88
29,484
20-07-2000

Rubriek: Alles met orde

|484|

Hervormde wijkgemeente in SoW

 

Naar aanleiding van een spreekbeurt over ‘de gevolgen van het SoW-proces voor een centrale gemeente’ ontving ik een brief met daarin onder meer de volgende vragen (met het oog op de beantwoording heb ik de alinea’s genummerd, PvdH):
1. ‘Eén van de dingen, die bij de overwegingen rond het SoW-proces een rol spelen, is de mogelijkheid, om als (wijk)gemeente “hervormd” te blijven. Mijn vraag in deze is, welke consequenties hieraan in kerkordelijke zin zijn verbonden….
2. Zoals u stelde, wordt bij een eventuele volledige fusie van de drie SOW-kerken een plaatselijke gemeente niet automatisch een “protestantse” gemeente. Hiertoe moet een concreet besluit genomen worden. Wanneer men niets doet, blijft men Hervormd. Dat is mij duidelijk. Zou wijkgemeente X van Y een doorsnee dorpsgemeente zijn, dan zou er ook geen probleem zijn. Dan bleef zij Hervormd.
3. Wij behoren echter tot een centrale gemeente met twee wijkgemeenten. Zoals u stelt, kan in Y nooit een protestantse gemeente gevormd worden, als daarvoor in de centrale kerkenraad geen meerderheid aanwezig is. Met andere woorden: een hervormde wijkgemeente en een protestantse wijkgemeente kunnen niet gelijktijdig gevormd worden.
4. Ik lees echter in de toelichting bij de ontwerp-ordinanties bij de ontwerp-kerkorde (blz. 25): “Het kan zijn, dat er binnen de vaak wat grotere gemeenten wijkgemeenten zijn, die om uiteenlopende redenen voor zichzelf een vereniging niet wensen. Voor die wijkgemeenten is er de mogelijkheid om als hervormde, gereformeerde of evangelisch lutherse wijkgemeente binnen het verband van de protestantse gemeente te blijven functioneren.” Betekent dit dan toch dat een centrale gemeente in staat van hereniging met daarin een hervormde wijkgemeente?
5. Mijn volgende vraag is deze: wanneer in een situatie als in Y de centrale kerkenraad toch tot eenwording zou besluiten, welke is de positie van de wijkgemeente, die Hervormd wil blijven? Kán deze zich dan eigenlijk wel Hervormd blijven noemen? En wat zijn de consequenties voor het preekbeurtenrooster, voor de plaats (het kerkgebouw), waar men als gemeente bijeen komt en voor de financiële afwikkeling?
6. Is hierover gedacht? Zijn hiervoor landelijke richtlijnen in de maak? Of moet men in elke gemeente maar naar bevind van zaken handelen? …
7. Bovenstaande vragen zijn immers van cruciaal belang. Van elke (wijk)kerkenraad zal te zijner tijd gevraagd worden, hoe zijn visie is ten opzichte van “Samen op Weg”. Met andere woorden: elke (wijk)kerkenraad komt voor de beslissing te staan: gaat men deel uitmaken van de Verenigde Kerk of vormt men een zelfstandige plaatselijke groep van voormalige gemeenteleden, al dan niet gebundeld in een regionaal of landelijk verband. We weten immers allen, dat de kerk in dit opzicht in een kritieke fase verkeert’.
Tot zover de vragensteller.

 

Hervormd blijven

De vragen die in deze brief aan de orde zijn, leven bij velen in onze kerk. Daarom grijp ik de gelegenheid aan er wat dieper op in te gaan.
De stelling in alinea 2 is juist. Geen enkele gemeente en geen enkele wijkgemeente wordt automatisch een protestantse (wijk)gemeente. Met een ‘protestantse’ (wijk)gemeente bedoelen we een (wijk)gemeente die zich verenigd heeft met een gereformeerde en/of een lutherse (wijk)gemeente (ord. 2-12-1 VPKN) of een (wijk)gemeente die zich wilde verenigen maar daarvoor niet de mogelijkheid had (ord. 2-12-5 VPKN).
Met andere woorden: een vereniging komt uitsluitend tot stand doordat de kerkenraad van een gemeente na beraad in de gemeente zelf kiest voor vereniging. De vereniging van een plaatselijke (wijk)gemeente kan niet ‘van hoger hand’ worden opgelegd.
In alinea 3 zou een misverstand kunnen ontstaan. De centrale gemeente kan niet verenigen (dus een protestantse gemeente met wijkgemeenten worden) als daarvoor in de centrale kerkenraad geen meerderheid aanwezig is. Dat is juist.
En zolang de centrale gemeente niet is verenigd, kunnen de afzonderlijke wijkgemeenten ook niet tot vereniging overgaan. Dan zouden immers ook de gereformeerde en/of lutherse ambtsdragers en gemeenteleden van een verenigde wijkgemeente deel uitmaken van de hervormde centrale gemeente.
Met andere woorden (zie de slotzin van alinea 3): een hervormde wijkgemeente en een protestantse wijkgemeente kunnen niet gelijktijdig gevormd worden zolang de centrale gemeente niet is verenigd tot een protestantse gemeente!
Maar het omgekeerde kan wel. Als de centrale gemeente verenigd is tot een protestantse gemeente, is het niet noodzakelijk dat de afzonderlijke wijkgemeenten zich ook verenigen. Daarover beslissen ze — zoals gezegd — immers zelf. Het is dus denkbaar, en het zal ongetwijfeld veelvuldig voorkomen, dat een verenigde centrale gemeente (in kerkorde-taal: een protestantse gemeente met wijkgemeenten, ord. 2-12-7 VPKN) wordt gevormd door wijkgemeenten die onderling verschillen. Daaronder kunnen zowel protestantse als hervormde, gereformeerde en lutherse wijkgemeenten zijn. Dat is de situatie waarop de toelichting op blz. 25 doelt (zie alinea 4).
Samengevat:
— Een protestantse wijkgemeente in een hervormde centrale gemeente kan niet;
— Een hervormde (en een gereformeerde, lutherse of protestantse) wijkgemeente in een protestantse ‘centrale’ gemeente kan wel.

 

Minderheidspositie

Alinea 5 stelt de situatie aan de orde dat een centrale kerkenraad in meerderheid besluit tot vereniging, terwijl er een hervormde wijkgemeente is die zelf niet wil verenigen. Kan zij zich eigenlijk wel hervormd blijven noemen.
Wat de naam betreft is er geen probleem: ze moet zichzelf zelfs hervormd blijven noemen, want dat is kerkordelijk haar naam. Maar de achterliggende vraag is natuurlijk: stelt die naam nog wat voor?
Principieel geldt van deze hervormde wijkgemeente dat ze verbonden is met de belijdenis van het voorgeslacht (die dus alle belijdenisgeschriften van de Verenigde Kerk omvatten) maar dat ze zich in het bijzonder verbonden weet met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde traditie. Deze bijzondere verbondenheid wordt door de kerk erkend en gerespecteerd: daarop mag ze de kerk aanspreken en daarop mag ze aangesproken worden. Daardoor wordt haar identiteit, haar confessionele status gekenmerkt.

Wat de meer praktische vragen betreft:
In een verenigde centrale gemeente zullen de taken die nu door de (hervormde) centrale kerkenraad worden behartigd, in het algemeen worden waargenomen door de algemene kerkenraad waarvan de leden worden aangewezen door de wijkkerkenraden (ord. 4-7-2 VPKN). Ook de hervormde wijkgemeente wijst één of meer leden van de algemene kerkenraad aan.
Als de hervormde wijkgemeente in de minderheid is en er tegen haar wil tot vereniging van de centrale gemeente is besloten, zal dat ertoe leiden dat de wijkgemeente nog meer in de minderheid komt. Ik begrijp best dat daar de voornaamste zorg van de vragensteller ligt (en niet van hem alleen).
Nu moet ik daarbij allereerst aantekenen dat in het ontwerp-kerkorde voor de Verenigde Kerk de nadruk op de wijkgemeente is versterkt. In ord. 4-7-4 staat ‘dat de taak en bevoegdheid van de wijkkerkenraden alles omvatten (curs. PvdH) wat tot de taak en bevoegdheden van de kerkenraad behoort’. Als we in datzelfde artikel nagaan wat er voor de algemene kerkenraad nog overblijft dan is dat kort gezegd: coördinatie, de financiën en de rechtspositie.
Wat de concrete voorbeelden uit alinea 5 betreft:
— de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten berust bij de wijkkerkenraad, dus ik ga er van uit dat het preekbeurtenrooster door de wijkkerkenraad wordt vastgesteld. Op dit punt lijkt de wijkkerkenraad meer vrijheid te krijgen dan nu het geval is;
— in welk kerkgebouw de kerkdiensten van elke wijkgemeente worden gehouden, is natuurlijk een zaak die niet door de afzonderlijke wijkkerkenraden kan worden vastgesteld. Dat is echt een aangelegenheid van coördinatie en daarover zal dus de algemene kerkenraad moeten beslissen (net zoals dat nu het geval is);
— ook de financiën zijn net als nu een zaak van de algemene kerkenraad: aan het college van kerkrentmeesters is de zorg voor de financiën toevertrouwd, onder eindverantwoordelijkheid van de algemene kerkenraad (ord. 11-1-6 en 11-3-1 VPKN).
Het komt er op aan dat men in een dergelijke situatie leert op een verantwoorde wijze ruimte te scheppen voor minderheden, zodat er ook voor hen een eerlijke plaats in het geheel wordt ingeruimd. Dat is — om zo te zeggen — ‘goed hervormd’. Zo hebben we geleerd in de Nederlandse Hervormde Kerk met elkaar om te gaan.
De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat wij daar als hervormd-gereformeerden zelf niet zo goed in zijn: het ligt ons beter om ruimte te vragen dan ruimte te geven. Nu zegt het spreekwoord: ‘zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten’. Wij zijn bevreesd dat de kerkelijk gereformeerden er (net als wij) niet zo goed in zijn aan een minderheid ruimte te geven, en er is enige grond voor deze ongerustheid. Lange tijd gold immers de regel binnen de Gereformeerde Kerken dat de minderheid zich moest voegen naar het gevoelen van de meerderheid (zoals art. 31 van de gereformeerde kerkorde luidt).
Een markant verschil tussen ons beiden is echter dat zij niet langer vasthouden aan de opvatting dat ieder op dezelfde wijze dient te geloven en aan zijn geloof vorm dient te geven. In de visie op het kerk-zijn is binnen de Gereformeerde Kerken een grote mate van ruimte gekomen, waardoor er veel meer plaats is gekomen voor verscheidenheid.
Voor een hervormde wijkgemeente die op een verstandige en constructieve wijze bereid is om mee te zoeken naar wegen die begaanbaar zijn (voor de anderen èn voor onszelf), zal in de regel ruimte om te leven worden geschapen. En als het helemaal fout loopt is er altijd nog de zelfstandige kerkelijke rechtspraak waarop een beroep kan worden gedaan (alweer: net zoals dat nu het geval is).

 

Plaatselijke regeling?

Van een andere zijde is mij de vraag voorgelegd of men de toekomstige identiteit zou kunnen vastleggen in de plaatselijke regeling zoals die nu op grond van de hervormde kerkorde wordt vastgesteld. Men zoekt daarin een soort waarborg om een bepaalde lijn ergens te kunnen verankeren.
Naar mijn inzicht zijn dat geen zaken die in een plaatselijke regeling thuishoren. Een plaatselijke regeling regelt vooral bevoegdheden. Het lijkt mij toe dat de vragen met betrekking tot de identiteit en hoe men daarmee in de toekomst wil omgaan, veelmeer thuishoren in het beleidsplan van de gemeente.
Daarin kan worden vastgelegd dat men ook in de toekomst ruimte wil blijven scheppen voor de hervormd-gereformeerde prediking en voor een of meer wijkgemeenten die vanuit deze verkondiging aan hun gemeenteleven willen vormgeven.
We moeten eerlijk zijn: geen enkele gemeente kan een garantie geven dat er over 50 jaar nog een predikantsplaats zal zijn die georiënteerd is op de Gereformeerde Bond (gesteld dat die dan nog bestaat, want ook dat kan niemand garanderen). Een dergelijke garantie kan ook binnen de hervormde kerk niet worden afgegeven.
Maar we mogen elkaar er wel op aanspreken dat aan een stroming die deze verkondiging begeert, een eerlijke plaats wordt gegeven, ook waar zij in een minderheidspositie verkeert. Ze neemt een legitieme plaats in binnen het geheel van de Verenigde Kerk, als die tot stand zal zijn gekomen. Er is niets dat er op wijst, dat haar die plaats zal worden onthouden.

 

Tenslotte

In alinea 7 ontmoeten we de gedachte dat elke (wijk)kerkenraad te zijner tijd voor de beslissing komt te staan of men deel gaat uitmaken van de Verenigde Kerk. Daarop wil ik later dit jaar nog eens uitvoeriger terugkomen, maar ik moet nu al zeggen dat ze op een vergissing berust.
Voorlopig hoop ik dat iets duidelijker is geworden hoe we ons de positie van een hervormde wijkgemeente binnen de Verenigde Kerk moeten voorstellen.