Kerkorde GKN (1971) H4.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

Kerkorde GKN (1971) H4.I.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Kerkorde GKN (1971) Art. 104

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
104

1. Het vermaan en de tucht van de kerk bedoelen de verheerlijking van Gods naam door de afdwalenden terug te brengen, hen met de kerk en hun naasten te verzoenen en de gegeven ergernis uit de gemeente weg te nemen.
2. Het vermaan en de tucht, welke door de kerkeraad geoefend worden, laten onaangetast de roeping, die op alle leden der gemeente rust om op elkander in broederlijke liefde toe te zien en zo nodig elkander te vermanen en zulk een vermaan ter harte te nemen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 105

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
105

Vermaan en tucht betreffen de belijdenis en de wandel van allen, die tot de gemeente behoren.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 105

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

bij Artikel
105

Leden die zich laten „overdopen”, moeten ernstig en geduldig worden vermaand; het zal van hun gehele optreden afhangen, zulks ter beoordeling van de kerkeraad, of zij vanwege het geven van ergernis in de gemeente tevens voorwerp van kerkelijke tucht moeten worden, hetgeen zeker behoort te geschieden in geval van algehele verachting van de eenmaal ontvangen kinderdoop.

Assen 1957, art. 481;
Groningen 1963, art. 471

Zie bij artikel 83Elders kerken

Kerkorde GKN (1971) Art. 106

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
106

Omdat vermaan en tucht een geestelijk karakter dragen, zullen zij ook op geestelijke wijze geoefend worden, met vermijding van ale wereldse machtsoefening.

Kerkorde GKN (1971) Art. 107

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
107

De tucht betreft de ergerlijke zonden, die hetzij als zodanig openbaar zijn, hetzij door verwerping van het broederlijke vermaan, door Christus in Mattheüs 18: 15-16 bevolen, openbaar zijn geworden, hetzij op een andere verantwoorde wijze ter kennis van de kerkeraad zijn gekomen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 108

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
108

Maatregelen van tucht zullen niet genomen worden zonder voorafgaand grondig onderzoek en niet dan nadat de beschuldigde gelegenheid heeft gehad zich te verantwoorden.

Kerkorde GKN (1971) Art. 109

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

I. Algemene bepalingen

Artikel
109

1. Indien bij een dooplid dan wel bij een belijdend lid een onverschilligheid blijkt aanwezig te zijn, die zo ver gaat dat daarin zich openbaart een volstrekte afwijzing van het evangelie van Jezus Christus, zodat er voor oefening van tucht in de zin van het in de artikelen 110 en volgende bepaalde geen plaats meer is, zal de kerkeraad verklaren, dat zo iemand niet meer tot de gemeente van Christus gerekend kan worden.
2. De kerkeraad zal tot een dergelijke verklaring besluiten niet dan nadat de desbetreffende persoon uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden en niet dan na verkregen toestemming van de classis.
3. Nadat het besluit tot een dergelijke verklaring is gevallen, zal de kerkeraad dit ter kennis brengen zowel van de desbetreffende persoon als van de gemeente.

Kerkorde GKN (1971) H4.II.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Kerkorde GKN (1971) Art. 110

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
110

1. Bij het vermaan en de tucht over hen, die nog geen belijdenis des geloofs afgelegd hebben, zal onderscheid gemaakt worden tussen kinderen en volwassenen en bij de laatsten tussen afkerigen en nalatigen.
2. Met hen zal gehandeld worden overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde richtlijnen inzake de tucht over doopeden en zo nodig met gebruikmaking van de daartoe bestemde openbare bekendmakingen.

Zie Bijlage XVII

Kerkorde GKN (1971) Art. 111

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
111

1. Wanneer belijdende leden, na vermaand te zijn over hun afwijken van de gezonde leer of van de godvrezende wandel, genoegzame blijken van boetvaardigheid gegeven hebben, zal de kerkeraad het nodige doen om de verzoening tot stand te brengen.
2. De wijze, waarop de verzoening tot stand gebracht wordt, evenals de vraag, of aan de in lid 1 bedoelde leden niettemin, wegens de in de gemeente gegeven ergernis, voor een bepaalde tijd het avondmaal nog behoort onthouden te worden, zal ter beoordeling van de kerkeraad staan. De verzoening zal slechts in bijzondere gevallen plaats hebben door middel van het afleggen van schuldbelijdenis in een kerkdienst en dit niet zonder goedvinden van de classis.

Kerkorde GKN (1971) Art. 112

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
112

1. Wanneer belijdende leden hardnekkig weigeren hun zonden te belijden en na te laten, zullen zij, totdat zij genoegzame blijken van boetvaardigheid geven, door de kerkeraad van het avondmaal afgehouden worden, hetgeen met zich medebrengt, dat de uitoefening van het recht de doopvragen te beantwoorden en aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen, hun onthouden wordt.
2. De kerkeraad zal intussen voortgaan hen te vermanen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 113

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
113

1. Wanneer belijdende leden, na van het avondmaal afgehouden te zijn, ondanks alle vermaan in hun zonde blijven volharden, zullen zij door de kerkeraad van de gemeente worden afgesneden, met gebruikmaking van het daarvoor vastgestelde formulier. Tot deze afsnijding zal niet worden overgegaan, zolang niet vaststaat, dat de uitspraken in dat formulier ten volle van toepassing zijn.
2. De kerkeraad zal tot deze afsnijding niet overgaan dan nadat hij door drie openbare bekendmakingen de hardnekkigheid van de zondaar aan de gemeente heeft medegedeeld, met de opwekking om voor hem te bidden en zo mogelijk bij hem aan te dringen op bekering. In de eerste bekendmaking zal de naam van de zondaar niet worden genoemd. In de tweede zal, na verkregen toestemming van de classis, zijn naam vermeld worden. En in de derde zal, onder opgave van de termijn, binnen welke alsnog boetvaardigheid betoond kan worden, zijn afsnijding van de gemeente worden aangekondigd.

Kerkorde GKN (1971) Art. 114

Hoofdstuk IV. Het vermaan en de tucht van de kerk

II. Het vermaan en de tucht over de leden der gemeente

Artikel
114

Indien iemand, die van de gemeente werd afgesneden, zich in de weg van boetvaardigheid begeert te verzoenen met de kerk, zal de kerkeraad, na zich van de genoegzaamheid van zijn berouw vergewist te hebben, zulks aan de gemeente mededelen. Zo er geen gegronde bezwaren ingebracht worden, zal hij daarna weer in de gemeenschap der kerk opgenomen worden met gebruikmaking van het daarvoor vastgestelde formulier.

Kerkorde GKN (1971) H4.III.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Kerkorde GKN (1971) Art. 115

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
115

1. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers hebben in het bijzonder betrekking op de vervulling van het hun toevertrouwde ambt.
2. De ambtsdragers blijven daarnaast onderworpen aan het vermaan en de tucht, omschreven in de voorgaande artikelen, met dien verstande dat tot de oefening van deze tucht eerst mag worden overgegaan, nadat de schorsing in de vervulling van het ambt is uitgesproken.

Kerkorde GKN (1971) Art. 116

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
116

1. Wanneer ambtsdragers in strijd handelen met hun ondertekening van de belijdenis, of zich schuldig maken aan een schromelijk veronachtzamen of misbruiken van hun ambt, of op andere wijze in ernstige mate afwijken van de gezonde leer of de godvrezende wandel, zullen zij in de vervulling van hun ambt geschorst of terstond daaruit ontzet worden.
2. Het oordeel, of de ontzetting uit het ambt terstond zal geschieden, alsokk of na de voorafgaande schorsing deze ontzetting zal volgen, staat aan de bevoegde vergadering als bedoeld in de artikelen 119 tot 123.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 116

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

bij Artikel
116

Omdat in publicatie van tuchtmaatregelen, genomen tegen dienaren des Woords, een vorm van ernstig bijkomende straf kan worden gezien, is bepaald:

1. dat bij maatregelen van tijdelijke aard, n.l. schorsing krachtens artikel 116, lid 1 (hetgeen op analoge wijze eveneens geldt voor ontheffing krachtens artikel 118, lid 1) geen mededeling zal worden gedaan aan de kerkeraden en classes, maar van de betrokkene de belofte zal worden gevorderd om gedurende de termijn van die schorsing of ontheffing zich geheel te onthouden van de uitoefening van zijn ambt;

2. dat slechts bij pertinente weigering tot het afleggen van een dergelijke belofte door de desbetreffende kerkelijke vergadering per gesloten couvert, onder het opschrift „vertrouwelijk”, mededeling zal worden gedaan van die schorsing of ontheffing, uitsluitend aan de kerkeraden, wat tegelijk betekent dat door deze kerkeraden op generlei wijze, ook niet door middel van een kort verslag of anderszins, daaraan verdere ruchtbaarheid mag worden gegeven;

3. dat van maatregelen die  een definitief karakter dragen, n.l. ontzetting uit het ambt krachtens artikel 116, vervallen verklaring vna het ambt krachtens artikel 117, alsook het volledig ontslag uit de dienst krachtens artikel 13, door de betreffende kerkelijke vergadering per gesloten couvert, onder het opschrift „vertrouwelijk”, mededeling zal worden gedaan aan de kerkeraden en de classes, waarbij ook elke verdere ruchtbaarheid dient te worden vermeden.

Middelburg 1965, art. 179;
Amsterdam 1967, art. 354

Kerkorde GKN (1971) Art. 117

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
117

Wanneer ambtsdragers eigenwillig hun ambt neerleggen, zal de bevoegde vergadering hen, onder ernstige afkeuring van deze daad, van dat ambt vervallen verklaren. Voorts zal de kerkeraad over hen de volgens artikel 115, lid 2 vereiste tucht oefenen, tenzij daartoe in een bepaald geval geen aanleiding bestaat.

Kerkorde GKN (1971) Art. 118

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
118

1. Wanneer tegen een ouderling of diaken een aanklacht is ingediend of een ernstige verdenking gerezen, zal het aan de kerkeraad, en, wanneer het een dienaar des Woords betreft, aan de kerkeraad tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente, of aan de meerdere vergadering, bij welke de zaak aanhangig gemaakt is, vrijstaan hem voor een bepaalde termijn van de vervulling van zijn ambt te ontheffen.
2. Deze ontheffing draagt niet het karakter van een tuchtmaatregel.

Kerkorde GKN (1971) Art. 119

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
119

1. Ten opzichte van een dienaar des Woords zal een maatregel van schorsing genomen worden òf door de kerkeraad van de gemeente, waaraan hij verbonden is, tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente, òf door de classis, bij welke de kerkeraad de zaak aanhangig heeft gemaakt.
2. Indien het oordele van de kerkeraden niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.
3. Een maatregel van afzetting zal genomen worden door de classis, evenwel niet zonder medewerking en goedvinden van de door de particuliere synode aangewezen deputaten.

Kerkorde GKN (1971) Art. 120

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
120

1. Ten opzichte van ouderlingen en diakenen zal een maatregel van schorsing of afzetting genomen worden door de kerkeraad van de gemeente, waartoe zij behoren, tezamen met de kerkeraad van de volgens de classicale regeling aangewezen naburige gemeente.
2. Indien het oordeel van de beide kerkeraden niet overeenstemt, zal de zaak ter beslissing aan de classis voorgelegd worden.
3. Het zal aan de kerkeraad, indien naar zijn oordeel aan het volgen van de in lid 1 genoemde weg overwegende bezwaren verbonden zijn, vrijstaan de zaak terstond ter beslissing aan de classis voor te leggen.

Kerkorde GKN (1971) Art. 121

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
121

Onverminderd het in de artikelen 119 en 120 bepaalde, zal het aan de classis en eveneens, indien door bijzondere omstandigheden het inroepen van de hulp der classis overwegende moeilijkheden zou opleveren, aan de andere meerdere vergaderingen vrijstaan de maatregelen van schorsing en afzetting te nemen, wanneer, in geval van wanbestuur bij de kerkeraad, op haar door een deel van de kerkeraad of ook door een deel van de gemeente, niet zonder dat vooraf de kerkeraad erin is gekend en er zich over uitgesproken heeft, een beroep wordt gedaan om hulp en medewerking.

Kerkorde GKN (1971) Art. 122

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
122

Bij het vermaan en de tucht over missionaire dienaren des Woords, die beroepen zijn door een kerk in Nederland in samenwerking met een zelfstandige kerk op het zendingsterrein, zal gehandeld worden naar de vastgestelde bepalingen.

Zie Bijlage XV

Kerkorde GKN (1971) Art. 123

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
123

1. Zij, die de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden hebben en die als lid behoren tot een andere gemeente dan die, waaraan zij nog verbonden zijn ten aanzien van hun ambtelijke positie, zijn onderworpen aan het vermaan en de tucht van de kerkeraden der beide gemeenten, die in voorkomende gevallen zich met elkander zullen verstaan om tot een eenparige belissing te komen.
2. Indien de beide kerkeraden met elkander niet tot overeenstemming kunnen komen, zullen zij de beslissing in handen leggen van de classis, onder welke de gemeente ressorteert, waaraan de dienaar des Woords ten aanzien van zijn ambtelijke positie verbonden is.
3. De maatregel van afzetting zal genomen worden door de in lid 2 bedoelde classis, evenwel niet zonder medewerking en goedvinden van de door haar particuliere synode aangewezen deputaten.
4. Ten aanzien van hen, die de eer en de naam van een dienaar des Woords behouden hebben en geacht moeten worden in dienst van de gezamenlijke kerken te staan, zal de kerkeraad van de gemeente, waartoe zij als lid behoren, zich in voorkomende gevallen wenden tot de classis. Deze zal, na de deputaten onder wier toezicht zij gesteld zijn, te hebben gehoord, het recht hebben de maatregel van schorsing te nemen, evenwel niet zonder medewerking en goedvinden van de door haar particuliere synode aangewezen deputaten. De maatregel van afzetting kan uitsluitend door de generale synode genomen worden.
5. Wanneer zich een geval als in artikel 121 bedoeld voordoet, geldt het aldaar bepaalde eveneens bij toepassing van het in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bepaalde.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 123

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

bij Artikel
123

In geval degenen die geroepen worden tot een arbeid ten behoeve van de kerken in het gemeen, menen zich niet te kunnen neerleggen bij een belissing der synode, volgens welke zij uit hun dienst ontslagen worden en/of zij hun ambtelijke positie niet langer mogen behouden, zullen zij zich mogen beroepen op een nieuwe synode, die zal samenkomen binnen een termijn van zes maanden na de dag waarop door hen appèl werd aangetekend.

’s-Gravenhage 1949, art. 604

Kerkorde GKN (1971) Art. 124

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
124

1. Een terecht opgelegde maatregel van schorsing kan niet worden opgeheven dan nadat genoegzame blijken van boetvaardigheid zijn gegeven en de verzoening tot stand gekomen is.
2. Tot opheffing is bevoegd de vergadering, die de maatregel heeft genomen, of die in appèl uitspraak doet.

Kerkorde GKN (1971) Art. 125

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

Artikel
125

1. Een kerkeraad zal iemand, die uit het ambt werd ontzet, niet opnieuw tot het vervullen van een ambt roepen dan na ernstig onderzocht te hebben, of daarmee wel de eer Gods gediend en het welzijn van de kerken bevorderd wordt.
2. Een classis zal iemand, die uit het ambt van dienaar des Woords werd ontzet, niet opnieuw beroepbaar stellen dan met medewerking en goedvinden van de classis en de particuliere synode, waaronder de gemeente ressorteert, waaraan hij als dienaar des Woords verbonden was.

Kerkorde GKN (1971) Ubp. Art. 125

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

III. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers

bij Artikel
125

Bij de vraag of iemand opnieuw in het ambt kan worden gesteld, moet worden overwogen niet alleen de aard der zonde waarom hij werd afgezet, maar ook of het berouw over de gepleegde zonde duidelijk is, of de verzoening is tot stand gekomen, en de ergernis weggenomen en of hij tot opbouw van Gods gemeente kan werkzaam zijn zonder dat het heilig karakter der gemeente en de ere Gods wordt aangetast.

Groningen 1927, art. 96

Kerkorde GKN (1971) H4.IV.

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

IV. Het vermaan en de tucht over missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak

Kerkorde GKN (1971) Art. 126

Hoofdstuk 4

Het vermaan en de tucht van de kerk

IV. Het vermaan en de tucht over missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak

Artikel
126

1. Het toezicht over degenen, die als missionaire arbeiders met een niet-ambtelijke taak werkzaam zijn, zal worden geoefend door de deputaten van de kerken, door welke zij uitgezonden zijn, dan wel door de in artikel 97 genoemde raad van samenwerking of door de deputaten voor de zending.
2. Schorsing en ontslag uit hun taak kunnen alleen geschieden door de vergadering of de vergaderingen, op welker verantwoordelijkheid zij die taak vervullen, met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde bepalingen.