88
27,451
06-07-2000

Rubriek: Alles met orde

|451|

De rechtspositie van de pastoraal werker (2)

 

Aanstelling als vrijwilliger

Voordat de procedure voor de aanstelling van een betaalde pastoraal werker wordt beschreven, moet ik wijzen op ord. 9-9-5 (samen met ord. 13-36-1). Daar wordt namelijk de mogelijkheid geopend van een onbezoldigd pastoraal werker die dus als vrijwilliger een officiële aanstelling ontvangt. Deze moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en dus ‘de bevoegdheid van kerkelijk werker bezitten’ maar beschikt over eigen inkomsten en wil de kerk onbezoldigd in de vrije tijd dienen. In dit geval is er hoogstens sprake van een ‘billijke vergoeding’. In de praktijk komt het er op neer dat eventuele reiskosten worden vergoed en er een vergoeding in de vorm van een geschenkenbon of iets dergelijks wordt gegeven.
In dit geval is er geen goedkeuring nodig van andere kerkelijke organen. Vrijwilligers mogen altijd worden ingezet, mits ze bevoegd zijn.
Het is de kerkenraad die benoemt. Met het oog op de financiële aspecten is het belangrijk om overleg te plegen met het college van kerkvoogden.
Het verdient verder aanbeveling om de afspraken schriftelijk vast te leggen, waarin de omvang en inhoud van de te verrichten werkzaamheden en de eventuele onkostenvergoeding zijn vastgelegd.1 Daarin kan tevens worden herinnerd aan de geheimhoudingsplicht.
Oorspronkelijk werden alleen pastoraal werkers met een fulltime aanstelling in een betaalde functie in de bediening gesteld. Daaraan herinnert nog de formulering uit ord. 9-9-3: ‘tot de bediening van kerkelijk werker in de catechese kunnen worden geroepen lidmaten der Kerk, die zich geheel aan deze arbeid willen geven…’ Dat voorschrift stamt nog uit de tijd toen er ook uitsluitend fulltime predikanten waren. De praktijk is nu dat men ook bij een parttime aanstelling2 en bij een onbezoldigde aanstelling als vrijwilliger in de bediening kan worden gesteld. Althans wanneer men aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet.

 

Een bezoldigde pastoraal werker

Als het om de aanstelling van een bezoldigde pastoraal werker gaat, is er heel wat meer nodig. Om te beginnen moet de kerkenraad — zelfs voordat men op zoek gaat naar een geschikte kandidaat — contact opnemen met het breed moderamen van de Provinciale Kerkvergadering (ord. 13-36-2). Dit breed moderamen moet vaststellen
* of er in de gemeente behoefte bestaat aan een kerkelijk werker en
* of de benodigde financiën voor de aanstelling van een kerkelijk werker aanwezig zijn.
Het lijkt misschien merkwaardig dat de P.K.V. moet vaststellen of er behoefte aan een pastoraal werker is. Kan de gemeente dat niet zelf beoordelen? Toch zijn er situaties denkbaar dat de P.K.V. daar terecht vragen bij kan stellen. Bijvoorbeeld als een vacante gemeente in feite helemaal niet meer probeert de vacature te vervullen door een predikant te beroepen omdat men in een pastoraal werker een (goedkoop) alternatief denkt te kunnen vinden voor een eigen predikant.
Als er plannen zijn om tot aanstelling van een pastoraal werker over te gaan is het dus verstandig in een vroeg stadium in overleg te treden met het provinciaal bureau. Daar kan men inlichtingen inwinnen en modellen verkrijgen van de formulieren die voor een aanstelling nodig zijn.
Bij die formulieren valt te denken aan een standaard aanstellingsbrief met bijbehorende instructie, de salarisschalen, de hoogte van de vergoedingen en aan informatie over de te volgen procedure.
Als deze stappen zijn gezet  kan de kerkenraad aan het werk om iemand te vinden.

 

De keuze en benoeming

De kerkorde maakt in ordinantie 17 onderscheid tussen keuze en benoeming.
De keuze van een pastoraal werker geschiedt door de kerkenraad. Daarbij gaat het over de vraag wie men met deze kerkelijke taak wil belasten. Er wordt door (een delegatie van) de kerkenraad met de betrokkene een gesprek gevoerd en als de kerkenraad tot de overtuiging is gekomen dat deze de juiste man of vrouw op de juiste plaats is, kan de kerkenraad hem of haar verkiezen. Als er gestemd moet worden in de kerkenraad is de procedure te vinden in ord. 1-25 (stemmingen over personen).
Vervolgens geschiedt de benoeming, eveneens door de kerkenraad (ord. 9-10-3 en ord. 13-36-3). Maar omdat deze benoeming wordt vastgelegd in een aanstellingsbrief waarin de arbeidsverhouding wordt geregeld, speelt ook het college van kerkvoogden een rol.
De aanstellingsbrief moet daarom zowel door de kerkenraad als door het college van kerkvoogden worden getekend.
Het college van kerkvoogden treedt op als werkgever in de zin van de wet, maar de kerkenraad bepaalt door middel van de instructie inhoudelijk welke taken aan de pastoraal werker worden opgedragen.

 

De procedure van de aanstelling

De kerkenraad vult het model van de aanstellingsbrief en van de instructie in en zendt die — samen met een kopie van het Testimonium Kerkelijk Werker — in vijfvoud naar het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering, ter goedkeuring (ord. 13-36-3).
De stukken moeten ondertekend te zijn door de preses en de scriba van de kerkenraad, door de voorzitter en de secretaris van het college van kerkvoogden en uiteraard door de benoemde pastoraal medewerker zelf.
Het breed moderamen van de P.K.V. controleert of alles aan de voorschriften voldoet, plaatst vervolgens zelf de benodigde handtekeningen en stuurt de stukken door aan het bureau P.P.& O. (Predikanten, Personeel en Organisatie) van het Landelijk dienstencentrum L.D.C. Pas als daar de arbeidsovereenkomst is bekrachtigd, is de aanstelling rechtsgeldig.

 

De algemene arbeidsvoorwaarden

De algemene arbeidsvoorwaarden zijn vastgelegd in de Arbeidsvoorwaardenregeling medewerkers SoW-kerken van januari 1999. Daarin horen we uit welke bestanddelen van het salaris is opgebouwd en worden regelingen vermeld ten aanzien van salarisgroepen en -schalen, vakantietoeslag en premiecompensatie, sociale premies en verhuiskosten, ziektekostenverzekering en sociale voorzieningen, periodieke verhogingen en pensioenvoorziening.
Er is ook een geschillenregeling opgenomen met een commissie van beroep. De rechten en plichten van kerkelijke werkers zijn nauwkeurig vastgelegd in de kerkordelijke regelingen. De concrete salarisbedragen zijn niet in deze regeling opgenomen maar worden in een aanhangsel vermeld.

 

De bevestiging of inleiding

‘Zij die een bediening aanvaarden, worden bevestigd in een kerkdienst, met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk’, zegt art. VII-6 van de hervormde kerkorde.
In het hervormde Dienstboek (in ontwerp) uit 1956 is op blz. 178-180 een orde van dienst voor de bevestiging in een bediening te vinden. In de onderwijzing wordt gezegd:

‘Bedieningen noemen wij zodanige diensten, die naast de ambtelijke arbeid van predikanten, ouderlingen en diakenen noodzakelijk of gewenst blijken ter voorziening in allerlei nood, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk. In haar christelijke vrijheid stelt de kerk dan zodanige bedieningen in en ziet zij uit naar gemeenteleden, die bekwaam geacht worden om deze te vervullen’.

Voorafgaan de aan de bevestiging wordt in het midden van de gemeente antwoord gegeven op de vragen:
* of men zich ‘van Godswege door de gemeente’ geroepen weet;
* of men de Heilige Schrift als de bron der prediking en als enige regel des geloofs erkent en in de arbeid wil blijven in de weg van het belijden der kerk, zich onderwerpende aan haar opzicht en tucht; en
* of men belooft door Gods genade de bediening nauwgezet en ijverig te vervullen en geheim te houden wat bij de uitoefening van de bediening vertrouwelijk ter kennis is gekomen, en zich te gedragen waardig aan de roeping waarmee men geroepen is.
Er wordt gewerkt aan deel 2 van het nieuwe Dienstboek voor de Samen-op-Weg kerken en men wil daarin ook een orde van dienst opnemen voor de bevestiging in een bediening. De bedoeling is dat dit deel in het jaar 2001 het licht kan zien.
Wie niet in de bediening wordt gesteld kan in een kerkdienst aan de gemeente worden voorgesteld, maar wordt niet officieel bevestigd.

 

Geheimhouding

Er mag echter geen enkele twijfel over bestaan: voor iedere kerkelijk werker in het pastoraat geldt de plicht tot geheimhouding. Het maakt daarbij geen verschil of men op arbeidsovereenkomst werkzaam is of ‘slechts’ als vrijwilliger een onbezoldigde aanstelling heeft ontvangen. De plicht tot geheimhouding geldt zowel voor degene die bevestigd is in de bediening als voor degene die in een pastorale functie is benoemd! Dat staat uitdrukkelijk vermeld in ord. 1-16-14:

‘Zij die een ambt dragen, en zij die een bediening of functie vervullen, zijn verplicht tot geheimhouding van al datgene, wat uit hoofde van de vervulling van ambt, bediening of functie vertrouwelijk te hunner kennis is gekomen.’

Het verdient aanbeveling wanneer iemand niet in de bediening wordt bevestigd maar in de functie van pastoraal werker wordt voorgesteld aan de gemeente, van deze geheimhoudings­­plicht in de kerkdienst uitdrukkelijk melding te maken en om de betrokkene eventueel daaraan te binden door middel van een belofte die in de kerkdienst wordt afgelegd.


1 Op aanvraag heeft het LDC, werkgroep kerkelijk werkers, daarvoor een model beschikbaar.

2 In de ordinantie voor het diaconaat is er trouwens al sprake van dat kerkelijke werkers die ‘tijd en krachten geheel of grotendeels aan die arbeid geven’ in de bediening kunnen worden gesteld (ord. 15-5-4).