accent verschuiven naar de roeping van alle gelovigen.

 

Presentatie

Na de brede inzet richt de aandacht zich in de presentatie vervolgens op degene die in het bijzonder geroepen is.32 Dit lijkt een formeel en nogal onbetekenend deel van de bevestigingsliturgie. Toch vallen hier belangrijke beslissingen en wordt de toon voor het geheel gezet. In een artikel over recente veranderingen in reformatorische bevestigingsliturgieën stelt W.J. Grisbrooke dan ook: ‘the implications of what is said or not said here are out of all proportion to the brevity of the liturgical formulary.’ Het gaat hier om ‘the whole complex question of the relationship between clergy and laity within the Christian community’33.

De presentatie begint met het noemen van de naam van de kandidaat: ‘(Naam) staat gereed om bevestigd te worden in het ambt van dienaar des Woords en aan uw gemeente/zijn/haar dienstwerk te worden verbonden.’ Daarop volgt een vraag aan een vertegenwoordiger van de kerkeraad: ‘zijn er wettige bezwaren bij de kerkeraad ingebracht, die deze bevestiging zouden verhinderen?’34 Hier wreekt zich de onduidelijkheid in de omschrijving van wat nu bevestiging inhoudt. In het voorstellen van de kandidaat worden bevestiging en verbintenis nog in één adem genoemd. In de daarop volgende vraag wordt alleen de bevestiging genoemd, geïsoleerd van de verbintenis. Dit kan de indruk wekken, dat een bevestiging ook


31. Oskamp, a.w., 138.
32. De tekst van de presentatie (Bevestiging, 41, vgl. 56 en 71v) luidt: ‘[De vraag wordt gericht tot de vertegenwoordiger van de kerkeraad. Deze staat.] Vg. (Naam) staat gereed om bevestigd te worden in het ambt van dienaar des Woords en aan uw gemeente/zijn haar dienstwerk te worden verbonden. Ik vraag u, broeder/zuster, zijn er wettige bezwaren bij de kerkeraad ingebracht, die deze bevestiging zouden verhinderen? Antw. Er zijn geen wettige bezwaren ingebracht. Vg. Zo mogen wij hem/haar dan bevestigen in de dienst waartoe hij/zij door de gemeente van Christus geroepen is. Gem. Wij danken de Heer onze God.’ Tussen [ ] staat de rood gedrukte en gecursiveerde rubriek.
33. W.J. Grisbrooke, Recent Reforms of Ordination Rites in the Churches, in: Studia Liturgica 13 (1979), 108-124, 114.
34. Vermoedelijk is in de tekst van de orde ‘voor de verbintenis van een dienaar des Woords aan een tweede of volgende gemeente...’ een kleine fout geslopen. Ook daar (Bevestiging, 56) staat: ‘zijn er wettige bezwaren... ingebracht die deze bevestiging zouden verhinderen?’ (curs. K.W.d.J.) Dit moet vermoedelijk ‘verbintenis’ zijn. Iets dergelijks geldt vermoedelijk in deze orde ook voor ‘Gebed vóór de bevestiging’ (Idem, 63).

|94|

plaats kan vinden zonder aansluitende35 verbintenis aan een bepaalde gemeente of een zeker dienstwerk. En dat is de bedoeling niet. De inleiding op de vraag zou om alle misverstanden te voorkomen beter zo kunnen worden geformuleerd: ‘(Naam) staat gereed om bevestigd te worden tot dienaar des Woords van uw gemeente/ten behoeve van zijn/haar dienstwerk...’.36

Een vergelijking van de ‘presentatie’ in de proeve met het ASB laat enkele opmerkelijke verschillen zien. Daar is het de gemeente die wordt gevraagd met de wijding van de betrokkene(n) in te stemmen, maar dan wel op grond van het getuigenis van derden. Vanuit onze traditie heeft men in de proeven terecht de kerkeraad laten optreden als de uiteindelijk verantwoordelijke instantie. De gemeente is tevoren al in de gelegenheid gesteld bij hem haar eventuele bezwaren te deponeren.

Belangrijker acht ik de keuze in het ASB om vervolgens aan de gemeente te vragen: ‘Will you upheld them in their ministry?’ Een vóórwaarde voor al het ambtswerk is, dat het gedragen wordt door de gemeente. In de proeven komt deze vraag na de bevestiging, het gebed om de Heilige Geest en handoplegging: ‘belooft u hem/haar in uw kring te ontvangen... hem/haar te omringen met uw meeleven, te dragen in uw gebeden... ?’37

Er zijn verschillende mogelijkheden om de keuze van het SO te verklaren.38 Te denken valt bijvoorbeeld aan het klassieke bevestigingsformulier. Daar volgt evenals bij Microns De Christlicke Ordinancien na de handoplegging een soortgelijke tekst, zij het in de vorm van een vermaning. Het SO heeft zich mijns inziens onvoldoende rekenschap gegeven van de verandering van de vorm. Een vermaning tot de gemeente als aansporing en oproep (waarschuwing) om de consequenties te trekken uit het voorgaande kan. Een vraag aan de gemeente, die qua inhoud aan alle ambtswerk


35. In ieder geval wordt de gelijktijdigheid en de nauwe verbondenheid van bevestiging en verbintenis met de gebruikte formulering verbroken.
36. In plaats van ‘gemeente’ zou in de Gereformeerde traditie ook ‘kerk’ gebruikt kunnen worden. Dat lijkt me echter op deze plaats van ondergeschikt belang. Bij de verbintenis zou de roeping door vorige gemeenten of kerken tot het ambt nadrukkelijker tot uiting moeten worden gebracht, bijvoorbeeld met: ‘(Naam), op... bevestigd als dienaar des Woord van de gemeente te..., (vervolgens dienaar des Woords van de gemeente te...,) staat nu gereed...’
37. De volledige tekst van de ‘vraag aan de gemeente’ (Bevestiging, 52, vgl. 66 en 82) luidt: ‘Vg. Broeders en zusters, nu (naam) in het ambt van dienaar des Woords is bevestigd en aan de gemeente van (naam)/het dienstwerk als (titel) is verbonden, belooft u hem/haar in uw kring te ontvangen, zoals dat van de kerk van Christus verwacht mag worden, hem/haar te omringen met uw meeleven, te dragen in uw gebeden en met hem/haar mee te werken in de dienst aan onze Heer? Wat is daarop uw antwoord? Gem. Ja, van harte.’
38. Bevestiging, 29, verwijst zelf naar ‘de oecumene’ en ‘de klassieke gereformeerde formulieren’.

|95|

voorafgaat, kan beter een andere plaats krijgen.39 Het LIMA-rapport over doop, eucharistie en ambt dringt er eveneens na een bespreking van de ordinatie op aan, dat de gemeente de gaven van de ambtsdrager erkent en dat zij zich verplicht om daarvoor open te staan.40 Maar evenals in de hiervoor genoemde formulieren is in dit oecumenisch rapport sprake van een wederzijdse verplichting: de kerk en degene die geordineerd wordt beloven elkaar te dragen en te ondersteunen.41

De huidige vormgeving van de ‘presentatie’ drukt de gemeente in een nogal passieve rol. Die wordt nog eens versterkt door het zinnetje ‘Wij danken de Heer onze God’, althans met de uitleg die daaraan gegeven wordt in de kanttekeningen.42 Dankbaarheid op deze plaats is goed. Maar zij zal dan wel vorm moeten krijgen in de (actieve) beschikbaarheid van gemeente èn ambtsdragers voor de dienst aan God in deze wereld.

 

De onderwijzing, het gebed vóór de bevestiging en de vragen

Hierover wil ik kort zijn. De gemeente komt het meest in het vizier in de onderwijzingen A3 en B3. De formulieren bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen zijn alle zeer sterk gericht op het te vervullen ambt. De gemeente, het priesterschap aller gelovigen, blijft daar onderbelicht.

Op de onderwijzing volgen een ‘gebed vóór de bevestiging’ en de ‘vragen’. Gebed A6, uit de nalatenschap van J. van der Werf, zet breed in, vanuit de wereld en de gemeente, maar is vooral aan het slot wat zwaar van toon. Het alternatief, nummer A7, klinkt wat vriendelijker, maar richt zich sterk op de te bevestigen predikant. Een dergelijk accent lijkt me overigens op deze plaats in de orde gerechtvaardigd.


39. In de waardering van deze vraag als ‘ontzettend zinvol’ heeft M. Gosker (Bevestiging van ambtsdragers — proeven voor de eredienst, in: Evangelisch Commentaar 8 (1990), nr. 16, 5-7, 7) zich onvoldoende rekenschap gegeven van de plaats en de functie van deze vraag in het geheel van de orde.
40. Doop, ‘Ambt’, par. 44.
41. Ibidem.
42. De nadruk wordt tot in de toon van de uitleg toe veel te sterk gelegd op de afhankelijkheid van een gemeente van een predikant (Bevestiging, 15).

|96|

Bevestiging43

De bevestiging zet in met een gebed om de Heilige Geest. Bij de handoplegging wordt vervolgens een zegengebed uitgesproken, dat in grote lijnen overeenkomt met dat uit het klassieke formulier. Wellicht dat daarom de auteur van de voorliggende versie in de bronvermelding niet wordt genoemd. Het gebed bevat ten opzichte van het klassieke een interessante aanvulling. Na de woorden ‘God onze hemelse Vader, die u geroepen heeft tot deze heilige dienst’ wordt ingevoegd: ‘en in wiens Naam wij u thans in het ambt van dienaar des Woords bevestigen’.

De implicaties van deze inlas komen nog nadrukkelijker uit als de tekst van Micron er naast gelegd wordt: ‘God ende onse hemelsche vader, de welcke v totten dienst sijns wordts in dese sijne ghemeinte gheropen heeft...’44 (curs. K.W.d.J.). De woorden ‘in deze zijn gemeente’ kunnen vanwege de bijzondere situatie van de Londense vluchtelingengemeente (het privilege van Edward VI) niet zonder meer naar de tegenwoordige tijd worden overgezet. Maar het verschil met de nieuwe proeven is significant.45

Bij de verbintenis van een ambtsdrager komt in plaats van de handoplegging een handdruk.46 Hiermee worden de besluiten van de synode van Middelburg 1581 (art. 4 en 5) opnieuw bekrachtigd. Maar worden beide rituelen niet teveel uit elkaar gehaald? Een


43. De rubriek ‘bevestiging (gebed om de Heilige Geest en handoplegging)’ (Bevestiging, 51v, vgl. 66 (bij de verbintenis aan een volgende gemeente ingekort tot een zegenbede) en 80vv): ‘[De te bevestigen dienaar/dienares knielt neer.] Vg. Verhoor ons, o God onze Heiland, en stort over uw dienstknecht/dienares hier de gaven van uw Heilige Geest, die nodig zijn voor de vervulling van zijn/haar ambt. Zie in gunst neer op hem/haar, die wij aan U opdragen om gewijd te worden aan uw dienst en verleen hem/haar de onuitsprekelijke rijkdom van uw genade. Door Jezus Christus,
onze Heer. Gem. Amen.
[De bevestiger legt hem/haar beide handen op en spreekt:] Vg. God onze hemelse Vader, die u geroepen heeft tot deze heilige dienst en in wiens Naam wij u thans in het ambt van dienaar des Woords bevestigen, verlichte u door zijn Geest en sterke u door zijn hand; Hij zegene u alzo in uw bediening, dat zijn gemeente onder uw handen worde gebouwd tot verhaasting van de heerschappij van de Messias Jezus, zijn Zoon. Amen.’ Tussen [ ] staan de in rood gedrukte gecursiveerde rubrieken.
44. Marten Micron, De Christlicke Ordinancien der Nederlantscher Ghemeinten te Londen (1554) (uitg. W.F. Dankbaar), ’s-Gravenhage 1956, 52.
45. Het SO stelt: ‘Eerst in secundaire zin kan deze ambtsdrager dienaar der gemeente zijn.’ (Bevestiging, 92) Zijn de taken ‘dienaar des Woords’ en ‘dienaar der gemeente’ hier niet teveel opeenvolgend gedacht? Per definitie is de dienaar des Woords een dienaar der gemeente. En andersom!
46. De formulering in de orde voor bevestiging van ouderlingen en diakenen behoeft enige precisering. De indruk wordt gewekt, dat bij de bevestiging (Bevestiging, 80) handoplegging en handdruk eventueel achterwege kunnen blijven, terwijl
bij hervatting of voortzetting van het ambtswerk in elk geval een handdruk de woorden bekrachtigt (idem, 82).

|97|

zekere gelijkwaardigheid van beide wordt door diverse synoden gesuggereerd.47

 

Dankzegging en voorbeden

De toon van de gebeden is eenvoudig en treffend, met name van A10 (resp. B9, C12)48. De tweede voorbede begint met: ‘Op deze dag is in onze gemeente een mens geroepen tot uw dienst.’ Dat lijkt me een nauwkeurige omschrijving van wat er wezenlijk gebeurt en gevierd wordt.

 

Evaluatie en conclusie

1. De tweede aflevering van de proeven voor de eredienst van het SO staat op gespannen voet met de gereformeerde traditie. Onverwacht is dit niet. De commissie van rapport heeft zich op de combi-synode in het najaar van 1988 bij de besluitvorming over de eredienst al afgevraagd, of de keuze van het SO voor de oecumene niet teveel ten koste zou gaan van de gereformeerde traditie.49
De praktijk van de Hervormde Kerk staat dichter bij hetgeen wordt voorgestaan, dan die van de Gereformeerde Kerken. De oecumenische wortels van de Hervormde Kerk zijn dan ook ouder en gaan dieper. En haar (landelijke) kerkmodel staat dichter bij de consensus van het LIMA-rapport dan de organisatiestructuur van de Gereformeerde Kerken.

2. Het SO kiest welbewust voor het model van de landelijke Kerk.50 Het sluit hiermee goed aan bij de ontwikkelingen op het gebied van Samen Op Weg in het afgelopen jaar. Maar deze keuze sluit wel de Gereformeerde visie, een opbouw vanuit de plaatselijke gemeente, zo goed als uit (zie ook punt 6).

3. Het SO gaat er in de proeven van uit, dat het ambt ‘een levenslange toewijding aan de Heer betekent’.51 Vrijwel tegelijkertijd neemt de Gereformeerde synode van Almere een aantal besluiten over de positie van de predikant, waarbij men stelt, dat het ambt ‘verliesbaar’52 is. Zij beschouwt dit in de Gereformeerde traditie niet als iets nieuws, maar als ‘een verdere uitwerking van de voordien


47. Elderenbosch, a.w., 146v.
48. Deze zijn van de hand van P.M.J. Hoogstrate (in de bronvermelding ten onrechte verantwoord als A1O-B10 (moet zijn B9) en C13 (moet zijn C12), Bevestiging, 100).
49. Gezamenlijke vergadering, 249.
50. Bevestiging, 92. Vgl. idem, 26, 94.
51. Bevestiging, 95.
52. Geciteerd uit een bijlage bij de synodebesluiten van de GKN betreffende de nieuwe kerkordeartikelen 10 t/m 19 van de kerkorde (d.d. 31 december 1990).

|98|

bestaande opzet’.53 De voorstellen van het SO sporen in het geheel niet, zijn zelfs tegengesteld aan de besluiten van de laatstgehouden Gereformeerde synode.54

4. Het is niet goed mogelijk een directe relatie aan te tonen tussen de opvattingen van het SO omtrent het zwaartepunt van de Kerk (kerkelijke organisatie) en de wijze waarop de gemeente in haar laatst verschenen proeven aan het woord komt.
Wel heb ik kunnen laten zien, dat het uitgangspunt van het SO, nl. dat ‘in structuur en onderdelen... een actieve deelname van de vierende gemeente noodzakelijk’55 is, met name wat het structurele aspect betreft onvoldoende in de proeven tot zijn recht komt. Het zal m.i. in alles te merken moeten zijn dat de aanwezige gemeente viert. Zij draagt de viering.56
In het bijzonder in een orde voor de bevestiging van een predikant blijft het voor mij een vraag, of dit principe optimaal kan worden uitgewerkt, als diens ambt ‘bovengemeentelijk’ is.

5. P. Oskamp heeft er op gewezen, dat de vooronderstelling, dat de bisschoppelijke bevoegdheid aan de predikant is overgedragen discutabel, zo niet onjuist is. De bisschoppelijke taken zijn overgegaan op de kerkelijke vergaderingen.57 Het lijkt me, dat met een dergelijke correctie de gemeente meer en volwaardiger in het vizier komt.
Maar wie in deze lijn wil werken, zal ook handoplegging door ouderlingen en diakenen moeten accepteren, enzovoorts. Dat heeft het SO en op zijn voorstel de combi-synode niet willen doen.
Het uit het LIMA-rapport overgenomen begrip van collegialiteit58 blijft mede door de vooronderstelling van het SO beperkt tot predikanten. Op zich daarom begrijpelijk, maar wel jammer, dat de collegialiteit van ouderlingen en diakenen onderling en van alle ambtsdragers tezamen ongenoemd blijft.

6. Door de proeven van het SO worden de partners in het SOW-proces gedwongen zich nog eens goed te bezinnen op het ambt in de reformatorische Kerk.
De Gereformeerde Kerken zullen in het bijzonder moeten nadenken


53. Ibidem.
54. A. Borman roept in zijn Jaaroverzicht 1989 op de ambtsvisie achter de kerkordelijke voorstellen te toetsen aan de proeven van het SO (Jaarboek 1990 van de Gereformeerde Kerken in Nederland (43), Goes 1990, 541v). Dat is hierbij gedaan.
55. Bevestiging, 94v. Vgl. idem, 6 en 29.
56. Dat ontkent het SO ook niet (idem, 94). Maar het heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de betekenis van het woord ‘deelname’ (zie een korte weergave van de gedachten van G.N. Lammens: J. Firet, J.J. van Nijen, Het vieren van Gods aanwezigheid, Amsterdam 1986, 4).
57. Oskamp, a.w., 139.
58. Bevestiging, 27. Doop, ‘Ambt’, par. 44, vgl. 27.

|99|

over hun kerkmodel. Met het voortschrijden van het SOW-proces komt dit steeds meer onder druk te staan. Wat zijn de gevolgen als het al dan met noodgedwongen wordt opgegeven? Wat is het haar waard om het eigen model te behouden?