23
10,385-398
01-02-1923

|385|

Iets over het Gereformeerd kerkverband

 

In dit artikel handelen we over het ontstaan, de noodzakelijkheid, de vereischten en het karakter van het Gereformeerd kerkverband.

 

1. Ontstaan.

In het Gereformeerd kerkverband liggen twee elementen, die wel onderscheiden moeten worden, n.l. een presbyteriaal, en een classicaal-synodaal element.

Het presbyteriaal element danken wij aan Calvijn. Hij heeft met zijn scherpen geest het eerst de gedachte uit de Schrift opgediept, dat er naast de dienaren des Woords ook presbyters d.i. ouderlingen moeten verkozen worden, om de kerk te regeeren. Calvijn is dus de vader van het „presbyteriaal kerkregiment”.

De meest-invloedrijke en godzalige leden der kerk moesten tot ouderlingen gekozen worden, om met den dienaar des Woords de kerk te regeeren. Tegenover de hiërarchische idee der Roomsche kerk, n.l. dat de clerus (pastoor, bisschop, paus) de kerk vertegenwoordigt, met uitsluiting van het leekenelement; en tegenover de Luthersche gedachte, dat de landsvorst als summus episcopus (opperste bisschop) in de kerk optreedt, stelde Calvijn de „democratische gedachte”, dat de ouderlingen, die uit de gemeente zelf opkomen, met haar zijn opgegroeid,

|386|

en haar leven mede doorleven, aan de dienaren, die meestal van buiten in de gemeente inkomen, worden toegevoegd, om haar te regeeren1).

Dit presbyteriaal kerkregiment heeft Calvijn voor de kerk van Genève vastgesteld in de „Ordonnances Ecclésiastiques de Genève”, van 20 Nov. 1541. Deze kerkenordening droeg uiteraard een locaal karakter en stelde als hoofdbeginsel op den voorgrond het presbyterium (d.i. de raad der ouderlingen), dat als orgaan der gemeente voor de uitoefening der kerkelijke discipline moest zorgen2).

Het classicaal-synodaal element daarentegen danken wij niet aan Calvijn, maar aan de Gereformeerde Kerken van Frankrijk. Calvijn zelf heeft het instituut der meerdere vergaderingen, n.l. van classe, provinciale en nationale synode, niet ontwikkeld. Hij gaf alleen een kerkenordening van plaatselijk karakter, voor de kerk van Genève. Daaruit mag echter niet afgeleid worden, dat het synodaal kerkregiment met het presbyteriaal regiment in strijd zou zijn, of, gelijk Ebrard beweert, er los naast zou staan. Want vooreerst heeft Calvijn zelf ergens uitgesproken: „Wij stemmen gaarne toe, dat, indien er eenig dogmatisch geschil ontstaat, er geen zekerder middel is, dan dat er eene menigte van ware bisschoppen samenkome om het geschilpunt te bespreken”3); en voorts merkt Lechler terecht op, dat Calvijn’s idee nog zuiverder en volkomener in de Fransche kerken, die van de overheid onafhankelijk waren, dan in de kerk van Genève, die in veel opzichten aan de overheid gebonden was, verwerkelijkt is4). Wij mogen gerust zeggen, dat uit het presbyteriaal kerkregiment, waarvan Calvijn de vader geweest is, zich door den drang der behoefte en krachtens de wet der noodzakelijkheid, het classicaal-synodaal


1) Dr H.H. Kuyper, De verkiezing voor het ambt, blz. 8.
2) J. de Jong, De voorbereiding en constitueering van het kerkverband der Ned. Geref. Kerken in de 16e eeuw, blz. 17.
3) G.V. Lechler, Geschichte der Presbyterial und Synodalverfassung seit der Reformation No. 11 van het Haagsche Genootschap, vierde reeks 1, 2, p. 67 noot 2.
Zie J. de Jong, De voorbereiding enz. blzz. 18-19.
4) Zie B. Parker, De Politeia Ecclesiastica, cap. XXV, aangehaald bij J. de Jong, De Voorbereiding, enz. blz. 18.

|387|

kerkregiment, dat er in kiem in besloten lag, ontwikkeld heeft.

Het eerst bij de Gereformeerde kerken in Frankrijk. De reformatie breidde zich daar in korten tijd zóó snel uit, dat gemeente naast gemeente oprees — in 1561 waren er in Frankrijk reeds 2150 gemeenten — en dat al die gemeenten, om in de hitte der vervolging staande te blijven, de behoefte gevoelden, zich vast aaneen te sluiten. De aanleiding daartoe was de volgende: In het laatst van het jaar 1558 zond de kerk van Parijs haar dienaar Antoine Chandieu, een leerling van Calvijn, naar de kerk van Poitiers, om aldaar eenige gerezen geschillen uit den weg te ruimen. Hij vierde er met de gemeente het Avondmaal, waarbij ook nog andere dienaren uit den omtrek aanzaten. Na afloop daarvan bleven deze predikanten nog een wijle met elkander samenspreken over allerlei onderwerpen van de leer, de tucht en de inrichting der Kerk, en toen drong de gedachte zich aan hen op, dat het voor de eenheid en den welstand der kerken goed zou wezen, dat alle Gereformeerde kerken in Frankrijk één geloofsbelijdenis hadden en onder één en dezelfde kerkenordening leefden. Zij droegen dan ook aan Chandieu op, er met zijne gemeente te Parijs over te spreken, en voorbereidende maatregelen tot het samenroepen van een synode, te nemen. Deze stemde er mede in en zond al spoedig een schrijven rond om de instemming ook der andere gemeenten te vragen. Nadat deze verkregen was, riep zij tegen 25 Mei 1559 de eerste synode der Gereformeerde Kerken in Frankrijk te Parijs samen, die toen èn een geloofsbelijdenis èn een kerkenordening opstelde1). Opmerkelijk is echter, dat dit kerkverband niet eerst classicaal en zoo verder provinciaal en synodaal tot stand kwam, gelijk wij zouden verwachten, maar eerst synodaal, daarna provinciaal, en eindelijk classicaal2).

In navolging van de Fransche kerken zijn toen ook de Gereformeerde kerken in andere landen, n.l. in Schotland, Engeland, Polen, Bohemen, Hongarije, Duitschland, en zoo ook in Nederland, al spoedig geheel vrijwillig en op den grondslag van gemeenschappelijke belijdenis en kerkenordening tot de instelling


1) G.V. Lechler, Geschichte der Presbyterial und Synodalverfassung u.s.w. Zie ook J. de Jong, De Voorbereiding, enz. blz. 9.
2) Idem, s. 81 v.v.

|388|

van het synodaal-kerkverband overgegaan. Wat Nederland aangaat, is de reformatie zeker wel rechtstreeks door den invloed en in den geest van Calvijn en niet van uit Frankrijk door de Zuidelijke Nederlanden hier tot stand gekomen1), maar is het synodaal kerkverband toch wel in navolging van de Fransche kerken ingevoerd. Eerst in de Zuidelijke Nederlanden bij de Waalsche en Vlaamsche kruiskerken. Op den grondslag van de gemeenschappelijke geloofsbelijdenis van den Waalschen predikant Guido de Brès kwamen de Waalsche en Vlaamsche kruiskerken sedert 1563 in synodaal kerkverband samen en stelden zelfs een eigen kerkenordening op, in veel opzichten overeenkomende met de Fransche „Discipline ecclesiastique”. De plaatsen van samenkomst waren Teurs, 26 April 1563; Tournay (la Palme), 26 April 1563; en vooral Antwerpen (la Vigne), St. Jan 1563, 15 Oct. 1563, 1 Mei 1564, 21 Nov. 1564, Pinksteren 1565, en 16 April 15662).

In navolging nu van de Fransche en Waalsche kerken hebben toen verder èn de kruiskerken in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, èn de vluchtelingen keken, die in Engeland (Londen, enz.), in Oost-Friesland (Embden), en aan den Benedenrijn (Keulen, Wezel, Aken), zich in een eigen synodaal kerkverband vereenigd.

De grondslag van dit synodaal kerkverband der Nederlandsche kerken werd te Wezel, 1568, voorbereid. Terecht zegt Ed. Simons: „In het algemeen is het convent te Wezel als een soort voortzetting der Waalsche synoden te beschouwen, niet slechts omdat velen der te Wezel vergaderde vluchtelingen vroeger aan die synoden hadden deelgenomen, maar vooral omdat hare besluiten in menig punt tot voorarbeid der Wezelsche artikelen gediend hebben”3). Op de synode te Embden, 1571, is het echter in eigenlijken zin eerst geconstitueerd of ingesteld, en wel op den grondslag van de gemeenschappelijke belijdenis des geloofs van Guido de Brès, die door onderteekening der synode officieel als de belijdenis


1) Zie Rutgers’ Calvijn’s invloed op de Reformatie in de Nederlanden, blz. 31 v.v.
2) C. Hooijer. Oude Kerkenordeningen, blz. 7-23.
3) Ed. Simons, Synodalbuch S. 30.

|389|

der Nederlandsche kerken werd aanvaard en door het vaststellen van een kerkenordening, die „historisch en juridisch de grondslag van het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde kerken is en blijft”1). De volgende synoden, n.l. de particuliere synode te Dordrecht, 1574; en de nationale synoden te Dordrecht, 1578; te Middelburg, 1581; te ’s-Gravenhage, 1586; en te Dordrecht, 1618-’19, hebben op den te Embden gelegden grondslag het gebouw van het synodaal kerkverband verder opgetrokken en voltooid.

Het is vooral Marnix, Heer van St. Aldegonde, geweest, die hierop grooten invloed geoefend heeft. In het jaar 1566 bezocht hij zelf tweemaal de Waalsche Synode onder het kruis te Antwerpen. Deze vergaderingen zullen hem wel hebben overtuigd van het hoog belang van dergelijke samenkomsten. Het denkbeeld om in 1568 te Wezel samen te komen, is zeer waarschijnlijk het eerst in de ziel van Marnix opgekomen. De eerste stoot voor die samenkomst is ongetwijfeld van hem uitgegaan. Van den beginne aan had hij de vereeniging der kerken, die met de reformatie meegingen, in één kerkverband, op het oog. In een brief van 10 Jan. 1569, aan Pieter Carpentier, ouderling te Londen, gericht, ontwikkelde hij principieel het Gereformeerde stelsel van kerkregeering. En in een brief, dien hij in Maart 1570 met Caspar van der Heyden namens de gemeenten van Heidelberg en Frankenthal aan de verstrooide gemeenten in Engeland en Duitschland schreef, verzocht hij deze deputaten te willen zenden, om over een drietal belangrijke punten, den welstand van het kerkelijk leven betreffende, een samenspreking te hebben. Maar vooral blijkt zijn grooten invloed op de vereeniging der kerken in één kerkverband uit zijn bemoeiingen ter voorbereiding van de synode te Embden, 15712).

 

2. De noodzakelijkheid.

De Gereformeerde kerken hebben de noodzakelijkheid van het presbyteriaal-synodaal kerkverband gehandhaafd, eenerzijds


1) Lohman en Rutgers, Rechtsbevoegdheid, enz. blz. 55 en J. de Jong, De Voorbereiding, enz. blz. 24.
2) J. de Jong, De Voorbereiding enz. blz. 61 v.v.

|390|

tegenover het Roomsche, Luthersche en Collegialistische systeem, waar men wel eene soort meerdere vergaderingen erkende, maar dan in den zin van hoogere besturen, waaraan de kerkeraden der plaatselijke kerken onderworpen zijn en hun macht ontleenen, met dit onderscheid, dat deze bestuursmacht bij Rome in de pauselijke macht, bij de Lutherschen in de overheidmacht en bij de Collegialisten in de volkssouvereiniteit uitkomt; anderzijds tegenover de Independenten en Anabaptisten, die van een vaste combinatie of van een eigenlijk kerkverband niets wilden weten. En wel:

1e. Omdat de eenheid der kerken naar buiten moet blijken. De kerk is één lichaam, één organisme, omdat alle geloovigen in Christus één zijn. Alle geloovigen en alle gemeenten vormen het ééne lichaam van Christus, Rom. 12: 5; 1 Cor. 12: 12, 28; de gemeente Gods, 1 Cor. 15: 9; Gal. 1: 13; Filip. 3: 6; het gebouw, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is, Ef. 1: 22; het lichaam waarvan Hij het hoofd is, Col. 1: 18, 24; en worden als de eene ecclesia of gemeente van Christus samengenomen, Ef. 5: 32; en omschreven als het lichaam, de bruid en het pleroma van Christus1). Uit de innerlijke eenheid der geloovigen in Christus moet de eenheid der geloovigen en der kerken naar buiten volgen. Alle geloovigen moeten zich plaatselijk bij de kerk voegen en evenzoo moeten alle plaatselijke kerken met elkander gemeenschap oefenen en verband houden. Evenmin als een geloovige mag ook eene kerk op zich zelf blijven staan.

2e. Omdat ze wel niet voor het wezen, maar toch wel voor het wel-wezen der kerk noodig is. Een plaatselijke kerk kan op zichzelve, zonder nader verband wel bestaan, maar niet bloeien. Het kerkverband is dus, zooals Voetius zegt, niet noodig ad esse ecclesiae, d.i. tot het wezen der kerk, maar wel ad bene esse ecclesiae, d.i. tot het wel-wezen der kerk; en wel vooreerst, omdat „de eenheid van leer, tucht en cultus, waartoe de gemeente geroepen is; de orde, vrede en liefde, die zij te bewaren heeft; de gemeenschappelijke belangen, die haar zijn opgedragen, zooals de opleiding, roeping en zending van dienaren, missie onder de heidenen, ondersteuning van


1) Dr H. Bavinck, Geref. Dogm.2 IV blz. 301.

|391|

hulpbehoevende kerken, enz., niet anders dan door synoden tot hun recht kunnen komen”1); voorts, omdat zij het eenige middel zijn om de geschillen, die er in de strijdende kerk altijd weer over leer, tucht en dienst oprijzen, op een vreedzame wijze, door nauwkeurig onderzoek en ampele bespreking tot beslissing te brengen; en eindelijk, omdat zoo alleen het gevaar voor hiërarchie, voor verwarring en verdeeldheid voorkomen worde, de vrijheid der leden door de mogelijkheid van beroep op de meerdere vergaderingen bevestigd worde en de zelfstandigheid der plaatselijke kerken gehandhaafd blijft2).

3e. Omdat het voor het onderling kerkelijk verkeer noodig is. De ambtelijke dienst en de kerkelijke hulp is wederkeerig en moeten naar vaste regelen plaats hebben. Zoo bij verhuizing der leden van de eene naar de andere kerk. Wanneer er nu geen verband was, zou zulk een lid als een geheel vreemde aankomen en opnieuw weer moeten onderzocht worden. Nu hebben de kerken met elkander stilzwijgend afgesproken elkanders getuigenissen in den regel te vertrouwen en te erkennen en na overlegging van attestatie elkanders leden over te nemen; tenzij dan in tijden van kerkelijke twisten, want dan was er soms zooveel wantrouwen, dat er wel eens een nieuw onderzoek werd ingesteld. Evenzoo bij hulp in de bediening des Woords en der Sacramenten. Wanneer er geen kerkverband was, zou elke kerk, die een anderen dienaar liet preeken, telkens een onderzoek of examen moeten laten voorafgaan, om te weten, of hij in leer en leven onbesproken was. Nu wordt al die moeite en last voorkomen, door het classicaal examen, waardoor zulk een dienaar tevens het recht ontvangt in alle kerken van het kerkverband op uitnoodiging te mogen prediken; en door de kerkelijke attestatie, na vertoon waarvan hij zonder examen in eene andere kerk en classe wordt aangenomen.

 

3. De vereischten.

De vereischten voor het kerkverband zijn in hoofdzaak de volgende:


1) Dr. H. Bavinck, Idem blz. 475.
2) Voetius Pol. Eccl. IV, blz. 121-122.

|392|

1e. Dat de beginselen er voor uit de Schrift afgeleid moeten worden. Wel vinden wij in de Schrift geen rechtstreeksch gebod voor het synodaal kerkverband. Trouwens, zulke rechtstreeksche voorschriften van het kerkelijk leven staan er in de Schrift weinig. Zij bevat alleen beginselen, maar de toepassing van die beginselen liet zij aan de toekomstige kerken over. In het Oude Testament had de Heere zelf alles nauwkeurig voor de gemeente van Israël voorgeschreven. Maar in het Nieuwe Testament heeft Hij alleen de hoofdbeginselen neergelegd. Evenmin vinden wij in het Nieuwe Testament in eigenlijken zin een classicaal en synodaal verband. Maar er was toen ook nog geen behoefte aan, omdat de apostelen zelf nog leefden, de gemeenten met raad en daad bijstonden, en door de Evangelisten als hun helpers, lieten verzorgen.  Toch waren de gemeenten toen reeds door allerlei geestelijke banden aan elkander verbonden en hadden zij het recht elk op zich zelf kerkelijke vergaderingen te houden en ook afgevaardigden te zenden naar andere gemeenten en daar beslissing in kerkelijke geschillen te vragen. Wij wijzen op de volgende teksten:

Allereerst op Hand. 1: 12 v.v., waar een vergadering beschreven wordt van de apostelen met de 120 geloovigen in de opperzaal te Jeruzalem, biddend wachtende op de uitstorting des Heiligen Geestes, terwijl zij ondertusschen de vacature in het apostolaat aanvulden, door de verkiezing van Matthias, vss. 23-26; en op Hand. 6: 1-7, waar een vergadering van de apostelen met de gemeente te Jeruzalem voorkomt, ter verkiezing van zeven diakenen; eindelijk nog op Hand. 21: 17-18 v.v., waar Paulus in de vergadering van de ouderlingen te Jeruzalem ontvangen wordt, na zijn terugkomst van zijn derde zendingsreis, en verslag doet van zijn arbeid onder de heidenen. In deze drie hoofdstukken worden in beginsel kerkelijke samenkomsten der plaatselijke kerk beschreven.

Voorts op Hand. 15, waar het apostelconvent beschreven wordt. In dit hoofdstuk ligt tweeërlei: 1e. Dat de eene gemeente de voorlichting en de hulp der andere gemeente inroept. In de gemeente van Antiochië was een zekere beroering verwerkt door eenige Joodschgezinde Christenen, die beweerden, dat de besnijdenis ook voor de heiden-christenen noodig was tot

|393|

zaligheid. Om deze quaestie tot oplossing te brengen, riep zij de voorlichting en hulp in der gemeente te Jeruzalem, die onder leiding der apostelen stond. Niet alleen omdat zij zich niet in staat voelde deze quaestie alleen tot oplossing te brengen, maar ook omdat het een vraagstuk betrof, niet slechts voor de gemeente te Antiochië, maar voor alle gemeenten van de heiden-christenen van belang! Daarom zond zij een tweetal afgevaardigden, n.l. Paulus en Barnabas, om het oordeel en advies der gemeente te Jeruzalem, die onder leiding der apostelen stond, in te winnen. Eene eigenlijke synode was het dus niet. Er waren slechts twee kerken samen, niet door gelijkmatige afvaardiging van beiden, maar door afvaardiging van de eene naar de andere, om haar oordeel en beslissing te vragen. Het was veel meer eene soort extra-ordinaire gecombineerde kerkeraadsvergadering, die onder leiding der apostelen stond, en in tegenwoordigheid der gemeente te Jeruzalem gehouden werd.

En ten tweede, dat de apostelen met de ouderlingen te zamen, na langdurige deliberatie en groote twisting zelfs, vs. 7, onder leiding en goedkeuring des H. Geestes, vs. 28, een besluit genomen en op schrift gesteld en door een opzettelijk aan Paulus en Barnabas toegevoegde commissie van twee personen, n.l. Judas en Silas, aan de gemeente te Antiochië hebben laten overbrengen; een besluit, dat bindende kracht had en dan ook als een last aan alle gemeenten uit de heidenen werd opgelegd, vss. 28-29. Uit Hand. 15 volgt dus niet, dat classen en synoden geboden zijn en per sé gehouden moeten worden, want het bevat niet meer dan een voorbeeld van zulk een samenkomst, die er toen gehouden is, maar er mag toch wel uit afgeleid, dat classen en synoden tot wederkeerige raad en hulp toch wel juris divini permissivi, d.i. door Goddelijke toelating geoorloofd zijn en na ernstige overweging wederkeerig bindende besluiten mogen nemen.

Ten derde wijzen wij nog op Matth. 18: 15 v.v., waar wij den regel vinden, dat, wanneer één geloovige een tuchtzaak niet afkan, er telkens meerderen in betrokken mogen worden. Een beginsel, dat ook op het kerkverband van toepasisng is, zoodat een kerk, die een zaak niet afkan, andere kerken te hulp mag roepen; op 1 Cor. 11: 16: „Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch

|394|

de gemeenten Gods”, waarin Paulus aan de kerk van Corinthe, die door twisting verdeeld werd, de andere kerken, die twist en scheuring meden, ten voorbeeld stelt, waaruit ook duidelijk blijkt, dat de kerken op elkaar zien en van elkaar leeren moeten; en vooral ook op 2 Cor. 8: 1, 4, 19, vergelijk Rom. 15: 26, waar de apostel Paulus in de kerken van Macedonië en Achaje het besef opwekt, dat ze met elkander in verband staan en geroepen zijn elkaar, ook financieel, te helpen en te steunen, door in deze kerken een collecte te organiseeren voor de arme kerk te Jeruzalem1).

2. Dat het op geloofseenstemmigheid en op een gemeenschappelijke kerkenordening moet gegrond zijn. Alle kerken, die met elkander in verband treden, moeten met elkander overeenstemmen niet slechts in de belijdenis, maar ook in den kerkedienst en in de kerkenordening, althans wat de hoofdzaken aangaat2). Trouwens, op dien grondslag is ook het kerkverband door de Nederlandsche Gereformeerde Kerken aangegaan. Op hare eerste synode, te Embden, 1571, hebben zij alle de Nederlandsche Gereformeerde belijdenis aangenomen, hare eenigheid in belijdenis door onderteekening geconstateerd en voor de toekomst zooveel mogelijk gewaarborgd3); en daardoor tevens hare eenigheid betuigd inzake de hoofdbeginselen der kerkregeering, die, uit Gods Woord afgeleid, in de artt. 27-32 der belijdenis waren opgenomen4). In de gemeenschappelijke belijdenis lag dus de eenheid der kerken besloten. Zij was, zooals art. 2 der Embdensche kerkenordening reeds uitspreekt, de „ghetuyghnisse der onderlingher eendrachtigheyt” der kerken. In de aanvaarding der belijdenis lag ook de aanvaarding van een toetreding tot het kerkverband besloten, want het kerkverband rustte niet slechts op de belijdenis, maar was er organisch in begrepen. Wanneer een of andere kerk te goeder trouw in een of ander stuk der leer dwaalde, werd zij met geduld onderwezen, en verder genoodigd, gedrongen en vermaand zich tot den regel des geloofs te voegen;


1) Voetius, Pol. Eccl. IV blzz. 129-130.
2) Idem blz. 126.
3) Acta van Embden, 1571, artt. 2-5.
4) Rutgers, De geldigheid enz. blzz. 17-18.

|395|

en eerst nadat alle pogingen vruchteloos bleken, tenslotte van het kerkverband uitgesloten.

3e. Dat het geheel vrijwillig moet aanvaard. Evenals bij de stichting en uitbreiding der Christelijke kerken in de eerste en tweede eeuw, de kerken vrijwillig met elkander in verband traden, zoo is ook het kerkverband der Gereformeerde kerken in de 16e eeuw door vrijwillige confoederatie der plaatselijke kerken ontstaan1). zoo reeds de Waalsche en Vlaamsche kerken in de Zuidelijke Nederlanden, die in het geheim gevormd en in de geloofsovertuiging één, in navolging van de Gereformeerde kerken in Frankrijk, althans sedert 1563 geheel vrijwillig in classen en synoden samenkwamen2). Zoo ook de kerken van de Nederlandsche natie, die voor het eerst te Embden, 1571, vergaderden, maar niet „voordat alle kerken van de Nederlandsche natie, die op eenigerlei wijze konden geraadpleegd worden, niet slechts die in Duitschland, maar ook die in Engeland, niet slechts die in de verstrooiing waren, maar ook de kruiskerken  van het vaderland, alle zonder onderscheid in de zaak (n.l. in de samenkomst en in het kerkverband), bewilligd hadden3). En ook bij de verdere uitbreiding van het kerkverband werd geen enkele kerk gedwongen toe te treden, maar was het slechts van kracht, waar men het, òf door uitdrukkelijke verklaring, òf door de daad van aansluiting, vrijwillig had aanvaard. Was er een kerk, die zich aan het kerkverband, d.i. aan de ordening en samenkomst der classen en synoden onttrok, zooals dat met de kerk van Norwich het geval was, dan werd zij niet gedwongen, want daartoe had geen enkele classe of synode het recht, maar werd zij, met onuitputtelijk geduld genoodigd en gedrongen om zich ook vrijwillig aan te sluiten, totdat zij eindelijk het verzet opgaf4).

 

4. Het karakter.

In onderscheiding van het Roomsche, Luthersche, Independentische en Collegialistische kerkverband, draagt het Gereformeerde


1) Rutgers, De rechtsbevoegdheid enz. blz. 188 v.v.
2) Idem blzz. 191-192.
3) Idem, De geldigheid enz. blz. 15.
4) Idem blz. 25.

|396|

kerkverband een eigen karakter, dat in de volgende punten uitkomt:

1e. Dat het een wederkeerig verband is tusschen kerken en kerken, en niet tusschen kerken en personen, zooals een bisschop, een superintendent of een commissie van een hooger bestuur. Het kan wel worden uitgeoefend door middel van personen, maar deze zijn dan door de kerken daartoe gemachtigd. Trouwens, het kerkverband mag niet strekken om de plaatselijke kerken van hare macht en vrijheid te berooven, maar om deze te leiden, te sterken en te bevestigen. Meerdere vergaderingen mogen niet heerschen over de mindere, maar zijn er om de macht en den invloed der plaatselijke kerken te bevorderen. Classen en synoden leggen de regelingen niet bij wijze van magistrale voorschriften aan de kerken op, maar trachten door broederlijke samenspreking en gemotiveerde besluiten de zaken te leiden. De overheden, de magistraten schrijven de wetten voor en geven bevelen, zonder aan de onderdanen rekenschap te geven, maar de meerdere vergaderingen zijn geen overheden of hoogere besturen, die heerschen over de mindere. Het kerkverband mag de plaatselijke kerken niet verhinderen tot de reformatie van leer en leven over te gaan. Dit was vooral in den strijd tegen de Roomsche hiërarchie van belang. Immers, Rome ontkende het recht der plaatselijke kerken om tot reformatie der misstanden te besluiten. De Hervormers echter beweerden, dat elke plaatselijke kerk naar Gods Woord, hetwelk bovenal gaat, tot de reformatie van leer en leven moet overgaan en niet op de andere kerken behoeft te wachten. Het recht der reformatie hing er aan. Het gereformeerd kerkverband is ministerieel, niet hiërarchisch van aard.

2e. Dat het geen conferentie, maar eene communicatie en combinatie van kerken beoogt. Dit geldt vooral tegenover de Independenten, die van geen kerkverband willen weten. Elke kerk is, zooals John Robertson opmerkte, „independent quoad alias ecclesias sub ipso Christo”, d.i. onafhankelijk jegens andere kerken onder Christus zelf. Wel mogen meerdere keken samenkomen, maar zulk een samenkomst draagt dan het karakter van een conferentie, wier besluiten slechts adviseerende, geen bindende kracht hebben. De Gereformeerde kerken leeren, dat het kerkverband niet slechts een conferentie, maar

|397|

een communicatie en combinatie van kerken beoogt. Er is reeds een zekere communicatie of onderlinge gemeenschap of verkeer door het wisselen van brieven en het zenden van deputaten naar elkanders vergaderingen, al is zulk een verband nog zeer onvast. Maar het eigenlijke verband heeft plaats door eene vaste combinatie (certa combinatio), d.i. door het geregeld houden van meerdere vergaderingen, n.l. van classen en synoden, wier besluiten in onderworpenheid aan Gods Woord niet slechts adviseerende, maar ook bindende kracht hebben1).

3e. Dat het verband geen collegialistisch, maar een confoederatief karakter draagt, d.w.z. dat door deze combinatie van kerken geen nieuwe kerk wordt gesticht, maar de zelfstandigheid der plaatselijke kerken wordt erkend en gehandhaafd. Een samenkomst van meerdere kerken in classe of synode vormt geen nieuwe kerk, die dan als een hiërarchische macht of als een hooger bestuur boven de plaatselijke kerken komt te staan, want een kerk bestaat uit personen en niet uit meerdere kerken, terwijl een meerdere vergadering van kerken (classe, synode), geen unitas personarum sed ecclesiarum, d.i. geen eenheid van personen, maar van kerken is2). Voetius antwoordde dan ook reeds op de vraag: „Of en hoe classicale en synodale samenkomsten zichtbare en particuliere kerken zijn en alzoo genoemd kunnen worden?” Antwoord: „Eene kerk in het enkelvoud kunnen zij eigenlijk (proprie) niet genoemd  worden, maar alleen overdrachtelijk (tropice), omdat zij kerken repraesenteeren, en in die vergadering verbonden worden en handelen alsof zij ééne kerk waren (quasi Ecclesia una) ...... Hieruit blijkt, dat wij geenszins een nieuwen en onderscheiden vorm van kerk invoeren”3). De kerken zijn geen vrije vereenigingen, die dan volgens het Collegialisme of plaatselijk of gewestelijk of zelfs nationaal over heel het land zich kunnen uitstrekken. Zij vormen geen genootschap, dat zijn leden over heel het land verspreid heeft en weer in verschillende onder- of plaatselijke


1) Rutgers, De rechtsbevoegdheid enz. blz. 192.
2) Voetius, Pol. Eccl. IV blz. 118. Rutgers, De rechtsbevoegdheid enz. blz. 304.
3) Voetius, Pol. Eccl. IV blz. 167.

|398|

afdeelingen uiteenvalt. Maar zij zijn vrije en zelfstandige instituten of instellingen van Christus, die confoederatief vereenigd zijn en steeds hare vrijheid en zelfstandigheid behouden.

4e. Dat het geen consistoriaal, maar een classicaal of synodaal karakter draagt. De Lutherschen leeren, dat de vorst des lands als summus episcopus, d.i. als opperste bisschop zijn gezag uitoefent door tal van autoriteiten, die hij zelf benoemt, van lager tot hooger: superintendent en generaal-superintendent, aan welks hoofd een consistorie of opper-kerkeraad staat, door den vorst gekozen, in den regel uit de predikanten van de hoofdstad. De Gereformeerden leeren echter, dat het kerkverband, door vrije toetreding der plaatselijke kerken classicaal en synodaal tot stand komt. Uitgangspunt ligt in de plaatselijke kerk; alle plaatselijke kerken zijn zelfstandige kerken naast elkaar; deze plaatselijke kerken treden vrijwillig met elkander in verband; enkele naburige kerken vormen zoo een classe, en de kerken van verschillende classen vormen een particuliere synode; en de kerken van alle particuliere synoden vormen met elkander de generale synode. De Gereformeerde kerken zorgden er dan ook voor, dat zij alle kerken niet in een enkele groote vergadering vereenigden, maar dat zij meerdere kleinere en grootere vergaderingen in het leven riepen, omdat het kerkverband niet mag dienen om elkaar te belemmeren, maar te dienen; en dat geschiedt het best in kleinen kring1).


1) Voetius, Pol. Eccl. IV blz. 120.