8
2e stuk, 733-763
02-07-1834

|733|

Over den zin en de strekking van het Formulier van verbindtenis voor Predikanten in de Nederlandsche Hervormde kerk, vastgesteld bij de Algemeene Sijnode van Dordrecht in 1619

 

Het hier bedoelde Formulier luidt aldus:

„Wij ondergeschreven bedienaren des goddelijken woords, ressorteerende onder de Classis van . . . . . verklaren opregtelijk en in goede conscientie voor den Heere, met deze onderteekening, dat wij van harte gevoelen en gelooven, dat alle de artikelen en stukken der leer, in de Belijdenis en Katechismus der gereformeerde Nederlandsche kerken begrepen, mitsgaders de verklaring over eenige punten der voorzeide leer in de Nationale Synodus, anno 1619 tot Dordrecht gedaan, in alles met Gods woord overeenkomen: belooven derhalve, dat wij de voorzeide leer naarstiglijk zullen leeren en getrouwelijk voorstaan, zonder iet tegen dezelve leer, ’t zij openlijk of heimelijk, directelijk of indirectelijk te leeren of te schrijven: gelijk ook, dat wij niet alleen alle dwalingen tegen deze leer strijdende, en met name ook die in de voorzegde Synodus zijn veroordeeld, verwerpen, maar dat wij ook genegen zijn, dezelve te wederleggen, tegen te spreken en allen arbeid aantewenden om dezelve uit de kerken te weeren. En indien het zoude mogen gebeuren, dat wij na dezen eenig bedenken of ander gevoelen tegen deze leer kregen, belooven wij, dat wij hetzelve noch openlijk noch heimelijk zullen voorstellen, leeren of verdedigen met prediken of schrijven: dat wij hetzelve alvorens den Kerkeraad, Classis en Synode zullen

|734|

openbaren, om daar geëxamineerd te worden: bereid zijnde t’aller tijd ons het oordeel des Kerkeraads, Classis of Synode gewilliglijk te onderwerpen; op poene, dat wij, hier tegen doende, met der daad van onze diensten gesuspendeerd zullen zijn. En indien de Kerkeraad, Classis of Synodus te eeniger tijd om gewigtige redenen van nadenken, om te behouden de eenigheid en zuiverheid der leere, goedvond van ons te eisschen nadere verklaring van ons gevoelen van eenigen artikel dezer belijdenis, van den Katechismus of verklaring der Nationale Synode, zoo beloven wij ook mits dezen, dat wij te aller tijd daartoe zullen willig en bereid zijn, op poene als boven, behoudens nogtans het regt van appel, in geval wij misschien door sententie des Kerkeraads, der Classis of Synode meenden bezwaard te zijn; gedurende welken tijd van appel, wij ons met de uitspraak en het oordeel van het Provinciaal Synode zullen te vrede houden.”

Dit Formulier is kennelijk eene navolging van een ander, hetwelk, zeven jaren vroeger (1612) op de Synode van Gelderland, gehouden te Harderwijk, werd vastgesteld en aldus luidt:

„Wij ondergeschreven, Dienaren des goddelijken woords, verklaren mits dezen opregtelijk in goede conscientie, voor den Heer, dat wij houden en gevoelen, dat de Leer, vervat en begrepen in de confessie en katechismus dezer Nederlandsche Gereformeerde kerken, gelijk dezelve voor dezen eendragtelijk in deze kerken is gepredikt geweest, in alles schriftmatig is, en met Gods woord overeenstemmende is. En beloven, dezelve leer openlijk en in het bijzonder te leeren en voor te staan en alle dwalingen

|735|

tegen de voorzeide leer strijdende, te verwerpen en willen helpen weeren en tegenstaan. En indien wij ten eenigen tijde zouden mogen krijgen eenig gevoelen en bedenken tegen de voorzeide Leer, dat wij hetzelve gevoelen of bedenken niet zullen noch met prediken, schrijven of anderszins, noch openlijk noch in het bijzonder leeren, drijven of verbreiden; maar hetzelve ordenlijk en volkomelijk der Classis openbaren en ons altijd in dezen het oordeel der Classis of der Synode onderwerpen en onverbrekelijk onderhouden de gebruikelijke orde der kerk, zoo dezelve in de Synoden, zoo Nationale als Bijzondere van deze Provincie geordineerd en in deze kerken onderhouden worden. Zijnde te vrede, dat indien wij hiertegen in Leere of ordre ons zouden mogen komen te verloopen, dat wij bij oordeel der Classis of der Synode van onze diensten, naar den eisch der zaken, suspendeert en gedeporteerd worden.”

In het Formulier van Dordrecht zijn te onderscheiden
1º. de verklaring van de gemoedelijke overtuiging der onderteekenaren;
2º. de belofte en verbindtenis, daarop gegrond;
a. in het geval van blijvende overtuiging;
b. in het geval van opkomende twijfelingen.
c. in het geval van ontstane vermoedens van afwijking van de vastgestelde leer tegen den onderteekenaar.

Het eerste, of de verklaring van de gemoedelijke overtuiging der onderteekenaren, is vervat in deze woorden: „wij verklaren opregtelijk en in goede conscientie voor den Heere, met deze onderteekening, dat wij van harte gevoelen en gelooven, dat alle de artikelen en stukken der leer, in de Belijdenis en Katechismus der gereformeerde Nederlandsche kerken begrepen, mitsgaders

|736|

de verklaring over eenige punten der voorzeide leer in de Nationale Synodus, anno 1619 tot Dordrecht gedaan, in alles met Gods woord overeenkomen.”

Welk is hier het onderwerp der rede? zijn dit de hoofdstukken der leer? en dan meer bijzonder die, door welker belijdenis de Hervormde kerk zich van andere christelijke genootschappen onderscheidt? Neen: onderwerpen der rede zijn niet hoofdstukken; maar Artikelen en stukken der leere: en wel — hetgene hier vooral onder het oog te houden is — alle de Artikelen en stukken der leere. Wie van hoofdstukken spreekt, gewaagt van bijzonderheden. Het Formulier daarentegen spreekt algemeen en sluit alle uitzondering uit: noemende alle Artikelen en stukken der leer, en alzoo, zoo wel hetgene niet, als hetgene wel geacht mogt kunnen worden tot de hoofdzaken te brengen te zijn.

De Artikelen en Stukken van welke leer worden hier tot onderwerp der rede gelegd? Hier zijn de woorden weder even duidelijk als de voorgaande. Het is die leer, welke begrepen is „in de Belijdenis en Katechismus der Gereformeerde Nederlandsche kerken begrepen, mitsgaders de verklaring over eenige punten der voorzeide leer in de Nationale Synodus, anno 1619 tot Dordrecht gedaan.”

Wat wordt nu ten aanzien van alle de artikelen en stukken dezer leer verklaard? Dat zij „overeenkomen met Gods woord.” En hoe verre overeenkomen? Het Formulier antwoordt: in alles.

Alzoo vinden wij hier de verklaring — niet, dat de hoofdstukken dezer leer; maar — dat alle de Artikelen en Stukken derzelve — zonder eenige uitzondering, — overeenkomen met Gods woord: en dit niet

|737|

maar hoofdzakelijk; neen, maar in alles: hetwelk wederom alle uitzondering afsnijdt.

Dat dusdaning de meening is van de verklaring, blijkt uit de woorden zelve ten duidelijkste. Zoo toch de opstellers alleen hadden gedacht aan de hoofdstukken; hoe konden zij dan noemen alle de Artikelen en Stukken? En, indien zij bedoeld hadden, alleen te kennen te geven, dat deze hoofdzakelijk met Gods woord overeenkomen; hoe komen zij dan te zeggen: in alles? Zij verstonden toch hunne taal: en wisten dan ook zeker, dat in alles meer is dan hoofdzakelijk en dat wie het eerste zegt, vrij wat meer te kennen geeft dan in de laatste uitdrukking opgesloten ligt.

Dat de meening der opstellers van het Formulier werkelijk aldus was, blijkt voorts overtuigend als men acht geeft op de belofte en verbindtenis, op deze verklaring gegrond, welke wij, ten andere, in dit Formulier aantreffen en bij welke wordt voorzien in (en geregeld het gedrag der onderteekenaren voor), drie gevallen, welke hier denkbaar waren. Deze belofte en verbindtenis worden voorgesteld in de overige woorden van het Formulier: „belovende” enz. tot aan het einde toe.

Het eerste geval, dat hier wordt vermeld is dat van blijvende overtuiging bij den onderteekenaar.

In dit geval, belooft de onderteekenaar, dat hij „de voorzeide leer naarstiglijk zal leeren.” Als hier genoemd wordt de voorzeide leer, zoo is het duidelijk, dat dit weder ziet op „alle de Artikelen en stukken der leer, welke men heeft verklaard, in alles overeen te komen met Gods woord. Dit geloovende en gevoelende, moet men zich verpligt gevoelen, om die leer (d. i. alle die artikelen en stukken) te leeren.

|738|

Te denken, dat de opstellers hier reeds bij „de voorzeide leer" aan iets minder dan aan alle die aangeduide artikelen en stukken zouden hebben gedacht, is zoo als elk zien kan, tastbare ongerijmdheid. — De onderteekenaar beloofde verder, het niet te zullen laten bij het enkel leeren; hij zoude die „voorzeide leer (of alle die Artikelen en stukken der leer) „getrouwelijk voorstaan;” dit zal toch wel zijn, dezelve staven en verdedigen, en dit wel „zonder iets tegen dezelve leer te leeren of te schrijven, het zij openlijk of heimelijk, directelijk of indirectelijk.” Dat „zonder iets” is weder zoo algemeen gesteld als het maar gesteld kan worden, en sluit reeds alle uitzondering uit. Maar dit was nog den opstelleren van het Formulier niet genoeg. Zij versterken het hierom nog eens; door te zeggen, niet alleen niet openlijk; maar ook niet heimelijk. En ook dit was hun niet genoeg. Zij versterken het nogmaals door te zeggen: directelijk of indirectelijk: waardoor ook zelfs het geval wordt afgesneden, in hetwelk iemand iets zoude hebben kunnen zeggen, waaruit indirectelijk (bij gevolgtrekking) iets zoude kunnen worden opgemaakt tegen die zelve leer; d.i. tegen een of ander Artikel of stuk van die leer.

Voorts belooft hij, dat gelijk hij „alle dwalingen, tegen deze leer strijdende, en met name ook die in de voorzeide Synode zijn veroordeeld, verwerpt” hij ook dezelve zal „wederleggen, tegenspreken en allen arbeid aanwenden, om dezelve uit de kerk te weeren.”

Het tweede geval is dat van opkomende twijfeling ten aanzien der leer. Wanneer dit geval mogt bestaan, zoo is de onderteekenaar gehouden, om deze twijfelingen

|739|

niet te brengen onder de gemeente. Hij verbindt zich om den twijfel „noch openlijk, noch heimelijk te zullen voorstellen, leeren of verdedigen met prediken of schrijven.” En, voorts, om, integendeel, zijne bedenkingen „aan den Kerkeraad, de Classis en Synode te openbaren, om daar geëxamineerd te worden;” ja, wat meer is, hij verklaart: „bereid te zijn ten allen tijde, zich aan het oordeel des Kerkeraads, der Classis en Synode gewilliglijk te onderwerpen.” Dit schijnt toch wel niets anders te kennen te geven, dan dat de opgerezen twijfel tegen eenig artikel aan den Kerkeraad, de Classis en Synode moest worden voorgelegd, om bij deze te worden beoordeeld: en dat, als, bij deze beoordeeling, de twijfel ongegrond werd verklaard, de onderteekenaar den twijfel zal opgeven en overeenkomstig de gedane uitspraak zal leeren en prediken. En dit alles op straffe van dadelijke suspensie, of schorsing in de dienst.

Het komt ons voor, dat het niet ligt mogelijk ware, eene bepaling te maken, welke meer duidelijk dan deze doet zien, dat de opstellers van dit formulier niets minder dan gezind waren, om eenige afwijking van eenig artikel der nu vastgestelde leer toetelaten.

Nu komt het derde geval: Tegen den onderteekenaar kan vermoeden ontstaan van afwijking van een of ander artikel der leer. Voor dit geval verbindt hij zich, om voor „den Kerkeraad, de Classis of Synode nadere verklaring te geven van zijn gevoelen over eenigen artikel der Belijdenis, van de Katechismus of van de verklaring van de Nationale Synode;” en onderwerpt zich aan de straf van dadelijke suspensie in de dienst, ingeval hij deze nadere verklaring weigerde te geven.

|740|

Overzien wij het geheel, zoo laat het zich aldus te zamen trekken: alle de artikelen der Leer, in de drie formulieren voorgesteld, komen in alles overeen met Gods woord. Hierom verbinden wij ons, dezelve te leeren en te verdedigen; onze twijfelingen te onderwerpen aan de uitspraak der kerkelijke vergaderingen en, op straffe van suspensie, ons aan die uitspraak te onderwerpen; en als wij in verdenking vallen, zullen wij ons, des gevorderd, nader verklaren, op poene als boven.

Wij hebben gezegd, dat deze strenge bepalingen nader staven, dat de bedoeling van de opstellers is geweest zoodanig als wij straks zagen, dat ook de woorden naturelijker wijze aanduiden. Dit komt ons voor alzins duidelijk te zijn. Hoe toch konden menschen, die bedoelden, eenige rekkelijkheid te gebruiken en eenige afwijking, ten aanzien van het min belangrijk geachte, te gedogen, er toe komen, om zóó gestrenge bepalingen te maken? Neen, zij hebben, blijkens hunne duidelijke woorden, bedoeld, de leer, zoo als zij die hadden bevonden, te handhaven, niet maar wat het hoofdzakelijke betreft; maar ten aanzien van alle de Artikelen en stukken derzelve; zonder eenige afwijking, hoe gering ook, te gedogen.

Wijzen dit de woorden en de geheele inhoud van het Formulier reeds duidelijk uit; het wordt, ten overvloede, nog al duidelijker, dat hier dit en niets minder bedoeld is, als men het Dordtsche Formulier vergelijkt met het, boven opgegeven, Geldersche, naar hetwelk hetzelve kennelijk is vervaardigd.

Deze vergelijking is hier van veel belang, om de ware meening duidelijk te ontdekken. Wij nemen aan, dat men het Geldersch formulier voor zich heeft gehad.

|741|

De gronden voor deze onderstelling zijn, dat men in beide formulieren heeft, vooreerst, denzelfden gang van gedachten. In beiden staat voorop de verklaring der overtuiging, dat de Leer is overeenkomstig Gods woord. Hierop volgt, in beiden, de belofte van leeren en handhaven derzelve. Hierna komt, in beiden, voor de verbindtenis, om, in geval van opgekomen twijfel, te zwijgen, of aan de Classis te onderwerpen. Eindelijk wordt, in beiden, gewag gemaakt van suspensie in het geval van handeling, strijdig met deze verbindtenis. Ten anderen is er tusschen beide de Formulieren woordelijke overeenstemming. Beider aanhef is woordelijk dezelfde: Wij ondergeschreven bedienaren des goddelijken Woords verklaren opregtelijk en in goede conscientie voor den Heere. Beide noemen de Leer, begrepen in de Belijdenis en den Katechismus der Nederlandsche gereformeerde kerken. Beiden spreken van overeenstemming in alles. In beide komt voor dezelfde redewending: En indien wij te eenigen tijd, zouden mogen krijgen enz. Beide noemen eenig bedenken en gevoelen tegen deze of tegen de voorzeide Leer. Beide noemen: noch openlijk, noch heimelijk leeren met prediken of schrijven. Beide noemen: openbaren aan classis en onderwerpen aan het oordeel van deze of van de Synode. Het is uit hoofde van deze zakelijke en letterlijke overeenstemming, zeker, dat bij het Dordtsche Formulier ten grondslag ligt het Geldersche.

Maar nu valt hier optemerken, dat bij het Dordtsche veranderingen zijn gemaakt, zoo als men, bij vergelijking, zien kan, in het oudere Geldersche: en hieronder zoodanige, welker opmerking van het grootste belang is ter ontdekking der ware meening van het Dordtsche formulier.

|742|

In het Geldersche formulier toch van 1612, wordt gezegd: Wij houden en gevoelen, dat de leer vervat in enz. — in alles, met Gods woord overeenkomstig is.

Dit is in het Dordtsche formulier van 1619 veranderd. In plaats van het algemeene: de leer, heeft men gezet: alle de artikelen en stukken DER leer. Dit is toch wel geene doellooze toevalligheid. Het is opzet. Men ziet het duidelijk, dat men heeft ingezien, dat de algemeene benaming: de leer niet bestemd genoeg was; dat deze kon doen denken aan de leer, over het geheel genomen; wat het hoofdzakelijke betreft: waarbij dan ruimte zoude overblijven voor afwijking ten aanzien van bijzonderheden, welke men konde achten tot de hoofdzaken niet te behooren. Dezen pas heeft men willen afsnijden, en hiertoe plaatste men voor de leer het meer duidelijke en bepaalde: alle de Artikelen en stukken der Leer.

Wij blijven niet stilstaan bij de andere veranderingen, als tot ons doel van minder belang; maar wij willen op de aangewezene bijzondere aandacht gevestigd hebben, als welke overtuigend doet zien, dat de opstellers geenszins hebben bedoeld, slechts instemming te laten betuigen met de leer, over het algemeen of wat de hoofdzaken, of wat de kenmerkende leerstukken betreft; maar wel degelijk eene verklaring hebben gevorderd van instemming met alle de deelen der leer, zoo wel mindere stukken als hoofdzaken; niets — hoegenaamd niets — uitgezonderd.

En zóó toch moest men het verwachten van de personen, door wie dit Formulier werd gesteld; bijzonder ook uit hoofde der omstandigheden, in welken zij het hebben gesteld.

|743|

Het is toch herkomstig van dezelfde mannen, die de Geloofsbelijdenis en den Katechismus hadden helpen onderzoeken en hadden bevonden, dat alle de daarin voorkomende artikelen en stukken der leer, in alles overeenkomen met Gods woord. Moesten zij niet naturelijk verlangen, dat alle deze Artikelen en stukken der leer, even zoo, in de kerk, wierden gehandhaafd, als zij zelve die met Gods woord overeenstemmende hadden bevonden? Met andere woorden: moesten zij niet bedoelen, alle de stukken, op den duur, zóó te doen leeren, als zij zelve zich die nu voorstelden? — Het Formulier is herkomstig van dezelfde lieden, die de vijf artikelen tegen de Remonstranten hadden helpen vaststellen, en alles wat met deze vijf vastgestelde leerpunten niet volmaakt en in alle deelen overeenkwam hadden helpen veroordeelen, en de kerk hadden helpen zuiveren van de Leeraars, die andere gevoelens voorstonden, dan in die artikelen waren vastgesteld: kan men van deze lieden gelooven, of slechts met eenige waarschijnlijkheid en zonder volstrekt alle menschkunde te verloochenen, gissen of vermoeden, dat het in hunne zielen was, eenige de minste rekkelijkheid en toegeeflijkheid te willen verleenen? —

In welke omstandigheden werd het Formulier opgesteld? De Buitenlandsche godgeleerden, die de leer hadden helpen onderzoeken, waren nu vertrokken. Zij hadden hunne taak afgedaan: maar voor de binnenlandsche godgeleerden bleef nog gewichtig werk aftedoen. Deze hadden te zorgen, dat de nu vastgestelde leer, in alle zuiverheid, bewaard bleef. Hiertoe moesten zij maatregelen nemen. Dit deden zij ook. Zij vestigden de aandacht op de Predikanten in de Hervormde kerk en besloten, deze zóó te verbinden, dat het niet

|744|

mogelijk was, dat door hen, zoo lang zij Predikanten in deze kerk bleven, eenige afwijking van eenigen artikel der Leer, der kerke werd ingedrongen. Konden zij, in deze omstandigheden, anders dan door eenen geest van gestrengheid gedreven worden? Konden zij, in die omstandigheden, gezind zijn, om eenige ruimte te laten? of moesten zij veeleer worden beheerscht door de vreeze van, op eenigerlei wijze, aanleiding te geven, dat men zich eenige afwijking veroorloofde, hoe gering ook; als wel wetende, hoe gemakkelijk hier de overgang is van het mindere tot het meer gewigtige? Hetgene hier de aard der omstandigheden van zelf medebragt, is door hen tot stand gekomen: want zij stelden het voor ons liggende formulier van verbindtenis op, hetwelk de levendige uitdrukking is van de zorge, welke hen bezielde. Door hetzelve hebben zij daargesteld, wat zij zelve verklaarden, te bedoelen „een accuraat formulier van onderteekening, waarmde de uitvlugten van sommigen, waarmede zij de kerken plegen te bedriegen, verhoed worden.”

En, inderdaad, hoe weinig zij tot eenige rekkelijkheid gezind waren, blijkt niet alleen uit dit formulier, maar ook uit meer. Wij beroepen ons hier alleen op het lot, hetwelk gehad heeft de voorslag van de Godgeleerden van den Paltz en Hessen, door Bogerman ter tafel gebragt, naar aanleiding van welken in bedenking werd gegeven, om in de Belijdenis, in plaats van de woorden: en zoo veel zijne allerheiligste werken die hij voor ons gedaan heeft, te stellen het generale woord: gehoorzaamheid van Christus. Welke bedenking geen ander gevolg heeft gehad, dan dat men ongeraden heeft gevonden, deze verandering te maken. Heeft men toen, voor zichzelven, de vrijheid dezer verandering

|745|

niet verkiezen te nemen, hoe gering deze ook moge worden geacht; wie kan dan gelooven, dat die zelfde lieden, in die omstandigheden, en tegelijker tijd, bedoeld zouden hebben, bij het Formulier van verbindtenis, eenige vrijheid tot eenige afwijking te verleenen aan anderen?

Of zij nu met de betuiging, dat alle de Artikelen der Leer in alles overeenkomen met het woord van God, al of niet hebben gedoeld ook op de bewijsplaatsen uit de Heilige Schrift, welke in de Belijdenis; den Katechismus en de verklaring der vijf artikelen voorkomen? is eene vraag van minder belang. Voor de bevestigende beantwoording derzelve laat zich echter een en ander zeggen, hetwelk van geen gering gewigt is. Zij hadden immers de Belijdenis en den Katechismus onderzocht en aan Gods woord getoetst? Alzoo hadden zij alle de bewijsplaatsen, in beide deze stukken voorkomende, nagegaan en onderzocht, of in dezelve werkelijk stond te lezen, wat uit dezelve als leerstuk des geloofs was afgeleid. De uitslag van dit onderzoek was bevestigend geweest. Alzoo stonden nu voor hunnen geest die geloofspunten met de bewijsplaatsen. De laatsten als rigtig verstaan en opgevat; de eersten als uit de laatsten juist, naauwkeurig en bondig, afgeleid. Hoe konden zij anders dan bij de verklaring, dat alle de artikelen in alles met Gods woord overeenkwamen, van dit in alles de bewijsplaatsen of uitsluiten, of niet allen daarin begrijpen?

Geldt dit van de bewijsplaatsen, die in de Belijdenis en in den Katechismus door hen gevonden werden; hoe veel meer moest dit het geval zijn met de bewijsplaatsen, welke zij zelve gekozen hadden tot staving van de verklaring der vijf artikelen tegen de

|746|

Remonstranten! Konden zij, na pas uitspraak te hebben gedaan, met eenige mogelijkheid, onderstellen, dat onder de, door hen gekozene, bewijsplaatsen, eene eenige verkeerd opgevat en te onregt bijgebragt was? Konden zij zich voorstellen, dat andere regtzinnige leeraars eenige van deze bewijsplaatsen, als niets afdoende, zouden kunnen verwerpen en echter regtzinnig blijven? Kon het in hen opkomen, hiertoe vrijheid te verleenen? Zoo zij dit konden en wilden, waarom hebben zij het dan niet uitgedrukt? Maar konden zij het willen, zonder deerlijk in de engte te geraken met de bedenking, welke zich dan toch dadelijk aan hunnen geest moest opdringen, dat, namelijk, de vrijheid, verleend tot andere opvatting en tot verwerping van de eene bewijsplaats, ook moest gelden ten aanzien van de andere; ja! van alle: en hoe het dan toch met het leerstuk moest gaan, zoo alle de bewijzen voor hetzelve geacht wierden zonder kracht te zijn?

Doch, zoo als wij gezegd hebben, het is van minder belang, hoe men deze vrage beantwoordt. Het zij zoo, dat hier niet gesproken wordt van bewijsplaatsen, spreektrant enz. Altijd blijft dit over, dat de Predikanten zijn verpligt geworden tot de verklaring, dat zij voor in alles overeenstemmend met Gods woord hielden, niet slechts de hoofdstukken der leer, (van welke het formulier niet spreekt, en die ook nergens zijn bepaald of aangewezen) maar alle de artikelen en stukken der leer; geene hoegenaamd uitgezonderd: en dat deze verklaring, sedert 1619 tot 1816, is moeten worden onderteekend door alle aankomende Predikanten in de Nederlandsche Hervormde kerk; met uitzondering van de Predikanten in Vriesland, alwaar, om

|747|

bekende redenen, de onderteekening van dit Formulier nooit is ingevoerd.

Het is van groot belang, dat men nu eens duidelijk voor oogen legge, wat er al behoorde tot alle die artikelen en stukken der Leer, welke alzoo moesten worden verklaard, in alle deelen overeen te komen met Gods woord. Wij achten dit te noodiger, omdat wij dit thans doorgaans zien in de schaduwe stellen: terwijl men zich van de zaak, met eene of andere algemeene benoeming afmaakt, als of hierdoor alles duidelijk ware.

Tot alle deze artkelen dan behoort, volgens de Geloofsbelijdenis, onder anderen:

Art. VIII, dat God één eenig Wezen is, in hetwelk zijn drie personen in dere daad en waarheid, en van eeuwig onderscheiden, naar hunne onmededeelbare eigenschappen; dat de Vader is de oorzaak, oorsprong en het begin aller dingen; de Zoon het woord, de wijsheid en het beeld des Vaders; de Heilige Geest de eeuwige kracht en mogendheid, uitgaande van den Vader en den Zoon; zoo nogtans, dat dit onderscheid niet maakt, dat god in drieën gedeeld zij, aangezien de Heilige Schriftuur ons leert, dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest elk zijne zelfstandigheid heeft, onderscheiden door hunne eigenschappen; doch alzoo, dat deze drie personen maar een eenig God zijn; dat de Zoon niet is de Vader; dat de Vader niet is de Zoon en dat de Heilige Geest niet is noch de Vader noch de Zoon; dat deze personen, zoo onderscheiden, echter niet gedeeld zijn, noch ook onder één vermengd; dat zij alle drie zijn van gelijke eeuwigheid in één en hetzelfde Wezen, zoodat er noch eerste noch laatste is.

|748|

Volgens den Katechismus, Zond. VIII. dat deze drie onderscheidene personen de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn.

Art. X, dat Jezus Christus, naar zijne Goddelijke natuur, de eenig geboren Zoon van God is, van eeuwigheid geboren, niet gemaakt noch geschapen, maar eenswezens met den Vader, mede eeuwig.
Volgens den Katechismus, Zond. XIII, dat Christus de eeuwige, naturelijke Zoon van God is.

Art. XI, dat de Heilige Geest van eeuwigheid van den Vader en den Zoon uitgaat: niet zijnde gemaakt noch geschapen, noch ook geboren; maar alleen van beiden uitgaande: welke in orde is de derde persoon der Drievuldigheid, van hetzelfde Wezen, Majesteit en heerlijkheid met den Vader en den Zoon, zijnde waarachtig en eeuwig God.
Volgens den Katechismus, Zond. XX, dat hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is.

Art. XIV, dat de mensch heeft verloren alle zijne uitmuntende gaven, en niets anders overgehouden heeft, dan kleine overblijfselen daarvan, welke genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen; met verwerping van hetgene men leert van den vrijen wil des menschen, aangezien de mensch niet dan een slaaf der zonde is.
Volgens den Katechismus, Zond. II, dat wij, van nature, geneigd zijn, God en den naaste te haten. Zond. III. Dat wij alzoo bedorven zijn, dat wij onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad.

Art. XV, dat door de ongehoorzaamheid van Adam, de erfzonde uitgebreid is geworden over het gansche

|749|

menschelijke geslacht, welke is eene verdorvenheid der geheele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in huns moeders ligchaam; dat zij genoegzaam is om het menschelijk geslacht te verdoemen.
Volgens den Katechismus, Zond. III, is, door den val en ongehoorzaamheid van Adam en Eva, in het Paradijs, onze natuur alzoo bedorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden: en Zond. IV, vertoornt God zich verschrikkelijk, beide over de aangeborene en de werkelijke zonden, en wil Hij die tijdelijk een eeuwig straffen.

Art. XVI, dat God uit dit verderf trekt en verlost degenen, die hij in zijnen eeuwigen en onveranderlijken raad, uit enkele goedertierenheid, uitverkoren heeft in Jezus Christus onzen Heer, zonder eenige aanmerking van hunne werken; en dat Hij de anderen laat in hunnen val en verderf, waarin zij zich zelven geworpen hebben.

Art. XXI, dat Christus zich voor God heeft gesteld, om zijnen toorn te stillen.
Volgens den Katechismus, Zond. VI, heeft Hij den last van Gods toorn aan zijne menschheid gedragen. Zond. XV, heeft hij den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijke geslacht gedragen, en heeft hij de vervloeking, die op ons lag, op zich geladen.

Art. XXII, dat Christus, ons toerekenende alle zijne verdiensten, en zoo vele heilige werken als Hij voor ons en in onze plaats gedaan heeft, is onze regtvaardigheid, en dat het geloof is het middel, dat ons met hem in gemeenschap van alle zijne goederen houdt, welke onze geworden zijnde, ons meer dan

|750|

genoegzaam zijn, om ons vrij te spreken van onze zonden.
Volgens den Katechismus, Zond. VII, moet men door het geloof Christus worden ingelijfd, en Zond. XXIII is men alleen regtvaardig door een opregt geloof; schenkt en rekent God ons de volkomene genoegdoening, geregtigheid en heiligheid van Christus toe even als hadden wij nooit zonde gehad noch gedaan; ja, als hadden wij ook al de gehoorzaamheid volbragt, welke Christus voor ons volbragt heeft.

Art. XXIII, dat Christus gehoorzaamheid onze is, wanneer wij in Hem gelooven, en welke algenoegzaam is, om alle onze ongeregtigheden te bedekken en ons vrijmoedigheid te geven, het geweten vrij makende van de vreeze, verbaasdheid en verschrikking om tot God te gaan.
Volgens den Katechismus, Zond. XIV, bedekt hij door zijne onschuld en volkomene heiligheid onze zonden voor het aangezigt van God.

Art. XXVIII, dat buiten de kerk geene zaligheid is,

Art. XXXV, dat het Avondmaal is ingesteld, om te voeden en te onderhouden die reeds wedergeboren zijn; — dat wij niet feilen als wij zeggen, dat hetgene van ons gegeten en gedronken wordt het eigen en naturelijke ligchaam en bloed van Christus is; maar de wijze, op welke wij dezelve nuttigen, is niet de mond, maar de geest door het geloof; dat Christus aan deze tafel zichzelven aan ons mededeelt met alle zijne goederen, en ons aan dezelve doet genieten zoo wel zich zelven als de verdiensten van zijn lijden en sterven; dat, hoewel de Sacramenten verbonden zijn met de beteekende zaak, zij nogtans met deze twee zaken niet van allen worden ontvangen.

|751|

Waarmede te vergelijken zijn de XXVIII en XXIX zondag van den Katechismus.

Art. XXXVII, dat onze Heer wederkomende deze oude wereld in vuur en vlam zal stellen, dat als dan alle menschen personelijk voor Hem zullen verschijnen, zoo wel mannen als vrouwen en kinderen, die van het begin der wereld af tot het einde toe geweest zullen zijn; dat de gestorvene daartoe uit de aarde zullen verrijzen, de ziel zamengevoegd en vereenigd zijnde met hun eigen ligchaam, in hetwelk zij geleefd hebben.
Volgens den Katechismus, Zond. XXII, dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus, opgewekt zijnde, weder met mijne ziel zal vereenigd worden.

Bij deze Artikelen en stukken der Leer moeten nu nog gevoegd worden de vijf artikelen tegen de Remonstranten, zoo als die door de Synode van Dordrecht zijn vastgesteld. Hoe bekend deze artikelen ook mogen wezen, wij hebben, tot het doel, hetwelk wij ons voorstellen, noodig, de verklaring van dezelve hier, van naderbij, te doen beschouwen. Wij volgen dan hier het oordeel, door de Synode uitgesproken over de vijf artikelen, en geven, dien overeenkomstig, met de woorden der Synode, op, wat hier voorkomt als behoorende tot de meermalen genoemde, alle artikelen en stukken der leer.

Over het eerste Hoofdstuk der leer, of de verkiezing en verwerping.

Art. VI, dat God de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te gelooven; maar dengenen, die niet zijn verkoren, naar zijn regtvaardig oordeel, in hunne boosheid en hardigheid laat.
Art. VII, dat deze verkiezing is een onveranderlijk

|752|

voornemen Gods, door hetwelk hij, voor de grondlegging der wereld, eene zekere menigte van menschen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen, maar in de gemeene ellende met anderen liggende, uit het geheele menschelijk geslacht van de eerste opregtigheid door haar eigen schuld vervallen in de zonde en verderf, naar het vrije welbehagen zijns wils, tot de zaligheid, uit loutere genade uitverkoren heeft in Christus.
Art. IX, dat deze verkiezing is geschied tot het geloof en gehoorzaamheid des geloofs, tot heiligheid enz. en dat dienvolgens de verkiezing is de fontein van alle zaligmakende goed, waaruit het geloove, de heiligheid en andere zaligmakende gaven en eindelijk het eeuwige leven zelve, als vruchten vloeijen.
Art. XII, dat de uiverkorenen van deze hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid, te hunner tijd, worden verzekerd.
Art. XV, dat de H. Schrift getuigt, dat sommige niet verkoren, of in Gods eeuwige verkiezing voorbijgegaan zijn, namelijk die, welke God naar zijn gansch vrij onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft, in de gemeene ellende te laten, in welke zij, door hunne eigene schuld zich zelven hebben gestort en hen met het zaligmakende geloof en de genade der bekeering niet te begaven: maar dezelve in hunne eigene wegen en onder zijn regtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk, niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden, tot verklaring van zijne geregtigheid, te verdoemen en eeuwiglijk te straffen.

Het Tweede Hoofdstuk der leer: van den dood van Christus en de verlossing der menschen door denzelven.

|753|

Art. I, dat Gods geregtigheid vordert, dat onze zonden niet alleen met tijdelijke, maar ook met eeuwige straffen, beide naar ziel en ligchaam gestraft worden, en dat wij deze straffen niet kunnen ontgaan, ten zij dat de geregtigheid van God genoeg geschiede.
Art. IV, dat de dood van Jezus is vergezelschapt geweest met het gevoelen van den toorn Gods en den vloek, dien wij, door onze zonden verdiend hadden; en dat hierom deze dood is van zoo groote kracht en waardigheid.
Art. VIII, dat God heeft gewild, dat Christus door het bloed zijnes kruises uit alle volken, stammen, geslachten en tongen, die gene alle en alleen, krachtelijk zoude verlossen, die van eeuwigheid tot de zaligheid verkoren en van den Vader hem gegeven zijn.
Waarbij verworpen en veroordeeld wordt het gevoelen van hen, die stellen, dat niemand om de erfzonde der verdoemenisse schuldig zij, of verdoemd zal worden.

Het derde en vierde Hoofdstuk der leere: van des menschen verdorvenheid en bekeering tot God en derzelver maniere.

Art. I, dat de mensch over zich gehaald heeft blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand, boosheid, wederspannigheid en hardheid in zijnen wil en harte, mitsgaders ook onzuiverheid in alle zijne genegenheden.
Art. III, dat alle menschen worden ontvangen in zonden en kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot eenig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood

|754|

in zonden en slaven der zonden; en dat zij noch willen noch kunnen tot God wederkeeren. Zoodat
Art. X, als iemand, door de prediking bekeerd wordt, dit moet worden toegeschreven aan God, die gelijk hij de zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzoo ook dezelve in der tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekeering begaaft, en, uit de magt der duisternis verlost zijnde, tot het Rijk zijns Zoons overbrengt.
Art. XI, dat wanneer God dit zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en de ware bekeering in dezelve werkt, hij niet alleen het Evangelium hun uiterlijk doet prediken en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij regt zouden verstaan en onderscheiden de dingen, die des Geestes Gods zijn; maar dat hij ook indringt tot de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking deszelven wederbarenden geestes; dat Hij het harte opent, dat gesloten is, vermurwt dat hard is, besnijdt dat onbesneden is; dat hij in den wil stort nieuwe hoedanigheden en maakt, dat dezelfde wil, die dood was, levende wordt, die boos was goed wordt, die niet wilde nu dadelijk wil, die weerspannig was gehoorzaam wordt.
Art. XII, dat God deze wedergeboorte in ons werkt, zonder ons; dat dit is eene gansch bovennatuurlijke, eene zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking, in hare kracht niet minder dan schepping of opwekking der dooden.
Art. XIV, dat het geloof eene gave Gods is, niet omdat het aan den vrije wil des menschen van God wordt aangeboden; maar omdat het den mensch dadelijk wordt medegedeeld, ingegeven en ingestort.

|755|

Het vijfde Hoofdstuk der Leere: van de volharding der Heiligen.

Art. VI, dat God naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, den H. Geest van de zijnen ook zelfs in droevige gevallen (van groote en gruwelijke zonden: zie Art. IV en V.) niet geheel wegneemt, zoodat zij uit den staat der regtvaardigmaking uitvallen.
Art. VIII, dat, van den kant der geloovigen, zulk een afvallen ligt mogelijk zoude zijn, ja zeker zou plaats grijpen; doch dat dit, ten aanzien van God, niet kan gebeuren, dewijl dat noch zijn raad veranderd, noch zijne belofte gebroken, noch de roeping naar zijn voornemen, wederroepen worden.
Art. IX, dat de uitverkorenen zeker zijn van hunne bewaring door het geloof, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levendige leden der kerk, en dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwig leven.
En dit alles, met verwerping der meening, volgens welke de volharding is eene voorwaarde des Nieuwen Verbonds, welke de mensch voor zijne peremtoire verkiezing en regtvaardigmaking, door zijnen vrijen wil, moet brengen.

Het zijn dan, onder anderen, deze Artikelen en stukken der Leere, van welke de Synode van Dordrecht heeft geoordeeld, dat dezelve „uit het Woord van God zijn genomen.” Waarom zij dan ook, in het Besluit, te vinden achter de verklaring der vijf artikelen „alle mededienaars in het Evangelie van Christus, vermaant, dat zij zich in het verhandelen van deze leer, beide in scholen en kerken, godvruchtig en godsdienstig gedragen; dezelve, zoo wel met tong als met pen, tot Gods eer, heiligheid des levens en vertroosting der verslagene gemoederen, rigten; dat

|756|

zij met de Schriftuur, naar de gelijkmatigheid des geloofs, niet alleen gevoelen, maar ook spreken, en, eindelijk, van alle zulke manieren van spreken zich onthouden, die de palen van den opregten zin der H. Schriftuur, ons voorgesteld, te buiten gaan, en die de dartele Sophisten regtvaardige oorzaak geven mogten, om de leer der gereformeerde kerken te beschimpen of ook te lasteren.”

Ook waren het, onder anderen, deze Artikelen en stukken der Leer, welke zij in de, aan het hoofd van dit opstel geplaatste, verklaring, heeft op het oog gehad en welke handhaving zij, door die verklaring, heeft getracht te verzekeren.

Uit al hetwelk ten volle blijkt, dat de Predikanten in de Nederlandsche Hervormde kerk, sedert 1619 tot 1816 (altijd met uitzondering van die in Vriesland) zich hebben moeten verbinden, om dit alles te leeren en te verdedigen: en voorts, in geval van opgekomen twijfel of van gerezen verdenking, zóó te handelen, als verder in die verklaring uitgedrukt, en hierboven, volgens dezelve, uit één gezet is: en dat hier geen schijn of blijk voorhanden is van iets, waaruit bij wettig gevolg zoude zijn afteleiden, dat men aan de Predikanten zoude hebben willen verleenen eenige vrijheid, om, ten aanzien van een of ander artikel, in een of ander opzigt, eenigszins aftewijken, voldaan zijnde, zoo men zich slechts aan het hoofdzakelijke hield.

|757|

Aanhangsel,
of
Kort berigt omtrent de Walcherensche Artikelen.

De Classis van Walcheren heeft, bij besluit van 5 Nov. 1693, noodig geacht, te waken tegen verscheidene leeringen, die hier en daar werden voortgebragt en gedreven. Zij wilde dit doen, zoo als zij zelve heeft gezegd, „niet door het opstellen en invoeren van eenig nieuw Formulier van onderteekening, hetwelk zij, om verscheiden redenen als nog niet noodzakelijk en ook niet wel doenlijk of raadzaam” oordeelde; „maar liever door eenige nadere toepassing van de oude Formulieren van eenigheid op de hedendaagsche vreemde gevoelens, voor zoo verre dezelve daar tegen direct of indirect, en bij gevolg, mogten aanloopen.” Hiertoe heeft die Classis vastgesteld, dat alle inkomende Predikanten en alle Proponenten, die door haar werden onderzocht, zouden moeten onderteekenen vijf Artikelen, die zeer merkwaardig zijn, onder anderen ook als blijk, hoe sommige artikelen van de Geloofsbelijdenis, den Katechismus en de Leerregelen van de Dordtsche Synode, bij die Classis, zijn opgevat, en, sedert, alle Predikanten, die leden van die Classis zijn geweest, hebben moeten verklaren, dezelve optevatten.

De beide eerste artikelen zijn gerigt tegen de gevoelens van den Hoogleeraar Roëll. Het eerste tegen zijne meening, dat men uit de Rede alleen de goddelijkheid der H. Schrift zoude kunnen bewijzen. Het tweede is gerigt tegen zijn gevoelen aangaande de generatie. Dit artikel, het Niceënsche en Athanasiaansche

|758|

gevoelen handhavende, bevat, onder anderen, het volgende:

„Wij hebben eenen afkeer van degenen, die deze verborgenheid willen gaan bestrijden met de dictata van de Rede, zeggende, dat ze strijdig is tegen onze denkbeelden, tegen het idé der goddelijke eenheid, eeuwigheid en eenvoudigheid, en die alzoo trachten krachteloos te maken de aangehaalde plaatsen en spreekwijzen in de Belijdenis des geloofs, zeggende, dat ze niet zien op de eeuwige generatie des Zoons; maar op de huishouding des Middelaars. Verder aangaande den persoon des H. Geestes, gelooven wij, dat, hoewel hij met den Vader en den Zoon is de eeuwige waarachtige God, Hij echter van alle eeuwigheid is uitgaande van den Vader en van den Zoon, in orde de derde persoon der Drieëenigheid, van een en hetzelfde Wezen, Majesteit en Heerlijkheid met den Vader en den Zoon, zijnde waarachtig en eeuwig God, van ale eeuwigheid van den Vader en den Zoon uitgaande, zijnde de Geest, die van den Vader uitgaat. En derhalve verklaren wij voor dwaalgeesten degenen, die ontkennen, dat zoodanige Processio of Emanatio van den Vader en den Zoon zoude zijn de eenige manier van bestaan des H. Geestes; derhalve, dat het ongerijmd is, zoodanige vragen te formeren: hoe dan de generatie des Zoons en de uitgang des H. Geestes van malkander verschillen? Hoe de H. Geest uit twee kan uitgaan? enz. En nademaal de Zoon door eene eeuwige generatie van den Vader bestaat, en de H. Geest van beiden uitgaat, zoo houden wij voor vast, dat er is eene naturelijke orde van bestaan onder de personen der Goddelijke Drieëenheid, niet alleen eene orde van eersten, tweeden en derden persoon;

|759|

maar eene orde, die eeuwig en naturelijk is, gegrond in de personeele characteristische eigenschappen, door welke de een persoon is, wat de andere niet is, noch zijn kan. En derhalve verwerpen wij allen, die loochenen, dat in een eenvoudig Wezen onderscheidene manieren van bestaan kunnen zijn, en die gevoelen, dat al het onderscheid der goddelijke personen alleen zoude gelegen zijn in het getal, oeconomie, namen en werkingen, die zoo willekeurig zouden zijn, dat de naam en huishouding van den persoon, die nu Vader is, mogelijk zoude kunnen zijn de naam en huishouding van den persoon, die nu Zoon is, en die nu H. Geest is. — Wij verklaren zoodanig stellingen Heterodox, en in den grond te verschillen van de Artikelen der aangenomene belijdenis.”

Het derde Artikel is kennelijk gerigt tegen Vlak. Het betreft de Regtvaardigmaking. Hetzelve stelt vijf bijzonderheden aangaande dit leerstuk vast.

„1. Dat hier alle zedelijke werken worden uitgesloten, en onze geregtigheid voor God niet kunnen zijn. 2. Dat regtvaardigen in dezen Artikel niets anders is dan eene volkomene vrijspreking van den zondaar en een toerekenen van het regt tot het eeuwige leven, zoodat deze genade van de Heiligmaking en Heerlijkmaking moet onderscheiden worden. 3. Dat de eenige verantwoording des zondaars voor Gods vierschaar is de voldoening van Jezus Christus, naar den eisch van de goddelijke regtvaardigheid, zoo in zijne doende als in zijne lijdelijke gehoorzaamheid. 4. Welke gehoorzaamheid ons moet worden toegerekend tot regtvaardigmaking: met dien mantel der geregtigheid moeten wij wezen aangedaan, even als of

|760|

wij die in eigen persoon betracht hadden. Welke toerekening geschied zijnde, worden wij daardoor ontheven van alle schulud en verbindtenisse tot straf, tijdelijke en eeuwige. 5. Het middel nu, waardoor die toegerekende geregtigheid wordt aangenomen, is alleen het ware geloof, hetwelk hier maar wordt aangemerkt als een Instrument, daartoe van God geordonneerd, om de geregtigheid van Christus aantenemen, en daarom zeggen wij, dat wij alleen door het geloof geregtvaardigd worden.

Het slot van dit Artikel luidt aldus:

„Deze zijn de palen in deze hoogwigtige leer bij de ouden naar den woorde Gods gesteld; zoo verbinden wij ons, het daarbij te zullen houden, groot mishagen hebbende in diegenen, die anderer wegen daaromtrent inslaan, en door andere stellingen, redeneringen en spreekwijzen afwijken van de aangenomene leer.”

Het vierde Artikel handelt van de Toerekening van Adam’s zonde. Het is merkwaardig genoeg, om hier, in zijn geheel, te worden medegedeeld met de aanhalingen uit de Formulieren van eenigheid, welke er, op den kant, bijstaan. Het luidt als volgt:

Belijd. Art. 14. „Zoodanig is geweest de voorwaarde van den eersten mensch in het Paradijs, en het gebod des levens aan hem gegeven, dat hij daarin de plaats van het gansche menschelijke geslacht bekleed heeft; zoodat hij Gods beeld en alle die gaven, die hij van God ontving, en verloor door zijne zonde, niet alleen voor zich, maar ook voor alle zijne nakomelingen ontvangen en verloren heeft (in margine, „Katech. vr. 9.”) Overzulks gaat Adam’s zonde ons oook aan, omdat alle menschen in dien eenen mensch geweest zijn, als kinderen in de

|761|

lendenen van hunner aller vader, en als bondgenooten in het Hoofd en Principaal des Verbonds; en alzoo hebben wij alle in hem gezondigd. (in marg. Kort begr. des Katech. Vr. 11) Onder de kwade gevolgen dezer zonde stellen wij ook de berooving van Gods beeld en de aangeborene verdorvenheid, zijnde die de geestelijke dood en diensvolgens een stuk van dat dreigement: „ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven;” welke daarom van ons gehouden wordt niet alleen als een kwaad der zonde, maar ook als een kwaad der straf, liggende op alle menschen, en geen ander fundament hebbende dan Adam’s dadelijke overtreding. En, aangezien wij die niet zelve met der daad begaan hebben, zoo kan de schuld onze niet worden als bij wege van toerekening. (in marg. „Rom. V: 13). Welke toerekening hier niet oneigenlijk en door middel van de tusschenkomende verdorvenheid, van ons verstaan wordt te geschieden; maar zóó, dat de schuld van Adams ongehoorzaamheid eigenlijk en onmiddelijk overgaat en gemeen gemaakt wordt aan alle menschen: zoodat wij alle in Adam schuldig zijn des vloeks en des eeuwigen doods (in marg. „Syn. Dordr. C. I. § 1. Rom. V: 18); en door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis. Derhalve erkennen wij God, in zijn wijs beleid over den staat en val van den eersten mensch, niet alleen als eenen Almagtigen Schepper; maar ook als eenen regtvaardigen Regter; (in marg. „Deut. 32, 4. Katech. vr. 10. Syn. Dordr. C. III, IV, § 2) want alle zijne wegen zijn gerigte; die, naar zijn regtvaardig oordeel, de schuld van zijne gekwetste Majesteit in die eerste overtreding,

|762|

vindt en straft aan alle menschen, met tijdelijke en eeuwige straffen. Gelijk wij dan ook tot onzen troost hier tegen van Paulus leeren, dat Adam in dit stuk is geweest een voorbeeld desgenen, die komen zoude (in marg. „Rom. V: 14, 19). Zoo dat die twee tegen over malkander staan: Adam als het Hoofd van allen in het Verbond der Werken; Christus als het Hoofd van allen in het Verbond der Genade. En gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen, vele tot zondaars gesteld zijn, zoo worden, door de gehoorzaamheid van dezen éénen, vele tot regtvaardigen gesteld. In dier voegen, dat, gelijk Adams ongehoorzaamheid ons toegerekend wordt tot schuld der (ter?) verdoemenis, alzoo Christus gehoorzaamheid ons toegerekend wordt tot ontslag van die schuld.”
„Aldus veroordeelen wij (met de Synode van Charenton, gehouden Aº. 1664) dat gevoelen, waardoor de erfzonde alleen bepaald wordt bij de aangeborene verdorvenheid, met uitsluiting van de toerekening van Adams schuld; als zijnde strijdig tegen het gevoelen van alle Protestantsche kerken.”

Het vijfde Artikel is gerigt tegen Bekker en stelt, onder anderen:

dat de booze Engelen „nog zoo veel magts hebben, dat zij de geloovigen hier op Aarde als doodsvijanden, zonder ophouden, aanvechten. En, gelijk hun Hoofd Adam in het Paradijs, door zijne argelistigheid, verleid heeft, misbruikende daartoe de naturelijke slang als een werktuig, als mede Jezus Christus, in de woestijn, door verscheidene verzoekingen, hoewel vruchteloos, heeft aangetast; zoo is het, dat hij en alle zijne booze geesten, nog dagelijks, als Gods vijanden, met al hun vermogen,

|763|

als moordenaars op de kerk, en ieder lidmaat van die, loeren om alles te bederven en te verwoesten door hunne bedriegerijen. In welke woedinge zij nogtans altijd vast liggen aan de ketenen van Gods Voorzienigheid en magt. En ofschoon God, door zijne bijzondere genade omtrent zijne kerk, hen op den eenen tijd naauwer gebonden houdt, en op den anderen tijd, naar zijn regtvaardig oordeel over de wereld, hun meer vrijheids geeft, en als het ware ontbindt, zoo is dit altijd zeker, dat zij nooit iets zonder Gods wil, en tot het verderf der uitverkorenen kunnen uitvoeren.”

Het slot van het Artikel luidt aldus:

„Dit zoo omtrent de werkingen der geesten altijd geweest zijnde de leer der Gereformeerden, ja der geheele Chrsitenkerk, gedurende den tijd van 1600 jaren, zoo veroordeelen wij alle die groove dwalingen en ongoddelijke leerstukken, welke, hier tegen strijdende, heden ten dage, door schriften of redenen, onder de Christenen worden gedreven en voortgezaaid.”

Het zijn, onder anderen, deze leerstukken, welke alle Proponenten bij de Classis van Walcheren en, van elders, inkomende Predikanten, met hunne handteekening, hebben moeten verklaren te gelooven en te zullen verdedigen en leeren; even eens zich hiertoe verbindende als tot al het andere, dat in de Belijdenis, den Katechismus, en de Leerregelen van de Dordtsche Synode, begrepen is. En dit alles is dan ook onderteekend door alle de Predikanten, die, sedert Nov. 1693, tot 1815 onder het ressort van die Classis, predikanten zijn geweest. De laatste onderteekening heeft plaats gehad in 1815.