86
17,290
23-04-1998

Rubriek: Alles met orde

|290|

Het dopen van een geadopteerd kind (2)

 

De vorige keer hebben we gezien dat volgens hervormde opvattingen geadopteerde kinderen gedoopt mogen worden.
Opvallend was het verschil in argumentatie in de hervormde documenten, vergeleken met die uit de andere kerken uit de gereformeerde gezindte. Daar lag veel meer de nadruk op het besluit van de rechter waardoor het kind wettelijk deel gaat uitmaken van het adoptie-gezin. Ik kreeg dezer dagen een boekje onder ogen (verschenen omstreeks 1972) van o.a. de vrijgemaakte dr. L. Doekes, waarin zowel een voor- als een tegenstander van het dopen van een geadopteerd kind uitvoerig aan het woord komen.
In de hervormde documenten wordt sterker onderstreept dat het kind behoort tot het gezin als geestelijke gemeenschap waar het de christelijke opvoeding ontvangt. Van daaruit wordt ook het laten dopen van pleegkinderen onder bepaalde voorwaarden mogelijk.

 

Geen zekerheid

In deze bijdrage wil ik verder ingaan op de vraag wat men heeft te doen als er geen zekerheid is of het geadopteerde kind al dan niet gedoopt is. Kan men de doop onder voorwaarden bedienen? Het betrof immers een kind afkomstig uit een Afrikaans land, waarvan de adoptieouders niet hebben kunnen achterhalen of het kind al gedoopt was.
Een kerkenraad staat in een dergelijke situatie voor een lastig probleem. Het spreekt vanzelf dat voor zulke uitzonderlijke situaties geen kerkordelijke regels geschreven worden. In vroeger eeuwen zou men een dergelijke vraag aan de classicale vergadering voorleggen die in dat geval een aanwijzing zou geven.

 

Navraag doen

Ik heb geadviseerd om allereerst zo veel mogelijk navraag te doen. Het is bijvoorbeeld mogelijk om contact op te nemen met de raad voor de zending of de G.Z.B. Wellicht beschikt men daar over nadere contacten met het betreffende land die aan informatie kunnen helpen.
Als er bij dit onderzoek geen aanwijzingen kunnen worden gevonden dat het kind reeds de doop heeft ontvangen, zou ik er persoonlijk voor pleiten dat de kerkenraad toestemming geeft om aan het kind in het midden van de gemeente de heilige doop te bedienen. Ik zou in dat geval heel openlijk aan de gemeente vertellen dat we niet weten of het kind reeds de doop heeft ontvangen en dat de ouders terecht de wens hebben uitgesproken dat het kind dat aan hun liefde en zorg is toevertrouwd het teken en zegel van Gods genade­verbond zal ontvangen.
Zelfs als zou er (zonder dat wij het weten) sprake zijn van een ‘opnieuw dopen’, dan is er geen sprake van dat daar motieven van ‘herdoop’ een rol spelen. In dit geval vindt de (mogelijk) tweede doop immers niet plaats op grond van ‘verachting’ van de (eerste) doop maar uit onwetendheid.

 

Geen herdoop!

In de eeuw van de Reformatie heeft de kerk steeds met kracht tegen herdoop gewaarschuwd. Men was veel te bang dat door doperse invloeden de betekenis van de kinderdoop zou worden ondermijnd. Als de doop was bediend door iemand die ook maar enige kerkelijke roeping of bediening had, moest de doop worden erkend en mocht ze niet worden herhaald. Toen in 1578 in de synode van Dordrecht de vraag werd gesteld of de doop die door een privé persoon of door een ouderling was bediend, in waarde moest worden gehouden, was het antwoord: als de ouderling de doop bediend had op verzoek van de gemeente of van een deel van de gemeente, behoort de doop niet herhaald te worden, omdat toch ook de ouderling enige vorm van roeping heeft. Overigens voegde men eraan toe dat dit voorbeeld geen navolging verdient!
Ook de doop die bediend is door rondzwervende priesters behoort niet herhaald te worden, zo besliste men in Middelburg 1581: zij hebben immers een roeping van de Roomse kerk en kunnen niet geheel voor privé personen gehouden worden. Datzelfde geldt van de doop door Mennisten bediend, of zelfs door een geëxcommuniceerde dienaar (dus een predikant die in de ban is gedaan) ‘zo hij enige regelmatige beroeping van enige vergadering heeft’ (Dordrecht 1618/1619).
Dr. A.Th. van Deursen vertelt in zijn prachtige boek ‘Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt’ van een ander bezwaar tegen herdoop. In 1621 krijgt de kerkenraad van Berkel en Rodenrijs het verzoek van enkele zigeuners om de doop aan hun kinderen te bedienen. De vraag werd uiteindelijk voorgelegd aan de particuliere (=provinciale) synode van Zuid-Holland. Deze adviseerde het verzoek af te wijzen. Ze waren toch niet van plan hun kinderen op te kweken in een godzalig leven en in de zuivere leer, men verdacht de zigeuners ervan dat het hen meer om de geschenken van de doopgetuigen begonnen was. Ze zagen er soms niet tegen op hun kinderen vier, vijf maal achtereen in verschillende dorpen te laten dopen.
Ik noem deze voorbeelden uit vroeger eeuwen alleen om te laten zien hoe in die tijd met zulke vragen werd gehandeld. Het spreekt vanzelf dat de voorgelegde situatie met betrekking tot het adoptiekind daarmee op geen enkele wijze te vergelijken is.

 

Doop onder voorbehoud?

Tenslotte nog iets over de vraag of de doop ‘onder voorbehoud’ kan worden bediend. Deze uitdrukking doet mij direct denken aan Rome. Op 3 januari 1964 werd prinses Irene door kardinaal Alfrink in de Rooms Katholieke Kerk opgenomen. In verband met de noodzakelijke geheimhouding had men geen navraag kunnen doen of de doop in de Nederlandse Hervormde Kerk wettig was bediend, en daarom geschiedde de opname ‘door de positieve belijdenis van het geloof verbonden met een voorwaardelijk toegediende doop’. Zo schreef kardinaal Alfrink in een brief aan de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. De synode had bezwaar gemaakt dat aan de prinses bij haar toetreding ‘de Heilige Doop is toegediend, ondanks het feit, dat zij deze doop in de Kerk van de Reformatie reeds als kind had ontvangen’. De voorwaardelijk toegediende doop werd door de protestanten in ons land als een herdoop ervaren. Over deze zaak werden gesprekken op gang gebracht die hebben geleid (in 1966) tot een wederzijdse dooperkenning. Wie in de Rooms-Katholieke Kerk is gedoopt zal bij overkomst naar de hervormde kerk niet opnieuw de doop ontvangen, en dat gebeurt ook omgekeerd niet.
Ik kan geen argument bedenken voor ‘dopen onder voorbehoud’. Als het kind reeds gedoopt was, hoeft de doop niet herhaald te worden, als het kind niet was gedoopt (of als wij niet weten dat het gedoopt was) mag het de doop ontvangen. De heilige doop is een teken en zegel tot versterking van ons geloof, geen magisch teken dat moet worden afgeschermd.