74,25-34
01-10-2014

|25|

Paulus als charismatische leider

Sociale spanning rond de claims, aanvechting en legitimatie van Paulus als apostel

 

Inleiding

‘Het ambt draagt niet meer de persoon, maar de persoon draagt het ambt.’ Deze vaak gehoorde uitspraak typeert de veranderingen in kerkelijk leiderschap in veel kerken vandaag. Het gezag van de geestelijke leider, en de legitieme uitoefening van leiderschap lijken nog maar weinig te maken te hebben met kerkelijke en institutionele kaders. Indien de leider vanuit eigen geloofservaring, verkondiging en raadgeving het respect van de gemeenteleden verkrijgt, ontvangt hij veel ruimte om geestelijk gezag uit te oefenen. Echter, als een kerkelijke leider gemeenteleden wil overhalen tot volgzaamheid met een beroep op zijn roeping en aanstelling, en wellicht ook op basis van gemeentestructuren of statuten, dan roept dit al gauw weerstand op als te autoritair. Men wil immers eerst persoonlijk overtuigd worden van de noodzaak en juistheid van een bepaalde actie voordat men gehoor geeft aan de leider. De leider leidt op basis van persoonlijk moreel en geestelijk gezag, dat wil zeggen een leider moet vooral een charismatisch leider zijn.

De apostel Paulus verkeerde in een vergelijkbare onstabiele situatie. Hij reisde rond en begon overal nieuwe geloofsgemeenschappen. Deze gemeenschappen leken weliswaar op synagogen of verenigingen1, terwijl het leiderschap ook wel herkenbare vormen aannam2, maar de jonge leeftijd van de Paulinische gemeenschappen en de manier waarop het evangelie contrasteerde met de omliggende cultuur veroorzaakten veel onzekerheid over Paulus’ leiderschap. In dit prille begin kon Paulus zich niet beroepen op bestaande structuren, noch op formele aanstellingen, en moest hij op andere wijze zijn gezag beargumenteren en legitimeren3. Paulus wordt daardoor wel vaker als charismatisch leider gezien, iemand die het toch maar voor elkaar kreeg dat er binnen vijftien jaar in toonaangevende steden zoals Antiochië, Efeze, Korinte en Rome, stabiele geloofsgemeenschappen ontstonden die hem erkenden als apostel van Christus en leraar van de volken. Is het terecht om Paulus als charismatisch leider te zien? Spreekt Paulus zelf over zijn leiderschap als een charisma of als charismatisch? Hoe kunnen moderne theorieën over charismatisch leiderschap ons helpen om de leiderschapsontwikkeling van Paulus te traceren? Welke lessen


1 J.T. Burtchaell, From Synagogue to Church: Public Services and Offices in the Earliest Christian Communities (Cambridge: University Press, 1992); Philip A. Harland, Associations, Synagogues, and Congregations: Claiming a Place in Ancient Mediterranean Society (Minneapolis: Fortress, 2003).
2 J.K. Chow, Patronage and Power: A Study of Social Networks in Corinth (Sheffield: Sheffield Academic Press, 1992); A.D. Clarke, Secular and Christian Leadership in Corinth: A Socio-Historical and Exegetical Study of 1 Corinthians 1-6, 2nd ed. (Milton Keynes: Paternoster, 2006).
3 Zie mijn ‘Paul’s Authority Claims and Their Reception in 2 Corinthians’. International Journal of Practical Theology (Submitted).

|26|

mogen we voor vandaag leren over leiderschap in tijden van verandering en afbrokkelende institutionele kaders?

Om deze vragen te kunnen beantwoorden, onderzoeken we eerst hoe Paulus zelf spreekt over charisma en leiderschap. Vervolgens kijken we naar moderne theorieën over charismatisch leiderschap en overwegen we of met nieuwtestamentische gegevens valt te onderbouwen dat Paulus een charismatisch leider was. Al deze gegevens tezamen schetsen een plaatje van de leiderschapsontwikkeling van Paulus, hoe zijn status als toonaangevend, apostolisch en wellicht charismatisch leider zich in de vroege kerk ontwikkelde. We sluiten af met enige opmerkingen over de mogelijkheden en gevaren van charismatisch leiderschap vandaag.

Charisma en leiderschap bij Paulus

Het Griekse woord ‘charisma’ komt zeventien keer voor in het NT, eigenlijk alleen bij Paulus (Romeinen, zes maal, 1 Korintiërs, zeven maal en een maal elk in 2 Kor., 1 Tim. en 2 Tim.), met een echo in 1 Petrus. De betekenis in brede zin is ‘genadegave’. In de ene context is die gave een redding uit fysiek doodsgevaar (2 Kor. 1: 11); dan weer een gave om alleenstaand te blijven (1 Kor. 7: 7); elders de genadegave van verlossing in Christus (Rom. 5: 15, 6: 23). Diverse keren verwijst dit woord naar de capaciteit om als leidinggevende een specifieke taak te ondernemen (1 Tim. 4: 14, 2 Tim. 1: 6). Dit laatste lijkt op een verbijzondering van de gave die God elke gelovige geeft om op eigen, unieke wijze bij te dragen aan de gemeenschap – wat meestal wordt bedoeld met de geestesgaven (Rom. 12: 3-8, 1 Kor. 12: 1-31)4. Het woord in de betekenis van ‘genadegave’ lijkt een christelijke uitvinding van Paulus te zijn geweest5

Leidinggeven wordt in Rom. 12 en 1 Kor. 12 als charisma aangeduid. Rom. 12 clustert eerst vier activiteiten (profeteren, bijstand verlenen [diakonia], onderwijzen, troosten) als gaven van het Woord, en verwijst vervolgens naar drie mensen met een gave (degene die weggeeft, leidinggeeft, of barmhartigheid toont). Men vermoedt dat deze laatste drie gaven vooral betrekking hebben op de rol van de rijkere leden die in het normale sociale verkeer als patroon of beschermheer golden6. Het Rome van die tijd kende vele posities en functies van civiele leidinggevenden, met structuren die verenigingen veelvuldig voor eigen doeleinden adopteerden7. Het zou dus weinig verrassend zijn als de jonge christelijke gemeente te Rome ook al diverse leiderschapsfuncties kende, zoals ook uit deze gavenlijst blijkt. Het zou de Romeinse christenen echter wel verrast hebben, dat gaven die bij de sociale elite hoorden pas als laatste werden genoemd, waarmee deze functies duidelijk anders werden gewaardeerd dan in de


4 Zie standaardwoordenboeken zoals DBAG and EDNT.
5 Zie H. Conzelmann, ‘Χάρισμα,’ in Theological Dictionary of the New Testament, G. Kittel and G. Friedrich, eds (Grand Rapids: Eerdmans, 1964-88), pp. 402-06.
6 Zie J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, een exegetisch mozaïek (Kampen: Kok, 1984), pp. 151-53. De tekst van 1 Pet. 4: 10-11, geschreven vanuit Rome lang na de Romeinenbrief van Paulus, is waarschijnlijk afhankelijk van deze indeling. Zie ook p. 159.
7 A.D. Clarke, Serve the Community of the Church: Christians as Leaders and Ministers (Grand Rapids: Eerdmans, 2000), pp. 60-61.

|27|

omringende cultuur8. Een soortgelijke indeling in gaven van woord en dienst is ook herkenbaar in 1 Kor. 12: 27-30, waar apostelen, profeten en leraren een prominente plaats krijgen (‘ten eerste aan apostelen, ten tweede …’), en waar gaven van bijstand verlenen en leidinggeven pas later volgen.

Deze twee passages laten een diversiteit aan leiderschapsfuncties in de gemeenten te Rome en Korinte zien, alle geduid als een charisma aan de gemeente. Er is daarbij geen vorm van leiderschap die specifiek ‘charismatisch’ is in contrast met andere niet-charismatische vormen van leiderschap. Bovendien zijn er naast deze gaven van leidinggeven ook andere gaven in de gemeente, waarmee diverse vormen van leiderschap naast andere vormen van dienstbaarheid worden gewaardeerd als gelijkwaardige bijdragen aan de geloofsgemeenschap9. Deze gelijkwaardigheid van de charismata verdiende nadruk in een context waar sociale status, rijkdom en retorische training leidde tot onderscheid, ongelijkheid en zelfs discriminatie in de gemeente.

Toch ligt er een andersoortige prioriteit bij gaven van het woord (apostelschap, profetie, onderwijs), juist omdat mensen met deze gaven een cruciale rol speelden bij het funderen en vormgeven van nieuwe geloofsgemeenschappen. In de context van de gavenlijsten staat gelijke waardering voor de bijdrage van elk charisma aan de gemeenschap centraal om sociaal statusverschil de pas af te snijden. Andere contexten echter benadrukken de unieke heilshistorische rol van Paulus als apostel. Paulus spreekt van zijn unieke roeping en aanstelling als apostel (Rom. 1: 1-5, 1 Kor. 9: 1-2; 15: 8-9), waarmee hij impliciet verwijst naar zijn bekering en roeping op de weg naar Damascus (Hand. 9, 22 en 26). Hij spreekt van ‘mijn evangelie’ (Rom. 2: 16, 16: 25), zijn unieke rol als ambassadeur van Christus (2 Kor. 5: 20), zijn gelijkwaardigheid ten opzichte van de andere apostelen (2 Kor. 12: 11-13), en zijn rol als grondlegger van de gemeente te Korinte (2 Kor. 10: 13-11: 2). De sociale spanningen rond status en retoriek verschuiven in deze teksten naar de achtergrond, en de unieke rol van Paulus als gemeentestichter en apostel van Christus staat voorop. 

Het charismatisch perspectief ondersteunt dus de gelijkwaardigheid van elk lid in de gemeenschap als theologische tegenhanger van sociale ongelijkheid, terwijl een heilshistorisch perspectief de roeping en uniciteit van Paulus op de voorgrond schuift als theologische tegenhanger voor de rivaliteit en concurrentie tussen leidinggevenden (zie hieronder over de ‘carrière’ van Paulus). Een zekere fusie tussen deze twee perspectieven is zichtbaar in Efeze 4: 7-12. Met behulp van de woorden ‘doma’ (gaven, v. 8) en ‘edoken’ (heeft gegeven, v. 11) schuift Paulus vijf vormen van leidinggeven (apostel, profeet, evangelist, herder, leraar) op de voorgrond als gaven van Christus aan de gemeente. Weliswaar benadrukt de tekst dat deze ‘vijfvoudige bediening’ tot doel heeft de hele gemeente in al haar geledingen tot bloei te laten komen, zodat deze


8 Uitgebreidere argumentatie in J. Barentsen, ‘Pre-Pauline Leadership and Pauline Constitution in the Roman Church: An Alternative Interpretation of Romans 12 and 16,’ in The Letter to the Romans, U. Schnelle, ed. (Leuven: Peeters, 2009), pp. 602-03.
9 Zie bijv. de discussie hierover in het goede commentaar van A.C. Thiselton, The First Epistle to the Corinthians: A Commentary on the Greek Text (Carlisle: Paternoster, 2000), pp. 900-89.

|28|

gaven ten dienste van het geheel staan, maar deze gaven van het woord krijgen hier een centrale heilshistorische rol in de gemeente. Hierbij wordt apostelschap zelfs extra benadrukt10, terwijl in Ef. 2: 20 apostelen en profeten tot het heilshistorisch fundament van de kerk worden gerekend.

De passages in 1 Tim. 4: 14 en 2 Tim. 1: 6 verbinden charisma met een specifieke taak in leidinggeven. Timoteüs ontving een charisma onder handoplegging bij zijn aanstelling of inwijding als leidinggevende, zodat gave en positie met elkaar verbonden worden. Degenen die de handen oplegden profeteerden, zodat ook zij vanuit positie én charisma spraken. Het gaat ook hier dus om leidinggeven als charisma, en in die zin over charismatisch leiderschap. Paulus duidt leidinggeven dus aan als een veelzijdig charisma van de drie-enige God aan de gemeente11, dat in verschillende vormen en posities kan worden uitgeoefend. Dit veelzijdig charisma functioneerde bemoedigend, bekrachtigend en sturend naast andere charisma’s zodat ieder lid op eigen, gewaardeerde wijze kon bijdragen aan de gemeenschap. Tegelijkertijd blijkt Paulus zijn eigen rol als grondlegger en apostel onverbloemd naar voren te schuiven, maar dan in contexten waar sociale ongelijkheid in de gemeente niet op de voorgrond staat. Hier wordt charisma met een unieke roeping als apostel gecombineerd; het unieke ligt dan niet in het ontvangen van een charisma, maar in de roeping van Paulus die met dit charisma gepaard gaat.

Modellen van Charismatisch leiderschap

Vandaag spreekt men vaak over ‘charismatisch leiderschap’ als een aparte categorie van leiders, en niet als een algemene kwalificatie van leiderschap in de gemeente. De oorsprong hiervan ligt bij Max Weber die aan het begin van de 20ste eeuw constateerde dat gezag wordt gelegitimeerd door charisma, traditie of rationeel-wettelijke structuren. Charisma bestaat uit uitzonderlijke persoonlijke talenten met (vaak) een religieuze lading, waardoor de leider in staat wordt geacht met een radicale visie uitweg te bieden uit een instabiele (crisis)situatie. Is een leider hierin succesvol, dan ontstaat een groeiende groep volgelingen die in deze leider gelooft; herhaaldelijk succes bevestigt het charisma van de leider in de perceptie van deze volgelingen.

De oorspronkelijke sociologische benadering van Weber is later in de 20ste eeuw verder uitgewerkt, zowel vanuit gedragspsychologie als in communicatiewetenschap12. Een vruchtbare benadering komt uit de cognitieve psychologie en beschouwt charisma als een attributie. Zo stellen Conger en Kanungo dat charisma vooral ontstaat in de ogen van de volgelingen, naarmate ze hun leider ervaren als iemand die de groepsbelangen en -identiteit waarborgt in tijden van crisis en verandering. De


10 Zie de tous men ... tous de ... constructie van Ef 4: 11, waarmee apostelschap van de andere vier gaven wordt afgezonderd.
11 Muthiah werkt het trinitarische character van charisma’s mooi uit (‘Charismatic Leadership in the Church: What the Apostle Paul Has to Say to Max Weber,’ Journal of Religious Leadership 9:2 (2010): 7-26 [http://arl-jrl.org/Volumes/Muthiah10.pdf]).
12 M.Z. Hackman, and C.E. Johnson, Leadership: A Communication Perspective, 5th ed. (Long Grove: Waveland, 2009), pp. 124-27.

|29|

collectieve identiteit van leider en volgelingen staat hier centraal, in een atmosfeer van respect voor en vertrouwen in de charismatische leider, die erin slaagt om de samenhang van de groep te bewaren door de veranderingen heen — al gaat dit ‘bewaren’ vaak gepaard met aanpassing en hervorming13.

Dit proces van attributie duidt een dynamische relatie aan tussen leider, groepsidentiteit en groep. Enerzijds krijgt een groepslid kans zich als leider te ontpoppen naar mate dit lid meer model staat voor de groep als geheel, dat wil zeggen naarmate dit lid als een prototype voor de groep functioneert (‘eigenlijk zou iedereen moeten zijn als hij’). Anderzijds is juist de perceptie van dit lid als prototype de reden dat dit lid krediet krijgt om de groepsidentiteit en ‑normen aan te passen aan nieuwe situaties — waarmee de groepsidentiteit toch enigszins verschuift. Leiders die in staat blijken de groepsidentiteit steeds actueel en relevant te maken, zullen vaker door allerlei situaties heen als ‘natuurlijk leider’ worden gezien, en krijgen daardoor vaak het kwaliteitslabel van ‘charismatisch leider’ toegekend als blijk van vertrouwen14.

Het is duidelijk dat deze beschrijving van charismatisch leiderschap als eigentijds leiderschapsmodel verschilt van de nieuwtestamentische gegevens over charisma en leiderschap. In dit leiderschapsmodel wordt uitgebreid aandacht besteed aan groepsdynamiek, succes in tijden van crisis, heldere visie en de attributie van toegewijde volgelingen, terwijl Paulus leiderschap weliswaar als charisma aanduidt, maar bestrijdt dat dit een punt van onderscheid zou moeten zijn ten opzichte van andere leiders of andere leden van de gemeenschap. De unieke rol van Paulus als apostel is wel herkenbaar in de hedendaagse beschrijving van charismatisch leiderschap, maar het lijkt erop dat charisma en apostolische roeping onterecht met elkaar vereenzelvigd zijn.

Paulus als charismatisch leider?

Opnieuw stellen we ons de vraag: is het terecht om Paulus als charismatisch leider te zien? Deze vraag bevat twee subvragen: (a) ziet Paulus zichzelf als charismatisch leider, dat wil zeggen als iemand die een charisma van leiderschap heeft ontvangen? En (b) kan Paulus als charismatisch leider worden gezien vanuit een hedendaags model van charismatisch leiderschap?

Het antwoord op de eerste vraag is duidelijk ‘ja’. Paulus presenteert zich als apostel aan de Korintiërs (1 Kor. 1: 1; 4: 9; 9: 1-3; 15: 11; 2 Kor 1: 1; 12: 12). Hij ziet apostelschap als gave (1 Kor. 12: 28-29), ook al wordt zijn positie en dus gave als apostel op een bepaald moment heftig betwist (zie 2 Kor. 11: 5,13; 12: 11-12). In de Efezebrief


13 J.A. Conger, R.N. Kanungo, and S.T. Menon. ‘Charismatic Leadership and Follower Effects,’ Journal of Organizational Behavior 21:7 (2000): 747-67.
14 M.J. Platow, D. v. Knippenberg, S.A. Haslam, B. v. Knippenberg, and R. Spears. ‘A Special Gift We Bestow on You for Being Representative of Us: Considering Leader Charisma from a Self-Categorization Perspective,’ British Journal of Social Psychology 45 (2006): 303-20. Zie ook J. Barentsen, Emerging Leadership in the Pauline Mission: A Social Identity Perspective on Local Leadership Development in Corinth and Ephesus, Princeton Theological Monograph Series 168 (Eugene: Wipf & Stock, 2011), pp. 65-68.

|30|

wordt ‘apostel’ ook als gave van Christus gezien (4: 11) terwijl Paulus zichzelf beschrijft als iemand die de genade heeft ontvangen om als apostel aan de volken het evangelie te verkondigen (3: 5-9). In 1 Tim. 2: 7 en 2 Tim. 1: 11 beschrijft Paulus zichzelf als aangesteld door God als verkondiger, apostel en leraar, met de terminologie van genade(gave) in de context. Nu wordt in de bijbelwetenschap vaak betwijfeld dat Paulus Efeziërs en 1-2 Timoteüs heeft geschreven, maar het getuigenis van het geheel aan Paulinische brieven toont ons Paulus die zichzelf presenteert als leider dankzij een charisma ontvangen van de drie-enige God.

Paulus zelf spreekt dus over zijn leiderschap als charismatisch, dat wil zeggen als gebaseerd op een charisma. Paulus onderscheidt zijn leiderschap als apostel van andere vormen van leiderschap zoals profetie, onderwijzen of besturen. Het betreft verschillende vormen van leiderschap die vanuit een charisma worden beoefend. Paulus onderscheidt zich in 2 Korintiërs ook van anderen die de status van apostelschap claimden, en beweert op zijn minst dat zijn eigen charisma even goed is als dat van zijn tegenstanders15. Kennelijk claimden diverse leiders te Korinte de gave van apostelschap terwijl zij het charisma van de ander betwistten. Het blijkt niet zo eenvoudig om te onderscheiden wie nu werkelijk een charisma van leidinggeven heeft ontvangen en wie niet; anders zouden de tegenstanders van Paulus al veel eerder zijn ontmaskerd. Paulus presenteert zich dus als apostolisch leider met charisma, maar dat is geen garantie dat hij ook als zodanig te Korinte wordt geaccepteerd. Dat moet kennelijk blijken uit de claims en argumenten over en weer, maar meer nog uit de leiderschapssuccessen die de diverse leiders te Korinte weten te behalen.

De eerste subvraag is hiermee beantwoord: Paulus ziet zichzelf als charismatisch leider, dat wil zeggen als leider met charisma. De tweede subvraag is of Paulus als charismatisch leider kan worden gezien vanuit een hedendaags model van charismatisch leiderschap. Zo’n model, zagen we hierboven, houdt in dat er niet alleen van uitzonderlijke persoonlijke kwaliteiten of van religieuze lading sprake is, maar ook van een crisissituatie, een relevante, radicale visie en herhaaldelijk succes van de leider. Om deze vraag te antwoorden moeten we de conflicten en successen van Paulus als leider, dus zijn leiderschapscarrière, de revue laten passeren.

De leiderschapscarrière van Paulus

We zagen dat 2 Korintiërs een situatie beschrijft waarin het leiderschap van Paulus hevig wordt betwist. Het eerste deel van de brief spreekt van aanstaande verzoening, zoals blijkt uit de blijdschap als Titus na zijn bemiddeling te Korinte Paulus weer ziet (7: 7,13). De aanmoediging om ernst te maken met de collecte voor Jeruzalem (2 Kor. 8-9) laat ook zien dat relaties weer hersteld zijn. Echter, in 2 Kor. 10-13 biedt Paulus stevige argumenten om zijn leiderschap als apostel en grondlegger van Korinte dik


15 De identificatie van de tegenstanders van Paulus in 2 Korintiërs is buitengewoon ingewikkeld. Ik heb zelf beargumenteerd dat het rondreizende joods-christelijke leraren uit Jeruzalem waren, die in Korinte arriveerden ongeveer gelijktijdig met 1 Korintiërs, en dat zij de eenheid van de gemeente herstelden op basis van joodse tradities en Griekse cultuurpatronen die Paulus buiten sloten (Barentsen, Emerging Leadership, pp. 112 e.v.). 

|31|

te onderstrepen — om de Korintiërs zelf woorden aan te reiken waarmee ze Paulus’ tegenstanders te woord kunnen staan (5: 12; 13: 10). In deze woelige jaren (ca. 54-56 na Christus) zullen de Korintiërs Paulus niet altijd als charismatisch leider hebben gezien. Paulus leek weinig effectief en zelfs het goddelijke charisma van zijn apostelschap werd ontkend.

Hierin komt een kentering, die al wordt gesignaleerd in 2 Korintiërs, en die doorwerkt in het beeld van Paulus dat we in latere brieven tegen komen. In Efeziërs en 1-2 Timoteüs wordt Paulus gepresenteerd als verkondiger en leraar aan alle volken, en lijkt zijn status als apostel en ontvanger van openbaring onaantastbaar. Hoewel ook in deze brieven sporen van conflict merkbaar zijn, staat het leiderschap van Paulus nauwelijks ter discussie.

De vraag dringt zich op hoe deze verschuiving van betwiste naar onaantastbare status moet worden geïnterpreteerd. Sommige onderzoekers zien deze verschuiving als een proces dat zich pas na de dood van Paulus zou hebben voltrokken, pas toen zijn volgelingen beseften hoe groots en waardevol het apostelschap van Paulus was geweest. Zij zouden toen brieven hebben geschreven (Efeziërs, etc.) waarin ze Paulus tot zijn ‘rechtmatige positie’ zouden hebben verheven16. Terecht gaat deze reconstructie uit van een attributieproces: in een periode van crisis zullen volgelingen geneigd zijn een visionaire, radicale en succesvolle leider te gaan zien als charismatisch. De tijd, echter, die nodig is voor dit attributieproces wordt overschat. De charismatische ster van een leider rijst naar mate het succes groeit en duurzaam blijkt te zijn. Dat gebeurt, zo laat hedendaagse ervaring zien, al vaak tijdens het leven van de leider.

In de leiderschapscarrière van Paulus biedt dit attributieproces een goede verklaring voor de groeiende status van Paulus als apostel. In de vroege jaren van zijn werk als gemeentestichter (48-56 na Chr.) is Paulus nog relatief onbekend, en ervaart hij ook de nodige conflicten. Toch slaagt Paulus erin, tijdens het conflict met de Korintiërs, om zijn apostolisch en funderend leiderschap op doorslaggevende wijze te bevestigen, en wel zo dat zijn tegenstanders hun legitimatie en invloed te Korinte verliezen. Dit zal te Efeze, waar Paulus op dat moment een gemeente stichtte (Hand. 19: 1-22), niet ongemerkt voorbij zijn gegaan. Paulus blijkt niet alleen een goede pionier te zijn; zijn apostolisch leiderschap is ook zinvol bij latere stadia van gemeenteontwikkeling. De gemeente te Efeze is niet zonder haar conflicten, maar het conflict draait niet meer om de leiderschapspositie van Paulus zoals ooit te Korinte. Dit weerspiegelt zich in de brieven die Paulus naar Efeze schrijft (Efeziërs, 1 Timoteüs, vermoedelijk ook 2 Timoteüs) waar hij refereert aan zijn eigen roepingsbesef als apostel van de volken waarin hij zich nu weet gesteund door de gemeente17.


16 Zie bijv. A.J. Blasi, Making Charisma: The Social Construction of Paul’s Public Image [New Brunswick: Transaction Publishers, 1991.
17 Barentsen, Emerging Leadership, pp. 303-05. Dit bewijst het paulinisch auteurschap van deze brieven nog niet, maar met dit argument wordt een belangrijke reden ten gunste van niet-paulinisch auteurschap van Efeziërs en 1-2 Timoteüs van zijn zeggingskracht ontdaan. Voor de uitwerking, zie Ibid., pp. 185-200.

|32|

Hier blijkt Paulus dus ook een charismatisch leider te zijn in de zin dat hij aan een modern model van charismatisch leiderschap beantwoordt. Door het herhaalde succes van zijn radicale visie en persoonlijke inzet wordt hij gaandeweg gezien als charismatisch leider. Hierin onderscheidt Paulus zich van concurrerende leiders te Korinte die hun status en invloed verliezen en niet succesvol blijken. Wat deze mensen ook als legitimatie en charisma mogen claimen, in de praktijk houden zij als leiders geen stand, en worden ze, ondanks een veelbelovend begin, uiteindelijk niet gezien als charismatische leiders. Dit attributiemodel van charismatisch leiderschap zegt dus in directe zin niets over de waarachtigheid van een leider die charisma claimt, maar laat door het succes of falen van de leider heen zien welke praktische waarde een dergelijke claim heeft. Bij charismatisch leiderschap hebben we dus te maken met een religieus gebaseerd charisma en een menselijk, sociaal proces van erkenning. Deze erkenning heeft de vorm van een attributieproces waarin charisma en leiderschapskwaliteiten niet slechts worden erkend maar toegeschreven, en wel zo dat toegeschreven kwaliteiten de charismatische leider soms groter afschilderen dan de werkelijkheid. Het ontvangen van een leiderschapscharisma en de erkenning/attributie ervan lopen historisch dus niet synchroon, en conceptueel overlappen ze ook niet helemaal. De gave gaat aan de erkenning vooraf (Paulus), maar kan ook al verdwenen zijn als de erkenning wordt bevestigd (koning Saul).

Tenslotte, indien Paulus Efeziërs en 1 Timoteüs heeft geschreven, dan zit hierin een historische check. Wat Paulus over zichzelf schreef moest herkenbaar en acceptabel zijn voor de Efeziërs (en voor Timoteüs) om te voorkomen dat deze brieven als overdrijving en zelfverheerlijking zouden worden afgeschreven. Indien Paulus deze brieven niet zou hebben geschreven is het onmogelijk om de leiderschapsstatus van Paulus, hetzij tijdens zijn leven, hetzij in de generaties daarna, op historische wijze te toetsen aan de hand van zijn brieven.

Charismatisch leiderschap vandaag: is het nodig?

We hebben nu de belangrijkste vragen beantwoord: Paulus ziet zichzelf als leider met charisma, en kan ook naar de maatstaf van een modern leiderschapsmodel als charismatisch leider worden gezien. Zowel paulinische passages over charisma als theoretische modellen van charismatisch leiderschap bevestigen dit. Resteert nog de vraag welke leiderschapslessen we hieruit kunnen leren voor tijden van afbrokkelende institutionele kaders. Kunnen we Paulus navolgen als charismatisch leider?

Net zoals Paulus zijn eigen leiderschap ziet als de uitoefening van een charisma van Vader, Zoon en Geest, zo mogen ook wij diverse vormen van leiderschap aanvaarden als charismatisch, dat wil zeggen als gegeven door de drie-enige God. Dat heeft weinig te maken met bovennatuurlijke manifestaties, noch met unieke visionaire kwaliteiten, maar met het vertrouwen dat God allerlei vormen van leiderschap geeft ten dienste van de geloofsgemeenschap. Paulus is dus na te volgen in zijn toewijding aan de geloofsgemeenschap en zijn Godsvertrouwen bij het uitoefenen van zijn charisma. 

|33|

Paulus bleek ook charismatisch leider volgens een modern charismatisch leiderschapsmodel. Paulus wist zich bevestigd door de gemeenten te Korinte en Efeze in zijn hoge status, goddelijke legitimatie en onbetwistbare positie als apostel. Hier komt de unieke heilshistorische rol van Paulus als apostel in beeld. Echter, Paulus roept ons nooit op om hem in deze unieke rol na te volgen, maar die rol slechts te erkennen en gevolg te geven aan zijn verkondiging. Het is dus niet evident dat hedendaagse leiders zich zouden moeten spiegelen aan Paulus als apostolisch leider. Claimt men dan niet te gemakkelijk een goddelijke roeping en onbetwistbare positie zoals men die bij Paulus ziet (‘een gezalfde des Heren mag men niet bekritiseren’)? De gevaren van autoritair leiderschap en machtsmisbruik in een dergelijk zelfbeeld als leider zijn niet gering18. Het lijkt me zinvoller om de verschillende fasen van Paulus’ leiderschapscarrière in kaart brengen en daaruit lering te trekken voor verschillende fasen van hedendaags leiderschap.

Als apostel werkt Paulus jarenlang in stilte voordat hij zijn eerste zendingsreizen (beschreven in Handelingen) gaat ondernemen. Hij was als leider bereid uitzonderlijke ontberingen te trotseren en zichzelf op te offeren voor zijn gemeenten. Hij kon bijzonder teder bemoedigen en troosten (1 Tes.); hij kon fijngevoelig aanmoedigen en corrigeren voor een consequentere levensstijl (1 Kor.); hij ging moedig het conflict aan over zijn eigen invloed (2 Kor.); hij schrijft als visionair over Gods wereldwijde plan met de gemeente en de rol van de leiding daarin (Ef.) en als senior helpt hij opvolgers met leiding geven en structureren (1-2 Tim.). 

Is charismatisch leiderschap dan nodig in onze snel veranderende maatschappij vol onzekerheid? Jazeker, in de zin van een diversiteit aan leiderschapsvormen die alle een uitwerking van Gods gaven zijn. Dat mag iedere christelijke leider zich toe-eigenen. Maar dat bedoelt men meestal niet als men het charismatische karakter van leiderschap benadrukt. Men legt dan vaak de nadruk op visionair leiderschap en authenticiteit, waarvan men hoopt dat het de redding voor een krimpende kerk betekent. Op dat punt kun je niet vooraf beslissen om charismatisch te zijn; dat moet zich bewijzen door ervaring en conflicten heen, waarmee de roeping en claim van de leider wordt bevestigd (of niet). Veel leiders doen uitstekend werk, maar niet allen worden ze gezien en ervaren als succesvol. Sommigen zullen op het schild worden geheven als charismatische leiders, nog veel meer zullen ‘gewoon’ hun taak volbrengen, en sommigen zullen ten onder gaan aan conflicten.

Het is echter heel goed mogelijk dat een leider die op het schild wordt geheven geen charisma voor leiderschap heeft ontvangen, terwijl een leider die diep lijdt onder zijn leiderschap wel degelijk een charisma kan hebben ontvangen. Dus laten we maar heel nuchter en nederig Paulus volgen in zijn toewijding aan de geloofsgemeenschap, om troostend, bemoedigend, corrigerend en soms strijdend ons leiderschapscharisma uit te werken. Of de loop van onze leiderschapscarrière er toe zal leiden dat men ons als ‘charismatisch’ betitelt, dat zal de toekomst uitwijzen. Maar zelfs al kent de gemeenschap


18 J. Bönker, en T. Wintels, Macht en manipulatie ... Toch niet onder christelijke leiders?! (Hoornaar: Gideon, 2004).

|34|

ons dat etiket toe, dan is dat nog geen reden om een website op te tuigen om aandacht voor ons charisma te vragen, want ons charisma is niet meer of minder dan dat van andere geestelijke leiders.

 

Relevante publicaties

‘Stereotyping and Institutionalization as Indications of Leadership Maintenance in the Pastoral Epistles: 1 Timothy as Test Case.’ In Handbook on Social Identity and the NT, edited by J.B. Tucker en A.B. Coleman, 389-406. London: T&T Clark, 2013.
‘Paulus en Korinte: Missionair leiderschap voor een Emerging Church.’ Soteria 29:1 (2012): 61-71.
Redactie met Patrick Nullens, Leadership, Spirituality and Innovation. Christian Perspectives on Leadership and Social Ethics 1. Leuven: Peeters, 2014.
‘Pre-Pauline Leadership and Pauline Constitution in the Roman Church: An Alternative Interpretation of Romans 12 and 16.’ In The Letter to the Romans, edited by U. Schnelle, 589-610. Leuven: Peeters, 2009.