99-127

|99|

Om het recht van Gods liefde

(Over het historisch-canonisch werk van Prof. P. Deddens)

 

„Men maakte geschiedenis, maar had geen tijd, om geschiedenis te schrijven.”
J.G.R. Acquoy in Mislukte pogingen der Nederlandsche Kerken om hare geschiedenis te doen beschrijven (Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin, ’s-Gravenhage 1894, bl. 232).

 

Twee kerkhistorici zijn Nederland in het jaar 1958 ontvallen: maandag 13 januari overleed plotseling de nestor der Nederlandse kerkhistorici, Dr. J. Lindeboom, oud-hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Groningen; ruim drie weken later — 6 februari 1958 — stierf zeker even plotseling P. Deddens, hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen.

Het vrijwel samenvallend verscheiden nodigt en noopt tot confrontatie. Lindeboom is één van de glanzende vertegenwoordigers geweest van de Nederlandse kerkhistorische school, redacteur van het Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, alom erkend en als redacteur van het kerkhistorisch handboek én als auteur van de kerkhistorische monografie. Deddens heeft, het zij onomwonden erkend, als historicus geen naam gemaakt dan alleen bij zijn discipelen, die met liefde hem gedenken.

Zal daarom het resultaat der confrontatie niet zijn, dat wij maar zwijgen van de historicus en in dit opstel alle aandacht concentreren op de canonicus Deddens? Want het is zeker dat inzonderheid in de jaren van zijn professoraat zijn polemische en thetische arbeid op het gebied van het kerkrecht de meeste publiciteit gevonden heeft, de meeste kracht verslonden heeft ook, zodat op hem van toepassing is het woord, dat Acquoy schreef over die gereformeerden, die in de 16e eeuw zich wilden zetten tot het leveren van de bouwstenen van een geschiedenis der reformatie in de Nederlanden en dat als motto boven dit opstel staat afqedrukt; metterdaad, óók professor Deddens heeft in zijn brede adviezen-dienst aan de vrijgemaakte kerken — ging hij soms niet met „vakantie”, de koffer vol met vragen om advies? — en in zijn kerkrechtelijke journalistiek geschiedenis gemaakt, de geschiedenis van de verdediging én de consolidatie, de bescherming voor gevaren van buiten af en van binnen uit, van de vrijmaking der Gereformeerde Kerken. Dus vond hij de tijd niet geschiedenis te schrijven, temeer waar grote historische accuratesse hem huiverig

|100|

maakte om naar zijn mening voortijdig te publiceren.1) De parallel ligt hier voor de hand met zijn grote voorganger-canonicus Dr. F.L. Rutgers, wien het in correspondentie mogelijk was snel zijn gedachten te formuleren, maar die tegelijk uiterst moeilijk over kon gaan tot het publiceren van de resultaten zijner historische studiën,2) waardoor deze historicus van erkend formaat toch nimmer is gekomen tot het bereiken van zijn dubbel ideaal, een Calvijn-biografie en een handboek voor de Nederlandse kerkgeschiedenis.3)

En is Deddens, om zo te zeggen, niet voldoende verontschuldigd, wanneer men in rekening brengt, dat mannen, die in veel gunstiger conditie hebben gewerkt dan hij en nadrukkelijk als de doelstelling van hun academische werkzaamheid te kennen hebben gegeven het schrijven van een Nederlandse Kerkgeschiedenis als J.G.R. Acquoy4) en H.H. Kuyper5), evenmin hun doel vermochten te bereiken? Temeer waar Deddens direct bij het begin van zijn academische loopbaan het kerkrechtelijk terrein als speciaal interessegebied koos; zijn inaugurele oratie behandelt immers duidelijk een kerkrechtelijk thema?6) Wat zouden we beter kunnen doen, dan met spijt constateren, dat de praktische en wetenschappelijke arbeid van de canonicus het den historicus verhinderd heeft recht op gang te komen?

Toch hebben we aan de direct opkomende gedachte ons te bepalen tot de canonicus Deddens weerstand geboden. Om twee redenen. In de eerste plaats is na zijn overlijden reeds herhaaldelijk, en terecht, brede aandacht aan déze in het oog vallende zijde van zijn levenswerk gewijd; we mogen in een noot naar enkele van deze bijdragen wel opzettelijk verwijzen, nu onze interesse primair een andere kant uitgaat.7)


1) Zie de autobiografische notitie in zijn opstel Prof. Schilder als vriend in de Almanak van F.Q.I., 1953 bl. 67: ...ik kreeg een uitgever bij me, die met me kwam praten over de uitgave van m’n Afscheidings-artikelen. Ik weigerde met het motief, dat ik in m’n grote drukke gemeente geen tijd kon vinden voor bronnenstudie, waaraan verbonden was het delven in vele archieven, welke bronnenstudie naar mijn inzicht alleen uitgave rechtvaardigen kon”.
2) J.C. Rullmann, Dr. F.L. Rutgers in zijn leven en werken geschetst, Rotterdam 1918, bl. 218.
3) a.w., bl. 219.
4) Dr. J.G.R. Acquoy, Het nut der beoefening van de geschiedenis der Hervormde Kerk in Nederland, Leiden 1878, bl. 14.
5) Dr. H.H. Kuyper, Het gereformeerd beginsel der Kerkgeschiedenis, Leiden 1900, bl. 39/40.
6) P. Deddens, De ratificeering der besluiten van meerdere vergaderingen, z.j.
7) Zie C. Veenhof, In memoriam Pieter Deddens, in Opbouw 1e jrg., bl. 350-352; prof. Veenhof heeft in deze academische gedachtenisrede stof verwerkt, die hem de nog onuitgegeven rectorale oraties van Deddens boden; H.J. Schilder, Collegialiteit contra collegialisme in De Reformatie

|101|

Maar in de tweede plaats vrezen wij, dat, wanneer wij nu bij deze gelegenheid in dezelfde richting zouden gaan schrijven, we het ons wel betrekkelijk makkelijk zouden maken, maar niet geheel verantwoord zouden zijn tegenover de nagedachtenis van onze leermeester en voorganger, omdat de kans verzuimd zou zijn aandacht te vragen voor het gehéél van Deddens’ wetenschappelijk levenswerk.

Daarom willen we in dit opstel ons uitgangspunt nemen in het historisch werk van Deddens, dat ons is nagelaten en dat ons bij nadere bestudering naar opzet en inhoud bij vernieuwing heeft geboeid, zo dat de overtuiging groeide, dat het goed is in deze Almanak iets te releveren van de methode, het uitgangspunt, de resultaten van zijn historische studie — dit achten wij goed te zijn terwille van zijn nagedachtenis, goed ook voor ons, die na hem tot het gereformeerd-wetenschappelijk bedrijf, ook tot de gereformeerde kerkgeschiedvorsing en kerkgeschiedschrijving zijn geroepen.

De confrontatie tussen Lindeboom en Deddens blijft ons boeien. Beiden hebben jarenlang in Groningen gewerkt, toen de één hoogleraar en de ander nog predikant was. Lindeboom wist ook zichzelf representant van de Nederlandse kerkhistorische school, waarvan hij eens schreef: „Sedert meer dan een eeuw bloeit hier te lande de Nederlandsche kerkhistorische school, waaraan de namen zijn verbonden van den Leidschen hoogleeraar N.C. Kist (1793-1859) en zijn tijdgenoot H.J. Royaards (1794-1854) te Utrecht, van Kist’s beroemden leerling W. Moll (1812-1896), van de hoogleeraren F. Pijper (1858-1926), H.G. Kleyn (1859-1896) en H.C. Rogge (1831-1905), resp. te Leiden, Utrecht en Amsterdam, terwijl thans de tegenwoordige hoogleeraren der kerken dogmengeschiedenis te Leiden, Utrecht en Groningen de tradities dezer directe en indirecte leermeesters trachten voort te zetten ... Ook buiten de genoemden, en in de kringen van roomsch-katholieke en gereformeerde kerkhistorici, hebben denkbeelden dezer school aanhang en toepassing gevonden. Deze denkbeelden en beginselen zijn niet uitermate diepzinnig, maar wel in hun consequente toepassing van groot practisch belang voor de kerkhistorische wetenschap. Zij omvatten: in de eerste plaats het bronnenonderzoek, het zooveel mogelijk en met name op de kritieke punten putten uit de oorspronkelijke gegevens”. 8) Hier nemen we de vrijheid


➝ 33e jrg., bl. 152/3 en 162-164; dezelfde, In Memoriam Pieter Deddens, in Handboek ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland 1958, Goes 1958, vooral bl. 208-230; J. Kamphuis, Het levend protest tegen de vergeetachtigheid in De Reformatie, 33e jrg., bl. 150/1.
8) Dr. J. Lindeboom, Kerk- en Dogmengeschiedenis in Inleiding tot de Theologische Studie, samengesteld door de Faculteit der Godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit te Groningen, onder redactie van Prof. Dr. H. van Oyen, Groningen-Batavia 1946, bl. 105/6. Wie verder over deze school en haar geschiedenis wil lezen, raadplege Dr. A. Eekhof, De geschiedenis van het „Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis (1829-1929)”

|102|

het citaat af te breken, want hier begint de mogelijkheid materieel iets te zeggen van Deddens’ kerkhistorisch werk en de methode daarvan. Is hij al geen vertegenwoordiger van deze school te achten, één ding heeft hij zijn lezers en zijn leerlingen voor-geleefd: de billijkheid èn de onontwijkbaarheid van dit maxime voor de historicus: terug naar de bronnen! Hij heeft zelf, zie de aantekening in noot 1 opgenomen, geconstateerd, dat hem tot die gang naar de bronnen zo weinig mogelijkheid geboden werd vanwege zijn drukke praktijk als predikant, maar dat maakt de onbevangen lezer, die van zijn kerkhistorische artikelen kennis neemt, te dankbaarder voor de strenge tucht, die uit zijn bescheiden publikaties blijkt.

Vanaf 23 jan. 1937 tot 25 okt. 1941 heeft Deddens in de „Groninger Kerkbode” een veertiendaagse rubriek verzorgd getiteld: „Grepen uit de geschiedenis der Kerk”. 9) In een bijna vijf jaren lopende reeks heeft Deddens voor zijn gemeente gehandeld over slechts één onderwerp: het Reveil. Trouwens, ook uit andere publikaties blijkt steeds zijn grote voorliefde voor en kennis van de vorige eeuw. Maar in deze — noodzakelijkerwijs populair gehouden — reeks toont hij onafgebroken, hóe de historicus heeft te werk te gaan om inzicht in het verleden te verschaffen. Waarschijnlijk kent de Nederlandse kerkgeschiedenis behalve het complex van de doopsgezinde stromingen in de 16e eeuw geen meer gecompliceerde beweging, dan die waar de contra-revolutionaire Bilderdijk de vader en de anti-revolutionaire Groen van Prinsterer het centrum van geweest is; de beweging, waar elkaar troffen A. Brummelkamp, die de noodzaak van afscheiding bleef bepleiten èn Da Costa, de man van de „medische weg” tot kerkherstel. Hoe groot is de verleiding niet op één of ander punt een vereenvoudiging toe te passen met het doel „houvast” aan het verleden te krijgen, maar waardoor haast onmerkbaar het gehele beeld toch verschuift.

De enige remedie tegen die simplificatie is de weg naar de bronnen, het geduldig en alzijdig luisteren, opdat een scherp beeld verkregen worden kan en opdat óók een billijk oordeel, dat alle factoren in rekening brengt, kan worden gevormd.

Alleen reeds uit dit oogpunt is de kennismaking met deze Grepen uit de geschiedenis der Kerk voor de lezer waardevol.

We kiezen een enkele illustratie uit een rééks van voorbeelden; Deddens behandelt het Reveil gedeeltelijk door een schets te geven van onderscheiden representanten van deze beweging; zo bespreekt hij ook de figuur van Ds. De Liefde. Hij kent het oordeel van Groen van Prinsterer over hem en heeft A. Pierson’s „Oudere


➝ en Dr. J. Lindeboom „Honderd jaren kerkgeschiedenis naar honderd jaar „Archief”, beide opstellen te vinden in Ned. Arch. voor Kerkgesch., N.S. XXII (1929), resp. bl. 153v.v. en bl. 199v.v.
9) We zullen deze artikelen in de regel citeren bij rubriektitel en datum.

|103|

Tijdgenoten” geraadpleegd. Maar hij gaat niet af op het oordeel van anderen; hij heeft De Liefde uit zijn eigen geschriften leren kennen, zoals alleen al blijken kan uit de volgende zin: „Vóór mij ligt, behalve Coolsma's bekende keur uit De Liefde’s geschriften, het volgende van zijn hand: verschillende delen van het „Volksmagazijn voor burger en boer”, de „Algemeene Geschiedenis voor het volk”, de „Beknopte Geschiedenis des Vaderlands”, dan „Vruchten des geloofs ingezameld op den akker van het Protestantisme”, voorts preeken, liederen, en verschillende populaire geschriften als „De Koningin van het Zuiden”, „De diligence”, „Waarschijnlijkheid of zekerheid”.10) En dat alles heeft niet alleen maar vóór de auteur gelegen; hij kènt het materiaal, citeert gretig en overvloedig zowel de „geestelijke” liederen als de kinderliedjes, zowel uit de Algemene als uit de Vaderlandse Geschiedenis van De Liefde zó, dat een scherp omlijnd beeld begint op te rijzen. Waarbij niet veronachtzaamd mag worden, dat Deddens tegelijk de correspondentie van en over De Liefde, voorzover toegankelijk, blijkt te kennen en te beheersen.

Een tweede voorbeeld.

In deze zelfde reeks schreef Deddens ook enkele boeiende opstellen over de „oefeningen” en de „gezelschappen”. Hij blijkt open oog te hebben voor wat in dat historisch verschijnsel van het godsdienstig leven is te waarderen, maar houdt de kritiek niet achter; een kritiek, die inzet met de stelling: „Wie echter meenen mocht, dat de gezelschappen niets dan goeds hebben gebracht, vergist zich”.11)

Tegen deze bewering en de daarop volgende argumentatie kwam op vriendelijke wijze Ds. S. Datema, grondig kenner van de Afscheidings-geschiedenis, in het weekblad De Wachter op. Hij oordeelt de geuite kritiek te scherp. Maar het antwoord van Deddens is verrassend van overtuigingskracht, juist omdat op ongedachte wijze blijkt, hoe hij weer maar niet tweedehands-bronnen gebruikt en handboeken-wijsheid doorgegeven heeft, maar naar de oorsprongen is teruggegaan en geduldig heeft geluisterd, vóór hij zijn oordeel gaf. Zo zegt hij ook zelf: „Eer ik mij tot schrijven over het „Gezelschapsleven” zette, had ik veel over deze bijeenkomsten gelezen, en ook in de loop mijner Bediening met velen gesproken, die vroeger van het gezelschap trouwe bezoekers waren geweest”.12) Nu, dat blijkt ook overduidelijk. Niet alleen citeert Deddens een- en andermaal „de bekende eerste periodiek der Afscheiding „De Reformatie”, Tijdschrift der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland”, maar ook tekent hij nadrukkelijk aan, dat hij, toen hij zijn kritiek formuleerde, met opzet niet zelfstandig te werk ging, maar een man aan het woord liet, die de


10) Grepen, 12 april 1941.
11) Grepen, 9 juli 1938.
12) Grepen, 17 september 1938.

|104|

gezelschappen „van jongsaf zelf had bezocht” nl. Ds. W.H. Gispen Sr. En dan volgen de bewijsplaatsen: „Keurgarve”, 1915, bl. 84 en 85, en „Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem”, 1905, bl. 177.13)

Men moet niet alleen de vriendelijkheid van deze polemiek respecteren, een vriendelijkheid die ditmaal wederzijds was, maar door Deddens ook volgehouden in veel bitterder situaties, maar vooral het zuivere ter zake kundig zijn. Inderdaad: wie zou beter èn billijker over het „gezelschap” kunnen oordelen dan de oude Gispen? Maar Deddens blijkt het materiaal ook bij de hand te hebben en te kunnen gebruiken. Dat heeft, naar we menen, in historisch opzicht ook winst afgeworpen. Hij heeft zijn personen om zo te zeggen bespied, voor hij ging schrijven. Daarom verrijkt hij zijn lezer ook keer op keer door op de ontwikkeling te wijzen, die bij hen te constateren is. Zo schetst hij de politieke ontwikkeling van Da Costa, die als contra-revolutionair begon in 1823 („Bezwaren tegen den geest der eeuw”), maar reeds in 1830 blijkens zijn correspondentie zwenkte in anti-revolutionaire richting14), waarbij Deddens niet vergeet te noteren, dat er bij Da Costa steeds een „ultra”-element aanwezig is: „Ultra-reactionair vóór 1830 ultra-toegefelijk aan den geest des tijds in de periode na dit jaar”15), wat dan in het volgend artikel bewezen wordt door twee geschriften van Da Costa naast elkaar te leggen: de „Bezwaren” van 1823 en „Het Oogenblik” uit het revolutie-jaar 1848. Maar ook dit schema van de ontwikkelingsgang van Da Costa hanteert Deddens met de vrijheid en de voorzichtigheid, die de ware historicus steeds in het oog houdt; het verhindert hem niet in zijn bespreking van Da Costa’s brochure „Rekenschap van gevoelens” uit het jaar 1843, te constateren, dat Da Costa voor wat het kerkelijk vraagstuk aangaat in zijn contra-revolutionaire periode „in de kwestie van de onderteekening der Formulieren” meer anti-revolutionair was, dan toen hij zijn oude standpunt had prijsgegeven16) en tegenover het „juridisch” standpunt van Groen van Prinsterer de medische weg aanprijst ter gezondmaking van de Hervormde Kerk.

Ook bij de schets, die Deddens jaren later gaf van de verhouding tussen Groen van Prinsterer en de Afgescheidenen17) treft het oog hebben voor de ontwikkeling, het accuraat noteren van de voortgang van iemands denkbeelden, dat slechts mogelijk is doordat de eigenlijke bronnen voor de kennis der geschiedenis geen ogenblik worden verwaarloosd. Wie bij voorbeeld naast elkaar legt déze schets van Deddens en het opstel van de reeds eerder


13) a. art.
14) Grepen, 11 december 1937 en vervolgens.
15) Grepen, 25 december 1937.
16) Grepen, 22 juni 1940.
17) 26 artt. in De Reformatie, 31e jrg., no. 14-39.

|105|

genoemde en door Deddens hooggeschatte W.H. Gispen Sr. „Van 1816 tot 161818), waarin deze over hetzelfde of in ieder geval een verwant onderwerp handelt en daarom ook tot een beoordeling van Groen’s kerkelijke positie komt, merkt bij beiden de wil om een afwijkend standpunt recht te doen en om eerlijk te staan, ook bij de noodzaak van kritiek, tegenover een figuur als Groen van Prinsterer. Maar hoeveel nauwkeuriger is het beeld, dat Deddens ons tekent, vooral op het punt van de ontwikkeling van Groen’s gedachten. Hij werpt opzettelijk de vraag op „of er ontwikkeling in Groens kerkelijke zienswijze valt op te merken”19) en beantwoordt deze vraag dan toestemmend; aanvankelijk deden Groens „sympathieën voor de opvattingen der Historische Rechtsschool” hem niet inzien „dat alle pogingen tot kerkherstel afstuitten en moesten afstuiten op de organisatie der kerk, op de kerkelijke besturen, aangevoerd en geïnspireerd door de synode, de vuurhaard van verzet tegen alle actie, die bedoelde de kerk te reformeren”20), maar „als alle pogingen om de Belijdenis in de Hervormde Kerk rechtsgeldigheid te verschaffen, ijdel blijken, dan ziet Groen al duidelijker, dat geen kerkherstel mogelijk is, zolang de organisatie der kerk gehandhaafd blijft. Hij richt zich nu met alle kracht tegen de bestaande, door de regering opgedrongen, kerkelijke inrichting. Zijn confessionele strijd is een kerkrechtelijke geworden”21). Waarna weer niet verzuimd wordt de invloeden aan te wijzen, die in dit opzicht op Groen hebben gewerkt.22)

Wij menen, dat dit accuraat-historisch werk voor de gereformeerden in de kerkelijke situatie van de vijftiger jaren dezer eeuw, nu in de synodocratische gemeenschap pogingen tot kerkherstel ondernomen worden zonder dat primair gesteld wordt wat primair ìs, de on-kerkelijke organisatie, van actuele betekenis is. Het is mee daarom, dat wij ook dit moment uit Deddens’ historisch werk memoreren, maar we doen het in het kader van het overleggen van het bewijs, dat deze historicus vanwege het luisteren naar de eigen taal van de geschiedenis bij machte is geweest tot het moeizame bedrijf van de historiografie- werkelijke geschiedvorsing bracht hem tot waardevolle geschied-schrijving.

Daarin eren we maar niet een leermeester-voorganger, maar allereerst de God, Die hem vele gaven voor dit werk had geschonken; zó zag Deddens het immers zelf? Hij heeft het éérste beginsel van de Nederlandse kerkhistorische school: terug naar de bronnen, als een opdracht erkend, maar — kenmerk van de gereformeerde,


18) In „De Vrije Kerk”, Vereeniging van Christ. Geref. Stemmen, 14e jrg. (1888), bl. 529v.v. en 15e jrg. (1889) bl. 11v.v.
19) De Reformatie, 31e jrg., bl. 189.
20) a.w., t.a.p.
21) a.w., bl. 190.
22) a.w., bl. 195v.

|106|

van de gelovige historicus — wanneer hij aan de opdracht naar de maat van zijn mogelijkheden voldeed, was er bij hem de dankbare toon van één, aan wie het geschonken was tot de geschiedenis zèlf te gaan. Zo zet hij een opstel over een kerkrechtelijke oratie van Campegius Vitringa Sr. als volgt in:

„Wie wat over de Nederlandsche Kerkgeschiedenis gelezen heeft, bij hem zullen, stuit hij op den naam van Campegius (Kempe) Vitringa Sr., allicht opkomen de gangbare handboeken-notities: Sieraad der Franeker Hoogeschool; gematigd Coccejaan; Oostersche talen en exegese; groote toeloop ook van buitenlandsche studenten; Commentaar op Jesaja en Drie boeken over de Oude Synagoge. Wie gelegenheid had, in de historie te lezen en daarbij de norm van het Woord hanteert, ziet met genoegen, dat Vitringa bij het ouder worden zich al meer afkeert van de Cartesiaansene philosophie”, enz.23)

Deddens zelf liet in dit citaat de woorden „over” en „in” spatiëren; wij vragen nu aandacht voor dat dankbare: „wie gelegenheid had”; geen kwasi-wetenschappelijke geborneerdheid, maar waarlijk-wetenschappelijke verwondering spreekt hier uit een gelovig hart.

In dit verband mogen ons nog enkele opmerkingen vergund zijn.

Typisch voor Deddens’ geschiedschrijving op grond van zijn geschied-vorsing is de overvloed van historische anekdoten, waarmee hij een tijdsbeeld voor ons op kan roepen. Feitelijk moet men heel een artikel als „Andere tijden, andere zeden”24) lezen om er iets van te verstaan hoe Deddens met zijn enorm historisch fonds werkt bij de beantwoording van de vraag: „Wat was dat voor een tijd, ruim een eeuw geleden, toen het Réveil zijn intrede deed in ons land?” Dan volgen de alinea’s op elkaar, onweerstaanbaar, zoals de golven na elkaar uitvloeien op het strand, en dat in een steeds eendere aanhef: „het was in de dagen”, waarna telkens weer nieuwe, telkens weer verrassende bijzonderheden volgen, soms details, soms speels voorgezet, soms in een plotselinge ernst. Dezelfde soms haast verbijsterende kennis van de historische bijzonderheden, maar dienstbaar gemaakt aan de compositie van het historisch verhaal treft men in zijn opstel „De weg tot de oprichting der Theologische School”25). Geen wonder, dat deze geschiedschrijver gaarne de rol vervult van historisch portrettist; graag geeft hij geschreven portretten van anderen door, zo dat


23) a.w., 23e jrg., bl. 409.
24) Grepen, 6 februari 1937.
25) In de bundel „Tot de prediking van het Woord des geloofs”. Kampen 1954, bl. 41-67, vooral bl. 45v.v. In dit verband maken we nog melding van een viertal artikelen in De Reformatie, 20e jrg., no. 49 (27 juli 1945 en volgende nummers), „1945 in vergelijking met 1813”. Uit al deze artikelen en opstellen blijkt tevens, hoe breed de belangstelling van de kerkhistoricus Deddens was; hij geeft met evenveel gemak illustraties uit de economische, sociale, politieke als uit de kerkelijke geschiedenis.

|107|

van de hand van Allard Pierson over Groen van Prinsterer26) en de bekende schets van Bilderdijk college gevende over de geschiedenis van het Vaderland voor een auditorium van 6 personen op het Rapenburg te Leiden.27) Maar ook zelf beeldde Deddens graag personen en situaties uit. Bekend is zijn beschrijving van „’t eerste vriendschappelijk contact” tussen K. Schilder en hem zelf op de eerste vergadering van de classis ’s-Gravenhage, die hij als predikant van Rijswijk meemaakte, waarin Deddens K. Schilder in zijn rond, open opkomen voor éérlijk „zaken doen” op een kerkelijke vergadering tekent; het toneeltje leeft. De lezer leert de sfeer kennen van de classis ’s-Gravenhage, het vasthouden aan orde en regel van haar actuarius, de laatst-ingekomen predikant Deddens van Rijswijk, de verbazing van de eerwaarde vergadering over zoveel nodeloze stiptheid en de kerkelijke trouw, waarmee de Oegstgeester predikant K. Schilder het opnam voor de aangevallen actuarius.28) Een sfeer oproepen, personen karakteriseren, het was hem een lust, omdat de historische accuratesse zich hier huwde met het uitbeeldend vermogen van de kunstenaar. Evenals nu Deddens oog had voor het historisch detail, minde hij ook het fijne trekje, de puntige karakteristiek, die eigenaardig zijn voor het historische portret, het genre binnen de geschiedbeschrijving, dat wel eens moeite heeft om erkend te worden in zijn eigen merites, maar waarvan het Algemeen Handelsblad ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van De Standaard en zijn hoofdredacteur A. Kuyper volkomen terecht opmerkte: „Portretteeren is groote kunst en eischt eindeloze studie en tijd”28a) Wellicht heeft het gereformeerde volk te weinig nog beseft, hoe zeldzaam de verbintenis van wetenschap en kunst is om de stilistische gaven van Deddens recht te waarderen.

Met de vermelding van Deddens uitbeeldend vermogen hebben we tegelijk de overgang gemaakt naar onze laatste opmerking in dit verband. Er is in de geschiedschrijving ook een niet te verwaarlozen esthetisch element: men moet de moed hebben na de geschiedvorsing terwille van de geschiedschrijving de mogelijkheden van de taal te exploiteren om uit te beelden. Daarmee wordt de eis van strenge wetenschappelijkheid in de weergave der feiten niet ontkend; integendeel. W. Moll, in het begin van dit opstel in een citaat van Lindeboom de beroemde leerling van Kist genoemd, ging juist mede daarin volgens bevoegd getuigenis bóven Kist uit, dat hij de schone taalvorm dienstbaar maakte aan de wetenschappelijke


26) De Reformatie, 31e jrg., bl. 109, vgl. A. Pierson, Oudere Tijdgenoten3, Amsterdam 1922, bl. 119.
27) Grepen, 29 mei 1937.
28) Prof. Schilder als vriend in Almanak Fides Quadrat Intellectum, 1953, bl. 62v.v.
28a) Zie Gedenkboek, opgedragen door het feestcomité aan Prof. Dr. A. Kuyper bij zijn vijf en twintig-jarig jubileum als hoofdredacteur van „De Standaard”, Rotterdam 1897, bl. 83.

|108|

historiografie.29) Zo vaak nu Deddens „los” komt, kan men genieten van een keurige taal, die in rake typeringen haar kracht zoekt. Hoe wordt — alweer — Groen ons voor ogen gesteld, maar nú via een schets van zijn „De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatstegt getoetst”, wanneer Deddens dit geschrift als volgt karakteriseert:

„Achter den beraden gang der gebonden zinnen met hun welgekozen woorden voelt men een hart, dat trilt van verontwaardiging; hier is een conscientie-kreet uit een overvol gemoed; een betoog, dat met zijn klemmende argumenten den inbreuk op de vrijheid van geweten, die edelste aller nationale schatten, raak en onbarmhartig aan de kaak stelt”.30)

***

Als tweede kenmerk van de Nederlandse kerkhistorische school noemt Dr. J. Lindeboom in het artikel, waar we ons uitgangspunt in nemen: „een zakelijk voordragen van de aldus (sc. door middel van een zo verantwoord mogelijk bronnen-onderzoek) gewonnen resultaten, waarbij niet deductief geredeneerd wordt van bepaalde praemissen uit, niet geconstrueerd wordt aan de hand van vooraf uitgedachte ideologieën, maar inductief wordt betoogd en geconcludeerd op grond van wèl-verantwoorde gegevens”.31)

In zoverre hier aan de historicus de eis gesteld wordt van de rustige, onpartijdige reproduktie van het gevondene, zal dit woord weinig tegenstand oproepen, maar is wèl de vraag te overwegen of Lindeboom zelf hier geen vlekken aanbracht op zijn eigen werk. In deze richting heeft b.v. G. Keizer wel geklaagd,32) en onzes inziens terecht, wat betreft de geschiedenis der Afscheiding. Waarbij gevoegd kan worden, dat soms ook uitvoerige documentatie prof. Lindeboom niet van een al te oppervlakkig oordeel vermocht af te brengen, zoals zijn recensie bewijzen kan van de dissertatie van J.A.C. v. Loon over het Reglement van 1816 in het Ned. Arch. voor Kerkgeschiedenis.33) Slag op slag blijkt hier toch de genootschappelijke voorkeur het te winnen van de wetenschappelijke onpartijdigheid.

In dit opzicht achten we het werk van Deddens zuiverder dan dat van Lindeboom. Hij heeft zijn kritiek op de door hem beschreven personen. Hij schaamt zich de functie van criticus ook niet; wij komen daar nog op terug. Maar nergens treft men in zijn werk de speldeprikken aan, die het oeuvre van Lindeboom soms ongenietbaar


29) Dr. J. Lindeboom, Ned. Arch. voor Kerkgesch., N.S. XXII (1929), bl. 215/6.
30) Grepen, 5 augustus 1939.
31) Inleiding tot de Theologische Studie, enz. bl. 106.
32) Dr. G. Keizer, De Afscheiding van 1834, Kampen 1934, bl. 13 en 32.
33) N.S. XXXIV (1943/45), bl. 215.

|109|

maken. Dat valt temeer op, omdat het kerkhistorisch werk van Deddens voor het grootste deel cirkelt om figuren, met wie hij de kerkelijke keuze niet kan delen. Wanneer we zijn artikelen over Mr. A.M.C. van Hall34) en die rond Brummelkamp35) uitzonderen, handelt zijn werk, voorzover het personen betreft, voornamelijk over figuren, die òf niet aan de vrijmaking van de synodale organisatie van 1816 toe zijn gekomen, zoals Bilderdijk, òf die die vrijmaking, zoals deze tot stand kwam in de Afscheiding van 1834, veroordeelden en tegenstonden. Deddens verliest dit niet uit het oog; hij schenkt er integendeel overvloedige aandacht aan36), maar zijn blik blijft onbevangen. Dat blijkt duidelijk, wanneer hij de betekenis van Groen van Prinsterer schetst, maar evenzeer als hij het beeld tekent van Otto Gerhard Heldring37). Dit beeld werd ontworpen vóór Dr. A. van der Hoeven zijn biografie van Heldring gaf38), maar toont in ieder opzicht dezelfde terzake-kundigheid als wij bij de artt. over Ds. De Liefde constateerden. Deddens toont de zwakheid te kennen van deze grote filantroop uit het Reveil: „Inplaats van nu echter alleen te letten op de eisch, die de kompasnaald (sc. het Woord Gods) stelt, begint Heldring eischen te stellen aan het kompas zelf. Hij wil het wel volgen, mits het hem vergunt, zijn philanthropische arbeid voort te zetten”39). Maar daarom negeert Deddens deze arbeid niet en kleineert ze ook niet: „In de voorposten van het Christelijk-sociale leger der negentiende eeuw staat Heldring als de held die „ringende”40) moeite na moeite en teleurstelling na teleurstelling te boven komt, en die door het geloof in de kracht Gods overwint;”41) en: „Waarlijk, vruchteloos was de strijd des geloofs en der liefde niet geweest.”42) We kunnen verder gaan: hoewel Deddens scherp kritisch staat tegenover Heldring’s weigering om dóór te tasten ten aanzien van de Kerk, toen het erop aan ging komen en hij daarom óók het initiatief, dat Heldring ontplooit en dat uitloopt op de


34) Van Reveil tot Afscheiding, 8 artt. in de serie Grepen uit de geschiedenis der Kerk, vanaf 18 maart 1939.
35) Grepen, vooral vanaf 12 oktober 1940.
36) Waar het Reveil feil ging; Verboden Verkeersweg; Het Reveil op het keerpunt, I-III; Waarom geen Scheiding, I-VI, aansluitende artt. in de serie Grepen uit de geschiedenis der Kerk, vanaf 1 okt. 1938; De zigzaggang I-II in dezelfde serie 8 en 22 juli 1939 en Het negende Geloofsartikel, idem, 30 sept. 1939.
37) Grepen, van 14 okt. 1939 tot 16 maart 1940.
38) Dr. A. van der Hoeven, Otto Gerhard Heldring, A’dam 1942.
39) Grepen, 2 maart 1940.
40) Hier zinspeelt Deddens op een woordspeling, die Gossner eens maakte op naam en standplaats (Hemmen) van Heldring, die door Deddens a.v. wordt weergegeven: Nun Held, ring durch zum Siege; lasz dich nicht hemmen, und wolle nicht hemmen. Zakelijk gelijk bij Dr. A. v. d. Hoeven, a.w., bl. 124.
41) Grepen, 28 okt. 1939.
42) Grepen, 20 jan. 1940.

|110|

vergaderingen van de „Christelijke Vrienden” scherp laakt43), aarzelt hij geen ogenblik met vreugde te erkennen, dat er van deze vergaderingen grote stuwkracht is uitgegaan: „Hun vergaderingen waren het van God gegeven middel om in Nederland, na de verwoestingen door de revolutie aangericht, de ontwrichte pilaren weer vast te zetten. ..... Het behaagde ..... den Heer in deze zwakheid (nl. bestaande in het kleine aantal en de weinige mogelijkheden) Zijn kracht te openbaren, en in de geringheid der middelen Zijn heerlijkheid te toonen. Hij dreef de Christelijke Vrienden voort door de stuwkracht des geloofs”.44)

***

Onpartijdig is deze historicus.

Maar men zie wèl toe.

Het is de òn-partijdigheid van het geloof, dat partij gekozen heeft voor de God der geschiedenis en dat nu geen geschiedenis kan schrijven zonder deze God in het oog te hebben. Ja, daaruit wordt Deddens’ onpartijdigheid, waarin hij te loven is bóven Lindeboom, geboren, uit zijn streng-theocentrische historiografie.

Daar wijken dan ook de wegen van deze beide historici uiteen.

En daarmee raken we, naar ons oordeel, het hart van Deddens’ historische arbeid, dat opzettelijk bespreking verdient; een bespreking, die wij geven willen in duidelijke confrontatie met de maximen van de nu reeds herhaaldelijk genoemde Nederlandse kerkhistorische school. Wij zouden de nagedachtenis van de calvinist Deddens niet eren, wanneer wij camoufleerden dat op dit punt een afgrond gaapt tussen Lindeboom en Deddens, tussen de humanistische èn de calvinistische kerkgeschiedschrijving.

***

Lindeboom tracht wel het eigen karakter van de kerkgeschiedenis in onderscheid met de vaderlandse en algemene geschiedenis te handhaven: „ook zonder dogmatische a-priori’s te laten meewegen en zonder het openbaringskarakter van het Christendom uit te breiden over de kerkgeschiedenis (wat op protestantsch standpunt onnoodig is en onaanvaardbaar), kan men er niet aan ontkomen het „hic et nunc” van het Christendom mee te laten bepalen door het openbaringskarakter, dat aan zijn optreden in den tijd, in en door Jezus Christus, eigen is ..... de kerkgeschiedenis (heeft) ..... een eigen, principieel karakter ....: het openbaringskarakter van


43) „En als straks Heldring met andere medici in consult gaat, en de meerderheid zijn zienswijze deelt, dan weten we, wat van deze Reveil-actie, die niet reformatorisch is, wijl niet naar de Schrift, te wachten is”, Grepen, 17 febr. 1940.
44) Grepen, 13 april 1940.

|111|

Jezus Christus en zijn Evangelie, dat uitstraalt over al het historisch gebeuren, hetwelk Christus met onzen tijd verbindt.”45)

Maar, afgedacht nu even van de alles-beslissende vraag, of Lindeboom op déze wijze wel onderscheid mag maken tussen de kerkgeschiedenis enerzijds èn de, zo door hem genoemde, profane geschiedenis anderzijds, feitelijk poogt Lindeboom in de verantwoording van zijn historiografische methode nog zo veel mogelijk te ontkomen aan dat schamele overblijfsel van de Schrift in de zo juist van hem geciteerde formules. Het is een „minimum”, hij geeft het toe. Maar verder mag, naar zijn stellige overtuiging, de historicus toch zéker niet gaan, want dan geschiedt het grootste ongeluk: het wetenschappelijk bedrijf loopt vast in het slop van de onwetenschappelijke stichtelijkheid: „Bepaalt men zich niet tot dit minimum... dan loopt men gevaar de geschiedenis stichtelijk te gaan waardeeren en beschrijven, dan ziet men overal den bekenden vinger Gods, Gods wonderbaarlijke leiding, die speciaal „Zijn” kerk — welke dan praktisch de kerk van den beschrijver is! — betreft. Van stichtelijke beoefening der kerkgeschiedenis, van dierbare redeneeringen, over de genadige teekenen en leidingen vanwege den Heer der kerk (men substitueere dan, al naar behoefte, één bepaalde kerk) hebben wij in Nederland al meer dan genoeg genoten, gelijk er in Duitschland altijd een overdaad was van het nationalistische element”.46)

De nevenstelling: stichtelijke geschiedschrijving in Nederland — nationalistische in Duitsland is duidelijk genoeg. En ook navrant. En Lindeboom heeft naar deze richtlijnen niet alleen zijn eigen kerkhistorisch werk trachten op te bouwen, maar ook dat van anderen beoordeeld. Wanneer A. Janse in zijn Van „Dordt” tot ’34 een poging doet om de grote strijd tussen het vleselijk en het Geestelijk Israël te tekenen „in het verband van den kamp tussen de humanistische en de Gereformeerde strooming in de Hervormde Kerk tijdens de Republiek”47), dan is Lindeboom in zijn recensie in het Ned. Arch. yoor Kerkgeschiedenis snel klaar met zijn oordeel: „Liefhebbers van stichtelijke lectuur mogen beoordeelen in hoeverre de heer Janse met deze „verbanden” op den goeden, door hem verkozen weg is; wij kunnen hier slechts constateeren dat de schrijver gebleven is buiten het verband van de eenvoudigste eischen, die de historiebeoefening stelt”.48) Wat dan niet nader geadstrueerd wordt noch blijkbaar behoeft te worden, want het feit alleen, dat „stichtelijke lectuur” geboden wordt, is voor Lindeboom reeds voldoende om Janse uit te sluiten uit de kring der serieuze historie-beoefenaars. En zó spreekt hij werkelijk niet alleen ten aanzien van kerkelijk-gereformeerden. Als in 1941 de


45) Inleiding tot de Theologische Studie, enz., bl. 93/5.
46) a.w., bl. 95.
47) A. Janse, Van „Dordt” tot ’34, Kampen 1934, bl. 6.
48) Ned. Arch. voor Kerkgesch., N.S. XXVII (1935), bl. 254.

|112|

hervormde, barthiaans-georiënteerde Dr. H. Berkhof zijn Geschiedenis der Kerk het licht doet zien, om, zoals hij in het Woord Vooraf verklaart „het belangstellend lid der kerk de geestelijke beteekenis van het gebeurde te doen verstaan”,49) dan is Lindeboom in zijn recensie, die in dit geval naar haar inhoud meer betekenis heeft, weer spoedig klaar: „Het gaat dus blijkbaar om een stichtelijke geschiedenis van het Christendom, geschikt om de bijzondere voortreffelijkheid van de Nederlandsen Hervormde Kerk te doen uitkomen” en: „Het ligt verder geheel op de stichtelijke lijn — zeker ten bate van „gereformeerd Nederland” — dat zoo gemakkelijk gesproken wordt van genadige teekenen en leidingen vanwege den Heer der Kerk”. Iets van de achtergrond van deze hooghartige afwijzing wordt onthuld, wanneer Lindeboom Berkhof’s standpunt met betrekking tot het Woord Gods — onzes inziens onnauwkeurig — aldus weergeeft: Het Woord, dat „zonder eenige menschelijke verklaring, opvatting of weergave als een transcendente grootheid tot hem komt”. En dan volgt déze opmerking, die voor heel het wetenschappelijk, kerkhistorisch werk van Lindeboom van beslissende betekenis is: „Een oude dwaling (art. XXVIII der Ned. Geloofsbelijd. is er al niet vrij van gebleven), maar voor wetenschappelijken arbeid altijd gevaarlijk. Zij leidt tot gewrongen stichtelijke beschouwingen, tot onbillijke beoordeelingen”.50)

In duidelijke tegenstelling tot deze geseculariseerde geschiedbeschrijving is Deddens zijn onopvallende weg als historicus gegaan. Hij heeft zich het evangelie van de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die om Zijnentwil ook onze God en Vader wil zijn en daarom ons, ook in de loop van de kerkgeschiedenis, met alle goed verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keren wil, niet geschaamd, ook niet al wist hij, dat hij daardoor onder hetzelfde oordeel vallen zou, als Lindeboom over Janse en over Berkhof streek. Dat komt al uit in het laatste citaat, dat we van hem gaven, waarin Deddens handelt over de vergaderingen van
de „Christelijke Vrienden”, waar de krachten van het Reveil gebundeld en zoveel mogelijk gericht werden. Wanneer hij over de invloed spreekt, die van deze vergaderingen is uitgegaan, formuleert hij bewust theocentrisch: „Hun vergaderingen waren het van God gegeven middel .....”.

Zo’n uitlating is in zijn werk niet incidenteel, ook niet frequent-en-daarmee-uit; maar ze geeft de richting aan, waarin en de norm, waarnaar hij werken wilde: „Als de almachtige en alwijze Creator menschen als zooveel letteren gaat schrijven in het schoone boek der Schepping, dan copieert Hij Zichzelf niet. Maar in de pluriforme pracht, die Hij voor onze oogen ontvouwt, is toch hier en daar overeenstemming op te merken”.51) Van die Creator belijdt


49) Dr. H. Berkhof, Geschiedenis der Kerk, Nijkerk (1941), bl. 5.
50) Ned. Arch. voor Kerkgesch., N.S. XXXIV (1944/5), bl. 71/2.
51) De Reformatie, 23e jrg., bl. 303. Vgl. ook De positie van de

|113|

Deddens graag, dat „Hij Zijn materiaal niet vindt, maar schept52) en van de geschiedschrijving daarom: „Want alle geschied-herdenking brengt ons in de tegenwoordigheid van Hem, Die uit vele, door ons ook ongeweten mogelijkheden, telkens één ding kiest, dat werkelijkheid wordt en in de verschijning treedt, en alzo door Hem tot een mede-bepalende factor gemaakt wordt van hetgeen naar tijdsorde volgens Zijn Raad in de loop der historie geschieden moet. Geschieden moet naar de wil van Hem, die de naam draagt van de alleen wijze God, die het Verbond bewaart en daarom aan Zijn Kerk de hand houdt tot het einde”;53) en eveneens: „Heel de kerkgeschiedenis is niet anders dan een hymne, een roerende lofzang op de trouw van de Middelaar Gods en der mensen, de Koning en Leidsman der Kerk”. 54) Hoewel hij in de arbeid, waaruit wij nu één en ander naar voren halen, het schrijven van de jaaroverzichten van het kerkelijk leven in het „Handboek”, zich slechts „chroniqueur” wist, „die niet meer te doen had dan enkele in ’t oog vallende, voor het leven onzer Kerken van betekenis zijnde gebeurtenissen in de herinnering terug te roepen”, acht hij die arbeid toch schóón, „niet uit aesthetisch, maar uit religieus oogpunt”.55)

Zo past Deddens die geloofsstelling, dat alle geschied-herdenking ons brengt in de tegenwoordigheid van de alleen wijze God, ook op een wijze, die door de humanistische, ook de religieus-humanistische geschiedbeschrijving met alle kracht moet verworpen worden, schijnbaar argeloos toe op heel concrete omstandigheden en gebeurtenissen: „Immers de School (bedoeld is de Theologische Hogeschool) is niet in de eerste plaats onze School, maar de School des Heeren ..... toen de Kamper School verloren scheen en men zich van de zogenaamde „lastige elementen” ontdaan had, gaf de Heere aan de leden van de eerste meerdere vergadering van de vrijgemaakte Kerken in het Noorden in ’t hart, het onderwijs voort te zetten, en het stoffelijk onderhoud der School voor haar rekening te nemen”.56)

Schijnbaar argeloos, zo zeiden we. Maar het is slechts schijnbaar. Want Deddens heeft publiek rekenschap gegeven van deze methodische inzet van zijn historisch werk: „Wie over een historisch onderwerp gaat handelen loopt het gevaar, de aandacht op te eisen voor hetgeen in een bepaalde periode voorviel op het schouwtoneel van het verleden, en de rol te doen zien, die elk der op de voorgrond tredende spelers in de totstandkoming van enig belangrijk


Diakenen ren aanzien van den Kerkeraad, Rotterdam z.j., bl. 5: „verschil van tijden en omstandigheden, immers God herhaalt Zich niet in de historie”.
52) a. art.
53) Handboek ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland onder redactie van Prof. P. Deddens, Goes 1954, bl. 225.
54) a.w., bl. 212.
55) a.w., bl. 225.
56) De Reformatie, 23e jrg., bl. 5.

|114|

gebeuren heeft vervuld, zodat in de schaduw of in ’t duister blijft wat de Heere deed, en misschien slechts in ’t voorbijgaan Zijn Naam wordt genoemd.

De Heere is echter niet (met eerbied gezegd) de onzichtbare Souffleur of Regisseur, ook niet slechts de Auteur van de opgevoerde Acten, die elkaar in de loop der jaren en eeuwen afwisselen en van het totaal der Bedrijven; de Heere is God, en daarmee is alles uitgesproken. Als Schepper „ontdekt” Hij noch het toneel, noch de spelers; Hij formeert de wereld en bevolkt haar; Hij vindt Zijn werkmateriaal niet zoals wij, doch Hij maakt het; en in trouw aan Zichzelf en daarom aan Zijn Schepping stuwt Hij Zijn wereld voort door een permanente, presente, almachtige wilsdaad, van verandering tot verandering, door Zijn nooit onderbroken „ingrijpen” volgens geschiedend besluit haar heenstuwend naar de dag van Zijn oogst. ..... In het schijnbaar onontwarbaar, in de loop der eeuwen voor ons oog zich steeds meer verwikkelend kluwen van gebeurtenissen, bewaart God de orde; Hij bepaalt en realiseert waar, wanneer, onder welke omstandigheden ieder mens en elk volk zal leven en werken. Hij heeft daartoe naar Goddelijke orde de tijden doen komen (Hand. 17: 26), en in verband met die tijden formeert Hij de mensen, die alsdan moeten optreden (Jer. 1: 5, Hand. 13: 36a). ..... En wijl nu de Heere Zijn Kerk maakte tot centrum van Zijn wereldregiment (Deut. 32: 8 ....), daarom dient alles wat in de tijd geschiedt, direct of indirect de kerk, al kunnen wij, klein van verstand en beperkt van inzicht, de wijze en de wegen van deze dienst slechts zeer fragmentarisch en niet dan uiterst onvolkomen kennen”. En dan volgt de concrete „toepassing” op de geschiedenis, die nù door hem zal beschreven worden: „De Theologische Hogeschool is geweest en bleef schenking Gods; inzake haar oprichting merken we op, dat ze geschiedde op Gods tijd, en met door Hem bereide middelen.”57)

Hier doet zich nu in volle kracht gelden de tegenwerping, die Lindeboom steevast maakt: staat deze geschiedbeschouwing en -beschrijving niet op één lijn met de duits-nationalistische, die „God” annexeert tot meerdere glorie van het eigen volk, de eigen natie? Is in de grond der zaak de éne geschiedbeschouwing niet ident met de andere? Heeft Hitler niet de „Voorzienigheid” voor zich en voor zijn duizendjarig rijk geannexeerd, zoals, naar Deddens eens in herinnering bracht, reeds in 1810 ook Napoleon deed, toen hij tot een adviserende Commissie uit Nederland, juli 1810 naar Parijs ontboden, zei: „Toen de Voorzienigheid mij dezen eersten troon der wereld deed bestijgen, moest ik, om Frankrijks lot voor goed te bevestigen, het lot regelen der volken, die deel uitmaken van dit Rijk; ze allen doen deelen in de zegeningen van bestendigheid en orde”.58)


57) Tot de prediking van het Woord des geloofs, bl. 41/2.
58) De Reformatie, 20e jrg., no. 49 (27 juli 1945), bl. 5/6.

|115|

Maar deze tegenwerping houdt geen steek. Zeker, we weten, dat de tegen-instantie die wij aanvoeren, voor hen die Lindeboom’s richtsnoer volgen, van geen kracht zal zijn, zoals blijken kan uit wat we aanhaalden uit zijn recensie van Berkhof’s Kerkgeschiedenis. Maar dat mag ons niet verhinderen hier niet alleen de tegenj-stelling te constateren tussen Lindeboom’s religieus-humanistische historiografische methode èn de calvinistische van Deddens, maar ook protest aan te tekenen, wanneer Lindeboom van zijn uitgangspunten uit de calvinistische geschiedbeschouwing en -beschrijving gelijkschakelt met die der duitse immanentisten. Want Deddens heeft niet alleen gepostuleerd de vrijheid en de soevereiniteit van de eeuwige God en de transcendentie van Hem, die immanent werkt in de gang der tijden, maar hij heeft principieel alle vleselijke annexatiedrift de levenswortel afgesneden, toen hij het Woord Gods, dat ons in de Schrift geschonken is, aanvaardde als de maatstaf, het richtsnoer, het enige betrouwbare middel om te taxeren. Hij is nimmer zò ver gegaan, gelukkig, dat hij de kerkgeschiedenis opvatte in de beperkte zin, die Ebeling haar gegeven heeft: geschiedenis van de uitlegging der Heilige Schrift59), want hoe groot ook het waarheidselement in een dergelijke omschrijving is, ze zegt toch te weinig; naar twee zijden: de kerkgeschiedenis is méér dan de geschiedenis van de uitlegging van de Heilige Schrift èn de Heilige Schrift wil vooral als norm erkend worden in de beschrijving van de geschiedenis der Kerk. Een calvinistische kerkgeschiedschrijving zal zich kenmerkend van alle andere daarin onderscheidden, dat zij vanwege de eerbied voor de souvereine God, die wij in Christus kennen en die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, een strikt-normatieve geschiedbeschrijving is. Tegenover Emil Ludwig spreekt Deddens dan ook expliciet van dit geloofsuitgangspunt: „Ofschoon hij, voor zoover ons bekend is, nergens uitvoerig zijn opvatting over de beteekenis van de geschiedenis en van den enkelen mensch heeft weergegeven, blijkt uit meerdere aanduidingen toch wel, dat ook in dit opzicht Goethe zijn leermeester is geweest. Wij krijgen den indruk dat voor hem, als voor Goethe, alles wat geschiedt, een uitdrukking is van den „Geest”, die naar het heet, achter de natuur zich verbergt en in alle gebeuren zich openbaart, dat het individu in de ontvouwing van zijn bijzonderen aard tegelijk uitdrukking en gelijkenis is van het alwezen, dat men geest of god noemt. Geen God boven de historie dus. Geen God, die de historie maakt als de ontwikkeling van Zijn Raad. En de inhoud der geschiedenis is hier dan ook niet de machtige worsteling tussen duisternis en licht, tussen zonde en genade. ..... Hij verstaat het proces der historie gansch anders als wij. Hij beziet haar eenzijdig-pragmatisch, alleen naar het nut dat ze bij wijze van voorbeeld afwerpt in bemoediging en waarschuwing. Maar wat is nu in


59) Gerh. Ebeling, Kirchengeschichte als Geschichte der Auslegung der Heiligen Schrift, Tübingen 1947, passim.

|116|

zijn helden te prijzen, wat te laken? Wat is de maatstaf, dien deze schrijver aanlegt? Ludwig kent geen anderen maatstaf dan de humanistische. Met andere woorden: een zeer onvaste, wisselende.”60)

Daarom beschrijft Deddens in alles de gang van de heerschappij van de Christus, die door Zijn Woord verlost, herschept, vergadert, regeert, óók door en ondanks de rebellie der vijanden en de vaak gebleken ongehoorzaamheid der kinderen Gods. Neen, dat is geen geschiedbeschrijving, die, naar het oordeel van Lindeboom, wel uitlopen moet op het aanprijzen van de bijzondere voortreffelijkheid van een bepaald kerk-instituut, want we zagen juist, dat Deddens’ krachtig-theocentrische „aanpak” der geschiedenis hem de mogelijkheid van de werkelijke on-partijdigheid heeft gegeven, omdat hij wist de tol der dankbaarheid aan de God der geschiedenis verplicht te zijn overal, waar die God Zich heerlijk betoont in Zijn verlossingswerk. Inderdaad, Deddens heeft maar weinig en dan nog op een onopvallende manier gepubliceerd op historisch gebied, maar dat weinige doet hem kennen als het tegendeel van de bekrompen kerkist; hoe zou hij het hebben kunnen zijn, waar hij wist te werken in het licht van die God, die hij zo van harte beleed als de Schepper van de einden der aarde?

Maar de nórm heeft hij niet losgelaten.

Dat opent ook op het onverwachts vaak verrassende perspectieven in zijn historisch werk.

Wanneer hij over Heldring handelt in zijn „Grepen uit de geschiedenis der Kerk”, beschrijft hij ook de inhoud en het doel van Heldring’s geschrift uit 1841: „Waarom staan de namiddag-kerken zo ledig?”. Het wordt getypeerd als ,,’n echt Heldring-geschrift: op den man af, maar voorts rustig, zonder eenige felheid, goed-bedoeld, argeloos”.61) Maar Heldring staat onthutst over de venijnige reactie, die van hervormde zijde losbreekt, als zijn analyse van de kerkelijke situatie bekend geworden is. „Wat zal”, vraagt Deddens, die het verhaal vertelt als de geschiedenis van een patiënt en een medicus, „dokter Heldring nu doen? Doorzetten?” Hij heeft het wel overwogen, maar dat zou aansluiting bij de Afgescheidenen betekend hebben en hoe na hij daar ook aan toe geweest mag zijn, hij doet die stap niet.” Maar waarom was Heldring daar zo na aan toe geweest en waarom kwam er toch in dit opzicht geen geloofsactiviteit?: „Heldring maakt het ons nog gemakkelijker zijn geesteshouding te begrijpen door de vermelding, dat hij er ernstig over dacht, de Hervormde Kerk voor die der Afgescheidenen te verlaten, omdat hij gegriefd was door de bittere ontvangst van zijn boekje. Als de smaad den Heere aangedaan, die in Zijn eigen huis wordt tegengesproken en in een hoek gezet, wordt voorbijgezien om de krenking, die men persoonlijk ondervindt, dan is er op


60) De Reformatie, 10e jrg., bl. 238.
61) Grepen, 17 febr. 1940.

|117|

krachtige reformatorische actie niet te hopen”.62) Hetzelfde oordeel velt Deddens over de noodkreet, die Heldring na raadpleging van Groen van Prinsterer schreef aan „de vrienden des Heeren, die met mij hebben leeren kennen door den Heiligen Geest, dat de Gereformeerde kerkleer niet uit den mensch, maar uit God is”, want Deddens’ analyse van Heldring’s initiatief, waarbij allerlei activiteiten en genootschappen ter sprake komen, leert ons: „Bemoeiing dus met genootschappen en vereenigingen — van de Kerk is geen sprake. Het gaat over „inrichtingen, welke in den eigelijken zin des woords menschenwerk zijn” — over het lichaam van Christus geen woord. Wel spreekt Heldring aan ’t eind over de eere Gods — wat die eere Gods vordert voor Zijn heilige Gemeente naar het klaar getuigenis van het Evangelie beseft hij niet”. En dan volgt een diepzinnige, billijke en tegelijk scherpe opmerking: „Hoe diep blijkt de omzetting van de Kerk in een genootschap zelfs op het bewustzijn van geloovigen, die leiding hadden te geven, te hebben ingewerkt”. 63)

In dezelfde lijn ligt wat Deddens opmerkt naar aanleiding van de confrontatie van het kerkelijk standpunt van Groen van Prinsterer en dat van Da Costa in een vijftal artikelen Om de Kerk64). Deddens vermeldt dan, dat „de aversie van Da Costa om met beslistheid de Formulieren te handhaven geweten (is) aan zijn onjuist kerk-begrip: de zichtbare Kerk was voor hem niet meer dan iets dat in hope en in de toekomst bestaat, een embryo, een kampplaats, een schip, gehavend door den storm”.

De auteur ontkent dat niet, maar vervolgt: „de eigenlijke oorzaak lag dieper. Reeds vroeger wezen we op Da Costa’s subjectivisme en individualisme. Het centrale punt van zijn denken was niet de eere Gods, maar de zaligheid van den mensch. Christus de Koning ging voor hem schuil achter Christus de Hoogepriester. Hij getuigde van de liefde Gods — de gedachte van het recht van Gods liefde heeft hem niet gegrepen. Groen bleef bij de Hervormde Kerk, omdat hij niet inzag dat deze was omgezet in een kerkgenootschap. Da Costa bleef erbij, omdat hij haar abnormale toestand van diep bederf haast als normaal zag. Het juridisch standpunt van Groen kon in het genootschap onmogelijk zijn doel bereiken. Het medisch standpunt van Da Costa heeft verzwakking en verslapping van het kerkelijk besef in de hand gewerkt”.65)

Het recht van Gods liefde.”

Die „verslapping en verzwakking van het kerkelijk besef” wijst Deddens ook concreet aan, bij voorbeeld in de bemoeienis, die Da Costa in het conflict heeft gehad, waarin Kohlbrügge werd gewikkeld met de Hervormde Kerk, die hem zijn toelating weigerde.


62) a. art.
63) Grepen, 16 maart 1940.
64) Grepen, 27 april 1940-22 juni 1940.
65) Grepen, 22 juni 1940.

|118|

Dan memoreert hij een uitlating van De Clercq inzake de redenering van Da Costa: „aan de eene kant moest men het recht van de zaak handhaven en de scheiding tegengaan; juist het opstellen van een stuk zoals men vermeende, kon strekken om Kohlbrügge terug te houden, die juist op het punt stond om, of op den directen of op den indirecten weg, een dienaar der Kerke Gods te zijn”. „Deze zin”, zo vervolgt Deddens, „munt niet uit door helderheid. Maar de bedoeling is duidelijk. Da Costa wil bij de Synode protesteren. Met welk doel? Het begane onrecht hersteld te zien? Waarschijnlijk wel. Maar daarvan rept hij verder niet. Wel noemt hij iets anders: hij wil door het protest de Scheiding tegengaan. En dan nog eens: hij wil Kohlbrügge tegenhouden, nl. van Scheiding. ..... Hij wil voor het recht opkomen eenerzijds. Maar anderzijds wil hij blijven in de Kerk. ..... Zijn protest zal in de laatste instantie niet dienen het recht, maar een bepaald belang: het voorkomen van Scheiding”.66) En ook wanneer bij monde van De Clercq het Reveil de Afscheiding dicht nadert, blijft Deddens de grondfout onderkennen: „Men is hier zelfs vrij dicht tot de Scheiding genaderd. Maar om wat reden? Hoofdzakelijk om de vervolgingen, die de Afgescheidenen hadden te verduren. De wil des Heeren tracht men in deze kwestie minder op te maken uit Zijn Woord, dan uit de omstandigheden, uit leidingen, uit stemmen en wenken van Boven. Dat is hier de grondfout van het Réveil”,67) een grondfout, die zoals uitvoerig aangewezen is, teruggaat op Bilderdijk: „De profetisch-priesterlijk-koninklijke roeping van den Christen reikte tot aan de kerkmuren; binnen deze muren gold een heel aparte, bijzondere roeping, die slechts voor enkele hoogbevoorrechten gold. Hoe duur is deze vergissing de Kerk te staan gekomen. ..... De eer van Christus, den Koning der koningen, zocht men op menig levensgebied, behalve in het midden der gemeente, die Hij Zich gekocht had tot den prijs van Zijn bloed”.68)

En weer komt Deddens terug op „het recht van de liefde Gods”, wanneer hij de kerkelijke positie van het Reveil nog eens opzettelijk analyseert. Want dan blijkt uit zijn uiteenzetting, dat in deze kring „de strijd tegen de neologie en de willekeur der kerkelijke machthebbers” ontbrandde „in den naam van het belang en het recht der gemeente”.69)

De auteur zelf spatieert deze laatste woorden. En ontdekt dan in de volgende beoordeling allereerst de zwakheid van het Reveil, ook in zijn meest-gereformeerde vertegenwoordiger, Groen van Prinsterer, maar voor òns, die zijn historisch werk trachten te overzien, ontdekt hij ook het brandpunt van zijn eigen werk: „Historisch is deze gang van zaken uitnemend te verklaren. Maar


66) Grepen, 26 nov. 1938.
67) Grepen, 8 juli 1939.
68) Grepen, 4 febr. 1939.
69) Grepen, 30 sept. 1939.

|119|

principieel was het uitgangspunt niet juist gekozen. Het uitgangspunt kan niet zijn de mensen, de geloovige; zijn belang, zijn recht.
Het gaat in de Kerk des Heeren allereerst om God en Zijn Gezalfde, gelijk dan ook de Catechismus in de belijdenis van de Kerk de belijdenis uitspreekt van den Zone Gods, die Zichzelf een Gemeente vergadert, in Zijn belang.
Het uitgangspunt is de voortdurende vergaderingsdaad van Christus, die in Zijn huis Zijn wet stelt. Het uitgangspunt is Christus’ Koningschap, en het rechts verband, dat Hij voor Zijn Kerk heeft afgekondigd. .... Het ging maar, dacht men, om de gemeenschap der heiligen. Daar zocht men vergoeding voor hetgeen de kerk niet gaf. Vandaar uit zou men op „de kerk” inwerken. Hoezeer men echter daardoor te kort deed aan Christus' rechten en ordinantiën, die Zichzelf de Kerk vergadert en Zelf haar sticht, uitbreidt en, ligt ze gevangen onder de macht van den leugen, haar uitleidt — dat verstond men niet”.70)

Het recht van Gods liefde.

Het recht van den Middelaar.

Daar heeft Deddens de draad gegrepen, waarmee hij de weg vond in wat anders geworden zou zijn de doolhof van de geschiedenis. Dat hij die draad gegrepen heeft, doet hem zijn plaats innemen in de calvinistische „school” der kerkhistorici; we zetten het woord „school” tussen aanhalingstekens, want we realiseren ons, dat hier meestentijds bitter weinig van „team-work”, om een moderne term te kiezen, is terecht gekomen, terwijl de continuïteit in de historiografie hier ook nauwelijks zichtbaar is. Het heeft zich vaak al te zeer gewroken, dat de gereformeerden geen gelegenheid hadden of vonden om geschiedenis te schrijven, omdat zij actief deel moesten nemen aan het „maken” van de geschiedenis. Men verstaat, dat wij Acquoy’s onderscheiding met voorzichtigheid en reserve gebruiken. Maar ze roept wél de vraag op, of onder de gereformeerden niet te weinig overwogen is, dat zeker óók de historicus een historische roeping te vervullen heeft? Trigland „maakte” geschiedenis, toen hij tegen Wtenbogaert de geschiedenis der reformatie beschreef en Groen van Prinsterer deed het, toen hij zijn „Handboek” publiceerde, zo goed als binnen zijn mogelijkheden de roomse Nuyens actief betrokken was in het proces van de emancipatie der Rooms-Katholieken — dus voor zijn deel „geschiedenis maakte” —, toen hij zijn „Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten in de XVIe eeuw” in vier delen publiceerde, even over het midden van de vorige eeuw.

We schrijven deze woorden niet neer als kritiek op Deddens’ werk als historicus, eerder als een stimulans voor ons, de generatie na hem.

Voor wat hèm aangaat, wij zijn dankbaar, dat hij naast zijn arbeid als canonicus èn als bibliothecaris der Theologische


70) a. art.

|120|

Hogeschool toch de mogelijkheid nog heeft gezien en benut de lijn, die hij als predikant-historicus gevolgd had, dóór te trekken in zijn professoraat, zij het dat de katheder-arbeid niet in publikaties van grotere omvang kon neergelegd worden. Want nu is ons toch een éénheid gebleken in het levenswerk van de historicus, waarbij de volgende generatie in dankbaarheid mag aansluiten.

***

Die éénheid van zijn wetenschappelijk levenswerk strekt zich trouwens nog verder uit.

Want hebben we wèl gezien, wanneer wij „het recht van Gods liefde”, het recht van de Middelaar, onderkennen als de draad, die de historicus in handen hield, en nauwlettend volgde, dan wordt ons óók duidelijk de éénheid van zijn historisch èn zijn canonisch werk.

Neen, wij spreken hier niet over de profijtelijkheid van de verbinding der beide leeropdrachten, die Deddens ontving. Daar is het hier de plaats niet voor. We trachten alleen het leven van professor Deddens te overzien en de wetenschappelijke vrucht daarvan te taxeren, zoals dat leven onder Gods voorzienigheid zijn loop nu eenmaal heeft gehad.

En dàn zeggen wij a posteriori: zo bij iemand, dan was bij Deddens de combinatie van die dubbele leeropdracht mogelijk vanwege de gerichtheid van zijn geloofs-aandacht. Heeft de predikant reeds in tal van artikelen op het veld van de geschiedenis doen zien, dat in de Kerk alles cirkelt „om het recht van Gods liefde”, daarmee was, toen in 1945 de opdracht kwam in een tijd van diepgaande kerkrechtelijke strijd, wetenschappelijk het recht der liefde Gods te vindiceren, voor de hoogleraar-canonicus de inzet van dat veelomvattende en tijdrovende werk gegeven.

Zó leggen wij gaarne de verbinding.

We weten het: er is óók een andere verbinding mogelijk tussen de ene èn de andere arbeid van Deddens.

Wie immers zijn inaugurele oratie ook maar vluchtig inziet en zijn latere kerkrechtelijke publikaties en polemieken nagaat, komt al spoedig tot de ontdekking, dat Deddens zijn aanleg als historicus ook in canonische vragen niet verloochent. Hij werkt graag en veel met historische argumentatie;71) hij blijkt ook een open oog te hebben voor het feit, dat het gereformeerde kerkrecht in zijn motieven en beginselen inderdaad steunt op de Schrift, maar tegelijk


71) De Reformatie, 33e jrg., bl. 3v.v. In deze laatste jaargang van De Reformatie, waarvan Deddens medewerking kon geven, heeft hij tot vlak voor zijn sterven met een keur van historische argumenten betoogd, dat het gevoelen inzake de procedure-gang van appèl-zaken, zoals hij die voorgedragen had in het Handboek 1957, het oude gevoelen in de Gereformeerde Kerken geacht mag worden. Nimmer is deze historische argumentatie weerlegd.

|121|

een historisch-geworden complex is, zó dat hij terecht het accoord-karakter van de Kerkenordening accentueerde en immer de mogelijkheid openliet, dat uit de boezem van de Kerken b.v. ten aanzien van de plaats der diakenen in de kerkeraad72) en de kerkelijke proces-gang,73) een vernieuwing en Schriftuurlijke verscherping van het huidige accoord en zijn beleving in de praktijk op zou komen. Het is zelfs verleidelijk déze aspecten van dit canonisch werk nauwkeuriger, gedetailleerder na te gaan, dan tot nog toe gebeuren kon. Deddens’ historische visie kon dan wel eens blijken bevrijdend te werken voor onze kerkelijke samenleving. Maar wij moeten toch met deze enkele aanduiding volstaan, zullen we de ons beschikbaar gestelde ruimte niet ver overschrijden.

Ons staat nu vooral de zakelijke verbinding tussen het historisch en canonisch werk van onzen leermeester-voorganger voor ogen.

We denken dan vooral aan onderscheiden richtinggevende confessies, die de canonicus heeft doen horen, richtinggevend allereerst voor zijn eigen voortgaand praktisch en principieel werk, waarvan de grondleggende wellicht wel deze uit het jaar 1947 genoemd mag worden: „In het ambt mag niemand uitkomen dan de Middelaar en Heere Jezus Christus. In het spreken van den dienaar des Woords moet Christus gezien worden. In de regeering der ouderlingen moet Christus gezien worden. In woord en daad der diakenen moet Christus gezien worden. In allen ambtelijken dienst moet God in allen geprezen worden door Jezus Christus (I Petri 4: 11)”74). Hier is, nietwaar, de maatstaf, die op het veld van de kerkgeschiedenis als een kritische gehanteerd werd, naar ons één en andermaal bleek, voor eigen canonische arbeid en in de voorlichtingsdienst in de Kerken geworden tot norm voor denken, spreken en doen.

Maar die norm vraagt exegese, want, zonder meer, kan zij ook in allerlei hoogkerkelijk clericalisme misbruikt worden. Die exegese geeft Deddens naar twee kanten, zowel wanneer hij wijst op de grondslag, de enig-legitieme grondslag van alle kerkrecht, dat die naam waard is, als wanneer hij de „functie” van het Woord Gods in het kerkelijk samenleven beschrijft.

Over elk van beide een enkel woord.

Deddens, we wezen er reeds op, had een open oog voor het feit, dat het vastgestelde gereformeerde kerkrecht óók een zaak van historische ontwikkeling was, maar hij was onwrikbaar in de geloofsovertuiging, dat alle kerkrecht, dat de naam van gereformeerd nog verdient, steeds weer voor haar principia en voor haar maximen


72) De positie van de Diakenen, passim.
73) Zie Handboek ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland, onder redactie van Prof. P. Deddens, Goes 1957, bl. 173v.v., vooral 180v.v. Vgl. ook Voetius, Pol. Eccl., IV, p. 213 en Dr. W.P.C. Knuttel, Acta der Particuliere Synoden van Zuid-Holland, 1621-1700. I, bl. XVII.
74) De positie van de Diakenen, bl. 21.

|122|

terug moet kunnen vallen op de Heilige Schrift: wanneer hij in de meergenoemde rede over de positie van de diakenen verwijst naar I Tim. 3: 15, schrijft hij: „En door in dit verband te wijzen op den Heer des huizes, den levenden God, die vandaag met dezelfde kracht en ernst beveelt als ten tijde van Timotheus, legt de Apostel in naam van den huis-Heer ons den plicht op, de regels van het huiselijk verkeer na te komen correct en getrouw, gehoorzaam aan de gegeven opdracht”. En dan volgt een sprekend citaat van Calvijn: „Car si nous voulons avoir Eglise entre nous, il faut que nous ayons ce régime que Dieu a establé comme involiable”.75)

Deddens schroomt dus niet bij concrete twistpunten terug te keren tot de Heilige Schrift, die immers inzake de Kerkinrichting „normatief voor alle tijden is”.

Maar dat is bij hem niet een steriele teksten-theologie geweest, die in de grote verbanden niet, maar bij de concrete controversen wél op de Schrift wilde teruggaan: het grote gevaar immers van de teksten-theologie, van de klanken-dogmatiek, dat de Schrift wèl zorgen mag voor loci classici, maar bij de scharnieren van de prolegomena niet in haar gezaghebbend en perspicue karakter wordt aanvaard; men hoeft geen all-round ingewijde te zijn om te weten, dat juist dat gevaar èn de gereformeerde dogmatiek èn het gereformeerde kerkrecht permanent bedreigt.

Evenwel, Deddens heeft voor zijn deel die dreiging onderkend en er weerstand aan geboden. We denken aan de polemiek, die hij in 1954 heeft gevoerd met Dr. H.N. Ridderbos over één van de grondvragen óók van het gereformeerd kerkrecht. Deze wilde in zijn orgaan, Gereformeerd Weekblad, een synthese geven van twee stromingen, die hij in zijn kerkelijk leven ontdekte ten aanzien van fundamenteel-kerkrechtelijke vragen. „Eensdeels”, zo geeft Deddens de reportage van H.N. Ridderbos door, „is er een stroming met zekere argwaan tegen de synoden vervuld; ze waarschuwt tegen centraliserende tendenzen. Deze stroming komt op voor het grote goed van de vrijheid. Een andere stroming acht dit „oude” kerkrecht een groot gevaar voor een krachtige en doelbewuste opbouw en vormgeving van het kerkelijk leven: zij wil een „permanente vertegenwoordiging van de kerken”. Deze stroming wil een krachtig algemeen kerkelijk gezag”.76)

Zoals nu in 1959 Dr. H.N. Ridderbos in dogmaticis een gulden middenweg meent gevonden te hebben, zo proclameert hij in canonicis de synthese der meningen al in 1954. Want er ìs z.i. een oplossing te vinden, als men maar oog heeft voor de „organische eenheid” van de Kerk. En dan beroept Ridderbos zich op het feit,


75) a.w., bl. 5, vgl. ook op dezelfde bladzijde: „De vraag is nu maar: Wat bepaalt de Heere inzake den dienst der bijzondere ambtsdragers, in dit speciale geval: Welk is naar Zijn wil de positie van diakenen ten aanzien van den Kerkeraad”, en eveneens onderscheiden uitspraken op bl. 7.
76) De Reformatie, 29e jrg., bl. 383.

|123|

dat de Kerk in de Schrift een lichaam wordt genoemd en leidt daaruit af zijn idee van „organische eenheid”, waaruit dan weer volgt: „Het éne lichaam openbaart zich immers op allerlei plaats, en zoals ieder lidmaat zijn leven daaraan ontleent, dat het tot dat lichaam behoort en dat het lichaam in dat bepaalde lid van het lichaam leeft, zó heeft ook iedere plaatselijke kerk haar last en macht, omdat in haar de éne kerk leeft en zich openbaart”.77) Dat alles loopt dan uit op een feitelijke propaganda voor het nieuwe kerkrecht, de synodocratie. Maar wat ons nu vooral bezig houdt, is de aandacht, die Deddens aan deze theorie heeft gewijd. Aan de hand van J. Ridderbos en K. Schilder bestrijdt hij de legitimiteit van het begrip „organisch” en met beroep op K. Schilder wordt aangewezen, „dat prof. H.N. Ridderbos niet is uitgegaan van Schriftuurlijke gegevens inzake de kerk als lichaam in het maken van de tegenstelling organisch-mechanisch; hij hield vast aan de voorstelling natuurlijk bestaan, als ware dit het Schriftuurlijk criterium en verzuimde, zich er van te vergewissen, of de Schrift, sprekende van een lichaam, zich bij het heidense begrip aansloot of niet”.78)

Deddens zelf maakt dan nog de fijne kritische opmerking: „Voorts: ieder lidmaat ontleent niet daaraan zijn leven, dat het tot het lichaam behoort; hij ontleent het aan de herscheppende daad van de Heilige Geest”.79)

En de kritiek van Deddens wordt besloten met een typische Deddens-opmerking, schijnbaar speels, maar in werkelijkheid levensgevaarlijk voor de tegenstander: „’t Hele geval doet me denken aan ’t geen ik onlangs las in een berichtje uit een streekblad. Een correspondent van dat blad schreef aan zijn redactie naar aanleiding van een debatavond: „enigen verdedigden de onsterfelijkheid der ziel, terwijl anderen deze ten heftigste bestreden. De waarheid zal echter ook hier wel in ’t midden liggen”. Moeilijk te aanvaarden”. 80)

Er ware meer uit die polemiek naar voren te brengen, maar we volstaan hiermee om aan te tonen, dat Deddens aan zijn adagium: „wie spreekt, die spreke als de woorden Gods” trouw is gebleven, vooral ook wanneer het om de prolegomena van het Kerkrecht ging. Want hij wist: daar vallen de grote beslissingen.

Tenslotte dan nog een enkel woord aangaande het werk van Deddens, waarin hij op wetenschappelijk niveau of, in ieder geval steeds met wetenschappelijk-verantwoorde fundering, getuigenis heeft afgelegd van de plaats van het Woord Gods in de samenleving der Kerken.

Over dat onderwerp is na zijn verscheiden reeds veel geschrevene we hebben er in een noot naar verwezen en mogen hier dus kort


77) a.w., bl. 384.
78) a.w., bl. 383.
79) a.w., bl. 384.
80) t.a.p.

|124|

zijn. Ons houdt allermeest bezig het thema door hem als historicus gesteld „het recht van de liefde Gods”, het recht van de Middelaar. En dan geloven wij, dat bij het overzien van de levensgang van professor Deddens, voorzover deze publiek is geweest, ons een grote dankbaarheid vervullen moet voor de providentiële leiding van God over dat leven. Hij is, voor wat de landelijke samenleving der Kerken betreft, naar voren gekomen in een tijd toen het samenlevingsverband in een uiterste crisis verkeerde vanwege de machtsusurpatie van synodale vergaderingen. Tóen gewerd hem de opdracht het Kerkrecht te doceren aan de Hogeschool der Kerken. Dat betekende tegelijk in die situatie, dat hij toen in die crisistijd op het felst-omstreden gebied, dat van het kerkrecht, zich zag geroepen publiek de gereformeerde leer te verdedigen tegen alle opdringende en van binnen uit opkomende ketterij (vgl. art. 18 K.O. over het ambt der doctoren).

Dat ogenblik kwam voor hèm onverwacht.

Hem was het niet vergund zich jarenlang opzettelijk voor te bereiden.

Maar al kwam het moment voor hèm onverwacht, het kwam niet onverwacht voor dien God, wiens providentie Deddens vaak zo eerbiedig had beleden, ook in de beschrijving van het leven van anderen.

Was hij klaar, om deze taak te aanvaarden?

Hij zal zelf de eerste geweest zijn om te zeggen: ik moest nog beginnen, toen mij de leeropdracht gewerd.

Maar, terwijl wij de waarheid van dat woord in rekening blijven brengen en dus blijven constateren, dat dit professoraat moeilijk anders dan een publiek begin van wetenschappelijke arbeid kon laten zien, wij zeggen nu: wat heeft de Heere alles wonderlijk wèl in dit leven gemaakt! Wonderlijk wèl met Zijn Kerk, waarvan Deddens immers getuigde, dat deze centraal staat in Gods wereldbestuur, centraal stond dus óók in het bestuur van het leven van Pieter Deddens!

Want hij móest jaar en dag zich bezig houden met de geschiedenis van de Kerk in de vorige eeuw en hij móest geduldig zich indringen in de wereld van het Reveil, haar kracht èn haar zwakheid onderkennen, omdat hij in die crisis die komen zou, doctor ecclesiae naar art. 18 der Kerkenordening zou vermogen te zijn. De stille arbeid besteed aan de geschiedenis der Kerk, zette vrucht in het waarschijnlijk meest publieke woord, dat Deddens sprak bij de aanvang van zijn professoraat over „De ratificeering der besluiten van meerdere vergaderingen”. Want toen sprak hij als canonicus over „het recht van de liefde Gods”, dat hij bedreigd, ja geschonden en verworpen wist door synodale machtsaanmatiging over de gemeenten van de Heere Jezus Christus. Die liefde is immers geopenbaard en dat recht is geopenbaard. Zij zijn beide geopenbaard in het Wóórd der genade. Wie dus als historicus de maatstaf heeft gegrepen van „het recht van de liefde Gods”, moet

|125|

deze maatstaf ook als canonicus hanteren in een concrete kerkelijke situatie. Wie de geschiedenis heeft leren lezen met het Wóórd in de hand en in het hart81), moet voor de majesteit van dat Woord, zoals dit in de samenleving der Kerken erkend wil worden, opkomen in een tijdsgewricht, waarin de Satan hier zijn aanval heeft ingezet op de ware vrijheid van Christus’ Kerk. Daarom vangt Deddens zijn professorale werkzaamheid aan met een niet mis te duiden beroep op Calvijn: „Alle gezag en waardigheid, zegt hij, is in de kerk niet eigenlijk gegeven aan de menschen zelf, maar aan den dienst, waarover zij gesteld zijn, of (om duidelijk te spreken) aan het Woord, welks bediening aan menschen is toevertrouwd. De getrouwe krijgsknechten van God hebben tot taak, alles te doen wijken voor de majesteit van het Woord; door de kracht van het Woord hebben ze over allen, van de hoogste af tot de laagste toe te gebieden, de schapen te weiden, de wolven te vernietigen, te binden en te ontbinden; als het noodig is, te bliksemen en te donderen, maar alles door het Woord Gods. Hierdoor wordt afgesneden alle macht, die in de Kerk iets zou willen bevelen zonder het Woord Gods”.82).

Dat uitgangspunt blijkt nu allesbeheersend te zijn voor de rechte interpretatie van de omstreden artikelen uit de Kerkenordening, die als accoord van samenleving is aanvaard door de Gereformeerde Kerken in dit land, inzonderheid voor de rechte interpretatie van art. 31 K.O. Want daarin wordt een recht der Kerken vastgelegd, maar ook een plicht der Kerken gestipuleerd; een plicht die dus na de stipulatie behoort tot de onderlinge afspraak, maar die niet ontstaat vanwége die afspraak, maar gefundeerd is in „het recht van de liefde Gods”, in de heerschappij van het Woord der genade: „De Kerken hebben gezegd: wij houden de Synodebesluiten voor vast en bondig, tenzij. Er is een grens. Die grens is Gods Woord en de Kerkenordening. — Wat is haar (nl. der Kerken) plicht? De grenswacht te betrekken, en in overeenstemming met de gemaakte afspraak, de Synodebesluiten te toetsen naar art. 31. Hier ligt een speciale taak voor de Kerkeraden. Zij hebben toe te zien, dat het Woord Gods ongebonden bewaard wordt”.83) Dat klemt voor Deddens zó sterk, dat de toetsing der besluiten en de ratificering daarna voor hem is „een integreerend deel van den rechtsvorm inzake de geldigheid van besluiten eener meerdere vergadering”.84)

De vaak opgeworpen vraag, of bij deze wijze van Kerkregering niet de chaos ontstaat, beantwoordt Deddens aan het einde van zijn rede op een wijze hem eigen. Hij blijft bij de beantwoording van die vraag volop canonicus; verwezen wordt naar artikelen


81) Zie het citaat onder noot 23 verantwoord.
82) Ratificeering, bl. 6.
83) a.w., bl. 12.
84) t.a.p.

|126|

van de Kerkenordening. Maar in de canonicus spreekt de gelovige, die vertrouwt in de alle weerstanden overwinnende kracht van het Woord Gods:

„Volgt bij toepassing van dit recht van ratificering de chaos? Naar art. 53 en 54 der Kerkenordening moeten alle ambtsdragers de Drie Formulieren van Eenigheid onderteekenen; het oordeel der liefde doet zeggen: die onderteekening was ten volle ernstig gemeend.
De Vaderen uit den na-Reformatorischen tijd lieten het ratificeerings-recht ten volle gelden. Zeker, er was wel eens geduld noodig, maar dat geduld stelde niet teleur. Wie van het Gereformeerde volk, van de Gereformeerde ambtsdragers eischt en blijft eischen: onderwerping aan het Woord, komt niet bedrogen uit.
Want de macht van het Woord Gods is sterker dan alle autoriteit van Synode-besluiten. Verbum Dei Vincit.”85)

Zó was de aanvang van het professoraat: in de continuïteit met het historisch werk van vroeger bleek de trouw aan het Woord Gods, waarin het recht van Gods liefde is geopenbaard, bleek óók het gelóóf aan datzelfde Woord in het vertrouwen, dat de Heere Zijn Kerk hierdoor wèl regeert en geen enkel mens, op welke plaats ook gezet, moet menen Zijn regering door en in Zijn Woord te kunnen of te moeten ondersteunen door menselijke machtsuitoefening, die buiten dit Woord zou omgaan.

En in de voortgang van het professoraat is deze aanvang nimmer verloochend. Wij menen, dat zulks het duidelijkste naar voren is gekomen, toen Deddens ook in eigen kring tegen het einde van zijn leven voor gevaren heeft gewaarschuwd en die waarschuwing vol hield, omdat hij die aanvang van zijn doctoren-ambt niet verloochenen kon: de belijdenis van de énige heerschappij van het Woord Gods. Zoals hij tegen de synodocratie getoornd heeft, zo heeft hij voor de „consistoriocratie” dringend gewaarschuwd, omdat hier in schijn wel een typisch woord voor de gereformeerde kerkregering is gevonden, maar in werkelijkheid de term onbruikbaar en de praktijk ongereformeerd is, wijl het in de gereformeerde kerkregering niet aankomt op de heerschappij van kerkeraden, maar op die van het Woord Gods, waaraan allereerst die kerkeraden dienstbaar hebben te zijn.

Spreekt dan I Tim. 5: 17 niet van het regeren der ouderlingen? Kan met die Schriftuurlijke term, προίσταναι, dan niet het begrip en de praktijk der consistoriocratie gedekt worden?

Weer valt, wanneer deze vragen rijzen, de eerbiedige confrontatie met de Schrift op. Want Deddens construeert niet, maar laat de Schrift zelf spreken. Wat bedoelt zij, wanneer van het „regeren”, het „leiden” der ouderlingen wordt gesproken? Het Griekse verbum, zo stelt Deddens vast, betekent feitelijk „aan ’t hoofd stellen of staan, vooraan staan, leiden, besturen. Zit daar toch weer niet


85) a.w., bl. 17.

|127|

’t begrip regeren in? O zeker, dat kan er niet van losgemaakt worden, het behoort er óók bij. Maar niemand wane, dat daarin nu het specifieke van het ambt der ouderlingen te zoeken is ... de nadruk ... valt op ’t verzorgen en leiden en beschermen zoals een herder dat doet, dit vereist wijsheid, zelfverloochening, moed, voorzichtigheid en mededogen.”86)

Het was 10 maart 1956, dat Deddens deze woorden schreef tegen een nieuw gevaar, dat hij zag dreigen voor het recht van Gods liefde op de gemeente van Christus en voor de dienstbaarheid aan het Woord, waarin dit recht der liefde is geopenbaard.

Hij is in zijn waarschuwing niet steeds begrepen, hem is óók niet steeds recht gedaan.

Maar nà zijn sterven heeft dit verzet tegen het begrip en de praktijk der consistoriocratie als machteloze reactie op de synodocratie van onverwachte zijde een algehele bevestiging gekregen. Immers in april 1958 verschijnt het artikel προιστημι in het Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament van de hand van de Baseier nieuw-testamenticus Bo Reicke87), die in een grondige behandeling van alle in aanmerking komende plaatsen uit het Nieuwe Testament tot de conclusie komt: „An den meisten Stellen scheint προιστημι zunüchst die Bedeutung ... leiten zu haben, aber der Kontext zeigt in jedem Falie, dasz man gleichzeitig die Bedeutung ... sorgen für einbeziehen musz ... (die) Aufmerksamkeit richtet sich nicht auf die Machtausübung an sich, sondern auf die dabei zu erweisende Umsicht und Fürsorge”.88)

Wij verbergen het niet, dat deze exegetische bevestiging van de kerkrechtelijke vertogen van onze leermeester en voorganger ons vreugde heeft bereid, want bij vernieuwing is ons daaruit gebleken, dat de canonicus Deddens trouw aan de Schrift gebleven is en het Kerkrecht zich niet anders denken kon dan dienstbaar aan het recht van Gods liefde voor Zijn volk.

En het einde van Reicke’s artikel mag ons de samenvatting zijn van Deddens’ kerkrechtelijke strijd, temeer waar Reicke eindigt met de verwijzing naar een woord van de Heiland, dat méér dan enig ander het leven en de leer van Deddens heeft gestempeld:

„Also erweist sich in allen diesen Fallen, dasz das Verbum im Neuen Testament meistens die Bedeutung leiten und fürsorgen hat, was mit der Eigenart des neutestamentlichen Amtes zusammenhängt, indem nach Lk. 22, 26 der Leitende (ὁ ἡγουμενος) wie der Diener sein soll”.

 

Kampen, 28 nov. 1959.

J. Kamphuis


86) De Reformatie, 31e jrg., bl. 187, vgl. bl. 289.
87) VI, S. 700-703.
88) De laatste zin slaat in het artikel speciaal op I Tim. 3: 12, maar mag, gelet op de doorlopende lijn van het artikel, als onderdeel van de algemene karakteristiek genomen worden.