88
3,44
20-01-2000

Rubriek: Alles met orde

|44|

In hoger beroep?

 

Soms slaat de verwarring toe als plotseling de vraag wordt voorgelegd, welke regel moet worden toegepast. Soms geef je te snel antwoord, zonder eerst zorgvuldig de betreffende bepaling er op na te lezen, en dan kan het verkeerd gaan. Dat is me nog onlangs overkomen toen me gevraagd werd: ‘kan ook de klager beroep aantekenen als een bezwaar tegen belijdenis en wandel is afgewezen?’
Mijn antwoord was spontaan: ‘jazeker, er staat met zoveel woorden in ord. 11-8-1 dat niet alleen door degene tegen wie de beschuldiging is ingebracht (dus de ‘beklaagde’) maar ook ‘door degene, die de aanvankelijke beschuldiging heeft ingebracht’ (dus de ‘klager’) tegen een besluit van een regionale commissie voor het opzicht in beroep kan gaan. Dat betreft zowel een besluit waarin een tuchtmaatregel is opgelegd (ord. 11-7-3) als een besluit om geen tuchtmaatregel op te leggen (ord. 11-7-4).

 

De klager

Ik was daar op dat moment nogal zeker van omdat deze bepaling nog niet zo lang geleden in de kerkorde is opgenomen. Aanvankelijk was er voor de klager in de regeling voor het opzicht nauwelijks aandacht. Het gaat er bij het opzicht over belijdenis en wandel immers niet om dat aan de klager recht wordt gedaan. Het opzicht strekt (zo zegt ord. 11-4-1)
* tot behoud van hen, die dreigen af te dwalen,
* tot terechtbrenging van hen die in ergerlijke zonden zijn gevallen,
* tot opbouw van het geestelijk leven der gemeente en
* tot bewaring van de orde in het leven en werken der Kerk.
Wanneer iemand een beschuldiging inbracht, kreeg deze alleen bericht dat er een uitspraak was gedaan en wat deze inhield. Maar de klager hoefde niet gehoord te worden, kreeg niet de beschikking over de gemotiveerde uitspraak waarin de feiten en de overwegingen van de commissie voor het opzicht worden vermeld, en hij kreeg ook niet de gelegenheid om in hoger beroep te gaan.
Met ingang van 1996 is daarin echter verandering gekomen. Met name bij klachten ten aanzien van seksueel misbruik in een pastorale relatie werd het als zeer onbevredigend ervaren dat het slachtoffer na het indienen van de klacht eigenlijk volstrekt buitenspel stond, dat zij (meestal betreft het immers een ‘zij’) niet eens gehoord hoefde te worden en geen mogelijkheid had om hoger beroep aan te tekenen. Daarom heeft de generale synode in 1995 de regeling gewijzigd (na raadpleging van de classicale vergaderingen) waarbij de rol van de klager in de procedure duidelijker is geworden en aan de klager ook de mogelijkheid van hoger beroep is toegekend.

 

De concrete vraag

Nu weer terug naar de vraag die mij telefonisch was voorgelegd. Er was — zo werd mij verteld — tegen een verkozen ambtsdrager een bezwaar tegen belijdenis en wandel ingediend. Wanneer iemand de roeping tot het ambt heeft aanvaard, wordt dat aan de gemeente bekend gemaakt. Daarbij moet — zo staat in ord. 3-11-9 te lezen — de gemeente worden gewezen op de mogelijkheid om bezwaren tegen belijdenis en wandel van de voorgestelde, zo deze mochten bestaan, bij de kerkenraad in te dienen. De kerkenraad stuurt deze bezwaren onverwijld door naar de regionale commissie voor het opzicht die daarover een uitspraak moet doen.
De vragensteller vertelde me dat de klacht door de regionale commissie was afgewezen waarbij (zoals dat in ord. 11-7-4 voorgeschreven is) zowel aan de beklaagde als aan de klager was meegedeeld dat ze binnen dertig dagen tegen deze beslissing in hoger beroep konden gaan. De klager maakte van dit recht gebruik en meldde zich bij de generale commissie voor het opzicht.
Maar wat gebeurt? Korte tijd later wordt er een tweede brief van de regionale commissie voor het opzicht ontvangen, waarin zij meldt zich te hebben vergist! Tegen deze beslissing van de commissie was geen hoger beroep mogelijk, zo werd nu gesteld. De kerkenraad was daardoor nogal in verwarring geraakt en legde mij de vraag voor: kan een klager in hoger beroep, als een bezwaar tegen belijdenis en wandel door de regionale commissie is afgewezen? En — zoals gezegd — mijn antwoord was dat dit hoger beroep sinds 1996 inderdaad mogelijk is.

 

Een verkeerd advies

Daarmee heb ik een verkeerd antwoord gegeven. Ik heb te snel verwezen naar de bepalingen van ord. 11, terwijl in dit geval de bepalingen van ord. 3 van toepassing zijn.
In ord. 3-11-9 wordt vermeld dat gemeenteleden bezwaren tegen belijdenis en wandel van een verkozen ambtsdrager kunnen indienen. Ord. 3-11-10 vertelt vervolgens dat de regionale commissie beslist of de ingebrachte bezwaren van dien aard zijn dat de betrokkene niet in het ambt bevestigd kan worden. Mocht dat het geval zijn stelt de commissie tevens een termijn voor een nieuwe verkiezing vast. En tenslotte geeft ord. 3-11-11 aan dat ‘degene wiens verkiezing is verklaard niet van kracht te zijn’ zich binnen 14 dagen kan beroepen op de generale commissie voor het opzicht. In dit verband is van belang de toevoeging ‘waarbij de regelingen, gesteld in ordinantie 11-8-5 en 7, van overeenkomstige toepassing zijn’.
Met andere woorden: in dit geval kan alleen degene die gekozen is, in hoger beroep gaan als de regionale commissie voor het opzicht heeft uitgesproken dat het bezwaar tegen zijn ambtsvervulling terecht is. Daarbij moeten weer de gebruikelijke procedureregels worden gevolgd die in ord. 11-8-5 en 7 worden aangegeven. Maar er wordt nadrukkelijk niet verwezen naar ord. 11-8-1 waar aan de klager het recht van hoger beroep wordt verleend. Voor deze situatie is dus een bijzondere regeling getroffen die afwijkt van de algemene regel van ord. 11. Een speciale wet (lex specialis) heeft altijd voorrang boven een algemene regel (lex generalis).

 

Waarom dit verschil?

Ik heb me natuurlijk afgevraagd waarom in dit geval aan de klager geen hoger beroep is toegekend. Daarbij kunnen verschillende overwegingen een rol spelen:
* in de eerste plaats heeft de gemeente en hebben betrokkenen bij de verkiezing van ambtsdragers belang bij een snelle en korte procedure. Daarom zijn de termijnen om bezwaren in te dienen daarbij telkens korter dan in andere situaties gebruikelijk is. Men moet snel weten waar men aan toe is (een termijn van hoger beroep van 14 in plaats van 30 dagen in ord. 3-11-11, een termijn van bezwaar tegen de procedure slechts van twee dagen in ord. 3-24-1).
* ook bij een bezwaar tegen de verkiezingsprocedure is geen hoger beroep mogelijk: in dat geval geeft de provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen een eindbeslissing (ord. 3-24-2), dat wil zeggen een beslissing waartegen geen hoger beroep mogelijk is.
* bij de verkiezing van ambtsdragers heeft de klager een andere rol: het gaat er — zeker in deze situatie — niet om dat aan deze klager recht moet worden gedaan, maar om de vraag of de kerk van oordeel is dat er zulke ernstige bezwaren bestaan tegen de verkozene dat deze niet als ambtsdrager bevestigd kan worden in de gemeente.
* een belangrijk verschil met de bepalingen van ord. 11 is dat het bij de beslissing op een bezwaar tegen belijdenis en wandel van iemand die verkozen is tot ambtsdrager niet gaat om een tuchtmaatregel, of om het met de kerkordelijke term te zeggen: om een van de bijzondere middelen ter handhaving van de kerkelijke tucht zoals die in ord. 11-6-1 worden opgesomd. Zelfs als de commissie van oordeel is dat ‘de keuze niet van kracht kan blijven’ (ord. 3-11-10) zodat er iemand anders verkozen moet worden, kan dat niet gelden als een echte tuchtmaatregel hoewel het er misschien wel aan grenst. Het betekent alleen dat de kerk uitspreekt dat deze persoon niet als ambtsdrager kan functioneren in de gemeente.