33-76

|33|

 

 

„Buiten de Kerk geen Zaligheid”.

Art. 27-29 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis

door

Dr. K. Dijk.

 

 

 

|35|

 

 

„Buiten de Kerk geen Zaligheid”.

Art. 27-29 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis.

 

„Meer dan ooit wellicht, aldus vangt prof. Fabius zijn geschrift over „Kerkelijk Leven” aan, is heden-ten-dage de Kerk in geding” 1), en hij doelt blijkens den inhoud zijner polemiek, niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats op de tegenkanting, welke de Kerk van de zijde des ongeloofs ondervindt, maar hij heeft inzonderheid het oog op die geschillen die zich binnen den kring der belijdenis over het vraagstuk der Kerk hebben voorgedaan. En dit geding mag niet onderschat worden. Onder de vele vragen, die in de laatste tijden het gereformeerde leven beroeren, en ons dagelijks er aan herinneren, dat waarlijk niet alles is opgelost, neemt het kerkelijk probleem een niet geringe plaats in, en het is met name de quaestie van de pluriformiteit der Kerk, welke de gedachten bezig houdt, en ons tot nadere rekenschap van het tijdenlang, zonder eenig publiek gravamen beledene, dwingt.

Nu heerscht er over het feit der pluriformiteit onder ons geen geschil. Er is niemand, die de bewering aandurft, dat het lichaam van Christus zich slechts in één instituut openbaart, en allen zijn het hierover eens, dat de pluriformiteit moet worden aanvaard 2). De minder-zuivere Kerken zijn ook als Kerk te erkennen, en buiten het meest-zuivere instituut worden in kerkelijke gemeenschap of ook in secte en vergadering tal van waarachtige Christenen gevonden, die in persoonlijke godsvrucht en ijver voor het rijk des Heeren bij de leden der meest-zuivere Kerk geenszins achterstaan. Doch met deze eenstemmige

|36|

beginselverklaring zijn we op lange na niet gereed. Wanneer wij dieper op dit verschijnsel der „veelvormigheid” ingaan, rijzen er tal van vragen op, wier beantwoording ons voor niet geringe moeilijkheden plaatst, en reeds tot gewichtig meeningsverschil geleid heeft. Ik wijs hier slechts op de quaestie, die zich ook op de Algemeene Vergadering van de Vereeniging van Predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland in 1916 naar voren heeft gedrongen 3), of n.l. de pluriformiteit voor een deel het werk des Heeren is, of alleen als een gevolg der zonde moet beschouwd worden, en ik noem in de tweede plaats de belangrijke vraag, die ik in dit referaat wensch te bespreken, of de „veelvormigheid” der Kerk in overeenstemming, dan wel in strijd is met da Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Dit vraagstuk is niet nieuw. Het is, zij het dan in anderen vorm, reeds ter sprake gekomen op de Dordtsche Synode, waar de Remonstranten op zeer voorzichtige wijze en in vragenden vorm bezwaar maakten tegen de uitdrukking van art. 28 „en dat buiten haar, (d. i. de ware Kerk) geene zaligheid is4). Het heeft in latere tijden, toen het splitsing-proces in de Kerk zich steeds verder voortzette, en niet alleen verschillende kerkformaties tot stand kwamen, doch ook velerlei groepen en secten ontstonden, scherper vormen aangenomen, en het is in de Gereformeerde Kerken tot een zeer actueele quaestie geworden door het gravamen, dat Dr. C.M. Buizer te Middelburg bij den kerkeraad der Gereformeerde Kerk aldaar tegen artt. 27-30 onzer Confessie heeft ingediend 5).

Dit gravamen, dat zich wel tegen alle vier genoemde artikelen richt, concentreert zich echter in de quaestie of de Nederlandsche Geloofsbelijdenis leert, dat er buiten het kerkelijk instituut, in casu de Gereformeerde Kerken, geen zaligheid is, en tot dit vraagpunt wensch ook ik mij te beperken. De plaatsruimte, welke mij werd toegemeten, is te klein, dan dat ik op het kerkelijk vraagstuk in het algemeen zou kunnen ingaan, en wie verwacht, dat ik in den breede zou handelen over het wezen

|37|

der Kerk, heeft te groote taak mij toegedacht. Voor ik echter op de zaak zelve inga, moet ik enkele opmerkingen maken om mijn methode van behandeling te rechtvaardigen, en mij bij voorbaat tegen een mogelijke aanklacht Van „inlegkunde” te verdedigen. In de eerste plaats deze, dat bij de bestudeering der symbolen, en met name der drie formulieren van eenigheid nimmer mag vergeten worden, dat zij geen academisch-wetenschappelijke verhandelingen zijn. Zelfs is bij da opstelling van de Canones van Dordrecht, die toch in veel schoolscher geest geformuleerd zijn dan onze Confessie, nadrukkelijk uitgesproken, dat deze leerregels geen academisch, maar een populair karakter moesten dragen, zich onthouden moesten van streng wetenschappelijke vraagstukken, en er alleen in moest worden opgenomen wat de aedificatio Ecclesiarum bevorderen kon 6). Wanneer deze methode bij de Canones is gevolgd, is zeker in de Belijdenis des Geloofs niets anders te verwachten, want zij is niet een theoretische verhandeling, die allerlei dogmatische definities geeft, maar een getuigenis des geloofs, dat uit dien drang dar omstandigheden is geboren, uit het hart is opgeweld, en zich tot Spanjes koning richt „pour nos defendre des crimes dont on nous charge” 7).

Ten tweede dient ook ernstig rekening gehouden te worden met het historisch milieu, waaruit dit belijdenisschrift is opgekomen, en dat voor een niet gering deel de formuleering heeft beheerscht, terwijl eindelijk alle nadruk hierop moet vallen, dat onze Confessie niet op zichzelve staat, maar ten nauwste samenhangt met en wortelt in den geestelijken gedachtenkring, waarin de opsteller leefde, en waaruit hij zijn materiaal heeft geput 8). Guido de Brès was niet een eenling, die in dogmaticis geheel los stond van de gereformeerden van zijn tijd en dingen leerde, welke niemand anders voor hem beleden had, maar hij is een der trouwste discipelen van Calvijn geweest 9), en in zijn Confession de Foy heeft hij de Confessio Gallica bijna in alle deelen gevolgd 10).

|38|

Het is dan ook niet mogelijk den zin van de bovengenoemde artikelen te verstaan, wanneer wij ons niet eerst rekenschap gegeven hebben van het gevoelen der Reformatoren, en met name van het standpunt van Calvijn, over de Kerk, en ik wil daarom beginnen met te onderzoeken, in welken zin door de voorgangers van De Brès geleerd is, dat er buiten de Kerk geen zaligheid is.

Voor deze quaestie zijn zij n.l. terstond geplaatst door den strijd met Rome, die slechts één Kerk erkende, en wel de Roomsche Kerk. Wel gaat de Roomsche leer ervan uit, dat de Kerk de vergadering der geloovigen is, maar die communio sanctorum treedt toch geheel op den achtergrond. De Kerk is eigenlijk niets anders dan heilsinstituut. Zij is de schatbewaarster en uitdeelster der genade Gods. Aan haar is de zaligheid verbonden; Wie behouden wil worden, moet uit haar hand de genade ontvangen, en op deze wijze heeft Rome de Kerk geheel in het instituut laten opgaan. Onzichtbare en zichtbare Kerk heeft zij vereenzelvigd en wel in dezen zin dat zij alleen een uitwendig-zichtbare Kerk kent, die geen andere Kerken naast zich kan dulden, en de eenige tempel des Heeren is. Op dit standpunt is Rome er toe gekomen om te loeren: Una est ecclesia, et ecclesia est Romana catholica, en tegenover de Waldenzen e. a. heeft zij uitgesproken, dat buiten haar instituut geen zaligheid te vinden is 11). Wel is in later tijd, en reeds op het concilie van Trente, deze stelling verzwakt, en heeft men, ter wille van het feit, dat het meerendeel der Christenheid zich buiten haar kerkmuren bevindt, allerlei concessies gedaan, doch het grondprincipe der pauselijke hiërarchie is, dat haar alleen de thesaurus salutis is toevertrouwd, gelijk Paus Pius X (1846-1878) nog duidelijk heeft uitgesproken 12).

Met die kerkidee hebben de Reformatoren geheel gebroken, en met kracht zijn zij tegen de veruitwendiging der Kerk door Rome opgekomen. Tegenover haar vereenzelviging van onzichtbare en zichtbare Kerk hebben zij het geestelijk karakter,

|39|

de invisibilitas der Kerk weer op den voorgrond gesteld, en het onderscheid tusschen de Ecclesia invisibilis en visibiliis is door hen zonder onderscheid aanvaard. Deze onderscheiding was noodig om hun breuk met Rome’s instituut te rechtvaardigen, want, indien Rome gelijk had, zouden zij zich van de Christelijke Kerk afgescheiden en een nieuwe Kerk opgericht hebben. En dat wilden de Reformatoren niet. Zij stichtten geen nova Ecclesia, maar brachten de oude Christelijke Kerk, die in Rome’s instituut jammerlijk verbasterd was, weer tot zuivere openbaring, en de Kerk, welke zij verlieten, was niet de gemeente van Jezus Christus, maar het zichtbare instituut, de zichtbare openbaring in Rome, welke ten diepste gedeformeerd was. Nu mag deze onderscheiding niet verkeerd worden verstaan. De Ecclesia invisibilis et visibilis zijn niet twee Kerken, die naast elkaar staan, want de Reformatoren hebben steeds als eerste grondbeginsel geleeraard: er is maar één Kerk, doch ze zijn twee zijden van dezelfde zaak, d.i. van de eene Kerk, waarvan de eene zijde de Kerk is, zooals God ze ziet, als het mystieke lichaam van Christus, hetwelk in het onzichtbare schuilt, en de andere die Kerk is, gelijk wij ze zien, en zooals zij in de openbaring der geloovigen in leven en belijdenis naar buiten uittreedt. Deze beide zijn als ziel en lichaam op het nauwst met elkander verbonden, en al moet dus tegenover Rome aan de onderscheiding streng worden vastgehouden, aan den anderen kant mag niet worden vergeten, dat het toch slechts één Kerk is, de congregatio fidelium, zij het dan met een dubbele qualiteit 13).

Hieraan moet nog een opmerking worden toegevoegd. Rome liet niet alleen zichtbare en onzichtbare Kerk in elkaar opgaan, maar zij vereenzelvigde tevens die zichtbare Kerk en haar instituut, en ook van die dwaling heeft de Reformatie zich afgekeerd. Geen enkele der Hervormers staat op het standpunt dat de zichtbare Kerk in het institutaire opgaat, maar zij hebben wel terdege onderscheiden tusschen de singulae Ecclesiae, d.z. de plaatselijke, geïnstitueerde kerken, en de Ecclesia universalis 14),

|40|

die nader omschreven kan worden „als het geheel van allen, die op eenigerlei wijze met Woord en Sacrament in aanraking zijn gekomen” 15).

Echter, en dit is de vraag waarop het in dit referaat aankomt: welk standpunt hebben de Reformatoren ingenomen tegenover andere Kerken en hoe hebben zij gedacht over destelling: extra Ecclesiam nulla salus? Natuurlijk is dit principe, in Roomschen zin opgevat, door hen verworpen en hebben zij tegenover de notae verae Ecclesiae, welke Rome leerde, gansch andere kenmerken voor de ware Kerk gesteld, n.l. de overeenstemming met het Woord Gods, doch ook door hen is uitgesproken, dat er buiten de Kerk geen zaligheid is, gelijk deze uitdrukking in art. 28 van onze Confessie en andere symbolen voorkomt. Maar — buiten welke Kerk? Hoe moet dit „exclusivisme” worden opgevat? Vallen de Reformatoren niet in de oude dwaling terug? Om op die vragen een antwoord te geven, moet ik even stilstaan bij het gevoelen der Reformatoren afzonderlijk, omdat zij bij de overeenstemming, waarvan zooeven gesproken is, toch in enkele fijne puntjes uiteenloopen Luther’s kerkbegrip is n.l. niet precies hetzelfde als dat van Calvijn. Hij is immers niet tot de breuk met Rome gekomen uit een zuiver reformatorisch beginsel, om n.l. aan de Kerk een nieuwe forma te geven, doch louter uit een geestelijk, of wil men een dogmatisch-religieus belang. Het ging bij Luther in de allereerste plaats om het soteriologisch principe van de rechtvaardigmaking door het geloof, en staande op den hechten grondslag van die belijdenis, kwam hij op tegen de pauselijke hiërarchie, die de vergeving der zonden aan de goede werken verbond, en verkondigde dat zij alleen, door de werking van het Sacrament, de genade kan uitdeelen. Daaruit vloeit als vanzelf voort, dat hij begon met allen nadruk te leggen op de onzichtbaar-inwendige zijde der Kerk, ook natuurlijk om de afwerping van het Roomsche juk te rechtvaardigen, en bij hem het: „ik geloof een heilige, algemeene, Christelijke Kerk” op den voorgrond staat: de Kerk is naar haar

|41|

wezen de congregatio sanctorum. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd, dat Luther de zichtbare openbaring van het corpus Christi zou ontkennen. Ook hij leert dat de Kerk in hei uitwendige naar buiten uittreedt, en die openbaring van het onzichtbare vinden wij in de prediking van het Woord en de bediening der sacramenten En op dat laatste komt voor Luther alles aan. In die objectieve factoren, de toediening dier genademiddelen, schuilen de notae voor de ware Kerk, en Luther heeft den regel van Rome: ubi Papa, ibi Ecclesia eigenlijk veranderd in het: ubi Verbum Dei, ibi Ecclesia. De zichtbare gestalte der Kerk omvat dan ook de hypocriten en ongeloovigen, voor zoover zij aan de uitwendige prediking en de sacramenten deel hebben, doch ze zijn in de werkelijkheid geen burgers van het koninkrijk Gods, doch membra regni Diaboli.

Nu kan dit alles door ons tot op zekere hoogte worden toegestemd, maar toch is er tusschen Luther’s opvatting en de Gereformeerde beschouwing verschil. Luther heeft n.l. weinig gegeven om de uitwendige, institutaire openbaring van de Kerk, en de forma Ecclesiae ten achter gesteld 16); indien er maar recht gepreekt en de sacramenten objectief zuiver bediend werden, kwam het op de verdere zuiverheid van het instituut niet aan, en in de Luthersche Kerk is dan ook, in tegenstelling met de Gereformeerde, de tucht niet gehandhaafd. Op die wijze is bij Luther de Kerk heilsanstalt, heilsinstituut geworden om n.l. aan de menschen het heil in Christus te prediken. Terwijl de Gereformeerden de Kerk altoos opgevat hebben als heilsgemeinde, en ook de zichtbare openbaring beschouwen ars de vergadering der geloovigen heeft Luther de heilsgemeinde teruggedrongen tot de Ecclesia invisibilis, en de Ecclesia visibilis opgevat als predikinstituut en heilsanstalt. Waar het ambt is, is de Kerk. Alles concentreert zich in de Ecclesia docens, in de verkondiging des Evangelies en de bediening van het sacrament, en waar buiten dat Woord geen zaligheid is, kan ook van de zichtbare Kerk, evengoed als van de onzichtbare, als het lichaam

|42|

van Christus, gezegd worden: extra Ecclesiam nulla salus. Hier is dus overneiging tot het Roomsche standpunt, want waar dit alles aan de hiërarchie onderwerpt, komt het bij Luther aan op het leerambt, doch Luther is weer hierin van Rome onderscheiden dat hij de zaligheid niet bindt aan een bepaald instituut maar aan de openbaring der Kerk in de bediening der genademiddelen. Het is dan ook opmerkelijk dat in de Confessio Augustana de Kerk niet voorkomt als vrucht van het werk des Heiligen Geestes, maar als instituut, waardoor de justificatio per fidem geschiedt. De orde is niet aldus, dat God eerst menschen bekeert, die samen de Kerk vormen, maar ieder moet tot het geloof komen door de Kerk, zoodat buiten haar geen zaligheid is 17).

Zwingli heeft in zijn Fidei ratio van 1530 het onderscheid tusschen de Ecclesia visibilis en invisibilis verdiept. De Ecclesia invisibilis zijn de electi, die Gode alleen bekend zijn, en op Zijn tijd tot het geloof komen, terwijl hij de zichtbare Kerk onderscheidt in de Ecclesia universalis, welke allen, die Christus belijden, ook de hypocriten, omvat, en de Ecclesia particularis, die zich plaatselijk openbaart 18). Is nu de zaligheid beperkt tot de Ecclesia visibilis? Neen zegt Zwingli, want de kinderen der heidenen zijn niet per se van de zaligheid uitgesloten, en in tegenstelling met Luther, die de zaligheid aan Woord en sacrament bindt, neemt hij de mogelijkheid aan, dat ook daarbuiten de genade van Christus medegedeeld wordt 19).

Bij Calvijn’s standpunt moeten we even langer stilstaan, omdat hij de geestelijke vader van onze Confessie is, en de belijdenis der Kerk het zuiverst geformuleerd heeft. Hij toch heeft niet alleen met Luther tegenover Rome’s vereenzelviging van de onzichtbare met de zichtbare Kerk het onderscheid tusschen die beiden in het licht gesteld, maar evenzeer heeft hij tegenover Luther, die te veel scheidde en eigenlijk slechts aan de onzichtbare Kerk een geestelijk karakter toekende, de eenheid van beide met klem gehandhaafd 20). Calvijn gaat hierbij

|43|

uit van de ééne Kerk, n.l. het „corpus electorum”, dat, in zoover het alle uitverkorenen omvat en dus de bruid van Christus kan genaamd worden, een voorwerp is van ons geloof en niet van ons zien, gelijk hij heeft uitgesproken in de eerste uitgave van zijn Institutie: „Primum credimus sanctam ecclesiam catholicam, hoc est, universum electorum numerum 21), en . . . . . Haec est ecclesia catholica, corpus Christi mysticum” 22). Dit is door hem in de laatste editie nader uitgewerkt, waar hij van de onzichtbare Kerk zegt: . . . . omnes quoque electos Dei 23), en de eenheid der Kerk aldus beschrijft: „Ideo Catholica dicitur, seu universalis: quia non duas aut tres invenire liceat quin discerpatur Christus: quod fieri non potest. Quin sic electi Dei omnes in Christo sunt connexi, ut quemadmodum ab uno capite pendent, ita in unum velut corpus coalescant, ea inter se compage cohaerentes qua eiusdem corporis meimbra: vere unum facti, qui una fide, spe, charitate, eodem Dei Spiritu simul vivunt, non in eandem modo vitae aeternae haereditatem, sed in unius Dei ac Christi participationem etiam vocati” 24).

Dit lichaam van Christus blijft echter niet verborgen, maar het openbaart zich in de belijdenis en het leven der geloovigen, en heeft dus niet slechts een onzichtbare, doch tevens een zichtbare zijde. Het treedt naar buiten uit, doch die zichtbare openbaring is niet een aparte Kerk naast de onzichtbare, maar dezelfde Ecclesia, dezelfde congregatio fidelium, en dan nu zooals zij in haar zichtbaar bestand zich in deze wereld doet gelden en voor de oogen der menschen bekend wordt 25). Over die zichtbare Kerk handelt Calvijn uitvoerig in zijn Institutie, (verum quia nunc de visibili Ecclesia disserere propositum est) 26), en waarin bestaat dan deze zichtbare openbaring der Kerk? Zij treedt natuurlijk op in het instituut, want het is de eisch des Heeren dat de geloovigen de Kerk van Christus constitueeren in een vorm en gestalte, die zoo zuiver mogelijk moet zijn, maar zij gaat, gelijk wij te voren op blz. 41 reeds opmerkten in het instituut niet op. Calvijn maakt in de daar aangehaalde

|44|

uitspraak van de Institutie onderscheid tusschen de Ecclesia universalis, die vergaderd is „ex quibuscunque gentibus, quae intervallis locorum dissita et dispersa,” en de singulae Ecclesiae, „quae oppidatini et vicatim dispositae sunt” 27), waaruit duidelijk blijkt dat de zichtbare zijde der Kerk niet in het institutaire besloten wordt. Zij is meer; zij is alle openbaring van het waarachtig geloof; zij is de openbaring van Christus’ kudde in deze wereld, of zooals hij zelf zegt: „Saepe autem Ecclesiae nomine universalem hominum multitudinem in orbe diffusum designat, quae unum se Deum et Christum colere profitetur: Baptismo initiatur in eius fidem: Coenae participatione unitatem in vera doctrina et charitate testatur: consensionem habet in verbo Domini, atque ad eius praedicationem ministerium conservat a Christo institutum” 28). In die Kerk zijn ook hypocriten, doch wij hebben, waar alleen de Heere degenen kent, die de Zijnen zijn, hen, zoolang hun geveinsdheid niet ontdekt wordt, voor geloovigen te houden.

Buiten die zichtbare Kerk nu is er volgens Calvijn geen zaligheid, want zoo spreekt hij zich nadrukkelijk over de Ecclesia visibilis uit: „. . . . quod extra eius gremium nulla est speranda peccatorum remissio, nec ulla salus” 29). Deze uitdrukking mag derhalve niet beperkt worden tot de onzichtbare Kerk en het mystieke lichaam van Christus, doch Calvijn heeft wel terdege geleerd, dat ook buiten de zichtbare openbaring der Kerk geen waarachtig heil is te vinden. Maar valt hij door deze stelling niet in de Roomsche dwaling terug? Sluit een dergelijke uitspraak niet alle pluriformiteit uit? Leidt deze leer niet tot een onchristelijk exclusivisme, dat in strijd is met het Woord van Christus: Wie tegen ons niet is, die is voor ons (Luk. 9: 50)? M.i. niet, indien slechts op een drietal zaken gelet wordt. In de eerste plaats mag niet worden vergeten, dat, zooals reeds eerder is opgemerkt, de zichtbare Kerk niet met het instituut samenvalt, en Calvijn hier bepaaldelijk gedacht heeft aan de Ecclesia universalis. Het is dus tegen zijn bedoeling, wanneer men

|45|

uit zijn oordeel de conclusie trekt, dat hij de zaligheid zou binden aan het instituut, en met name aan het Gereformeerde instituut, want dit is, zooals we straks nog zien zullen, door hem zelf in tal van uitspraken weerlegd en verworpen. Ten tweede moet de nadruk hierop vallen, dat die Ecclesia universalis zichtbaar is in de belijdenis en den wandel der geloovigen, en in het brengen van bet Evangelie, gelijk Calvijn het Woord, de „salvivica Christi doctrina” de ziel, de anima der Kerk noemt 30). Zelfs stelt hij het behooren tot de Kerk gelijk met het hooren van [het] Evangelie, en in het gedeelte van de Institutie waarin hij het „extra ecclesiam nulla salus” uitspreekt, beroept hij zich op Joel 2: 32, waar van het aanroepen van ’s Heeren Naam sprake is 31). Heel het verband wijst er op, (hij spreekt b.v. van de „school”, die wij moeten doormaken, en van het discipelschap van Christus), dat hij allerminst het oog heeft op den institutairen vorm der Kerk, maar op de aanraking met het Woord Gods, en de openbaring in leven en belijdenis. En in dien zin is de genoemde stelling zeer zeker te handhaven. Buiten het Evangelie is er geen zaligheid, en hoe zullen zij gelooven, indien zij niet gehoord hebben, en hooren, indien hun niet gepredikt wordt? (Rom. 10: 14), terwijl toch de Heilige Schrift ons evenzeer leert, dat degenen, die geen goede werken doen, het koninkrijk Gods niet zullen beërven. En eindelijk mag niet worden vergeten, dat deze uitdrukking, die wij misschien, met het licht dat wij ontvingen, en lettende op de veelvormigheid, die ons omringt, nauwkeurig geformuleerd of duidelijker zouden omschreven hebben, nadrukkelijk gericht is tegen de Wederdoopers, om tegenover hun veronachtzaming van de genademiddelen, en hun miskenning van het Woord, aan het Evangelie alle recht te doen wedervaren 32).

Hiermede is echter niet alles besproken. Nog zou kunnen tegengeworpen worden, dat Calvijn toch door zijn tegenstelling tusschen de ware en valsche Kerk de zaligheid aan het eene instituut gebonden en aan het andere ontzegd heeft. Deze tegenstelling toch heeft betrekking op de openbaring van het lichaam

|46|

van Christus in de Ecclesia particularis, in het instituut, want zoo lezen wij in de Confessie van Genève: . . . . nous entendons que la droicte marqué pour bien discerner l’Eglise de Jesuchrist est quant son sainct Evangille y est purement et fidèlement presché, annoncé, escouté et gardé; quant les sacremens sont droictement administréz . . . .33), en wordt hiermede niet aan één Kerk het privelege der zaligheid uitgereikt ? Sluit Calvijn feitelijk niet de Roomsche Kerk, die hij blijkens het aangehaalde hoofdstuk uit de Institutie op het oog heeft, buiten de gemeente van Christus? Het schijnt zoo, en Calvijn gebruikt wel eens krasse uitdrukkingen, die den indruk vestigen dat hij Rome voor niets anders dan voor een templum diaboli houdt, en de Gereformeerde Kerk voor de vera Ecclesia, doch uit die „phrases duriores”, die in dagen van kerkelijken strijd niet zeldzaam zijn, mag niet te veel worden afgeleid, en de schijn misleide ons niet. Uit andere uitspraken van den grooten Hervormer blijkt zonneklaar, dat bij in Rome nog een overblijfsel van de Kerk erkent, en haar allerminst als de valsche Kerk veroordeelt. Het is hem n.l. niet te doen geweest om enkel en alleen een tegenstelling tusschen twee bestaande Kerken te poneeren, of om een feit te constateeren, maar, al mag dit eerste niet geheel vergeten worden, om den maatstaf aan te geven, waarnaar de ware en valsche Kerk moeten beoordeeld worden, en de kenteekenen aan te wijzen, waaraan ieder de openbaring van Christus’ lichaam heeft te toetsen. En ja, dan moet het ideaal wel hoog gesteld, en de definieering wel scherp wezen. Dan kan men in zulk een „keur” niet allerlei concessies opnemen en uitzonderingsgevallen noemen, maar moeten de lijnen zuiver worden getrokken, en de gestelde normen in volle overeenstemming zijn met ’s Heeren Woord. Het is echter een gansch andere vraag of de werkelijkheid aan dien eisch ten volle bantwoordt. Calvijn voegt zelf aan de zooeven aangehaalde zinsnede uit Art. 18 van de Geneefsche Confessie de woorden toe: „encores qu’il y ayt quelques imperfections et faultes, comme tousjours il y en aura entre les hommes” 34), en hij erkent in

|47|

de Institutie dat ook die Kerk, waarin de zuivere bediening des Woords en der sacramenten gevonden wordt, nog vele gebreken heeft: „etiamsi multis alioqui vitiis scateat” 35). Hierop wijst ook prof. Bavinck, wanneer hij opmerkt, dat de latere Gereformeerden zich gedrongen zagen, „om met Calvijn te erkennen, dat er in de ware kerk veel onzuivers in leer en leven voorkomen kan, zonder dat dit recht tot afscheiding geeft, en dat er in de gescheiden kerken dikwerf veel goeds wordt gevonden” 36). Dat kon ook niet anders, wilde men de continuïteit der Kerk niet loslaten en het gevaar mijden om aan de Roomsche Kerk het praedicaat christelijk geheel te ontzeggen.

Op dit standpunt is het ook te verklaren, waarom Calvijn tegenover andersdenkenden zoo ruim van hart is geweest. Nooit heeft hij den christennaam alleen voor de Gereformeerden opgeeischt, al zag hij in de Gereformeerde Kerk de Ecclesia vera, in dezen zin, dat zij het meest beantwoordde aan de notae Ecclesiae verae, maar altijd heeft hij de eenheid dier Christenen gezocht en, voor zoover hem dit mogelijk was, daarvoor met alle kracht geijverd. Zijn blik was breed, en zijn hart was ruim. Het standpunt, dat hij inneemt, is nobel, en al heeft hij zich met groote felheid gekeerd tegen de Wederdoopers en Antitrjnitariers, omdat zij den Christus loochenden, tegenover Luther en Zwingli, en zelfs tegenover de Roomschen heeft Calvijn meer dan eens getoond, dat hij den band der gemeenschap in Christus niet wilde verbreken Het zal niet noodig zijn allerlei voorbeelden bij te brengen 37), doch ik wil wat de Lutherschen aangaat volstaan met een woord van prof. Rutgers: „En nu is opmerkelijk, dat Calvijn te dien aanzien (n.l. wat betreft de houding der Gereformeerden tegenover de voorstanders van de Augsburgsche Confessie), niet slechts hier, maar ook overal, niet slechts nu, maar ook levenslang, zeer verdraagzaam en ruim was, nooit sectarisch of separatistisch, maar in vollen zin katholiek. Voor de eenheid der Kerk, ook in haar uitwendig optreden, heeft hij altijd geijverd” 38). En wat betreft de Roomschen lezen wij in

|48|

de Institutie: „ita nec hodie Papistis adimimus quae superesse ex dissipatione vestigia Ecclesiae inter eos Dominus voluit” en verder „ita non passus est Ecclesiam suam ab Antichristo vel a fundamento subverti” 39), welk oordeel hij later nog bevestigt door te zeggen: „In summa, Ecclesias esse dico quatenus populi sui reliquias, utcunque misere dispersas ac disjectas, illic mirabiliter Dominus conservat, quatenus permanent aliquot Ecclesiae symbola” 40). Bovendien kan nog gewezen worden op het bekende advies dat Calvijn gegeven heeft aan den Schotschen Hervormer John Knox, over den doop van Roomsche kinderen, en waarin hij zoo kras mogelijk uitspreekt dat in het pausdom het verbond Gods nog aanwezig is 41); voorts is nog te herinneren aan het oordeel dat hij uitsprak naar aanleiding van den dood van Frans de Guise in een brief aan de hertogin van Ferrara 42); meerdere bewijsgronden waren aan te voeren, doch genoeg, wie van Calvijn’s geschriften kermis neemt, moet tot de overtuiging komen, dat bij hem nimmer de gedachte heeft geleefd, als zou er buiten de Gereformeerde Kerk geen zaligheid zijn, en dat dit exclusivisme hem dus niet mag worden toegedicht.

Een andere vraag is of wij in onzen tijd, waarin de kerkelijke wereld een gansch andere gedaante vertoont, ons niet anders zouden uitdrukken, maar uit dit verschil vloeit niet voort, dat Calvijn in zijn kerkbeschouwing tegen de Schrift inging. Al heeft hij tegenover Rome zeer krasse termen gebruikt; al is zijn onderscheiding tusschen de ware en valsche Kerk scherp en speciaal gericht tegen het pausdom; al heeft hij bij de ware Kerk het eerst aan de Gereformeerde Kerk gedacht, en het ideaal van ééne Protestantsche Kerk voor oogen gehad, het is er verre vandaan dat deze Gereformeerde en de ware Kerk voor hem samenvielen want hij erkent, dat er vele schapen buiten de zichtbare Kerk zijn 43), en het eenige exempel van ware Kerk alleen gegeven is in den kerkvorm der apostelen 44). En wanneer hij het heeft over de eene Kerk, bedoelt hij daarmede zeer

|49|

zeker de eenheid der zichtbare Kerk, als ons aller moeder 45), maar dan heeft hij niet een Gereformeerd wereldinstituut op het oog, of een Gereformeerde Europeesche of landskerk, want hij kende slechts plaatselijke Kerken 46), doch de Ecclesia universalis, die zich verspreidt over het rond der aarde, en ons aller moeder is.

Hetzelfde gevoelen vinden wij ook in de Confessio Gallicana, welke geheel den geest van Calvijn ademt. In die Belijdenis wordt het onderscheid tusschen de ware en valsche Kerk scherp gedefinieerd, en van de ware Kerk gezegd, dat zij is: „la compagnie der fideles, qui s’accordent a suyvre icelle Parolle, et la pure religion qui en despend, et qui profitent en icelle tout te temps de leur vie . . . .”, doch in datzelfde artikel wordt evenzeer beleden: „Néantmoints nous ne nions point que parmi les fideles il n’y ait des hypocrites et reprouvez, desquelz la malice ne peut effacer le tiltre de l'église 47). En in art 28 spreken de Fransche Kerken uit: „Toutesfois pource qu'il reste encore quelque petite trace d’Eglise en la Papaute, et mesme que la substance du Baptesme y est demeuree : ioinct que l’efficace et vertu du Baptesme ne despend de celuy qui l’administre, nous confessons ceux qui y sont baptisez n’avoir besoing d’un second baptesme” 48). Uit deze aanhalingen blijkt zonneklaar dat bij de nauwkeurigste onderscheiding tusschen de ware en valsche Kerk de Gereformeerden er niet aan gedacht hebben de zaligheid tot het eigen instituut te beperken, en b.v. Rome alle christelijkheid te ontzeggen.

Eer ik nu tot de Nederlandsche Geloofsbelijdenis overga, wil ik nog even stilstaan bij het standpunt van Zwingli’s opvolger te Zürich, Heinrich Bullinger. Ook hij maakt onderscheid tusschen de onzichtbare en zichtbare Kerk, en de laatste is weer tweeërlei: „na een deel bysonder, ofte na het gheheele ouer al. De sonderlicke Kercke heeft haer seker ghetal, ende can wt haer seker plaetse bekent worden, want sy wort na de plaetse ghenoemt. Wt allen bysonderen Kercken in de gantsche

|50|

wereldt, ende wt allen haren sichtbaren leden wordt de alghemeyn Kercke ofte Ghemeynte ghestelt” 49). Hier vinden we dus weer dezelfde onderscheiding als bij Calvijn, tusschen de Ecclesia particularis en universalis, wat bewijst dat we hierin met een algemeen gevoelen der Hervormers te doen hebben. Wat de pluriformiteit der Kerk betreft, leert Bullinger in de Confessio Helvetica posterior, dat de notae verae Ecclesiae zijn: in de eerste plaats de zuivere prediking van het Woord, hetwelk het instituut als geheel geldt, en in de tweede plaats, (en hier gaat hij van het instituut op de leden over), dat de leden Christus liefhebben, wamt alleen zij, die Hem als Middelaar bezitten, zijn ware leden der Kerk. Buiten die ware Kerk Gods is er geen zaligheid. „Communionem vero cum ecclesia Christi vera, tanti facimus, ut negemus eos coram Deo vivere posse, qui cum vera Dei ecclesia non communicant, sed ab ea se separant” 50). Daaruit volgt niet, dat allen, die buiten de Kerk zijn, verloren gaan, want indien het hun schuld niet was, dat zij extra Ecclesiam bleven wil God hun genadig zijn. Ook buiten Israël had God Zijn uitverkorenen, terwijl ter anderer zijde niet allen Israël waren die tot Israël behoorden De Kerk telt ook hypocriten onder haar leden, en zoolang hun ongeloovigheid niet openbaar wordt, zijn ze voor leden der Kerk te houden 51). Bullinger stelt dus in zijn scherpe belijning van de ware Kerk meer den norm dan de realiteit, en hij maant zelf aan tot voorzichtigheid in het oordeelen 52).

Ik kom nu tot de Confessio Belgica. Sluit zij de erkenning der pluriformiteit uit? Vereenzelvigt zij de ware kerk met de Gereformeerde kerk? Beperkt zij de zaligheid tot het eigen instituut? Indien zij dit deed, zou zij iets nieuws in die Gereformeerde kerkbeschouwing hebben ingedragen, en wanneer Guido de Brès zich aan zulk een exclusivisme heeft schuldig gemaakt, is hij op dit punt geen leerling van Calvijn geweest. Hoe oordeelt hij dan over de Kerk? Hij begint in art. 27, (en zijn volgorde is veel juister dan die der Fransche

|51|

Confessie), met te omschrijven, wat we onder de Kerk te verstaan hebben. Zij, de eene en algemeene Kerk, is de „congregatio sancta, seu coetus omnium vere fidelium Christianorum” 53), welke van den beginne der wereld af geweest is en zijn zal tot den einde toe; niet gelegen, gebonden of bepaald in een zekere plaats of aan zekere personen gebonden, maar verspreid en verstrooid door de geheele wereld 54). Welke Kerk is hier nu bedoeld? Op die vraag is door allen niet hetzelfde antwoord gegeven, en het verschil beweegt zich hoofdzakelijk om dit punt, of De Brès hier de onzichtbare dan wel de zichtbare Kerk teekent. Maresius is van oordeel, dat dit artikel handelt over de Kerk als het mystieke lichaam van Christus: „quod sit unius Christi corpus mysticum” 55), hetwelk door onze oogen niet aanschouwd wordt, want: quod creditur non videtur 56), en de eigenschappen, welke hier aan de Kerk worden toegekend, vat hij op in zuiver geestelijken zin. De algemeenheid bestaat hierin dat uit alle volkeren God Zijn uitverkorenen heeft, en de eenheid is voor hem geen uitwendige, zichtbare eenheid, doch de geestelijke eenheid in Jezus Christus en in den Heiligen Geest: er is, evenals voor de leden van het menschelijk lichaam, slechts één Hoofd en één Geest: „ab uno eodemque Christi Spiritu vegetatur et vivificatur” 57).

Dit oordeel wordt onderschreven door Prof. Doedes, die van art. 27 het volgende verklaart: „Spreekt art. 27 nu van een algemeene Kerk, die een heilige vergadering der ware Christgeloovigen is, daarmede is, blijkens hetgeen volgt, niet de zichtbare, maar de onzichtbare gemeente bedoeld, de voortzetting van wat in de Schriften des Nieuwen Verbonds het lichaam van Christus genoemd wordt” 58), en verder: „Zoo heeft art. 27 hier het juiste punt getroffen en mag op het standpunt dezer Nederlandsche Geloofsbelijdenis het lidmaatschap der onzichtbare Kerk nimmer van iets anders afhankelijk worden gemaakt, dan van het geloof in Jezus Christus . . . .” 59). Dr. Hoedemaker is van hetzelfde gevoelen, want „indien de Kerk, naar

|52|

luid van art. XXVII onzer Ned. Confessie in de dagen van Achab bestond, omdat de Heere zeven duizend had overgelaten, die de knie voor Baal niet hadden gebogen, dan valt hier alleen aan de onzichtbare Kerk te denken” 60). Dr. A. Kuyper neigt blijkbaar ook tot die meening, want van het lichaam van Christus gebruikt hij dezelfde termen als de Confessie: „Onze vaderen spraken daarom bij voorkeur van de „onzichtbare Kerk”. Wij weten dat het lichaam van Christus ook nu op aarde is. Wij weten dat het onder de volken en natiën verspreid is” 61), terwijl Dr. H.H. Kuyper in „De Heraut” in den breede deze meening ontwikkeld heeft 62).

Ds. Bos wil er echter niet van weten, dat hier sprake is van het mystieke lichaam van Christus. „Wij moeten, zoo zegt hij, wanneer wij in de taal der Belijdenis spreken, niet redeneeren over het zoogenaamde mystieke Lichaam van Christus. Van dat mystieke Lichaam van Christus kan niet gezegd worden, dat er daarin onder de goeden hypocriten of geveinsden vermengd zijn Van dat mystieke Lichaam van Christus kan ook niet gezegd, dat het uit het gansche menschelijke geslacht wordt vergaderd, „van den beginne der wereld af”. Dat z.g. mystieke Lichaam van Christus moet van eeuwigheid zijn, en . . . . onvermengd, zonder geveinsden er onder. Over zoo iets wordt in onze Belijdenisschriften niet gehandeld. Er wordt gehandeld over de algemeene christelijke Kerk” 63). Wel meent hij dat in art. 27 van de onzichtbare zijde der Kerk sprake is, want als hij de verschillende uitdrukkingen van dit art. bespreekt, n.l. gewasschen door Christus’ bloed en geheiligd en verzegeld door den H. Geest, voegt hij hieraan toe: „Die inwendige genadegaven kan men niet zien en daarom kan men dat de onzichtbare zijde der vergaderden of der Kerk noemen” 64).

Dr. Buizer is van tegenovergestelde overtuiging. Hij verklaart de artikelen der Confessie, welke over de Kerk handelen, zóó, dat er over één en dezelfde Kerk wordt gesproken, en komt tot deze conclusie dat de Belijdenis geen onderscheid

|53|

maakt tusschen de Kerk als vergadering der geloovigen en als instituut. Volgens hem ziet dus de uitspraak van art 27: eenige Kerk, op de Kerk als instituut, en met name op de Gereformeerde Kerk, en leert Guido de Brès, dat alleen in die Kerk een heilige vergadering der ware Christ-geloovigen is.

Hoe hebben wij nu te oordeelen? Wanneer wij dit artikel lezen, zonder daarbij terstond aan het artikel te denken, dat over de regeering der Kerk handelt, is het onmogelijk dat wij onder de eenige, algemeene Kerk de geïnstitueerde Kerk zouden kunnen verstaan. Van dit instituut kan immers niet gezegd: „Haec porro Ecclesia et ab initio mundi fuit et usque ad eius finem perdurabit; evenmin „sancta haec Ecclesia certo in loco non est sita . . . sed per totum mundum sparsa at que diffusa”, terwijl de eenheid, waarvan hier sprake is, geen institutaire of confessioneele eenheid is, maar aldus omschreven wordt: „quamvis corde ac voluntate, in uno eodemque Spiritu virtute fidei, coniuncta unitaque sit” 65). Doch, wanneer de Belijdenis niet handelt over de Kerk als instituut, over welke Kerk gaat het hier dan? Op die vraag geven de uitdrukkingen: unica et catholica, congregatio sancta, coetus vera fidelium Christianorum etc. het antwoord, want deze wijzen alle op de eene christelijie Kerk als het lichaam van Christus, als den tempel des Heeren, als de bruid van Christus, als de gesamtheit aller geloovigen, die zich over het rond der aarde verspreidt 66). Het is derhalve de bedoeling van De Brès om bet wezen der Kerk aan te geven, en hij neemt daarbij, evenals Calvijn en Bullinger, zijn uitgangspunt in de Kerk als vergadering der geloovigen. Doch is deze opvatting niet gelijk Dr. Buizer beweert 67), in strijd met de uitspraak: quamvis ad aliquod tempus exigua sit, et quasi extincta in hominum conspectu, appareat, of zooals de Fransche tekst luidt: „Jacoit que pour quelque temps elle soit bien petite en apparence aux yeux des Hommes” 68)? Is er in deze woorden niet sprake van de Ecclesia visibilis, daar toch de Ecclesia invisibilis niet in de oogen der menschen openbaar

|54|

wordt? Hier moet worden toegegeven, dat de opsteller een oogenblik denkt aan hetgeen wij van de Kerk zien, want dat kan, als in de dagen van Elia, zeer klein zijn 69), maar uit dit enkele tusschengevoegde woord volgt allerminst, dat de Confessie in dit gansche artikel de Ecclesia visibilis op het oog zou hebben. De gedachtengang is m.i. aldus geweest. De Brès heeft eerst het wezen der Kerk willen weergeven en dat kan niet anders zijn dan de vergadering der geloovigen afgedacht nog van haar onzichtbare en zichtbare zijde. Toen beeft hij er op gewezen, dat die Kerk onvergankelijk is en van den beginne tot den einde toe bestaat, doch juist bij dit punt kon er in die dagen van antithese met Rome licht een vraag rijzen. De vraag kon n.l. opkomen of die Kerk niet onder de heerschappij van het Pausdom verloren was gegaan, daar bet toch scheen dat er toen geen enkele ware geloovige was, maar nu zegt De Brès: neen, Gods Kerk gaat nimmer onder; zij wordt altijd bewaard; nooit is Jezus zonder onderdanen, ook al zien wij het niet, en al is die Kerk conspectu hominum, naar de beschouwing der menschen verdwenen. Vatten wij den zin van dit artikel zoo op, en dit eischt het karakter der Confessie, die niet bedoelt strenge dogmatische begripsbepalingen te geven, dan is duidelijk, dat dit enkele woord allerminst recht geeft alleen aan de zichtbare of aan een verwarring of vereenzelviging van onzichtbare en zichtbare Kerk te denken. De Brès wil niets anders geven dan een omschrijving van het lichaam van Christus, hetwelk geheel de wereld omvat, afgedacht van de nauwkeurige onderscheiding tusschen de twee zijden der Kerk, of, zooals prof. Bavinck van de eene, cathoheke Kerk, die in art. 27 beleden wordt, zegt: „Men verstond er gewoonlijk onder de ecclesia universalis, welke alle ware geloovigen omvatte en in de verschillende Kerken meer of minder zuiver tot openbaring kwam” 70).

In art. 28 ligt het cardinale puntje. Daar heet het: „Credimus, quod cum Sanctus hic coetus et congregatio, servandorum

|55|

sit coetus, atque extra eam nulla sit salus . . . .” 71) en op dit laatste komt het aan. Welke is de Kerk, buiten welke er geen zaligheid is? Maresius geeft dit antwoord: „Deinde est quidem hoe axioma, quod extra Ecclesiam non sit salus, die mystico Christi corpore ex solis electis et verè fidelibus constante primo et per se intelligendum” 72), en daarmede kan ieder het eens zijn. Buiten Christus’ lichaam is er geen vergeving te vinden en geen heil te verkrijgen, en men moet tot deze heilige vergadering, waarvan in het vorige art. gesproken is, behooren om zalig te worden De Belijdenis wijst zelve naar die opvatting heen, door ten 1°. te zeggen „buiten haar”, d.i. buiten de vergadering, die in art. 27 is genoemd; door in de tweede plaats dezelfde woorden te gebruiken als in den aanhef van art 27, n.l.: congregatio en coetus, of naar den Franschen tekst: „congrégation et assemblee” en door eindelijk nadrukkelijk uit te spreken: een verzameling is dergenen, die zalig worden. Doch de Confessie laat het hierbij niet. Zij spreekt niet alleen over de onzichtbare, maar tevens over de zichtbare zijde der Kerk, want zij handelt in dit artikel verder van de plicht der geloovigen, om zich bij de Kerk te voegen 73); zij noemt de onderwijzing en tucht, doctrina et disciplina der Kerk; zij heeft het over het zich afscheiden van hen, die niet van de Kerk zijn: ab iis omnibus qui extra Ecclesiam sunt disiungere, en uit de voorlaatste zinsnede is duidelijk, dat de Brès op het pausdom zinspeelt. In deze uitdrukkingen is ongetwijfeld sprake van de zichtbare openbaring der Kerk, want tot de onzichtbare kan men zich niet voegen; daarvan wordt men lid door de wedergeboorte en de inplanting des Heiligen Geestes; zelfs wordt hier reeds het institutaire leven der Kerk aangeroerd, want de onderwijzing en tucht is het werk der ambtsdragers; en . . . . geldt nu ook van de zichtbare Kerk het axioma: extra eam nulla sit salus?

Volgens Maresius wel: „Attamen cum hoc mysticum Christi corpus non soleat ad ipsum colligi nisi in visibilibus

|56|

coetibus eorum, qui ipsius nomen profitentur, etiam secundiario potest dici quod extra Ecclesiam visibilem, si quis eius communionem per contemptum ec αὐθάδειαν respuerit, nulla salus queat obtinieri. Hinc Ecclesia in communi solet conferri cum Arca Noae . . . .” 74) De bedoeling van Maresius is dus deze dat dit axioma ook voor de zichtbare Kerk geldt, in zooverre n.l. Christus de onzichtbare Kerk vergadert door den dienst des Woords, en deze prediking des Evangelies plaats vindt in de zichtbare en zelfs institutaire openbaring der Kerk. Deze exegese van art. 28 komt overeen met hetgeen wij tevoren in de beschouwing der Kerk bij Calvijn e.a. vonden, en in die lijn nu bedoelt De Brès hier, voor zoover hij de zichtbare Kerk op het oog heeft, de Ecclesia visibilis, zonder de nadere onderscheiding tusschen de Ecclesia universalis en de Ecclesia oppidatim et vicatim. De Confessie definieert niet nader. Zij daalt niet tot détails af. Zij beziet alles onder dit eene aspect, dat de Kerk is de pilaar en vastigheid der waarheid, en het middel waardoor de Geest Gods de uitverkorenen toebrengt, en zoo beschouwd is zij niet in strijd met de Heilige Schrift.

De gedachtengang van dit artikel is dan ook niet moeilijk te doorzien. De Belijdenis gaat, warmeer zij eerst over het wezen der Kerk heeft gesproken over tot haar openbaring, en zegt dan: ieder geloovige is verplicht zich bij de zichtbare openbaring van het lichaam van Christus aan te sluiten Hij mag niet op zichzelf blijven staan; de roeping tot de gemeenschap der heiligen mag niet verwaarloosd; ook de zichtbare gestalte der Kerk is een werk Gods, en de geloovigen hebben zich, in stede van zich alleen op en met zichzelf te vergenoegen, tot de vergadering der belijders te voegen, de eenigheid der Kerk te onderhouden, en als leden van een lichaam de opbouwing der broederen te dienen. Deze plicht heeft ook een negatieve zijde, want men heeft zich af te scheiden van hen die „extra Ecclesiam” zijn, waarmede niet alleen de valsche Kerk kan bedoeld zijn, maar alles wat tot de Christelijke Kerk niet

|57|

behoort 75). De teksten waarheen verwezen wordt, als Hand. 2: 40, 2 Cor. 6: 17 en Openb. 18: 4, stellen dit duidelijk In het licht, en leggen den nadruk op de grenslijn, die er loopt tusschen alles wat niet van Christus is en Hem wel toebehoort. In dat licht wordt het: extra Ecclesiam nulla salus des te begrijpelijker, en geeft dit artikel geen enkele reden aan, om dit axioma te betrekken op de Kerk als instituut, alsof zij alleen het privilege der heilsuitdeeling zou bezitten Bovendien ligt het allerminst in de bedoeling van de Confessie om hier een regel te geven die voor ieder geval geldt. Evenmin als het de bedoeling van onzen Catechismus kan zijn om in antw. 65 te leeren dat in ieder hart, ook in dat der kleine kinderen, het geloof gewerkt wordt door de prediking des Evangelies, mogen we uit art. 28 allerminst afleiden, dat niemand, die buiten de zichtbare Kerk staat, zalig zou worden. God kan ook werken buiten den gewonen weg der genademiddelen om, maar wanneer wij Zijn werk omschrijven, volgen wij den regel, dat het geloof is uit het gehoor en het gehoor uit het Woord Gods 76).

Ten slotte over dit artikel nog een opmerking. De Brès heeft, gelijk ik reeds opmerkte, zich scherp uitgedrukt, en wij zouden het wellicht anders doen, maar hier mag niet vergeten worden, dat hij zich in dit artikel speciaal richt tegen de Anabaptisten Dezen minachtten de bediening des Woords en der sacramenten; van hen zegt de Confessio Gallicana: tous fantastiques, qui voudroyent bien entent qu’en eux est, aneantir le ministère et predication de la parole de Dieu et ses Sacremens” 77), en tegenover hen wijst de Nederlandsche Geloofsbelijdenis op de groote beteekenis der zichtbare Kerk, gelijk ook Calvijn heeft gedaan, die haar mater fidelium noemde, en evenzeer den eisch stelde dat de geloovigen zich bij haar hebben te voegen En stel nu dat De Brès bij dit laatste reeds de Gereformeerde Kerk op het oog heeft gehad, wat in het artikel niet ligt uitgedrukt, dan gaat hij toch in geen enkel opzicht te ver, wanneer hij den eisch stelt dat de geloovigen

|58|

zich bij haar te voegen hebben. Wanneer wij in het instituut, dat God ons schonk, de meest zuivere openbaring zien van het lichaam van Christus, zijn we niet ongeestelijk — exclusief, als we de pretentie voeren, dat ieder, die Christus als Koning erkent, zich bij dat instituut moet aansluiten. De pluriformiteit mag de beteekenis van het instituut niet op zij dringen, en wij sluiten daarmede nog niemand van de zaligheid uit.

Dit brengt ons als vanzelf tot artikel 29. De Confessie heeft eerst over het wezen, toen over de openbaring der Kerk gesproken, en over de plicht om zich bij die openbaring aan: te sluiten, en thans wordt de kring, waarin zij zich beweegt, nog nauwer toegehaald, want zij wijst nu den maatstaf aan, waarnaar de zichtbare gestalte der Kerk moet beoordeeld worden, en stelt de vraag waar de ware Kerk is te vinden. Dit moet zij doen omdat er tal van secten zijn, die zich met den naam van Kerk bedekken, en tevens, hoewel De Brès den naam van Rome niet noemt, om de breuke der Hervormden met het pausdom te wettigen. De notae verae Ecclesiae zijn drieërlei: 1°. Si Ecclesia pura Evangelii praedicatione, 2°. si sincera Sacramentorum, ex Christi praescripto, administratione, utatur; 3°. si disciplina Ecclesiastica, ut vitia corrigantur, obtineat; of in één woord: „si ad normam Verbi divini omnia exigantur.” Maar De Brès laat het niet bij bet instituut. Hij daalt evenals Bullinger in zijn Confessio Helyetica posterior ook tot de leden af, en noemt verschillende merkteekenen om de ware Christenen te onderkennen. Dan gaat hij over tot de kenschetsing der valsche Kerk, waarvan hij zegt: quod ad falsam vero attinet Ecclesiam, ea sibi, suisque institutis plus authoritatis, quam verbo Dei attribuit; Christi jugo se subicere recusat; neque Sacramenta, prout Christus in verbo suo praescripsit, administrat; sed illis pro arbitrio addit, detrahitque; hominibus plus quam Jesu Christo nititur; et eos qui sancte secundum Dei verbum vivunt, quique vitia illius, veluti avaritiam et Idololatriam reprehendunt, persequitur” 78). Hierbij is het opmerkelijk dat niets gezegd

|59|

wordt van de leden der valsche Kerk, gelijk dit wel is geschied ten opzichte van de leden der ware Kerk De Confessie heeft blijkbaar zich nadrukkelijk willen beperken tot de kenteekenen van de Kerk als Kerk, of wil men als instituut, en met opzet van de leden gezwegen, omdat het hier niet zoozeer over de personen, dan wel over de forma der Kerk gaat.

De vraag is nu: wat bedoelt art. 29 te geven? Biedt het alleen een beeld van de werkelijkheid, en worden ware en valsche Kerk hier slechts als feit gesteld 79), of wijst het het ideaal en den norm aan, die aan de beoordeeling der Kerk ten grondslag moeten liggen? Het karakter der Belijdenis eischt dit laatste, want een Confessie wordt niet opgesteld om toestanden te beschrijven of slechts bestaande verschijnselen te teekenen, maar om de waarheid van des Heeren Woord, die als regel geldt voor alle leven te vertolken en zoo is het ook hier; ook hier bedoelt zij uitdrukking te geven aan de zuivere leer der Schrift, zooals De Brès zelf van de gansche Belijdenis zegt: „la doctrine reuelee par Jesus Christ en nostre vie, iustice et salut; publiee par les Evangelistes et Apostres, seellée par le sang de tant de martyrs . . . . etc. 80). Hieraan moet echter terstond iets worden toegevoegd, en wel dit, dat, al stelt de Confessie den norm der Schrift, zij voor de notae Ecclesiae falsae de trekken ontleend heeft aan de openbaring der Roomsche Kerk, en dus aan de in het begin der 16e eeuw bestaande werkelijkheid 81). Ieder woord bijna is op Rome van toepassing, en het heeft den schijn alsof De Brès de valsche Kerk met de Roomsche laat samenvallen, en de ware met de Gereformeerde, doch ook deze schijn bedriegt. In de eerste plaats moeten we bedenken, dat in een apologetisch en polemisch geschrift, als de Confessie is, zulk een formuleering, die min of meer een actueel karakter draagt, niet vreemd is. Wanneer in dezen tijd het onderscheid tusschen de zuivere en onzuivere formatie der Kerk moest omschreven worden zou ter kenschetsing der laatste van kerkelijk-gereformeerde zijde allicht de genootschapsvorm

|60|

ten voorbeeld worden gesteld, en daarom kan het ons niet verwonderen, dat in een tijd vol strijd en beroering, waarin de Belijdenis is opgesteld, de Roomsche Kerk als model gebruikt is. Ten tweede mag niet vergeten worden, dat, zooals „De Heraut” terecht heeft opgemerkt, de Schrift te weinig positieve gegevens over de valsche Kerk biedt, om zuiver schriftuurlijke termen op te nemen 82), en eindelijk komt alles toch hierop neer of deze notae juist zijn of niet. Komen zij met de Heilige Schrift overeen, dan hindert het niet of De Brès het beeld der Roomsche Kerk voor oogen beeft gehad, en bij de ware Kerk aan de Gereformeerde Kerk gedacht heeft, want dan blijven zij in haar schriftuurlijk karakter voor alle tijden gelden, en zijn ze tot op den tegenwoordigen tijd normen voor ons. M.i. is dit de allesbeslissende vraag. Het zwaartepunt der quaestie mag niet gelegd worden in de practische toepassing, die onze vaderen maakten, want die kan natuurlijk voor ons geen maatstaf zijn, maar moet vallen in deze hoofdvraag of er een nota, een uitdrukking is, die met Gods Woord in strijd is. Daartoe dringt ook het artikel, want het noemt met geen woord de een of andere Kerk, en het verzoek dat De Brès aan Spanje’s koning gericht beeft om deze Belijdenis te toetsen aan Gods Woord, geldt ook voor ons. En dan kan van geen der merkteekenen gezegd, dat het ingaat tegen het Evangelie of den geest van Christus, en dan is er geen trek in het beeld der valsche Kerk of ’s Heeren Woord veroordeelt die. Het zal niet noodig zijn daarop verder in te gaan, doch dit moest op den voorgrond gesteld worden, om artikel 29 zuiver te verstaan.

Wel dient onderzocht te worden of de Confessie in de tegenstelling tusschen de ware en de valsche kerk, (er staat niet een, maar de), niet te absoluut spreekt, en de scheidingslijnen te scherp trekt. Is zij in deze kenschetsing niet te exclusief, en blijft er, wanneer een Kerk om waar te zijn, aan die eischen moet voldoen, nog wel plaats voor de pluriformiteit? Worden

|61|

door deze strenge normen niet bijna alle Kerken, behalve de Gereformeerde dan, want deze zal De Brès wel het eerst op ’t oog gehad hebben, buiten de Christelijke Kerk gesloten? Op die vragen krijgen wij antwoord, indien we in de eerste plaats bedenken, dat het in dit artikel gaat over de normen der ware Kerk, en . . . . dan kan het ideaal niet lager gesteld worden dan Gods Woord het ons aangeeft. Zoo is het toch ook met de kenteekenen der ware kerkleden, waarover de Confessie spreekt. Ieder zal het er over eens zijn, dat geen kind van God daaraan ten volle beantwoordt, maar daarom mogen de merkteekenen niet verzwakt worden. De Heere handhaaft in Zijn wet ten volle Zijn heiligheid, en Hij laat niets van Zijn eischen varen, al struikelen wij allen in vele. Zoo kon de Belijdenis, toen zij de zuivere kerkformatie ging aanwijzen, niet anders, dan het ideaal, waaraan een Kerk moet beantwoorden, op den voorgrond stellen, al zouden wij in onze dagen wellicht aan dat ideaal eenige nadere verklaring en practische opmerkingen willen toegevoegd zien.

Ten tweede kan het niet de bedoeling van de Belijdenis zijn om de lijnen zóó strak te trekken, dat iedere Kerk, die niet volkomen met dit ideaal overeenstemt, als valsche Kerk gebrandmerkt moet worden. Wanneer zij van deze overtuiging zou uitgaan, zou geen enkele Kerk den toets kunnen doorstaan. ,,Een ware Kerk in absoluten zin is hier op aarde onmogelijk; er is geen enkele Kerk, die volstrekt en in alle deelen, in leer en leven, in bediening van woord en sacrament aan den eisch Gods beantwoordt” 83). Daarom merkt ook Maresius bij dit artikel op: „Falsum est hic per veram Ecclesiam non intelligi nisi quae undique pura sit et in singulis uti oportet constituta. Etenim ab aevo omnes Reformati agnoverunt inter Ecclesias particulares alias aliis puriores et defoecatiores esse, et censuerunt illas quas verae Ecclesiae notas assignant cum quadem latitudine esse intelligendas; prout statuunt Ethici medium in quo virtus sita est suam habere latitudinem, neque in puncto

|62|

indivisibili et Mathematico consistere; Non disinit verus esse homo qui tamen aliquo affectu et morbo laboret” 84). Op al die onderscheidingen en trappen of graden in de zuiverheid, kon de Confessie natuurlijk niet ingaan, omdat zij den regel stellen moest, maar daarom sluit deze regel de gradaties niet uit 85), evenmin als de notae Christianorum in dit artikel de onderscheidingen onder de belijders en de trappen in het Christelijk leven zouden veroordeelen. De Confessie denkt er niet aan het anathema uit te spreken over een Kerk, die in een of meerdere punten zou afwijken, en het oordeel van Maresius is ook op dit punt belangrijk : „Quaelibet ἠθίημαζα in doctrina, vel in disciplina, vel in ordine et ritibus, non statim abrogant Ecclesiis essentialia Ecclesiarum, aut efficiunt ut in earum communione salus nequeat obtineri. Cum nulla Ecclesia unquam in mundo tam foelicitar agetur ut ab omni labe in his omnibus plane defaecata et immuiris praestetur. . . . Nolimus iis Ecclesiis anathema dici quae fundamentum et caput retinuerint in Canonem fidei et morum solas Scripturas admiserint; tria Symbola, Apostolicum, Nicaenum et Athanasianum, vulgo sic dicta susceperint” 86).

En eindelijk is het niet noodzakelijk aan te nemen dat De Brès uitsluitend aan de Gereformeerde en de Roomsche Kerk gedacht heeft. Al stonden hem deze beide beelden ook voor den geest, en al had hij de overtuiging: de Gereformeerde Kerk beantwoordt aan de kenteekenen van de ware, en de Roomsche komt overeen met de notae der valsche Kerk, de Confessie zegt allerminst dat Gereformeerde en ware, Roomsche en valsche Kerk geheel en al samenvallen. Wat het laatste betreft wijs ik er eerst op dat in dit artikel ook gesproken wordt van onderscheidene secten die zich voor Kerk uitgeven, en deze zelfs eerst genoemd worden. Het artikel verbiedt dus zelf het begrip valsche Kerk alleen tot Rome te beperken, terwijl het in de tweede plaats ook niet alles wat in Rome is, als valsch veroordeelt. „Wij zouden,” zegt Hoedemaker, „ons echter zeer vergissen, indien wij meenden, dat het in hen (n.l. de Hervormers)

|63|

opkwam, de kerk van Rome met al wat in en aan haar was in modernen trant, „de valsche Kerk te noemen” 87), en ook in de formuleering van dit artikel ligt opgesloten, dat ook in Rome nog iets van de Christelijke Kerk erkend wordt. Zooeven wees ik er reeds op dat De Brès hier, in tegenstelling met de membra verae Ecclesiae, niets van de leden der valsche Kerk zegt, en hierin ligt m.i. een duidelijke vingerwijzing, dat hij zich slechts tot het instituut beperkt. Van de leden blijft hij af. Hij erkent klaarblijkelijk met Calvijn, dat er nog overblijfselen van de Kerk in het Pausdom zijn 88), en er is geen enkele reden om aan te nemen, dat deze leider der Gereformeerden afweek van zijn leermeester en tijdgenooten Het christelijke in Rome is door hen allen erkend. „Valsch was zij alleen, in zooverre ze nog pauselijk was, maar er waren toch nog vele overblijfselen, der ware Kerk in” 89) en indien De Brès met dit gevoelen niet overeengestemd, en in zijn Belijdenis een andere meening voorgestaan had, zouden de Gereformeerden van dien en later tijd zich er zeker nimmer mede vereenigd hebben.

Doch is door hem dan niet de Gereformeerde Kerk als de eenige ware Kerk beschouwd? Ik zou hier weer kunnen verwijzen naar zijn leermeester Calvijn wiens standpunt tegenover de Lutherschen boven is besproken, maar ik wil mij bepalen tot De Brès zelf. Indien hij de Gereformeerde Kerk als de eenig ware erkende, zou hij toch tegenover het andere Protestantsche instituut, d.i. het Luthersche, onverdraagzaam moeten geweest zijn, en wat leert de historie? Zjj leert ons, om de woorden van Van Langeraad te bezigen De Brès kennen als een zeer gematigd man 90), die het aangelegd heeft op de verzoening tusschen de Calvinisten en Martinisten, en volgens Van Langeraad, zelfs boven velen zijner tijdgenooten op echt Christelijk standpunt stond 91). Dit blijkt uit de houding welke hij aannam tegenover de poging van prins Willem om lutherschen en Gereformeerden dichter tot elkander te brengen, tot welke verzoening de Prins gedrongen werd uit

|64|

politieke motieven. Hij had in 1565 de hulp noodig van de Duitsche vorsten om de Nederlanden tegen Spanje te steunen, doch de Duitschers stelden den eisch, dat de Gereformeerde Kerken haar instemming zouden betuigen met de in Lutherschen geest opgestelde Wittenberger Concordia. Prins Willem heeft hierover geconfereerd met enkele Gereformeerde theologen, o.a. ook met De Brès, die op zijn beurt Taffin raadpleegde, en het advies van De Brès is geweest om aan den eisch der Duitsche vorsten te voldoen, en tot de unie over te gaan, om samen sterk te staan tegen Rome 92). Dit ruime standpunt zou toch nimmer door hem ingenomen zijn, indien hij alle niet-Gereformeerde Kerken, en dus ook de Luthersche als niet-ware gebrandmerkt had, en het is niet aan te nemen, dat iemand, die in 1565 zulk een breedte van blik toont, een paar jaar vroeger een dergelijk enge beschouwing was toegedaan, dat alleen de Gereformeerde Kerk de Ecclesia vera zou zijn.

Hiermede meen ik voldoende aandacht aan de Confessie geschonken te hebben, en mijn conclusie zal reeds duidelijk zijn. In de eerste plaats meen ik, dat in de verschillende artikelen, die over de Kerk handelen, onder het woord Kerk niet telkens precies hetzelfde verstaan moet worden. Dit blijkt wel het allerduidelijkst, wanneer men iet op het onderscheid tusschen art. 27 en 30, want in het eerste gaat het over de algemeen-christelijke en in het laatste over de geïnstitueerde Kerk, en wanneer in deze beide artikelen het subject niet gelijk is, kan er ook verschil wezen tusschen de andere artikelen. Nu kan hiertegen aangevoerd worden, dat De Brès duidelijker het onderscheid had moeten aangeven, en allen schijn van exclusivisme had moeten vermijden, doch aan zulk een wensen had de opsteller zeer zeker voldaan, indien hij thans geleefd had, en de splitsing der Kerk van heden kende. Wij moeten rekenen met den tijd, waarin de Confessie is gemaakt, en den gedachtenkring, waaruit zij is opgekomen, en dan werd haar formuleering in die dagen zeker verstaan. Wanneer dit onderscheid tusschen

|65|

de onderscheidene artikelen goed wordt vastgehouden, kan geen enkele uitdrukking als anti-schriftuurlijk worden veroordeeld, maar komen zij, in het juiste verband gezet, overeen met ’s Heeren Woord. En ten tweede is uit het voorgaande gebleken, dat Guido de Brès noch met die uitdrukking „extra eam nulla sit salus”, noch met de teekening van de ware en valsche Kerk bedoeld heeft de zaligheid alleen te beperken tot het Gereformeerde instituut, om slechts dit het brevet van Ecclesia vera toe te kennen. Iets anders is het of hier de pluriformiteit geleerd wordt, en dan geloof ik met prof. Honig 93), dat dit niet het geval is. Er wordt met geen woord van gerept, wat historisch best te verklaren is, maar ze wordt evenmin veroordeeld of buitengesloten; de Confessie laat ze toe, en dat is voor ons de hoofdzaak. Daarom zou bij een herziening der Belijdenis, waaraan evenwel groote bezwaren verbonden zijn, dit artikel zeker anders geformuleerd worden, en het zou wenschelijk zijn, dat de Gereformeerde Kerken ach op dit punt duidelijk uitspraken, maar ingaan tegen die gedachte der veelvormigheid doet de Belijdenis niet. En het is wel opmerkelijk dat tegenover de beschuldiging van enghartigheid een man als prof. Doedes bij art. 29 moet erkennen: „Welk een onbekrompenheid, welk een vrijgevigheid, welk een ruimte van blik en hart hebben deze belijders . . . .” 94), en Knipscheer opmerkt: „Als wij de Geloofsbelijdenis van De Bray met dat oog eens bezien, kunnen wij het ons begrijpen dat de voorstanders der onderteekening elkander zeiden: „Wat, wilt gij nog meer ruimte en vrijheid?” Welk een breed kerkbegrip is artikel 27. . . .” 95)!

Het verwondert ons dan ook niet, dat de Synoden der Gereformeerde Kerken deze Confessie zonder bedenking hebben aanvaard en conform het Woord Gods verklaard. Dit is geschied op de Synode te Armentières 1563 96), wat de Zuidelijke Nederlanden aangaat, en wat de Noordelijke Nederlanden betreft, aanvankelijk op het Convent van Wesel 1568 97), en

|66|

definitief op de Synode van Embden 1571. De Dordtsche Synode heeft niet anders gehandeld. Zij had zich speciaal uit te spreken over het vraagstuk der Kerk, omdat, gelijk ik in den beginne opmerkte, de Remonstranten tegen artt. 27-30 gravamina hadden ingeleverd 98). Tegenover die bezwaren heeft de Synode eenparig verklaard, dat in de Belijdenis niets gevonden werd dat met Gods Woord in strijd is, terwijl de buitenlandsche Godgeleerden aan deze uitspraak het bekende Votum Dordracenum toevoegden, dat n.l. de Nederlandsche Kerken bij deze rechtzinnige, vrome en eenvoudige Confessie standvastig zouden volharden, haar aan het nageslacht ongeschonden zouden overgeven, en tot de komst van onzen Heere Jezus Christus zouden bewaren. In de nazittingen, waarin de authentieke tekst is vastgesteld, is in de bewuste artikelen over de Kerk geen verandering van beteekenis aangebracht, en deze Belijdenis ongewijzigd aanvaard 99). En dit klemt te meer, omdat de samenstelling der Synode, waar b.v. ook de Engelsche Kerk vertegenwoordigd was, een overtuigend bewijs kan genoemd worden van de stelling, dat de Gereformeerde Kerk door haar practijk bewezen heeft, niet de pretentie te voeren de alleenzaligmakende, of de alleen-ware kerk te zijn.

Dat gevoelen is de overtuiging van allen Datheen heeft b.v. onomwonden de Luthersche kerk als een ware Kerk van Christus erkend 100). De Synode van Middelburg 1581, sprak haar instemming uit met de Harmonia Confessionum, waarin ook Luthersche symbolen zijn opgenomen. In de latere Confessies, is geen ander gevoelen weergegeven want om slechts de Westminster-Confessie te noemen, spreekt deze in Cap. XXV, waarin ze eerst onderscheidt tusschen de Ecclesia invisibilis en visibilis, van de laatste: Ecclesia visibilis, (quae etiam sub Evangelio, Catholica est et universalis, non autem unius gentis finibus, ut pridem sub lege, circumscripta) ex iis omnibus constat, undecunque terrarum sint, qui veram religionem profitentur, una cum eorundem liberis; estque Regnum Domini

|67|

Jesu Christi, Domus et familia Dei, extra quam quidem ordinarie fieri nequit ut quivis salutem consequatur” 101). En wat de zuiverheid der Kerk aangaat, zegt zij: Ecclesiae autem particulares (quae sunt illius membra) eo magis mimusve purae sunt, quo majori aut minori cum puritate in iis docetur excipiturque Evangelii doctrina, administrantur divina instituta, cultusque publicus celebratur. Purissimae omnium quae in terris sunt Ecclesiae, cum mixturae tum etiam errori sunt obnoxiae, eousque autem nonnullae degenerarunt, ut ex Ecclesiis Christi factae demum sint ipsius Satanae Synagogae . . . . 102).

Eindelijk noemen we nog enkele dogmatici. Bij Junius vinden we eenzelfde opvatting, want wanneer hij eerst geponeerd heeft „cum extra Ecclesiam, quae est domus et familia Dei non sit salus . .” onderscheidt hij die kerk (haec Ecclesia) in de zichtbare en onzichtbare Kerk: Unde distinctio oritur Ecclesia visibilis et invisibilis. Toch erkent hij ook dat er in de zichtbare Kerk hypocriten zijn, en is ook hij van meening, dat er in het bedorven Rome nog eenige ruinae Ecclesiae zijn overgebleven 103). De Synopsis oordeelt niet anders. Ook hier wordt, en wel door Walaeus onderscheiden tusschen de Ecclesia invisibilis als de multitudo credentium et electorum 104) en de Ecclesia visibilis als de „coetus eorum qui per verbum externum, Sacramentorum ac disciplinae Ecclesiasticae usum, in unum externum corpus ac societatem coalescunt” welke zichtbare Kerk weer uiteenvalt in de Ecclesia particularis et oecumenica et universalis 105). Die Ecclesia visibilis nu is „respectu doctrinae et morum” of pura of impura: impura rursum vel simpliciter errans, vel haeretica, vel scismatica” 106). Doch hieruit volgt niet dat het Christendom alleen beperkt mag worden tot de Ecclesia pura Neen, ook zij kent onder haar leden hypocritae et impii, en er is geen Kerk, „quae ita pura sit atque integra, uti nihil in ea vel in fide vel moribus possit requiri” 107).

Evenmin heeft Turretinus de Gereformeerde Kerk voor de alleen-zaligmakende verklaard. Wel legt hij tegenover

|68|

Rome allen nadruk op de notae Ecclesiae, en beantwoordt hij de vraag of de Roomsche Kerk een vera Ecclesia is, ontkennend, maar hij beperkt de Christelijke Kerk allerminst tot een instituut. Hij zegt b.v. in zijn verdediging van de stelling dat de Ecclesiae Evangelicae et Reformatae (let hier op het meervoud), de ware Kerk zijn, op het leven der Reformatoren, en noemt daarbij Zwingli, Luther, Martijr, Calvijn 108), en zegt voorts ten opzichte van de notae Ecclesiae: „Dari notarum istarum quamdam latitudinem, ut gradus varios admittant puritatis modo perfectiores, modo imperfectiores, prout magis vel minus accedunt ad regulam Scripturae, unde Ecclesiam arguunt vel puriorem vel impuriorem” 109). Hoornbeek verklaart ook, dat, al is de Roomsche Kerk verdorven, en al moeten haar dwalingen bestreden, er nog geloovigen in die Kerk zijn 110), terwijl Vitringa uitdrukkelijk uitspreekt dat niet verdoemd mogen worden allen die buiten de gemeenschap der Kerk leven. Het zou een dwaasheid zijn, zegt hij, te beweren, dat slechts één Kerk de ware zou wezen, waar de eene algemeene Christelijke Kerk zich in zoovele Kerken gesplitst heeft 111). Allen zijn het hierover eens, dat de scheidingslijn niet over één Kerk loopt, of, om met prof. Bavinck te spreken: „Ware kerk werd de naam, niet voor ééne kerk met uitsluiting van alle andere, maar voor velerlei kerken, die de hoofdwaarheden des Christendoms, de fundamenteele artikelen nog vasthielden, doch overigens in graden van zuiverheid zeer verre van elkander afweken; en valsche kerk werd de naam van de hiërarchische macht van bijgeloof of ongeloof, welke in de plaatselijke kerken zich opwierp en zichzelve en hare ordinantiën meer macht en autoriteit toeschreef dan den Woorde Gods” 112).

Ten slotte moet ik nog een enkel woord wijden aan het oordeel van Dr. Kuyper, die in de „Gemeene Gratie” zich aldus over de Confessie uitlaat, dat zij zich geplaatst heeft op het standpunt van de absolute eenheid der zichtbare Kerk 113), en, waar deze meening thans is prijs gegeven er een klove

|69|

gaapt „tusschen de in de Belijdenis uitgedrukte overtuiging, en de overtuiging, die zich later onder den drang van het leven gevormd heeft” 114). Met deze uitspraak kan ik mij slechts ten deele vereenigen. Wel hebben de Reformatoren de eenheid der Kerk zeer sterk op den voorgrond gesteld; wel rekenen zij te weinig met de mogelijkheid van twee instituten naast elkaar, doch van een absolute eenheid is geen sprake. Indien dit het geval geweest was, zou Calvijn zich nimmer zoo over de Lutherschen uitgelaten, en zoo voor de eenheid der Kerk geworsteld hebben, als hij gedaan heeft; zou Datheen de Luthersche Kerk niet als een ware Kerk hebben beschouwd, en zou Guido de Brès van een toenadering tusschen Lutherschen en Gereformeerden niet hebben willen weten. Iets anders is het of er niet verschil is van inzicht, (het woord kloof is m.i. te sterk), tusschen de Gereformeerden van toen en nu, en dan moet worden toegegeven, dat door de toenemende splitsing de gedachten zich gewijzigd hebben. Maar is dit zoo bevreemdend? Waren de omstandigheden toen niet gansch anders dan in onzen tijd? Was de antithese met Rome niet veel scherper? Stond men toen niet tegenover een tamelijk ongedeelde Gereformeerde Kerk, en was de eenheid onder de Hervormden niet veel sterker? Wie met deze historische factoren geen rekening houdt, loopt gevaar de Belijdenis geweld aan te doen, en wanneer wij ons de kerkelijke wereld van toen indenken, moeten we toestemmen dat zij zich moeilijk anders kon uitdrukken. Zij kende de pluriformiteit niet, zooals wij die kennen. Maar daarover loopt de quaestie in dit geding niet. Het is niet de vraag of de veelvormigheid der Kerk door de Reformatoren met zooveel woorden geleerd wordt, en in de Confessie is opgenomen, maar of zij door hen veroordeeld, en door de Belijdenis uitgesloten wordt. En op die vraag moet m.i. ontkennend worden geantwoord. Ook hierin is de Confession de Foy van Guido de Brès niet in strijd met de Heilige Schrift, en indien ze dit

|70|

was, zou Dr. A. Kuyper zeker niet geaarzeld hebben tegen haar een ernstig gravamen in te brengen.

Moet er dan revisie van de Belijdenis plaats vinden? Hebben wij uitbreiding der Confessie noodig? In zekeren zin ja, want het zou wenschelijk zijn, dat de Gereformeerde Kerken zich op verschillende punten duidelijk uitspraken, doch men moet tevens met zulk een uitbreiding voorzichtig zijn. Men kan ook te veel formuleeren, en het gevaar is niet denkbeeldig dat men op die wijze in intra-confessioneele geschillen ter eener of anderer zijde overtuigingen definieert, waarmede niet allen zich vereenigen kunnen. Ook hier geldt het: Caveant consules. Doch als de Kerken zich uitspreken, zullen zij niet alleen een open oog hebben voor de pluriformiteit en de velerlei openbaring van het lichaam van Christus, doch tevens zich met alle kracht keeren tegen elk kerkelijk indifferentisme, dat de forma Ecclesiae verwaarloost, en vergeet, dat de zuiverheid van het instituut evenzeer een ordinantie Gods is, als de eenheid der geloovigen. Geen kerkisme begeeren wij, doch evenmin onkerkelijkheid.

 

|71|

 

Aanteekeningen.

 

1) Mr. D.P.D. Fabius, „Kerkelijk Leven”, Amsterdam 1918, 9.
2) Id., 85; vgl. ook Dr. A. Kuyper, „Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid”, Amsterdam 1894, II 607 e.v.; „De Gemeene Gratie”, Amsterdam 1904, III 230 e.v.; Dr. H. Bavinck, „Gereformeerde Dogmatiek”, Kampen 1911, IV 343, 348; J.J. Knap, „Dogmatische Fragmenten”, Eerste Reeks, „De Kerk”, Kampen 1914, 80 e.v.
3) „Gereformeerd Theologisch Tijdschrift” November 1916, 268-273. Op deze vergadering heeft prof. Dr. A.G. Honig van Kampen de stelling verdedigd (Stelling XI): „De pluriformiteit der Kerk is voor een deel het werk van Hem, die de veelvormigheid mint, en voor een ander deel het gevolg van de zonde,” terwijl Dr. G.Ch. Aalders van Ermelo, het eerste deel dezer stelling wilde schrappen, en de pluriformiteit een gevolg noemde van de verduistering van ons verstand.
4) „Acta et Scripta Synodalia Dordracena Ministrorum Remonstrantium”, 1620, Scripta Historica. 95 „Si dicatur hoe Articulo sermonem esse de visibili Ecclesia, Quaeritur quo pacto dicatur, extra eam non esse salutem.”
5) Opgenomen in het Rapport aan de Classis Middelburg inzake de kwestie Ds. J.B. Netelenbos, 46-48. Dr. Buizer gaat er van uit, dat in de genoemde artikelen sprake is van de geïnstitueerde Kerk, en op dat standpunt is de pluriformiteit niet te handhaven; vgl. ook J.B. Netelenbos, Dat zij allen één zijn, Zutfen, 9-14. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat op bovengenoemde Predikantenconferentie, ook dit punt ernstig is besproken, en de vraag is gesteld: Is de pluriformiteit in overeenstemming met de Confessie?
6) Vgl. mijn proefschrift „De strijd over Infra- en Supralapsarisme in de Gereformeerde Kerken van Nederland”, Kampen 1912, 171.
7) „Epistre au Roy”, die aan den tekst der Confessie voorafgaat. Zie L.A. van Langeraad, „Guido de Bray”, Zierikzee 1884, 93. Daarom kan bij de exegese van de Confessie de zuiver grammatisch-philologische methode niet toegepast worden.
8) „Acta der Generale Synode van Utrecht”, 1905. 273 e.v.
9) Van Langeraad, a.w. 22 e.v. Dr. F.L. Rutgers, „Calvijns invloed op de Reformatie in de Nederlanden.” Leiden, 1899, 16, 133 e.v. 213.
10) Vgl. Dr. J.J. van Toorenenbergen, „De symbolische

|72|

Schriften der Nederlandsche Hervormde Kerk”, Utrecht 1895, XV, XXXI.
11) H. Denzinger, „Enchiridion Symbolorum”, Editio Decima, 1908, 186: „Corde credimus et ore confitemur unam Ecclesiam non haereticorum, sed sanctam Romanam, catholicam et apostolicam, extra quam neminem salvari credimus.” (Paus Innocentius III tegen de Waldenzen).
Id. 189: „Una vero est fidelium universalis Ecclesia, extra quam nullus omnino salvatur” (Lateraansch Concilie 1215, Cap. I, De fide catholica).
12) ld. 443: „Tenendum quippe ex fide est, extra Apostolicam Romanam Ecclesiam salvum fieri neminem posse.” Zie Bavinck, a.w. IV2 337, 338.
13) Zie o. a. Bavinck, a.w. IV2 309, 328 e.v., 332.
14) Calvijn, „Institutio”, IV 1, 9 Ecclesiam universalem, esse collectam ex quibuscunque gentibus multitudinem, quae intervallis dissita et dispersa, in unam tamen divinae doctrinae veritatem consentit, et eiusdem religionis vinculo colligata est. Sub hac ita comprehendi Ecclesias, quae oppidatim et vicatim pro necessitatis humanae ratione dispositae sunt, ut unaquaeque nomen et auctoritatem Ecclesiae jure obtineo (de spatieering is. van mij).
15) Rapport aan de Classis Middelburg, etc., 33.
16) Zie Dr. Ph.J. Hoedemaker, „De Kerk en het moderne staatsrecht”. I. „De Kerk naar goddelijk recht”, Amsterdam 1904, 50 e.v. Bavinck a.w. IV2 310, 317; Dr. F.L. Rutgers, De beteekenis der gemeenteleden als zoodanig etc., Amsterdam 1906, 10.
17) „Confessio Augustana Art. V. Ut hanc fidem consequamur, institutum est ministerium docendi Evangelium et porrigendi Sacramenta. Nam per verbum et Sacramenta, tanquam per instrumenta, donatur Spiritus sanctus, qui fidem efficit . . . Art. VII Et ad veram unitatem Ecclesiae, satis est consentire de doctrina Evangelii et administratione Sacramentorum. Apologia 156: neque, vero promissio salutis pertinere ad illos, qui sunt extra ecclesiam, quia regnum Christi sanctum cum verbo et sacramentis existit.
18) E.F. Karl Müller, „Die Bekenntnisschriften der reformierten Kirche”, Leipzig 1903, 84, 85.
19) Id., 83 . . . . . quod temere damnamus Christianis parentibus natos pueros, imos gentium quoque pueros. Zie ook G. Oorthuijs, „De anthropologie van Zwingli, Leiden, 1905, 132, 138, 140, waar naar meerdere litteratuur wordt verwezen.
20) K. Rieker, „Grundsätze reformierter Kirchenverfassung”. Leipzig 1899. 60. Zie Rapport, etc., 32.
21) Calvini Opera. Ed. Brunsv. (Corpus Reformatorum). Vol. I, 72.
22) Id. 78, zie Rutgers, „De beteekenis der gemeenteleden, etc.”, 11, 39, op welke laatste pagina men meerdere citaten vinden kan.

|73|

23) „Institutio” IV, 1, 2.
24) Id. IV, 1, 2. Zie Catechismus van Genève. Müller a.w. 125: Quid est ecclesia? Corpus ac societas fidelium, quos Deus ad vitam aeternam praedestinavit.
25) Zie Rutgers, „De beteekenis der gemeenteleden”, 11, 12.
26) „Institutio” IV, 1, 4.
27) Id., IV, 1, 9.
28) Id., IV, 1, 7.
29) Id., IV, 1, 4.
30) Id., IV, 12, 1.
31) Id., IV, 1, 4. Zie ook Rapport etc., 34, 35.
32) Zie „Rapport”, etc. 35. Rutgers, „De beteekenis der gemeenteleden, etc. 10.
33) Müller, a.w. 115. Zie Institutio II, 2.
34) Müller, a.w. 115.
35) „Institutio” IV, 1, 12.
36) Bavinck, a.w. IV2, 343. Vgl. Heraut N°. 2093.
37) Vgl. Heraut N°. 2093-2095, waarin tal van bijzonderheden genoemd worden.
38) Rutgers, „Calvijn’s invloed etc.” 25, 191-197.
39) „Institutio” IV, 2, 11.
40) Id., IV, 2, 12.
41) Calvijn, Opera, XVII, 662.
42) Id., XX, 246.
43) Institutio IV, 1, 8.
44) Calvijn, Opera, I, 394.
45) „Institutio” IV, 1, 3 en 4.
46) Zie Heraut N°. 2095.
47) Müller, a.w. 228.
48) Id., 228.
49) A.J. van ’t Hooft, „De Theologie van Heinrich Bullinger”, Amsterdam 1888, 34. Deze orde zou het vermoeden vestigen, dat Bullinger de pluriformiteit niet erkende, en toegegeven moet worden, dat hij zich kras uitdrukt, doch in werkelijkheid is hij zoo exclusief niet, gelijk uit het vervolg blijkt.
50) Müller, a.w. 198.
51) Id., 199.
52) Id., 199.
53) Id., a.w. 243. De Fransche tekst van 1566 luidt: (editie H.E. Vinke, Utrecht 1846) Nous croyons et confessons une seule Eglise Catholique ou Universelle, laquelle est une vraye Congregation et Assembleé de vrays Fideles Chrestiens.
54) . . . . . in loco non est sita, vel limitata, aut ad certas singularesque personas alligata, sed per totum mundum sparsa atque diffusa.
55) S. Maresius, „Confoederatum Belgium Orthodoxum sive Confessionis Eccl. Belg. Exegesis, Groningen 1652, 380.
56) Id., 388.

|74|

57) Id., 380, vgl. ook C. Vitringa, „Doctrina Christianae Religionis”, IX, 81.
58) Dr. J.I. Doedes, „De Nederlandsche Geloofsbelijdenis en de Heidelbergsche Catechismus”, Utrecht 1880, I, 357.
59) Id., 359.
60) Hoedemaker, a.w. 112, 39.
61) Dr. A. Kuyper, „Pro Rege”, Kampen 1911, II, 128.
62) N°. 2089 e.v.
63) T. Bos, „Negen Dogmatische Onderwerpen”, Leiden z.j. 161; vgl. ook Arn. Rotterdam, „Zions Roem en Sterkte”, (Ed. Kuijper), Kampen, 1914 II, 101; W.H. Gispen, „De Geloofsbelijdenis der Nederlandsche Gereformeerde Kerk”, 5e druk, Kampen z.j., 163, 167: „is de kerk het geestelijk lichaam van Christus”, etc.
64) Bos, a.w., 163. „Rapport” etc. 47, 48; Dr. C.M. Buizer, „Een aanslag op de gewetensvrijheid in de Gereformeerde Kerken”, Amsterdam z j. 27-36.
65) Müller, a.w., 243.
66) Wij spreken hier niet over het gevoelen van Ds. Bos (zie blz. 52), dat n.l. van het mystieke lichaam van Christus niet gehandeld wordt. Dit dogmatisch geschil is voor ons onderwerp van minder belang, daar Ds. Bos erkent, dat hier de Ecclesia invisibilis bedoeld wordt.
67) Buizer, a.w., 29.
68) Ed. Vinke, 40.
69) Vgl. de „Conf. Helv. posterior”, Müller, a.w., 199, die in dit artikel door de Brès gevolgd is.
70) Bavinck, a.w., IV2 351.
71) Müller, a.w., 243.
72) Maresius, a.w., 394, vgl. Doedes, a.w., 385.
73) „Huic se adjungere”, Müller, a.w., 343. De Fransche tekst heeft: que nul, de quelque estat et qualité qu’il soit, ne se doit retirer a part, pour se contenter de sa Personne (ed Vinke, 40).
74) Maresius, a.w., 394.
75) Vgl. Maresius, a.w., 413.
76) Hiertegen is echter aangevoerd dat de Westminster Confessie in cap. XXV art. 2, er wel tusschen gevoegd heeft: ordinarie. Zij toch zegt: extra quam quidem ordinarie fieri nequit ut quivis salutem consequatur, Müller, a.w., 598. Zie Buizer, a.w., 34. Maar omdat deze eene Confessie zich zoo uitgedrukt heeft, volgt niet dat alle symbolen precies zoo geformuleerd moeten zijn. Over het algemeen rekent een Belijdenis niet met excepties.
77) Müller, a.w., 228.
78) Müller, a.w., 244.
79) Zooals Dr. Buizer beweert, a.w. 31-34.
80) Van Langeraad, a.w., 121.
81) Hoedemaker, a.w., 114.
82) N°. 2092.

|75|

83) Bavinck, a.w., IV2, 343.
84) Maresius, a.w., 420.
85) Vgl. Knap, a.w., 140; Bavinck, a.w. IV2, 343; zie ook Doedes, a.w., 397.
86) Maresius, a.w., 421; vgl. ook Hoedemaker, a.w. 48 e.v.
87) Hoedemaker, a.w., 114.
88) „Institutio”, IV, 2. 11.
89) Bavinck, a.w., IV2, 343.
90) Van Langeraad, a.w., 58.
91) Id., 62.
92) Id, 58; vgl. ook R. Fruin, „De Tachtigjarige Oorlog”, „De voorbereiding in de ballingschap van de Gereformeerde Kerk van Holland”, ’s-Gravenhage 1909, 37.
F.S. Knipscheer, „De invoering en de waardeering der Gereformeerde belijdenisschriften in Nederland vóór 1618”, Leiden 1907, 38.
93) „Geref. Theol. Tijdschrift”, Nov. 1916, 271.
94) Doedes, a.w., 397.
95) Knipscheer, a.w., 60. Hij handelt over de onderteekening der Confessie.
96) Id., 39, 52; vgl. Van Langeraad, a.w., 122 e.v.
97) Id. 53 e.v.; Van Langeraad, a.w., 144 e.v.; Dr. F.L. Rutgers, „Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw”, ’s-Gravenhage 1889, 14. Zie voor de Synode van Embden 1571, Knipscheer, a.w. 61 e.v.; Van Langeraad, a.w. 145; Rutgers, a.w., 56. Ad testandum in doctrina inter Ecclesias Belgicas consensum, visum et fratribus confessioni Ecclesiarum Belgicarum subscribere, et ad testandum harum Ecclesiarum cum Ecclesiis Regni Galliae consensum et coniunctum confessioni fidei Ecclesiarum illius Regni similiter suscribere, certa fiducia earum Ecclesiarum ministros confessioni fidei Ecclesiarum Belgicarum vicissim ad mutuum testandum consensum subscripturos.
98) Zie pag. 38 Acta et Scripta etc., 96 etc; vgl. Maresius, a.w., 419-423.
99) Dr. H.H. Kuyper, „De Post-acta”, Amsterdam, 390.
100) Calvijn, Opera Ommia XIX, 397, vgl. Th. Ruys Jr. Petrus Dathenus, Utrecht 1919, 38.
101) Rutgers, Acta.
102) Müller, a.w. 598. Over de uitdrukking ordinaire heb ik bij noot 76 gesproken.
103) Id., 598, 599.
104) Fr. Junius, „Opuscula Theol. Selecta”, ed. Kuyper. Amsterdam, 1882, 239 e.v.
„Opera Theologica”, Genève 1908, II, 1018-1023.
105) „Synopsis purioris theologiae” ed. Bavinck, Leiden 1881, 438.
106) Id., 440.

|76|

107) Id., 441.
108) Id., 442.
109) F. Turretinus, „Institutio Theologiae Elencticae”, 1690, III, 161.
110) Id., 99.
111) J. Hoornbeek, Summa Controversiarum Religionis, Utrecht 1653, 244; atque hinc plures sub Papatus simplices, seductos, oppressos, nequaquam ex sensu aut notitia Papismi, sed ductu S. Spiritus, et conscientiae religiosae instigatione, ut ut sub multis imperfectionibus, viventes, nobiscum salvandos, et eandem constituere ecclesiam, cumque illis communionem fovendam implicitam, sique fieri potest apertam, haud multum dubitamus.”
112) Camp. Vitringa, „Observationum Sacrarum Libri Sex” XI, Franeker 1712, 95, 130: Absurdum enim vere Veterum fuit sententia, in Ecclesiis pluribus per schisma ab invicem divisis, unam tantem dari, in cuius obtineri possit salus.”
113) Bavinck, a.w. IV2 343.
114) Dr. A. Kuyper, „De Gemeene Gratie”, III 229.
115) Id., III 230; vgl. ook „Encyclopaedie”, II, 608, 609.