4
2,295-314
01-05-1816

deels bespreking van: Vijf brieven ter verbetering van het plan van organisatie der Hervormde kerken, in de Noordelijke Provinciën van het Koningrijk der Nederlanden, Amsterdam: W. Brave, 1816

|295|

 

Vijf brieven ter verbetering van het plan van organisatie der Hervormde kerken, in de Noordelijke Provinciën van het Koningrijk der Nederlanden. Te Amsterdam bij W. Brave. groot octavo. 40 bladz. (de prijs is f — : 9 : —).

 

Ne Jupiter quidem omnibus! Het was, uit dien hoofdde, ook te voorzien, dat een Reglement van kerkbestuur, hetwelk eene kerkelijke inrigting, die twee eeuwen bestaan heeft, vernietigt, niet aan allen zoude kunnen behagen; dat er hier of daar over gezucht zoude worden, en dat men allerwege veel te berispen vinden en roepen zoude: het oude is beter! Al spoedig is dit ook gebeurd, en misschien veel meer, dan men, de vooronderstelde liberale denkwijze der Heeren Hervormde Predikanten in aanmerking genomen zijnde, had kunnen verwachten. Het is, uit dien hoofde, ook niet te verwonderen, dat de een of ander, overtuigd van het ongegronde van al dit gemurmel, ook zijne stem laat hooren, en voor het publiek doet zien, hoe weinig reden er is, om voor gevaar der kerk te vreezen, en hoe verre zelfs de nieuwe verordeningen de voorkeur

|296|

verdienen boven de ouden. Tot dat einde zijn de voor ons liggende brieven opgesteld en uitgegeven. De eerste vestigt de aandacht op de gebreken van het oude kerkbestuur; de tweede toont aan, dat de politieke invloed, bij het nieuwe Reglement bepaald, veel gematigder is dan die, welke dus ver bestond; de derde wijst aan, dat de hoofdgebreken der oude inrigting bij het nieuwe Reglement verbeterd zijn; de vierde vestigt het oog op verschillende andere heilzame verordeningen, welke het nieuwe Reglement bevat; eindelijk de vijfde beoordeelt de zamenstelling van het Synode en de Ringsvergaderingen.

Dit alles is met kennis van zaken gesteld. En schoon de Schrijver een verklaard voorstander van de nieuwe inrigting toont te zijn, geeft het voor zijne onbevooroordeelde denkwijze een gunstig vermoeden, dat hij niet alles onbepaald goedkeurt; makende hij geene zwarigheid, om de tegenwoordigheid van drie Professoren op het Synode aftekeuren. Voor het overige heerscht in deze Brieven een zeer bescheiden toon. Alleen het slot van den laatsten brief bevat eenige harde — ja zeer harde! — woorden, in welke men den wrevel over de tegenspraak, welke de nieuwe verordening vond, herkent; doch wegens welke harde woorden zij, die begonnen hebben met te schreeuwen over gevaar van de kerk, en die zich daarbij al menig hard — zeer hard — ja grof beleedigend woord tegen de stellers van het Reglement lieten ontvallen, niet het minste regt hebben van zich te beklagen.

De gebreken van het oude kerkbesturen waren,

|297|

volgens den eersten brief, gelegen in de talrijkheid der kerkelijke vergaderingen; in de onzekere wijze van zamenstelling; in de beperkte magt der leden, in gebrek aan eenheid, en, voor zoo verre de Synodale vergaderingen betrof, in de ontaarde inrigting der tegenwoordigheid van Commissarissen Politiek. Dit alles wordt kort en duidelijk uiteen gezet. Het was echter nog voor vermeerdering vatbaar geweest: en zou ons niet ongepast geschenen hebben, dat hier uitvoeriger ware ontwikkeld geworden de zeer trage gang, welken de kerkelijke zaken, uit hoofde van de bepalingen der kerkenorde, steeds nemen moesten. Inderdaad: eene onbevooroordeelde beschouwing van dit stuk alleen is meer dan voldoende, om te doen zien, dat het oude kerkbestuur niet deugde. Ik doe een voorstel op eene Classis, strekkende, om deze of die, inderdaad goede, verordening tot stand te brengen. De Classis vereenigt zich met mijn voorstel, en men geeft den Gecommitteerden ad Synodum in last, om het op het Synode te brengen. Zulks geschiedt. Het Synode geeft het voorstel ad referendum. Nu wordt er over gedelibereerd in alle de klassen. Deze brengen, een volgend jaar, hare stemmen uit op het Synode. Het voorstel aangenomen zijnde, wordt het in een besluit veranderd, en door de Heeren Correspondenten der andere Synodes overgenomen. Maar één dier Synodes is dit jaar reeds vergaderd geweest: dus komt het voorstel, van welks nut men overtuigd is, aldaar niet vóór het volgend jaar. Nu wordt hetzelve aldaar, in dat volgend jaar, door het Synode ad referendum gegeven aan de

|298|

klassen, die er alle over raadplegen, en, al weder in een volgend jaar, hunne vota op het Synode uitbrengen. Hoe veel tijd verliep hier niet? En toch, heet kon maar niet anders! Neemt men hierbij in aanmerking, dat alzoo eene verordening, die bij alle de Synoden aangenomen zou worden, eerst door veertien of vijftien honderd Predikanten moest bediscutieerd worden; zoo zal men moeten bekennen, dat deze inrigting zeer veel geleek naar de grondvergaderingen in de dagen der volksstem.

De tweede brief handelt over den invloed van het Politiek bestuur op het bestuur der kerk, en toont aan, dat dezelve, zoo als hij gewijzigd is bij het nieuwe Reglement, veel gematigder is dan die, welke bestond volgens de kerkenorde van 1619. Wij weten inderdaad niet, wat de tegensprekers van het nieuwe plan te antwoorden hebben op de daadzaken, welke hun hier worden voorgelegd. De Briefschrijver wijst ons hier op Art. 37 dier kerkenorde, waarbij aan elken Magistraat het regt wordt toegekend, om Commissarissen in den kerkeraad te zenden; niet enkel ad audiendum; maar om mede te delibereren. Sterker kan men zich toch wel niets voorstellen. Gelukkig, dat de Magistraten dit artikel niet schijnen gekend te hebben (*). Zoo iets


(*) In Amsterdam kende men dit nogtans wel degelijk. Bij elke kerkeraads-vergadering stonden daar steeds de twee stoelen voor degenen, die van den Magistraat konden gecommitteerd worden, gereed. — Nogtans schreeuwde men in Amsterdam het eerst over den invloed, door het nieuwe Reglement, aan de Politieken toegekend!! —

|299|

bestaat met het nieuwe Reglement niet. Even min kent men daar Commissarissen bij het Klassikaal bestuur, of bij de Provinciale kerkbesturen, ofschoon de laatste de Provinciale Synodes vervangen, op welke steeds Commissarissen Politiek gezonden plegen te worden.

Nog sterker is het hier geleverde bewijs, dat, volgens Art. 10, der oude kerkenorde, geen Predikant, naar elders beroepen zijnde, vrijheid had om derwaarts te vertrekken, zonder consent van den Magistraat: dat, in deze en die Provincie, geene gemeente eenen kerkeraad mogt kiezen, zonder toestemming van de Staten: dat de Raad van Staten zelf kerkeraden aanstelde in Staats-Braband, en dat dezelfde Raad geschillen over verkiezing van kerkeraadsleden besliste, en meer van soortgelijken aard.

Hierop wordt de aard van ’s Konings invloed op het kerkbestuur, volgens het Reglement, ontwikkeld; het gematigde daarvan aangetoond, en, voor zoo ver betreft het, aan den Koning toegekende regt van approbatie van kerkelijke reglementen, bewezen, dat dit niets anders is, dan hetgene reeds voor twee eeuwen heeft plaats gehad: zijnde de kerkenorde van 1619, met hare gevolgen, ook wel degelijk politiek onderzocht, veranderd, en daarna bekrachtigd.

De derde brief toont aan, dat de hoofdgebreken van het oude kerkbestuur, in het nieuwe Reglement hersteld zijn; zijnde de kollegiën van kerkbestuur, volgens dit Reglement, minder talrijk; de keuze verzekerd, door de afschaffing van het committeren bij beurten; éénheid in het kerkbestuur gebragt;

|300|

het misbruik ten aanzien der Commissarissen Politiek hersteld; en bij dit alles behoorlijk gewaakt tegen hiërarchie.

In den vierden brief, worden de heilzame verordeningen opgenoemd, welke, volgens het nieuwe Reglement, tot stand moeten komen. Het voornaamste, hetwelk hier opgenoemd wordt, is eene manier van procederen in kerkelijke zaken; een nieuw Reglement op de examina; de bepaling, dat, om zedelijk wangedrag, eenmaal afgezette Predikanten nooit weder in dienst gesteld kunnen worden; een Reglement op de klassikale onkosten; het meermalen in elk jaar vergaderen van de Provinciale kerkbesturen: terwijl de Provinciale Synodes niet meer dan éénmaal elk jaar te zamen kwamen, tot merkelijke vertraging in den loop der zaken enz.

Eindelijk, de laatste brief gaat over de zamenstelling van het Synode, en over de Ringsvergaderingen. De Schrijver vergoelijkt het admitteren van Professoren op het Synode voornamelijk daarmede, dat zij aldaar niet als leden zitten, maar als adviseurs. Met dit al heeft hij er bezwaar in. Ten aanzien van de Ringsvergaderingen merkt hij op, dat de inrigting op zich zelf heilzaam is, en dat het bijwonen derzelven, geene verpligting zijnde, maar eene invitatie, alleen diegenen, welke daar lust in hebben, zich vereenigen zullen: en dat deze vereeniging alzins goed is. Naïf schrijft hij: „Wie dergelijke zamenkomsten te onbelangrijk acht, blijve vrij t’huis: zijne tegenwoordigheid zou daar denkelijk van weinig nut zijn.”

Wij kunnen het lezen van deze brieven gerust

|301|

aanbevelen, en doen zulks, vastelijk vertrouwende, dat wie dezelve onbevooroordeeld leest, niet alleen ophouden zal, iets kwaads van de nieuwe kerkelijke inrigtingen te duchten; maar dat hij ook erkennen zal, dat in dezelve veel goeds tot stand gebragt is, hetwelk op geene andere wijze daargesteld konde worden.

——

Bovenstaande verslag biedt ons de gelegenheid aan, om bij hetgene de steller van hetzelve gezegd heeft, nog een enkel woord te voegen, naar de behoeften van het oogenblik, zoo wij vertrouwen, berekend.

Het eerste lezen van het Algemeen Reglement deed ons dadelijk met hetzelve ingenomen zijn; daar wij daardoor aan het Hervormde kerkgenootschap waarlijk een bestuur zagen geven, en in hetzelve eene éénheid en vastheid brengen, welke het nog nooit had bezeten. Met dat al voorzagen wij, dat het tegenspraak zoude vinden; wetende, dat er altijd menschen gevonden worden, die, of ter goeder trouw, in het veranderen van het oude gevaar zien; of er hun belang bij vinden, om bekommering ten dien opzigte voortewenden; daar zulks, naar het oordeel van den onkundigen hoop, een blijk is van getrouwheid en ijver voor de regtzinnigheid. Wij bekennen evenwel rondborstig, dat wij te hooge gedachten hadden van de verlichte denkwijze van de Hervormde Predikanten in het algemeen, om te kunnen vermoeden, dat dit Reglement, meer dan

|302|

bij eenige weinige bekrompene lieden, tegenspraak vinden zou. Hoe stonden wij verbaasd, te hooren, dat geheele klassen hare stem tegen hetzelve verhieven; dat men allerwege riep over gevaar voor de regtzinnigheid; dat men onder het volk de ongerijmdste uitstrooisels verbreidde; dat men openlijk voor de gemeenten bad, om verijdeling der raadslagen tegen Gods kerk, als of er eene zamenzwering tot haren ondergang bestond! Dit alles, wij belijden het, zouden wij nooit hebben geloofd, dat gebeuren kon, en wij hebben er ons over bedroefd, dezen geest der verkeerdheid te moeten bespeuren in het kerkgenootschap, in hetwelk wij geboren en opgevoed zijn; de belijdenis van welks leer wij ons tot eere rekenen; en welks bloei wij betuigen, ons zeer ter harte te gaan.

Wij hebben ons zelven afgevraagd, of men van de leden der consulerende Commissie met reden verwachten kon, dat zij eenig Reglement van kerkbestuur ontwerpen, onderteekenen en aan den Koning aanbieden zouden, bij hetwelk de leer van hun eigen kerkgenootschap, en daardoor dat genootschap zelve, in gevaar zoude worden gebragt? Wilden wij deze vraag bevestigend beantwoorden, dan moesten wij onderstellen, dat die leden of zoo weinig doorzigt hadden, dat zij niet wisten te onderscheiden, wat al of niet tot welzijn der kerk verstrekte; of, dat zij slecht genoeg waren om, voorbedachtelijk, hun eigen kerkgenootschap in gevaar te brengen, onder den schijn van deszelfs belangen te behartigen. Een derde is hier niet.

Dat nu het eerste geval niet bestaat, houden wij

|303|

voor uitgemaakt. Misschien zouden wij, zonder bedenking, mogen verzekeren, dat de minste der leden van de consulerende Commissie zoo goed in staat was, om te onderscheiden, wat belang van de Hervormde kerk is, als de eerste en beroemdste van degenen, die hunne stemmen tegen het Reglement verheven, en over gevaar der kerk geschreeuwd hebben.

Nog veel minder vermeenen wij, dat het andere geval bestaan heeft, of bestaan kon. Wanneer men het allerergste denken wil, dan kan men het mogelijk keuren, dat onder elf Predikanten van goeden naam, uit alle de Noordelijke Provinciën van het Koningrijk der Nederlanden gekozen, een enkele zoude kunnen schuilen, die het met zijn kerkgenootschap niet wel meende. Maar dat deze alle van denzelfden verkeerden geest zouden bezield zijn: dit is onmogelijk. En zulks zoude nogtans het geval hebben moeten zijn, bijaldien het Reglement, inderdaad, de kerk in gevaar brengt. Trouwens, eer nog deze Heeren elkanderen gesproken hadden, hebben zij alle, zonder van elkanderen te weten, het aan hun toegezonden ontwerp, wat het hoofdzakelijke betreft, aangenomen. Bij hunne zamenkomst in den Haag, is Artikel voor Artikel bij hen behandeld, en wij zijn in staat gesteld, om met volkomen vertrouwen te verzekeren, dat men het omtrent verre de meeste artikelen, zoo als die nu in het Reglement voorkomen, met elkanderen eens was; dat slechts ten aanzien van weinigen de meeningen bleven verschillen, zoo dat de meerderheid van stemmen moest beslissen: en dat deze verschillen

|304|

zoo weinig de hoofdzaken betroffen, dat bij het einde der beraadslagingen, alle de leden het ontwerp hebben onderteekend, zonder eenige reserve. Wij mogen ere bijvoegen, dat meer dan één lid dier Commissie, zonder bedenking, met hooge lofverheffing gesproken heeft van den geest der liefde, der gematigdheid, en der belangstelling in het welzijn der Hervormde kerk, welke alle de beraadslagingen heeft bestuurd: zoodanig, dat zij verklaren moesten, denzelven, in die mate, nimmer in eenige kerkelijke vergadering gevonden te hebben, en de Heer Commissaris Generaal daardoor even zeer getroffen als gesticht was: en dat zij van elkanderen zijn gescheiden niet zonder aandoening, en met de blijde hope, dat de ondervinding zoude leeren, dat zij hun kerkgenootschap wezenlijke dienste bewezen hadden.

Wanneer zoodanig de afloop is van beraadslagingen van Predikanten, vereerd met het vertrouwen van de aanzienlijkste gemeenten van ons vaderland, en in dezelve niet zonder nut en roem dienende; van Predikanten, onder welken er velen zijn, die door hunne Schriften zich hebben bekend gemaakt als warme voorstanders van het Evangelie, als ijverige bevorderaars van geloof en godzaligheid; van Predikanten, onder welken dezulken, die ook wegens hunne erkende aankleving van de leer hunnes kerkgenootschaps, zelfs boven vele anderen, in groote achting staan bij de gansche Nederlandsche kerk: wanneer zoodanig de afloop is van de beraadslaging der zulken; dan vragen wij, of er de minste grond van vermoeden wezen kan, dat, door

|305|

het ontwerp, hetwelk zij leveren, de kerk in gevaar gebragt, of hare belangen in de waagschaal gesteld zullen worden?

Maar, wat behoeven wij dergelijk beroep op de overtuiging en het zedelijk gevoel onzer Lezers? Daadzaken spreken hier ter beschaming van allen, die zich niet ontzien hebben, om door hun geroep, dat de kerk in gevaar werd gebragt, de leden dezer Commissie ingewikkeld bij de gemeenten in verdenking te brengen, als of zij hare belangen verraden hadden. Het is er zoo verre van af, dat zij iets, dat daarnaar zweemt, zouden hebben bedoeld, dat zij veeleer, in het IX Artikel van het Reglement aan elk lid van eenig kerkelijk kollegie de uitdrukkelijke verpligting hebben opgelegd, om te waken voor de handhaving der leer van de Hervormde kerk. Wat kan men meer verlangen? Hoe kan men dit lezen, en echter, ter goeder trouw, gelooven, dat de kerk in gevaar is?

Welligt zal men zeggen, dat men de bedoeling der leden van de consulerende Commissie niet wil verdenken; maar, dat, zonder hunne bedoeling, het Hervormd kerkgenootschap in gevaar gebragt is, door de nieuwe vormen, welke men aan het kerkbestuur gegeven heeft. Dit is, met andere woorden, gezegd: de leden van die Commissie hebben niet geweten, wat zij deden, en dus inderdaad gedaan, wat zij niet wilden doen. Boven zagen wij, dat dit niet waarschijnlijk is. Maar dit daar gelaten, moeten wij, inderdaad, ons kerkgenootschap beklagen, en zouden wij, in alle opregtheid, moeten

|306|

verklaren, dat hetzelve in zeer groot gevaar is, wanneer deszelfs steun gelegen is in die allergebrekkigste oude vormen van bestuur, en met deze wegzinkt. Gelukkig koesteren wij ten dezen opzigte andere gevoelens, en houden het daarvoor, dat de Evangelische denkwijze, op welke zoo wel Leeraren als leken nog hoogen prijs stellen, de zekerheid van ons kerkgenootschap uitmaakt; en dat, wanneer het eenmaal zoo verre komen mogt, dat deze verloren ging, geene vormen van bestuur, en wel allerminst onze voormalige jammerlijke klassen en Synoden, de Hervormde kerk voor eenen geheelen ondergang zouden bewaren.

Men heeft evenwel goedgevonden, niet alleen in openbare gesprekken; maar zelfs in adressen, met welke men den Koning is lastig gevallen, het te doen voorkomen, als of men door het vaststellen van invloed van het Staatsbestuur op het kerkelijke, de kerk had in gevaar gebragt, niet voor het tegenwoordige; maar voor het vervolg. De Constitutie, zegt men, levert geen’ waarborg op, dat de Koning een belijder van den Protestantschen, veel min van den Hervormden Godsdienst zal zijn. Wat? Indien men eens eenen Roomschen Koning krijgt, en deze dan zoo veel invloed heeft op ons kerkbestuur!

Wij laten het waarschijnlijke of onwaarschijnlijke van het bestaan van het opgenoemde geval daar; wij willen eens stellen, dat het geval besta. Wat dan? Laat ons die vraag beantwoorden uit de ondervinding, welke wij in onzen leeftijd gehad hebben!

|307|

Van het jaar 1806 af tot 1810 toe hebben wij werkelijk eenen Roomsch-Katholieken Koning gehad, en in al dien tijd is ons kerkgenootschap staande gebleven, en heeft hetzelve geen nadeel geleden. Was dit het gevolg van de wijze inrigting van ons kerkbestuur? of van de gematigde en verdraagzame denkwijze van den Koning? Wij dagen allen, die in deze dagen, zulke ijveraars hebben willen schijnen, openlijk uit, om ons het eerste te bewijzen: zijn zij daartoe niet in staat? Dat zij zich dan schamen en zwijgen! En dat dit niet bewezen kan worden, kan elk zien, die niet opzettelijk zijne oogen toedrukt en dus willens blind is. Indien Koning Lodewijk zoo onverdraagzaam was geweest als hij verdraagzaam was, zoude hij wel allerminst, in ondernemingen ten nadeele van ons kerkgenootschap en deszelfs leer zijn beteugeld geworden door eene kerkenorde, welke zelfs aan elke plaatselijke regering het regt toekende, om zich te steken in de zaken der kerk door het zenden van Commissarissen Politiek in den kerkeraad; door eene kerkenorde, welke den Politieken nooit belet heeft, op de besluiten onzer hoogere kerkvergaderingen zoo veel invloed uitteoefenen als zij maar goedvonden. Het was niet deze kerkenorde, die ons kerkgenootschap toen voor schade heeft gehoed: Het was de verdraagzaamheid van den Koning alleen!

Indien wij nu het geval stellen, dat, tegen alle waarschijnlijkheid aan, de Nederlandsche troon ooit werd bezeten door eenen Roomsch-Katholieken Vorst; zoo zal deze of verdraagzaam, of

|308|

onverdraagzaam tegen ons zijn. In het eerste geval, zal het volstrekt geen nadeel doen, dat hij, uit eene geheel door kerkelijken gereformeerde nominatie, een lid tot eene kerkelijke bediening roept, (even min als er de kerk nadeel bij geleden heeft, dat Koning Lodewijk hier en daar Predikanten aanstelde,) of dat hij Hervormde Commissarissen Politiek op het Synode zendt (gelijk Koning Lodewijk ook al deed). En, in geval die Koning met eenen onverdraagzamen geest tegen ons bezield was, zou hij zich aan geene verordeningen storen, en ook dan zouden ons de oude inrigtingen zo min beschermen als die ons voorheen beschut hebben. Met het oude te willen behouden, zou men in dat geval niets winnen: en even min door het nieuwe iets verliezen.

Wanneer men de zaak zelve niet tegenspreken kan, zoekt men het doorgaans in de wijze derzelve. Zoo doet men ook thans. Was er verbetering noodig, dan had deze — zegt men — op eene andere wijze tot stand moeten komen. Zulks had uit den boezem der gemeenten moeten komen. De leden der consulerende Commissie hebben geene kerkelijke zending gehad: maar alleen eene benoeming door den Koning!

Men moet al zeer kort van gezigt zijn, wanneer men niet ontdekt, waar zulke aanmerkingen heen moeten. Derzelver strekking is geene andere, dan alle denkbeeld zelfs van verbetering voor altijd te doen opgeven. Hoe zou het voorstel tot eenige verandering in onze kerkenorde ooit uit den boezem

|309|

der gemeenten hebben kunnen komen? Wie zou dat voorstel gedaan hebben? Wij verbeelden ons den Predikant, die het gewaagd had, van iets dergelijks te spreken, en uit het gedruis, hetwelk men nu gemaakt heeft, besluiten wij, wat hij te wachten had gehad. Van dezen kant had nooit de verbetering kunnen komen. Zoo zij, die nu roepen, dit had uit den boezem der gemeenten moeten komen! zulks zelve niet doorzien, verraden zij zoo veel onkunde van de gesteldheid van personen en zaken, dat zij alle regt om mede te spreken moeten geacht worden verloren te hebben.

Wij willen ons echter hiermede van dit punt niet afmaken: maar achten het van belang, hetzelve in het ware licht te plaatsen, en te doen zien, in hoe verre men niet, in hoe verre men wel degelijk zeggen kan, dat de daargestelde verandering uit den boezem, zoo al niet van de gemeenten, althans uit dien van kerkelijke personen voortgekomen is.

Let men ten dezen op den vorm, dan moet men zeggen, dat de daargestelde verandering niet uit den boezem der kerkelijken voortgekomen is; want er is tot dezelve geenerlei voorstel op eenige classis, of op eenige andere kerkelijke vergadering gedaan; veel min is eenig besluit daartoe bij dezelve genomen. Maar let men op den algemeenen wensch, welke bij kerkelijken bestond, om verbetering tot stand te zien brengen; dan verandert alles van gedaante. Het is toch niet van gisteren of eergisteren, dat het nietige, gebrekkige en dikwerf ergerlijke van onze klassikale en Synodale vergaderingen ingezien en erkend

|310|

werd, zoo wel bij verlichte en weldenkende leden onzer gemeenten als bij Predikanten. Jaren lang heeft men, bij toeneming, geklaagd, dat de klassen en Synoden zoo slecht zamengesteld; zoo nietig; zoo kracht- en klemmeloos waren. Meer en meer begonnen de weldenkendste onder de Predikanten zich aan derzelver zamenkomsten zoo veel mogelijk te onttrekken, en verborgen den wensch niet, dat hierin verbetering tot stand mogt komen; maar zij zagen de mogelijkheid niet in, om dezelve tot stand te brengen, en waren dus genoodzaakt, om van alle poging, daartoe strekkende, aftezien. Alleen eenige lieden, die ten deele geen doorzigt genoeg hadden, om den geheelen omvang van het gebrek te meten; ten deele geen gevoel genoeg bezaten, om er het ergerlijke van te beseffen; ten deele zich gestreeld gevoelden door de ingebeelde eer der bekleeding van eene kerkelijke waardigheid zonder kracht of gewigt; ten deele gehecht waren aan een of ander klein voordeel, aan deze of die Commissie verbonden; — alleen deze lieden koesterden dezen wensch niet. En wie kan zich daarover verwonderen?

Mogt nu de Souverein van het land op deze vrij algemeene erkentenis van het gebrekkige der oude inrigtingen; op dezen, vrij algemeen geuiten, wensch om verbetering geen acht geven? Mogt hij denzelven geene voldoening bezorgen, daar er geen andere weg daartoe open stond, dan die van politiek gezag? En daar de Koning dit gedaan heeft, na zich nog door kerkelijken te hebben laten

|311|

voorlichten, zal men nu, naar waarheid kunnen zeggen, dat althans de wensch naar verbetering niet uit den boezem der kerkelijken gekomen is?

Het is waar, de consulerende Commissie had geene kerkelijke zending. Maar het is even waar, dat zij die niet noodig had. De Koning verlangde consiliarii, en geene kerkvergadering. Kon hij nu tot raadslieden van zijnen Minister niet kiezen, wie hij wilde? Of moest hij aan onze klassen vragen, wie zij hem tot raadslieden geliefden toetevoegen? Welk eene belagchelijke aanmatiging zoude het zijn, dit te stellen!

Maar, bovendien, moet het elken nadenkenden mensch toch ten uitersten vreemd voorkomen, dat men dergelijke exceptiën nu maakt, terwijl men vroeger zweeg. Het was immers lang genoeg bekend, dat er eene consulerende Commissie door den Koning zoude benoemd worden, ten einde den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken de adsisteren in het ontwerpen der noodige verordeningen ter nadere regeling van het bestuur der Hervormde kerk, overeenkomstig derzelver tegenwoordige omstandigheden en behoeften. Zoo luidden de woorden van ’s Konings besluit van den 12den Oktober 1814, hetwelk destijds reeds aan alle de Synodale Deputaten is medegedeeld. Voor bijna anderhalf jaar was dit dus reeds bekend. Sedert zag men de leden benoemen. Men vernam, dat zij hunne werkzaamheden voltooid hadden. Men droeg wel geene officieele kennis van hetgene zij hadden verrigt; maar zoo veel wist men toch met genoegzame zekerheid, dat er veranderingen op til waren.

|312|

Doch geene Classis schijnt er, in al dien tijd, op gedacht te hebben, om zich aan den Koning te adresseren, en hem te kennen te geven, dat die consulerende Commissie den Minister des Konings niet adviseren mogt, ten zij dezelve eene kerkelijke zending had! Nu alles zijn beslag heeft, gaat dit licht eerst over het verstand van zekere Heeren op, bij welken het, helaas! al te laat dag wordt!

De ware reden der tegenspraak, en van dergelijke exceptien valt hier duidelijk in het oog. Het Reglement bevalt zekere menschen niet, omdat het een eigenlijk gezegd bestuur daarstelt. De menschen regeren zoo gaarne! En zelfs diegenen, welke niet in staat zijn om zelve te regeren, kunnen toch het denkbeeld niet verdragen, dat zij geregeerd worden. Bij de benoeming van het nieuwe kerkbestuur, is men of geheel voorbij gegaan, of men is niet hoog genoeg geplaatst. Dit kwetst de eerzucht, heerschzucht, en welke zuchten al niet meer? Nu deugt niets in het Reglement; nu deugde de Commissie, die het ontworpen heeft, ook niet; nu begint men te bedenken, dat deze niet gekwalificeerd was van kerkelijke vergaderingen: en door het opperen van alle deze en dergelijke uitvlugten, die men, met eenige menschenkennis en Predikantenkennis, voorzien kon, dat gemaakt zouden worden, doet men nu magtelooze pogingen, om, opdat men blijve heerschen, ware het mogelijk, verordeningen te behouden, welke, uit hoofde van hare erkende gebreken, zelfs door de eerste Zeloten van onze dagen niet verdedigd kunnen worden.

Zonderling moet het eindelijk voorkomen, dat,

|313|

hier en daar, dezelfde lieden, die het Reglement, en van onwettigheid, en van gevaarlijkheid voor de kerk beschuldigen, te gelijker tijd, geene zwarigheid maakten, om zich tot kollegiën van kerkelijk bestuur te laten installeren. Indien wij overtuigd waren, dat eene nieuwe inrigting van het kerkelijk bestuur uit den schoot der Gemeenten had moeten voortkomen (in den zin, waarin deze Heeren zulks meenen), zoo zouden wij vermeenen, ons zeer schuldig te maken, door ons in een kerkbestuur te laten plaatsen, hetwelk dan, naar ons oordeel, onwettig zoude zijn. Dit is zoo duidelijk, dat men zich niet genoeg verwonderen kan, juist het tegendeel te zien gebeuren. Maar juist deze actio, protestationi contraria bewijst, dat wij zoo even de ware bron en de beweegredenen van de tegenspraak der nieuwe verordeningen aangewezen hebben. Regeren moet men: en kan men dit niet meer volgens eene inrigting, welke men pretendeert alleen wettig te zijn, dan maakt men geene bedenking meer, om zulks te doen volgens een Reglement, hetwelk men zelf als onwettig heeft uitgekreten!

Zoo veel vermeenden wij in het tegenwoordige tijdstip, te moeten zeggen, ten einde ook het onze bijtedragen ter geruststelling der, hier en daar maar al te zeer ontruste, gemoederen. Bevat hetgene wij gezegd hebben waarheden, welke dezen en dien hard vallen om te hooren; zulks is niet onze schuld. Zij hebben dit aan zich zelven te wijten. Wie begint, met zonder grond te roepen over gevaar voor leer en kerk, en daardoor en zijne medebroeders, die dat voorgewende gevaarlijke Reglement ontwierpen,

|314|

en den Koning, die het arresteerde, ingewikkeld te beschuldigen, als of zij de belangen der Hervormde kerk verraden, of althans op het spel gezet hadden; moet het zich getroosten, zoo hem een nadrukkelijk woord van tegenspraak toegevoegd; zoo hem harde waarheden gezegd worden: en hij heeft het aan zich zelven te danken, zoo ten laatste de schande en minachting, welke hij op zijne medebroederen heeft getracht te werpen, hem zelven ten deele valt. Tantum!