2
5,194-201
01-05-1876

|194|

Een en ander.

 

Hoe de Gereformeerde Kerk der vaderen een Nederlandsch Hervormd kerkgenootschap werd.

II.

Dat koning Willem I en zijne mannen alle geldelijke ondersteuning, aan de oude, van de Kerk zelve uitgaande, organisatie in Classes, Provinciale Synoden enz. geweigerd hadden, en de geestelijken door ruime bezoldiging aan de Regeering hadden verplicht, hebben wij reeds aangewezen, alsmede dat de „verlichte” woordvoerders in de Kerk volkomen op de hoogte waren van de nieuwe organisatie-plannen, die de koning dacht in te voeren, en waarbij de oude orde van zaken geheel op zij zou worden gezet. Men was natuurlijk wijs genoeg, om niet met veranderingen

|195|

in de leer der Kerk te beginnen, want dat kon verkeerd gewerkt hebben. Daarbij de verlichting was immers reeds tot de meeste harten en kansels doorgedrongen. Des gevorderd, verklaarde men veeleer, dat men geen plan had aan de leer der Kerk iets te veranderen. Alleen het bestuur en de versletene inrichting der Kerk — als of die wat de hoofdlijnen aangaat niet evenzeer als de leer in Gods Woord waren voorgeschreven en van de Kerk zelve moesten uitgaan — zouden voor nieuwe plaats maken. En gelijk men voorzichtig genoeg ws, de door den koning benoemde corporaties en besturen met de oude kerkelijke namen van Synodale, Provinciale en Classicale te doopen, verzweeg men natuurlijk ook, dat men door alle wetgevende, besturende en rechtsprekende macht der Kerk in de handen dezer nieuwe corporaties overtebrengen, door middel der ingevoerde reglementen reeds in beginsel over de leer beslist had.

Reeds den 26 april 1814 had de voormalige Commissaris-Generaal van den soevereinen Vorst voorgesteld, dat deze de oude classicale en provinciale vergaderingen niet meer zou doen samenkomen, maar zelf een (zoogenaamde) algemeene Synode zou samenstellen, door en met welke dan alles op den nieuwen voet kon geregeld worden. Den 14 Mei kwam dit voorstel in handen van den Raad van State, die het wel wat al te radicaal vond. De Kerk kwam dan weer onder een vreemde oppermacht, waarvan men gedurende de Fransche overheersching zooveel afkeer had betoond; zulk een Synodale macht zou niet strooken met den aard der Herv. Kerk; de rust des lands kon er door worden in gevaar gebracht; er was dus geen waarborg dat zulk eene Synode gematigd genoeg in zake de leer zou zijn — eene vrees, die niet alleen tamelijk overbodig bleek, maar die ook den achtergrond schijnt aan te wijzen,

|196|

waaruit de bedenkingen vooral voortvloeiden; — en het was ook de vraag of art. 139 van de Grondwet ’s Vorsten bemoeingen met de kerkgenootschappen wel verder dan tot finantieële schikkingen gedoogde. Alle dergelijke bedenkingen werden door den Raad van State geopperd, en den Vorst geraden, indien deze toch aan de Kerk wat wilde veranderen, dat hij een consuleerende (raadgevende) commissie zou benoemen, samengesteld „uit eenige bijzondere verlichte leeraars der Hervormde Kerk in de onderscheidene provinciën en andere kundige lidmaten der Hervormde gemeenten.” Al deelde de Vorst al die bezwaren niet, hij vond echter het voorstel van een consuleerende commissie toch niet ongeraden. Men durfde haar evenwel nog niet samenroepen, of in ’t openbaar laten vergaderen, weshalve men besloot in stilte voort te gaan.

De Secretaris van Binnenlandsche zaken stelde den koning voor, „om de leden eener commissie bij geheim besluit te benoemen, teneinde men met dezelve afzonderlijk, in vertrouwen, briefwisselen, of door onderling gesprek handelen konde. Op die wijze zouden de werkzaamheden kunnen worden voorbereid zoo, dat, wanneer de tijden daartoe gelegener mochten geoordeeld worden, een samenroeping der commissie geschieden, en deze hare werkzaamheden in weinige zittingen voltooien konde.” Dit voorstel nam de koning aan 28 Mei. Elf heeren (natuurlijk „verlichte”) werden tot leden dier Commissie gekozen, nl. de HH. Donker Curtius, pred. te Arnhem, W.L. Krieger, pred. te ’s Hage, W. Broes, pred. te Amsterdam, A. van Deinze, pred. te Middelburg, C. v.d. Leeuw, pred. te Utrecht, N. Lobry, pred. te Leeuwarden, C. Fransen van Eck, pred. te Deventer, D. Hendriksz, pred. te Groningen, J. de Jongh, pred. te ’s Hertogenbosch, G. Benthem Reddingius, pred. te Assen en D. Delprat, pred. bij de Waalsche gem. te ’s Hage.

|197|

Na onderhandeling met sommige leden dezer commissie had de Secretaris van Staat voor Binnenlandsche zaken een „Algemeen Reglement voor het bestuur der Herv. Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden” ontworpen, dat met eene memorie van toelichting over den grondslag, waarop het gebouw zou worden opgetrokken, aan al de leden werd toegezonden, met verzoek er hunne op- en aanmerkingen aan toe te voegen en het daarna terug te zenden. Dit geschiedde.

Bij een aanschrijving van 9 Oct. 1815 werd den leden der Commissie kennis gegeven, dat het Concept-Reglement met het oog op de ingekomen adviezen nogmaals was omgewerkt, en dat ze op den 25 dezer te ’s Gravenhage verzocht werden samen te komen. De consuleerende Commissie kwam en hield haar eerste zitting van 25 Oct. tot 4 Nov. 1815. De Secretaris van Staat presideerde. Al de leden teekenden het ontworpen Algemeen Reglement, hetwelk daarop aan den koning ter bekrachtiging voorgelegd, en door dezen, na nog eerst met een drietal leden van den Raad van State geconfereerd en eenige wijzigingen aangebracht te hebben, op den 6 Jan. 1816 geteekend werd.

Met de bekrachtiging, invoering en aanvaarding van dit Reglement was de stervensure voor de oude Christelijke Gereformeerde Kerk der vaderen geslagen. Zij werd in een Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap gemetamorphoseerd. Kwamen tot dus ver, zooals volgens Gods Woord behoort, de verordeningen en besturen in de gemeente des Heeren van het verheerlijkt Hoofd der Kerk door of uit de gemeente, dus van onderen naar boven, in het nieuwe genootschap kwamen ze nu van den aardschen koning door zoogenaamde synodale, provinciale en classicale besturen, (allen creaturen van den koning) dus van eene vreemde macht boven de Kerk tot haar naar beneden. Dus

|198|

hoe nu ook deze machine van Staatskerkelijke wettenmakerij in het vervolg werkt, doet minder ter zake, nu men haar oorsprong maar kent. Elk, die een gezond en bijbelsch begrip van Kerk en Kerkregeering heeft, zal zien, dat zulk een organisatie met haar bestuur, van geheel vreemde natuur, niet kan worden verbeterd of gereformeerd, maar dat ze, met heel den aankleve van die, eenvoudig moet worden opgeheven en plaats maken voor eene uit den boezem der gemeente zelve voortgekomene.

Om den lezer evenwel eenig begrip van de nieuwe organisatie te geven, kunnen we niet veiliger doen, dan hier letterlijk te laten volgen wat A. Ypey en I.J. Dermout hierover schrijven. De laatste was de door den koning benoemde Secretaris der Synode, „... De belangrijkste punten in dat reglement zijn de volgende:

„Het bestuur der Hervormde kerk werd synodaal, provinciaal, klassikaal en gemeentelijk uitgeoefend. Alle hervormde kerken in het koninkrijk, zoowel Waalsche, Presbyteriaansche en Schotsche als Nederduitsche, behooren tot het zelfde geheel, en zijn onder het zelfde gemeenschappelijk bestuur geplaatst. Het hoogste kerkelijke bestuur is opgedragen aan de Synode. Elk provinciaal kerkbestuur, gelijk ook de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken, benoemt uit zijn midden één lid tot het bijwonen der eenmaal ’s jaars in ’s Gravenhage te houden Synode op den eersten Woensdag in Hooimaand en volgende dagen. In de synode heeft bovendien zitting als lid, één ouderling of oud-ouderling, door de provinciale kerkbesturen bij beurtwisseling te benoemen.

Insgelijks wordt door elke Theologische fakulteit op de drie hoogescholen, te Leyden, te Utrecht en Groningen uit haar midden een hoogleeraar benoemd, om de Synode, als praeadviseerende leden bij te wonen, zonder echter

|199|

eene stem te hebben tot het nemen van besluiten. De voorzitter wordt jaarlijks voor iedere synodale vergadering door den koning benoemd. De Synode heeft een vasten secretaris uit de predikanten van ’s Gravenhage en een vasten quaestor uit de ouderlingen of oud-ouderlingen van Amsterdam. Beide worden door den koning benoemd. De Synode is belast met de zorg voor de algemeene belangen der Hervormde kerken, en in het bijzonder voor alles wat den openbaren godsdienst en de kerkelijke instellingen betreft. De Synode staat in een onmiddellijk verband met het ministeriëel departement voor de zaken van den Hervormden eeredienst. — De leden van de onderscheidene classikale ressorten, en wel voor elke classis één predikant, door (en hier lette men wel op, want deze besturen kozen gelijk we zooeven zagen de Synode. Red.) den koning benoemd, en voor één der classen, bij jaarlijksche beurtwisseling, een ouderling of oud-ouderling. De vergaderingen van dit bestuur worden gehouden driemaal ’s jaars, op de eerste Woensdagen van Bloeimaand, Oogstmaand en Wijnmaand. Hetzelve beslist alle verschillen, welke bij de classikale besturen, of tusschen dezelve mochten ontstaan. Hetzelve verleent de toelating tot den predikdienst, oefent de kerkelijke tucht, (doch deze nemen ook hun oorsprong uit dit vreemde door den koning gedolven kanaal. Red.) ontzet, wanneer de zaak zulks vordert, predikanten en kandidaten van hunne waardigheid, welke daarna, als zoodanig, niet weder kunnen worden aangenomen, en zorgt voor de kerkelijke weduw-fondsen van zijne provincie. — De kerken onder elk provinciaal kerkbestuur worden verdeeld in classen. Elk lid van het provinciaal kerkbestuur neemt den post van voorzitter bij zijn classikaal bestuur waar, hetwelk bestaat uit eene Commissie van eenige

|200|

predikanten, ouderlingen en oud-ouderlingen van het classikaal ressort, die door den koning benoemd worden. Het Klassikaal bestuur houdt zijne vergaderingen op den laatsten Woensdag van Louwmaand, Bloeimaand, Hooimaand, Herfstmaand en Slachtmaand. Dit bestuur zorgt voor de belangen der kerken in zijn ressort, en houdt toevoorzicht over de gemeenten. Ook behartigt hetzelfde de belangen van predikanten, weduwen en weezen in zijn ressort.”

Tot zoo ver Ypey en Dermout. Dl. IV, p. 659-661.

Het nieuwe Algem. Reglement met heel zijne organisatie, werd werkelijk ingevoerd. Al de leden van bovengenoemde „Consuleerende Commissie” werden, benevens J.J. Scholten, pred. te Breda en A. Goedkoop, pred. te Gent, tot leden der nieuwe Synode door Z.M. den koning benoemd. De hoogleeraren J. van Voorst, H. Rooyaards en H. Muntinghe, van de theol. faculteiten Leijden, Utrecht en Groningen, dienden met praeadvies. Als ouderling werd nog benoemd J. van Leeuwen uit Arnhem, tot president Ds. W.L. Krieger, tot secretaris Ds. I.J. Dermout, en tot quaestor, d.i. opziener over de algemeene kerkelijke kas, F. Tayspil Jansz., ouderling te Amsterdam. Natuurlijk allen door den koning benoemd.

De oude classicale en provinciale vergaderingen kwamen op bevel des konings niet weer samen, of gingen op dit hoog bevel tot ontbinding over. Schier alle gemeenten en classen lieten zich de nieuwe organisatie zonder eenig tegenspreken welgevallen. Of de Kerk dan niet door den koning en zijne mannen gedwongen werd? Ja, even als een meisje, dat wel verleid wil wezen, gedwongen medegaat om door een slechten guit hare eer te laten rooven. Wie nu lust heeft en er kans op ziet, make uit, wie van beide de meeste schuld heeft aan het treurige feit, dat de eerbare maagd een schandelijke hoer werd.

|201|

Onze hervormde vrienden hebben het, vooral in later tijd, laten voorkomen alsof Willem I en zijne handlangers, die men dan usurpateurs enz. noemde, hier alleen de schuldigen waren, en de Kerk, geheel tegen haar wil, deze nieuwe organisatie met al hare zoo fijn gemaasde netten van kerkelijke reglementen over het hoofd hebben gehaald. Dit is geheel eenzijdig en onwaar, gelijk we hebben aangetoond. De Kerk, ja iedere gemeente accepteerde deze nieuwe organisatie, onderwierp zich dadelijk en onderwerpt zich nog, tot op dezen dag, aan hare wetten.

Of er dan niemand tegen pruttelde? Zeker werd dit gedaan, doch over het algemeen bepaalde zich deze tegenspraak tot enkele personen, die deswege met niet zeer eervolle titels werden begroet. De Classis Amsterdam echter — eere wien eere toekomt — heeft hare stem tegen dezen staatskerkelijken kerkmoord verheven.

In een volgend nummer zullen we D.V. zien hoe ze hare bezwaren, zoowel tegen de herkomst als tegen den aard dezer nieuwe organisatie en wetten heeft kenbaar gemaakt, en met welk gevolg.