Kerkorde NHK (1951) Ord. 15

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.
1. Het diaconaat.
2. De gemeenteleden en het diaconaat.
3. Het beleid van de diakenen.
4. Diakenen met een bepaalde opdracht of voor bijzondere werkzaamheden.
5. Diaconale bedieningen.
6. Gezinsverzorgsters.
7. Diaconale commissies van bijstand.

II. Het college van diakenen.
8. Het college van diakenen.
9. Het college van diakenen in een centrale gemeente.
10. De verdeling van de diaconale werkzaamheden in centrale gemeenten.

III. De diaconie.
11. De diaconie.
12. Bestuur.
13. Vertegenwoordiging.
14. De diaconie in centrale gemeenten.

IV. Diaconale instellingen.
15. Locale diaconale instellingen.
16. Regionale diaconale organen en instellingen.

V. Diaconale gelden en goederen.
17. Het beheer van de diaconale gelden en goederen.
18. Afzonderelijke kassen, fondsen en rechtspersonen.
19. Schenkingen, erfstellingen en legaten.
20. Bijdragen aan andere instellingen.
21. De begroting.
22. De rekening.

VI. De bredere diaconale organen.
23. De provinciale diaconale commissie.
24. De algemene diaconale raad.
25. De taak van de bredere diaconale organen.

VII. Bijzondere diaconale raden en secties.
26. Bijzondere diaconale raden en secties.
27. De taak van de bijzondere raden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15.I.

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel
1-7

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-1-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 1.

Het diaconaat.

Lid
1

De gemeente, in al haar leden geroepen tot de dienst der barmhartigheid, beantwoordt aan haar roeping in het bijzonder ook in het diaconaat, dat aan de diakenen is toebetrouwd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-1-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 1.

Het diaconaat.

Lid
2

Het diaconaat omvat met name
de zorg voor zieken, chronische patiënten en invaliden;
de zorg voor zwakken en rustbehoevenden;
de zorg voor bejaarden;
het verlenen van bijstand bij moeilijkheden in het gezin;
de zorg voor het verweesde, verwaarloosde of misdeelde kind;
het steunen en leiden van hen, die met zedelijke of lichamelijke ondergang worden bedreigd;
de bescherming van vrouwen en meisjes;
de zorg voor maatschappelijk onaangepaste en verworden gezinnen en personen, inzonderheid voor hen die tot drankzucht, prostitutie of criminaliteit zijn vervallen;
de zorg voor verdrukten, vervolgden en verdrevenen, inzonderheid van hen, die lijden om der gerechtigheid wil;
hulpverlening aan hen, die sociaal-economisch in moeilijkheden verkeren of dreigen te geraken; en
de Kerk te dienen in haar taak om ook overheid en samenleving te wijzen op haar roeping, ten aanzien van de sociale vraagstukken de gerechtigheid te betrachten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-2-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 2.

De gemeenteleden en het diaconaat.

Lid
1

De leden der gemeente geven gehoor aan hun diaconale roeping en dragen de arbeid der diakenen, met name
door onderling dienstbetoon en bijstand aan allen, die hulp behoeven;
door zich persoonlijk beschikbaar te stellen voor bijzondere werkzaamheden in de dienst der barmhartigheid;
door gaven bij de inzamelingen in de kerkdiensten en door op andere wijze gelden of goederen bijeen te brengen; en
door de gelegenheid te benutten om in het burgerlijk leven sociale diensten te verrichten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-2-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 2.

De gemeenteleden en het diaconaat.

Lid
2

De diakenen bevorderen door hun voorbeeld, voorlichting en leiding, dat de gemeeneleden deze roeping recht verstaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
1

De diakenen werken bij de vervulling van hun taak samen met de ambtsdragers der gemeente, die belast zijn met de herderlijke zorg, gelijk ook deze van hun kant met de diakenen zoeken naar de beste wijze, waarop het geestelijk en stoffelijk welzijn van hen die hulp van node hebben, kan worden gediend.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
2

De diakenen beperken hun arbeid niet tot de leden der gemeente, maar vervullen de opdracht der gemeente tot de dienst der barmhartigheid ook jegens hen, die niet tot haar behoren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
3

De diakenen houden rekening met de bijzondere eigenschappen en omstandigheden van de personen en gezinnen, die door hen worden bijgestaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
4

Hun arbeid is er mede op gericht, deze personen of gezinnen op een passende plaats in de samenleving te brengen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-5

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
5

De diakenen houden ook rekening met de wettelijke verplichtingen van derden jegens hen, die worden bijgestaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-6

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
6

De diakenen staan geen leden van andere gemeenten bij, dan in bijzondere gevallen en in de regel niet dan na overleg met de diakenen van die andere gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-7

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
7

De diakenen vragen — zo iemand zich in een gemeente vestigt en daar terstond of na enige tijd hun bijstand inroept — eerst inlichtingen aan de diakenen van de gemeente, waartoe de aanvrager voordien behoorde.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-8

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
8

De diakenen werken naar behoefte samen met instellingen, welke doeleinden op eenzelfder of overeenkomstig terrein zijn gelegen, zij het met handhaving van het eigen karakter van het diaconaat.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-9

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
9

De diakenen der onderscheiden gemeenten zijn geroepen tot samenwerking en naar vermogen tot onderlinge diaconale hulpverlening.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-10

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
10

De diakenen arbeiden in overleg met en in verantwoordelijkheid aan de kerkeraad in zijn geheel, tenzij deze ten aanzien van bepaalde delen van het diaconale werk of van bijzondere zaken op diaconaal terrein van dit overleg afziet, in welk geval de diakenen de kerkeraad niettemin over hun beleid verantwoording schuldig blijven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-11

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
11

De diakenen kunnen voorts zelf spoedeisende zaken van oondergeschikte aard afdoen, eveneens onder verantwoordelijkheid aan de kerkeraad in zijn geheel.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-3-12

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 3.

Het beleid van de diakenen.

Lid
12

De praeses van de kerkeraad, de voorzitter van het college van kerkvoogden en de voorzitter van het college van diakenen doen aan de kerkeraad de nodige voorstellen inzake de vaststelling van een collecterooster voor de kerkdiensten in het eerstkomende kalenderjaar.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-4-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 4.

Diakenen met een bepaalde opdracht of voor bijzondere werkzaamheden.

Lid
1

De kerkeraad kan, indien de omvang van bepaalde diaconale werkzaamheden of de daarvoor vereiste kennis en ervaring de behoefte daaraan doen gevoelen, de verrichting van die werkzaamheden opdragen aan een diaken met een bepaalde opdracht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-4-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 4.

Diakenen met een bepaalde opdracht of voor bijzondere werkzaamheden.

Lid
2

Indien binnen een gemeente werkzaamheden van diaconale aard moeten worden verricht, die niet van de gemeente uitgaan, kan de kerkeraad daarvoor diakenen voor bijzondere werkzaamheden benoemen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
1

Bij de vervulling van hun opdracht kunnen de diakenen worden bijgestaan door lidmaten der Kerk, die tijd en krachten geheel aan deze arbeid willen geven en daartoe, hetzij in de verpleging van zieken, hetzij op sociaal terrein in een diaconale bediening worden gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
2

Zij worden tot zulk een bediening toegelaten naar de bepalingen, neergelegd in een generale regeling der synode, waarin tevens nadere regelen zijn gesteld omtrent de opleiding en de testimonia, welke voor die toelating van node zijn, in welke generale regeling mede is opgenomen, ten overstaan van wie zij, alvorens een testimonium te ontvangen, bevestigend antwoorden op de vragen, vermeld in het derde lid van art. 3 der ordinantie voor het apostolaat.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
3

Zij, die in een diaconale bediening worden gesteld, verrichten hun arbeid ten behoeve van een of meer gemeenten, of ten behoeve van een regionaal of generaal lichaam der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
4

De keuze van hen, die in een diaconale bediening worden gesteld, berust bij de ambtelijke vergadering(en), in welker ressort zij werkzaam zullen zijn, nadat over die keuze en over de acte van aanstelling met bijbehorende instructie overeenstemming is verkregen met het betrokken orgaan van bijstand der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-5

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
5

Zij, die werkzaam zijn in een of meer gemeenten, arbeiden onder leiding van de kerkeraad of een kerkeraadscommissie dier gemeente(n) en staan, evenals zij die werkzaam zijn ten behoeve van een regionaal of generaal lichaam der Kerk, in gemeenschap met een der raden, bedoeld in art. 24 of 26 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-6

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
6

Indien zij hun arbeid verrichten ten behoeve van een regionaal lichaam, zijn zij daaraan verantwoording schuldig voor het hun opgedragen werk, doch kunnen zij door het betreffende orgaan van bijstand betrokken worden bij diens leidinggevende arbeid, doordat zij op geregelde tijden worden samengeroepen en, na goedkeuring van het regionale lichaam, in welks dienst zij staan, geroepen worden tot een bijzondere taak, de centrale organisatie betreffende.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-7

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
7

Op hen, die in een diaconale bediening zijn gesteld, is het bepaalde in het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van art. 10 van de ordinantie voor de catechese van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-8

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
8

De bezoldiging van hen, die in een diaconale bediening werkzaam zijn, geschiedt naar regelen vastgesteld krachtens de ordinantie voor de traktementen en pensioenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-9

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
9

Zij, die behoren tot een door de generale synode erkende gemeenschap van diaconessen of diaconen en in een bijzonder verband tezamen leven, kunnen — voorzover zij lidmaat zijn der Hervormde Kerk — bij besluit van de plaatselijke kerkeraad worden erkend gemeenschappelijk in een diaconale bediening te zijn gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-5-10

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 5.

Diaconale bedieningen.

Lid
10

Zij, die tot een door de generale synode erkende gemeenschap van diaconessen of diaconen behoren, kunnen — voorzover zij lidmaat zijn der Hervormde Kerk — zo zij in een andere gemeente werkzaam zijn, door de kerkeraad dier gemeente onder de naam van diacones of diacoon naar de daarvoor geldende regelen worden geroepen tot een der kerkelijke bedieningen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-6-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 6.

Gezinsverzorgsters.

Lid
1

De diaconie kan leden der Kerk in dienst nemen, om als gezinsverzorgster werkzaam te zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-6-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 6.

Gezinsverzorgsters.

Lid
2

De gezinsverzorgsters ontvangen een aanstelling, ingericht naar een model, door de algemene diaconale raad vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-7-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

I. Het diaconaat.

Artikel 7.

Diaconale commissies van bijstand.

Lid
1

De kerkeraad kan, ter verzorging van bijzondere delen van het diaconale arbeidsveld, in overleg met het college van diakenen, commissies in het leven roepen, waarin ook gemeenteleden kunnen worden benoemd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15.II.

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel
8-10

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-8-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 8.

Het college van diakenen.

Lid
1

De diakenen ener niet in wijkgemeenten ingedeelde gemeente vormen tezamen het college van diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-8-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 8.

Het college van diakenen.

Lid
2

Het college van diakenen kiest zich uit zijn midden — telkens voor een tijdvak van ten hoogste vier jaren — een voorzitter en een administrerend-diaken en desgewenst een secretaris.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-8-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 8.

Het college van diakenen.

Lid
3

Het college houdt aantekening van de door het college genomen besluiten en van zijn belangrijkste verrichtingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-8-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 8.

Het college van diakenen.

Lid
4

Het college verdeelt de verdere diaconale werkzaamheden in onderling overleg tussen zijn leden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-8-5

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 8.

Het college van diakenen.

Lid
5

De administratie van het college van diakenen wordt gevoerd door de administrerend-diaken, die inzonderheid is belast met
het bijhouden van de boekhouding,
het doen van ontvangsten en uitgaven, en
hetgeen hem verder bij besluit van het college van diakenen mocht worden opgedragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-8-6

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 8.

Het college van diakenen.

Lid
6

De administrerend-diaken geeft aan het college van diakenen en dit aan de kerkeraad de gevraagd inlichtingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-9-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 9.

Het college van diakenen in centrale gemeenten.

Lid
1

Indien een gemeente in wijkgemeenten is ingedeeld, vormen de diakenen der wijkgemeente tezamen de wijkraad van diakenen, welke zijn werkzaamheden onderling verdeelt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-9-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 9.

Het college van diakenen in centrale gemeenten.

Lid
2

In de centrale gemeente is een college van diakenen, benoemd uit en door de diakenen der wijkgemeenten, waartoe deze diakenen gezamenlijk in vergadering bijeenkomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-9-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 9.

Het college van diakenen in centrale gemeenten.

Lid
3

Het college van diakenen kiest zich uit zijn midden een voorzitter, een administrerend-diaken en desgewenst een secretaris, terwijl voorzitter en secretaris of administrerend-diaken als voorzitter en secretaris fungeren in de gezamenlijke vergadering van de diakenen der wijkgemeenten, bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-9-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 9.

Het college van diakenen in centrale gemeenten.

Lid
4

Bij plaatselijke regeling, na overleg met de centrale kerkeraad en onder goedkeuring van de provinciale diaconale commissie door de gezamenlijke vergadering van diakenen der wijkgemeenten vastgesteld, worden nadere bepalingen gegeven
a. omtrent het gezamenlijk in vergadering bijeenkomen van de diakenen der wijkgemeenten;
b. inzake het aantal en de zittingstijd van de leden van het college van diakenen;
c. betreffende de verdeling — met inachtneming van het bepaalde in art. 10 dezer ordinantie — van de diaconale werkzaamheden tussen de wijkraden van diakenen en het college van diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-9-5

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 9.

Het college van diakenen in centrale gemeenten.

Lid
5

Het overleg bedoeld in het tiende en elfde lid van art. 3 dezer ordinantie vindt in een centrale gemeente plaats tussen het college van diakenen en het groot moderamen van de centrale kerkeraad, terwijl de wijkraden van diakenen inzake de hun opgedragen werkzaamheden regelmatig overleg plegen en samenwerking met de wijkkerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-10-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 10.

De verdeling van de diaconale werkzaamheden in centrale gemeenten.

Lid
1

Aan de wijkraad van diakenen is in elk geval opgedragen
de dagelijkse zorg voor het diaconale leven in de wijkgemeente, voorzover deze niet berust bij het college van diakenen;
aan dat college de nodige gegevens te verstrekken over de behoeften der wijkgemeenten voor de opstelling van de centrale diaconale begroting;
het college van diakenen bij te staan in het verwerven van de gelden, nodig voor het diaconale leven in de centrale gemeente;
leiding te geven aan de bijzondere offervaardigheid van de leden der wijkgemeente ten behoeve van het diaconale werk in die wijkgemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-10-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

II. Het college van diakenen.

Artikel 10.

De verdeling van de diaconale werkzaamheden in centrale gemeenten.

Lid
2

Aan het college van diakenen is in elk geval opgedragen
de zorg voor de algemene diaconale belangen der centrale gemeente;
het besturen van de diaconie der centrale gemeente;
het opstellen van de centrale diaconale begroting, die tevens voor elk der wijkgemeenten een onderdeel bevat;
het voeren van de financiële diaconale administratie voor de wijkgemeenten, tenzij het centraal college besluit de verzorging van bepaalde onderdelen van deze administratie aan een wijkraad van diakenen over te dragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15.III.

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel
11-14

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-11-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 11.

De diaconie.

Lid
1

In elke gemeente bestaat een diaconie, zijnde een met rechtspersoonlijkheid toegeruste instelling, ten diente van de uitoefening van het diaconaat.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-12-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 12.

Bestuur.

Lid
1

Het bestuur van de diaconie wordt gevormd door het college van diakenen, dat — met inachtneming van de regelen gesteld in art. 17 van de ordinantie voor het toezicht — bevoegd is tot het verrichten van alle rechtshandelingen de diaconie betreffende.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-12-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 12.

Bestuur.

Lid
2

Indien door bijzondere omstandigheden of ingevolge dispensatie als bedoeld in het vierde lid van art. 1 der ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen, het college van diakenen minder dan twee leden telt, wijst de kerkeraad uit zijn midden een of twee leden aan, ter aanvulling van het bestuur van de diaconie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-13-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 13.

Vertegenwoordiging.

Lid
1

De diaconie wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het college van diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-13-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 13.

Vertegenwoordiging.

Lid
2

Ter uitvoering van een besluit van het bestuur van de diaconie — voorzoveel nodig goedgekeurd door het college van toezicht — wordt de diaconie tegenover derden gebonden door de handtekening van de voorzitter van het college van diakenen en de administrerend-diaken, terwijl, bij belet of ontbreken van dezen, het college van diakenen een of twee andere diakenen aanwijst of, bij gebreke van die, een of twee andere leden van de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-14-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 14.

De diaconie in centrale gemeenten.

Lid
1

In een in wijkgemeenten ingedeelde gemeente is slechts één diaconie voor de centrale gemeente in haar geheel.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-14-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 14.

De diaconie in centrale gemeenten.

Lid
2

Het bestuur dezer diaconie wordt gevoerd door het college van diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-14-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 14.

De diaconie in centrale gemeenten.

Lid
3

Voor het bestuur en de vertegenwoordiging van deze diaconie is het bepaalde in de artikelen 12 en 13 dezer ordinantie van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-14-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

III. De diaconie.

Artikel 14.

De diaconie in centrale gemeenten.

Lid
4

Indien deze diaconie krachtens wettelijke bepaling wordt belast met een taak terzake van voogdij, curatele, toezicht of een gelijksoortige opdracht, wijst het centraal college van diakenen uit zijn midden of uit een der commissies van wijkdiakenen een of meer diakenen aan, ten einde de diaconie bij de uitoefening van die taak te vertegenwoordigen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15.IV.

Ordinantie voor het diaconaat.

 

IV. Diaconale instellingen.

Artikel
15-16

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-15-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

IV. Diaconale instellingen.

Artikel 15.

Locale diaconale instellingen.

Lid
1

Het college van diakenen kan, indien aard of omvang van een onderdeel van zijn arbeidsveld de behoefte daaraan doet gevoelen, voor dat onderdeel afzonderlijke instellingen in het leven roepen bij een besluit, dat de goedkeuring behoeft van de provinciale diaconale commissie en bepalingen bevat omtrent de omvang van dat afzonderlijk terrein, het orgaan, dat voor de arbeid van die instelling verantwoordelijkheid draagt, de plichten en bevoegdheden van dat orgaan en de regeling van de geldelijke zaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-16-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

IV. Diaconale instellingen.

Artikel 16.

Regionale diaconale organen en instellingen.

Lid
1

De colleges van diakenen van verschillende gemeenten kunnen tezamen overgaan tot het oprichten van regionale diaconale organen en instellingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-16-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

IV. Diaconale instellingen.

Artikel 16.

Regionale diaconale organen en instellingen.

Lid
2

De oprichting en de daarvoor te treffen regelingen vereisen de goedkeuring van het breed moderamen van de meerdere ambtelijke vergadering, welker ressort de gebieden van de deelnemende gemeenten omvat, in overleg met de algemene diaconale raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15.V.

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel
17-22

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-17-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 17.

Het beheer van de diaconale gelden en goederen.

Lid
1

Het beheer van de diaconale gelden en goederen wordt gevoerd door of — bij toepassing van het bepaalde in het derde lid van art. 18 dezer ordinantie — namens het college van diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-17-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 17.

Het beheer van de diaconale gelden en goederen.

Lid
2

De colleges van diakenen dragen zorg, dat bij de belegging van kapitalen en kasgelden zoveel mogelijk diaconale en algemeen kerkelijke doeleinden worden bevorderd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-17-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 17.

Het beheer van de diaconale gelden en goederen.

Lid
3

Het college van diakenen ziet toe, dat het niet onder kerkelijk toezicht staande bij anderen berustende beheer van gelden en goederen, bij welker opbrengt een diaconaal belang der gemeente betrokken is, wordt gevoerd overeenkomstig de bestemming en met inachtneming van dit belang.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-17-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 17.

Het beheer van de diaconale gelden en goederen.

Lid
4

Bij de tenaamstelling van diaconale eigendommen en rechten geschiedt deze ten name van de diaconie der Hervormde Gemeente te ....

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-18-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 18.

Afzonderlijke kassen, fondsen en rechtspersonen.

Lid
1

Behoudens de uitzonderingen in dit artikel genoemd, is er in elke gemeente één diaconale kas, onder beheer van het college van diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-18-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 18.

Afzonderlijke kassen, fondsen en rechtspersonen.

Lid
2

Indien in een gemeente met geographisch gescheiden onderdelen de diaconale bezittingen ten name van een of meer dier onderdelen staan, kunnen zij, onder goedkeuring van de provinciale diaconale commissie, afzonderlijk geadministreerd blijven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-18-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 18.

Afzonderlijke kassen, fondsen en rechtspersonen.

Lid
3

Indien de omstandigheden dat wenselijk maken, kan het collge van diakenen, eigener beweging of op verzoek van de kerkeraad, voor bepaalde doeleinden of onderdelen van het diaconaat afzonderlijke kassen of fondsen in het leven roepen, waarvan het beheer wordt gevoerd door het college van diakenen of namens hen door daartoe door of in overleg met dat college aangewezen en aan hen verantwoording verschuldigde commissies uit de lidmaten der gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-18-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 18.

Afzonderlijke kassen, fondsen en rechtspersonen.

Lid
4

Indien bijzondere redenen daartoe nopen, kan het college van diakenen, na verkregen toestemming van het provinciaal college van toezicht de verzorging van bepaalde diaconale belangen, die daartoe door aard of omvang in aanmerking komen, aan andere daarvoor in overleg met de kerkeraad aangewezen of in het leven geroepen rechtspersonen opdragen, onder vaststelling tevens van de nodige regelen omtrent de benoeming en de verantwoordelijkheid van de bestuurders van zulk een rechtspersoon.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-19-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 19.

Schenkingen, erfstellingen en legaten.

Lid
1

Schenkingen, erfstellingen of legaten, waarbij niet uitdrukkelijk is bepaald, dat zij moeten worden besteed voor dagelijkse diaconale behoeften, worden, zo zij een door het generaal college van toezicht vast te stellen grens te boven gaan, ten gunste van de kapitaaldienst geboekt of met toestemming van de provinciale diaconale commissie als gewone inkomsten beschouwd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-19-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 19.

Schenkingen, erfstellingen en legaten.

Lid
2

Schenkingen, erfstellingen of legaten aan een centrale gemeente strekken ten behoeve van de diaconale arbeid in die gemeente, tenzij door schenker of erflater uitdrukkelijk is bepaald, dat zij moeten worden aangewend ten behoeve van een bepaalde wijkgemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-20-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 20.

Bijdragen aan andere instellingen.

Lid
1

Het college van diakenen kan besluiten bijdragen te geven aan locale, regionale of generale diaconale kassen, fondsen of instellingen en — doch dan met toestemming van de provinciale diaconale commissie, die daarover de provinciale kerkvoogdijcommissie hoort — aan de kerkekas der eigen gemeente, doch dit laatste als regel niet in gemeenten, groter dan 1000 zielen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-21-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 21.

De begroting.

Lid
1

Telken jare heeft tussen praeses en scriba van de kerkeraad en de voorzitter en een lid van het college van diakenen, overleg plaats over de begroting van de uitgaven en de voor de dekking daarvan benodigde inkomsten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-21-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 21.

De begroting.

Lid
2

Nadat genoemd overleg heeft plaats gehad, stelt het college van diakenen een ontwerp-begroting op, ingericht naar een der door het generaal college van toezicht aangewezen modellen, welke vóór 1 October aan de (centrale) kerkeraad wordt voorgelegd, die vóór 1 November de begroting vaststelt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-21-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 21.

De begroting.

Lid
3

Bezwaren van het college van diakenen tegen deze begroting worden binnen veertien dagen na de datum van vaststelling ter kennis gebracht van het provinciaal college van toezicht, dat ter zake een beslissing geeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-21-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 21.

De begroting.

Lid
4

Binnen veertien dagen na de vaststelling van de begroting wordt een afschrift daarvan door het college van diakenen toegezonden aan het provinciaal college van toezicht, dat bevoegd is binnen één maand met de kerkeraad over wijzigingen en aanvullingen in overleg te treden, terwijl — zo dit overleg niet tot overeenstemming mocht leiden — het breed moderamen der provinciale kerkvergadering op verzoek van het college van toezicht aan de kerkeraad kan opdragen ondoelmatig geachte uitgaven van de begroting af te voeren en bij ordinantie voorgeschreven posten daarop aan te brengen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-21-5

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 21.

De begroting.

Lid
5

Voor wijzigingen in de begroting, in de loop van het jaar aan te brengen, wordt dezelfde weg gevolgd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-22-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 22.

De rekening.

Lid
1

Het college van diakenen maakt telken jare een rekening op van de uitgaven en ontvangsten over het afgelopen kalenderjaar, welke rekening, ingericht naar een der door het generaal college van toezicht daarvoor aangewezen modellen, vóór 1 Mei en met de krachtens de ordinantie voor het toezicht daarbij behorende jaarstukken voorgelegd wordt aan de (centrale) kerkeraad, die de rekening vóór 1 Juni vaststelt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-22-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 22.

De rekening.

Lid
2

Binnen veertien dagen na de vaststelling wordt de rekening met bijbehorende stukken door het college van diakenen naar de daarvoor gestelde regelen aan het provinciaal college van toezicht ter goedkeuring toegezonden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-22-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 22.

De rekening.

Lid
3

Bezwaren van het college van diakenen tegen deze rekening worden binnen veertien dagen na de datum van vaststelling ter kennis gebracht van het provinciaal college van toezicht, dat ter zake een beslissing geeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-22-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

V. Diaconale gelden en goederen.

Artikel 22.

De rekening.

Lid
4

De rekening wordt binnen een maand, nadat de mededeling inzake de goedkeuring is ontvangen, door het college van diakenen in verkorte vorm op de daartoe meest geëigende wijze gepubliceerd en bovendien gedurende acht dagen voor de gemeenteleden ter inzage gelegd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15.VI.

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VI. De bredere diaconale organen.

Artikel
23-25

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-23-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VI. De bredere diaconale organen.

Artikel 23.

De provinciale diaconale commissie.

Lid
1

In elke kerkprovincie is een provinciale diaconale commissie, bestaande uit tenminste vijf en ten hoogste zeven leden, door de provinciale kerkvergadering voor de tijd van vier jaren benoemd uit de lidmaten der kerkprovincie en wel
drie diakenen, ieder benoemd op voordracht van een of meer der werkverbanden uit de kerkprovincie, bedoeld in art. 25 van deze ordinantie,
één lid uit de predikanten,
één lid op enkelvoudige voordracht van de algemene diaconale raad, en
de overige leden naar vrije keuze.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-23-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VI. De bredere diaconale organen.

Artikel 23.

De provinciale diaconale commissie.

Lid
2

Indien in een kerkprovincie meer dan één werkverband aanwezig is, draagt ieder dezer werkverbanden een diaken voor, wier namens alsdan tezamen de voordracht vormen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-23-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VI. De bredere diaconale organen.

Artikel 23.

De provinciale diaconale commissie.

Lid
3

Bij het opmaken van deze voordracht brengt iedere vertegenwoordigde gemeente of wijkgemeente één stem uit.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-23-4

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VI. De bredere diaconale organen.

Artikel 23.

De provinciale diaconale commissie.

Lid
4

De provinciale diaconale commissie kan, ook buiten haar leden, een secretaris benoemen, wiens plichten en rechten zij regelt en die in haar vergadering een adviserende stem heeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-24-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VI. De bredere diaconale organen.

Artikel 24.

De algemene diaconale raad.

Lid
1

De algemene diaconale raad bestaat uit dertien leden, voor de tijd van vijf jaren door de generale synode benoemd uit de lidmaten der Kerk en wel
vijf diakenen, waarvoor de provinciale diaconale commissies naar een door de algemene diaconale raad vast te stellen rooster bij toerbeurt een voordracht indienen;
drie leden, benoemd in overleg met de bijzondere raad en secties, genoemd in art. 26 van deze ordinantie;
vijf leden naar vrije keuze, voor welke plaatsen de algemene diaconale raad echter een aanbeveling kan indienen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-24-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VI. De bredere diaconale organen.

Artikel 24.

De algemene diaconale raad.

Lid
2

De algemene diaconale raad benoemt — onder goedkeuring van de generale synode — buiten zijn leden een of meer secretarissen, wier plichten en rechten hij regelt, en die in zijn vergadering een adviserende stem hebben.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-25-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VI. De bredere diaconale organen.

Artikel 25.

De taak van de bredere diaconale organen.

Lid
1

De bredere diaconale organen hebben in het bijzonder tot taak
leiding te geven aan het diaconale leven in hun gebied;
de colleges van diakenen in hun ressort generaal, provinciaal, classicaal of regionaal in werkverbanden bijeen te roepen ter overweging en behartiging van gemeenschappelijke belangen;
voorlichting te geven, eigener beweging of op verzoek, aan de diaconale organen en instellingen der Kerk;
de juiste inzichten en methoden voor het diaconale denken en handelen ingang te doen vinden;
diaconale periodieken en publicaties te doen uitkomen;
het nemen of steunen van initiatief voor de oprichting van regionale, provinciale en generale diaconale instellingen en organen;
het bevorderen van de samenwerking en de diaconale hulpverlening tussen de gemeenten onderling, mede door middel van de generale diaconale kas, bedoeld in het zesde lid van art. 18 der ordinantie voor de kerkelijke financiën;
het geven van voorlichting en leiding aan het diaconale belegginsbeleid;
samen te werken met de brede moderamina der meerdere ambtelijke vergaderingen;
uitvoering te geven aan hetgeen hun verder bij of krachtens ordinantie tot taak wordt gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15.VII.

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VII. Bijzondere diaconale raden en secties.

Artikel
26-27

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-26-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VII. Bijzondere diaconale raden en secties.

Artikel 26.

Bijzondere diaconale raden en secties.

Lid
1

Indien de omvang of de bijzondere behoeften van en verhoudingen op een bepaald gedeelte van het diaconale arbeidsveld dat vereisen, wordt een bijzondere diaconale raad of sectie in het leven geroepen, aan welke de zorg voor en de verantwoordelijkheid op dat gebied worden gedelegeerd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-26-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VII. Bijzondere diaconale raden en secties.

Artikel 26.

Bijzondere diaconale raden en secties.

Lid
2

Er zullen in elk geval bijzondere raden of secties zijn
voor ziekenzorg,
voor kinderbescherming en reclassering, en
voor gezinszorg en gezinsverzorging.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-26-3

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VII. Bijzondere diaconale raden en secties.

Artikel 26.

Bijzondere diaconale raden en secties.

Lid
3

De samenstelling, de wijze van benoeming der leden en de begrenzing van het arbeidsveld van bijzondere raden geschiedt bij generale regeling.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-27-1

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VII. Bijzondere diaconale raden en secties.

Artikel 27.

De taak van de bijzondere raden.

Lid
1

De bijzondere raden hebben op het hun toegewezen arbeidsveld in het bijzonder ook tot taak
voorlichting te geven aan de gemeenten, haar organen en de meerdere ambtelijke vergaderingen;
gemeenten en Kerk te dienen bij de verzorging van haar gemeenschappelijke opdrachten; en
samen te werken met de algemene diaconale raad en de daarvoor door de aard van het werk in aanmerking komende organen van pastoraat, presbyteraat en apostolaat.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 15-27-2

Ordinantie voor het diaconaat.

 

VII. Bijzondere diaconale raden en secties.

Artikel 27.

De taak van de bijzondere raden.

Lid
2

De bijzondere raden geven telken jare een overzicht van hun werk en van de gang van zaken op het hun toegewezen arbeidsveld aan de generale synode en aan de algemene diaconale raad.