87
15,252
15-04-1999

Rubriek: Alles met orde

|252|

Heeft een jeugdouderling stemrecht? (2)

 

In de vorige aflevering van deze rubriek heb ik eerst de vraag aan de orde gesteld hoe een jeugdouderling gekozen wordt. We kwamen tot de conclusie dat
* een jeugdouderling voor de centrale gemeente wordt aangewezen of verkozen door de centrale kerkenraad;
* een jeugdouderling voor de wijkgemeente gekozen wordt òf door de centrale kerkenraad in overleg met de wijkkerkenraad, òf gewoon door de wijkgemeente.
Aan het slot hoorden we dat men iemand via een onderlinge taakverdeling de taak van jeugdouderling kan opdragen en hem daarbij ten dele vrijstellen van het gewone werk.

 

Vrijstellen van het gewone werk

Bij deze laatste formulering (ontleend aan ord. 14-4-6) kan de vraag opkomen van welke taken een ambtsdrager kan worden vrijgesteld. De vraag doet denken aan het probleem hoeveel haren je uit een paardenstaart kunt trekken: als je er teveel uittrekt is het immers geen paardenstaart meer. Als men de ambtsdrager van te veel taken vrijstelt, is hij geen ambtsdrager meer. Waar ligt de grens?
We hanteren daarbij in de praktijk van het kerkelijk leven als uitgangspunt dat ambtsdragers in elk geval niet kunnen worden vrijgesteld van de ambtelijke tegenwoordigheid in de kerkdienst en van deelname aan de kerkeraadsvergaderingen. Elke ouderling, ouderling-kerkvoogd of diaken is geroepen op zijn tijd bij een kerkdienst dienstdoend ambtsdrager te zijn, en dat geldt ook van de ambtsdragers met een bepaalde opdracht.

 

Stemrecht

Bovendien gaan we dus uit van de regel dat elke ambtsdrager tot een ambtelijke vergadering behoort en dat hij daarin stemrecht heeft.
Ook de predikanten voor bijzondere werkzaamheden en predikanten voor buitengewone werkzaamheden — als ze aan een gemeente zijn verbonden — hebben zitting in de kerkenraad (ord. 1-1-3). De enige uitzondering op de regel wordt gevormd door de predikanten voor buitengewone werkzaamheden die aan een classis, een kerkprovincie of aan de Kerk in haar geheel zijn verbonden. Zij wonen de classicale vergadering van hun woonplaats bij als adviserend lid (ord. 1-4-3 en 13-3-3) maar zijn geen stemhebbend lid van de classicale vergadering, de P.K.V. of de generale synode die hen benoemde. Daarmee zou de samenstelling van zo’n vergadering helemaal worden scheef getrokken. Het Jaarboek van de NHK van 1997 vermeldt (als ik goed heb geteld) 118 predikanten voor buitengewone werkzaamheden, verbonden aan de kerk als geheel. Wanneer die allemaal zouden worden toegevoegd aan een synode van 75 leden, met daarin 37 afgevaardigde predikanten (ord. 1-10-1) zou de evenwichtige samenstelling van deze vergadering wel heel erg verstoord worden.

 

Ouderling zonder stemrecht?

Van de ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht geldt in elk geval dat ze ‘aan een gemeente verbonden zijn’ en er kan daarom geen twijfel over bestaan dat zij deel uitmaken van de kerkenraad. De kerkenraad bestaat uit ‘de (dus: alle!) bij de gemeente dienstdoende dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen’ (art. V-4). Het zou hen van een wezenlijk bestanddeel van hun taak beroven als ze bij de besluitvorming inzake het beleid van de kerkenraad buiten spel werden gezet.
Nu blijft alleen nog de vraag over: van welke kerkenraad maken ze deel uit? Bij de ouderling met bepaalde opdracht die werkzaam is in de wijkgemeente, ligt het duidelijk: die is natuurlijk (met stemrecht) lid van de wijkkerkenraad.
Bij een ouderling met bepaalde opdracht in de centrale gemeente ligt het voor de hand dat deze ouderling als stemhebbend lid aan de centrale kerkenraad wordt toegevoegd. Een probleem is echter dat de samenstelling van de centrale kerkenraad aan strakke regels is gebonden. Wanneer men in de centrale gemeente behoefte zou hebben aan een groter aantal ambtsdragers met een bepaalde opdracht, zou een evenwichtige samenstelling van de centrale kerkenraad vrijwel onmogelijk worden wanneer al deze ambtsdragers met een bepaalde opdracht zitting zouden nemen in de centrale kerkenraad.
Het lijkt me toe dat ord. 3-11-6 hier een uitweg kan bieden. De centrale kerkenraad kan in overleg treden met de wijkgemeente waartoe de (centrale) jeugdouderling behoort om hem ‘toe te voegen’ aan de wijkkerkenraad. In dat geval heeft deze (centrale) jeugdouderling als boventallig lid van de wijkkerkenraad stemrecht in de kerkenraad van de wijkgemeente en wordt hij als adviserend lid voor de vergaderingen van de centrale kerkenraad uitgenodigd.

 

Boventallig

Zojuist viel het woord ‘boventallig’. Over de strekking daarvan worden veel vragen gesteld. Men denkt soms dat een ‘boventallige’ ambtsdrager minder bevoegdheden heeft. Dat berust echter op een misverstand. Het woord ‘boventallig’ wil alleen maar zeggen dat zo iemand deel uitmaakt van de vergadering, boven het gewone getal van de ambtsdragers dat op het rooster van aftreden staat. Als een centrale kerkenraad volgens de plaatselijke regeling vijftien leden telt, en daaraan worden op grond van ord. 2-14-1 een diaken en een ouderling-kerkvoogd toegevoegd om ‘als boventallig lid deel uit (te) maken van de centrale kerkenraad’ zijn deze twee extra ambtsdragers gewone stemhebbende leden van de vergadering. Ze zijn slechts benoemd ‘boven het reguliere getal’ van de vijftien leden die door de wijkkerkenraden volgens een bepaald rooster zijn aangewezen.
Dat boventalligheid niets afdoet aan het stemrecht, blijkt overduidelijk uit ord. 1-10-3. Als de synode in verdubbelde samenstelling bijeenkomt, telt de vergadering maar liefst 75 ‘boventallige leden’! Maar deze extra synodeleden hebben bij de eindstemming wel degelijk stemrecht (art. XXVIII-5). Overgangsbepaling 286 spreekt van boventallige leden ‘met concluderende stem’, maar dat is eigenlijk ten overvloede om alle misverstand uit te sluiten. Ook de boventallige kerkvoogden van overgangsbepaling 287a en 316 hebben volledig stemrecht in het college van kerkvoogden.

 

Conclusie

Naar mijn inzicht moet alles worden gedaan om een ambtsdrager met een bepaalde opdracht als volledig stemhebbend lid te laten functioneren, òf in de centrale kerkenraad òf in een wijkkerkenraad. Een ouderling of diaken die geheel buiten de ambtelijke medeverantwoordelijkheid van een kerkenraad staat, lijkt mij in strijd met wat onze hervormde kerkorde voor ogen staat.