Nauta, D. (1971) Art. 30

Artikel 30
1. Door een meerdere vergadering zullen behalve de zaken, die de in haar bijeenkomende kerken gemeenschappelijk aangaan, uitsluitend zaken behandeld worden, die door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden en daarom door deze in de vorm van een vraag, van een instructie, van een bezwaarschrift of op andere wijze aan de orde worden gesteld, alsook zaken, ten aanzien waarvan een lid ener kerk of een vergadering bij haar in appèl is gekomen.
2. Zaken, welker behandeling tot de taak van een meerdere vergadering behoort, kunnen, behalve op grond van voorstellen van mindere vergaderingen, ook door die vergadering zelf aan de orde worden gesteld.

 

Bevoegdheid van de meerdere vergaderingen

Bevat artikel 29 de bepaling, dat door de vergaderingen der kerk geen andere dan kerkelijke zaken behandeld worden, ten aanzien van die kerkelijke zaken zelf bevat de kerkorde ook nog enige algemene bepalingen. Uiterst belangrijk is al direct de bepaling, die in artikel 30 wordt aangetroffen. Want zij brengt een splitsing aan tussen de zaken die de kerkeraad, en de zaken die de meerdere vergaderingen hebben te behartigen. Een nadere bepaling van wat door de kerkeraad wordt behandeld, ontbreekt. Alleen met betrekking tot de zaken, die bij de meerdere vergaderingen aan de orde komen, wordt een bepaalde begrenzing aangegeven.

Het is nuttig, op deze gesteldheid even opzettelijk de aandacht te vestigen. Daaruit blijkt, dat de herziene kerkorde van de lijn, in de oude kerkorde gevolgd, in dit opzicht niet is afgeweken, en dat ook zij aan de kerkeraad, en in deze aan de plaatselijke kerk, alle recht wil doen wedervaren. Een kerkeraad kan zich bezighouden met alle zaken, mits deze maar van kerkelijke aard zijn. Het is natuurlijk een andere vraag, of een kerkeraad in werkelijkheid zich met alle mogelijke zaken van kerkelijke aard zal inlaten. Ook al zou een kerkeraad zulks willen, dan nog zullen tijd en gelegenheid hem meermalen noodzaken van een dergelijk voornemen af te zien. Verder spreekt het vanzelf, dat een kerkeraad wel met alles zich zou kunnen bezighouden, maar dat hij niet de bevoegdheid bezit om over alle zaken een definitieve beslissing te nemen; een zaak, waarbij meer dan één kerk of zelfs vele kerken betrokken zijn, kan niet door een kerkeraad alleen zelfstandig en op eigen

|131|

gelegenheid worden uitgemaakt. Hoe dit echter ook moge zijn, de herziene kerkorde legt evenmin als de oude kerkorde iets aan een kerkeraad in de weg, om in zijn samenkomsten over alle mogelijke kerkelijke aangelegenheden zich uit te spreken. Alleen ten aanzien van de meerdere vergaderingen en haar bevoegdheid bestaan er beperkende bepalingen.

Ik haal nu eerst de overeenkomstige bepaling uit de oude kerkorde aan. Men treft haar aan in artikel 30, waarvan het eerste gedeelte bij de behandeling van het vorige artikel reeds ter sprake kwam. Het tweede gedeelte luidt als volgt: In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan 't gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergadering in 't gemeen behoort. Men ziet het, op precies ditzelfde stramien is ook de bepaling in de herziene kerkorde geborduurd.

Er zijn in het algemeen twee categorieën van zaken, die ter behandeling van de meerdere vergaderingen staan. Tot de eerste categorie moeten worden gerekend de zaken, die de kerken van een bepaalde meerdere vergadering gemeenschappelijk aangaan. In de oude kerkorde heet het daarvan, dat zij tot de kerken der meerdere vergadering in het gemeen behoren. Het zal duidelijk zijn, dat dergelijke zaken niet door een kerkeraad afzonderlijk kunnen worden afgedaan. De geloofsbelijdenis bijvoorbeeld behoort aan alle kerken toe, die van het kerkverband deel uitmaken. Het gaat daarom niet aan, dat een kerkeraad op eigen gelegenheid in die geloofsbelijdenis een wijziging zou willen aanbrengen. Alleen de instantie, die voor alle kerken in het kerkverband verantwoordelijkheid draagt, dat wil zeggen de generale synode, bezit een dergelijke bevoegdheid.

Ook andere meerdere vergaderingen dan de generale synode kunnen gemeenschappelijke zaken of belangen hebben. Als zodanig noem ik bijvoorbeeld de toelating tot het predikambt. In onze kerken is de bevoegdheid om iemand tot het predikambt toe te laten toevertrouwd aan de classis. Op zichzelf is het denkbaar, dat die aangelegenheid op een andere wijze was geregeld. Maar dit is een punt, dat hier buiten beschouwing kan blijven. Nu de bedoelde regeling aldus is getroffen, mag een kerkeraad niet op eigen gelegenheid iemand toelaten tot het predikambt of hem opdragen het Woord of de sacramenten te bedienen in de gemeente, welke onder het opzicht van de desbetreffende kerkeraad staat. Die kerkeraad zal in voorkomende gevallen zich tot de classis hebben te wenden om eventueel zijn wens vervuld te krijgen. Want het betreft een aangelegenheid, die niet enkel de eigen kerk, maar ook de overige kerken, welke van de classis deel uitmaken, gemeenschappelijk aangaat.

Naast deze eerste categorie van zaken, welke de meerdere vergaderingen te behandelen krijgen, is er nog een tweede categorie. Daartoe behoren zaken, die in eerste instantie alleen door de kerkeraden worden behartigd, maar ten aanzien waarvan het niet mocht gelukken ze tot een goed einde te brengen. De oude kerkorde bepaalt er zich toe, te spreken van wat in mindere vergaderingen — en dat begint natuurlijk altijd bij de kerkeraad — niet heeft

|132|

afgehandeld kunnen worden. In de herziene kerkorde vinden wij een bepaling die daarvan een wijdere omschrijving biedt door in meer bijzonderheden te treden. Hiermede is de duidelijkheid gediend en worden bepaalde gevaren afgesneden.

In de oude kerkorde staat namelijk niet aangegeven, op welke wijze de bedoelde zaken bij de meerdere vergadering moeten worden aangebracht noch door wie of door welke instantie zulks behoort te gebeuren. Wanneer men die bepaling op zichzelf neemt, is het mogelijk haar zo op te vatten, dat wanneer in een mindere vergadering een zaak niet is afgehandeld kunnen worden, het aan de meerdere vergadering zou vrijstaan de desbetreffende zaak aan zich te trekken, ook zonder dat zulks door de mindere vergadering opzettelijk werd verzocht. Een dergelijke uitlegging is bij de formulering van de herziene kerkorde vrijwel uitgesloten te achten. Want hier wordt ten aanzien van zaken, die door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden, uitdrukkelijk als een nadere bepaling toegevoegd, dat zij daarom door diezelfde vergaderingen bij de meerdere vergadering aan de orde worden gesteld. Er wordt een bepaalde actie verlangd van de mindere vergaderingen zelf, zal een aangelegenheid gelijk hier wordt bedoeld, door een meerdere vergadering in behandeling genomen kunnen worden. Ik laat nu abnormale omstandigheden even buiten beschouwing. Naar aanleiding daarvan zal ik bij de behandeling van artikel 121 op de bedoelde kwestie moeten terugkomen. Maar reeds thans wil ik aanstippen, dat ook ten aanzien van buitengewone omstandigheden in een kerk er naar gestreefd is de algemene bepaling van artikel 30 zoveel mogelijk tot haar recht te doen komen.

De mindere vergadering zelf moet de desbetreffende aangelegenheid bij de meerdere vergadering aanhangig maken. Dit kan op onderscheiden wijze gebeuren. Diverse vormen worden hier met zovele woorden genoemd. Het kan gebeuren in de vorm van een vraag of in de vorm van een instructie of in de vorm van een bezwaarschrift of in nog andere vorm of op andere wijze. Er bestaat in dit opzicht een grote mate van vrijheid. Er moet worden rekening gehouden met allerlei situaties, waarin een mindere vergadering verkeert, ingeval een bepaalde zaak door haar blijkt niet te kunnen worden afgehandeld. Het is mogelijk, dat het haar ontbreekt aan het onontbeerlijke licht voor het tot een oplossing brengen van een kwestie. Er blijkt twijfel of onzekerheid te heersen. Vandaar dat men zich tot de meerdere vergadering richt met een vraag of een aantal vragen. Wanneer door deze het verlangde antwoord wordt verstrekt, meent de mindere vergadering straks wel in staat te zijn zelf de zaak af te handelen en die tot een goed einde te brengen. Ook is het echter mogelijk, dat de mindere vergadering geen kans ziet er zelf uit te komen, en dat zij daarom met de zaak zelf komt tot de meerdere vergadering en die aan haar ter beslissing voorlegt, of ook aan haar voorlegt ter verdere behandeling. Daarvoor beschikken de kerkelijke vergaderingen over wat men reeds van overlang kent als de vormen van een instructie en van een

|133|

bezwaarschrift of gravamen. Een instructie wordt meegegeven aan de afgevaardigden naar de meerdere vergadering, en het ligt dan op de weg van deze afgevaardigden het punt in kwestie mondeling naar voren te brengen en toe te lichten. In geval van een gravamen moet men meer denken aan een uitvoerige schriftelijke uiteenzetting, die bij de meerdere vergadering ter tafel wordt gebracht. Eventueel heeft de mindere vergadering de vrijheid nog op andere wijze, die naar haar oordeel de meest passende is, haar moeilijkheden aan de meerdere vergadering bekend te maken en een uitspraak harerzijds uit te lokken.

Onder de tweede categorie van zaken is er nog een bepaalde groep, die een eigen karakter vertoont en derhalve afzonderlijk vermeld moest worden. Dat zijn namelijk de zogenoemde appèl-zaken. De mindere vergaderingen hebben dergelijke zaken wel naar haar oordeel tot een eind gebracht en in die zin zou men van een afhandeling daarvan kunnen spreken. Maar het blijkt, dat er personen of zelfs vergaderingen (een kerkeraad ten opzichte van de beslissing van classis of particuliere synode) zijn, die met de genomen beslissing niet accoord kunnen gaan en daartegen in appèl komen bij de meerdere vergadering. Uit die situatie treedt dan aan de dag dat de desbetreffende zaak in werkelijkheid nog niet als afgehandeld kan worden beschouwd en nog door een andere, een meerdere kerkelijke vergadering behoort te worden behandeld.

Over de kwestie van appèl als zodanig behoef ik in dit verband niet te handelen. Dat punt komt bij een volgend artikel ter sprake. Hier is het alleen van belang op te merken, dat dergelijke zaken van appèl er zijn en dus voorziening vragen. Men kan de vraag stellen, of het wel nodig was opzettelijk te noemen het-in-appèl-komen door een lid ener kerk of door een vergadering. Strikt noodzakelijk was het mijns inziens niet geweest. Men had kunnen volstaan met in deze bepaling te spreken alleen van het-in-appèl-komen, want het doet hier niet ter zake door wie dat appèl moet worden aanhangig gemaakt. De regeling van het laatstgenoemde punt kan beter elders worden ondergebracht. De bepaling had dus ook zo kunnen luiden: „alsook zaken, ten aanzien waarvan men bij haar in appèl is gekomen". Daarmede zou het punt in kwestie hier voldoende tot uitdrukking zijn gebracht.

Nu moet ik nog enkele opmerkingen maken over het tweede lid. Welke betekenis moet daaraan worden toegekend? Een bepaling gelijk hier staat, komt niet voor in de oude kerkorde. Brengt zij ook een nieuw element naar voren, dat vreemd moet worden geacht aan het bestel, dat de oude kerkorde bedoelde te regelen? Vermoedelijk zal het zo door sommigen worden verstaan en zullen zij van oordeel zijn, dat door de onderhavige bepaling de rechten der mindere vergaderingen enigermate worden aangetast.

De onderhavige bepaling houdt in dat meerdere vergaderingen in een bepaald opzicht de in dit artikel bedoelde zaken zelfstandig aan de orde mogen stellen, ook zonder daartoe strekkende voorstellen van mindere vergaderingen te behoeven af te wachten. Het is duidelijk, dat zulks niet kan gelden van alle

|134|

in dit artikel bedoelde zaken. Want de zaken, welke door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden, kunnen alleen reeds vanwege haar geaardheid niet anders dan op grond van vragen of voorstellen of van welke andere middelen ook, uit de mindere vergaderingen opkomende, aan de orde worden gesteld. Anders staat het evenwel met de zaken, waarvan geldt dat zij de kerken, van de desbetreffende meerdere vergadering deel uitmakende, gemeenschappelijk aangaan. Het is bepaaldelijk op deze zaken, dat de bedoelde bepaling van toepassing moet worden geacht. Ten aanzien daarvan is het niet beslist noodzakelijk, dat er door mindere vergaderingen voorstellen worden ingediend, om ze aan de orde gesteld te krijgen. De mogelijkheid dat zulks zou geschieden door de meerdere vergadering zelf, wordt hier opengelaten.

Het is, dunkt mij, als een winstpunt te beschouwen, dat de herziene kerkorde een bepaling over de bedoelde kwestie bevat. Het is een onaanvaardbare gedachte, dat zij over die kwestie het zwijgen zou bewaren en daarmede de vraag in het midden zou laten, of de meerdere vergadering een dergelijke bevoegdheid al dan niet bezit. Want daarmede zou een twistappel, ik zeg niet in het leven zijn geroepen, maar bestendigd zijn gebleven. Ik kan mij voorstellen, dat iemand een dergelijke bevoegdheid aan de meerdere vergadering zou willen ontzeggen en in die zin de bepaling gewijzigd zou willen hebben. Maar het schrappen van dit tweede lid zou een stap achteruit betekenen en er toe bijdragen de toestand te verduisteren.

Nu is het voor een juist inzicht nuttig eerst na te gaan, wat de preciese inhoud der bepaling is. Er wordt hier aan de meerdere vergadering een bepaalde bevoegdheid toegekend. Zij blijkt niet aan alle kanten aan handen en voeten gebonden te zijn. Maar men lette er op, dat die bevoegdheid wordt toegekend aan de vergadering als zodanig. Niet elk lid der vergadering, ook niet een kleiner of groter aantal van haar leden kan het bedoelde recht zich aanmatigen. Ieder kan in dit opzicht wel trachten iets te bereiken en een balletje opwerpen om een zaak gelijk hier bedoeld wordt, aan de orde gesteld te krijgen. Maar indien een dergelijke gedachte bij de vergadering zelf geen ingang blijkt te vinden, gebeurt er niets. Alleen de vergadering zelf maakt uit, of inderdaad een dergelijke zaak aan de orde zal worden gesteld. Het zal duidelijk zijn, dat dit een behoorlijke waarborg betekent voor een verantwoord gebruik maken van de hier geopende mogelijkheid.

Gesteld verder dat een meerdere vergadering eens zou besluiten van het bedoelde recht gebruik te maken, dan is het nog niet zo, dat zij eigenmachtig allerlei beslissingen zou kunnen nemen. Want zij is en blijft voor het nemen van definitieve beslissingen geheel gebonden aan de overige bepalingen der kerkorde. Met name is in dit verband van belang een herinnering aan het bepaalde in artikel 62. Volgens het tweede lid van dat artikel is het voor de generale synode uitgesloten ter zake definitieve beslissingen te nemen, zonder de mindere vergaderingen in de gelegenheid te hebben gesteld van haar gevoelen te doen blijken; en is het voorts noodzakelijk, dat een dergelijke

|135|

beslissing met een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen wordt genomen. Met andere woorden, de meerdere vergaderingen zijn door deze en andere bepalingen wel in die mate gebonden dat men geen vrees behoeft te koesteren voor een dreigend ernstig misbruik van de hier bedoelde bepaling.

Aan de andere kant kan het zijn nut opleveren, dat een mogelijkheid gelijk in lid twee wordt geopend voor de meerdere vergaderingen, aanwezig is. Op die wijze kunnen zij soms tijdig bepaalde zaken, welke de aandacht verdienen, aan de orde stellen, terwijl bij uitstel het belang van de kerken zou dreigen geschaad te worden. Door het aan de orde stellen van een zaak, gelijk bedoeld, kunnen de kerken blijken gediend te zijn. En waarom zou men dat willen verhinderen door vast te houden aan de formele overweging, dat een voorstel ter zake uitsluitend uit de mindere vergaderingen behoort op te komen.

Er blijft tenslotte nog de vraag, of men met de bedoelde bepaling niet bezig is af te wijken van de aloude praktijk. Sommigen willen deze vraag zonder aarzelen ontkennend beantwoorden. Naar mijn mening zijn er inderdaad goede argumenten aan te voeren voor een bevestigend antwoord op de gestelde vraag. Maar voor mij is zulks niet beslissend. Veel liever wijs ik er op, dat een voorschrift in de zin van de opvatting die de bestrijders aanhangen, ontbreekt. Men kan zich alleen beroepen op een bepaalde praktijk, een praktijk die dan nog een beperkt karakter heeft gedragen. Voorts wil ik de aandacht vestigen op de ontwikkeling van het kerkelijk leven zelf, waarbij meermalen nieuwe behoeften aan het licht treden en waaruit dan de herziening van een vroegere praktijk geboren wordt. Dit is ook een volkomen legitieme gang van zaken, zowel in het gewone recht als in het kerkrecht. Lid twee van dit artikel moge een nieuw element vertegenwoordigen, bij vergelijking met de oude kerkorde, dit behoeft daarom niet met een zwarte kool te worden getekend. Het is integendeel als volkomen verantwoord te beschouwen; het draagt bij tot een goede orde in de kerken.