93
38,580-581
29-09-2005

Rubriek: Alles met orde

|580|

Verkiezing van ambtsdragers [1]

 

Alles met orde — Vragen over de kerkorde

Met deze bijdrage wordt aan de rubriek ‘Alles met orde’ waarin vragen over de uitleg en de toepassing van de kerkorde worden besproken, nieuw leven ingeblazen. Bij het onderbreken van de serie een paar jaar geleden speelden verschillende motieven een rol. De vragen over het functioneren van de hervormde kerkorde werden minder relevant toen duidelijk werd dat de vereniging van kerken steeds dichterbij kwam: de hervormde kerkorde was ‘nabij de verdwijning’. Alle aandacht ging uit naar (het verzet tegen) de toekomstige kerkorde van de verenigde kerk, en daarvoor was deze rubriek niet bedoeld.
Inmiddels is een nieuwe situatie ingetreden: de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland is van kracht voor alle gemeenten en we staan nu voor de opgave om met de regelgeving van deze kerkorde vertrouwd te raken. De toepassing van de nieuwe regels roept allerlei vragen op en in deze rubriek gaan we op een aantal van deze vragen in.

 

Verkiezing ambtsdragers

In de komende maanden moeten in veel gemeenten weer ambtsdragers gekozen worden. Van oudsher waren de ambtsdragers immers per 31 december aftredend. Die datum is nu niet langer voorgeschreven: elke gemeente kan zelf in de plaatselijke regeling bepalen in welke maand men de verkiezing van ambtsdragers wordt gehouden (ord. 3-7-6). Steeds meer gemeenten gaan ertoe over om die verkiezing in het voorjaar te laten plaatsvinden en niet midden in het drukke winterseizoen. Omdat in het merendeel van de gemeenten nog de oude datum wordt gevolgd, bespreek ik deze keer een aantal vragen rond de verkiezing van ambtsdragers.

 

Tweemaal herkiesbaar?

Een van de meest ingrijpende veranderingen is dat in de kerkorde van de Protestantse Kerk de ouderlingen en diakenen slechts eenmaal terstond als ambtsdrager herkiesbaar zijn (ord. 3-7-1). Voorheen kon men tweemaal herkozen worden, zodat men kon uitkomen op een zittingstijd van twaalf jaar.
Een veel gestelde vraag is: geldt deze nieuwe regel ook voor ambtsdragers die vóór 2004 waren gekozen? Of mogen zij nog (volgens de oude regel) twee keer herkozen worden. Soms wordt daaraan toegevoegd: aan ‘verworven rechten’ mag toch niet getornd worden?
Het antwoord moet luiden: de regel dat men slechts eenmaal herkiesbaar is, is op 1 mei 2004 van kracht geworden en geldt vanaf dat moment voor alle ambtsdragers. Er is geen sprake van een verworven recht, want de verkiezing tot ambtsdrager gold voor vier jaar en (ook onder de hervormde kerkorde) had geen enkele gekozen ambtsdrager recht op herverkiezing. De gemeente had altijd het volste recht om iemand na vier jaar niet opnieuw te verkiezen. Wie dus twee termijnen heeft gediend, is niet terstond herkiesbaar.
Er bestaat wel een mogelijkheid om dispensatie te vragen aan het breed moderamen van de classicale vergadering (ord. 3-7-1). Maar die kan alleen ‘per geval in bijzondere omstandigheden’ worden verleend. Dus men zal altijd eerst aan de gemeente om namen moeten vragen. Alleen als er geen namen binnenkomen en als de kerkenraad zelf ook niet in geslaagd is andere kandidaten te vinden, kan overwogen worden aan de classis om dispensatie te vragen om voor een bepaalde ambtsdrager een tweede herverkiezing mogelijk te maken. Een classicale vergadering kan in geen geval een algemeen besluit nemen dat aftredende ambtsdragers — bij wijze van uitzondering — deze keer nog voor een tweede maal herkiesbaar zijn.

 

Verkiezing per ambt

Vroeger moesten per vacature namen worden ingediend van personen die men wilde voordragen. Als er voor een ambtsdrager die aftredend en herkiesbaar was geen namen werden ingediend, kon deze door de kerkenraad zonder meer herkozen worden verklaard.
Nu moeten namen worden ingediend per ambt. Dat wil zeggen: als er vacatures in het ambt van ouderling, van diaken of van ouderling-kerkrentmeester ontstaan wordt aan de gemeente gevraagd om namen in te dienen van personen die ze geschikt achten voor ouderling, voor diaken of voor ouderling-kerkrentmeester. Als er bijvoorbeeld vier ouderlingen aftredend zijn waarvan er twee herkiesbaar zijn, wordt aan de gemeente gevraagd om namen voor ouderlingen voor de vier vacatures die ontstaan. De kerkenraad kan daarbij vermelden welke ambtsdragers wel en welke niet herkiesbaar zijn. De gemeente is dan in de gelegenheid om namen te noemen, van de herkiesbare ambtsdragers en van andere verkiesbare gemeenteleden. Men is vrij om een of twee namen te noemen, maar ook vier of vijf. Als in de gemeente niet voor de procedure met dubbeltallen (van ord. 3-6-6) is gekozen en men de gewone verkiezingsprocedure (van ord. 3-6-4) volgt, worden alle namen die door tien of meer stemgerechtigde leden zijn ingediend op de verkiezingslijst voor ouderlingen geplaatst. De kerkenraad kan daaraan zonodig de namen van de beide ambtsdragers die zich herkiesbaar hebben gesteld toevoegen, zodat de gemeente zelf uit deze lijst vier ouderlingen kan kiezen voor de komende vier jaar. Alleen als — in dit voorbeeld — op de verkiezingslijst niet meer dan vier

|581|

namen of minder staan, kan de kerkenraad hen zonder meer verkozen verklaren (ord. 3-6-5).

 

Verkiezing ouderling-kerkrentmeester

Bij de verkiezing van een ouderling-kerkrentmeester gelden dezelfde regels als voor de andere ambtsdragers. Ook al is er bij hen in strikte zin geen sprake van een apart ambt (ze behoren volgens art. V-1 en 3 tot de ouderlingen) wordt aan de gemeente gevraagd om namen te noemen voor het ambt van ouderling-kerkrentmeester. Zij moeten immers over de gaven en deskundigheden beschikken die hen voor het vervullen van deze specifieke taak in het ambt van ouderling geschikt maken. Er wordt voor de verkiezing van de ouderlingen-kerkrentmeester dan ook een aparte lijst gemaakt waarop de namen komen van hen die door tien of meer stemgerechtigde leden zijn voorgedragen. Ook nu kan de kerkenraad zelf namen toevoegen aan de verkiezingslijst. Het college van kerkrentmeesters heeft niet langer een bevoegdheid van bindende voordracht maar het kan wel een aanbeveling doen aan de kerkenraad die dan zelf kan beslissen of hij deze aanbeveling overneemt.