2
4,147-154
01-04-1876

|147|

Een en ander.

 

Hoe de Gereformeerde Kerk der vaderen een Nederlandsch Hervormd kerkgenootschap werd.

 

Het is de oude en bekende tactiek des duivels, onder geëerde en goede namen, nieuwe en slechte zaken in de wereld te brengen. Naarmate nu de menschen oppervlakkiger zijn en zich, in stede van met de werkelijkheid en feiten, met namen en klanken te vreden stellen, gelukt hem dit des te gemakkelijker.

Deze tactiek leerde hij ook zijn dienaren gebruiken in ’t begin dezer eeuw, toen de tweemaal verstorvene Kerk der vaderen ook ontworteld werd en misvormd in het thans bestaande Nederl. Herv. kerkgenootschap van 1816, creatuur van koning Willem I en zijne geestverwanten. Men behield ook toen voor de nieuwe zaak gedeeltelijk nog den ouden titel, waardoor het onkundige volk in den waan werd gehouden, dat er niet zooveel bijzonders gebeurde; men bleef ja toch „Hervormd” en dat verschilde met „Gereformeerd” toch ook zoo veel niet! Voorzoover het volk iets van het op nieuw organiseeren der Kerk tet weten kwam, liet het zich over ’t algemeen gerust stellen met de leugenachtige verzekering, dat door al die veranderingen toch aan de leer der Kerk niets veranderd werd. Het algemeen stelde daarenboven in die leer, die men niet eens meer kende, weinig of geen belang, en zeer velen haatten ze reeds met een zeer grooten haat. Daardoor kon schier zonder slag of stoot gebeuren wat

|148|

gebeurd is. Dat er zich enkelen, b.v. de classis Amsterdam, eerst nog tegen verzet hebben, is bekend en zullen we later aantoonen.

Zie hier in enkele trekken de geschiedenis.

De Gereformeerde kerk was in de 18e eeuw op het kussen van doode orthodoxie ingesluimerd, en alzoo voorbereid geworden voor allerlei dwalingen. Het nieuwe licht, in Frankrijk en Duitschland opgegaan, dat in eerstgenoemd land tot de bekende omwenteling van 1795 heeft geleid, begon ook in ons land allerwege door te breken. was vroeger de kerkelijke grond in ons land al doorweekt met de alles doordringende wijsbegeerte van Cartesius en Spinoza, en waren zoo voor en na in sommige stellingen van de Cocceanen, die o.a. den Sabbath schaduwachtig en dus onder ’t N.T. afgeschaft rekenden, van Balthasar Bekker, die het bestaan des duivels loochende, van Pontiaan van Hattem, die de zonde noodig keurde, van Jean de Labadie, die eene Kerk van louter heiligen dacht te stichten, van Roël, die het Goddelijk Zoonschap van Christus ontkende, enz. enz., bedorvene en wilde uitspruitsels op dien akker der Kerk aanschouwd, deze allen waren maar beuzelingen bij den grooten stroom van ongeloof en dwalingen, die met het naturalisme, rationalisme en deïsme de vaderlandsche Kerk binnen vloeide.

Het nieuwe licht met zijn „vrijheid, gelijkheid en broederschap,” scheen spoedig van de meeste kansels. Die het tegenstonden waren: „dompers,” „nachtlampen,” „formulierknechten,” „catechismuskinderen” en wat niet al. Dat de Fransche denkbeelden, die allerwege diepe wortelen schoten, van zelve den weg bereidden voor de Fransche heerschappij, is niet te verwonderen. De Franschen werden dan ook spoedig met vlag en wimpel binnen gehaald, toen de Nationale Conventie, die in Frankrijk het bewind

|149|

voerde en alle koningen en vorsten voor hare „natuurlijke vijanden” hield, op verzoek van de Nederlandsche patriotten zelven, den 1e Febr. 1795 aan den Stadhouder der Nederlanden den oorlog verklaarde. De Prins van Oranje moest het land verlaten. Ons land werd eerste eene zoogenoemde Bataafsche Republiek, en later een deel van het Fransche keizerrijk. Het ging in de Kerk niet beter dan in den Staat, al bleven er hier en daar altijd nog enkelen over, die de knieën voor den nieuwen Baäl niet wilden buigen.

Het dansen met de Fransche broeders, „onze bevrijders van de tiranny,” om den vrijheidsboom, ging echter spoedig over. Men zag weldra dat de nieuwe regeering, die allerwege dure oorlogen voerde, en millioenen bij millioenen schats uit ons land trok, ons volk toch eigenlijk niet veel gelukkiger, ja zelfs arm en berooid maakte. Weldra kwam men tot de ontdekking, dat men onder al die leuzen van vrijheid en verlichting, de dwingelandij had binnen gehaald. Jammer, dat men over ’t algemeen, bij het weer op nieuw sympathiseeren met de verlaten staatsregeling en ’t weggejaagde Oranjehuis, ook op godsdienstig en kerkelijk gebied niet terug keerde tot den God en de Kerk der vaderen. Dit deed men over ’t algemeen niet. De liberale denkbeelden waren te diep en te algemeen doorgedrongen, vooral in de harten van verre de meeste leeraars en kerkelijke personen, dan dat men zich niet met algemeenheden zou hebben tevreden gesteld. Wel waren de fondamenten der Kerk, hoezeer door vele leeraars en leden bespot en overtreden, door de Kerk zelve tot nogtoe niet verworpen. Had de Kerk dat gewild, zij zou vóór 1816, de spotters en godslasteraars nog hebben kunnen uitwerpen. Doch de rechtzinnigen waren verre de minsten in getal, en de meerderheid wilde niets minder dan dat.

|150|

Wat Ds. W. Schortinghuis in 1740, en wat Ds. Appelius in 1764 van het loslaten van de leer der waarheid schreef, was al zoo treurig karakteristiek, dat laatstgenoemde in zijn „De nuttigheid van de kennis der Evangelische waarheid” enz. bladz. 14 v.v., zich aldus deed hooren:

„Dewijl de ongerechtigheid vermenigvuldigd wordt op aarde, zoo ziet men, dat de liefde niet alleen jegens ons zelven en den naaste, maar ook jegens God en Zijne waarheid in den hoogsten trap verkoudt. Het getal van die verstandelooze twijfelaren, die in de grootste dwaasheid hunne hoogste wijsheid stellen, die niet alleen met Pilatus vragen: „wat is waarheid?” maar die ook de stoutheid hebben, om de waarheid openlijk op het smadelijkst te bespotten, wordt dagelijks grooter en stouter! ... want zij, die den geopenbaarden godsdienst ontkennen, ondermijnen, en door het licht, dat ze van de waarheid geborgd hebben, bestrijden, en daarbij openlijk belijden, dat men zalig zal worden, wanneer men God alleen naar het natuurlicht dient, zijn in een eigenlijken zin van het Christendom tot het Heidendom afgevallen.”

En wij zeggen: „o brave Appelius, gij hadt de latere tijden en vooral ook onze dagen eens moeten beleven, hoe zoudt ge dan wel hebben geoordeeld.” Hij die den heerschenden geest van die en later dagen wil kennen, leze de werken van Bilderdijk, de „Bezwaren tegen den Geest dezer eeuw,” van da Costa, en Molenaars „Adres aan mijne Hervormde landgenooten.” Doch — om verder te gaan — is ’t wonder dat, waar wel het Fransche staatsjuk maar niet de Fransche beginselen werden verworpen, wel de Fransche soldaten werden weggejaagd, maar niet het Fransche rationalisme werd vaarwel gezegd, dat de totale sloping der zoo lang gesmaadde en gescholdene „Kerk van Dordt” werd voorbereid? Waar men het „oude dwangbuis zoo moede

|151|

was, en u bij de ontzachelijke verlichting der 19e eeuw de „versleten schoenen van Dordt” niet meer dragen wilde, daar was maar één stoot, maar een drieste greep noodig, om het oude „geraamte” op zij te zetten en voor goed te doen instorten. Die greep, die stoot, waardoor de oude Christelijke Gereformeerde kerk van hare eeuwen heugende grondslagen gerukt werd, geschiedde in 1816 door koning Willem I, in vereeniging met de heerschende partij in de Kerk.

Willem, die met zijn vader Willem V het land had moeten verlaten, was door de Nederlanders terug geroepen, en, terwijl de Franschen het hazenpad kozen, den 21 Nov. 1813 te Scheveningen aangekomen, had den 2 Dec. daarop de soevereiniteit over deze landen, te Amsterdam aanvaard, en was den 29 Maart daaraanvolgende als koning der Nederlanden ingehuldigd. — De nieuw vorst, onder den invloed der nieuwere denkbeelden opgevoed, was en geheel ander man dan zijn vader. Werkzaam en doordrijvend als hij was, heeft hij op uitwendig gebied veel zaken tot stand gebracht, waarvoor de nakomelingschap dankbaar mag zijn. Dat hij na op ’t gebied van het krijgs-, rechts- en schoolwezen ingrijpende maatregelen genomen te hebben, onder goedkeuring en met behulp van de „verlichte” woordvoerders in de Kerk, ook deze ging organiseeren en tot een zoogenoemd „Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap” vervormen, geheel geschoeid op den leest van een weredlsche vennootschap of maatschappij, dat was een greep, waartoe hij noch bevoegd noch genoodzaakt was.

Was de Prins den 21 Nov. in ’t land gekomen, reeds den 1 Dec. benoemde het Algemeen bestuur, dat voorloopig de zaken regelde, in naam van den Prins, zekeren Hendrik van Stralen, tot commissaris generaal van binnenlandsche zaken. In den lastbrief van dezen commissaris

|152|

generaal kwam (art. 7) o.a. ook het navolgende voor:

„De commissaris gen. zal zorg dragen dat de eeredienst, het hooger en lager onderwijs, de kunsten en wetenschappen enz., nevens verdere vakken tot de binnenlandsche zaken behoorende, bij voorraad beheerd blijven op den vorigen voet, immers zoo verre zulks met de tegenwoordige orde van zaken bestaanbaar is.” Dat van binnenlandsche zaken werd weer in onder-commissariaten verdeeld. Dat voor kerkelijke zaken werd eerst door van Stralen en (8 Maart 1814) door den soevereinen vorst opgedragen aan zekeren Jansen, die ook door Napoleon tot dergelijke arbeid was gebezigd. Door van Stralen was reeds in Dec. 1813, in naam van den soevereinen vorst, een aanschrijven aan alle kerken en gezindten gezonden, om ten spoedigste in te zenden, opgaven van het personeel der in bediening zijnde leeraren en bestuurders in de gemeenten, en om voortaan van alle veranderingen, die er in voorvielen, onmiddellijk kennis te geven. In dezelfde maand vaardigde de vorst nog eene verordening uit, waarin o.a. ook de bepaling voorkwam: „dat geene beroepingen van predikanten der Herv. Kerk, en van zoodanige leeraars van andere genootschappen als toelagen uit ’s lands kas genoten, voortaan zou kunnen geschieden, dan na vooraf verkregen toestemming van den generalen commissaris, op wiens voordracht eene gevraagde goedkeuring op de vervolgens gedane beroeping door den vorst zou kunnen worden verleend.” Vooral verplichtte Willem I de leeraars aan zich door zich zoo uitermate voor hunne bezoldiging te intresseeren. Daar Napoleon zich hierover niet bekommerd had, en velen ook van de gemeenten niet genoeg ontvangen hadden, waren er enkelen, die evenals de leden hunner gemeente, kommervolle dagen hadden doorgebracht. Op raad van den gevatten Jansen werd bepaald, dat de

|153|

tractementen van de godsdienstleeraars uit ’s lands kas zouden betaald worden.

Ook de aard der zaak bracht mede,” (zeggen Ypey en Dermout, die overigens met de nieuwe organisatie zeer zijn ingenomen, in hun Gesch. der Ned. Herv. Kerk dl. IV, bladz. 613,) „dat de bezoldigde zich moest verbonden achten aan den bezoldiger.” Dat scheen Willem ook wel te begrijpen. Zelfs werden later de gemeenten gedwongen, des noods door den Provincialen goeverneur, bijdragen te leveren, dat ook de schade, die de leeraars, gedurende de Fransche overheersching, hadden geleden, kon worden vergoed. Waren de gemeenten totaal onmachtig, zooals die te Schokland, dan werd het uit ’s rijks schatkist betaald even als de jaarlijksche traktementen. De eene dienst is den anderen waard. Dat de geestelijken met den nieuwen vorst wonder goed ingenomen waren, en zijn landsvaderlijke bemoeiingen hemelhoog verhieven, zal niemand beveemden, die hunne richting over ’t algemeen kent. Zelfs voor vaste inkomsten van kosters en andere kerkelijke bedienden was de vaderlijke goedheid van den vorst genegen te zorgen. Doch dit liep te hoog en moest nagelaten. Hadden vroeger de Classis der Ger. Kerk voor kerkelijke administratie ook geld uit ’s lands kas ontvangen, en kwamen nu ook aanvragen daarvoor bij den nieuwen soeverein, deze vonden geen gehoor. Zou de vorst al begrepen hebben, dat die oude lichamen straks toch voor de door hen aangestelde besturen de plaats zouden moeten ruimen? „De inwilliging van zulke verzoeken zou ook wellicht het tijdstip eener nieuwe kerkelijke organisatie hebben kunnen vertragen,” zeggen Ypey en Dermout (dl. IV pg. 630), die zich zoo zeer ingenomen toonen met de nieuwe orde van zaken haar dus zoo gunstig mogelijk voorstellen. Dermout werd later secretaris der door

|154|

den koning benoemde Synode. „Bij het kerkelijk commissariaat” — zoo gaan genoemde schrijvers voort — „was echter het stellige, goede voornemen, om bij die organisatie (wij onderschrappen) zoo goed mogelijk te zorgen voor de kosten van het kerkbestuur, een voornemen, dat den kerkelijken niet geheel verborgen bleef.” Den kerkelijken niet geheel verborgen! ’t zal wel zoo wezen.

Von Bismarck brengt door de beruchte „meiwetten” de verschillende kerken onder den duim van den Staat, en men vervloekt hem; Willem I deed hier te lande met de Herv. kerk nog erger, en men prees hem. Wat kunnen de tijden veranderen!

Over de opheffing der oude en de invoering der tegenwoordige organisatie, alsmede over den tegenstand, die laatstgenoemde nog ontmoette, een volgende keer.