88
18,296
04-05-2000

Rubriek: Alles met orde

|296|

De Hervormde Kerk niet meer presbyteriaal?

 

Geschokt is er gereageerd op de uitspraak van de rechtbank van Den Haag van 12 april 2000, waarin het standpunt van de procederende gemeenten is afgewezen ‘dat de Kerk is georganiseerd volgens het presbyteriaal beginsel, ofwel van onderaf’.
Hier is sprake van ‘een gerechtelijke dwaling’, we zijn ‘weer terug in de 19e eeuw’, de kerk heeft daarmee ‘een episcopaal karakter’ gekregen, de synode ‘gedraagt zich als bisschop’, zo viel te lezen!
Als de beschuldigingen gegrond zijn is er sprake van een ernstige situatie. Maar zijn ze ook waar? Het is tijd voor verheldering.

 

Drie kerktypen

Met een ruwe schets kan gezegd worden dat de kerken zijn in te delen in drie modellen.
* Allereerst is er het episcopale model: daarin staat de bisschop (episcopos) centraal;
* Daartegenover is er het congregationalistische model: daarin staat de plaatselijke gemeente (de congregatie) met de gemeentevergadering in het middelpunt;
* Tussen die beide in staat het presbyteriaal-synodale model van kerkregering: daarin berust de regering der kerk bij de ambtelijke vergaderingen.
Kort samengevat zou men kunnen zeggen:
* Bij het episcopale systeem heeft het centrale gezag alles te vertellen en de lokale gemeente niets;
* In het congregationalisme heeft de plaatselijke gemeente via de gemeentevergadering alles voor het zeggen en heeft een meerdere vergadering (classicale vergadering of synode) niets te vertellen;
* In een kerk met een presbyteriaal-synodale structuur zijn de verantwoordelijkheden verdeeld: over sommige zaken beslist de plaatselijke kerkenraad en over andere zaken beslissen de meerdere vergaderingen.

 

Presbyteriaal

‘Volgens de (procederende) gemeenten is sinds de reformatie sprake van een opbouw van de hervormde kerk van onderaf (presbyteriaal stelsel). Slechts onder Koning Willem I met zijn Algemeen Reglement van 1816 was de Kerk van bovenaf opgebouwd (episcopaal stelsel)… De Gemeenten beroepen zich erop dat het presbyteriale beginsel in de Kerkorde van 1951 wederom is aanvaard. Uit artikel I zou blijken dat de Kerk van onderaf is opgebouwd’, zo lees ik in de uitspraak van de rechtbank.
De procederende gemeenten zijn dus van mening dat het spoor van de reformatie en de structuur van de hervormde kerkorde van 1951 zijn verlaten! Het is te begrijpen dat zij daarop geschokt reageren.

 

Presbyteriaal-synodaal

Calvijn heeft inderdaad gekozen voor de presbyteriale vorm van kerkregering. Dat wil zeggen: de kerk wordt geregeerd door de ambtsdragers die in ambtelijke vergadering bijeenkomen. In de kerkenraad (het presbyterium) worden beslissingen genomen die de plaatselijke gemeente aangaan. Staatsrechtelijk gezien vormde Genève een zelfstandige grootheid (een stadstaat), Calvijn kende daarom ook kerkelijk alleen maar de plaatselijke structuur: alleen een kerkenraad, geen synode.
Maar zodra men de calvinistische gemeenten moest organiseren binnen een staatsrechtelijk gebied van grotere omvang (zoals in Frankrijk) kwam men tot een kerkelijke structuur waarin behalve aan de kerkenraden ook aan regionale ambtelijke vergaderingen (provinciale en landelijke synoden) verantwoordelijkheden werden toevertrouwd.
De eerste landelijke kerkorde van calvinistische signatuur is de ‘Discipline ecclesiastique’ van 1559 waarin de bevoegdheden van de synoden worden vastgelegd. Die bevoegdheden zijn niet onbeperkt (een synode is geen bisschop!), maar ook de bevoegdheden van de plaatselijke kerkenraden zijn niet onbegrensd.

 

In Nederland

Voor de kerk in de Nederlanden is vanaf het eerste begin gekozen voor het presbyteriaal-synodale systeem zoals dat in de franse kerk tot ontwikkeling was gekomen.
In 1568 werd de eerste samenkomst van predikanten gehouden voor ons land. Dat gebeurde in Wezel net over de grens, vanwege de Tachtigjarige Oorlog.
In die allereerste samenkomst is al gekozen voor het presbyteriaal-synodale systeem van kerkregering en men is (zo schrijft dr. W.F. Dankbaar in de herdenkingsbundel over het Convent van Wezel 1568-1968) in de latere jaren van het presbyteriaal-synodale systeem, geworteld in de ambten en de kerkelijke vergaderingen, waarvoor Wezel de fundamenten gelegd heeft, nooit meer afgeweken! Zo draagt ook de Dordtse kerkorde van 1618-1619 duidelijk een presbyteriaal-synodaal karakter.

 

Taken verdeeld

Dat wil zeggen dat de verantwoordelijkheden verdeeld worden.
* Een groot aantal zaken valt onder de verantwoordelijkheden van de plaatselijke kerkenraad. Ter plaatse kiest de gemeente zelf haar eigen ambtsdragers, men draagt zelf zorg voor de bediening van Woord en sacramenten, voor het pastoraat en de eredienst, voor diaconale hulpverlening en voor de financiën van de gemeente.
* Maar er zijn ook verantwoordelijkheden toevertrouwd aan de generale synode: zo beslist de synode bijvoorbeeld over het belijden en de kerkorde, over de opleiding tot het ambt van predikant en over de relatie tot de overheid, over de oecumene en de eenwording der kerken.
In de kerkorde worden regels vastgesteld die ook voor de plaatselijke gemeenten bindend zijn. Men kan niet plaatselijk eigen belijdenisgeschriften ontwerpen, nieuwe ambten instellen, een eigen predikantsopleiding beginnen, om maar eens iets te noemen. Daarover beslist de generale synode voor de kerk als geheel.
Dat een synode eigen bevoegdheden heeft, heeft niets te maken met een ‘episcopaal’ stelsel: dat is voluit reformatorisch ‘presbyteriaal-synodaal’. Wie aan de synode eigen bevoegdheden wil ontzeggen, begeeft zich meer in het spoor van het congregationalisme dat immers geen beslissende bevoegdheden toekent aan de meerdere vergaderingen.
Prof. Haitjema schrijft in zijn bekende boek over het Nederlands hervormd kerkrecht dat in het independentistische of congregationalistische stelsel ‘kerkelijke synoden geen bindend gezag hebben, dus zijn ze praktisch niet meer dan conferenties, die hoogstens dringende adviezen kunnen formuleren tegenover de in wezen soevereine gemeenten der gelovigen. Hier tegenover heeft de Dordtse Synode (1618-1619) de presbyteriaal-synodale grondlijnen voor het kerkrecht moeten handhaven’ (blz. 27).

 

De kerkorde van 1951

Dat de hervormde kerkorde van 1951 in het spoor van het klassiek gereformeerde kerkrecht geheel is ingericht volgens het presbyteriaal-synodale systeem hoeft na dit alles nauwelijks betoog. Steeds heeft  men de woorden ‘presbyteriaal-synodaal’ gebruikt om het karakter van de hervormde kerkorde aan te duiden. Het grote verschil met de Reglementen van de 19e eeuw is dat nu in de meerdere vergaderingen voluit de ambten bijeen komen: de classicale vergadering en de generale synode zijn niet slechts bestuursorganen maar ‘ambtelijke vergaderingen in de volle zins des woords. D.w.z. vergaderingen, waarin de ambtelijke bevoegdheden zich ‘accumulatief’ uitbreiden. Zodat classicale vergaderingen, provinciale synoden en generale synoden wezenlijk niet anders zijn dan ‘grote kerkenraden’, gesteld over een breder dan plaatselijk-kerkelijk ressort’ (Haitjema, blz. 29v).

 

Geen dwaling

Er is dus geen sprake van een rechterlijke dwaling, integendeel. De rechter heeft de structuur van de Nederlandse Hervormde Kerk juist getypeerd. We vormen niet een bundeling van autonome gemeenten, die naar believen de wettige beslissingen van een meerdere vergadering naast zich neer kunnen leggen.
We vormen een kerk, waarin gemeenten een (relatieve) zelfstandigheid hebben, maar die zijn samengevoegd tot een groter geheel en waarin de generale synode een eigen nauwkeurig omschreven bevoegdheid heeft.
Dat is door de rechter (opnieuw) bevestigd, in de uitspraak van 12 april 2000.