183-212

|183|

 

Calvijn en de oorsprongen van het Nederlandsche Gereformeerde Kerkrecht

 

Tegenover een met redenen omkleede ontkenning van het Calvinistisch karakter van de Reformatie hier te lande heeft alleen het historisch bewijs kracht. Juist omdat in z.g. nieuw-Calvinistischen kring soms zoo bespiegelend, construëerend, over het Calvinisme en onzen volksaard gesproken is, zonder dat van de nauwkeurige historische vóórstudie bleek, die tot het trekken van dergelijke breede, „geschichtsphilosophische” lijnen den onmisbaren grondslag bood, is de neiging tot tegenspraak geprikkeld geworden en het wetenschappelijk détail-onderzoek aangemoedigd, dat zich inspande om de duidelijke sporen van Calvijn’s invloed hier te lande steeds verder terug te dringen in de tweede helft van de reformatorische eeuw. Voor deze tendenz bij het onderzoek van de religieuze stroomingen op vaderlandschen bodem in de 16de eeuw kunnen wij alleen reeds hierom dankbaar zijn, wijl het de belijders van het hedendaagsche Calvinisme veelszins drong, om streng-historisch de beteekenis van Calvijn voor de Nederlandsche Gereformeerden na te gaan. Niet genoeg te waardeeren is in dit opzicht de arbeid van Prof. Dr. F.L. Rutgers, die o.a. in zijn rectorale rede van 1899 opzettelijk de vraag behandeld heeft, in hoeverre uit de geschiedkundige bronnen blijkt, dat Calvijn zelf op de Reformatie in de Nederlanden invloed heeft uitgeoefend.

Ik waag het in deze richting een kleine bijdrage te leveren in verband met een nog beperkter vraagpunt: n.l. in hoeverre heeft Calvijn ook invloed geoefend op de constituëering van het kerkverband onzer Nederlandsche Gereformeerden. Men zou dit een bijdrage tot aanvulling van het door Prof. Rutgers geboden historisch onderzoek kunnen noemen, ware het niet, dat deze zich blijkbaar in de behandeling van zijn onderwerp met opzet

|184|

beperkt heeft tot den levenstijd van Calvijn. Nu is dat ongetwijfeld ook de periode, waarvan het meestal met den grootsten nadruk bestreden wordt, dat er voor de Nederlanden van doorwerking van „het Calvinisme” zou kunnen worden gesproken. Dat neemt echter niet weg, dat het van beteekenis mag worden geacht, ook voor het tijdvak onmiddellijk na Calvijn’s dood, te kunnen aantoonen, dat zijn geschriften van invloed zijn geweest op de Reformatie in de Nederlanden. In het onderzoek, waarvan ik hier de resultaten bied, heb ik meer in het bijzonder nagegaan den invloed van Calvijn’s Ordonnances Ecclésiastiques op de oorsprongen van het Nederlandsche Gereformeerde Kerkrecht.

Ik heb niet kunnen ontdekken, dat aan deze kwestie tot dusverre aandacht is geschonken. Wel is van verschillende zijden omstandig betoogd, dat, evenals in andere Gereformeerd-Protestantsche landen, zoo ook in Nederland het kerkverband der Gereformeerde kerken naar de beginselen van Calvijn is tot stand gekomen. Dit is alreeds zonder meer duidelijk voor ieder, die opgemerkt heeft, dat de grondslag van de Geref. kerkorde voor onze landen natuurlijk uitgedrukt lag in de artikelen XXVII-XXXII van de Ned. Geloofsbelijdenis, waarin zoo onmiskenbaar de geest van Calvijn heerschende is. Alleen op het accoord van een kerkelijke gemeenschap, zooals de gereformeerde belijdenis van Guido de Bray die onder woorden gebracht had, liet zich een kerkverband en een „welghestelde Kerkenordening” in de Nederlanden inrichten. 1)

Lechler wees in zijn bekroonde prijs-verhandeling van het Haagsche Genootschap bovendien nog op de ,,vereinigende Auctorität”, die van Calvijn’s persoon en positie uitging tot ver buiten Genève, ook in die landen, waar het kerkverband nog niet tot stand gekomen was. 2)

Toch blijft het bevreemding wekken, dat men het, voor wat Nederland aangaat, bij het constateeren van den invloed van Calvijn’s beginselen, zooals die vooral in de Institutie neergelegd waren, en van Calvijn’s persoon en positie, zooals die vooral in de uitgebreide briefwisseling naar alle zijden domineerend uitkomt, op de wording van het Gereformeerde kerkverband, heeft gelaten. Calvijn heeft zijn dogmatische en principieel-kerkrechtelijke beginselen immers ook trachten uit te werken in een program van kerk-regeering, dat jaren lang in Genève kracht van wet en mitsdien toepassing verkreeg.


1) H.G. Kleyn, Algemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente, Dordrecht, 1888, bl. 36.
2) Lechler, Geschichte der Presbyterial- und Synodal-verfassung seit der Reformation, Leiden, 1854, S. 74.

|185|

Na zijn verbanning uit Genève heeft de groote Hervormer van den Raad der stad waarborgen geëischt, dat het hem in de toekomst niet andermaal onmogelijk zou worden gemaakt, de Kerk in te richten overeenkomstig zijn ideaal van Schriftuurlijke orde en Christelijke tucht. In 1541 zag Calvijn dan ook den Raad der stad de door hem opgestelde Ordonnances ecclésiastiques behoudens eenige wijziging, waaraan wegens de infirmitas temporis, d.i. de gebrekkelijkheid der tijdsomstandigheden, niet te ontkomen was, aanvaarden.

Waarom heeft men nu nimmer nog, voor zoover mij bekend is, opzettelijk onderzocht, of deze proeve van toegepast Calvinistisch kerkrecht, n.l. de Ordonnances ecclésiastiques van Genève, ook invloed kan geoefend hebben op de oorsprongen van het Nederlandsch Gereformeerd kerkrecht? De uitgevers van het Corpus Reformatorum berichten ons in hun uitgave van Calvijn’s Ordonnances ecclésiastiques wel, dat het wet geworden ontwerp van 1541 nooit door den druk algemeener toegankelijk is geworden. 1) Maar van de Ordonnances van 1561, waarvan de revisie dus mede nog door Calvijn bezorgd is, geldt dat toch zeker niet. Die zijn wel degelijk door den druk in breeder kring bekend geworden. 2)

Is het zoo ver gezocht, om a priori reeds te vermoeden, dat deze Ordonnances van Calvijn van invloed zijn geweest bij de vaststelling van de voorloopige bepalingen van de eerste samenkomst van ambtsdragers uit verschillende Nederl. Geref. kerken, waar opzettelijk over de inrichting van het kerkverband, over kerk-orde en kerk-regeering dus, is gehandeld; ik bedoel: de Acta van het Convent van Wezel (1568)? Al zijn de gegevens voor dit Convent van Wezel overigens nog zoo schaarsch, de Artikelen van deze kerkelijke samenkomst bezitten wij, in authentieken vorm nog wel. Sinds dit belangrijk document, berustend in het Archief van de Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk in Den Haag, in de werken der Marnix-Vereeniging door Prof. Rutgers 3) werd uitgegeven, is een zorgvuldige vergelijking van deze Wezelsche Acta met de Ordonnances ecclésiastiques van 1561, die naast oudere en andere kerkelijke verordeningen van Genève in het Corpus Reformatorum 4) afgedrukt staan, zoo gemakkelijk mogelijk.

Dat dit toch eigenlijk voor de hand liggend vergelijkend onderzoek


1) Corpus Reformatorum, Vol. XXXVIII, pars prior, (Calv. Opera, Vol. X), Brunsvigae, 1871, 91, note 1.
2) Corpus Reformatorum, l.c.
3) In Werken der Marnix-Vereeniging, Serie I, Dl. 4.
3) Corpus Reformatorum, l.c., 91-124.

|186|

nog nimmer plaats had, meen ik te moeten verklaren uit de licht tot verkeerde conclusies aanleiding gevende opvatting, dat het Convent van Wezel alleen maar een tusschenschakel vormt tusschen de z.g. Zuid-Nederlandsche Synoden en de Synode van Emden van 1571. Deze opvatting, waartegen, zooals later wel blijken zal, bezwaren zijn aan te voeren, op historische gegevens gegrond, bracht er gedurig als van zelf toe, de Acta van het Wezelsche Convent uitsluitend te verklaren uit de voorloopige, en in beperkter kring gevoerde besprekingen van de Zuid-Nederlandsche Synoden. En deze kerkelijke vergaderingen waren op haar beurt weer zóó kennelijk afhankelijk van de Fransche Discipline ecclésiastique, welke ter constituëering van het Geref. kerkverband in Frankrijk door de oudste nationale Synoden 1) was vastgesteld, dat men meende zeker niet feil te gaan, door vóór alles, en meest ook uitsluitend, den invloed na te speuren, die de Fransche Discipline ecclésiastique op de oorsprongen van het Nederlandsche Gereformeerde kerkrecht, in casu op de Artikelen van het Wezelsche Convent, heeft uitgeoefend. Zoo doet b.v. ook Dr. de Jong reeds aanstonds in de inleiding van zijn proefschrift over de Voorbereiding en Constitueering van het Kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken in de zestiende eeuw, (Vrije Universiteit, 1911). Door dit verband te leggen tusschen de kerk-orde van het Gereformeerd Protestantisme in Frankrijk en de oorsprongen van het Gereformeerd Kerkrecht in de Nederlanden wordt dan zijdelings bewezen, dat Calvijn voor de wording van ons kerkverband van beteekenis is geweest, omdat „het kerkverband der Fransche Gereformeerde kerken geheel doordrongen is van den geest van Calvijn, terwijl de geschiedenis het onloochenbare bewijs levert, dat het Fransche kerkverband zoowel naar zijn innerlijke zijde, n.l. eenheid der kerken op den grondslag van eene gemeenschappelijke belijdenis, als naar zijn uitwendige zijde, n.l. eenheid der kerken op den grondslag van eene gemeenschappelijke kerken-ordening, vooral door Calvijn’s bemoeiingen tot stand is gekomen.” 2)


1) Ik gebruik hier met opzet het meervoud, omdat ik meen, dat Dr. H.E. von Hoffmann, in zijn das Kirchenverfassungsrecht der niederländischen Reformierten, Leipzig, 1902, S. 14ff., bewezen heeft, dat de XL Artikelen van de Discipline ecclésiastique, zooals J. Aymon (Synodes Nationaux des Eglises Réformées de France, Tom. I, 1710) ons die geeft als uitgevaardigd door de eerste nationale Synode van Parijs, in 1559, niet in dien vorm op die eerste Synode kunnen vastgesteld zijn, maar op zijn vroegst dateeren van het jaar 1563.
2) De Jong, a.w., bl. 8-9.

|187|

Aan den anderen kant evenwel heeft dit bewijs van zijdelingschen invloed van Calvijn op de oorsprongen van het Gereformeerd Kerkrecht alleen kracht, voor wie de Jong ook volgen wil in zijn mijns inziens ongemotiveerde bewering, dat „dit kerkverband der Fransche Gereformeerde kerken, dat geheel van Calvijn’s beginselen doordrongen was, ook voor onze vaderen tot spoorslag en model heeft gediend bij de voorbereiding en de constitueering van het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde kerken in de 16e eeuw.” 1)

Wat de Jong hier zegt, kan desnoods gelden voor de Synode van Emden van 1571; maar met betrekking tot het Convent van Wezel moet ik stellig bezwaar maken tegen zijn beschouwing, dat de Fransche Discipline ecclésiastique hier als model zou hebben gediend. Hoe ik mij de eigenaardige plaats van het Wezelsche Convent denk, in ’t bijzonder in zijn verhouding tot de Synode van Emden, zal aan het einde van deze studie eerst ter sprake kunnen komen. Aanvankelijk zal het mijn taak slechts zijn, mijn bezwaar tegen Dr. de Jong’s zienswijze kracht bij te zetten, door positief te betoogen, dat Calvijn’s Ordonnances ecclésiastiques, veel eerder dan de Fransche Discipline ecclésiastique, tot model hebben gediend voor de inkleeding van de acta van het Convent van Wezel.

 

Bij deze bewijsvoering heb ik op het eerste gezicht den schijn sterk tegen mij. De Wezelsche Artikelen beginnen na de inleidende woorden met een heel hoofdstuk: de Collegiis ac Provinciarum Classibus, 2) waarvoor in de Ordonnances van Calvijn in ’t geheel geen paralel te vinden is, omdat de kerk-orde van Genève, strikt genomen, slechts een plaatselijk karakter droeg. Dit eerste hoofdstuk van de Wezelsche Artikelen biedt daartegenover wel verscheidene punten van overeenkomst met de Fransche Discipline ecclésiastique, die ongetwijfeld een synodale regeling van het kerkverband met daarbij behoorende „meerdere vergaderingen” bevatte.

Waarschijnlijk heeft dit eerste hoofdstuk van de Wezelsche Artikelen er dan ook steeds toe bijgedragen, dat de onderzoeker niet verder zocht naar sporen van afhankelijkheid van Calvijn’s Ordonnances in deze Wezelsche acta, maar aanstonds reeds tot de slotsom geneigd bleek, dat onze vaderen te Wezel „natuurlijk” de Fransche kerkorde tot model hadden genomen.

Maar schijn bedriegt; en een voorbarige conclusie misleidt.


1) De Jong, a.w., bl. 9.
2) F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, ’s Gravenhage, 1889, bl. 9, en volg.

|188|

Wie het vergelijkend onderzoek van de Wezelsche Artikelen met Calvijn’s Ordonnances volhardend voortzet, zal niet te vergeefs naar een passage zoeken, die zóó merkwaardig met een gedeelte van Calvijn’s Ordonnances, al is het daar in een ander verband, overeenkomt, dat niet anders dan aan ontleening kan worden gedacht. Deze passage wordt ons uitgangspunt voor het geheele betoog: het is het gedeelte, waaraan ons eerst vage vermoeden, dat Calvijn’s proeve eener Gereformeerde kerkorde voor de praktijk van het leven, van directe beteekenis geweest is voor de oorsprongen van het Nederlandsch Geref. Kerkrecht, exact-historisch houvast krijgt en tot verdere nasporingen en stelliger uitspraken geprikkeld wordt.

Wat toch is het geval?

In Cap. VIII, §§ 14 en 15 van de Wezelsche Artikelen 1) vinden we twee lijsten van predikanten-zonden (de eerste lijst bevat het register van de onduldbare, de tweede dat van de vergeeflijke, maar niettemin strafbare zonden), die bijna letterlijk, ook wat de volgorde der overtredingen aangaat, overeenkomen met twee soortgelijke zonden-registers, die Calvijn ons in het stuk van zijn Ordonnances, dat over de dienaren des Woords handelt, opsomde. En waar wij hier te doen hebben met lijsten van tusschen de vijftien en twintig zonden, kunnen wij niet aannemen, dat hier uit het geheugen van de Geneefsche regeling wat is overgenomen, maar meenen zelfs uit deze frappante overeenkomst te mogen besluiten, dat Calvijn’s Ordonnances van 1561 ter tafel zijn geweest op het Wezelsche Convent; dat deze Ordonnances althans zijn geraadpleegd bij het opstellen van de concept-acta voor het Convent van Wezel.

Ten minste, indien deze zonden-lijsten blijkbaar niet ontleend kunnen zijn aan andere kerkenordeningen, die men te Wezel in 1568 kon raadplegen, en die dus zelf vóór dien reeds met behulp van Calvijn’s verordeningen voor het kerkelijk leven te Genève zouden kunnen zijn opgesteld.

Ik wil nu eerst de lijsten van predikanten-zonden volgens Calvijn’s Ordonnances èn volgens de Wezelsche Acta naast elkander stellen, om de treffende overeenkomst zoo sterk mogelijk te doen uitkomen. Daarna zal ik onderzoeken, of deze registers uit een der andere kerkenordeningen van vóór 1568 kunnen overgeschreven zijn.

Vervolgens zal ik hebben na te gaan, indien gebleken is, dat de bewuste zonden-registers aan Calvijn’s Ordonnances zijn ontleend, of er ook buitendien geen sporen van afhankelijkheid van


1) F.L. Rutgers, a.w., bl. 33-34.

|189|

Calvijn’s regelingen voor Genève zijn te ontdekken in de acta van het Wezelsche Convent.

Voorts wil ik op historische gronden trachten begrijpelijk te maken, dat Calvijn’s Geneefsche kerkenordening te Wezel als model kon gebruikt worden in 1568.

En eindelijk moet ik, bij wijze van conclusie uit mijn alsdan bewezen stelling van de afhankelijkheid van het Nederl. Geref. Protestantisme van den grooten Zwitserschen Hervormer bij het voorbereiden van het kerkverband, nog licht doen vallen op de eigenaardige positie van het Wezelsche Convent in de geschiedenis van het ontstaan van een Gereformeerd kerkverband hier te lande.

Les Ordonnances ecclésiastiques de 1561. 1)

De Wezelsche Acta van 1568 2)

Vertaling van den hiernevens gestelden Latijnschen tekst der Wezelsche Acta.

 

Cap. VIII

Hoofdst. VIII

Mais premierement est a noter, qu’il y a des crimes qui totalement sont intolerables en un Ministre:

(§ 14) Porro crimina quae in Ministris tolerari nequaquam debent ea fere sunt istius modi ...:

(§ 14) Voorts wat de zonden aangaat, die in predikanten volstrekt niet moeten geduld worden, die zijn ongeveer van dezen aard ...

et y a des vices qu’on peut aucunement supporter, moyennant qu’on en face admonitions fraternelles.

(§ 15 init.) Alterius vero generis crimina sunt quae tolerantur quidem, sed tamen reprehensioni ac censurae sunt obnoxia.

(§ 15, begin). Maar zonden van de tweede soort zijn zulke, die wel geduld worden, doch niettemin onderworpen zijn aan berisping en tucht ...

Les premiers sont,

(§ 17 init.) In coeteris vero fraterna admonitio ac lenis castigatio adhibebitur ...

(§ 17, begin). In de overige (zonden) evenwel zal broederlijke vermaning en zachtmoedige bestraffing aangewend worden.


1) Volgens de uitgave in het Corpus Reformatorum, Vol. XXXVIII, Pars prior (Joann. Calvini Opera quae supersunt omnia, ed. Baum, Cunitz, Reuss, Vol.. X, pars prior), Brunsvigae, 1871, 96-97.
2) Volgens de uitgave van Dr. F.L. Rutgers, in de Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, ’s Gravenhage, 1889, p. 33-34.

|190|

Heresie,

Haeresis;

Ketterij;

Schisme,

Schisma;

Scheurmakerij;

Rebellion contre l’ordre Ecclésiastique,

Manifestus ordinis ecclesiastici contemptus;

Klaarblijkelijke minachting van de kerkelijke orde;

Blaspheme manifeste et digne de peine civile,

Blasphemia manifesta et animadversione civili digna;

Openbare godslastering, die ook voor den burgerlijken rechter strafbaar is;

Simonie et toute corruption de presents,

Simonia;

Simonie;

Brigues pour occuper le lieu d’un autre,

Inhonestus ambitus ad alterius locum invadendum;

Oneerlijke kuiperij om ambtelijk in eens anders plaats te treden;

Delaisser son Eglise sans congé licite et juste vocation,

Desertio sui muneris suaeque ecclesiae sine legitimo consensu ac vocatione;

Het in de steek laten van zijn ambtsplichten en zijn gemeente zonder wettige toestemming of roeping;

Fausseté,

Crimen falsi;

Vervalsching;

Perjure,

Perjurium;

Meineed;

Paillardise,

Scortatio;

Ontucht;

Larrecin,

Furtum;

Diefstal;

Yvrognerie,

Ebriositas;

Dronkenschap;

Batterie digne d’estre punie par les loix,

Vis armata, omnisque vis correctione civili digna;

Wapengeweld, en alle geweldpleging die onder de burgerlijke strafwet valt;

Usure,

Foenus illicium;

Woeker;

Jeux defendus par lex loix et scandaleux,

Alea coeterique ludi inhonesti ac legibus interdicti;

Dobbelspel en andere oneerbare spelen, bij de wet verboden;

Danses et telles dissolutions,

Manifesta affectatio tyrannidis in ecclesiam et Collegas;

Openbaar drijven naar dwingelandij, over gemeente en collega’s;

Crime important infamie civile,
Crime qui meriteroit en un autre separation de l’Eglise,

Coeteraque alia ejus modi quae vel inurunt infamiam, vel separationem ab ecclesia in aliis merentur.

En overigens andere soortgelijke zonden, die het brandmerk der eerloosheid geven, of bij gewone gemeenteleden reeds afsnijding van de kerkelijke gemeenschap verdienen.

|191|

Les seconds,

(§ 15). Alterius vero generis crimina ...

(§ 15). Zonden van de tweede soort ...

Façon estrange de traitter l’Escriture, laquelle tourne en scandale,
Curiosité à cercher questions vaines,

Inanis questionum inutilium curiositas;
Aliena et affectata Scripturas pertractandi ratio quae scandalum pariat auditoribus; 1)

IJdele nieuwsgierigheid in nuttelooze vragen;
Vreemde en op effect berekende wijze van behandeling der H. Schrift, waardoor aanstoot gegeven wordt aan de toehoorders;

Avancer quelque doctrine ou façon de faire non receue en l’Eglise

Novi quippiam et quod sit prorsus inusitatum in ecclesiam pro libidine invehere;

Het uit zekere liefhebberij invoeren van nieuwigheden en ongewone gebruiken in de kerk;

Negligence à estudier, et principalement à lire les sainctes Escritures,

In studiis et Scripturarum lectione manifeste negligentem esse;

Openbaar verzuim van de studie en de lezing der H. Schriften;

Negligence à reprendre les vices, prochaine à flatterie,

In vitiis castigandis plus aequo remissum se praebere et adulationi quam proximum esse;

Zich onbehoorlijk slap betoonen in het bestraffen der zonden, en in zijn optreden bijna een pluimstrijker zijn ...;

Negligence à faire toutes choses requises à l’office,

In coeteris denique rebus quae officii sui sunt nimis esse lentum ac socordem;

Verder een al te groote traagheid en lakschheid in de overige dingen, die tot het ambt behooren;

Scurrilité,

Scurrilitas seu facetiae indecorae;

Hansworsterij, of onkuische geestigheden;


1) De Wezelsche acta laten op deze omschrijving nog een nadere verklaring volgen, die wij in Calvijn’s Ordonnances niet vinden, n.l.: qualis est eorum, qui vel suis speculationibus plus aequo indulgent, vel allegoriis intempestivis ludunt, vel denique aliena vel a scopo vel a dignitate scripturorum ad ostentationem ingerunt (d.i. zooals die eigen is aan hen, die of buitensporig toegeven aan hun eigen bespiegelingen, of willekeurig spelen met allegorieën zonder maat, of eindelijk dingen in hun prediking daarheen werpen, die strijdig zijn met het doel en de waardigheid der Schriften, en dat alleen om te pralen).

|192|

Menterie,

Mendacium,

Leugen;

Detraction,

Detractio sive maledicentia;

Iemand in zijn eer en goeden naam aantasten, of laster;

Paroles dissolues,

Sermones impuri;

Vuilbekkerij;

Paroles injurieuses,

Verba contumeliosa;

Schimpwoorden;

Temerité,

Temeritas;

Onbezonnenheid;

Mauvaises cauteles,

Dolus malus;

Booze list;

Avarice et trop grande chicheté,

Manifesta avaritia;

Openlijke gierigheid;

 

Ambitio et inanis gloriae cupiditas;

Eerzucht en begeerte naar ijdele roem;

Colere desordonnee,

Praeceps ac immoderata iracundia;

Opvliegende en onmatige toorn;

 

Dissidium in familia;

Huiselijke oneenigheid;

Noises et tanseries,

Odia et rixae;

Plagerijen en krakeelen;

 

Objurgationes plus aequo acres ac immoderatae;

Onmatig scherpe verwijten;

Dissolution indecente à un Ministre tant en habillemens, comme en gestes et autres façons de faire.

Omnis immoderatus luxus in habitu mensa coeterisque rebus qui verbi Divini Ministrum dedeceat;

Alle buitensporige weelde in voorkomen, tafelgerechten en verdere zaken, zooals ze een Dienaar des Woords niet betaamt;

 

Occulta affectatio imperandi ac tyrannidem in ecclesiam vel Collegas exercendi.

Bedektelijk drijven naar opperheerschappij en dwingelandij over gemeente of ambtgenooten.

Het komt mij voor, dat het geheel overbodig kan heeten, deze zonden-registers volgens Calvijn’s Ordonnances èn volgens de Wezelsche Artikelen heel lang naast elkaar te bestudeeren, om tot de conclusie gedrongen te worden, dat wij hier ontwijfelbaar zeker met lijsten te doen hebben, die onderling van elkander afhankelijk zijn. Er zijn wel verschilpunten tusschen de lijsten hier en daar, maar die zijn, vergeleken met de letterlijke overeenkomst over ’t geheel genomen, zelfs in de volgorde, zóó onbeteekenend, dat het hier inderdaad van toepassing wordt, dat de uitzonderingen onze stelling juist bevestigen.

Ik heb de afwijkingen van de twee lijsten in de Wezelsche

|193|

Artikelen met cursieve letter laten drukken, om het overzicht te vergemakkelijken.

Het voornaamste verschilpunt tusschen de registers der Wezelsche acta en die van Calvijn blijkt hierin gelegen, dat men te Wezel, zoowel in de opsomming van de onduldbare, als in die van de minder ernstige zonden, plaats heeft gegeven aan het signaleeren van het drijven naar tyrannie in de kerk van Christus en tegenover ambtsbroeders in de bediening des Woords. Als een der onduldbare zonden wordt in de Wezelsche acta dientengevolge van ,,manifesta affectatio tyrannidis” 1) gesproken op de plaats, waar Calvijn’s Ordonnances spraken van ,,danses et telles dissolutions.”

Vermoedelijk achtte men in de kringen van het Geref. Protestantisme in de Nederlanden het gevaar voor libertijnsche uitspattingen als die in Calvijn’s Ordonnances aangeduide minder ernstig als het gevaar voor tyrannieke heerschzucht onder predikanten. Dit is althans wel zeker, dat de Nederl. Gereformeerde Kerken blijkens vele bepalingen op verschillende synoden (te beginnen met de Zuid-Nederlandsche Synode te la Vigne, van Mei 1564) 2) nergens zoo bang voor waren als voor hiërarchale overheersching van de eene kerk over de andere, en van den eenen dienaar des Woords over den anderen. Trouwens, het ligt ook voor de hand, dat men met dit gevaar van tyrannie veel ernstiger moest gaan rekenen, zoodra het kerkverband niet meer één stad slechts met bijbehoorende dorpen en buurtschappen, gelijk in Genève het geval was, omvatte, doch zich uitbreidde over een geheel land, en daarmee het stelsel der „meerdere vergaderingen” moest doen opkomen.

De tweede lijst van berispenswaardige, maar tevens vergeeflijke zonden eindigt in de Wezelsche acta met de vermelding van de „occulta affectatio imperandi ac tyrannidis”, het streven naar heerschappij dus, dat nog niet openlijk aan den dag trad voor de gemeente als zoodanig. Ook deze overtreding van minder ernstigen aard gaat Calvijn met stilzwijgen voorbij. Zijn kerkverband droeg toch eigenlijk nog slechts een locaal karakter, en het getal predikanten, waar zijn Ordonnances regelingen voor troffen, was dientengevolge betrekkelijk klein.

Wat de overige verschilpunten tusschen de zonden-registers van de Ordonnances en de Wezelsche Artikelen aangaat, in de meeste gevallen is de afwijking van de acta van Wezel niet anders dan een nadere uitweiding en verklaring in verband met


1) D.i. openlijk drijven naar dwingelandij.
2) Verg. C. Hooyer, Oude Kerkordeningen, Zaltbommel, 1865, bl. 14, VI, 2.

|104|

den aard der gebrandmerkte domineeszonde. Een enkele maal geldt het een toevoeging, die uit bijzondere omstandigheden of bepaalde gebeurlijkheden op het gebied van het Nederlandsche Protestantisme moet verklaard worden: zoo b.v. de vermelding van de vis armata in de eerste lijst, en het dissidium in familia in de tweede lijst van het Wezelsche Convent.

Ook meen ik, dat er grond is voor het vermoeden, dat sommige afwijkingen in de Wezelsche zonden-lijsten eenvoudig zijn toe te schrijven aan vergissing of onzekerheid omtrent de beteekenis van den Franschen tekst der predikanten-zonden in de Ordonnances, waaruit de een of andere afgevaardigde te Wezel (waarschijnlijk wel de scriba) de zonden-registers voor de acta vertaalde en overnam.

Een dergelijke vergissing geloof ik ontdekt te hebben in de omschrijving van de voorlaatste „vergeeflijke” zonde volgens de Wezelsche acta. Hier geeft Rutgers den authentieken tekst van de Acta, die volgens hem zeer duidelijk is en bij niet één woord twijfel over de juiste lezing toelaat, 1) aldus weer: Omnis immoderatus luxus in habitu mensa coeterisque rebus qui verbi Divini Ministrum dedeceat, 2) Van dat mensa staat in Calvijn’s Ordonnances niets. Toch lijdt het geen twijfel, of dit woord stond wel in de Acta van Wezel, en ook wel zeer duidelijk. Het Latijnsche afschrift van de Wezelsche Artikelen, dat in het Wezelsche kerkelijk archief berustte, en voor het eerst in druk gegeven werd door L.J.F. Janssen in het Archief voor Kerkelijke Geschiedenis (Ve deel, blz. 426 v.v.; 1834), waaruit het in 1846 onveranderd werd overgenomen in de verzameling van A.L. Richter, die evangelischen Kirchenordnungen des 16ten Jahrhunderts, (Bnd. II, Weimar, 1846, S. 310 f.f.) bevat in ditzelfde verband ook het woord mensa. C. Hooyer nam in zijn Oude Kerkordeningen voor dat woord „mensa” met het kerkelijk Placaatboek in navolging van van Renesse’s oudste vertaling van de Wezelsche Artikelen 3) de uitdrukking „over tafel” op. 4)

En aangezien er nu toch heel weinig aanleiding is, om te gelooven, dat de predikanten in de Nederl. Geref. Kerken meer gevaar liepen Lucullussen te worden dan de Geneefsche Dienaren des Woords, komt het mij voor, dat wij hier te doen hebben met een vergissing ten gevolge van onzekerheid over de juistheid der vertaling van het Fransche woord habillemens.


1) F.L. Rutgers, a.w., bl. 7.
2) Voor de vertaling, zie boven.
3) F.L. Rutgers, a.w., bl. 2.
4) C. Hooyer, a.w., bl. 51.

|195|

Geschreven zonder t vóór de s aan het slot, lijkt de laatste lettergreep van dit woord toch wel bijzonder sterk op het Latijnsche mensa. Ik acht de meest plausibele verklaring van deze fout hierin te vinden, dat de bewerker van de Ordonnances van Calvijn, die van deze Geneefsche kerkorde dankbaar gebruik maakte voor de opstelling van zijn concept-acta voor het Wezelsche Convent omtrent de juistheid van zijn vertaling van het woord habillemens in twijfel verkeerd heeft. Hij gaf het weer met habitu, maar schreef waarschijnlijk in zijn concept tusschen de regels er boven het Fransche woord habillemens, dat hij niet nauwkeurig met „habitu” vertaald had. Dit kan heel gemakkelijk oorzaak geworden zijn van de vergissing, die bij de opstelling der officieële Wezelsche Artikelen insloop, toen men wellicht dat dubbele habillemens/habitu niet goed meer ontcijferen kon, en er habitu mensa uit las.

Is deze beschouwing niet al te gewaagd, dan blijf ik het mogelijk achten, dat ook andere z.g. afwijkingen in de Wezelsche zonden-registers van die uit Calvijn’s Ordonnances ten slotte alleen op vergissingen of vrije vertaling neerkomen. Zoo dunkt het mij niet geheel onwaarschijnlijk, dat degene, die de Ordonnances benut heeft met het oog op de Wezelsche acta ook de woorden „trop grande chicheté” in de lijst der „vergeeflijke” zonden niet juist heeft verstaan, en daarom uitbreidend sprak van „ambitio et inanis gloriae cupiditas”. Misschien is ook het „objurgationes plus aeque acres ac immoderatae” in deze zelfde lijst als een uitbreiding van de beteekenis van het Fransche „tanseries” in de Ordonnances op te vatten. Is het niet een bekend feit, dat de kennis van het Fransch bij vele predikanten en andere ambtsdragers der Nederl. Geref. Kerken in die dagen zeer gering was? Klaagt Petrus Dathenus b.v. niet ernstig in een brief aan den kerkeraad van Emden (24 Februari 1557) over het feit, dat hij als predikant der Nederl. Vluchtelingen-kerk te Frankfort zoo voor alles alleen staat, „om des wille dat de onze geen latijn en konnen, ja zelfs geen francoys; wanneer ich by der overheit, of met den duidschen predikanten, of ook met den dienaren der franschen kerken of der engelschen, wat verhandelen moet, zo vinde ick mij gansch en gaar alleene”? 1)

Hoezeer evenwel ook verscheidene afgevaardigden der Nederl. Geref. Kerken officieel hebben samengewerkt in de vaststelling van de Wezelsche acta, en er onder dezen ook wel een zeker percentage is geweest, dat met de Fransche taal onvoldoende of in ’t geheel niet op de hoogte was; ten slotte


1) Th. Ruys Jr., Petrus Dathenus, Utrecht, 1919, bl. 23.

|196|

is er toch maar één persoon voor de vergissingen in de vertaling van de zonden-registers der Ordonnances aansprakelijk te stellen; en dat is, naar mij hoogstwaarschijnlijk voorkomt, niemand anders geweest dan de tweede onderteekenaar der Wezelsche Artikelen, Herman Moded, die vermoedelijk als scriba van het Wezelsche Convent de concept-acta voor deze samenkomst heeft voorbereid en opgesteld. En wanneer ik derhalve straks in het rechte verband met historische aanwijzingen mijn hypothese omtrent den directen invloed van Calvijn’s Ordonnances voor de Wezelsche Artikelen zal pogen waarschijnlijk te maken, zal het dan ook mijn taak zijn nader toe te lichten, in hoeverre de historie mij in ’t gelijk stelt, waar ik in dezen vurigen Calvinistischen prediker Moded een niet al te groote kennis van het Fransch vermoed.

 

Doch vóór ik daartoe kom, zal ik eerst te bewijzen hebben, dat de bewuste zonden-registers in de Wezelsche acta niet via andere oude Kerkenordeningen uit Calvijn’s Ordonnances kunnen opgenomen zijn; en voorts, dat de overeenkomst tusschen de Wezelsche Artikelen en de Ordonnances van Calvijn niet tot de zonden-registers beperkt blijft.

Het eerste bewijs is niet moeilijk te leveren. Want er zijn maar twee oudere kerk-ordeningen, waaromtrent het vermoeden voor de hand ligt, dat zij op het Convent van Wezel als model zouden kunnen hebben gediend: de Londensche Kerken-ordening van a Lasco (1550) tezamen met Micron’s Christelijke Ordinanciën (1554) en de Fransche Discipline Ecclésiastique, die ik in den vorm der 40 Artikelen, waarin ze voor ons toegankelijk is gebleven, met von Hoffmann in 1563 dateer.

Wat er aan besluiten van de z.g. Zuid-Nederlandsche Synoden van 1563-1566 aan ons bekend gebleven is uit het Livre Synodal, door de Waalsche Synode van Middelburg in 1640 verzameld, 1) zijn immers niet meer dan korte uittreksels uit het verhandelde, waarbij ons inzake de kerkorde de sterke overeenkomst met de Fransche Discipline gedurig treft. Wel wordt er in deze Artikelen ook meer dan eens naar de adviezen van ,,ceux de Genève” verwezen. Doch wat er in voorkomt over de tucht over het leven der predikanten, verraadt geen spoor van invloed van de zonden-lijsten in Calvijn’s Ordonnances.

Ook kan er natuurlijk geen sprake van zijn, dat die bewuste zonden-registers uit de Ordonnances via bestaande kerkelijke


1) C. Hooyer, Oude Kerkordeningen, 1865, bl. 3.

|197|

verordeningen in het Neder-rijnsche land in de Wezelsche acta zouden zijn overgenomen. Wel laat zich uit het feit, dat Cornelius Walraven 1) als derde de Artikelen van Wezel heeft onderteekend, met waarschijnlijkheid afleiden, dat deze prediker uit het Kleefsche land, die waarschijnlijk in 1568 de Duitsche stadsgemeente van Wezel diende, op het Convent een positie van gewicht ingenomen heeft. Maar dezen organisator van de Kerken in het Neder-rijnsche land stond in geen geval een kerken-ordening ten dienste, waarin de zonden-lijsten van Calvijn’s Ordonnances reeds voorkwamen. Voor het Kleefsche land bestond er, voor zoover mij bekend is, alleen een Kleefsche kerken-ordening van 1535, in Erasmiaanschen geest, 2) die reeds om chronologische redenen niet in aanmerking komt, maar bovendien om hare reformatie-bedoelingen binnen het kader der oude Roomsch-katholieke Kerk voor de constituëering van het kerkverband der Nederl. Geref. Kerken volstrekt waardeloos was.

Zoo blijven derhalve alleen de Londensche kerkregeling volgens a Lasco’s Forma ac Ratio en Micron’s Ordinanciën 3) en de Fransche Discipline ecclésiastique voor ons onderzoek over. Van de laatste heb ik reeds in ander verband gezegd, dat ze op de voorbereiding van de Wezelsche acta, inzonderheid met betrekking tot de omschrijving van het synodaal-classicaal verband der verschillende kerken, van invloed is geweest; terwijl we in de bepalingen van de Waalsche Synoden onder het kruis de noodzakelijke tusschenschakel vonden, om dien invloed begrijpelijk te maken.

Maar dat daarnevens ook de Londensche kerkordeningen op de Artikelen van Wezel hebben ingewerkt, laat zich niet enkel a priori vermoeden, maar ook achteraf zeer stellig bewijzen. Ons vermoeden in die richting komt aanstonds op, als wij er ons rekenschap van geven, dat Petrus Dathenus als voorzitter het Wezelsche Convent heeft geleid, en Herman Moded hoogstwaarschijnlijk op deze samenkomst als scriba heeft gefungeerd. En nu heeft Petrus Dathenus zijn opleiding tot den dienst des Woords in Engeland gehad, en goeddeels aan a Lasco en Micron te danken. Wat wonder dus, dat Datheen in de Londensche


1) J. de Jong, a.w., bl. 130, en volg.
2) Afgedrukt in A.L. Richter, Die evangelischen Kirchenordnungen, u.s.w., Bnd. I, 1846, S. 212ff.
3) Over de onderlinge verhouding van deze beide geschriften, die geheel dezelfde hoofdstuk-indeeling hebben, zie Dr. M. Woudstra, de Hollandsche vreemdelingen-gemeente te Londen, gedurende de eerste jaren van haar bestaan, Groningen, 1908, bl. 85-89.

|198|

kerk-ordeningen uitnemend thuis was! Trouwens ook de inrichting en de liturgie van de Paltzische kerken, die Datheen geruimen tijd als predikant gediend heeft, leggen er overvloedig getuigenis van af, dat de Londensche kerk-regelingen ook op het vaste land — en dat mede door Datheen — in breeden kring groote waardeering vonden.

En wat Herman Moded aangaat, die was te Wezel tegenwoordig in zijn qualiteit van predikant der Nederlandsche (Vlaamsche) vluchtelingen-kerk te Norwich. Het spreekt vanzelf, dat ook voor dezen de Londensche regelingen groot gezag hadden.

Maar zelfs afgezien van de leden van het moderamen op het Wezelsche Convent, worden wij gedrongen grooten invloed aan de Londensche regelingen toe te schrijven op de besprekingen van deze samenkomst. Waren niet zeer vele vluchtelingen uit de Londensche gemeente, nadat Maria Tudor aan het bewind gekomen was, ten slotte na velerlei omzwervingen in Wezel aangekomen, waar ze bleven en in hun gemeenschappelijke godsvereering onwillekeurig leefden naar hun vroegere Londensche kerken-ordening, zooveel mogelijk was?

Het hoeft echter in dezen niet bij sterke vermoedens te blijven. Er zijn artikelen in de Wezelsche acta, die nergens anders hun oorsprong aan te danken kunnen hebben, dan aan de Londensche regelingen. Ik denk vooral aan het gebruik der profetie, waarover in de Artikelen van het Wezelsche Convent (cap. II, § 16, en volg.) in zulke termen gehandeld wordt, dat we niet aan de wetenschappelijke profetie in de Geneefsche Ordonnances, maar alleen aan de meer Zwingliaansch getinte, gemoedelijke regeling van a Lasco 1) vermogen te denken als model voor dit te Wezel voorgestelde instituut.

Bovendien herinneren de Wezelsche acta in sommige gedeelten (b.v. in de beschrijving van de plechtige voorbereiding der gemeenten op de keuze van een dienaar des Woords, cap. II, § 6, en volg.) zelfs in de woordkeuze sterk aan de Londensche regeling.

Wat echter alles afdoet, is, dat in de Wezelsche Artikelen meer dan eens van de „Kerkelijke ordinancien” sprake is, als van een reeds bestaande verzameling regelingen.

Want van de woorden in cap. IV, § 7 .... „staturos constitutionibus ecclesiasticis ac Synodalibus”, 2) moge het ook al met waarschijnlijkheid gelden, dat zij betrekking hebben op


1) Forma ac Ratio, cap. XII.
2) D. i.: dat zij zich zullen stellen onder de kerkelijke en synodale verordeningen ....

|199|

kerkelijke verordeningen, die nog vastgesteld moeten worden (de bijvoeging Synodalibus maakt deze opvatting vrij wel noodzakelijk!); in cap. II, § 12, waar den dienaar des Woords bij zijn bevestiging de belofte afgevergd wordt, dat hij zal onderhouden „receptas ecclesiae constitutiones”, 1) en ontwijfelbaar zeker in cap. VI, § 2, waar van den Doop gezegd wordt, dat hij bediend moet worden „forma usitata, et in ecclesiasticis constitutionibus expressa”, 2) kan slechts sprake zijn van reeds bestaande kerkelijke ordinanciën. En of men daarbij nu denkt aan de Christelijke ordinanciën van Micron, of aan de liturgie van Datheen, die in de Paltzische kerken gebruikelijk, maar ook in breederen kring snel verspreid was, doordat zij achter Datheen’s psalmberijming en den Heidelbergschen Catechismus was afgedrukt, 3) het komt toch altijd neer op de regelingen, zooals die in de Londensche vluchtelingen-kerk hadden gegolden.

Nu zou het volstrekt niet ondenkbaar zijn, dat in die Londensche regeling in het stuk van de tucht over dienaren des Woords ook de zonden-lijsten van Calvijn’s Ordonnances reeds waren overgenomen. A Lasco zelf verklaarde in de opdracht van zijn Forma ac Ratio immers, dat hij als modellen de Geneefsche en de Straatsburgsche regelingen volgde. 4) De Geneefsche regeling is natuurlijk die van de Ordonnances ecclésiastiques van den grooten Zwitserschen Hervormer.

Toch is er nergens in de Londensche regeling een spoor van de bewuste zonden-lijsten te ontdekken, noch in de eerste hoofdstukken der Forma ac Ratio of der Ordinanciën van Micron, die over het ambt der predikanten handelen, noch in cap. XXVII, dat van de straf der dienaren des Woords spreekt, als zij zich in leer of leven komen te misgaan.

Het is derhalve uitgesloten, dat de zonden-registers van de Ordonnances via de Londensche kerkregeling in de Wezelsche Acta gekomen zijn.

Maar het is bij nader onderzoek evenzeer uitgesloten, dat die lijsten via de Fransche Discipline ecclésiastique in de Wezelsche


1) D.i.: de reeds aanvaarde regelingen der kerk.
2) D.i. overeenkomstig de ordening, die gebruikelijk werd, en uitdrukking vond in de kerkelijke regelingen. Verg. ook cap. IV, § 13, waar voor het Avondmaal eveneens naar de kerkelijke constitutiones verwezen wordt.
3) C. Hooyer, a.w., bl. 31.
4) A.A. van Schelven, de Nederduitsche Vlucbtelingenkerken der XVIe Eeuw in Engeland en Duitschland, enz., ’s Gravenhage, 1909, bl. 80.
Het kan niet ontkend worden, dat er daarnaast nog andere bronnen geweest zijn voor de Londensche regeling. Von Hoffmann (a.a.O., S. 1 ff.) wijst terecht op den invloed van Oost-Friesche gebruiken en Luthersch-Melanchtoniaansche en Zürichsch-Zwingliaansche factoren.

|200|

Artikelen een plaats zouden gekregen hebben. Want in de XL Artikelen 1) van die Discipline komen ze al evenmin voor. Van Calvijn’s bemoeiingen met Frankrijk zal een ieder zich wel overtuigd houden; ook wel van den Calvinistischen stempel van de Fransche kerken-ordeningen der 16e eeuw; 2) dat sluit echter niet in, dat Calvijn’s Ordonnances direct tot voorbeeld gediend hebben. Zoowel de 40 Artikelen van de Fransche kerkorde, die Aymon ons als de oudste overleverde, als de besluiten van daarop volgende Synoden, die nog vóór het Wezelsche Convent gehouden werden, en daarom voor de opstelling der acta zouden kunnen gebruikt zijn, maken sterk den indruk van een geheel zelfstandige bewerking van verschillende gegevens van Calvijn’s kerkrechtelijk program. 3) In ieder geval vinden wij geen zonden-registers der Ordonnances overgenomen, noch in de Discipline der 40 Artikelen, noch in de Artikelen van de Fransche Nationale Synoden, tusschen de jaren 1563-1567 gehouden. 4)

De eenige kerk-ordening van het Gereformeerd Protestantisme van vóór 1568, waarin ik de zonden-registers van Calvijn’s Ordonnances, hoewel met aanzienlijke wijziging, vooral in woordkeuze, opgenomen vond, is de „Churfürstlicher Pfaltz Kirchen-Raths Ordnung” van het jaar 1564. 5) Onder den titel ,,von Straf der Kirchen- und Schuldiener” worden daarin eerst „grobe und unleidliche Laster”, en daarna andere ,,Falie und Mangel” opgesomd, duidelijk naar het schema van de Geneef-sche Ordonnances. Afgezien echter van de geringere waarschijnlijkheid, dat deze kerkorde van keurvorst Frederik van de Paltz in Wezel tot voorbeeld zou gediend hebben, kan vastgesteld worden, dat de zonden-lijsten der Wezelsche acta veel frappanter overeenkomen met de lijsten in de Ordonnances, dan met de zonden-registers van deze Paltzische kerk-orde. Een rustige vergelijking der betreffende stukken zou dat al ras aan ’t licht brengen, maar mag ons in dit verband niet langer ophouden.

Wij mogen nu dus concludeeren, dat de zonden-registers van de Wezelsche Artikelen alleen aan Calvijn’s Ordonnances


1) Verg. J. Aymon, Tous les Synodes nationaux des Eglises réformées de France, etc., Tome I, la Haye, 1710. De artikelen XXI-XXIII handelen over de tucht over de dienaren des Woords.
2) De Jong, a.w., bl. 12, en volg.
3) Lechler, Geschichte der Presbyterial- und Synodalverfassung, u.s.w., Leiden, 1854, S. 73ff.
4) J. Aymon, o.c., I, p. 32, etc.
5) Verg. A.L. Richter, a.a.O., II, S. 276 ff.

|201|

kunnen ontleend zijn, en dat de over ’t geheel letterlijke weergave van die Geneefsche zonden-lijsten noodzakelijk dwingt tot de opvatting, dat een exemplaar van Calvijn’s Ordonnances (van 1561) heeft voorgelegen en is gebruikt bij de voorbereiding en opstelling der acta van het Wezelsche Convent,

Nu vinde de vraag eerst een antwoord: of ook buiten die zonden-lijsten treffende overeenkomst tusschen de Artikelen van Wezel en Calvijn’s Ordonnances is te bespeuren.

In het eerste hoofdstuk, waarin over het Synodaal-presbyteriale kerkverband gehandeld wordt, zal die overeenkomst niet moeten gezocht worden. Hier kon Calvijn’s kerkregeling voor Genève en omgeving geen paralellen bieden. Merkwaardig is het echter, dat aan het slot van het eerste hoofdstuk der Wezelsche Acta (in § 11) zoo duidelijk de overgang naar de aansluiting aan Calvijn’s Ordonnances kan worden aangewezen.

De laatste alinea van deze 11e paragraaf begint (editie Rutgers, blz. 12) aldus: Cum enim quatuor potissimum ministerii ordines in ecclesia authoribus Apostolis proponantur, Ministrorum nimirum, Doctorum, Seniorum et Diaconorum .... 1) Niemand zal hier de overeenkomst met Calvijn’s Ordonnances kunnen loochenen, die onmiddellijk na de inleiding aldus beginnen: Premierement il y a quatre ordres ou especes d’offices, que nostre Seigneur a institué pour le gouvernement de son Eglise: assavoir les Pasteurs, puis les Docteurs, apres les Anciens, quartement les Diacres 2).

In het tweede hoofdstuk de Ministris et Doctoribus is er bij de bespreking van de vocatio (§ 1) en het examen (§ 7) van den Evangelie-dienaar ook onmiskenbare overeenkomst te bespeuren met de Ordonnances, terwijl tusschen § 1 en § 7 in, ook niet weinig herinnert aan de Londensche regeling.

Directe invloed van Calvijn’s Ordonnances komt voorts zelfs in de woordkeus aan den dag in de omschrijving van de beloften, die de te bevestigen dienaar des Woords heeft af te leggen voor de gansche gemeente (Wezelsche Acta, cap. II, § 12, verg. met Calv. Opera, X, Ordonn. eccl., 95). Eigenaardig licht valt er door deze vergelijking van Cap. II, § 12, der Wezelsche Acta met de overeenkomstige passage van de Ordonnances op de woorden „observaturum receptas ecclesiae constitutiones”, die wij reeds te voren ter sprake brachten.


1) D.i. want aangezien er in de Kerk bij voorkeur vier ambts-orden naar de instelling der Apostelen moeten afgekondigd worden: de predikanten, de doctores, de ouderlingen en de diakenen ....
2) Corp. Ref., Calv. Op., X, pars I, 93.

|202|

De opsteller van de concept-acta voor het Wezelsche Convent was hier blijkbaar druk met het raadplegen van zijn Geneefsche voorbeeld, en had daaruit reeds de in ditzelfde verband voorkomende belofte van te onderhouden „les ordonnances Ecclésiastiques" vertaald, vóórdat het recht tot hem doordrong, dat hij voor het kerkverband van Ned. Geref. kerken toch wel wat duidelijker mocht maken, welke „ecclesiae constitutiones" hij bedoelde. De in de Ordonnances onmiddellijk volgende woorden „[les ordonnances Ecclésiastiques] .... ainsi qu’elles ont esté passées par le petit, grand et general Conseil de ceste Cité, .... brachten hem tot zichzelf, en maakten hem voor het vervolg weer onafhankelijker van zijn model. Zoo moesten natuurlijk de derde en de vierde van de beloften van den te bevestigen dienaar des Woords, die in de Ordonnances van onderworpenheid aan de stedelijke overheid van Genève gewaagden, komen te vervallen.

De omschrijving van het ambt der predikanten evenwel, die in de Wezelsche Acta een plaats vonden in Cap. II, § 13, komt weer heel sterk overeen met de Ordonnances, waar dadelijk in den aanvang na de opsomming der vier ambts-orden het werk der „Pasteurs” beschreven wordt. Ik moge volstaan, met het begin dezer passages even naast elkander te stellen:

Calvijn’s Ordonnances
van 1561.

De Wezelsche Acta
van 1568.

... Quant est des Pasteurs, que l’Escriture nomme aussi aucunesfois Surveillans, Anciens et Ministres: leur office est d’annoncer la parole de Dieu ...

Ministrorum enim, quos et Pastores et Episcopos, nonnumquam etiam Seniores seu presbyteros vocat Scriptura, munus potissimum versari in verbo Dei annunciando ... 1)

Ook deze frappante overeenkomsten kunnen uit geen andere kerkorde als tusschenschakel verklaard worden.

In § 14 van de Wezelsche Artikelen ging de opsteller van dit concept bij de bespreking van de Doctores ac Prophetae, op de lijn der Londensche regeling over; en hoewel in de behandeling van het ambt der ouderlingen en diakenen wel


1) D.i. het ambt nu der dienaren des Woords, die de H. Schrift ook Herders en Opzieners, en nu en dan ook ouderlingen of presbyters noemt, is wel hoofdzakelijk, bezig te zijn in de verkondiging van het Woord Gods.

|203|

weer trekken zijn te ontdekken, die aan de Geneefsche Ordonnances Ecclésiastiques herinneren, 1) komt de afhankelijkheid van deze ordeningen van Calvijn toch pas weer zeer nadrukkelijk aan het licht in het VIIIe Hoofdstuk, „de Disciplina”, waarin bij het onderwerp: de tucht over predikanten, de draad van Calvijn’s Ordonnances in de uiteenzetting van het predikantenambt weer opgevat wordt. En wel met de duidelijke overname van de twee zonden-registers. Dit feit van de gedeeltelijke zelfstandigheid tegenover de Geneefsche regeling schijnt de aannemelijkheid van mijn hypothese afbreuk te doen, maar behoeft toch geenszins als zoodanig uitgelegd te worden. De opzet van het geheel der Ordonnances met hare onderstelling van op Genève berekende omstandigheden, en daarbij de gevestigde practijk in vele Nederl. Geref. Kerken, drongen er toe, bij vele regelingen en voorschriften in afwijking van de Geneefsche Ordonnances met door gewoonte geijkte opvattingen van ambtsvervulling, eeredienst enz. te rekenen.

Zonder thans dus tot in bijzonderheden de vergelijking van de Wezelsche Acta met Calvijn’s Ordonnances te willen voortzetten, tot het einde toe, mag uit het gevondene toch wel afgeleid worden, dat de opsteller van de concept-acta van het Wezelsche Convent deze Geneefsche regelingen benut en gevolgd heeft, voor zooveel hem dit de voor de Nederl. Geref. Kerken gansch andere omstandigheden en de in ons Protestantisme successievelijk ingeburgerde kerkelijke regelingen 2), toelieten. Wanneer derhalve in het voorwoord bij de Wezelsche Artikelen wordt medegedeeld, dat vóór de opstelling van de verschillende hoofstukken dezer Acta „geraadpleegd werd met de best gereformeerde kerken”, kunnen wij er van verzekerd zijn, dat met deze woorden in de eerste plaats op de kerk van Genève gezinspeeld wordt met de in haar geldende Ordonnances.

 

Maar nu zijn er voorts nog verschillende historische aanwijzingen te geven, waarmede ik mijne beschouwingen nader steunen kan.

In de eerste plaats is het belangrijk om in verband met het „consultare”, het raadplegen, waarvan in het voorwoord der Wezelsche Artikelen gesproken werd, op te merken, dat uit de gemeenteraads-notulen van Genève duidelijk blijkt, dat Calvijn’s Ordonnances in 1561 juist in druk gegeven werden, om tot voorlichting van „andere volkeren” te dienen. In de buitengewone


1) C. Hooyer, a.w., blz. 30, wees er reeds op.
2) A.A. van Schelven, a.w. blz. 78, v.v. toonde aan, hoe de Londensche regeling uit de practijk geleidelijk opkwam.

|204|

Raadszitting van 11 November 1561 immers werd besloten: „que de trois ans en trois ans (les editz ecclesiastiques) soient lus en conseil general et que chacun jure de les observer, aussi a ce quilz puissent servir a linstruction dautres peuples et pour tesmoignage de nostre reformation quon les doibge imprimer” 1).

Wat hadden Calvijn en de kerk van Genève niet tallooze malen van advies moeten dienen op aanvraag van andere Gereformeerde kerken! En natuurlijk betrof het dan ook heel vaak kwesties van kerk-ordening, die wezenlijk met de overhandiging van een exemplaar der Geneefsche Ordonnances konden worden beantwoord.

Hieraan knoop ik mijn tweede aanwijzing uit de historie vast.

In Maart 1568 werd Herman Moded, predikant bij de Hollandsche vluchtelingengemeente te Norwich, met Carolus de Brune door de kerk van Norwich naar Genève gezonden 2} om advies inzake de twisten 3), in de Londensche gemeente ontstaan. Ik sluit mij bij het door de Jong 4) uitgesproken vermoeden aan, dat Moded gedurende deze reis naar Zwitserland de gelegenheid heeft waargenomen, om met de dienaren van de Paltz, in het bijzonder met Datheen, den lateren voorzitter van het Wezelsche Convent, voorloopige besprekingen te houden over het saamkomen in een niet-officiëele kerkvergadering van afgevaardigden der verschillende groepen van Nederl. Gereformeerden, teneinde allengs tot een vaste, algemeen-geldige kerkorde te geraken. Hoe zullen juist Moded en zijn mede-afgevaardigde uit Norwich het uitnemende belang van een welgeordend kerkverband gevoeld hebben bij de dreigende scheuring tusschen de gemeenten van Londen en Norwich, waaraan geen superintendent van Londen iets verhelpen kon! En wat ligt nu meer voor de hand, dan dat Datheen ook aan Moded verzocht heeft, die eerlang te houden samenkomst zoo goed mogelijk voor te bereiden, door ook o. a. vast concept-artikelen voor een te formeeren Nederl. Geref. Kerkverband op te stellen? 5) In Genève zouden hem daartoe de


1) Calv. Oper., X, p. 1, 93, note. Op de Raadsvergadering van 13 November wordt weer over de noodzakelijkheid van de publicatie der Ordonnances gesproken, .... „non seulement affin quentre nous ilz soient tant mieux observez, mais aussi que ce soit comme ung luminaire auquel toutes les eglises edressees en la reformation crestienne puissent prendre exemple” ....
2) J. de Jong, a.w., blz. 121.
3) Over die z.g. Wingensche twisten, verg. A.A. van Schelven, a.w., blz. 152, en volg.
4) J. de Jong, a.w., blz. 121.
5) Ik ben het geheel met de Jong, (a.w., blz. 64, aanm. 2) eens, dat de omvangrijke Wezelsche artikelen niet staande de vergadering zullen ➝

|205|

allerbeste gegevens ten dienste gesteld kunnen worden. Het spreekt vanzelf, dat Moded, in de stad van Calvijn vertoevend, in de gemeente naar Calvijn’s Ordonnances ingericht, en vervuld van vurig verlangen naar een vaste kerkorde voor de Nederlandsche Gereformeerden 1] ook die regelingen van de Geneefsche kerk, inmiddels in druk verschenen, ernstig bestudeerd heeft, er mede naar dit model de concept-acta voor het te houden Convent heeft ontworpen.

Op zijn terugreis van Genève 2) heeft Moded de vergadering te Wezel in het begin van November 1568 bijgewoond, en daar als scriba gefungeerd. Hij was daartoe ongetwijfeld als degene, die tot voorloopige besprekingen den stoot gegeven, en het samenzijn op allerlei wijs voorbereid had, de aangewezen man. Als tweede onderteekende hij dan ook, onmiddellijk na Petrus Dathenus, de Wezelsche Artikelen. Na het Wezelsche Convent is Moded hoogstwaarschijnlijk met de bewaring van het autographon van de Wezelsche Artikelen belast geworden, en is dit document door hem spoedig daarna meegenomen naar Norwich, waar het vermoedelijk een plaats kreeg in het archief van de Nederduitsche vluchtelingen-kerk daar ter plaatse 3).

Dat Moded’s naam overigens ten nauwste verbonden is met het ontstaan der Wezelsche Artikelen wordt ook nog treffend aangewezen door de groote overeenkomst tusschen de Constitutiones van de kerk van Norwich, door Prof. van Schelven ontdekt in de bibliotheek van het Gonville and Cains College te Cambridge, en de Wezelsche Artikelen. Dr. van Schelven plaatst deze in het Latijn gestelde kerk-ordening van de Hollandsche Gemeente te Norwich na 1568 en vóór 1571 4)


➝ zijn opgesteld, maar vooraf zijn geconcipieerd, en daarna ter vergadering besproken en geamendeerd.
1) Dat verlangen is Moded bijgebleven, wat duidelijk blijkt uit twee brieven van zijn hand aan de Nederd. Gemeente te Londen van Oct. 1571, en Mei 1572, afgedrukt achter in Dr. B. van Meer’s dissertatie: De synode van Emden, 1892.
2) Zoo neem ik aan met Hessels en Fruin, tegen de Jong, wiens gevoelen, dat Moded eerst nog weer naar Norwich teruggereisd is, mij onwaarschijnlijk voorkomt, verg. de Jong, a.w., blz. 121, aanm. 2.
3) Vg. A.A. van Schelven, het Autographon van het Convent te Wezel, in: Nederl. Archief voor Kerkgeschiedenis, Dl. IX, afl. 2, blz. 183.
Over de waarschijnlijke lotgevallen van het autographon der Wezelsche acta daarna zie men ditzelfde artikel.
4) A.A. van Schelven, Engelsch Independentisme en Hollandsch Anabaptisme, in: Nederl. Archief voor Kerkgeschiedenis, Dl. 17, blz. 108, en volg.

|206|

dus in den tijd, dat Herman Moded als predikant aldaar zich uiteraard zal beijverd hebben, althans zijn gemeente in hoofdzaak naar de bepalingen van Wezel in te richten.

Zoo blijkt Moded de man van het initiatief vóór het Convent van Wezel, de ontwerper van de Artikelen dier vergadering eveneens, en bovendien ook de eerste, die ernstig poogde de artikelen van Wezel als kerkrechtelijk program in toepassing te brengen; wat zoo verwonderlijk niet is, gezien zijn groote invloed op het Wezelsch Convent. Hij is de geestelijke vader van deze Artikelen: wat wonder, dat hij kort na dien er een bijzonder zwak voor toont in zijn gemeente te Norwich?

 

Maar is Moded nu ook de man — en hier ga ik tot mijn derde historische aanwijzing over, — die verantwoordelijk kan gesteld worden voor vergissingen in het weergeven van de zonden-registers der Ordonnances, die zouden voortvloeien uit geringe vertrouwdheid met de Fransche taal? Ik geloof, dat er gegevens zijn, die hier een bevestigend antwoord waarschijnlijk maken.

Natuurlijk ontken ik niet, dat Moded Fransch kende; maar ik meen wel te mogen zeggen, dat hij er geen meester in was. Uit Zwolle geboortig 1), was hij een echte Noord-Nederlander. Later als geleerde en geestelijke te Keulen resideerende, leefde hij ook daar niet in een Fransch milieu. Behalve zijn moedertaal zijn Latijn en Duitsch de talen geweest, waarin hij het gemakkelijkst converseerde en schreef. Ook zijn verblijf in Denemarken, waar hij tegen het einde der vijftiger jaren van de 16e eeuw als hofprediker van koning Christiaan III en rector bij de Universiteit werd aangesteld 2), bewijst daar niets tegen. In de cultuurgeschiedenis van Denemarken behoort immers dit tijdvak zeer nadrukkelijk nog, zooals de Denen zeggen, tot de „tyske Periode”, het Duitsche tijdperk.

In de zestiger jaren vinden wij Herman Moded geruimen tijd als rondreizend vurig hageprediker in de Zuidelijke Nederlanden: maar dan voornamelijk toch in het echte Vlamenland. En wij kunnen uit de bronnen aantoonen, dat hij speciaal de man


1) Over Herman Moded’s leven spreekt de Jong uitvoerig op blz. 112, en volg., van zijn dissertatie. Ik behoef hier niet op de bijzonderheden in te gaan; ook niet op de kwestie der persoonsverwisseling met een anderen Herman Strijcker, door Dr. Fruin aan de orde gesteld.
2) Verg. Moded’s Apologie ofte Verantwoordinghe, blz. 33, afgedrukt achter in het proefschrift van G.J. Brutel de la Rivière, Het leven van Hermannus Moded, Haarlem, 1879.

|207|

was voor de Nederlandsch sprekende bevolking. Meer dan eens blijkt hij vergezeld te wezen van een collega-prediker, die meer in ’t bijzonder het evangelie zal hebben te verkondigen aan de Waalsche groepen der bevolking. Zoo predikte hij b.v. te Zevekote bij Gent eens tezamen met doctor Marmy, die volgens Brutel de la Rivière waarschijnlijk dezelfde was als „Meester Jan Micheus, geleerd in verscheyde Taelen.” 1) In Antwerpen stond Moded in die jaren algemeen bekend als „de opperste Duytsche predikant.” 2)

En vindt mijn gedachte, dat Moded geen meester in het Fransch was, ook niet eigenaardig steun in het feit, dat deze in Augustus 1566, toen er te Antwerpen een plechtige verklaring, in ’t Fransch gesteld, moest worden overhandigd aan Burgemeesters en Raad van de Scheldestad, naar aanleiding van een valsche betichting inzake den beeldenstorm, zoo bescheiden op den achtergrond bleef, en zijn makker Taffin dit bewuste adres het eerst onderteekenen en bij het overreiken er van het woord voeren liet, hoewel toch eigenlijk Moded de hoofdfiguur was? 3)

 

Ik kom thans aan het einde van mijn opstel. Indien ik mijn stelling bewezen mag achten dat het Nederlandsch Gereformeerd Protestantisme bij het voorbereiden van het kerkverband in bijzondere mate afhankelijk is geweest van Calvijn’s Ordonnances, komen wij dientengevolge in de noodzakelijkheid te verkeeren, aan het Wezelsche Convent een eigenaardige plaats en een zelfstandige beteekenis toe te kennen midden tusschen de Zuid-Nederlandsche Synoden van 1563-1566, en de Synode van Emden in.

Wij moeten breken met de beschouwing, dat het Wezelsche Convent in de geschiedenis van onze Nederlandsche Gereformeerde Kerken een geleidelijk overgangsstadium beteekend heeft, van de Waalsche Synoden onder het Kruis naar de Synode van Emden.

Wie de artikelen van die Zuid-Nederlandsche Synoden eens doorbladert, b.v. in de uitgave van Hooyer's Oude Kerkordeningen, moet het aanstonds reeds opvallen, hoe herhaaldelijk deze met kleine letter onder de Artikelen overeenkomst met de Acta van Emden aanwijst, en hoe veel minder vaak, en


1) Brutel de la Rivière, a.w., blz. 31.
2) Brutel de la Rivière, a.w., blz. 29; verg. ook blz. 30, waar Moded en „een jonge Fransche Minister” samen genoemd worden; op blz. 38 Moded en Jean Taffin.
3) Brutel de la Rivière, a.w., blz. 42-44.

|208|

minder verrassend, overeenkomst met de Wezelsche Artikelen daarin te bespeuren valt.

Uit de Wezelsche Artikelen blijkt niets van het ernstig pogen, om zich zoo nauw mogelijk bij de bepalingen van de Zuid-Nederlandsche Synoden aan te sluiten.

Maar naar den anderen kant hapert er ook kennelijk wat aan het natuurlijk verband tusschen de Wezelsche Artikelen en de Acta van Emden. Het is al herhaaldelijk opgevallen, dat de Acta van de Synode van Emden met geen woord van de Wezelsche Artikelen reppen, en dat de punten van overeenkomst tusschen beide stukken zoo zeldzaam zijn 1), en de gansche opzet van beide documenten zoo verschillend is.

Dit merkwaardige verschijnsel treft te meer, als men bedenkt, dat de vergaderingen te Wezel en te Emden nauwelijks drie jaren na elkander gehouden werden met eenzelfde doel, n.l. om te komen tot een vast kerkverband in de Nederl. Geref, Kerken volgens de kerkrechtelijke beginselen, die reeds tegelijk met de belijdenis van Guido de Bray waren aanvaard. Dit verschijnsel blijft opmerkelijk, ook al constateeren wij met nog zoo grooten nadruk, dat te Wezel maar een officieuze samenkomst van kerkelijke personen gehouden werd, terwijl te Emden in 1571 een wettige Synode vergaderd was.

Het ontbreken van deze geheel vanzelf sprekende verbindingslijn tusschen Wezel en Emden dunkt mij dan ook niet voldoende verklaard met de opmerking van Dr. F.L. Rutgers in zijn rede over de Geldigheid van de oude Kerkenordening (1890), blz. 10: ,,En nu heeft men later dat [Wezelsche] ontwerp wel weer laten rusten, daar het niet slechts veel te uitvoerig was, maar ook in de formuleering aan zijn oorsprong en bedoeling beantwoordde. Maar het werk is toch voortgezet op denzelfden grondslag, toen men tot formeele vaststelling komen kon”.

Bijster duidelijk en bevredigend is deze argumentatie niet. De reeds meermalen uitgesproken gedachte, dat er zekere rivaliteit moet bestaan hebben tusschen den geest van het Wezelsche Convent en de stemming op de Synode van Emden, laat zich door die volzinnen van Dr. Rutgers niet terugdringen.

Zoowel Hooyer 2) als Fruin 3) hebben de stelling van een


1) Men zou kunnen wijzen op acta Emdana, art. 5, naast de Wezelsche Artikelen, cap. III, 2; en op acta Emd., artt. 19-21, naast de Wez. Artt, cap. VI, 3, 15. Doch de laatste overeenkomst is weinig zeggend, daar hier de overeenstemming in de bespreking van de gebruiken bij Doop en Avondmaal uit een vaststaande practijk kan worden verklaard.
2) C. Hooyer, a.w., blz. 59, en volg.
3) Dr. R. Fruin, in Archief voor Nederl. Kerkgeschiedenis, onder ➝

|209|

klaarblijkelijke rivaliteit tusschen de beide kerkvergaderingen verdedigd. Beiden zochten de oplossing van het raadsel in dezelfde richting: op het Wezelsche Convent zou veel ,,rekkelijker” strooming bovengedreven hebben, dan te Emden, waar de Calvijnsch-Fransche gestrengheid den boventoon voerde. Hooyer sprak bovendien ergens 1) het vermoeden uit, dat de meerdere gemoedelijkheid van het Wezelsche Convent toe te schrijven zou kunnen zijn aan het groote contingent viri politici op deze samenkomst, wier gematigdheid meestal die van predikanten overtrof. En te Emden waren de predikant-leden der Synode zeer verre in de meerderheid.

Het vergelijkend onderzoek, dat wij instelden, tusschen de Wezelsche Artikelen en Calvijn’s Ordonnances, heeft nu, naar mijn meening, ook gegevens aan den dag gebracht, die nieuw licht werpen op het probleem van de verhouding van Wezel en Emden.

De rivaliteit tusschen beide vergaderingen mag niet geloochend worden; de verklaring er voor moet evenwel in andere richting gezocht worden dan Hooyer en Fruin ons wilden doen gelooven.

Het is een dwaling, om den geest van Bullinger en a Lasco, die te Wezel den toon zou aangegeven hebben, uit te spelen tegen de strenge consequentie-drang van Calvijn. Wij hebben gezien, hoe juist op het Wezeler Convent de invloed van Calvijn’s Ordonnances sterk gewerkt heeft. En gezien de vóórgeschiedenis van het Convent, zooals wij die niet zonder waarschijnlijkheid vermoed en geschetst hebben, mag aan den gezaghebbenden invloed van Datheen en Moded, beiden onverdachte Calvinisten, op het Wezelsche Convent, niet worden getwijfeld.

Het is evenzeer een dwaling, om de doorwerking van Calvijn’s geest in de Nederlanden via de Fransche Gereformeerde Kerken te leiden. Wel heeft Hooyer 2) volkomen gelijk, als hij op de nauwe aansluiting wijst van de Acta van Emden met de Kerkenordening van het Fransche Protestantisme. Art. 1 van de Emdensche Artikelen is aanstonds al een echo van de de Fransche Discipline ecclésiastique. Ik geloof met Hooyer, dat de Fransche kerkordening ,,op de synodale tafel te Emden


➝ redactie van Acquoy en Rogge, Deel V, blz. 1-46, over: „De voorbereiding in de Ballingschap van de Gereformeerde Kerk van Holland”, en in Dl. VI, blz. 391-394, Naschrift.
1) a.w., blz. 29.
2) a.w., blz. 60, en volg.

|210|

geweest is. Menig artikel is er aan ontleend. Ook in het aanhangsel, waarin uitvoeriger dan in de kerkordening zelve over de inrichting der classen en der provinciale en generale synoden gehandeld wordt, vinden wij nachgebildet, wat in de Fransche kerk reeds van 1559 af was ingevoerd. Zelfs zijn ook daar enkele artikelen der eerste synode van Parijs woordelijk overgenomen.”

In de Artikelen 2 en 3 van de Acta Emdana drukte de Synode bovendien al heel duidelijk haar begeerte uit, om zich zoo innig mogelijk met de Fransche Gereformeerde Kerk te verbinden. De broederen besluiten zelfs, om behalve de Nederl. Geloofsbelijdenis ook de Fransche geloofsbelijdenis te onderteekenen, „ad testandum cum Ecclesiis Regni Galliae consensum et conjunctionem,” 1) en spreken de verwachting uit, dat omgekeerd ook de broeders in Frankrijk hetzelfde zullen willen doen!

Er is voorwaar wel reden om toe te stemmen, dat de vergadering te Emden „op de Fransche leest was geschoeid” (Hooyer).

Maar dat wil niet zeggen, dat wij via de Fransche Reformatie het Calvinisme ontvangen hebben. Calvijn’s directe invloed op de oudste Fransche Kerkenordening was veel geringer dan die van zijn Ordonnances op de Artikelen van Wezel. Er is ons een brief van Calvijn aan De Morel, van 17 Mei 1559, bewaard gebleven 2), waarin Calvijn niet zonder eenige ontstemming opmerkt, dat hij gaarne eerder bericht omtrent de uitgeschreven eerste Parijsche Synode gewenscht had, daar hij dan misschien goeden raad had kunnen geven. En waar nu tevens uit een antwoord van De Morel aan Calvijn blijkt 3), dat de zaak der „disciplina ecclesiastica” reeds haar beslag had gekregen in de eerste drie dagen der Synode, vóórdat de door Calvijn toegezegde broeders uit Genève met hun adviezen tegenwoordig waren, staat wel vast, dat Calvijn’s invloed op de oudste Fransche Kerkenordening alleen zijdelingsch kan geweest zijn.

Er is geen grond voor de gelijkstelling van Fransch-Gereformeerd met zuiver-Calvinistisch, tegenover een rekkelijk-Bullingeriaansch Convent van Wezel, dat niet-Calvinistisch zou geweest zijn.

De oorzaak der rivaliteit tusschen Wezel en Emden ligt


1) D.i. om uiting te geven aan het besef van overeenstemming en saamhoorigheid met de Kerken van het Gallische Rijk.
2) Geciteerd door de Jong, a.w., blz. 13.
3) Aangehaald eveneens bij de Jong, a.w., blz. 15.

|211|

elders. Ze ligt niet in de min of meer precieze houding tegenover de belijdenis, of Calvijn’s kerkrechtelijke beginselen. Ze ligt alleen in de nationaliteit. In Emden zijn de specifiek-Nederlandsche factoren teruggedrongen. Het Walendom heeft er getriomfeerd. Dat komt in de positie der verschillende Synodeleden uit. Het moderamen der Synode wordt uit Zuid-Nederlandsche Fransch-gezinden geformeerd. De Noord-Nederlander Herman Moded is onder de onderteekenaren der Acta naar de vierde plaats afgezakt, terwijl hij drie jaar te voren in Wezel zoo domineerde. De indruk laat zich nauwelijks terugdringen, dat hij te Emden stelselmatig buiten de verschillende commissiën gehouden wordt 1).

In de maanden van voorbereiding van de Emdensche Synode blijkt er ook aan zuiver-Nederlandschen kant niet zoo heel veel animo te zijn voor de beraamde Synode, waar „alle de gemeynten der Nederlanden tot éénen lichaeme” ingelijfd zouden worden, toen men merkte, waar het op aanging; hoezeer het komende kerkverband het Fransch-Waalsche cachet zou gaan dragen. In een belangrijk schrijven van de beide kerken van Keulen aan den Prins (22 Aug. 1571) werd deze dringend verzocht, zijn invloed te willen aanwenden, opdat „de Hollandsche natie” haar verzet tegen een algemeene Synode mocht laten varen 2). Is het te ver gezocht, dit aanvankelijk verzet van de Nederlandsche gemeenten onder ’t kruis (want die zullen vooral wel onder „de Hollandsche Natie” te verstaan zijn) 3) toe te schrijven aan een groeiende kloof tusschen de Nederlandsche en de Waalsche nationaliteit in het Gereformeerd Protestantisme hier te lande? Zeker, Moded, de man van het Wezelsche Convent, was ook op de Synode van Emden tegenwoordig, met verschillende anderen, die eveneens de vergadering van Wezel hadden bijgewoond. Maar zij hebben het niet kunnen keeren, dat te Emden de lijn van het Wezelsche Convent werd losgelaten.

Ik kan mij alleen voorstellen, dat Moded nochtans bleef meewerken, en in de overheersching van de Fransche discipline in de vastgestelde Artikelen der Synode heeft berust, omdat hij zoo vurig verlangend was naar het tot stand komen van een kerkverband tusschen alle Nederlandsche Gereformeerde


1) G.J. Brutel de la Rivière (a.w., blz. 87) heeft reeds met verwondering opgemerkt, dat Moded te Emden buiten allen commissorialen arbeid bleef.
2) Vg. Dr. van Meer, a.w., blz. 114-118.
3) Dr. Fruin, Archief, Dl. V, blz. 34-35, wil slechts aan de Hollandsche uitgewekenen te Emden gedacht hebben.

|212|

Kerken. Zóó is het ook te verklaren, dat hij zich vinden liet tot het schrijven van een aanmoedigenden brief naar de Nederduitsche vluchtelingenkerk te Londen, om toch de regelingen van Emden te aanvaarden, al waren er geen Engelsche afgevaardigden ter Synode geweest. Dat Moded dezen brief namens de Emdensche vergadering naar Londen schreef, hoewel hij noch scriba, noch assessor op die Synode geweest was, is bovendien een merkwaardige aanwijzing te meer voor de juistheid van mijn opvatting. Men zal te Emden vermoed hebben, dat Moded als echte Nederlander geschikter was, om de gevoeligheden van de Nederlandsche broederen te Londen weg te nemen, dan Jean Taffin, die de opdracht kreeg, zich tot de Waalsche vluchtelingengemeente in Engeland’s hoofdstad te richten! 1)

 

Door al deze en dergelijke overwegingen, die — ik ben er zeker van — met verschillende andere zouden kunnen worden vermeerderd, zoodra men de geschiedenis van de Nederl. Protest. Kerken der 16e eeuw nader wil gaan bezien bij dit gezichtspunt van onmiskenbare wrijving tusschen Nederduitsche en Waalsch-Fransche volksbestanddeelen, is het voor mij komen vast te staan, dat de eigenaardige beteekenis van het Wezelsche Convent tusschen de Zuid-Nederlandsche Synoden van 1563-1566 en de Synode van Emden van 1571 in, en vrijwel los van beide, moet gezocht worden in het ernstig pogen, dat daar bleek volgens de onderteekende Artikelen, om het echte Calvinisme van Calvijn zelf bevruchtend te verbinden met de nationaal-Hollandsche gedachten, beschouwingen, gebruiken en reeds door gewoonte geijkte praktijken, om zóó te verkrijgen een zuiver Nederlandsch-Gereformeerd Kerkrecht.

In de richting tot dat schoone doel was de Synode van Emden minstens een stap achteruit, door haar sterk uitkomend Waalsch-Fransch cachet. Ik durf niet beweren, dat die stap achteruit enkel schade beteekende. Waarschijnlijk was een doorgaande ontwikkelingslijn van het Wezelsche Convent uit om historische oorzaken onmogelijk. De Zuidelijke Nederlanden waren ook in hun Waalsch volksdeel voor den voortgang van de Reformatie der 16e eeuw van de grootste beteekenis.

Maar sinds dat geheel anders werd, komt er aanleiding tot de vraag, of het voor de ontwikkeling van ons nationaal-kerkelijk leven niet wenschelijker zou zijn geweest, indien het Gereformeerd kerkrecht zich had had kunnen ontplooien uit de zaadkiemen van het Wezelsche Convent.


1) Verg. Dr. van Meer, a.w., Bijlage B.