151-156

|151|

9 Hoe zeker zijn we nog?

 

1 Openheid

Met de lezing van Kamphuis ben ik blij. Ze getuigt van een open en tegelijk katholiek gereformeerde vorm van theologiseren. De nadruk op de existentiële binding aan de belijdenis in tegenstelling tot de formele en letterlijke, doet weldadig aan en nodigt uit tot een echte ontmoeting met allen, die de belijdenis van binnen uit liefhebben of, zoals professor Severijn van de Gereformeerde Bond dat altijd noemde, die het te doen is om ‘de religie van de belijdenis’. Wanneer in de strijd om de belijdenis in de Nederlandse Hervormde Kerk hij weer eens werd beticht van letterknechterij, zei hij: ‘die belijdenis, waar ik zo voor op kom staat niet in een boekje, maar die zit hier’, en dan sloeg hij met zijn vuist op zijn borst.

Tegelijkertijd heeft juist de Gereformeerde Bond, die altijd de nadruk gelegd heeft op het bevindelijke, existentiële karakter van de belijdenis, óók altijd geijverd voor binding aan de lettervan de belijdenis. Ik refereer hier aan de strijd rond artikel X van de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk. Moest er nu in dit artikel staan, dat we belijden ‘in gemeenschap met’ de belijdenis der vaderen of ‘in overeenstemming met’ de belijdenis der vaderen?1 In de gesprekken over de ontwerp-kerkorde van de nieuw te vormen SOW kerk is deze discussie opnieuw opgelaaid en blijken de argumenten over en weer nog weinig veranderd te zijn.2

Degenen, die pleiten voor ‘in gemeenschap met’ gebruiken veel argumenten, die Kamphuis ook noemt, met name het doxologische en existentiële karakter van de belijdenis. Ook wijze ze erop dat elke tijd opnieuw zal moeten belijden en dat we de belijdenissen van het voorgeslacht niet zomaar kunnen herhalen. Eén argument dat Kamphuis niet gebruikt, zou ik er nog bij willen noemen en dat is het eschatologisch karakter van het heil en dus ook van al ons kennen van het heil. Mijn leermeester Hasselaar wees ons er, in de lijn van zijn leermeester


1 Vgl. voor deze discussie: J. van der Graaf, Delen of helen? Hervormd kerkelijk leven in en met de Gereformeerde Bond, 1906-1951, Kampen 1978, 202-266; H. Goedhart e.a., De religie van het belijden, Kampen 1973.
2 Vgl. bijvoorbeeld: Samen op Weg, gezegd en geschreven. Knipselboek uitgegeven door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, Maassluis 1993.

|152|

Gunning, altijd op dat er verband was tussen een gesloten orthodoxie en de verwaarlozing van de eschatologie. De eschatologie moet niet een laatste artikel zijn aan de rand van de dogmatiek, maar moet geheel de dogmatiek bepalen en haar in alle onderdelen openbreken vanuit het einde. Wij kennen en profeteren principieel ten dele.

 

Ik moet zeggen, dat ik me bij al deze argumenten ook thuis voel. Ik heb in de Gereformeerde Bond altijd een zekere spanning gevoeld tussen het bevindelijke en het orthodoxe-scholastische. Maar ditzelfde vinden we al in de Nadere Reformatie en misschien gaat de tweedeling zelfs terug op de definitie van geloven als ‘kennis en vertrouwen’, die uit de Reformatie zelf stamt.

Hoe dan ook, er zit wel een probleem. Een pleidooi voor een existentiële binding aan de belijdenis sluit enerzijds aan bij de grote bevindelijke traditie in de reformatorische kerken, anderzijds werd dit pleidooi ook vaak gevoerd door mensen, die bewust losser wilden komen van de letterlijke inhoud van de belijdenis, omdat ze daar niets meer mee konden. Ik denk, dat we onszelf vandaag op dit punt ook weer moeten onderzoeken.

 

2 Postmodernisme

In dit verband zou ik er ook voor willen waarschuwen zoveel nadruk te leggen op de paradigmawisseling ten gevolge van de postmoderne filosofie.

Het kan zijn dat deze paradigmawisseling voor ons nu de concrete aanleiding is om ons grondig bezig te gaan houden met de aard van onze geloofskennis en als afgeleide daarvan de aard van onze binding aan de belijdenis. Maar zelf heb ik als lid van de Nederlandse Hervormde Kerk veel meer het gevoel, dat we al een paar eeuwen met deze problematiek bezig zijn, namelijk niet ten gevolge van het postmodernisme, maar ten gevolge van het modernisme, het denken van de Verlichting. Dat betekent, dat we nu niet het wiel uit moeten gaan vinden, maar minstens ook moeten leren van de worsteling, die al zo lang aan de gang is.

Het postmodernisme is een crisis binnen het modernisme, maar de eigenlijke crisis is het modernisme, het uiteenvallen van kennis en vertrouwen, minstens sinds Kant. Het postmodernisme is dan voor ons wellicht de eye-opener om te zien, dat deze crisis niet opgelost kan worden langs de weg van een nieuw rationalisme. Ook vandaag zijn er echter anderen, die menen dat het postmodernisme ons juist ruimte biedt om op een nieuwe rationele wijze te werken aan een kennistheoretische fundering van ons geloof. Te denken valt hier aan de onderneming

|153|

van de zogenaamde ‘Utrechtse School’. Mijn kritiek daarop is, dat ik deze benadering teveel vind uitgaan van het primaat van het verstand en de wil in het geloof. De reden dat zoveel mensen vandaag moeite hebben met de inhoud van het geloof ligt echter niet zozeer in verstandelijke overwegingen en ook niet altijd in de onwil om te geloven, maar heeft veeleer te maken met een totale wereldervaring, die in zo flagrante strijd is met de wereldervaring, zoals ons die in de christelijke traditie tegemoet komt.

 

Hier valt natuurlijk nog heel veel over te discussiëren, maar ik wil er slechts mee aangeven, dat de problematiek niet pas is ontstaan met het postmodernisme en dat in de tweede plaats het postmodernisme ons ook niet noodzakelijk in de richting van één oplossing drijft, namelijk die van een existentiële binding aan de belijdenis, zonder kennistheoretische fundering. Op de een of andere manier zullen we naar deze laatste toch ook weer moeten zoeken, wil ons geloof niet het risico lopen te vervluchtigen in een niet nader te definiëren beleving.

Het gaat, hoe dan ook, om de inhoud van het belijden van de kerk van alle eeuwen. De vraag is: kunnen wij postmoderne mensen, die we misschien ook zelf zijn, helpen deze inhoud niet kwijt te raken? De angst die in de Gereformeerde Bond altijd gekoesterd is, dat de existentiële binding aan de belijdenis uitgespeeld wordt tegen haar inhoud, is ook weer niet helemaal ongegrond. Alleen biedt de formele binding aan de letter van de belijdenis ook geen oplossing. We zullen mensen moeten helpen een nieuwe toegang te vinden tot haar inhoud.

 

3 Nieuwe toegang

Ik zie daartoe twee wegen. In de eerste plaats zullen we moeten komen tot een herwaardering van geloven op gezag. In de tweede plaats moet de kerkelijke verkondiging de moderne wereldervaring op allerlei manieren in verband durven brengen met God en met wat over Hem in de Schrift en in de christelijke traditie is beleden.

Sinds de Verlichting staat geloven op gezag in een kwaad daglicht en wordt het geassocieerd met onmondigheid. Daarnaast staat echter het getuigenis van Augustinus: ‘Ik zou het evangelie niet geloven, als het gezag der kerk mij er niet toe bewoog’.3 En zelfs een van de kerkvaders van de moderne protestantse theologie Adolf von Harnack (1851-1930) schrijft: ‘Noch hat es in der Welt keinen starken religiösen


3 Augustinus, Contra Epistolam Manichaei I.5: ‘Ego vero Evangelio non crederem, nisi me catholicae Ecclesiae commoveret auctoritas’ (MPL 42, 176).

|154|

Glauben gegeben, er nicht an irgend einen entscheidenden Punkt sich auf eine aüssere Autorität berufen hätte’.4

De vraag is alleen om welk gezag het dan gaat. De afkeer van gezag in de Verlichting had alles te maken met een kerk met wereldlijk gezag, met geestelijke dwang, met een beleving door anderen onmondig gehouden te worden. Kunnen wij deze uiterlijke gestalten geheel en al afleggen — want rudimenten ervan bestaan nog — en tegelijkertijd duidelijk maken, dat geloven ten laatste toch een kwestie is van je laten gezeggen? Kunnen we duidelijk maken, dat Christus en de Geest ons niet dwingen, maar ons innerlijk vrijmaken om gezag te aanvaarden? Kunnen we ook duidelijk maken, dat Christus en de Geest dit doen door ons in innerlijk contact te brengen met al diegenen, die Gods roepstem gehoorzaamd hebben in Oude en Nieuwe Testament?

Kunnen we duidelijk maken, dat de belijdenis van de katholieke kerk het vrije antwoord op deze roepstem is geweest en dat wij daarom vandaag uitgenodigd worden in vrijheid mee te belijden? Daar zal het om gaan. Anders zie ik behalve agnosten namelijk nog slechts twee alternatieven.

 

Het eerste benoem ik nu even op mijn manier als: een ongecensureerd subjectief Jezus-geloof. Met een minimum aan kennis en een maximum aan gevoel wordt gesproken over Jezus als vriend. Intussen staat deze Jezus helemaal los van Israël, het Oude Testament, de verwachting van het Koninkrijk Gods en al deze dingen meer, die we niet zomaar in ons hart voelen, maar die we alleen maar kunnen geloven op gezag van en in gemeenschap met apostelen, profeten en de heiligen, die ons zijn voorgegaan.

Het tweede alternatief is dat van H.M. Kuitert: ‘Alle spreken over boven komt van beneden, ook als wij zeggen, dat het van boven komt’.5 Hier staat de moderne mens, bevrijd van alle gezag van boven, maar ook moederziel alleen, tastend naar waarheid, die er niet is. Slechts de weg van de mystiek biedt nog zekerheid, zegt Kuitert. Maar dan zouden we hem kunnen vragen: waar komt deze mystiek dan vandaan? Misschien toch van boven? Laten we het hopen. Anders is ook deze mystiek louter een kwestie van psychologie. Maar als ze van boven komt, waarom zou er dan niet meer van boven kunnen komen? Waarom zouden we dan in de bijbel ook niet te maken kunnen hebben met uitspraken van mensen, die werkelijk iets van boven ervaren hebben?


4 A. Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte III, Tübingen 19104, 81. Vgl. voor de opmerkingen van Augustinus en Harnack: O. Noordmans, ‘Geloven op gezag’, in: Verzamelde Werken 2, Kampen 1979, 135-152.
5 H.M. Kuitert, Zonder geloof vaart niemand wel. Een plaatsbepaling van christendom en kerk, Baarn 1974, 28.

|155|

En waarom zouden we op hun gezag het dan ook vandaag er niet mee durven wagen? Als wij ons engageren met hun toewijding aan de zaak van God, die hen riep, zouden wij dan ook geen zekerheid kunnen ontvangen, dat die roeping van boven was?

 

Geloven op gezag zal door ons sterker dan door het voorgeslacht ervaren worden als een waagstuk, omdat ons als moderne en postmoderne mensen de klassieke kennistheoretische fundering ontvallen is. Maar gaandeweg kan de bevestiging komen en wij leunen in al onze aanvechting tegen de schouders van allen die ons zijn voorgegaan en ook nu samen met ons geloven. Met andere woorden, dit geloven is alleen mogelijk in ware katholiciteit en oecumeniciteit.

 

4 Interpreterend geloofsonderricht

Een uitspraak van Kuitert, waar ik het van harte mee eens ben, luidt als volgt: ‘Wanneer wij God in de week nagenoeg nergens meer tegenkomen, zullen we Hem tenslotte op zondag ook niet meer tegenkomen’.6 Dit is in één zin gezegd het probleem van de secularisatie, de ontkerkelijking. En het is tegelijkertijd de reden dat zo velen in de kerken, waar nog wel veel mensen zijn, vragen om praktische preken. Ze vinden veel van onze preken te bijbels en te leerstellig, dat wil zeggen: ze missen de aansluiting tussen hun wereldervaring en datgene wat wij uit de belijdenis en de bijbel naar voren brengen. De verleiding zou nu kunnen zijn minder uit de bijbel en uit de belijdenis naar voren te brengen en meer uit het leven en de levenservaring. De verleiding zou ook kunnen zijn de roep om praktisch preken te vertalen in exemplarische, psychologiserende en moralistische prediking. Voor deze verleidingen, die erg voor de hand liggen en ook veel gepraktiseerd worden, moeten we niet bezwijken. Het gaat om een moeilijker, maar veel vruchtbaarder proces. Het gaat erom, dat we zien dat de bijbeltekst geen algemene waarheden, leer of dogmatiek bevat, maar dat de bijbeltekst spreekt van de manier waarop mensen hun levens- en wereldervaring in verband hebben durven brengen met God, hoe zij telkens weer God ontdekten in en achter de dingen. Geloven is: proberen met hen mee te kijken en in navolging van hen ook vandaag zo naar het leven kijken, dat God er hoe dan ook iets mee te maken heeft. In de eerste plaats als Schepper, maar dan niet zo liefelijk als ons beeld van de Schepper vaak is, doch ook op de wijze van Job 38-41 — de ondoorgrondelijke in donkere majesteit. In de tweede plaats als Verlosser, maar dan niet alleen in het bloed van


6 H.M. Kuitert, Het algemeen betwijfeld christelijk geloof, Baarn 1992, 97-98.

|156|

Jezus, ook in velerlei bevrijding, zoals in de bijbel beschreven: bevrijding van Egyptenaren en Babyloniërs en van demonen en machten. In de derde plaats als levenscheppende Geest en Inspirator, maar dan niet alleen in het werk van de wedergeboorte, ook overal daar waar iets van zijn bedoelingen met mensen zichtbaar wordt in het gewone leven van elke dag.

 

5 Conclusie

Onze binding aan de belijdenis kan vandaag niet meer meeliften met het voorgegeven gezag van de Schrift of de kerk. Het gezag van de belijdenis zal dus op een nieuwe wijze gefundeerd moeten worden, wil de belijdenis in de kerk van de toekomst tenminste überhaupt nog functioneren. Het gezag is het gezag van de Persoon, die ons roept en in het beantwoorden van deze roeping ervaren wij dat zijn gezag een bevrijdend gezag is. Datzelfde hebben de mensen, die de belijdenissen opstelden al lang voor ons ontdekt. Ze wilden graag het nageslacht bij deze bevrijdende ontdekking bewaren. Vanuit onze eigen ontdekking zullen we dankbaar met hen instemmen.

Dit hele proces zal vandaag alleen plaatsvinden, wanneer de kerk het lukt de wereldervaring van (post)moderne mensen te betrekken op de geloofservaringen en de openbaring waarvan de Heilige Schrift spreekt. Lukt dit laatste niet, dan zal het ook niet lukken op een nieuwe wijze het gezag van de belijdenis te funderen. Wij moeten ons in deze kanteling van de tijd dus niet blindstaren op deelproblemen, zoals de binding aan de belijdenis, maar zien dat deze deel uitmaken van een alomvattend probleem: gaan (post)moderne mensen weer ervaren, dat de God van de bijbel, de God van natuur en geschiedenis, de levende God is?

 

Wanneer dit probleem niet opgelost wordt, zal de belijdenis het slechts uithouden in premoderne contreien en daar waarschijnlijk, vanwege de ontwikkelingen daarbuiten, steeds krampachtiger verdedigd worden. Daar waar het moderne en postmoderne denken de toon aangeven zal de belijdenis terzijde gesteld worden of noch slechts eclectisch en associatief gebruikt worden. De ontwikkelingen van de afgelopen paar honderd jaar hebben dit beeld steeds bevestigd. Het wordt dus nog heel spannend hoe het met ons, die de drempel naar een nieuwe tijd aan het passeren zijn, zal aflopen.