|1|

 

 

Sedert geruimen tijd hoort men in Nederland gewagen van regtsgedingen, van boete en gevangenisstraf, van inlegering, van aanschrijvingen met buitengewone scherpheid gesteld (1); en dit alles is tegen ééne klasse van ingezetenen gerigt, tegen de Gereformeerde Christenen die zich van het Kerkgenootschap in 1816 gesticht af gescheiden hebben. Natuurlijk dat menigeen


(1) Zie hier de voornaamste bezwaren der Afgescheidenen, volgens de berigten van hun Maandschrift de Reformatie, hetwelk zich, naar mijn inzien, niet aanbeveelt door den inhoud of toon, maar welks opgave voorzeker juist is. In geval van onwaarheid of overdrijving zou het, dunkt ons, eene vervolging van wege het Publiek Ministerie sedert lang hebben ondergaan en ook allezins verdiend.
a. Veroordeeling door de regtbanken tot boete en gevangenisstraf. De meeste Regtbanken veroordeelen; de vonnissen zijn reeds ontelbaar. In Vriesland bedroegen, reeds in Febr. l.l., de boeten ƒ 68630 (bl. 187).
b. Strengheid in de wijs waarop de veroordeeling ten uitvoer wordt gelegd Bij onvermogenden verkoopt men huisraad, kleederen ➝

|2|

deelnemend vraagt: wat hebben zij strafwaardigs gedaan?

Ook ik deed mij gedurig die vraag, en telkens werd ik versterkt in de overtuiging dat hun de bevoegdheid om God naar hun geweten te dienen niet moest worden betwist. En zou ik bij die overtuiging, na drie jaren gewacht te hebben, schromen eenige woorden ten hunnen behoeve in het midden te brengen? omdat ik de scheiding afkeur? omdat ik in de Afgescheidenen gebreken erken? Maar, zoo men prijs op geregtigheid stelt, moet immers, zonder aanneming des persoons, het regt voor allen bestaan.

Voorzeker ik zou deze taak veel liever aan anderen, meer daarvoor berekend, hebben overgelaten; maar


➝ en kindergoed: Te Oenkerk heeft men de vrouw eens veroordeelden gedwongen nog een rok uit te trekken die daarop verkocht is (bl. 188). — De verkooping geschiedt op Zondag, om den wederinkoop te beletten. — Een Gescheidene wordt in de gevangenis buiten toegang gesteld (bl. 316).
c. Gewelddadige uiteendrijving der bijeenkomsten. De voorbeelden zijn menigvuldig; meermalen hadden mishandeling en verwonding plaats; nog op Paasch-Zondag te Amsterdam (bl. 318).
d. Inlegeringen. — In vele gemeenten worden, uitsluitend bij de Gescheidenen, militairen ingekwartierd; bij één huisgezin zes, tien, twaalf en meer (bl. 121, 123); bij één man te Oosterwolde een en dertig soldaten en een officier (bl. 123). — De reclames, de requesten om schadevergoeding blijven zonder antwoord; broodsgebrek is het lot van velen geworden (bl. 185).
e. Mishandelingen door het graauw. — De policie weigert bescherming (bl. 189). — Bij Rhenen is een huis, terwijl er godsdienst-oefening in werd gehouden, in brand gestoken (bl. 394).
f. Vervolging, ook waar door de regtbanken vrijgesproken wordt. — Zelfs dáár heeft inlegering plaats (bl. 315).

|3|

tevens getroost ik mij de moeite daaraan verbonden veel liever dan dat niemand in het belang der Afgescheidenen voor zoo ver zij, mijns inziens, ten onregte lijden, met eenigen nadruk gesproken zou hebben. Inderdaad hunne klagt over de geringe belangstelling door landgenooten betoond, is geenszins onbillijk. De vervolging is reeds in 1834 begonnen. In het vertrouwelijk gesprek keurt menigeen haar met sterke bewoordingen af. Zeer weinigen hebben het openlijk gedaan. De meeste dagbladen schijnen, ten aanzien van deze zaak, een onwaardig stelsel van bedekken en verzwijgen aangenomen te hebben. De Staten-Generaal . . . zij hebben in Mei 1837 een request ter Griffie nedergelegd. — Waaruit moet deze verregaande onverschilligheid worden verklaard? Uit liefde voor het Vaderland, uit gehechtheid aan het Bestuur? Het is geene ware Vaderlandsliefde omtrent het lot van landgenooten onverschillig te zijn. Het is geene ware gehechtheid aan het Bestuur te zwijgen over hetgeen men misprijst. Naderhand welligt zal menigeen gereed zijn den blaam van hetgeen plaatsgehad heeft, uitsluitend op rekening van het Gouvernement te stellen. Doch het zal vergund zijn den zoodanigen te binnen te brengen dat hij door lijdelijk aanschouwen deelgenoot der schuld is geworden. Er zijn tijden en omstandigheden waarin het zwijgen eene soort van medepligtigheid wordt.

Aan die medepligtigheid wensch ik mij te onttrekken. Uit liefde voor het Vaderland, uit gehechtheid aan het Bestuur, zoowel als uit gevoel van billijkheid en regt, word ik gedrongen openlijk te betuigen dat ik het spoedig opheffen van alle vervolging wenschelijk acht. Ik hoop dat het gewigt van het onderwerp, en de gematigdheid, zoo wel in uitdrukking als in gedachte, mij zullen

|4|

vrijwaren tegen de verdenking die men thans (1) al te gereedelijk voedt tegen elk die zich aan het afkeuren van een Gouvernements-maatregel waagt. Van mijn’ kant zal ik, zooveel doenlijk, vermijden wat iemand persoonlijk zou mogen kwetsen. Zoo tegen wil en dank eene min gepaste uitdrukking mij ontvalt, ik reken op vergeving voor een wanklank bij het aanroeren eener teedere snaar. Onderwerping aan het hoog gezag, eerbied en liefde voor den Vorst die het welzijn der onderdanen bedoelt; die in het vrije Nederland vrijmoedigheid, mits zij geen onbescheidenheid worde, waardeert; zal, vlei ik mij, in overeenstemming met de gevoelens van mijn hart, de hoofdtoon zijn van hetgeen ik schrijf.

Om over de scheiding een eenigzins billijk oordeel te kunnen vellen, moet zij niet op zich zelve, maar in verband met den geheelen toestand van Kerk en Maatschappij worden beschouwd. Daarom zal ik trachten mijne denkbeelden open te leggen:

Eerst, over de oorzaken der onrust in de Hervormde Kerk.
Daarna, over de wijs waarop het Separatismus zich uit die onrust heeft ontwikkeld.


(1) Ik zeg opzettelijk thans. Vóór 1830 werd doorgaans elke verdediging van het Bestuur door velen toegeschreven aan vleijerij en slaafschen zin; doch Europa is door de Julij-omwenteling in een nieuw tijdperk getreden, en dezelfde liberale begrippen, waardoor men toen naar wanorde werd gevoerd, leiden thans weder naar een gezag zonder maat of perk. Toen liep men gevaar Christelijke met revolutionaire vrijheid te verwarren; thans wachte men zich onderwerping aan een stelsel van willekeur af te leiden uit het Evangelie, dat bestaande regten en niet enkel bestaande magten beschermt.

|5|

Eindelijk, over het onstaatkundige en vooral het onregtmatige der vervolging.

——