II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
23

Het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen, en tot beroeping van predikanten, berust bij de gemeente. 1)
Deze zal, behoudens de verkregen rechten van derden 2), dit óf zelve uitoefenen, óf door hen, die zij daartoe bepaaldelijk machtigt, doen uitoefenen 3), naar gelang zulks, in de nader te maken bijzondere reglementen op de Kerkeraden en de predikantsberoeping, zal worden vastgesteld.
Totdat daarin zal zijn voorzien, blijven de bestaande bepalingen van kracht en toepassing. 4)


1) Dit democratisch grondbeginsel is in zijn volledige toepassing eerst in het Algemeen Reglement van 1852 tot uiting gekomen. Het is nader uitgewerkt in het Reglement op de benoeming enz., voor ’t eerst in werking getreden 1 Maart 1867.
In 1931 is bij de Synode ingekomen een voorstel om deze eerste al. aldus te wijzigen: „Het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen berust bij de gemeente, dat tot beroeping van predikanten berust bij den Kerkeraad”. In verband hiermede wijzigingen in het Regl. tot benoeming enz. en in het Regl. voor de Kerkeraden. Dit voorstel werd verworpen, maar tevens werd besloten een Commissie te benoemen, die zal overwegen in hoeverre, na de partieele herziening van het Regl. op de benoeming enz., een algeheele herziening noodig geacht moet worden. Hand.
1931 bl. 200-205.
2) Zie het volgend art.
3) Sedert 1871 wordt om de 10 jaren de stemming gehouden over de vraag of de stemgerechtigden der gemeente het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen en tot beroeping van predikanten zichzelven voorbehouden of daartoe den(Algemeenen) Kerkeraad machtigen. Zie bij art. 4 Syn. Regl. op de benoeming, enz. Een voorstel om te bepalen, dat het recht der benoeming van ouderlingen en diakenen berust bij de gemeente en de beroeping van predikanten geschiedt door den Kerkeraad, is door de Synode in 1911 verworpen. (Hand. 1911, bl. 472-487); eveneens een dergelijk voorstel in 1927 (Hand. 1927 bl. 129-133).
4) Dit 3e lid heeft na de invoering van het Regl. op de benoeming enz. geen zin meer.