87
49,823
16-12-1999

Rubriek: Alles met orde

|823|

Kerkelijke rechtspraak in de Gereformeerde Gemeenten

 

Onlangs verscheen een handleiding vanwege de Gereformeerde Gemeenten met het oog op de kerkelijke rechtspraak1. Het is een fraai uitgevoerde gebonden uitgave, met drie onderdelen: inleiding en verantwoording, handleiding en toelichting. Daarin worden nauwkeurig de procedures beschreven die bij de kerkelijke rechtspraak dienen te worden gevolgd. Daaronder vallen zowel de procedures met betrekking tot de kerkelijke tucht als de behandeling van bezwaren en geschillen.
Deze handleiding gaat uit van de bepalingen van de Dordtse kerkorde 1618/1619, zoals die in de Gereformeerde Gemeenten van kracht zijn. Deze kerkorde kent slechts een beperkt aantal globale bepalingen met betrekking tot de kerkelijke rechtspraak en het is daarom begrijpelijk dat er behoefte werd gevoeld aan uitgewerkte voorschriften. Want — anders dan de titel doet vermoeden — de Handleiding heeft een verbindend karakter. Men heeft zich daaraan binnen de Gereformeerde Gemeenten te houden, wil er van een verantwoorde procedure sprake zijn.
In de Nederlandse Hervormde Kerk zijn veel van deze bepalingen sinds jaar en dag opgenomen in de hervormde kerkorde (vooral in ordinantie 11 over het opzicht en ordinantie 19 over de behandeling van bezwaren en geschillen), zodat in onze kerk aan een dergelijke uitgave minder behoefte is.

 

Ons voordeel

Dat neemt niet weg dat ik met belangstelling van deze uitgave kennis heb genomen. Er zijn verschillende zaken waarmee wij ons voordeel zouden kunnen doen.
* Bijvoorbeeld het advies om bij de toepassing van ‘hoor en wederhoor’ niet in discussie te treden met de betrokkenen (65). Het horen is er immers op gericht om de feiten vast te stellen.
* Van belang is ook wat geschreven wordt over het verband tussen een uitspraak van de rechterlijke macht en de tucht van de kerk (68, 69).
* Op blz. 109 blijkt dat de Gereformeerde Gemeenten de mogelijkheid kennen van een  financiële toelage voor een afgezette predikant en zijn gezin — een regeling die in onze kerk nog steeds ontbreekt.
* Waardevol vond ik dat er een aparte paragraaf wordt gewijd aan ‘het pastoraat bij tuchtgevallen’ (55-57). Terecht wordt opgemerkt dat bij tuchtgevallen het pastoraat vaak onvoldoende of in het geheel niet functioneert. Daaraan behoort bijzondere aandacht te worden geschonken.

 

Criteria voor rechtsbescherming

In de Inleiding wordt de tegenstelling benadrukt tussen het kerkelijk en het wereldlijk recht: het wereldlijk recht is vooral vergeldend, terwijl de kerkelijke orde gericht is op het brengen van de zondaar tot boetvaardigheid en strikt medisch van aard is.
Het is een goede zaak als wordt onderstreept dat alles naar waarheid in de geest der zachtmoedigheid en vriendelijkheid heeft te geschieden. Ik kan echter moeilijk meegaan in de gevolgtrekking dat ‘vanwege de geestelijke aard van de kerkelijke tucht ook de aansluiting aan de vorm van wereldlijke procesvoering zoveel mogelijk behoort te worden vermeden’.
Gelukkig blijkt uit het vervolg dat de Handleiding toch voor een belangrijk deel aansluit bij de criteria voor de rechtsbescherming, waaraan volgens het Europese verdrag van de Rechten van de Mens voldaan moet zijn, wil er van een fair trial (een rechtvaardig proces) sprake zijn, ook al wordt nergens naar deze regels verwezen.
Ik denk aan de nadruk die wordt gelegd op het recht van ‘hoor en wederhoor’, op het beginsel dat alle betrokkenen in een procedure gelijk behandeld dienen te worden, op het belang van een gemotiveerde uitspraak, op redelijke termijnen, op de mogelijkheid van appèl, de noodzaak van onpartijdigheid van de rechtspraak  enz.
Wat dat laatste betreft: de Handleiding geeft zelf al aan dat in een klein kerkverband als de Gereformeerde Gemeenten de onpartijdigheid van de kerkelijke rechtspraak gemakkelijk onder druk kan komen te staan (22-23). Daarom wordt er in de Handleiding extra aandacht aan besteed. Een punt van zorg lijkt mij verder dat de ruimte die een aangeklaagde heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman, sterk wordt ingeperkt (38).

 

Stille censuur

Veel aandacht wordt besteed aan wat genoemd wordt de ‘stille censuur’. Dat is in de Gereformeerde Gemeenten de gangbare term geworden voor de eerste tuchtmaatregel die bestaat uit vermaningen vanwege de kerkenraad, de afhouding van het Heilig Avondmaal, het verbod om kinderen ten doop te houden en het ontnemen van het actief en passief kiesrecht. Dat deze maatregel met het begrip ‘stille censuur’ wordt aangeduid hangt ermee samen dat aan de (leden van de) kerkenraad strikte geheimhouding opgelegd is als deze maatregel wordt uitgevaardigd. Ze wordt niet aan de gemeente bekend gemaakt, er mag niet over worden gesproken behalve met de betrokkene zelf.
Hoewel ik begrijp dat deze strikte geheimhouding bedoeld is om de betrokkene te beschermen, heeft die als bijwerking dat zo iemand in een geweldig isolement geraakt. De maatregel is van onbeperkte duur, kan eventueel zelfs levenslang duren (53). Men is ermee van alle rechten als belijdend lid beroofd, en moet de maatregel ook nog geheimhouden. Hoe is dat mogelijk als betrokkene niet meer de sacramenten mag gebruiken en niet meer aan verkiezingen mag deelnemen? Dat zijn toch openlijke handelingen die de gemeente als geheel raken!
In het algemeen spreekt uit deze uitgave een andere benadering van opzicht en tucht dan we in onze kerk volgen. Wat te denken van de volgende passage:

als iemand ‘bij de eerste ambtelijke vermaning terstond tot berouw komt en schuld belijdt, kan deze tuchtmaatregel (nl. de stille censuur) niet worden toegepast. De kerkenraad overweegt in dat geval alleen of er aanleiding bestaat tot het treffen van een orde­maatregel, die bekend staat als de eenvoudige afhouding van het Heilig Avondmaal’ (87). 

Ik zou verwachten: als de zondaar tot berouw komt en schuld belijdt hoeft de tuchtmaatregel — Gode zij dank — niet te worden toegepast. Er is blijdschap in de hemel en in de gemeente en de zondaar wordt met vreugde genodigd aan de maaltijd die spreekt van de vergeving der zonden.
Zo niet in deze Handleiding: hier is het de kerkenraad als geheel die zich een oordeel moet vormen over de oprechtheid van de tekenen der boetvaardigheid, anders wordt men niet ‘toegelaten tot het afleggen van schuldbelijdenis’ terwijl er bij twijfel een kortere of langere proeftijd kan worden ingesteld (116).

 

Afgescheiden gemeenten

Op een aantal plaatsen wordt duidelijk dat men uitgaat van een kerkopvatting die gestempeld is door de Afscheiding en die daarin principieel afwijkt van de hervormde kerkvisie en kerkstructuur.
Bijvoorbeeld in de passage:

‘de kerkenraad, die de gemeente vertegenwoordigt, bezit, gelet op de zelfstandigheid en de vrijheid der gemeente, de bevoegdheid om in het alleruiterste geval uit het kerkverband te treden, gezien ook het vrijwillig karakter van het deelnemen daaraan’ (80, 81).

Een dergelijk besluit ‘tot verlating van het kerkverband’ kan uitsluitend worden genomen in een ‘wettig samengeroepen vergadering van de kerkenraad’, na zorgvuldige voorbereiding (81). Een meerdere vergadering kan trouwens ook besluiten ‘om een gemeente met haar kerkenraad buiten het kerkverband te plaatsen’. Voor degenen die ter plaatse binnen het verband van de (gereformeerde) gemeenten wensen te blijven kan dan een nieuwe gemeente worden gesticht (115).
In de hervormde opvatting is er ook sprake van zekere relatieve zelfstandigheid van de plaatselijke hervormde gemeenten, maar deze gemeenten behoren allen onlosmakelijk tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Dat is niet gebaseerd op een kerkenraadsbesluit dat (eventueel) weer ongedaan gemaakt kan worden.
Een kerkenraadsbesluit (laat staan een besluit van de lidmatenvergadering) dat de gemeente zich losmaakt van de Kerk is binnen onze Kerk ondenkbaar en kerkordelijk onmogelijk. De Hervormde Kerk is geen kerkverband op vrijwillige basis, maar een kerk. Onze Kerk kent en erkent dan ook geen bevoegdheid van een kerkenraad of een gemeente om zich af te scheiden, en deze bevoegdheid is er vanaf de Reformatie in ons land in onze kerk ook nooit geweest.

 

De meerdere vergaderingen

In de afgescheiden visie (die ook de opvatting van de Doleantie was) is er sprake van vrijwillige aansluiting bij een kerkverband, waarbinnen de gemeenten een autonome bevoegdheid bezitten die ze desgewenst (gedeeltelijk) kunnen delegeren aan meerdere vergaderingen. Over de vraag welke bevoegdheden de meerdere vergaderingen bezitten is men onderling verdeeld. Mag een meerdere vergadering ongevraagd ingrijpen in een plaatselijke gemeente? Daarover is de afgelopen eeuw veel te doen geweest, ook binnen de Gereformeerde Gemeenten (98, 99).
Deze uitgave kiest voor een voorzichtige middenweg en stelt: ‘een classis is slechts bevoegd om eigener beweging tot censuur over ambtsdragers over te gaan in zeer uitzonderlijke gevallen’ (98). Als voorbeelden worden onder meer genoemd: als een kerkenraad een predikant laat aanblijven die openlijk aandringt op scheurmakerij; overtreding van belangrijke kerkelijke bepalingen en ongehoorzaamheid aan synodale besluiten (112). In het alleruiterste geval is ook de generale synode tot het treffen van maatregelen bevoegd, als een classis in gebreke blijft (100).
Daarmee wordt erkend dat de meerdere vergaderingen niet slechts op verzoek van de kerkenraden handelen, maar ook een eigen bevoegdheid hebben. De grondige historische studie van dr. H.G. Kleijn over het kerkrecht in de 16e en de 17e eeuw (die in deze uitgave niet wordt genoemd) laat overigens zien dat men in de eeuw van de reformatie aanzienlijk minder terughoudend was om aan de meerdere vergaderingen een eigen verantwoordelijkheid en gezag toe te kennen dan men in de Afgescheiden kerken voor waar wil hebben.


1 In orde. Handleiding en Toelichting bij de kerkelijke rechtspraak. Uitgave op last van de Generale Synode 1998/1999 der Gereformeerde Gemeenten door de Commissie kerkrecht (gebonden, 157 blz., ƒ 12,50). Te bestellen bij het Kerkelijk Bureau van de Gereformeerde Gemeenten te Woerden.