62
3,105-107
01-09-2014

|105|

Kerkenraad zonder diakenen even wennen

 

Per 1 juli 2015 gaat de nieuwe kerkorde draaien. Die zegt dat de kerkenraad bestaat uit de predikant(en) en de ouderlingen (B29.1). Dus zonder diakenen. Niets nieuws onder de zon, zou je denken: de huidige kerkorde zegt exact hetzelfde (art. 36). Toch betekent het een belangrijke cultuuromslag.

Want de huidige (oude) kerkorde zegt in art. 36 nog iets meer. “De kerkenraad zal eveneens regelmatig met de diakenen vergaderen. Deze vergadering zal de zaken behandelen die de kerkorde daarvoor aanwijst, de materiële aangelegenheden van de kerk, het financieel beheer en alles wat naar het oordeel van de kerkenraad tot het algemeen beleid gerekend kan worden.” Dat is wel zo breed, dat in de kerkelijke praktijk de vergadering van de ‘kerkenraad met diakenen’ het centrale bestuursorgaan is geworden. Daar komen alle draden samen, daar vallen de grote besluiten.

Bij de herziening van de kerkorde is overwogen om de regel aan te passen aan deze gegroeide praktijk. En in het voetspoor van CGK en NGK de kerkenraad te omschrijven als de vergadering van alle ambtsdragers, dus inclusief de diakenen. Uiteindelijk is echter gekozen voor de andere mogelijkheid: het oude principe van differentiatie tussen ouderlingen en diakenen consequenter doorvoeren. De diaken maakt geen deel uit van de kerkenraad. Niet volgens de kerkorde en straks ook niet meer in de kerkelijke praktijk. Dat is even wennen.

 

Efficiënter werken

De eerste consequentie is dat de kerkenraad (dus zonder diakenen) voortaan het centrale bestuursorgaan zal zijn. Die kerkenraad zal misschien wel vaker moeten vergaderen. Maar daar is nu ook ruimte voor, want het dubbele vergadercircuit — dan weer met, dan weer zonder diakenen — vervalt.

De werkbelasting van de ouderlingen wordt dus niet zwaarder. Hopelijk zelfs lichter. In ieder geval kunnen hun vergaderingen efficiënter worden. In de huidige situatie gebeurt het nogal eens dat er in de gemeente zich iets voordoet waar de kerkenraad snel op wil reageren. Alleen: voor de komende week staat er een vergadering zonder diakenen gepland. De vergadering met diakenen is pas over enkele weken. Wat dan te doen?

Soms is er nog tijd om de diakenen op te trommelen. Soms neemt de kerkenraad een besluit en stuurt dat achteraf de diakenen toe in de verwachting dat ze er in mee zullen gaan. Soms ook laat men de zaken op hun beloop. In de nieuwe situatie doet zich deze impasse niet meer voor; in elke vergadering kan de kerkenraad reageren op de actuele ontwikkelingen.

|106|

Ook voor de diakenen neemt de vergaderdruk af. Hun eigen vergaderingen blijven uiteraard. Verder schrijft de nieuwe kerkorde voor dat kerkenraad en diaconie “ten minste tweemaal per jaar overleggen (...) over hun pastoraal en diaconaal ambtswerk in de gemeente ne over de materiële zaken van de kerk” (B29.3). Maar dat is een heel andere vergadering dan de oude ‘kerkenraad met diakenen’. Het is eerder te vergelijken met een kerkenraad die een commissie ontvangt: op zo’n moment worden alleen de onderwerpen besproken die zo’n commissie rechtstreeks aangaan. Zo worden ook in het overleg  tussen kerkenraad en diakenen alleen die zaken besproken die de diakenen rechtstreeks aangaan. Geen enkele diaken hoeft te vrezen dat hij er voor spek en bonen bij zijt.

 

Talstelling

Een speciaal onderwerp vormt de roeping van nieuwe ambtsdragers. Tot op heden was dat een zaak van de kerkenraad met diakenen (art. 5, 6, 20 KO). Onder het nieuwe regime wordt het een taak van de kerkenraad, dus zonder diakenen. Wel is geregeld dat de diakenen daarbij inbreng hebben (B12.3 en B25.3). Hun inbreng heeft daarbij een eigen waarde: ze overleggen niet slechts mee als een van de vele ambtsdragers, maar spreken vanuit hun specifieke diaconale verantwoordelijkheid. Stemmen hoeven ze niet, ten minste niet in deze vergadering; het is de kerkenraad (zonder diakenen) die na dit overleg het lijstje met kandidaten vaststelt.

 

Bestuurscommissie

In de wat grotere kerken wordt het dagelijks bestuur nogal eens uitbesteed aan een moderamen, bestuurscommissie of kernkerkenraad. In zo’n commissie hebben gewoonlijk ook een of meer diakenen een plek, naast een of meer gemeenteleden zonder ambt maar met bijvoorbeeld een administratieve taak. In de nieuwe opzet kan deze commissie blijven bestaan. Ook de samenstelling hoeft niet per se te veranderen. Belangrijk is echter dat deze commissie voortaan valt onder de verantwoordelijkheid van de kerkenraad (zonder diakenen). Dat is de vergadering die de commissie benoemt, haar mandaat bepaalt, haar rapportage ontvangt en de commissie zo nodig kan terugfluiten.

Verder kan de nieuwe opzet reden zijn om de verhouding tussen kerkenraad en bestuurscommissie opnieuw te doordenken. Een slagvaardige kerkenraad heeft minder behoefte om een besluitvormingsproces uit te besteden. Als de commissie toch blijft bestaan, kan haar taak verschuiven naar uitvoering en ondersteuning.

 

Toegespitste regeling

Het is noodzakelijk om deze bevoegdheden en onderlinge verhoudingen duidelijk vast te leggen. De nieuwe kerkorde geeft daar met zoveel woorden opdracht toe (B30.1). De werkwijze van kerkenraad, diaconie, bestuurscommissie en andere commissies worden in een regeling vastgelegd. De deputaten voor de herziening kerkorde hebben hiervoor een model gepubliceerd (zie hun aanvullend rapport aan de GS 2014). Maar ik raad geen enkele kerk aan om dit model eenvoudigweg te kopiëren. Het krijgt pas waarde wanneer ieder het toespitst op de eigen plaatselijke situatie.
Zo’n regeling kan ook het ‘besluitenboek’ vervangen, dat veel kerkenraden proberen bij te houden (overigens met wisselend succes). Neemt de kerkenraad een besluit dat ook

|107|

voor toekomstige situaties is bedoeld, dan wordt dat besluit ingebracht in de bestaande regeling. Dat heeft allerlei voordelen. De regeling blijft bij de tijd, besluiten blijven door de thematische opzet van de regeling beter vindbaar en ze worden consequenter toegepast omdat ze staan waar men kijkt: in de regeling.

 

Kleine kerken

In kleine kerken waren ouderlingen en diakenen tot dusver gewend om altijd samen te vergaderen. De nieuwe kerkorde brengt hier een omgekeerde beweging op gang. Ook in kleine gemeenten komen er afzonderlijke vergaderingen voor kerkenraad en diaconie. Wel kunnen, als het aantal ouderlingen minder is dan drie, een of meer diakenen aanschuiven bij de kerkenraad. En andersom: bij de diaconie kan een ouderling meepraten. Maar hij heeft daar slechts een adviserende stem, zoals ook de aangeschoven diakenen in de kerkenraad geen beslissende stem hebben (B33.2, B33.3).

Per saldo zullen de veranderingen in het laatste geval (minder dan drie ouderlingen) niet schokkend zijn. Waarschijnlijk worden nog steeds alle vergaderingen gemeenschappelijk gehouden. Maar dan nog is het goed om per onderwerp te beseffen: zijn we nu bezig als kerkenraad of als diaconie. Dat hangt direct samen met de vraag wie er in dat geval stemrecht heeft. Zeker in kleine kerkenraden kan dat soms nauw steken. Want eensgezindheid is mooi, maar niet altijd bereikbaar.

 

Samenwerkingsgemeenten

Het verschil met CGK en NGK lijkt misschien een probleem op te leveren voor ‘samenwerkingsgemeenten’, waar twee of meer kerken van verschillende kleur functioneren als waren zij één gemeente met één kerkenraad. Maar dat valt mee. Via E69.3 is daarin voorzien: het betekent slechts dat deze samenwerkingsgemeenten meer keus krijgen. Naast de van CGK en NGK bekende optie van een kerkenraad die bestaat uit alle ambtsdragers, kunnen de kerken bij hun plaatselijk samengaan ook kiezen voor het nieuwe GKv-model, waarin de kerkenraad (zonder diakenen) de spil vormt van het kerkelijk leven. Naar de bescheiden mening van de deputaten herziening kerkorde is die laatste optie uitstekend werkbaar. Maar het is wel even wennen.