3-32

|3|

 

 

Relativistische Rechtsleer

door

Prof. Mr. Anne Anema.

 

 

 

|5|

 

 

Relativistische Rechtsleer.

 

In zijn sympathiek boek „Die Rechtswissenschaft ohne Recht” 1) vertelt Leonard Nelson, van huis uit mathematicus van professie, dat hij eens een gesprek had met een aanzienlijk Italiaansch staatsman en jurist, bij welke gelegenheid deze zich lichtelijk vroolijk maakte over de schijnbare diepzinnigheid van Duitsche juridische professoren, wier lessen hij in zijn jeugd gevolgd had. Zoo had één hunner met veel vertoon van gewicht aan zijn uiteenzettingen de stelling ten grondslag gelegd; dat „de rechtswetenschap is de wetenschap van het recht”, iets wat toch — zoo meende de bedoelde staatsman — niet meer was dan een reine tautologie, een trivialiteit

Tegenwoordig zal niemand dat meer zeggen. Er is — zoo zegt Nelson terecht — hooge moed voor noodig, om thans nog vol te houden, dat de rechtswetenschap de wetenschap van het recht is. Wanneer men onder recht ook thans nog wil verstaan, wat er altijd onder verstaan is, een systeem van regelen, die krachtens hun eigen natuur, onafhankelijk van de erkenning of den wil der menschen en mensengemeenschappen, wier gedragingen zij willen richten, voor hen verbindend zijn, dan valt niet te loochenen, dat veel, wat zich thans als rechtswetenschap aandient, van zulk een recht niet meer wil weten. Beurtelings worden de macht, sociale of politieke opportuniteit, eerbied voor het historisch gewordene en dergelijke buiten het recht liggende maatstaven, en zulks niet uit moreele zwakheid of inconsequentie maar welbewust, aangelegd om te beslissen

|6|

over de vraag van recht of onrecht. Maar de wetenschap, die hiervan handelt, gaat op in het constateeren en zooveel doenlijk causaal verklaren van bestaande rechtsovertuigingen, rechtsvoorstellingen, rechtsgevoel, wilsverklaringen, machtsfeiten, historisch geworden instituten en wat dies meer zij, voor zoover zij zelfs niet zich zuiver beperkt tot een technische ordening van positieve rechtsregelen. Naar objectieve, uit zich zelf geldende, rechtelijke criteria voor recht en onrecht zoekt men dan niet meer. Men loochent ze. Eerst heeft de natuurwetenschap verklaard, dat een van gewaarwording onafhankelijke, door noodwendige en algemeen-geldige wetten geregelde natuur iets is, wat zich onttrekt aan de waarnemingen en de experimenten van den natuurvorscher; de vraag of er zoo iets bestaat en zoo ja, hoe het er dan uitziet, is als „metaphysisch” buiten het gebied der menschelijke wetenschap gezet, en ter overweging verwezen naar dezulken, die meenen te beschikken over een bovenzinnelijke openbaring. Zoo is ontstaan een „natuurwetenschap, zonder natuur”. Op haar is gevolgd een „zielkunde zonder ziel”, met verbanning der ziel naar dezelfde zalige oorden der metaphysische speculatie. En thans is het recht gemaakt tot „Dritte im Bunde”, en hebben we een „rechtswetenschap zonder recht” gekregen. Tegen de noodlottige gevolgen van deze strooming op het gebied van staats- en volkenrecht is het genoemde boek van Nelson vooral gericht.

Het relativisme in de rechtsleer, waaraan wij in de volgende bladzijden een korte beschouwing gaan wijden, is slechts een onderdeel van een algemeen modem verschijnsel, dat onzen tijd kenmerkt, de ondermijning van de rechtsidee. Tegen het einde der vorige eeuw is deze geestesstrooming opgekomen. In de periode, die vooraf ging, was met de rechtsidee gedweept op velerlei wijzen, waaronder een drietal vooral de aandacht trekken. Vooreerst was er de overdreven liefde voor het zoogenaamde parlementaire stelsel, dat voor velen de belichaming

|7|

was van de triomf van het recht over de macht, een streven dat ten onzent zijn theoretisch stelsel vond, toen het in de practijk hier en elders reeds aanmerkelijk geluwd was, in de werken van den Leidschen hoogleeraar in het staatsrecht, prof. Krabbe 2). Daarnaast openbaarde zich de liefde voor het recht in den vorm van den strijd voor den „rechtsstaat”, door Stahl het eerst in woorden aangebonden 3), later door Gneist 4) uitgewerkt en doorgevoerd, ten onzent door Buijs overgenomen en door velen zijner leerlingen met warmte voortgezet, zich vooral ontpoppend in de invoering van de administratieve rechtsspraak, geflankeerd door de zoogenaamde sociale wetgeving. Terwijl men als derde daaraan kan toevoegen de strooming in het internationale recht, feitelijk haar aanvang nemend met de declaratie van Parjjs in 1856, maar eerst later doorgevoerd in ruimeren zin op de beide vredesconferenties in Den Haag en de conferenties voor internationaal privaatrecht, om te trachten door codificatie van internationaal recht de machtsidee in het Volkenrecht te beperken. Wanneer men nu alleen eens deze drie verschijnselen neemt en men ziet eens, wat reeds vóór en later dóór den oorlog van het parlementaire stelsel is terecht gekomen; men leest daarbij de studie van Staatsraad Struycken over de administratieve rechtspraak 5) en men vergelijkt eindelijk de practijk van dien wereldoorlog met het oorlogs- en neutraliteits-recht op het papier — dan vraagt men zich af, of het wel heel wonderlijk is, dat de rechtsidee in de laatste kwarteeuw zoo verflenst en verlept is.

Toch is het verschijnsel der rechtsondermijning, begrijpelijk of niet, meer dan bedenkelijk. Zulks vooral omdat de kwaal als een kanker van verschillende zijden invreet. De wilsleer, de grootste vijandin der rechtsidee, wroet tot onder de besten door. Jellinek 6) is er door vergiftigd en zelfs Gierke 7) er niet vrij van gebleven; wie eenmaal in individueelen wil of staatswil den grondslag van het recht zoekt, objectief of subjectief,

|8|

komt steeds ten slotte uit bij de negatie van het recht, hoe goed de bedoeling vaak ook is. Naast haar heeft de machtsleer schaamteloos het masker afgeworpen, autocratie en ultrademocratie wedijveren in krachtsontplooiing om haar te verdedigen. Thans is naast deze beide de relativistische rechtsleer opgekomen; zij heeft in den Heidelberger hoogleer aar Gustav Radbruch haar systematicus gevonden, die haar tot een welbewust stelsel heeft verheven. In streng wijsgeerigen vorm loochent zij het absoluut karakter des rechts. Wij zullen bij een en ander thans ietwat meer uitvoerig stilstaan.

* * *

Al is Radbruch de meest representatieve figuur der richting, in meer of minder bewusten, meer of minder scherp omlijnden vorm telt zij vele aanhangers. Georg Jellinek, een staatsrechtleeraar, die met name in de theorie, in het „algemeen deel” van zijn vak, zoo veelzijdigen invloed heeft uitgeoefend, wordt meestal beschouwd als de eerste, die relativistische wegen insloeg 8). Na hem de, op economisch gebied vooral, bekende Max Weber 9). Dan Kantorovicz 10), die onder den pseudoniem van Gnaeus Flavius met zijn brochure „Der Kampf um die Rechtswissenschaft”, zooveel opspraak en ergernis verwekte, maar sindtsdien heel wat „genormaliseerd” is. Voorts Somlo in een artikel in het (Neo-Hegeliaansche) „Archiv für Rechts- und Wirtschaftsphilosophie” (Bd. III, S. 508), onder den titel „Masstabe zur Bewertung des Rechts”, later minder in zijn grooter werk „Juristische Grundlehre” (1917). Wijsgeerig gepreciseerd en gesystematiseerd werd de leer toen vooral door Gustav Radbruch in zijn Grundzüge der Rechtsphilosophie (1914) en gecritiseerd door Kurt Hiller „Der Relativismus in der Rechtsphilosophie” (1915) en Dr. C.A. Emge, „Ueber das Grunddogma des Rechtsphilosophischen Relativismus” (1916).

|9|

Hoezeer nu onderling deze schrijvers ook verschillen, op één punt, het punt waarop het hier aankomt, komen ze allen overeen. Zij gaan uit van de bekende Neo-Kantiaansche onderscheiding tusschen de wereld der werkelijkheid en de wereld der waarden 11). Men bedoelt daarmee, dat wij in onze wetenschap de verschijnselen op twee manieren kunnen behandelen. Wij kunnen vooreerst de verschijnselen trachten te beschrijven, te ordenen en causaal te verklaren, dan krijgen we de wereld der werkelijkheid. Daarnaast kunnen we echter ook iets anders doen, n.l. de genoemde verschijnselen beoordeelen naarmate hunne beteekenis, hun waarde met het oog op een zeker ideaal, een zeker doel, dat ons gegeven is of dat wij zelf stellen; doen we dit, dan verkeeren wij in de wereld der waarden. Een enkel voorbeeld moge dit toelichten. Stel een moordenaar heeft een medemensen omgebracht en de beul heeft op zijn beurt krachtens rechterlijk vonnis aan hem de doodstraf voltrokken. Nu kan ik deze beide feiten vooreerst verklaren uit hun stoffelijke en zielkundige oorzaken, zoowel uit deze beide personen zelf ais uit het maatschappelijk milieu, waarin zich die feiten hebben voorgedaan. Ik heb dan niets anders dan zuivere werkelijkheidsbeschrijving en verklaring. Dat de eerste doodslag een gemeene streek en de tweede een plichtmatige rechtelijke handeling was, is mij daarbij ten eenenmale onverschillig. Maar nu kan ik ook deze beide feiten toetsen aan een bepaald ideaal, bijvoorbeeld aan het recht Gods naar Christelijke opvatting, of aan het ideaal der „gemeenschap van vrij-willende menschen” van Stammler. Dan ben ik aan het beoordeelen van „waarden” en vind nu dat de eerste doodslag „onwaardig” is, de tweede door den beul „waardig” of „waardevol”.

De eerste soort van oordeelen, die over de werkelijkheid, hebben „objectieve gelding”, zij zijn waar voor iedereen. Maar bij de tweede soort komt nu de kwestie. Terwijl de Neo-Kantiaansche philosophen over ’t algemeen ook aan deze oordeelen objectieve gelding toekennen 12), is hier het punt, waarop de

|10|

relativistische rechtsleeraars allen een anderen weg inslaan. Zij kennen aan deze waarde-oordeelen, dat is dus aan de beslissingen over de vraag naar recht en onrecht, slechts een betrekkelijke waarde, een relatieve waarheid toe. Men moet dus dit rechtsphilosophisch relativisme wel onderscheiden van wat men in de ethiek dikwijls aanduidt als relativisme. In de ethiek bedoelt men er meestal mee, dat er wel objectiefgeldige normen zijn, maar dat de individueele gevallen zoo hopeloos uiteenloopen en steeds zulk een apart en eigen karakter dragen, dat men in de practijk aan de algemeene regelen feitelijk niets heeft, om iemand te zeggen, hoe hij handelen moet. Maar in het rechtsphilosophisch relativisme ontzegt men niet aan de toepassing, maar aan de regelen zelf de algemeen bindende kracht. Men meent dat ze alleen bindend zijn voor hem, die gelooft in het „ideaal” of „doel”, waaraan men de regelen ontleent. De normen voor recht en onrecht zijn in dit systeem geen „Erkentnisse”, maar „Bekentnisse” 13).

Hierover is men het allen eens, verder drukt ieder het op eigen wijze uit. Jellinek zet op vele plaatsen in zijn werken uiteen, dat waarde-oordeelen in de wetenschap een bijzondere plaats innemen. De hoogste doeleinden (idealen, normen, maatstaven van beoordeeling), kunnen slechts worden aannemelijk gemaakt langs den weg van metaphysische bespiegeling. Daarom kan de wetenschap zulke hoogste doeleinden alleen hypothetisch aannemen. Zij moet echter toegeven, dat andere teleologische beschouwingen evenveel recht hebben, om aan de wetenschap ten grondslag te worden gelegd. Nu zijn er echter een zeker aantal „typische” doeleinden, dat is, de groote verscheidenheid van hoogste menschelijke doeleinden behoeft geen verwarring ten gevolge te hebben, zij is ten slotte wel terug te leiden tot enkele, met bijkomstige variaties steeds weer terugkeerende, type’s. Intellectualistische en voluntaristische rechtsopvatting, conservatisme en democratie, individualisme en socialisme komen in alle tijden in verschillende vormen als

|11|

rechtsideaal weer voor den dag. Maar op algemeen geldige gronden een partijkeuze motiveeren tusschen deze tegenstrijdige grondidealen is niet mogelijk. Ze vloeien blijkbaar voort uit een laatste irrationeel element in den menschelijken geest, dat redelijke verklaring en elk-bindend betoog uitsluit. Weber betoogt, dat empirische wetenschap niemand kan leeren wat hij behoort te doen, alleen maar wat hij bereiken kan, onder bepaalde omstandigheden kaïn zij voor zijn eigen bewustzijn verhelderen wat bij eigenlijk wil. Kantorovicz verklaart, dat men op het gebied der „waarden” van geen logische noodzakelijkheid kan spreken; op het gebied van het willen is er geen maatstaf van objectieve juistheid.

De wetenschap ziet zich alzoo bij de behandeling der hoogste rechtsnormen een zeer beperkte taak toegewezen voor zoover zij voor ieder geldige waarheden wil vinden. Zij kan een leer van middelen en gevolgen opstellen, dat is zij kan in ’t algemeen aantoonen, dat bepaalde middelen steeds bepaalde gevolgen zullen teweegbrengen, en zoo een zeker vruchtbare voorlichting schenken, hoe men, wanneer men eenmaal langs niet-wetenschappelijken weg een ideaal (doel, maatstaf) heeft verkregen, dit nu moet verwerkelijken; teleurstelling door valsche middelen-keuze kan zoo worden voorkomen. Dan kan men wetenschappelijk de verschillende rechtelijke grondleerstellingen bezien in hun onderlinge verhoudingen, men kan hun onderling verband en verschil aantoonen; men kan ook interne kritiek uitoefenen door aan te wijzen, hoe iemand van uit zijn eigen grondleer logische fouten moet vermijden. Dit alles heeft algemeen voor ieder geldende waarde; overigens moet ieder op zijn eigen grondslagen zijn eigen leer uitwerken, en staan deze stelsels als volkomen gelijkwaardig naast elkander.

 

Om het beeld der relativistische rechtsleer zoo volledig mogelijk te maken, zij hier nog kortelings aan de reeds gegeven

|12|

samenvatting van de aan al hare aanhangers gemeene beginselen, een overzicht van Radbruch’s leer als die meest scherpe en uitgewerkte toegevoegd.

Het relativisme in de rechtsleer — aldus Radbruch 14) — wil meer zijn en meer geven dan de neo-Kantiaansche rechtsphilosophie, met name die van Stammler, uit welker grondstellingen zij veel geleerd heeft, maar tegenover welke zij zich niettemin critisch opstelt. Zij wil niet als deze opgaan in bloedarme methodologie, niet enkel formeele regelen geven, maar rechtsidealen van vleesch en bloed.

Wetenschappelijk vaststellen van hoogste doeleinden is onmogelijk, zij zijn voorwerpen van belijden en beleven. Maar de taak der relativistische rechtsphilosophie als wetenschap is tweeërlei. Vooreerst heeft zij de juiste middelen voor veronderstelde rechtsdoeleinden te zoeken, in deze functie heet zij „politiek”. Zij leert, hoe men de historische „wet der traagheid” te boven moet komen, hoe men zich voor utopieën moet hoeden, hoe men de tegenovergestelde beginselen van de leiders van het rechtsleven moet weten te verzoenen; zij is als zoodanig ook een „wetenschap van het mogelijke”. Maar om werkelijk in den vollen zin des woords rechtsphilosophie te worden moet zij nog een tweede doen. Zij moet zich niet beperken tot het geven van een „middelen-leer”. Zij moet tot voorwerp harer werkzaamheid ook maken de hoogste rechtsdoeleinden, zooals die te vinden zijn in de verschillende wetenschappelijke stelsels van rechtsphilosophie, in de rechtsinstellingen der werkelijkheid, in de programma’s der staatkundige partijen, in de intuïtieve overtuigingen van groote mannen op het gebied der rechts- en staatspractijk. Nooit kan de rechtsphilosophie in dezen strijd der meeningen over recht en onrecht een algemeen geldige beslissing geven. Maar wel kan zij de persoonlijke beslissing in de practijk voorbereiden. Daartoe onderzoekt zij van elk groot rechtsdoel de wereldbeschouwing, die er aan ten grondslag ligt, de gevolgen voor de praktijk, de immanente

|13|

juistheid, de overeenstemming en het verschil met andere rechtsdoeleinden. Daardoor krijgt men een wetenschappelijk overzicht van alle bestaande fundamenteele rechtsbeschouwingen in hun uitgangspunt, oorsprong, middelen-keuze, strekking en gevolgen. Wie den relativist zou willen verwijten, dat hij, op deze wijze alle rechtsbeschouwingen wetenschappelijk bewerkend, zelf een man zonder overtuiging is, miskent hem ten eenenmale, omdat hij niet onderscheidt den relativist-rechtsphilosoof, dus den man van wetenschap, en den relativist-persoon, den man van eigen rechtsovertuiging, maar die andere overtuigingen als even waardevol erkent als de zijne. Een zuiver realitivist zou zonder „intellektuelle Unredlichkeit” Stahl’s rechtsphilosophie hebben kunnen schrijven.

De rechtsphilosophie kan niet meer doen dan den inhoud van het rechtsideaal beschrijven; het waarlijk tot rechtsideaal verheffen kan alleen de door zelfbezinning uit de diepte der persoonlijkheid geputte wil. De relativistische rechtsleeraar is geen Pilatus; integendeel, hij wil tot een eigen overtuiging opvoeden en nopen, door een goed bewerkte lijst van rechtsovertuigingen voor te leggen niet aan het denkend verstand, maar aan het geweten van den mensch. Wie dan, verbijsterd door de „embarras du choix”, den twijfel ten prooi wordt, lijdt aan krankheid van zijn juridisch geweten, niet van zijn verstand. Niet Pilatus alzoo, maar Lessing’s Nathan is zijn voorbeeld: juist de onmacht van het denkend verstand is het krachtigste beroep op de moreele overtuiging.

Tot zoover Radbruch.

 

De relativistische rechtsleer heeft haar kenmerkenden stempel ontvangen van het algemeen karakter, dat het geestesleven aan het eind der vorige en het begin der tegenwoordige eeuw vertoont. In tegenstelling met het scherp geformuleerd en strakke lijnen trekkend intellectualisme van hét midden der 19de eeuw komt er tegen haar einde een neiging naar het

|14|

vage en naar die mystiek. Door de overschatting van de macht van het denkend verstand en van de wetenschap was er groote teleurstelling gekomen. Men had gedroomd van de mogelijkheid, om een gesloten wetenschappelijk stelsel te vinden met objectieve, voor iedereen geldende kracht van waarheid en zoo de diepste fundamenten van het geestesleven bloot te leggen. Maar men was gestuit op de onverwachte vondst, dat juist de hoogste waarheden en de meest fundamentieke stellingen, waarop het leven rust, zich onttrekken aan onderzoek met de middelen, waarover de wetenschap beschikt. Daarbij kwam zekere oververzadiging met cultuur, stoffelijke zoowel als geestelijke, die aan alle absolutisme steeds vijandig is. Zoo verminderde de zin voor het streven naar absolute wetenschappelijke waarheid al meer en kwam het betrekkelijke, het subjectieve element meer op den voorgrond. Men behoeft maar in ons eigen land om zich heen te zien, om de sporen daarvan op te merken. Men vergelijke eens de houding tegenover de orthodoxie van het oude modernisme eenerzijds en het nieuwere anderzijds, de synthese-beweging, de wederzijdsche toenaderings-pogingen tusschen ethischen en gereformeerden onder een jonger geslacht, de pacificatie op onderwijsgebied en zooveel meer, en men zal bespeuren, hoeveel er in het verloop van ruim een kwart eeuw is gewijzigd. Het absolutisme slijpt zijn scherpe kanten af, het relativisme zit als verschijnsel van algemeenen aard in de lucht, en de relativistische rechtsphilosophie is van dezen algemeenen trek van het geestelijk leven van onzen tijd de toepassing op het speciaal gebied van het recht.

Het relativisme heeft zonder twijfel zijn goede zijde. Het heeft den intellectualistischen hoogmoed gefnuikt, die ten onzent onder meer zoo stuitend uitkwam in de leuze van „het denkend deel der natie”, door te doen beseffen, dat alle menschelijke formuleering van de waarheid steeds een onvolkomen karakter draagt. Het heeft bevrijdend gewerkt tegenover bekrompenheid en het heeft tevens den eigengerechtigen waan van het opeischen

|15|

van het monopolie der waarheid voor eenige partij of groep als onhoudbaar aan de kaak gestold Het heeft den soms noodeloozen en overmatigen strijd tusschen verschillende richtingen getemperd en zoo de baan meer vrij gemaakt voor de onmisbare samenwerking op velerlei gebied Het heeft een wederzijdsch begrijpen van elkanders standpunt bevorderd. Het heeft op theologisch zoowel als juridisch gebied een al te star en kil dogmatisme zachter en soepeler gemaakt en zóó nader gebracht aan de warmte der werkelijkheid. En ons nogmaals doen gevoelen, dat onze wetenschap waarlijk niet ver strekt en met name de diepste scheuren in het leven niet weet te overbruggen.

En niet alleen dat het relativisme op meer dan één punt heilzamen invloed heeft uitgeoefend, er schuilt in zijn grondstellingen ook een deel waarheid. Het is toch een door ieder, die hier tot oordeelen bevoegd is, erkend resultaat der kenleer, dat de laatste en hoogste gegevens, waarop de wetenschap haar gebouw opricht, zelve op haar beurt geen voorwerp van logisch bewijs meer kunnen zijn. Alle logisch bewijs toch veronderstelt ten slotte axioma’s, die zonder meer worden aanvaard; wie voor deze nogmaals bewijs zou vragen zou in een cirkel gaan ronddraaien. Openbaart zich nu verschil over den inhoud dezer laatste axiomatische grondwaarheden, dan kan dit verschil niet worden beslecht door wetenschappelijke bewijsvoering. En wanneer het relativisme, dan ook niet verder ging, dan op deze waarheid den nadruk te leggen, dan zou er tegen zijn standpunt geen bezwaar, althans geen principieel bezwaar te maken zijn.

Maar dit is niet zoo. Op relativistisch standpunt blijft men niet staan bij de logisch-wetenschappelijke onbewijsbaarheid der fundamenteele stellingen, maar concludeert daaruit tot hun objectieve gelijk-gerechtigdheid. Subjectief — zoo zegt men — moet elk natuurlijk zijn eigen warme overtuiging hebben. Maar objectief is er, mits het maar heusch hoogste beginselen zijn,

|16|

waarover men het heeft, noch pro noch contra zulk een grondnorm iets te zeggen, zij vallen buiten het terrein der objectiviteit.

Hier nu schuilt de principieele fout 15). Rickert heeft er reeds op gewezen, dat men de scheiding tusschen de zijns-oordeelen en de waarde-oordeelen toch werkelijk niet te ver moet drijven. Immers alle zijns-oordeelen, uitspraken over relatie’s in de werkelijkheid, maken toch aanspraak op waarheid, en het toekennen of ontzeggen van waarheid is ten slotte precies even goed een waarde-oordeel als een oordeel over recht of onrecht, goed of slecht, schoon of leelijk. Zoodra men verder gaat dan het terrein der formeele juistheid, en waarheid opeischt voor zijn oordeel, heeft men met „waarden” te doen. „Sogar die einfache konstatierung einer jeden Tatsache in einem Urteil, das auf Wahrheit Anspruch macht, schliesst bereits die Stellungnahme zum Wahrheitswerte und seine Anerkennung durch das erkennende Subject als notwendige Voraussetzung ein”. Maar dan ook omgekeerd maakt elke uitspraak over recht of onrecht de pretentie, om waar te zijn, dat is te gelden voor iedereen. Logisch-wetenschappelijk bewijsbaar is zeer zeker de waarheid van zulk een fundamenteele juridische grondstelling nooit, alleen maar, men beseffe wel, dat dit met de grondstellingen van de natuurwetenschap en de geschiedenis precies zoo is. Finaliteit is onbewijsbaar, het zij gaarne erkend, maar causaliteit evenzeer. Dit alles heeft echter niets te maken met de objectiviteit der waarde-oordeelen. Wie een waardeoordeel velt, wil daardoor tegelijk een algemeen geldige waarheid uitdrukken, juist zooals wie een zijns-oordeel opstelt, daardoor en daarvoor tevens waarheids-waarde opeischt

Het verband tusschen subject en praedicaat in een zijns-oordeel is van causalen aard (daar gelaten nu de zuivere constateeringen), in een waarde-oordeel is dat verband van finalen aard, maar in hooger zin zijn beiden één, doordat zij krachtens hun aard, daar ze immers meer dan spel of persoonlijke bevrediging bedoelen, aanspraak maken op objectieve gelding.

|17|

Niemand, die zijns-oordeelen opstelt, doet dit anders dan uit drang naar waarheid, dat is om een ideaal, een doel van algemeene geldigheid, een „waardevol” iets te bereiken; dat zit niet in het oordeel zelf, men kan zich een geestelijke atmosfeer denken, waarbij het bereiken van waarheid of onwaarheid onverschillig ware; maar met wetenschap is het bij zulk een stand van zaken uit, de voorwaarde voor alle wetenschap is het doel om waarheid te vinden; dit is om zoo te zeggen het stilzwijgend finaal element in elk zjjns-oordeel. En wie een waarde-oordeel opstelt, die zoekt geen subjectieve lust of fantasie, maar bij zijn beoordeelen van een handeling als deugdelijk of ondeugdelijk middel voor een doel of ideaal, stelt hij van zelf voorop, dat hij in zijn uitspraak met voor iedereen geldende werkelijkheid te doen heeft, dat is het stilzwijgende zijns-element in elk waardeoordeel. Logisch bewijsbaar is wel de juistheid, maar noch de waarheid noch de rechtmatigheid noch de schoonheid in laatste instantie Maar daarom zijn ze niet relatief, de rechtmatigheid zoo min als de waarheid.

Een der wonderlijkste argumenten, die men voor de relativiteit van het recht heeft aangevoerd, is wel dit, dat men wijst op het verschil van opvatting aangaande de rechtelijke grondbeginselen, dat er feitelijk in het leven heerscht. Bij het begin der relativistische beweging, vooral onder hen, die meer onmiddellijk onder naturalistische invloeden stonden, was het klassieke voorbeeld de plichtgetrouwe Alfoer, die om de schim van zijn overleden vrouw te bevredigen, zich geen rust gunde, dag noch nacht, alvorens hij bij een naburigen stam een kop had gesneld en deze — naar ik meen — in den tempel van zijn afgod had gedeponeerd. Deze plicht rustte op hem naar inlandsch gewoonterecht. De ethnologische richting in de rechtswetenschap, die in dezen tijd zeer in de mode was, ging sindsdien vrijwel ter ziele en met haar is ook de Alfoer uit de literatuur verdwenen. Later werden vooral de grondovertuigingen der verschillende politieke partijen ten tooneele gevoerd,

|18|

om aan te wijzen, hoever men onderling al in eenzelfde land en op eenzelfde trap van beschaving verschilde over die meest fundamenteele rechtsbeginselen. Objectieve, een ieder bindende rechtsbeginselen alzoo onbestaanbaar, dat was de conclusie.

Wonderlijk noemde ik deze argumentatie, vooral in den mond van hen die voor „theoretische” oordeelen wèl objectieve gelding opeischen, maar die ontzeggen aan „practische”. Immers, indien men den genoemden Alfoer eens een verhoor op vraagpunten had doen ondergaan over de grondbeginselen dier mechanica, zou men waarschijnlijk tot even afwijkende resultaten zijn gekomen als aanwezig bleken bij zijn juridische beginselenleer. Zou deze Alfoersche mechanica onze natuurwetenschap’s-mannen geschokt hebben in het geloof aan de objectieve waarde hunner wetten? Vermoedelijk niet. Maar wat reden is er dan voor de juristen, om aan de objectieve waarde hunner beginselen te gaan twijfelen op dezelfde gronden 16)?

Toch loont het de moeite om nog even bij dit punt stil te staan. Want feitelijk draait om deze kwestie een goed deel der tegenwoordige rechtsphilosophie. Dat men allerwegen roept om een nieuw natuurrecht is bekend genoeg: een heele reeks van werken is verschenen om de behoefte aan zulk een nieuw natuurrecht aan te toonen 17). Nu is vooral een der voornaamste bezwaren tegen de aannemelijkheid van dit streven, dat het oude natuurrecht juist op dit punt der objectieve gelding een slechte reputatie had. Deductief leidde men uit de natuur van den mensen een stel rechtsregelen af, die men overal, desnoods met geweld, wilde invoeren. Dit bleek de meest ongewenschte gevolgen te hebben en vandaar dat men thans aan „la renaissance du droit naturel” ernstig twijfelt, omdat het recht naar tijd en plaats zoo hemelsbreed verschilt, en men dus het bestaan van „eeuwige rechtsnormen” ontkent.

Nu heerscht hier een misverstand De fout van het oude natuurrecht was niet, dat het beginselen aannam, die overal

|19|

en altijd golden, maar dat men positiefrechtelijke normen ontwierp, aan welke men zoodanige gelding toekende. Dit was natuurlijk dwaasheid, maar een dwaasheid, waartegen de historische school veel te eenzijdig reageerde en daardoor onvastheid, zoo al niet loochening van beginselen, in de hand werkte. Het komt er maar op aan, dat men streng het beginsel eenerzijds en de positief-rechtelijke toepassing anderzijds uit elkaar houde. Een enkel voorbeeld moge dit ophelderen, beter dan afgetrokken omschrijvingen. Dat de geslachtelijke omgang onder de menschen behoort te geschieden in den vorm van een monogaam huwelijk als een verbintenis voor het geheele leven (communio omnis vitae), ontbindbaar alleen bij overspel en kwaadwillige verlating, is een rechtsbeginsel, dat altijd en overal objectief geldt. Het is van tijd en plaats absoluut onafhankelijk. Maar het geldt als beginsel, dat is, als maatstaf en richtsnoer van het positief recht. Dat positief recht nu wordt bepaald eenerzijds door het beginsel, maar anderzijds door de omstandigheden van tijd en plaats. In Nederland bevat op dit oogenblik ons Burgerlijk Wetboek een huwelijksrecht, dat aan het genoemde beginsel vrijwel voldoet. Moet men echter positief recht maken voor onze koloniën in een streek, waar thans de polygamie heerscht, dan zal men, om nu maar eens iets te noemen, in de wet moeten schrijven, dat zij, die thans gehuwd zijn, hun vrouwen alle mogen houden, dat zij die de eerste tien jaar huwen 4 vrouwen mogen hebben, de dan volgende tien jaar 2 en dan verder maar één; het echtscheidingsrecht wordt in aansluiting daaraan dan op overeenstemmende wijze geregeld Hier vergt alzoo het genoemde beginsel der monogamie, dat het naar het positieve recht veroorloofd is 4 vrouwen te hebben. Maar het oefent als beginsel zijn werking uit, omdat de grondgedachte der positief-rechtelijke regeling is, om heen te leiden naar een rechtstoestand, die zooveel mogelijk aan het doel beantwoordt, door het beginsel gesteld. Het verwaarloozen dezer onderscheiding tusschen het beginsel en de positief-rechtelijke

|20|

regeling, die er door wordt beheerscht, was de fout van het oude natuurrecht.

Maar over die beginselen zelf loopen nu de opvattingen zoo eindeloos uiteen. Want het zoo even genoemde blijvende beginsel van huwelijksrecht wordt slechts aanvaard door de Protestantsche geloovige Christenen, dat is door slechts een klein groepje. Het verschil naar tijd en plaats wordt dus wel ten deele verklaard door de onderscheiding van rechtsbeginsel en positief recht, maar dan toch slechts zeer ten deele. Het beginsel zelf geldt maar bij een kleine groep en dus volstrekt niet objectief — zoo kan men tegenwerpen.

Hier heerscht een andere misvatting, namelijk die over de tweeërlei opvatting van het begrip „gelden”. Wanneer men zegt, dat een beginsel objectieve gelding beeft, dat is overal, altijd en voor ieder geldt, dan bedoelt men met dat „gelden” niet, dat de bindende kracht op genoemde wijze feitelijk wordt erkend, maar dat zulks behoort te geschieden. Hier is weer ingrijpend verschil tusschen het rechtsbeginsel en de positiefrechtelijke regel. Voor het rechtsbeginsel is het principieel volkomen onverschillig, of het op een bepaalde tijd en plaats of bij bepaalde personen feitelijk als zoodanig wordt erkend; het lijdt niet de minste afbreuk, indien zulks niet geschiedt. Gansch anders bij den regel van het positieve recht. Dit heeft ook gelding in den zin, dat het behoort te worden opgevolgd binnen den kring, waarvoor het van toepassing is, maar tevens moet het ook feitelijk worden opgevolgd anders sterft het af. Onze wet A. B. zegt wel, dat een wet alleen door een nieuwe wet kan worden afgeschaft, maar dat is een protestatio actui contraria. Voortdurend worden wetsbepalingen door rechtsspraak of gewoonterecht feitelijk afgeschaft, en als ze zóó hun feitelijke gelding verliezen, verliezen ze tevens langzamerhand hun principieele gelding, dat is ze behooren dan ook niet meer te worden opgevolgd. Op welk oogenblik dit nu zoo precies is, is een afzonderlijke kwestie, die ons hier niet behoeft bezig te houden;

|21|

men zou daartoe nauwkeurig de criteria moeten omschrijven van het derogatieve gewoonterecht, zoowel het justitieele als het sociale. Voor ons betoog is alleen van belang, dat men ook hier het rechtsbeginsel onderscheidt van het positieve recht, en dan inziet, dat het gelden, de bindende kracht van het rechtsbeginsel door zijn bijzonderen aard volkomen onafhankelijk is van de vraag, of het al of niet feitelijk wondt erkend als zoodanig. Voor het rechtsbeginsel is alleen vereischt, dat het door zijn inhoud blijk geeft van de overtuiging, dat elk, die eerlijk er naar streeft tot zuiver inzicht te komen, de waarheid ervan zal moeten erkennen.

Nog één bezwaar blijft over. Hoe dikwijls is het niet geschied, dat men later tot het inzicht kwam, dat zulk een beginsel totaal onjuist was. In de middeleeuwen leerden de Christenen, dat de Overheid de godsdienstige ketterij moest te keer gaan met uitwendige machtsmiddelen, en men bedoelde daarmee zeker een objectief rechtsbeginsel in het staatsrecht te formuleeren. Thans gelooft niemand, althans geen Protestant, dit meer. Wat blijft er dan van de objectieve gelding van zulk een beginsel over?

Ware dit bezwaar juist, dan zouden er niet alleen voor de rechtswetenschap, maar ook voor de theoretische wetenschappen geen objectief-geldende oordeelen meer bestaan. Algemeen kent men aan de natuurwetten zulke objectieve gelding toe; maar moet niet voortdurend de inhoud dezer wetten worden gewijzigd, doordat men op grond van nieuwe gegevens tot nieuw inzicht geraakt? Heeft daarom ooit iemand het in zijn hoofd gehaald, om te betwisten, dat aan de natuurwetten objectieve gelding toekomt, d.i. dat iedereen ze voor waar behoort aan te nemen? Voor de rechtsbeginselen geldt precies hetzelfde. Het feit, dat men zich door gebrek aan kennis of inzicht kan vergissen bij de formuleering, doet aan de objectieve gelding van hun inhoud niets af. Dat is: voor ieder, overal en altijd is zulk een beginsel bindend bij den opbouw van het

|22|

rechtsleven, totdat men door beter inzicht en meerdere kennis overtuigd raakt, dat de inhoud herziening behoeft. Maar zoolang dit laatste niet is geschied, blijft het objectief geldend. En meer is natuurlijk niet met de objectieve gelding bedoeld. Anders zou men niet de objectiviteit, maar de onfeilbaarheid van rechtsbeginselen beweren. En dat doet niemand.

Maar wel is de overtuiging van de objectiviteit der beginselen, die men belijdt, een vereisende voor het opstellen eener bevredigende rechtsphilosofie. Ik koester volstrekt geen onverdeelde bewondering voor Stahl’s wijsgeerig rechtsstelsel, maar als Radbruch beweert, dat de relativist zonder „intellektuelle Unredlichkeit” haar even goed had kunnen schrijven als Stahl zelf, dan miskent hij toch den aard van diens werk, en daarmee het verband tusschen waarachtige overtuiging en logische argumentatie. „Pectus est quod disertum facit” niet alleen wat den aesthetischen vorm, maar ook wat de logische klemkracht betreft. Een Calvinist moge een socialistische rechtsleer kunnen schrijven en een socialist een Calvinistische zonder zich te vergrijpen aan de formeele logica, men schept op die wijze geen geestelijke realiteit, maar een dor geraamte: zoo kan men handelen met algebra, dat is met fictieve grootheden, niet met rechtsbeginselen, waarvoor men invloed op het leven opeischt. Beginselen zijn levensmachten, zij kunnen niet volstaan met het verstand te bevredigen, maar ze moeten tevens rust geven aan het gemoed en een richtsnoer voor de hand, die in het leven moet ingrijpen.

Zelf houden de relativisten dan ook aan hun theoretische leer niet vast, zoodra het op de practijk aankomt Allen zoeken ze op hunne beurt weer naar een of anderen maatstaf, waaraan objectieve gelding toekomt in bet leven. Reeds een hunner voorgangers in een vroegere periode, Von Kirchmann, trachtte de eerst losgewoelde vastigheid terug te vinden door absolute waarde toe te kennen aan de meeningen van „verheven autoriteiten”. Somlo zoekt het wat democratischer in de oordeelen

|23|

van in hunne overtuiging onderling overeenstemmende groote groepen; Kantorovicz wil alleen rekenen met beginselen, die „Kulturbedeutsam” zijn, die vertegenwoordigd worden door een „machtige sociale groep”. Jellinek zoekt in de staatkundige geschiedenis „typische Forderungen”; Radbruch ontwerpt een „objective Parteien-lehre”; zóó tracht elk op zijn wijze vasten grond onder de voeten te krijgen.

Het zou schromelijk onbillijk zijn, aan de Neo-Kantiaansche wijsbegeerte de conclusies der relativistische rechtsleeraren in de schoenen te schuiven; noch de Zuid-Duitsche school, noch de Marburgers mag men voor hun werk verantwoordelijk stellen. Maar dat neemt niet weg, dat ik het niet anders kan zien, of het is het oude ongelukkige dualisme der Kantiaansche philosophie, dat zich hier wreekt. Niet alle relativisme staat met de Neo-Kantiaansche wijsbegeerte in verband; er is ook een naturalistisch relativisme, maar dit is in den regel wiisgeerig zóó slecht onderlegd, dat ik meende het hier gevoegelijk ter zijde te kunnen laten; wie daarvan in onze Nederlandsche literatuur een proefje wil, leze eens Hamaker’s „Het recht en de maatschappij”. Maar de relativistische rechtsschool, door mij hier besproken, is op en top geesteskind der Neo-Kantiaansche wijsbegeerte. Kant zelf had de objectieve wetenschap beperkt tot het meet-, tel- en weegbare, en kon voor de „practische” wetenschappen door zijn kategorischen imperatief alleen de objectiviteit terug vinden door ze te ontzielen tot blooten vormt, en dan langs sluipwegen de geestelijke realiteit er weer in te halen. Die onderscheiding gaven de Neo-Kantianen uitdrukkelijk prijs, maar in de tegenstelling van zijns- en waarde-oordeelen herleefde het oude dualisme en daarmee het oude formalisme. Een sleutel naar de werkelijkheid is er wel te vinden, bij de Zuid-Duitschers de „Tatsache der Kultur in der Geschichte”, bij de Marburgers „das Faktum der Wissenschaft”. Wanneer men eens kritisch Stammler’s „Lehre vom Richtigen Recht” doorleest, wordt men er telkens door getroffen, hoe hij,

|24|

met zijn beperking van de objectieve gelding tot het methodologische, zijn vier groote grondbeginselen, die de „Praxis des richtigen Rechts” moeten beheerschen, niet zou kunnen hebben opstellen, indien hij niet begrippen had binnengesmokkeld uit de christelijke rechtsleer, die van heel wat meer dan formeel-methodologische beteekenis zijn. Is het dan wonder dat een man als Radbruch, die zijn stelsel eigenlijk heeft gevormd langs den weg van kritiek op Stammler, maar weer ronduit het dualisme predikt van objectiviteit voor de zijns-oordeelen, relativiteit voor de waarde-oordeelen? Er zit in heel dezen ontwikkelingsgang een element van immanente logica 18).

 

Zoo komen wij dus tot het positief resultaat, dat aan de rechtsbeginselen absolute gelding is toe te kennen, dat is, dat zij gelden voor ieder, altijd en overal. Onder „gelden” is dan te verstaan, dat deze beginselen behooren te worden ten grondslag gelegd aan het rechtsleven, dat is, dat zij in verband met de feiten van een bepaalden tijd en plaats en de physischen en psychischen toestand van bepaalde menschengroepen den inhoud van het positieve recht behooren te bepalen Dit „gelden” betreft zoowel hun vorm als hun inhoud, met dien verstande, dat hun vorm, dat is hun aard en strekking, onveranderlijk is, hun inhoud vatbaar voor herziening. Hun vorm is, om absolute maatstaven van het recht te geven; hun inhoud is veranderlijk, (niet om de verschillen van tijd en plaats, die alleen van belang zijn voor het positieve recht, maar voor de beginselen onverschillig) alleen omdat alle menschenwerk nooit onfeilbaar en alzoo voor verbetering vatbaar is.

 

Al geef ik vooruit toe, dat het slechts betrekkelijke waarde heeft, om voor een stelsel de practische gevolgen aan te toonen, waartoe het moet voeren, ik wensch toch ook aan dezen kant van het relativisme een paar woorden te wijden. Betrekkelijk slechts is de waarde van zulk een aanwijzing, omdat het

|25|

leven nu eenmaal geen zuiver logisch verloopend proces is, maar door tal van andere factoren wordt beheerscht, waarvan sommige — zoo de sentiments-factoren — voor een ervaren menschenkenner wel eenigszins berekenbaar zijn, maar andere zoowel aan onze wetenschappelijke als aan onze ervaringskennis ten eene male ontsnappen. Zekere onverklaarde en onverklaarbare rest blijft er in het leven altoos; dit is voor wetenschappelijke pedanterie en „Prinzipien-reiterei” wel fnuikend, maar geeft anderzijds zekere eigenaardige „charme” aan het leven, wat men kan ervaren bij onderling zoo verschillende zaken als de politiek, de advocaten-practjjk en conversatie met vrouwen. Dit neemt echter niet weg, dat ook de logische consequentie haar werking in het leven doet gevoelen en het heeft daarom zijn nut, om te letten op de gevolgen, waartoe een bepaald standpunt in de rechtsleer voor de rechtspractijk moet leiden.

Al is nu, naar de juiste opmerking van Emge 19), het relativisme geen skepsis, maar negatief dogmatisme, dat het op psychologische gronden moet ten gevolge hebben dat men tegenover de vraag van recht of onrecht skeptisch komt te staan, kan niet uit blijven Immers, voor een warm en overtuigd opkomen voor het recht en een krachtige bestrijding van het onrecht, waar men het vindt, is alleen plaats wanneer men meent, dat, wat men als recht beschouwt, dit ook werkelijk is voor iedereen Wanneer men de rechtsbeginselen alleen beziet als juridische consequenties van een bepaalde levensbeschouwing, die voor iemand van een andere levensbeschouwing alleen beteekenis hebben uit psychologisch of practisch, maar nooit uit normatief oogpunt, dan is het feu sacré uit den strijd om het recht onherstelbaar verdwenen, en wordt men tot een belangstellend toeschouwer, meer niet. Of er is nog een andere mogelijkheid, indien men een man is van te veel temperament, om er zoo met de handen in den zak bij te gaan staan. Die mogelijkheid is deze, dat men een andere consequentie trekt uit het relativisme, namelijk het besluit, om met alle mogelijke

|26|

middelen zijn eigen doeleinden, die dan geen overtuigings-doeleinden, maar zuivere wilsdoeleinden zijn, te gaan verwezenlijken. Dan krijgt men niet meer de strijd om het recht, maar de strijd om de macht, een even fatale oplossing ais de vorige.

Uit die consequenties, die in de practijk steeds in door de omstandigheden en de andere levensfactoren gematigden en gewijzigden vorm zullen voorkomen, blijkt zoo helder — en juist dat maakt het zoo nuttig om er even bij te verwijlen — de ware natuur van die relativistische rechtsleer. Zij is een openbaringsvorm van de wilsleer. Bestaat het wezen des rechts in een hoogere ordening om den wil te normeeren of wel hierin, dat de wil zichzelf zekere grondprincipiën stelt of dat de ééne wil voor de andere normatief wordt? In het eerste geval dient het recht om het menschelijk wilsleven dienstbaar te maken aan en te wijden door hooger doel, in het laatste is menschelijke wilsontplooiing tot den hoogst bereikbaren graad het laatste rechtsdoeL Dit was de alles beheerschende vraag, die de Scholastiek zoo fijn voelde, toen zij leerde, dat het recht zijn grond vindt niet in de voluntas Dei, maar in den intellectus Dei. Want al was in God geen conflict tusschen zijn intellectus en zijn voluntas denkbaar, men begreep maar al te goed, dat indien de leer van het nominalisme, dat het recht in de voluntas Dei gefundeerd lag, straks van het goddelijk „Urbild” op het menschelijk „Abbild” werd overgedragen, deze wilsleer fataal moet worden voor rechtsleer en rechtsleven, het recht moest dienstbaar maken aan de menschelijke machtsontwikkeling. Onze gereformeerde juristen uit de 16de eeuw hebben waarschijnlijk ten gevolge van de toen pas voltrokken receptie van het Romeinsche Recht, dat van de wilsleer doortrokken was, dit niet ingezien en zoo is Althusius de wapenleverancier van Rousseau geworden voor diens souvereiniteitsleer. Diezelfde wilsleer is het, die den diepsten grondslag vormt van de relativistische rechtsleer. Is de geldende kracht van rechtsbeginselen beperkt door de eigen erkenning van hen, tot wie zij zich

|27|

richten en is die erkenning niet een verstandelijke daad (niet te verwarren met product van logische bewijsvoering, wat zij door den axiomatischen aard der beginselen nooit kan zijn) maar een „Hingabe der Persönlichkeit” dan is het ten slotte weer de wil (natuurlijk niet in psychologischen, maar in wijsgeerigen zin, dat is dus de voluntaristische kern der persoonlijkheid), die voor de geldende kracht van het rechtsbeginsel normatief wordt. Maar daarmee is dan ook in hoogste instantie haar vonnis geteekend.

 

Zal de strijd tegen het relativisme in de rechtsleer in den tijd, die komt, een aanmerkelijk deel in beslag nemen van de kracht, dien wij aan deze dingen kunnen besteden? Het hangt er van af, wat die geestelijke mentaliteit zal zijn van de komende jaren, ars het onrustig schuimen en golven van den levensstroom, nawerking van den oorlogsstorm, zal zijn tot bedaren gekomen. Dr. Emge meent, dat het thans door en na den oorlog met het succes dezer richting zal zijn gedaan, omdat zij een product was der geestelijke vermoeidheid en de overbeschaving van vóór den oorlog. „Een subjectivisme dat zich geneert” noemt hij het relativisme en hij meent, dat in een tijd, waarin de rechtsvraag zóó het leven beheerscht als thans na den oorlog, voor de relativistische rechtsleer geen plaats meer is. Of hij daarin juist ziet? Er is, dunkt mij, ook een andere mogelijkheid. Want er zit in het relativisme, zooals ik boven reeds opmerkte, een dubbel element. Eenerzijds is het zeker de rechtsbeschouwing eener seniele cultuur, die geen kracht meer heeft om te gelooven in het absoluut karakter der rechtsbeginselen noch zich daarvoor warm te maken Maar anderzijds is het relativisme ook de rechtsbeschouwing van het overspannen subjectivisme eener opkomende generatie. Het παντων χρηματων μετρον ανθρωπος kan een leuze van twijfelzucht zijn door geestelijke afmatting in het vruchteloos zoeken naar datgene, wat allen bindt en waard is allen te binden. Maar het

|28|

kan ook ontspruiten aan het overschuimend krachtsgevoel van een individualisme, dat geen anderen band verkiest te verdragen dan die het uit eigen wil accepteert. Is de chaos en de uitputting, dien we thans overal zien de zelfvernietiging eener bouwvallige cultuur? Het is mogelijk, en dan heeft Dr. Emge gelijk, dan wacht ons wellicht na den chaos, die toch niet blijvend kan zijn, het naïef absolutisme eener nieuwe cultuur, van waar die dan ook moge komen Maar het is ook mogelijk, dat uit dezen chaos, als straks de droesem zal zijn bezonken en de uitputting zal zijn overwonnen, een nieuwe krachtsontwikkeling zal voortkomen, die dan allicht weer zal grijpen naar het relativisme om zich te onttrekken aan den objectieven teugel van het recht. De oorlog heeft toch zeker getoond, dat er in de zoogenaamde cultuur-volken nog een geweldige geestkracht schuilt: wie had gedacht, dat Duitschland het vier jaren lang tegen een halve wereld zou uithouden, wie had vermoeden, dat Frankrijk tot een praestatie in staat was, als het in dezen oorlog heeft volbracht, en die het noopt, om thans nogmaals te grijpen naar de hegemonie op het Europeesche vasteland? Om van de Angelsaksische volkeren nu maar te zwijgen, die toch zeker niet het type van uit- en afgeleefde volkeren vertoonen. Maar komt er zoo werkelijk een nieuwe krachtsontwikkeling, dan zal in dat proces aan niets zoozeer behoefte zijn als aan een onverdroten strijd voor het absoluut karakter der rechtsbeginselen

Maar dat alles is speculatie. Dit staat vast: zegeviert het relativisme, dan zal het rechtsleven òf verkankeren door het scepticisme van de onmacht, òf vertrapt worden door de willekeur der ongebonden macht. Beide moeten worden vermeden. Daarom zal, welke toekomst ons dan ook moge wachten, voor het absoluut karakter van de rechtsbeginselen de strijd geen oogenblik mogen verflauwen. Want alleen bij een volk, waarbij, wat er ook voor verschillen overigens mogen zijn, dat geloof ongedeeld heerscht, kunnen gezag en vrijheid, de beide onmisbare

|29|

polen eener geordende samenleving, werkelijk tieren. Het geloof in de absolute waarde van het recht, kweekt de eenig gezonde volkskracht, de door het recht geëquilibreerde kracht. En het geeft daarbij tevens ruimte voor de vrijheid. Slechts schijnbaar geeft het relativisme die, want wat zij meebrengt is niet de waarachtige verdraagzaamheid, maar de onverschilligheid. De wederzijdsche verdraagzaamheid bij verschil van overtuiging inzake rechtsbeginselen kan alleen voortvloeien uit het diep besef van menschelijke onvolkomenheid, nooit uit het besef van de onvolkomenheid van de objeciviteit van het recht. Zóó verkrijgt men ook den juisten grondslag der partij-verhoudiinigen, de organisaties van de rechtsbeginselen in den democratischen staat. Niet de meening, dat de andere partij eigenlijk precies zoo goed gelijk kan hebben in haar beginselen als de eigen partij, geeft ruimte voor waardeering, zulks doet alleen de eerbied voor den ander, omdat deze even vast als gijzelf overtuigd is, dat zijn beginselen de alleen ware zijn en dat alleen uit den schok dezer absolutistische overtuigingen de waarheid zal voor den dag springen in een vrijen, door het recht geordenden geestelijken kamp. Relativisme leidt voor het rechtelijk en staatkundig leven òf tot onmacht van partijkeuze òf tot partij-terrorisme. Want of men dan al met de noodige geleerdheid onderscheidt tusschen een rechtsphilosophie als functie der „theoretische Vernunft”, die geen waarde-oordeelen kan opstellen en de daad van de „praktische Vernunft” van den enkele, die zich een overtuiging uitkiest uit de hem door de rechtsleer voorgelegde lijst van „gleichberechtigte” beginselen, dit is papieren wijsheid, waar het leven om lacht. Het is de levende mensch, die tegelijkertijd denkt, voelt en handelt als één geheel, dat is als persoonlijkheid. En wie met zijn denkend verstand zich overtuigd houdt, dat alle rechtsbeginselen, al strijden ze lijnrecht met elkaar, slechts „relatief” zijn, slechts gelden voor hem, die er in gelooft, meent men inderdaad, dat die warme liefde zal voelen voor zijn eigen beginselen, dat die zal handelen

|30|

straks met de uiterste krachtsinspanning, vaak ook met heel wat zelfverloochening, naar die beginselen? Zóó kan men geen menschelijke persoonlijkheid uit elkaar knippen. Wie het absoluut karakter van de rechtsbeginselen loslaat, die iaat, er is geen helpen aan, ook niet door overigens veelzins leerzame en voortreffelijke vertoogen, het recht zelf los.

Wie dat niet wil, binde derhalve tegen de relativistische rechtsleer in theorie en praktijk den strijd aan.

 

|31|

 

Aanteekeningen.

 

1) Leipzig, Veit & Co., 1917.
2) Dr. H. Krabbe, Die Lehre der Rechtssouveränität, Groningen, Wolters, 1906. Daarover een uitvoerige kritiek van mijn hand in „Christelijke Stemmen”, I, 6, blz. 270-291. Voorts Mr K. Krabbe, De moderne Staatsidee, Den Haag, Nijhoff 1915. Uitvoerige kritiek daarop van Struycken in „De Gids” van Sept. 1917, B.C. de Savornin Lohman in Themis 1917, Anema in het „Weekblad voor Privaatrecht” Nos. 2457-2460. Prof Krabbe heeft tegenover al deze kritiek zijn standpunt nogmaals verdedigd in een werk over „Het Rechtsgezag”, ’s-Gravenhage, Nijhoff 1917. Vgl. over een en ander ook nog Prof. Kranenburg in R.M. 1917, blz. 315 v.v. Voorts de brochure van Prof. Krabbe „Ongezonde Lectuur”, Groningen, Wolters, 1913, en een korte, maar m.i. afdoende kritiek daarop van Struycken in „Van onzen Tijd”, XIV, N°. 23.
3) Stahl, Philosophie des Rechts, III, blz. 137.
4) Gneist, Der Rechtsstaat, Berlin, Julius Sprenger, 1879.
5) Struycken, Administratie of Rechter, Arnhem, Gouda Quint, 1910.
6) Vgl. Nelson, blz. 6 v.v.
7) Gierke, Die Grundbegriffe des Staatsrechts, Tübingen, 1915, blz. 102.
8) Allgemeine Staatslehre, 3e Aufl.. 1914.
9) Die Objectivität Socialwissenschaftlicher und Socialpolitischer Erkenntniss in „Archiv für Socialwissenschaft und Socialpolitik”, N. F. Bnd; I. — Weber is bij ons vooral bekend door zijn veel besproken en weersproken artikelen over de beteekenis van het Calvinisme voor onze bestaande maatschappelijke ordening. Volledige litteratuuropgave bij Fuchs, Die Geist der bürgerlich-kapitalistischen Gesellschaft, München und Berlin, Oldenbourg, 1914, blz. 333.
10) Zur Lehre vom richtigen Recht, 1917. Hij gaf nogmaals aan velen aanstoot in 1912 door zijn klein geschriftje: „Was ist uns Savigny?” Een uitvoerig, m.i. wat al te veel bewijzend tegenbetoog gaf de Königsberger hoogleeraar Dr. A. Manigk in 1916: „Savigny und der Modernismus im Recht”.
11) Rickert neemt nog een derde daarnevens aan, een rijk van den „zin”; hij stelt ze zóó naast elkaar: Die Werte „verstenen” wir, die „Wirklichkeit” erklären wir, den „Sinn” deuten wir. Een kort, maar zeer goed overzicht van Rickerts leer bij Dr. August Messer, Die Philosophie der Gegenwart, 2e Aufl.. Leipzig, 1918 (n°. 138 van de

|32|

uitgave „Wissenschaft und Bildung”). Dit kleine boekje (pl.m. 158 blz.), is een voortreffelijke gids voor hen, die geen tijd hebben voor uitvoerige philosophische studie en toch, hetzij ter vervulling van ambtsplicht of uit persoonlijke belangstelling, gaarne op de hoogte zijn van de moderne geestesstroomingen.
12) Daarbij doet zich dan weer allerlei onderscheid van dit begrip der „gelding” voor. Vgl. Dr. Bruno Bauch. Das Rechtsproblem in der Kantischen Philosophie, in Zeitschrift für Rechtsphilosophie Bnd. III, Heft I (1920). Bauch, hoogleeraar te Jena, is een leerling van Windelband.
13) De mogelijkheid van „Erkenntnisse” door Radbruch gesteld, betreft slechts de oordeelen over doeltreffendheid der middelen, niet over den inhoud der laatste maatstaven. Vgl. Grundzüge, S. 25.
14) Grundzüge, S. 24-25.
15) Vgl. een artikel van mijn hand in Stemmen des Tijds, I, 1 (1911). Iets over de anti-revolutionaire staatsleer, blz. 85-95.
16) VgL de artikelenreeks van Prof. Van der Vlugt onder den titel: „In den strijd om het recht” in „De Gids”, van 1889 en 1890; aldaar 1889. Dl. IV, blz. 304, noot.
17) Vgl. een artikel van mijn hand in Stemmen des Tijds. V. 1 (1915), blz. 1 v.v.
18) Vgl. Johannes Volkelt, Gewissheit und Wahrheit, München 1918, blz. 183 v.v.
19) A.w. blz. 66.