Jansen, Joh. (1976)

Korte Verklaring van de Kerkenordening
Amsterdam
Uitgeverij Ton Bolland
1976

ISBN: 

90 70057 45 X

reprint van de eerste druk 1923

Jansen, Joh. (1976) Vw.

|V|

Voorwoord.

 

Nu de breede verklaring der K.O. èn wegens de enorme stijging der drukkosten, èn wegens het beperkte debiet, in elk geval voorloopig, gestaakt moest worden, is het mij een voorrecht deze korte verklaring der geheele K.O. in één band te mogen aanbieden, geschikt om ook naar de kerkelijke vergaderingen te worden medegenomen.

Aan zulk een korte toelichting der K.O. werd reeds lang behoefte gevoeld. Bij de bewerking er van kwam ik echter telkens voor dezelfde vraag te staan, nl. wat wèl en wat niet opgenomen moest worden. Eenerzijds moest zij zuiver uit de Schriftuurlijke beginselen en uit de historische gegevens worden afgeleid. Anderzijds mocht zij toch niet te breed uitdijen om een handig en practisch bruikbaar boek te zijn. Ik heb dan ook gepoogd de hoofdlijnen, zoals die in den tekst der K.O. zijn getrokken, zoo duidelijk mogelijk in het licht te stellen, en de verder in den omtrek liggende vraagstukken wat beknopter te behandelen, ja soms geheel weg te laten.
Een uitvoerig register achtte ik niet noodig. Alleen heb ik voorin een inhoudsopgave geplaatst en die van de belangrijkste artikelen wat uitgebreid, om het opzoeken en het gebruik te vergemakkelijken.

Moge de Koning der Kerk Zijn zegen over deze verklaring der K.O. gebieden en ze dienstbaar stellen tot de rechte bestiering Zijner kerken en tot eere van Zijn Naam.

Joh. Jansen.

IJmuiden, December 1922.

Jansen, Joh. (1976) Inh.

|VII|

Inhoud.

 

Voorwoord — V

Inleiding — 1-2
1. Naam — 1
Kerkenordening (beteekenis van den 2en nmv. kerken), Kerkeordening, Kerkenorde, Kerkorde.
2. Geschiedenis — 2
Vaststelling, bevestiging, opzijzetting en herstelling der K.O.
3. Wezen — 2
Algemeene regelen voor de goede orde.
4. Gezag — 2
Gronden voor het gezag; geen consciëntie-bindend, maar kerkelijk gezag.

Art. 1 Doel en inhoud der Kerkenordening — 3-5
1. Doel der K.O. — 3
Om orde in de gemeente van Chr. te onderhouden; gegrond op 1 Cor. 14: 40; Lat. tekst: „wettelijke orde”; geen dwingend, maar regelend karakter; onderscheid tusschen gemeente en kerk.
2. De indeeling der K.O. — 4
Noodzakelijkheid der K.O. voor het wel-wezen der kerk; vier deelen.

|VIII|

I. Van de diensten

Art. 2 Aantal diensten — 6-10
1. De geschiedenis van het doctorenambt. — 6
Calvijn en het convent te Wezel, 1568, noemden vier ambten. Later doctoren en professoren in de Theologie vereenzelvigd.
2. Schrift en belijdenis over het aantal ambten. — 7
De Schrift kent maar drie ambten, Ef. 4: 11. Ook de confessie. Doctorenambt moet uit de K.O. geschrapt.
3. De beteekenis van het woord doctor. — 8
Als kerkelijk ambt in engeren zin; als professoraat in de theologie; en als wetenschappelijke graad.
4. Enkele hulpdiensten. — 9
Voetius over de hulpdiensten; 1 Cor. 12: 28 over behulpsels; bevoegdheid der kerken om ze in te stellen.

Art. 3 Noodzakelijkheid der wettelijke roeping — 10-15
1. Waarom ze noodig bleek. — 10
Wegens indringers, loopers en scheurmakers; synodale bepalingen tegen hen.
2. Wat de bepaling inhoudt. — 11
Wettelijke roeping noodig; beroep en ambt; apostolaat; elk ambt begrensd.
3. Voor wie ze geldt. — 12
Voor doctoren, professoren in de theologie, ouderlingen en diakenen. Doop van een privaat persoon of een ouderlingen; of een ouderling een huwelijk mag bevestigen; helpers als proponenten, oefenaars, krankenbezoekers, catechiseermeesters, voorlezers, enz.
4. De straf bij overtreding. — 14
Vermaning en bestraffing; geldt de scheurmakers zelf en hun aanhangers; met voorzichtigheid.

Art. 4 De beroeping dergenen die te voren in den dient niet geweest zijn — 15-24
Voor stads- en landskerken gelijk. De vocatio of roeping omvat vier deelen: — 15
1. De verkiezing. — 16
a. Vroeger na vasten- en bededag; vasten later vervallen; b. zij geschiedt door kerkeraad en diakenen; geen volkskeuze of vrije verkiezing; met medewerking der gemeente; op de Schrift gegrond; c. naar een plaatselijk reglement; geen stemrecht aan vrouwelijke leden, doopleden en

|IX|

gecensureerden; d. dat alleen zij, die praeparatoir-examen gedaan hebben, beroepbaar zijn; reden daarvoor; instelling van praeparatoir-examen; z.g.n. „zending” in Friesland; e. met advies der classe of van den consulent; advies is geen handopening, ook geen toestemming om te beroepen, maar controle; consulenten zijn raadgevers, hun bevoegdheid en werkzaamheid.
2. De examinatie of de onderzoeking. — 20
Dit is het peremptoir-examen; onderscheid tusschen praepartoir- en peremptoir-examen; vakken; afgenomen door de classe ten overstaan van de deputaten der part. synode; wie geëxamineerd moeten worden; Walchersche artikelen.
3. De approbatie of goedkeuring. — 22
De namen 14 dagen afgekondigd; bezwaar inzake leer, leven en ambtsgaven.
4. De confirmatie of bevestiging. — 23
Karakter der bevestiging. Voetius zonder bevestiging predikant geworden; geen Roomsche ordening; met handoplegging.

Art. 5 De beroeping van alreede in dienst zijnde predikanten — 24-30
Examen en handoplegging weggelaten. Collatie- of patronaatrecht geschrapt — 24
1. De beroeping tot een andere gemeente. — 25
Geoorloofd om wettige redenen; manier der beroeping; verkeerde praktijken; sollicitatie-stelsel; kerkelijke ordinantiën voor de beroeping van Gereformeerde predikanten uit andere landen; van Nederl. Hervormde predikanten; van predikanten uit kerken van min vaste formatiën; van Christelijk Gereformeerde predikanten; voor de tweede maal beroepen; advies van classe of consulent.
2. De approbatie of goedkeuring. — 28
In de gewone classe of door twee genabuurde kerken; de vijf stukken der approbatie.
3. De bevestiging. — 29
Bij verwisseling herbevestiging; geen handoplegging.

Art. 6 Dienaren in particuliere heerlijkheden, gasthuizen, enz. — 30-35
1. De noodzakelijkheid. — 30
Hofpredikers; gast- en weeshuispredikanten; gasthuis te Amsterdam.
2. Is zulk een hof-, gasthuis- en weeshuiskerk een zelfstandige kerk? — 31
Oorspronkelijk gevoelen; huisgemeenten in de Schrift; Voetius’ meening.

|X|

3. Door wie moet een Dienaar in een hof-, gasthuis- en weeshuiskerk gekozen worden? — 32
Twee lastgevers: kerkeraad en bestuur; regeling der bevoegdheid.
4. Is dit artikel op alle Christelijke gestichten van toepassing? — 32
Neen, alleen op gestichten, die zich onder den plaatselijken kerkeraad stellen; drieërlei mogelijkheid.
5. Mag in stichtingen het H.A. bediend worden? Ook aan niet-leden der kerk? En bij lijders aan besmettelijke ziekten met gebruikmaking van afzonderlijke bekertjes? — 34
Bepalingen van de synode van Leeuwarden, 1920.

Art. 7 Toewijzing van arbeidsterrein — 35-38
1. De historische wording. — 35
Tegen de losse predikanten of loopers; beroep op apostelen en evangelisten.
2. De regel. — 36
Verbintenis aan een bepaalde plaats, beroeping tot een bepaald arbeidsveld; bij Rome „wandelende Levieten”; de z.g.n. zending in Friesland.
3. De uitzondering. — 37
Oorspronkelijk twee uitzonderingen. Later alleen „kerken vergaderen”.

Art. 8 Toelating van niet-gestudeerden tot het predikambt — 38-43
1. De noodzakelijkheid van art. 8. — 38
Om drie redenen. Spoedig private proposities. Toegankelijk voor ongestudeerden van „goet verstandt”; juiste vertaling van den oorspronkelijken tekst.
2. De bedoeling van art. 8. — 40
Regel: geen ongestudeerden toelaten; uitzondering: tenzij mannen met singuliere gaven: godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand, discretie, en welsprekendheid.
3. De toepassing van art. 8. — 41
De generale regeling van de synode van Dordrecht, 1893. Herhaald verzoek om toelating.

Art. 9 Toelating van nieuwelingen, enz. — 43-44
1. De nieuwelingen. — 43
2. De Mispriesters. — 44
3. De Monniken. — 44
4. De Wederdoopers, enz. — 44

Art. 10 Vertrek van de eene naar de andere gemeente 44-49
1. De wettelijke roeping met of zonder conditie. — 45
Vroeger: dienen op proef. Later: beroepen voor altijd.

|XI|

2. De gemeente verlaten en elders een beroeping opvolgen. — 45
3. Zonder bewilliging des Kerkeraads. — 46
Bewilliging noodig. De band tusschen dienaar en gemeente is bilateraal. Overleg vereischt.
4. Voorweten der classe. — 48
Voorweten is toestemmen, bewilligen.
5. Wettelijk getuigenis zijns afscheids. — 48
Acte van ontslag. Datum van ontslag.

Art. 11 Onderhoud en ontslag des Dienaars — 49-53
1. De verplichting tot onderhoud. — 49
Bij de reformatie aanstonds erkend. Op de Schrift gegrond. Door den Kerkeraad uit te voeren. Kerkcollecten, contributies en zitplaatsengelden. Geen zitplaatsen-verhuring. Gezinsbanken.
2. De verplichting om hen niet eigenmachtig uit hun dienst te ontslaan. — 52
Eigensoortig geval. Vroegere verplaatsing. Thans ontslag van den dienst. Wachtgeld. Met kennis en approbatie van de classe en van de deputaten der part. synode.

Art. 12 Overgang tot een anderen staat des levens — 54-57
1. Het beginsel van levenslangen dienst. — 54
Bij Rome; bij de Dooperschen; en bij de Gereformeerden.
2. De regel, dat het een dienaar niet geoorloofd is, zich tot een anderen staat des levens te begeven. — 54
„Staat des levens” in ruimeren en engeren zin. Valt niet onder de tucht over ambtsdragers. In ergerlijke gevallen wel onder de gewone tucht.
3. De uitzondering: tenzij om groote en gewichtige oorzaken, waarvan de classe kennis nemen en oordeelen zal, welk oordeel de classe niet zal uitspreken zonder kennis en approbatie van de Deputaten der Part. synode. — 56
Welke deze „groote en gewichtige oorzaken” zijn is niet „nader te omschrijven”, „omdat de gevallen daarvan te onderscheiden zijn, en elk geval afzonderlijk moet behandeld worden”, Acta van Leeuwarden, 1920, art. 105, 4º. In den regel met verlies van „naam en eere”, want rechtens komt het behoud van den naam en de eere alleen aan emeriti toe (art. 13) en „als voorrecht en bij wijze van uitzondering alleen aan zulke dienaren, die geroepen worden tot een anderen dienst ten bate der kerken

|XII|

in het gemeen, of tot een zoodanigen arbeid, die een geestelijk karakter draagt en met de roeping tot de verkondiging van het Evangelie in verband staat”, Acta van Leeuwarden, 1920, art. 105, 6º en 106. De beslissing staat bij de classe, maar „niet zonder voorkennis en approbatie (goedkeuring) van de Deputaten der Particuliere Synode.”

Art. 13 Het emeritaat — 58-63
1. De emeriteering. — 58
De reden ligt in onbekwaamheid (inhabiel) wegens ouderdom, ziekte of anderszins (invaliditeit, gebreken, ongelukken, enz.). Later kwamen er andersoortige gevallen bij, nl. dat der profs. in de theologie en dat van de geestelijke verzorgers. Het karakter van het emeritaat is vrijstelling van dienstwerk met behoud van naam en eere. De gevolgen zijn: ontslag van de verplichting tot zijn dienstwerk met behoud van de bevoegdheid daartoe. De wijze der emeriteering.
2. De verzorging der emeriti. — 61
a. Het beginsel; b. het karakter; en c. de maatstaf der verzorging.

Art. 14 Tijdelijk ontslag uit den dienst — 63-66
1. Wat is het karakter van tijdelijk ontslag? — 64
2. Om welke oorzaken het mogelijk is. — 64
3. Bij wie de beslissing berust. — 65
4. Dat zij ten allen tijde de beroeping der Gemeente onderworpen zijn en blijven. — 65

Art. 15 Het prediken op andere plaatsen — 66-69
1. Reizende predikanten. — 67
2. Het waarnemen van een dienst in een andere kerk. 68

Art. 16 Het ambt der Dienaren — 69-73
De beteekenis van het woord ambt — 69
1. Hun taak als dienaren des Woords. — 70
2. Hun taak als mede-ouderlingen. — 70
3. Hun helpers, nl. de oefenaars, de catechiseermeesters en de voorlezers. — 71

Art. 17 Gelijkheid in het ambt — 73-76
1. Onder de Dienaren des Woords zal gelijkheid gehouden worden. — 74
2. Waarin die gelijkheid bestaat. — 75
3. Hoever deze gelijkheid gaat. — 76

|XIII|

Art. 18 Het ambt der Doctoren — 77-79
1. De vroegere opleiding. — 77
2. Hun ambt of taak. — 78
3. Het kerkelijk toezicht op het theologisch onderwijs. — 78

Art. 19 Het onderhoud van hulpbehoevende studenten — 79-82
1. Wie moeten er voor zorgen? — 80
2. Wie moeten ondersteund worden? — 81
3. Op welke wijze? — 82

Art. 20 De Propositiën — 82-87
1. De private propositiën ter opleiding tot het predikambt. — 82
2. De kerkelijke positie der proponenten. — 84

Art. 21 De kerkelijke zorg voor de scholen — 87-93
1. De vroegere kerkelijke zorg voor de scholen. — 87
2. Het kerkelijk toezicht op onze Christelijke scholen. — 90

Art. 22 De verkiezing der Ouderlingen — 93-103
Oefening en examinatie der ouderlingen? — 94
1. De verkiezing der ouderlingen. — 95
a. Wie verkozen mogen worden. b. Bij wie het recht der verkiezing berust (aristocratische, aristocratisch-democratische, en democratische manier). c. Wie stemgerechtigde lezen zijn. d. Op welke wijze de stemming moet plaats hebben.
2. De approbatie of goedkeuring der gemeente. — 100
3. De bevestiging in het ambt. — 102

Art. 23 Het ambt der Ouderlingen 103-108
1. De regeering en tucht. — 103
2. Het opzicht over de mede-ambtsdragers. — 105
3. Het huisbezoek. — 106
Wie moet het doen; wanneer het moet geschieden; wat het bedoelt; of de ouderlingen bezoldigd mogen worden.

Art. 24 De verkiezing der Diakenen — 109-113
1. Het karakter van het diakenambt. — 109
2. De vereischten voor het diakenambt. — 110
3. De diaconale zorg en de particuliere barmhartigheid. — 111
4. De z.g.n. diaconessen. — 112

|XIV|

Art. 25 Het ambt der Diakenen — 113-119
1. Het voorkomen van armoede. — 113
2. Het verzamelen der gaven. — 114
3. Het uitdeelen der gaven. — 116
4. Het bezoeken der armen. — 118
5. De verantwoording. — 118

Art. 26 Correspondentie met andere lichamen voor armenzorg — 119-122
1. De vroegere correspondentie met andere lichamen. — 119
2. De diaconie en de nieuwe armenwet. — 121

Art. 27 Diensttijd der Ouderlingen en Diakenen 123-128
1. Iets over de geschiedenis dezer bepaling. — 123
Van Calvijn afkomstig. In Genève reeds vaste aftreding, met continuatie der bekwaamsten voor een bepaalden tijd. In de Nederl. kerken als regel: vastaftreding om de twee jaar; als uitzondering: òf continuatie òf herkiezing. Levenslangen dienst niet ingevoerd. Utrecht, 1905: twee of meer jaren dienen en bij uitzondering alleen herkiezing.
2. De diensttijd van ouderlingen en diakenen. — 125
Naar plaatselijke regeling: twee of meer jaren bijv. drie, vier of vijf jaren dienen.
3. De regel der periodieke aftreding. — 126
De gronden daarvoor. Verkiezing van een zittend of aftredend diaken tot ouderling is geoorloofd.
4. De uitzondering der herkiezing. — 128
Wanneer herkiezing geoorloofd is. Vroegere continuatie. Later alleen herkiezing.

Art. 28 De correspondentie met de Overheid — 129-132
1. De roeping der Overheid jegens de kerken. — 130
2. De roeping der kerken jegens de Overheid. — 131

 

II. Van de kerkelijke samenkomsten.

Art. 29 Vierderlei samenkomsten — 133-137
1. Hoe ze ontstaan zijn. — 133

|XV|

2. Naam en karakter. — 134
Kerkeraad, classe (parochie, conventus, coetus); particuliere (provinciale) synode; generale of nationale synode.
3. Zijn er nog andere kerkelijke samenkomsten? — 135
Bijv. vergaderingen met de gemeenteleden (z.g.n. gemeentevergaderingen); vergaderingen van alle Gereformeerde kerken rechtstreeks (general assembly); oecumenische synode. Karakter van de synode te Dordrecht, 1618-’19.

Art. 30 Bevoegdheid der kerkelijke vergaderingen — 138-142
1. Wat er behandeld mag worden. — 138
Alleen kerkelijke zaken. Geen maatschappelijke, politieke, militaire, wetenschappelijke en rechterlijke zaken. Zie 1 Cor. 6: 1-8.
2. De wijze der behandeling. — 140
3. De bevoegdheid der meerdere vergaderingen. — 140
Meerdere en mindere vergaderingen.

Art. 31 Hooger beroep — 142-148
1. Hooger beroep. — 142
Hooger beroep is mogelijk; in welk geval; bij welke vergadering; tot welken termijn; op welke wijze; of een besluit hangende het appèl uitgevoerd mag worden; en of een meerdere vergadering de besluiten eener mindere vergadering mag casseeren (vernietigen).
2. De geldigheid van de besluiten der meerderheid. — 146
Gemeen accoord. Gegrond op de Schrift. Uitzonderingen op dien regel, nl. als ze strijden met Gods Woord of met de artt. der K.O.

Art. 32 Aanvang en sluiting der handelingen — 148-151
1. Noodzakelijkheid van gebed en dankzegging. — 148
2. Moet er een vrij of formuliergebed gebezigd worden. — 149
3. Voorlezing der Schrift bij den aanvang der kerkelijke samenkomsten en het gebed in de consistorie vóór den Dienst des Woords. — 150

Art. 33 Credentie-brieven, Instructiën en het recht van keurstem — 151-155
1. Credentie-brieven. — 152
Wie moeten ze afgeven? Welk karakter dragen ze? In welken vorm?
2. Instructiën. — 154
Karakter en inhoud (mandat impératif?) der instructiën.

|XVI|

3. Het recht van keurstem. — 154
Wie hebben keurstem? Kleeft het in het ambt of rust het op de afvaardiging? Komt het zittings- en stemrecht ook aan de Theol. professoren toe?

Art. 34 Het Moderamen — 156-159
1. De noodzakelijkheid. — 156
Bestaat uit praeses en scriba en voor de meerdere vergaderingen een assessor. Geen permanent bestuur. Mag een emeritus-dienaar er in gekozen worden?
2. De taak van den scriba. — 157
Wat moet hij opteekenen? Wat zijn handelingen; wat notulen; en wat Acta? Vaststelling der notulen en Acta. Inzage der Acta.

Art. 35 Het ambt van den praeses — 159-162
1. De taak van den praeses. — 159
2. De duur van het praesidium. — 161
Wat is een actuarius; en wat een classicale en synodale kerk?

Art. 36 Het gezag der meerdere vergaderingen over de mindere — 162-166
1. Het veronderstelt een zeker gezag van de meerdere vergadering over de mindere. — 162
Gegrond op de Schrift.
2. Het karakter van het gezag der meerdere vergaderingen over de mindere. — 164
3. Andersoortig karakter van het gezag der meerdere vergaderingen over de mindere als dat van den kerkeraad over de gemeente. — 165

Art. 37 Van den kerkeraad — 166-171
1. Dat er in alle kerken een kerkeraad moet zijn. — 166
Elke plaatselijke kerk een zelfstandige kerk en moet een kerkeraad (presbyterium d.i. ouderlingschap) hebben, die uit dienaren en ouderlingen (smalle kerkeraad), soms ook met de diakenen (breede kerkeraad), bestaat.
2. Hoe dikwijls moet een kerkeraad vergaderen. — 168
Vrije toegang voor de gemeente?
3. Het praesidium. — 169
Naast den praeses ook een scriba. — 169
4. De taak van den (smallen en van den breeden) kerkeraad. — 170
Ineensmelting.

Art. 38 Van de nieuw op te richten en kleine kerkeraden 171-176
1. Nieuw op te richten kerkeraden. — 172
Of van nieuws,

|XVII|

òf voor het eerst. Met advies der classe. Ontbindbaarheid eener kerk. Instelling der ambten. Uit hoeveel personen moet een kerkeraad bestaan?
2. De zitting van diakenen in kleine kerkeraden. — 174
Wanneer geoorloofd en wanneer noodzakelijk? Volgens kerkelijk recht. Smalle en breede kerkeraad.
3. Iets over correspondentie en combinatie. — 175

Art. 39 Waar nog geen kerkeraad is — 177-179
1. Hoe het vroeger op zulke plaatsen toeging. — 177
2. Inhoud en strekking dezer bepaling. — 178

Art. 40 De diaconale vergadering — 179-184
1. De taak der diaconale vergadering. — 180
2. Het opzicht over en de leiding van de diaconale vergadering. — 182
3. De diakenen en de meerdere vergaderingen. — 183
Meerdere vergaderingen van diaconieën? Afvaardiging naar de classis? Diaconale zaken op de classe brengen.

Art. 41 Classicale vergaderingen — 184-192
1. De instelling der classen. — 184
Uit hoeveel kerken bestaat een classe? Wat zijn preekringen?
2. Het karakter der classen. — 186
Credentie- of geloofs- d.i. lastbrieven. Classis-contracta.
3. De wijze van samenkomst. — 187
Wie moeten er afgevaardigd worden? Afvaardiging bij toerbeurt of bij vrije stemming. Kleine kerken aan groote kerken gelijk?
4. Tijd en plaats van samenkomst. — 188
Tijd: minstens elke drie maand. Classicale of roepende kerk. Plaats: die ’t best te bereiken is.
5. De leiding der vergadering. — 189
De dienaars presideeren. Naar toerbeurt. Ook een scriba. Van een assessor is geen sprake.
6. De werkzaamheden der classe. — 190
Vroegere korte predikatie of propositie. De vragen, die gesteld moeten worden.

Art. 42 Meer predikanten van een kerk in de classe — 192-195
1. De oude redactie. — 192
Meer predikanten van één plaats vroeger keurstem.
2. De nieuwe redactie. — 193
Meer predikanten van één plaats slechts adviseerende stem.

|XVIII|

Art. 43 Onderlinge censuur op de classen enz. — 195-196

Art. 44 De kerkvisitatie — 197-202
1. De instelling der kerkvisitatie. — 197
2. De benoeming der visitatoren. — 198
Wie benoemt ze? Alleen predikanten of ook ouderlingen? Hoeveel en wie? Op welke wijze?
3. Tijd en wijze der visitatie. — 199
Alle jaar. Te voren aan de gemeente bekend maken. Praesidium bij den praeses van den kerkeraad. Bij stads- en landskerken.
4. De taak der visitatoren. — 201

Art. 45 De zorg voor de Acta — 202-203
1. De zorg voor de Acta. — 202
2. De zorg voor de archieven. — 202

Art. 46 Instructiën voor de meerdere vergaderingen — 204-206
1. Het ontstaan van dit artikel. — 204
2. Het doel der bepaling. — 205
3. Op welke manier kunnen de kerkelijke zaken op de meerdere vergaderingen aan de orde gesteld worden? — 205
Bij wijze van hooger beroep; van rondvraag naar art. 41; van instructie, art. 46; van gravamen; van voorstel. Maar ze moeten op concrete punten betrekking hebben. Mag een lid der gemeente zich rechtstreeks tot een meerdere vergadering wenden?

Art. 47 De particuliere synoden — 207-213
1. De instelling en indeeling der particuliere synoden. — 207
2. Tijd en plaats van samenkomst. — 208
3. Karakter en samenstelling. — 209
4. De orde van samenkomen. — 212
5. Aanwijzing der roepende kerk. — 213
6. Sluiting der handelingen met dankzegging. — 213

Art. 48 De correspondentie — 213-215
1. De instelling der correspondentie. — 213
2. De manier der correspondentie. — 214
3. De bedoeling der correspondentie. — 215

Art. 49 De Deputaten — 215-222
1. De instelling van het deputaatschap. — 216
2. De benoeming van deputaten. — 217

|XIX|

3. De taak der deputaten. — 217
a. De uitvoering der synodale besluiten. b. Het bijstaan der classen in voorvallende zwarigheden. c. Het bijwonen van alle peremptoire examens.
4. De bevoegdheid der deputaten. — 220

Art. 50 De Nationale Synode — 222-229
1. De tijd van samenkomst. — 222
Regel: om de drie jaren. Uitzondering: als de nood het eerder vordert.
2. Afvaardiging naar de synode. — 224
Wie afvaardigt? Wie afgevaardigd worden? Bij vrije stemming of naar toerbeurt? Synode geheim of publiek?
3. Samenroeping der synode. — 226
4. De wijze van werken. — 227
Op de synode van Dordrecht, 1618-’19. Thans voor verschillende groepen van zaken afzonderlijke commissies.

Art. 51 Verband tusschen de Indische en Nederlandsche Gereformeerde kerken — 229-234
1. De oude redactie van art. 51. — 229
De geschiedenis der vroegere Waalsche kerken beknopt weergegeven.
2. De nieuwe redactie van art. 51. — 232
De Gereformeerde kerken van Europeanen in Ned. Indië.

Art. 52 De regeling der kerkelijke zending — 234-235
1. De oude redactie van art. 52. — 234
2. De nieuwe redactie van art. 52. — 235

 

III. Van de leer, de sacramenten en andere ceremoniën.

Art. 53 Onderteekening der belijdenis door de Dienaren des Woords, enz. — 236-241
1. Het Formulier voor de Dienaren des Woords. — 237
2. Het Formulier voor de Professoren in de Theologie. — 239
3. Het Formulier voor de Rectoren en de Schoolmeesters. — 240

|XX|

Art. 54 De onderteekening door ouderlingen en diakenen en proponenten — 241-243
1. De onderteekening door ouderlingen en diakenen. — 241
2. De onderteekening door de proponenten. — 242

Art. 55 De boekencensuur — 243-246
1. De oude redactie. — 243
2. De nieuwe redactie. — 245

Art. 56 De bediening des Doops — 247-258
1. Aan welke kinderen de Doop bediend moet worden. — 247
Aan de kinderen der Christenen. Mogen kinderen van Roomsche, onverschillige, gecensureerde en geëxcommuniceerde ouders gedoopt worden? Ook onechte en geadopteerde kinderen en kinderen van doopleden?
2. Door wie de Doop bediend moet worden. — 251
Door den Dienaar des Woords. Vragen: is de doop door gewone leden, door catechiseermeesters en ziekentroosters, door ouderlingen en diakenen, door proponenten, door afgezette en gewezen-predikanten bediend, wettig? Voorts is de doop a. van de Roomschen, b. van de Lutherschen, Wederdoopers, Socinianen en Remonstranten, c. de doop op plaatsen, waar geen Gereformeerde kerk is, bijv. van Roomschen en Lutherschen, en d. de ketterdoop wettig?
3. Wanneer de Doop bediend moet worden. — 255
Zoo spoedig mogelijk. Volgens de Schrift. Sinds de 2e eeuw uitstel. De Roomsche vroegdoop. Het standpunt der Hervormers. Wachten op de moeder. Doopen in den vóór- of namiddagdienst.
4. Waar moet de doop toegediend worden? — 257
In de openbare samenkomst. Is huis-doop geoorloofd?

Art. 57 Vaders en Getuigen — 258-261
1. Het optreden der vaders bij den doop. — 258
Bij Rome: getuigen in plaats van de ouders. Bij de Gereformeerden: de ouders voorop en getuigen slechts naast de ouders geduld. Wachten op herstel der moeder is geen wettige oorzaak van uitstel. Wat beteekent: ten doop presenteeren?
2. Het optreden van getuigen naast de ouders. — 261
Als borgen voor de opvoeding. In de 18e en 19e eeuw langzaam afgeschaft.

|XXI|

Art. 58 Doopsformulieren — 262-264
1. Het formulier voor den kinderdoop. — 262
2. Het formulier voor den volwassendoop. — 263

Art. 59 Bejaardendoop en Avondmaal — 264-267
1. Welke is de grens tusschen den kinder- en den volwassendoop? — 264
Tot welken leeftijd mag een kind als kind gedoopt worden?
2. Is een volwassen gedoopte verplicht terstond ten Avondmaal te gaan? — 265
3. Welke twee hoofdzaken bevat dit artikel? — 266

Art. 60 Doopregisters — 267-269
1. Welke namen mogen (aan een kind) gegeven worden? — 267
2. De naam en tijd des doops moet zorgvuldig ingeboekt worden. — 268

Art. 61 Toelating tot het H. Avondmaal — 269-277
1. De toelating tot het Avondmaal in eigen kerk. — 270
De toegang niet vrij voor alle gedoopten. Er moet eerst belijdenis des geloofs plaats hebben. Deze is geen „aanneming tot lidmaat”. Ze zijn reeds „lidmaten” en moeten als zoodanig gedoopt worden. Het onderzoek voor de belijdenis. De belijdenis publiek voor de gemeente. Nog geen kerkelijk-vastgestelde vragen voor de openbare belijdenis. Toelating van personen uit andere kerkelijke kringen afkomstig.
2. De toelating van lidmaten uit andere Gereformeerde kerken. — 273
Ze geschiedt op vertoon van attestatie. Enkele vragen: 1e moet de attestatie overgezonden of door de leden zelf ingeleverd worden? 2e Moet een kerkeraad elke attestatie van een anderen kerkeraad aanvaarden? 3e Hoe oud mag een attestatie wezen? 4e Mogen schippers, ter plaatse waar zij liggen, tot het Avondmaal toegelaten worden? 5e Mag men een attestatie aanvaarden van kerken, die niet tot het kerkverband behooren?

Art. 62 De wijze der Avondmaalsviering — 277-281
1. De middelmatige dingen. — 277
1e Of men het Avondmaal staande, zittende of gaande zal gebruiken? 2e Of men onder de bediening uit de Schrift zal lezen of psalmen zingen. Ook een toespraak? 3e Welke Avondmaalsformule gebruikt moet worden?

|XXII|

2. De noodzakelijke dingen. — 280
De breking des broods. Gewoon brood. De beker des wijns. Afzonderlijke bekers geoorloofd? Maatregelen bij besmettelijke ziekten.
3. Het lezen van het Formulier, mitsgaders het gebed. — 281
Vroeger voor de tafel. Thans vrijgelaten.

Art. 63 De tijd der Avondmaalsviering — 282-284
1. De tijd der Avondmaalsviering. — 282
Aanvankelijk elken rustdag. Bij Rome éénmaal in het jaar. Calvijn: wekelijks of minstens tweemaandelijks. Door de kerken in de 16e eeuw elke twee, later ten minste elke twee of drie maanden.
2. De voorbereiding en dankzegging. — 283
Al vroeg een voorbereiding en een voorbereidingspredikatie. De dankzegging werd vrijgelaten. Wel nuttig geacht, maar niet bindend voorgeschreven. Is een offergave goed te keuren?

Art. 64 De plaats der Avondmaalsviering — 285-286
1. Het oude artikel van de Avondgebeden. — 285
Navolging van den Roomschen vesperdienst. In de 17e eeuw langzaam afgeschaft.
2. De plaats der Avondmaalsbediening. — 285
Mag niet bediend worden waar nog geen gemeente is. Ook niet in particuliere huizen, aan zwakken en kranken, maar alleen in een openlijke samenkomst der gemeente. Volgens besluit der synode van Leeuwarden, 1920, art. 25, wel op verzoek in stichtingen, aan verpleegden en verplegers, die leden eener Gereformeerde kerk zijn, enz.

Art. 65 Afschaffing van Lijkpredikatiën — 287-288
1. De lijkpredikaties. — 287
Onderscheid tusschen de vroegere lijkpredikaties en de tegenwoordige toespraken bij een begrafenis.
2. Het klokluiden. — 288
Van Rome afkomstig. Tegenwoordige beteekenis.
3. Begrafenis, geen lijkverbranding. — 288
Begrafenis een oud-christelijk gebruik. Lijkverbranding van heidenschen oorsprong.

Art. 66 Vast- en Bededagen — 289-290
1. De vroegere vast- en bededagen. — 289

|XXIII|

2. De tegenwoordige bededagen. — 289
Het vroegere vasten weggelaten. Vroeger door de overheid, thans door een classe uit te schrijven.

Art. 67 Christelijke Feestdagen — 290-294
1. De aanvankelijke overtuiging der kerken inzake de feestdagen. — 290
2. De latere concessies aan de overheid. — 291
Eerst alleen de eerste Kerst-, Paasch- en Pinksterdagen toegelaten. Maar al spoedig onder invloed van de overheid ook de tweede Kerst-, Paasch- en Pinksterdagen; en in sommige plaatsen ook Nieuwjaars- en Hemelvaartsdag, wel niet goedgekeurd, maar toch toegelaten.
3. De Goede Vrijdag. — 292
In de oud-christelijke kerk de Woensdag en Vrijdag als vastendag gevierd. Bij Rome de Goede Vrijdag een halve feestdag. Bij de Lutherschen een Avondmaalsdag. Bij de Gereformeerden verzet tegen de feestdagen, vooral tegen den Goeden Vrijdag. De Remonstranten rekenden hem onder de Christelijke feestdagen. Bij de Ned. Herv. kerk een bijzonder gewijde dag, waarop het Avondmaal gevierd moet worden. Door sommige Gereformeerde kerken thans met de tweede feestdagen op één lijn gesteld en door een avonddienst onderhouden.

Art. 68 Catechismusprediking — 294-297
1. De invoering der Catechismusprediking. — 294
2. De bedoeling dezer bepaling. — 296

Art. 69 Psalmen en Gezangen — 297-304
1. De Psalmen. — 297
Berijming van Petrus Datheen, 1566; en van Marnix van St. Aldegonde, 1580. De tegenwoordige berijming, door de Algemeene Staten in 1775 ingevoerd.
2. De Gezangen. — 299
Enkele gezangen reeds in de berijming van Datheen. Bezwaren tegen de gezangen. Drang om het kerkgezang aan te vullen met een nieuwen bundel gezangen. Besluiten der synode van Leeuwarden, 1920.
3. Het orgelspel. — 302
Vroeger geen begeleiding van het kerkgezang, maar vóór en na de predikatie een soort orgelconcert. Bezwaren daartegen. Na Constantijn

|XXIV|

Huygens in de 2e helft der 17e eeuw kentering. Orgelspel mag het gezang niet overheerschen, maar moet dat ondersteunen en dienen.

Art. 70 Kerkelijke Huwelijksbevestiging — 304-309
1. De kerkelijke huwelijksbevestiging behoort te geschieden. — 304
Drie stadia: verloving; burgerlijke voltrekking; kerkelijke bevestiging.
2. De wijze der kerkelijke huwelijksbevestiging. — 306
Vroeger zonder, na 1566 volgens het Formulier.
3. Toezicht op de huwelijksbevestiging. — 306
a. Moet ze te voren afgekondigd worden? b. Door wie moet ze geschieden? c. In welken graad van bloedverwantschap mag de kerkelijke bevestiging plaats hebben? d. Mag een huwelijk met een ongedoopte kerkelijk bevestigd worden? e. En een gemengd huwelijk? f. Is een huwelijk met een wettig gescheiden man of vrouw geoorloofd?

 

IV. Van de censuur en kerkelijke vermaning.

Art. 71 De kerkelijke censuur — 310-313
1. Het karakter der tucht. — 310
Geen burgerlijke, maar een Christelijke straf. Zij draagt een geestelijk karakter.
2. De noodzakelijkheid der tucht. — 311
a. Oudtest. ban. b. Synagogale tucht. c. Sleutelmacht der apostelen. d. Tucht in de gemeente des N.T.
3. Het voorwerp der tucht. — 312
a. De belijdende leden; b. de gedoopte leden; c. het toezicht op Gereformeerde vereenigingen (jongelings-, schoolvereenigingen, enz.)
4. Het doel der tucht. — 313

Art. 72 De oorzaken der tucht en de heimelijke zonden — 314-317
1. De oorzaken der tucht. — 314
Dwaling in de leer of in het leven. Karakter van een tuchtwaardige dwaling.

|XXV|

2. De regel van Matth. 18. — 315
Eerst een vermaning onder vier oogen; daarna onder twee of drie getuigen; en, zoo deze niet baat, de kerkelijke vermaning.

Art. 73 De heimelijke zonden — 317-320
1. Dat de tucht in de gemeente moet wortelen. — 318
2. Dat er onderscheid is tusschen heimelijke en openbare zonden. — 318
3. Dat heimelijke zonden, waarvan de zondaar berouw heeft, niet tot den kerkeraad gebracht zullen worden. — 319

Art. 74 Aangifte bij den kerkeraad — 320-323
1. In welke gevallen de zonde aan den kerkeraad aangegeven moet worden. — 320
2. Op welke wijze de kerkeraad kennis krijgt van de zonde. — 321
3. Wat het doel van deze kennisgeving aan den kerkeraad is. — 321

Art. 75 De verzoening — 323-327
1. In welke gevallen de kerkelijke verzoening moet plaats hebben. — 324
2. Op welk vereischte de verzoening moet geschieden. — 324
3. Of de verzoening openbaar voor de gemeente of alleen voor den kerkeraad moet geschieden. — 325
4. De vorm en manier der verzoening. — 327

Art. 76 De afhouding van het Avondmaal — 327-333
1. In welke gevallen de afhouding van het Avondmaal plaats heeft. — 328
2. Welk karakter die afhouding draagt. — 329
Geen „eenvoudige of voorloopige”, maar een „disciplinaire afhouding”.
3. Wat er moet geschieden in geval van boetvaardigheid na de afhouding. — 331

Art. 77 De afsnijding — 333-338
1. Het verloop der tucht van de censuur tot de afsnijding. — 334
De drie trappen van censuur: de eerste is de vermaning zonder naam; de tweede is de vermaning met uitdrukking van den naam, maar eerst nadat het advies der classe gevraagd is; de derde is de mededeeling van het besluit der afsnijding, tenzij hij zich alsnog bekeere.

|XXVI|

2. De afsnijding zelve. — 337
Excommunicatie, ban, afsnijding. Ban volgens het Formulier en den H. Cat. Tijd tusschen de vermaningen.

Art. 78 Wederopneming van den afgesnedene — 338-341
1. Op welke voorwaarde ze plaats heeft. — 339
2. Dat ze met medewerking der gemeente moet geschieden. — 339
3. De manier, waarop zij moet geschieden. — 340

Art. 79 Censuur over Kerkedienaren — 341-346
1. De noodzakelijkheid. — 342
2. De manier der tucht over de ambtsdragers. — 343
Vier gevallen: 1e De schorsing van Ouderlingen en Diakenen. 2e De afzetting van Ouderlingen en Diakenen. 3e De schorsing van D.d.W. 4e De afzetting van D.d.W.

Art. 80 Openbare grove zonden — 346-350
1. Oorsprong van dit artikel. — 346
2. Karakter dezer grove zonden. — 347
3. Is herstelling in het ambt mogelijk? — 348
Door wie en op welke wijze? Tucht over Proponenten en Emeriti.

Art. 81 Christelijke censuur — 350-352
1. Hoe ze in gebruik kwam. — 350
2. Wanneer ze moet plaats hebben. — 351
3. Waarover ze gaan moet. — 351
4. Op welke manier ze moet geschieden. — 351
5. Wat de bedoeling moet wezen. — 352

Art. 82 De Attestatiën — 352-355
1. Aan wie ze afgegeven moet worden. — 352
2. Door wie ze geschreven moet worden. — 353
3. Wat er op de attestatie moet voorkomen. — 354
4. Hoe ze gewaarmerkt moet zijn. — 354
5. Enkele belangrijke vragen. — 355

Art. 83 Vertrekkende armen — 355-358
1. Hoe de bepaling ontstaan is. — 355
2. Welke verplichting de kerken hebben jegens de armen, die om genoegzame oorzaken vertrekken. — 356
3. Wie deze armen verzorgen moet. — 357
Mandeelige huisgezinnen.

|XXVII|

Art. 84 Geen heerschappij — 358-360
1. Het ontstaan dezer bepaling. — 358
2. De bedoeling van deze bepaling. — 359

Art. 85 Buitenlandsche kerken — 360-362
1. Dat deze bepaling oorspronkelijk bij de artikelen over Doop en Avondmaal stond. — 360
2. Wat zijn in kerkelijken zin middelmatige dingen? — 361
3. Dat wij buitenlandsche kerken met andere gebruiken in middelmatige dingen niet verwerpen. — 362

Art. 86 Wijziging der Kerkenordening — 362-363
1. Dat de K.O. met gemeen accoord is aanvaard. — 362
2. Dat de K.O. veranderd mag worden. — 363
3. Dat de K.O. naarstig onderhouden moet worden. — 363

|XXVIII|

Jansen, Joh. (1976) Inl.

|1|

Inleiding.

 

Naam. De naam Kerkenordening dateert van de synode van Middelburg, 1581. Vóór dien tijd sprak men eenvoudig van Artikelen of Acta der synode. Maar de synode van Middelburg, 1581, voegde bij wijze van excerpt of kort uittreksel de artikelen, die van algemeene strekking waren en voor alle kerken belang hadden, samen en noemde die corpus disciplinae ofte kerckenordeninghe, om daarop de approbatie (goedkeuring) der overheid te verkrijgen. De volgende synode, te ’s-Gravenhage, 1586, breidde dien titel wat uit en stelde tot opschrift: Kerckenordeninghe der Nederlandtsche Gereformeerde Kercken enz. De synode van Dordrecht, 1618-’19, liet deze bijvoeging echter weer weg. Dit was jammer, omdat er zoo duidelijk in uitkwam, dat we hier met een Kerkenordening der Gereformeerde kerken van Nederlandsche afkomst te doen hebben. Maar het woord Kerkenordening bleef behouden en bleef gelden totdat de synode van Utrecht, 1905, tot den ouden titel van 1586 terugkeerde en weer als opschrift stelde: Kerkenordening van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

In Kerkenordening is kerken geen meervoud (dus niet: ordening der kerken), maar een zwakke 2e naamval enkelvoud, evenals in de verwante woorden Kerckenraet en Kerckendienaar, d.i. raad en dienaar van een kerk. Het enkelvoud kerk mag hier echter niet in collegialistischen zin worden opgevat, alsof de gezamenlijke kerken in heel het land één groote landskerk zouden vormen. Het heeft hier adjectieve (bijvoegelijke) beteekenis (gelijk duidelijk blijkt uit den Latijnschen titel: „ecclesiastici ordinis articuli”, d.i. artikelen van de kerkelijke orde), en wil dus zeggen, dat het geen staatkundige of maatschappelijke of burgerlijke verordening is, maar een kerkelijke ordening, d.i.

|2|

een orde van kerkelijken aard. Wij geven aan den ouden vorm „Kerkenordening” de voorkeur, boven de nieuwere vormen Kerkeordening, Kerkenorde en Kerkorde, omdat de oude vorm in de officieele uitgave door onze kerken gehandhaafd is.

Geschiedenis. De Kerkenordening is voorbereid op het convent te Wezel, 1568; en aanvankelijk vastgesteld, nader herzien en bevestigd op de synoden van Embden 1571; Dordrecht 1574; Dordrecht 1578; Middelburg 1581; ’s-Gravenhage 1586; en Dordrecht 1618-’19. Zij bleef bijna twee eeuwen formeel van kracht, nl. van 1618-’19 tot 1816; werd daarna door het collegialistisch reglement op zij gezet van 1816-1834; maar werd, eerst door de Christelijk Afgescheiden Kerk van 1834, en later door de Nederduitsch Gereformeerde Kerken van 1886 aanvankelijk weer hersteld en sinds de vereeniging van deze beide groepen in 1892 weer als regel voor het kerkelijk leven aanvaard.

Wezen. De Kerkenordening bevat de algemeene regelen voor de goede orde van het kerkelijk leven en moet dan ook van kerkelijke besluiten (decreten) en gewoonten wel onderscheiden worden. Een kerkelijk besluit geeft de toepassing van een algemeen beginsel op een concreet geval. En een gewoonte is een of ander gebruik, dat door langdurige onderhouding een zekere stabiliteit (vastheid) gekregen heeft. Maar een Kerkenordening bevat slechts algemeene regelen, geldig voor alle kerken, die tot het kerkverband behooren.

Gezag. Het gezag der Kerkenordening rust op het gebod van onderwerping aan de ambtsdragers. Gelijk de kinderen gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de ouders, Ef. 6: 1-3; Col. 3: 20; en de onderdanen aan de overheid, Rom. 13: 1-7, zoo vordert de Heere ook gehoorzaamheid aan de kerkelijke machten, gelijk blijkt uit Matth. 16: 19; 18: 18; Joh. 20: 21, 23; Hand. 15: 27-29; en vooral uit Hebr. 13: 7 en 17: „Zijt uwen voorgangers gehoorzaam en zijt hun onderdanig, want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig”. Haar gezag draagt echter geen consciëntiebindend, maar wel een kerkelijk karakter. De Heere alleen kan de gewetens binden, Jak. 4: 12. De kerkelijke bepalingen dragen een regelend karakter en binden de consciëntie alleen, in zoover zij aan de Schrift ontleend zijn. Zij is van bindend karakter op kerkelijk terrein en verplicht de leden en ambtsdragers der kerken tot onderhouding.

Jansen, Joh. (1976) Art. 1

|3|

Art. I. Om goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden, zijn daarin noodig: de diensten; samenkomsten; opzicht der leer, Sacramenten en ceremoniën; en Christelijke straf; waarvan hierna ordelijk zal gehandeld worden.

 

Doel en inhoud der Kerkenordening.

 

1. Het doel der K.O. is: Om goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden. God is een God van orde. Zijn gansche schepping is ordelijk ingericht. Hij wil die orde ook in de Kerken. Ordeloosheid en willekeur is ongeoorloofd. Het Anabaptisme en alle mystieke richtingen, die drijven op „het inwendig licht”, willen van een kerkelijk ambt en een kerkelijke regeling niet weten. Maar de Schrift zegt: „Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden” 1 Cor. 14: 40. De kerk van Christus heeft immers een onzichtbare en een zichtbare zijde. Zij draagt niet alleen een mystiek, maar ook een institutair karakter. Zij moet zich ook plaatselijk openbaren, is aan ambten en bedieningen gebonden en moet voor hare goede orde zorgen.

Deze orde draagt een regelend, geen dwingend karakter. Wel is er in den Latijnschen tekst sprake van de „wettelijke” orde (legittimus ordo), maar „wettelijk” heeft hier een zedelijke, geen rechterlijke beteekenis. Het is dan ook terecht vertaald door goede, niet door wettelijke orde. Zij moet wel stipt en strengelijk bepalen, dat van den grondslag voor het kerkelijk leven (Schrift en belijdenis) niet mag afgeweken worden, maar moet in de toepassing der beginselen op het kerkelijk leven een groote mate van vrijheid laten.

Het woord gemeente van Christus doelt hier op de schare der geloovigen over heel het land. De woorden gemeente en kerk zijn in de K.O. wel onderscheiden. Gemeente beteekent steeds de schare der geloovigen, of, zooals Voetius zou zeggen:

|4|

het kerkelijk volk (populus ecclesiasticus), ’t zij dan over heel het land, zooals in art. 1, ’t zij dan op een bepaalde plaats, zooals in de artt. 16, 23, 28, enz., waar gemeente niet de kerk, maar de schare der geloovigen in de kerk en dat wel in onderscheiding van en in tegenstelling met den kerkeraad aanduidt. Kerk beteekent er constant de plaatselijk geïnstitueerde kerk. Het geheel der geïnstitueerde kerken over het land noemt men dan „de kerken.” (Dr A. Kuyper, Heraut no. 547). Het woord gemeente ziet hier dus op de schare der geloovigen (het kerkelijk volk) in heel Nederland. Dit mag echter niet worden opgevat in den zin van het collegialisme, dat alle kerken saam als een soort genootschap beschouwt over heel het land, met afdeelingen op onderscheidene plaatsen, want het collegialisme noemt het geheele genootschap „de kerk” (bijv. „de Ned. Herv. Kerk” is het genootschap over heel het land) en elke afdeeling van het genootschap op een bepaalde plaats is een „gemeente” (bijv. de Ned. Herv. gemeente te Amsterdam enz.)

2. De indeeling der K.O. Voor de goede orde in de gemeente van Christus zijn vier elementen noodig. In den Latijnschen tekst komt die noodzakelijkheid niet zoo sterk uit als in de Hollandsche vertaling. Daar staat alleen: De wettelijke orde van de kerkelijke discipline is gelegen in enz. (Legittimus ecclesiasticae disciplinae ordo positus est etc.) Maar als een goede orde gelegen is in deze vier elementen, zijn deze voor het kerkelijk leven onmisbaar noodzakelijk. Dit nu komt in de vertaling duidelijker uit.

Een Kerkenordening zelve is ook noodzakelijk. Niet voor het wezen der kerk, want er kan een kerk zijn zonder een Kerkenordening. Maar wel voor het wel-wezen der kerk, want een pas-gestichte kerk heeft aanstonds enkele regelingen noodig. Door herhaald gebruik worden deze regelingen tot een gewoontewet. En zulk een gewoontewet wordt spoedig in een welomschreven ordening vastgelegd, Voorts is zij noodzakelijk voor het kerkverband van een groep van kerken, die dezelfde belijdenis hebben, als accoord van samenleving, en om willekeur en heerschzucht te voorkomen.

Voor de goede orde van het kerkelijk leven nu zijn vier elementen noodig, die dan ook den inhoud der Kerkenordening uitmaken. Zij handelt dus:

I. VAN DE DIENSTEN. (Artt. 2-28.) Er staat hier „diensten” (Latijn functiones d.i. bedieningen, verrichtingen, niet munera

|5|

d.i. ambten), om op het „dienen” bijzonderen nadruk te leggen. Deze diensten zijn noodzakelijk, omdat zij door God in Zijn kerk zijn ingesteld. Christus zond zijn apostelen, Matth. 28: 18-20; Joh. 20: 21; 2 Cor. 5: 18-21, en stelde de gewone bedieningen voor de kerk des N.T. in, 1 Cor. 12: 28; Ef. 4: 11-13; Rom. 10: 15; 1 Thess, 5: 12; Tit. 1: 5; 2 Tim. 2: 2, met de vermaning aan de gemeente, zich aan deze bedieningen te onderwerpen, Matth. 10: 40-41; 1 Thess. 4: 11, 12; Hebr. 13: 7, 17.

II. VAN DE SAMENKOMSTEN. (Artt. 29-52). Het woord „samenkomsten” ziet hier niet op de gewone bijeenkomsten der gemeente onder de bediening des Woords, Hebr. 10: 25; maar op den kerkeraad, de classis, de particuliere synode en de nationale of generale synode, zie art. 29. Ook deze zijn noodig, niet tot het wezen, maar tot het wel-wezen der kerken, nl. om elkander bij moeilijkheden inzake de onderhouding van leer, ambt en cultus bij te staan, Hand. 1, 6, 15 en 21; en om elkander aan te moedigen en ten voorbeeld te strekken, 1 Cor. 11: 26; Rom. 15: 26; 2 Cor. 8: 1, 4, 9.

III. VAN HET OPZICHT DER LEER, SACRAMENTEN EN ANDERE CEREMONIËN. (Artt. 53-70); die ook niet voor het wezen, maar voor het welwezen der kerken noodig zijn. Opzicht der leer, omdat de kerk op haar grondslag rust, Hand. 20: 28-31, Gal. 1: 8-9; 1 Joh. 2: 18; 4: 1-6; 2 Joh. 10. Opzicht der sacramenten, omdat de ontheiliging Gods toorn over de gemeente verwekt, 1 Cor. 11: 27-34. En opzicht der andere ceremoniën; niet de Oudtest. ceremoniën, die schaduwen waren van het lichaam, dat ze afwierp, Col. 2: 17, maar de kerkelijke ceremoniën of plechtigheden, 1 Cor. 14: 40, omdat ook in den eeredienst alles ordelijk geschieden moet.

IV. VAN DE CHRISTELIJKE STRAF. (Artt. 71-86.) Ook deze is noodzakelijk, niet voor het wezen, maar voor het wel-wezen der kerk; en wel krachtens de instelling der sleutelmacht door Christus, Matth, 16: 18; 18: 15-17; Joh. 20: 23; en naar het voorschrift en voorbeeld der apostelen, Rom. 16: 17; 1 Cor. 5: 3-5; 2 Thess. 3: 6, 14; Tit. 3: 10; 2 Joh.: 10; Op. 2: 2, vv.

Jansen, Joh. (1976) Art. 2

|6|

I. Van de Diensten.

 

Art. II. De diensten zijn vierderlei: der Dienaren des Woords, der Doctoren, der Ouderlingen en der Diakenen.

Aantal diensten.

Wij handelen over vier dingen:

1. De geschiedenis van het doctorenambt. Over het aantal diensten is steeds verschil geweest. Calvijn noemde er vier: dienaren des Woords, doctoren, ouderlingen en diakenen. Hij bewees dit met Ef. 4: 11: „En dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars.” De drie eerstgenoemde (apostelen, profeten en evangelisten) zijn buitengewone ambten. Het verschil loopt over „herders en leeraars”. Calvijn leerde, dat dit twee ambten zijn; de herders zijn de predikanten, ter verzorging van de gemeenten; en de leeraars zijn de doctoren, ter verklaring en verdediging van de waarheid. Hij beschouwde het doctorenambt dus op grond der Schrift als een kerkelijk ambt. Uitdrukkelijk zegt hij, dat herders en leeraars „een gewoon ambt in de kerk” („munus ordinarium in ecclesia”) bekleedden. Maar bij de toepassing van dit ambt in de practijk liet hij het kerkelijk karakter van dit ambt reeds los en maakte er een schoolambt van, want in de Kerkenordening (Ordinances ecclesiastiques), in 1541 voor de kerk van Genève opgesteld, heeft hij het omgezet in een schoolambt (lordre des escolles) en vatte hij er niet alleen de professoren in de theologie, maar ook de leeraren van het voorbereidend onderwijs onder saam.

Opmerkelijk, dat de Gereformeerde kerken aanvankelijk de beschouwing van Calvijn volgden en, evenals Calvijn, er in de practijk toe kwamen, het kerkelijk karakter van het doctorenambt los te laten. Het convent te Wezel, 1568, sprak ook van dienaren, leeraren (doctoren), ouderlingen en diakenen. De bedoeling zal

|7|

wel geweest zijn, dat de doctoren zouden optreden als professoren in de theologie aan de Illustre Gymnasiums ter opleiding van a.s. dienaren des Woords. De drie eerste Nederlandsche synoden, daarop volgende, nl. te Embden, 1571, te Dordrecht, 1574 en te Dordrecht, 1578, noemden echter het doctorenambt niet. Zij spraken wel van professoren in de theologie, maar niet van doctoren. Eerst de synode te Middelburg, 1581, die ook van de professoren in de theologie blijft spreken, neemt ook de doctoren onder de kerkelijke diensten op. Zoo komen de professoren in de theologie en de doctoren naast elkander te staan. Art. 12 zegt van de eersten: „De Ghemeynten sullen toesien datter Professeurs ende Schoolmeesters zijn, die niet alleen de vrije consten ende spraecken leeren, maer oock de Theologie ende den Catechismum, ende hare toehoorders ende Discipelen inde vreese Gods onderwijsen”. Art. 13 verklaarde van de doctoren: „Het ambt der doctoren in de Theologie is de H. Schrifture vut te legghen, ende de suijvere leere teghen de ketterijen ende dolinghen voor te staan”. De volgende synode, te 's-Gravenhage, 1586, gaat nog een stap verder door ze niet meer naast elkander te noemen, maar te vereenzelvigen, en in art. 16 te bepalen: „Het Ampt der Doctoren ofte Professoren inder Theologie is, de heylige Schriftuere uyt te legghen, ende de suyvere Leere teghen de Ketterijen ende Doolinghen voor te staan”. Deze bepaling is door de synode van Dordrecht, 1618-’19 overgenomen en tot nu toe gebleven. De kerken zijn dus wel begonnen met de erkenning van het doctorenambt als een kerkelijk ambt, maar hebben het in de practijk ook spoedig los gelaten.

2. Schrift en belijdenis over het aantal ambten. Opmerkelijk is dat Christus slechts drie ambten in de kerk heeft ingesteld. De verklaring van Calvijn vindt dan ook bij geen ernstig exegeet meer steun. In Ef. 4: 11 duiden de woorden „herders en leeraars” geen twee onderscheiden ambten, maar hetzelfde ambt aan. Anders moest er staan: „En dezelfde heeft gegeven sommigen tot herders en sommigen tot leeraars”. Maar er staat: „sommigen tot herders en leeraars” en dit wijst er op, dat de woorden „herders en leeraars” hetzelfde ambt aanduiden. Evenmin ligt er in Hand. 13: 1, Rom. 12: 7, 8 en 1 Cor. 1: 5, waarop Calvijn zich beriep, eenigen grond voor een afzonderlijk kerkelijk doctorenambt. Christus heeft drie ambten ingesteld, geen vier: 1e De Opzieners (presbyters), die spoedig in alle gemeenten uit de Joden en Heidenen werden aangesteld,

|8|

Hand. 14: 23; Hebr. 13: 7, 17, 24; Jak. 5: 14, en van huis uit geen leer- maar een regeerambt bekleedden, want zij worden opzieners, Hand. 20: 28; Phil. 1: 1; 1 Tim. 3: 2; Tit. 1: 7; voorstanders, Rom. 12: 8; 1 Thess. 5: 12; regeeringen, 1 Cor. 12: 28; voorgangers, Hebr. 13: 7, 17, 24; en herders, Ef. 4: 24 genoemd. 2e De herders en leeraars, die na het wegsterven der apostelen en het ophouden van de buitengewone gave der profetie, met de leer werden belast, 1 Tim. 5: 17, 2 Tim. 3: 16; Tit. 1: 9; Hebr. 13: 7. 3e De diakenen, aan wie de zorg voor de armen is opgedragen, Hand. 6: 1-7, Fil. 1: 1; 1 Tim. 3: 8-10, 12.

Onze conclusie is dan ook dat het doctorenambt uit art. 2 K.O. geschrapt moet worden. Zooals dit artikel nog steeds luidt is het dan ook in lijnrechten strijd met art. 30 der Geloofsbelijdenis, waar staat „dat er Dienaars of Herders .... Opzieners en Diakenen zijn”. Men heeft wel gepoogd, aan dit dilemma te ontkomen en het verschil op een of andere manier aannemelijk te maken, maar de zaak is eenvoudig deze, dat de kerken aanvankelijk het doctorenambt als een kerkelijk ambt in engeren zin in de K.O. hebben opgenomen, maar later het kerkelijk karakter in de practijk hebben losgelaten en er een schoolambt van hebben gemaakt, terwijl ze het toch in art. 2 naast de andere diensten, alsof het daaraan gelijk was, lieten bestaan. Dit moest wel verwarring kweeken en den indruk vestigen, dat de kerken toch aan het ambtelijk karakter der doctoren vasthielden. Het had dan ook uit art. 2 geschrapt moeten worden. Dat dit nog niet geschiedde, is aan een zeker kerkelijk conservatisme toe te schrijven. Zoo bleef er in de beschouwing van het doctorenambt steeds iets tweeslachtige. Naar art. 2 behoort het nog tot de gewone diensten, maar naar art. 18 zijn de doctoren dezelfde als de professoren in de theologie. Bij een eventueele wijziging moge het dan ook uit art. 2 geschrapt worden, terwijl art. 18 dan over de taak der professoren in de theologie kan blijven handelen, om het verband tusschen de kerken en het theologisch onderwijs vast te houden. Zoolang dit echter niet geschiedt, moeten wij het woord diensten (Latijn functiones, bedieningen, verrichtingen) in ruimeren en niet in engeren zin nemen. Drie van deze diensten zijn immers kerkelijke ambten in eigenlijken zin, terwijl het doctorenambt slechts een kerkelijke dienst is in ruimeren zin.

3. De beteekenis van het woord doctor. Het woord doctor

|9|

is dus van beteekenis veranderd. Oorspronkelijk was het doctorenambt een kerkelijk ambt in engeren zin naast dat der dienaren, ouderlingen en diakenen, ter wetenschappelijke beoefening en verdediging der theologie. Zoo vatten Calvijn en, op zijn voetspoor, het convent te Wezel, 1568, het op. Na de stichting der universiteiten hebben de kerken het met het professoraat in de theologie aan de universiteiten vereenzelvigd en is het van een kerkelijk ambt tot een schoolambt of een schooldienst geworden. En eindelijk komt het nog voor in een derde beteekenis nl. als een wetenschappelijke graad aan een of andere universiteit verworven. De vraag, of aan de Theologische School het jus promovendi (het recht van promotie) d.i. het recht om den titel van doctor als wetenschappelijken graad en als bewijs van bekwaamheid te verleenen, toekomt, geheel gaat buiten dat artikel om en loopt niet over het doctorenambt als kerkelijk ambt of over den stand der professoren in de theologie (als schooldienst), maar over de derde beteekenis nl. over het doctoraat als wetenschappelijken titel.

4. Enkele hulpdiensten. Naast deze drie diensten in ambtelijken zin, hebben de kerken nog wel enkele hulpdiensten ingesteld, zooals proponenten, oefenaars, catechiseermeesters, krankenbezoekers, voorlezers, kosters, administrateurs. Maar deze zijn dan in eigenlijken zin geen ambten, door Christus ingesteld, zoodat zij niet met autoriteit van Christuswege mogen optreden, maar hulpdiensten, door de kerken ingesteld en aan de kerkeraden onderworpen. Voetius onderscheidt ze in tweeën nl. helpers inzake den heiligen dienst zelve, zooals de ziekentroosters, de proponenten, de catechiseermeesters, de voorlezers, de voorzangers, waaraan wij nog kunnen toevoegen de oefenaars en de organisten; en helpers inzake de uiterlijke dingen, zooals de bouwmeesters, de architecten, met de timmerlieden, metselaars en glazenmakers; voorts de tempelbewaarders, de deurwachters, de lampenopstekers, de vegers, de boden, de hondendrijvers, de reinigers, de klokluiders, enz. Vele van deze hulpdiensten worden door particulieren verricht, maar de kosters en administrateurs zijn in iedere kerk schier noodig.

De aanstelling van deze helpers is niet uitdrukkelijk in de Schrift geboden. Wel zegt Paulus 1 Cor. 12: 28, dat God naast de apostelen, de profeten en de leeraren, ook nog krachten, gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeeringen en menigerlei talen heeft ingesteld, maar dit woord behulpsels ziet

|10|

daar blijkbaar op „de verschillende soorten van hulp, welke de gemeente zocht te bieden aan al degenen die lijden: weduwen, weezen, behoeftigen, kranken, vreemdelingen, reizigers” enz. (Godet). Dus dienst der barmhartigheid in ruimeren zin. Maar wel zijn ze op grond der Schrift geoorloofd, want God heeft aan de kerken de bevoegdheid gegeven al zulke werkzaamheden te laten verrichten welke voor de verzorging der kerken noodig zijn. Over de onderscheidene helpers en hun taak handelen wij bij de desbetreffende ambten, welke ze ter zijde staan of bij wijlen vervangen.

Over de vier bovengenoemde diensten handelt het eerste deel der K.O. als volgt:
Artt. 3-17 van de Dienaren des Woords.
„ 18-21 van de Doctoren.
„ 22-23 van de Ouderlingen.
„ 24-26 van de Diakenen.
„ 27 van de verkiezing der Ouderlingen en Diakenen.
„ 28 van de verhouding tusschen Kerk en Staat.

Jansen, Joh. (1976) Art. 3

 

Art. III. Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, Ouderling of Diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn. En wanneer iemand daartegen doet en meermalen vermaand zijnde niet aflaat, zoo zal de Classe oordeelen, of men hem voor een scheurmaker verklaren of op eenige andere wijze straffen zal.

 

Noodzakelijkheid der wettelijke roeping.

1. Waarom ze noodig bleek. Deze bepaling, dat niemand zonder wettelijke roeping mag prediken en de sacramenten bedienen, bleek bij de reformatie der kerken aanstonds noodig, om indringers en onbekwame elementen te weren. De opleiding, roeping en examinatie waren nog niet geregeld. Vandaar dat een klasse van rondreizende personen, zooals gewezen priesters, monniken en dooperschen, die zich bij de Geref. kerken voegden, hier en daar maar zoo gingen prediken, zonder dat ze wettelijk geroepen waren. De beste elementen onderwierpen zich aan een onderzoek en zochten op ordelijke wijze een gemeente te krijgen.

|11|

Maar de onkundige en zelfzuchtige elementen, die uit eigen belang handelden, zochten er steeds aan te ontkomen. Deze werden nu met den gemeenschappelijken naam van „loopers” of „scheurmakers” aangeduid. Zij zondigden in tweeërlei opzicht tegen de kerkelijke orde: 1e omdat zij zonder wettelijke vocatie (roeping) en examinatie (onderzoek) zich in den kerkedienst indrongen; en 2e omdat zij zich niet „aan een bepaalde plaats” wilden verbinden. Tegen de eerste dwaling is de bepaling van de noodzakelijkheid der wettelijke roeping in art. 3; tegen de tweede die van den band aan een bepaald arbeidsveld in art. 7 gemaakt.

De bepaling van dit artikel komt al vroeg voor. Reeds de kruiskerken in Vlaanderen besloten op hare synode van Teurs, 1563: „Dat niemand zal worden toegelaten om het Woord Gods te bedienen zonder wettelijke roeping, en dat zij, die zich stoutelijk indringen, zullen worden gestraft”. Het convent te Wezel, 1568, sloot zich bij deze bepaling aan en sprak uit, dat niemand tot den dienst des Woords zou worden toegelaten „zonder wettige roeping, verkiezing, goedkeuring, behoorlijke onderzoeking en wettige orde”. De synode te Embden, 1571, verscherpte deze bepalingen nog en eischte: a. dat deze indringers moesten ophouden te prediken; en, zoo zij weigerden, als „scheurmakers” geteekend zouden worden; b, dat zij, die hen naliepen, daarvan moesten aflaten, en, zoo niet, onder de tucht vielen. De particuliere synode van Dordrecht, 1574, besloot, dat de classis hen één- of tweemaal tot verantwoording zou roepen, en, zoo dit niet hielp, openbaar als „scheurmakers” of „loopers” aan de andere classen zou bekend maken, terwijl zij zelfs de hulp van de overheid inriep, door aan den Prins te verzoeken, den officieren in de verschillende plaatsen te gelasten, niemand zonder bewijs van examen op den kansel toe te laten. En de synode van Dordrecht, 1578, bepaalde, evenals die van Embden, dat zulke indringers tweemaal zouden vermaand worden, zich aan de kerkelijke bepalingen te onderwerpen en, zoo niet, openbaar als „scheurmakers” en „loopers” zouden worden geteekend, terwijl ook zij, die hen naliepen met gevoegelijke redenen tot orde moesten gebracht worden. Deze bepalingen zijn nu door de synode van Middelburg, 1581, samengevat en geformuleerd in de bewoordingen, welke tot nu toe in de K.O. onveranderd gehandhaafd zijn.

2. Wat de bepaling inhoudt. Antwoord: Het zal niemand geoorloofd zijn den dienst des Woords en der Sacramenten te

|12|

betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn. Een beroep kiest men zelf, maar een ambt ontvangt men van hooger hand. „En niemand neemt zich zelven die eere aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron”, Hebr. 5: 4. Niemand mag „den dienst des Woords en der Sacramenten” betreden, dus preeken, doopen en avondmaal bedienen, zonder wettelijke roeping. Op dien regel is zelfs geen uitzondering voor de doctoren, ouderlingen en diakenen, Indien zij niet wettig geroepen en in het predikambt gezet zijn, mogen zij ook deze ambtelijke werkzaamheden niet verrichten. Oorspronkelijk lagen in het apostolaat wel alle drie functiën van leeren, regeeren en barmhartigheid oefenen, besloten. Maar om twee redenen is deze drieërlei taak in drie onderscheiden ambten vastgelegd, nl. èn omdat het apostolaat een tijdelijk, geen blijvend ambt was; èn omdat de apostelen bij de uitbreiding der gemeenten al het werk niet meer af konden. Het buitengewone en tijdelijke ambt der apostelen zet zich voort in de gewone en blijvende ambten van dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen. Deze onderscheiding is door Christus gewild en rust op de Schrift, zoodat elk ambt zijn eigen grens en werkzaamheden heeft en het ongeoorloofd is, dat een ouderling of diaken tijdelijk of voor vast in het ambt van dienaar des Woords optreedt, of de werkzaamheden, aan zijn ambt verbonden, verricht.

3. Voor wie ze geldt. Allereerst geldt ze voor de doctoren of professoren in de theologie. Immers een predikant, die tot professor in de theologie benoemd en emeritus verklaard wordt en dus nog mag preeken en sacramenten bedienen, ontleent die bevoegdheid niet aan het professoraat, dat hij bekleedt, maar aan het predikambt, dat hij blijft behouden, want hij is alleen maar van de werkzaamheden, aan het ambt verbonden, ontslagen. Stel het geval, dat een gewoon burger, die geen predikant is, tot professor in de theologie wordt benoemd, dan bekleedt bij geen kerkelijk, maar een schoolambt en mag hij daaraan nooit de bevoegdheid tot het predikambt ontleenen. In de 18e eeuw deed zich zulk een geval voor. Een zekere Odi, die geen predikant was, werd tot professor in de theologie aan de universiteit te Utrecht benoemd. Maar hij mocht niet preeken en geen sacramenten bedienen, zelfs geen stichtelijk woord spreken. Dit gevoelde hij dan ook en hinderde hem zeker, want hij verzocht aan de classe in 1729 om als „proponent” te mogen optreden en een stichtelijk woord te mogen spreken.

|13|

Voorts geldt ze ook van de ouderlingen en diakenen. Maar om een andere reden dan voor de doctoren of professoren in de theologie, want de laatsten bekleeden geen kerkelijk maar een schoolambt. Ouderlingen en diakenen bekleeden met de dienaren des Woords wel een kerkelijk ambt, „blijvende nochtans die ambten altijd onderscheiden” (Formulier van bevestiging van ouderlingen en diakenen). Het eene kerkelijk ambt mag niet in de bevoegdheden van het andere treden, want elk ambt heeft zijn eigen grenzen. In den eersten tijd werd dat onderscheid niet altijd even zuiver vastgehouden. Men zei zelfs wel: het leerambt is uit het regeerambt voortgekomen, 1 Tim. 5: 17; dus mag een ouderling ook wel prediken en sacramenten bedienen. Het eerste is waar, maar de conclusie niet, want reeds tijdens de apostelen zijn regeer- en leerambt onderscheiden en daarom moeten ook beider werkzaamheden op grond der Schrift onderscheiden blijven. In den eersten tijd kwamen er dan ook op de kerkelijke vergaderingen telkens vragen dienaangaande voor. Op de synode van Dordrecht, 1578: of de doop, door „een privaat persoon ofte een ouderlinck bedient”, erkend mocht worden. Antwoord: „Neen”. En terecht, want niemand mag zonder wettelijke roeping prediken en sacramenten bedlenen, al ware hij ook een doctor, ouderling of diaken. Alleen in geval een doop, door een ouderling op verzoek der kerk bediend was, moest die doop maar niet herhaald worden, omdat hij er toe verzocht en dus „eenighe forme van beroepinghe” had, maar het moest daarbij blijven en niet nagevolgd worden. Voorts is gevraagd, of een ouderling in geval van nood een huwelijk mag bevestigen? Antwoord: Neen, want de huwelijksbevestiging is publieke bediening des Woords met toepassing op het huwelijk. Zelfs ook als de dienaar plotseling ongesteld wordt of wegblijft, is het ongeoorloofd en moet of een naburige dienaar gehaald óf de huwelijksbevestiging uitgesteld worden. En nog minder dan de ouderlingen, mogen de diakenen prediken, sacramenten bedienen, huwelijken bevestigen, enz. Indien een ouderling of diaken daarvoor roeping gevoelt, moet hij in den ordelijken weg zich tot het predikambt voorbereiden, toelating vragen en geroepen worden, want de inwendige roeping moet uit de uitwendige blijken.

Verder geldt ze ook voor alle helpers, als proponenten, oefenaars, krankenbezoekers, catechiseermeesters, voorlezers, enz. Zij zijn aan tweeërlei bepaling onderworpen: 1e zij mogen zich zelf niet opwerpen, maar moeten kerkelijk aangesteld worden,

|14|

’t zij dan na of zonder voorafgaand onderzoek, wat ter beoordeeling der kerkelijke vergaderingen staat; en 2e zij mogen aan hun hulpdienst, waartoe zij wettig aangesteld zijn, niet het karakter geven van den gewonen dienst des Woords, dus niet prediken, geen doop en avondmaal bedienen en evenmin huwelijken en ambtsdragers bevestigen. En wat voor ambtsdragers en hun helpers geldt, is in nog sterker mate van de gewone leden der gemeente van kracht.

4. De straf bij overtreding. Ten slotte wordt nog bepaald: En wanneer iemand daartegen doet en meermalen vermaand niet aflaat zoo zal de Classe oordeelen of men hem voor een scheurmaker verklaren of op eenige andere wijze straffen zal.

Deze strafbepaling draagt geen wereldlijk, maar een geestelijk karakter. Zij begint met vermaning. Zulke loopers moeten door den betrokken kerkeraad of, ingeval er geen kerkeraad is, door de classe of particuliere of generale synode „meermalen vermaand” worden. Het aantal vermaningen wordt aan den kerkeraad, classe enz. overgelaten. Baten deze vermaningen niet, dan moet de zaak voor de classe gebracht worden die moet dan oordeelen over de vraag, „of men hem voor een scheurmaker verklaren of op eenige andere wijze straffen zal.” De eerste synoden, nl. te Embden, 1571, Dordrecht, 1574, en Dordrecht 1578, bepaalden alleen, dat zoo iemand voor scheurmaker verklaard en aan de andere classen meegedeeld moest worden. Streng en afdoende, om aan de wantoestanden een einde te maken. Maar toen er langzamerhand een ordelijke toestand gekomen was, maakte de synode van Middelburg 1581, de bepaling wat zachter en voegde er aan toe: „of op eenige andere wijze straffen zal,” waarmee dan wel eene of andere private bestraffing zal bedoeld zijn; zoodat nu een kerkeraad kiezen kan.

In geval een kerkeraad zich laat verleiden, om een of ander bestudeerd of onbestudeerd persoon, zonder examen en dus zonder toelating en toestemming der classe als oefenaar te laten optreden dan moet de classe krachtens het kerkverband tusschenbeide komen, want de kerken moeten onderling ook toezicht op elkander oefenen. Wel met voorzichtigheid, omdat ontactisch optreden meermalen scheuring veroorzaakte, maar toch met beslistheid, om aan zulk een onkerkelijk optreden een einde te maken.

Ook de aanhangers van zulk een scheurmaker moeten gestraft d.i. vermaand, en, zoo zij niet hooren, onder de tucht gesteld

|15|

worden, zooals de synode van Embden, 1571, wilde; of alleen broederlijk vermaand en met gevoegelijke redenen tot de orde gebracht worden (Dordrecht, 1578). Eveneens echter met groote voorzichtigheid, omdat vele hoorders het noodige kerkelijk besef missen om de zaak objectief te beoordeelen, en zich door een boeiende toespraak laten verleiden. Raakt iemand hun hart, dan zeggen zij: „die is van God geroepen” en vergeten, dat de inwendige roeping door de uitwendige moet blijken. Menig indringer bleek later niet door Gods licht, maar door eigen dwaallicht en door eigen belang geleid te worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 4

 

Art. IV. De wettelijke beroeping dergenen, die tevoren in den dienst niet geweest zijn, zoowel in de steden als ten platten lande, bestaat:
Ten eerste, in de verkiezing, dewelke na voorgaande gebeden geschieden zal door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de kerkelijke ordinantie, dat alleen diegenen voor het eerst tot den dienst des Woords kunnen beroepen worden, die door de Classe, waarin zij wonen, praeparatoir geëxamineerd zijn; en voorts in Kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest;
Ten andere, in de examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens, dewelke staan zal bij de Classe, aan welke de beroeping ter approbatie is voor te stellen, en geschieden zal ten overstaan van de Gedeputeerden der Particuliere Synode of eenige derzelven;
Ten derde, in de approbatie en goedkeuring van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen in de Kerk afgekondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt;
Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den Dienaar, die de bevestiging doet (en van de andere Dienaren, die mede tegenwoordig zijn), toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde.

 

De beroeping dergenen, die te voren in den dienst niet geweest zijn.

Het artikel stelt het beginsel voorop, dat de wettelijke roeping in alle kerken, „zoowel in de steden als ten platten lande” gelijk

|16|

is en op gelijke wijze moet plaats hebben. De stadskerken staan niet boven de landskerken zooals bij Rome. Elke plaatselijke kerk is een zelfstandige en complete kerk, ook al is de eene middellijkerwijze uit de andere voortgekomen, of door haar gesticht, en roept haar eigen dienaar. De wettelijke roeping (vocatio) wordt hier in ruimeren zin genomen. Zij omvat niet alleen de verkiezing (electio) zelf, maar ook alles wat haar effect doet hebben en wel de vier volgende hoofdbestanddeelen:

1. De verkiezing. Hiervan worden de volgende punten bepaald:

a. Dat ze na voorgaande gebeden moet plaats hebben. In de oude redactie van de 16e eeuw stond: „na voorgaande vasten en bidden”. De kerken oordeelden bij de verkiezing van iemand, die nog niet gediend had, een vasten- en bededag noodig. Er was nog geen klasse van beroepbare personen. De beroepbaarbeid was nog niet geregeld. Wel waren er enkelen die zich door de proposities (oefeningen in het preeken) voorbereidden. Maar overigens waren er heel wat indringers en loopers, die gevaar opleverden. De verkiezing tot het predikambt was dus een ernstige zaak en moest op ernstige wijze worden voorbereid, waartoe een vasten- en biddag noodig was. Bij de verkiezing van iemand, die reeds gediend had, en bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen achtte men het vasten niet bepaald noodig. Toen er later echter een bepaalde klasse van beroepbare personen kwam, die kerkelijk onderzocht waren, raakte het vasten in onbruik. Daarom heeft de synode van Utrecht, 1905, het weggelaten. Maar de bepaling van de gebeden bleef bestaan. Vroeger werd er dan een afzonderlijke vasten- en biddag gehouden. Maar nu de beroepbaarheid goed geregeld is en naar kerkelijke orde plaats heeft, is een afzonderlijke biddag of bidstond niet meer zoo noodig. De verkiezing heeft nu meestal plaats in eene samenkomst van den kerkeraad met de stemgerechtigde leden, welke dan met gebed geopend en met dankzegging gesloten moet worden. Geen verkiezing is wettig, die niet na voorafgaande gebeden heeft plaats gehad.

b. Dat ze door den Kerkeraad en de Diakenen geschiedt. Dus door den smallen kerkeraad met de diakenen; of, allen samen genomen, door den breeden kerkeraad. Dus geen volkskeuze d.i. een vrije verkiezing door de leden der gemeente. Daartegen hadden onze vaderen ernstige bezwaren: 1e omdat het volk toen veel te onkundig en te onverschillig was: 2e omdat er onder Independentischen invloed revolutionaire tendenzen bij het volk voorzaten; 3e omdat ieder, die zich zelf opwierp en

|17|

het volk wist te boeien kon verkozen worden, wat een groot gevaar opleverde. Trouwens vrije volkskeuze is steeds gevaarlijk, omdat er dan geen verantwoordelijk lichaam is. Maar wel door den breeden kerkeraad, met medewerking der gemeente. Dit mag bij een eventueele herziening wel in art. 4 K.O. ingevoegd worden. Immers het is een kenmerkend Gereformeerd beginsel. Bij de Roomsche kerk vult het ambt zich zelf aan zonder medewerking der gemeente. De Lutherschen (evenzoo de Erastianen in Engeland en de Remonstranten in Nederland) kenden het kiesrecht toe aan de overheid. De Independenten leeren, dat het berust bij de gemeente; en de Collegialisten bij de meerderheid d.i. bij de helft plus één. Maar volgens het presbyteriale stelsel kiest Christus zelf Zijn dienaren, door de stemming der gemeente, onder leiding van den kerkeraad. De Schrift kent de leidende en beslissende macht bij de verkiezing aan de ambtsdragers toe, gelijk blijkt uit Hand. 6: 1-6; 14: 23; 1 Tim. 5: 22; Tit. 1: 5; maar de gemeente heeft het recht van medewerking, want volgens Hand. 1: 23 werkt de schare van omtrent honderd twintig personen samen met de apostelen bij het opmaken van het dubbeltal voor het apostelschap; in Hand. 6: 1-6 kiest de gemeente in opdracht van de apostelen een zevental diakenen, die daarna door de apostelen In het ambt worden bevestigd; en in 2 Cor. 8: 19 is er sprake van een evangelist, die „van de gemeente” verkozen was. Geeft deze samenwerking conflict, omdat de kerkeraad bijv. een door de gemeente klaarblijkelijk begeerd persoon niet op tal wil zetten, dan moet er gepoogd worden dit conflict tot oplossing te brengen, door bijv. met de bezwaarden of enkelen van de voornaamsten van hen broederlijk te spreken. Baat dit niet dan blijft beroep op de meerdere vergaderingen over.

c. Dat ze moet geschieden met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den kerkeraad vastgesteld is. In vele kleine kerken geschiedt de verkiezing naar het gewoonterecht. Maar om conflict te voorkomen is een schriftelijke regeling zeer gewenscht. Daarin moet dan bepaald worden: 1e dat de verkiezing naar art. 4 en 5 K.O. zal plaats hebben in een vergadering van den breeden kerkeraad met medewerking van de mannelijke stemgerechtigde leden, welke vergadering met gebed geopend en met dankzegging gesloten moet worden; 2e dat het in de vrijheid van den kerkeraad staat, óf een twee-, drie-, viertal enz. aan de gemeente voor te stellen; óf de gemeente vooraf in de gelegenheid te stellen op

|18|

geschikte predikanten (of proponenten) de aandacht te vestigen, en met of zonder aanvulling daaruit een tal te formeeren; óf ook in een bijzonder geval aan de gemeente voor te stellen, iemand bij acclamatie te beroepen; 3e dat de verkiezing bij meerderheid van stemmen moet plaats hebben, zonder blanco stemmen mee te rekenen, terwijl bij staking van stemmen op nieuw gestemd wordt en bij herhaalde staking van stemmen de oudste in jaren verkozen wordt verklaard, of het lot beslist; 4e dat de door de meerderheid gekozene wordt beroepen door middel van een beroepsbrief, met toevoeging van de noodige bepalingen inzake het traktement en het eventueele emeritaatsgeld; en dat hij, na aanneming der beroeping en approbatie door de classe, wordt bevestigd met het Formulier daarvan zijnde. En 5e dat bezwaren van formeelen aard tegen de verkiezing zelve op dezelfde vergadering, waarop de verkiezing plaats heeft, moeten worden ingebracht; en, zoo ze niet worden opgelost, alleen in dat geval appèl op de meerdere vergadering mogelijk is.

De vraag is, of het kerkelijk stemrecht ook toekomt aan de vrouwelijke belijdende leden, aan de zoogenaamde doopleden en aan gecensureerden. Wij antwoorden ontkennend, omdat, naar het ons voorkomt, de vrouwen door de Schrift niet alleen van het leerambt, maar ook van de regeering (waartoe o.i. het stemmen behoort) worden uitgesloten; omdat de doopleden geestelijk nog onmondig zijn; en omdat de gecensureerden het gebruik van het stemrecht verbeurd hebben.

d. Dat ze moet geschieden met onderhouding van de kerkelijke ordinantie, dat alleen diegenen voor het eerst tot den dienst des Woords kunnen beroepen worden, die door de Classe, waarin zij wonen, praeparatoir geëxamineerd zijn. In de vroegere redactie stond dit niet. Er was toen nog geen bepaling, dat er een praeparatoir-examen aan het beroep moest voorafgaan. De kerken waren toen nog geheel vrij en konden nog beroepen wie zij wilden. Dit duurde echter niet lang. De practijk drong er van zelf toe een onderzoek in te stellen naar leer, leven en ambtsgaven. De eerste bepaling vonden wij in art. 1 van de synode te Dordrecht, 1578. Er moest, zoo bepaalde zij, een „beproeving” d.i. een zeker onderzoek of examen aan de beroeping voorafgaan, als een soort waarborg, dat overal „bequaeme persoonen” beroepen werden. Deze bepaling gold voor gestudeerde en ongestudeerde personen. Een tweetal redenen drongen er toe het praeparatoir-examen algemeen in te

|19|

voeren en te bestendigen. Aanvankelijk was het de ongeordende toestand, dat iedereen maar zoo beroepen kon worden. Maar later was het de vrees voor de Arminiaansche ketteijen, die begonnen door te dringen. Zoo werd het spoedig algemeen ingevoerd. In Groningen sinds 1595. In Zeeland op de synode van Goes, 1597. In Zuid-Holland op de synode van Schiedam 1602. In Gelderland sinds 1630. En in Drente in 1638. Alleen in Friesland behield men maar één examen, dat beide elementen in zich sloot, nl. dat het wel aan de beroeping voorafging, maar waardoor een geëxamineerde toch beroepbaar werd verklaard en de zoogenaamde „zending” verkreeg, terwijl hij dan na het beroep zonder examen werd bevestigd. Vroeger hebben de kerken dit praeparatoir-examen wel aan de universiteit toegekend, maar uit vrees voor de Arminiaansche dwalingen trokken zij het weer aan zich en namen het op hare vergaderingen af. De Christelijk Gereformeerde kerk liet het door hare curatoren der Theol. School afnemen, en dit bleef bij de vereeniging der Christelijk Gereformeerde kerk met de Ned. Gereformeerde kerken aanvankelijk wel bestaan, maar de synode te Middelburg, 1896, besloot reeds, dat het praeparatoir-examen door alle candidaten in de H. Godgeleerdheid, ook die der Theol. School door de classen moest afgenomen worden. En de synode van Utrecht 1905, heeft het voor het eerst in art. 4 K.O. opgenomen. De eischen voor het praeparatoir-examen zijn te vinden in de uitgave der K.O. van Ds W.B. Renkema en Dr J.C. de Moor.

e. En eindelijk, dat de verkiezing in Kerken met niet meer dan één dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest, zal geschieden.Het gaat hier over het advies der classe of van den consulent bij de beroeping. Dit is geen handopening, want deze werd niet door de gemeente aan de classe, maar door de classe aan de overheid gevraagd en wel om het traktement van de overheid voor eene of andere kerk te ontvangen. Evenmin is het een soort toestemming om te beroepen, want die behoeft een kerk, die zelf voor het onderhoud van den dienaar zorgt, niet te vragen. Elke kerk moet beroepen, indien zij er toe in staat is. Ook de beslissing inzake het bedrag van het traktement berust niet bij de classe, maar bij den kerkeraad. Het zou kunnen voorkomen, dat een of ander dienaar een bepaalde kerk voor niets wilde dienen. Het is slechts een advies van de classe of van haar consulent waarbij de

|20|

beslissing inzake de beroeping bij den kerkeraad blijft berusten en de classe alleen beoordeelt, of de beroeping naar goede orde plaats heeft. Het is dan ook niet volstrekt noodig dit advies te vragen. Dit blijkt uit tweeërlei: vooreerst toch is het in kerken met meer dan één dienaar niet noodig, omdat er dan bij vertrek nog steeds een dienaar overblijft om de actie te leiden; voorts, ook in kerken met één dienaar, die vertrokken is, is het niet gebiedend noodzakelijk, maar aan het plaatselijk gebruik overgelaten, want er staat bij: „waar zulks tot nog toe gebruikelijk is”. Toch is het wenschelijk, dat kerken met slechts één dienaar, dit als regel invoeren en onderhouden, omdat zij bij vertrek van den dienaar eenigszins incompleet worden, wijl het element, dat leiding moet geven, ontbreekt; en ook het kerkverband eischt, dat de eene kerk de andere bijstaat. In de 16e en 17e eeuw werd dit advies meestal op de volle classe, of door een twee- of drietal naburige predikanten, of door de kerkvisitatoren gegeven, Maar in de 17e en 18e eeuw werden er afzonderlijke consulenten (raadgevers) voor aangewezen. Zulk een consulent is geen lid van den kerkeraad, dien hij bijstaat. Hij heeft slechts consuleerende (raadgevende) d.i. adviseerende, geen beslissende stem. Wel kan hij weigeren een beroepsbrief te teekenen of een vergadering te leiden, enz.; en daarvan aan de classe, wier lastdrager hij is, rapport doen, indien de kerkeraad zich aan zijn advies niet stoort. Aangaande de werkzaamheden staat hier, dat hij bij de beroeping van advies moet dienen, wat inhoudt, dat hij bij een eventueele nominatie van advies dient, de stemming leidt, en den beroepsbrief onderteekent, opdat de beroepene wete, dat alles behoorlijk is toegegaan. In de practijk wordt aan den consulent echter veel meer opgedragen nl. bevestiging van ambtsdragers, huwelijksinzegening, bediening der sacramenten, catechiseeren, ziekenbezoek, huisbezoek, leiden van begrafenissen en vergaderingen voor de verkiezing van ambtsdragers. De classe wijst op verzoek der kerken de consulenten aan. De financieele regeling dient vooraf getroffen te worden, want de arbeider is zijn loon waardig.

2. De examinatie, of de onderzoeking. Welk examen wordt hier bedoeld? Het peremptoir (beslissend) en niet het praeparatoir (voorbereidend) examen. Het onderscheid tusschen beide ligt hierin, dat het praeparatoir-examen beroepbaar stelt en dus aan de beroeping voorafgaat, terwijl het peremptoir-examen op het beroep volgt, en inhoudt de wettelijke toelating tot den dienst

|21|

des Woords. Van het convent te Wezel, 1568, af, hebben alle synoden zulk een examen noodig geacht. Het is dan ook het eerste en oudste, omdat het aanstonds noodig bleek nauwkeurig toe te zien wie in het ambt gesteld werden.

Waarover gaat dit examen? Over leer en leven (de doctrina et vita). Ook dit is zoo van den aanvang af bepaald. Het convent te Wezel, 1568, sprak al uit, dat een behoorlijk onderzoek deels over de leer en deels over het leven moest gaan. En zoo is het gebleven tot nu toe. De vakken zijn: a. exegese O. en N.T. (drie weken van te voren uit elk van beide twee hoofdstukken op te geven); b. kennis van den inhoud der H. Schrift, d.i. van den hoofdinhoud der Bijbelboeken; c. Dogmatiek en Symboliek; d. Kerkgeschiedenis; e. Ethiek; f. Ambtelijke vakken en Kerkrecht; terwijl bij gunstigen uitslag de onderteekening van het verbintenis-formulier voor dienaren des Woords moet plaats hebben.

Door wie het peremptoir-examen moet afgenomen worden. Formeel en kerkrechtelijk behoort het aan den kerkeraad. Maar krachtens het kerkverband moet de classe de beroeping goedkeuren. En zoo komt het practisch bij de classe, a. omdat vele kerkeraden niet in staat zijn zulk een examen af te nemen, noch te beoordeelen, zoodat de classe den kerkeraad bijstaat; b. omdat de classe de beroeping moet approbeeren (goedkeuren) en daarom mede mag oordeelen; c. omdat de dienaar ook voor de andere kerken wordt toegelaten. Stel eens, dat een kerkeraad, zonder de classe te erkennen, een candidaat examineerde, waartoe hij op zichzelf het recht heeft, dan zou de classe krachtens het kerkverband nog een onderzoek kunnen instellen, alleer zij hem voor de andere kerken toeliet. Wilde de kerkeraad niet wijken, dan zou zulk een predikant alleen voor die kerk wezen en het kerkverband op dit punt verbroken zijn. Zelfs is er nog bij bepaald, dat het geschieden zal ten overstaan van de gedeputeerden der particuliere synode of eenige derzelven; volgens art. 49 K.O. ten getale van twee of drie. Wij oordeelen drie beter dan twee, omdat een oneven getal gemakkelijker een beslissing geeft en de stemmen niet staken. Deze deputaten hebben slechts adviseerende, geen beslissende stem. De classe beslist en kan tegen toelating stemmen, ook al adviseeren deputaten er vóór. Is de classe vóór toelating en zijn deputaten er tegen, dan moet er nader overleg plaats hebben, en, komt men niet tot overeenstemming, het oordeel der particuliere synode gevraagd worden, want liet de classe toe, dan zou hij,

|22|

als de particuliere synode hare deputaten in het gelijk stelde, alleen voor die classe toegelaten zijn.

Wie geëxamineerd moeten worden. Antwoord: degenen, die te voren in den dienst niet geweest zijn. Het peremptoir-examen is de deur tot de ambtelijke bediening in de plaatselijke kerken. Gaat hij later van de eene kerk tot een andere over, dan wordt krachtens het kerkverband het vroegere peremptoir-examen stilzwijgend erkend. Is er hier en daar echter een of andere ketterij ingeslopen, zoodat er gevaar voor onzuiverheid is, dan kunnen de andere kerken maatregelen nemen, want het kerkverband heft de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid der plaatselijke kerken niet op. Zij kunnen dan op een bepaald punt een verbintenis eischen, zooals de classe Walcheren 5 Nov. 1693 deed, toen zij bepaalde, dat alle inkomende predikanten de „Walchersche artikelen” moesten teekenen, om de dwalingen van Alting, Roël en Bekker te keeren. Zelfs kunnen ze desnoods een geheel nieuw examen vragen. Maar dit mag alleen, ingeval er gegronde twijfel is, dat de testimonia niet meer te vertrouwen zijn.

3. De approbatie of goedkeuring. De roeping bestaat in de derde plaats in de approbatie of goedkeuring van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen in de kerk afgekondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt. Deze approbatie is van den beginne noodig geacht, maar de wijze waarop was verschillend. Het convent te Wezel, 1568, bepaalde, dat de gemeente met de ouderlingen meestemde, zoodat in de stemming de goedkeuring besloten lag. Maar de synode te Embden, 1571, bepaalde, dat de door den kerkeraad en de classe verkozen dienaren aan de gemeente voorgesteld moesten worden, opdat zij of door stilzwijgende bewilliging der gemeente aangenomen werden, óf, zoo er bezwaar was, moest dit binnen vijftien dagen bij den kerkeraad ingebracht worden. Dit is de gewone manier, zooals ze door de volgende synoden is gehandhaafd. Na de verkiezing door den breeden kerkeraad met medewerking der stemgerechtigde leden der gemeente, is de approbatie noodig, omdat deze aan de geheele gemeente, aan alle doop- en belijdende leden toekomt en op de Schrift rust, Hand. 6 : 3, 5; 14 : 23; 2 Cor. 8: 19. De naam van den verkozene moet „drie onderscheidene reizen” (Formulier van bevestiging der D.d.W.) of „den tijd van veertien dagen” (art. 4 K.O.)

|23|

afgekondigd worden. De gewoonte is tweemaal afkondigen. Komt er geen „hindernis” d.i. wettig bezwaar inzake zijn leer, leven of ambtsgaven, dan kan de bevestiging doorgaan. Komt er wel bezwaar, dan moet dit uit den weg geruimd, en zoo dit niet mogelijk is, ter oplossing bij classe en synode gebracht worden.

Behalve de approbatie der gemeente kan men ook nog spreken van een approbatie van de classe (zie art. 10), van de overheid, van den geroepene zelf, en van de kerk, waarvan hij weggeroepen wordt. Maar daarover handelt dit artikel niet.

4. De confirmatie, of de openlijke bevestiging voor de gemeent, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den Dienaar, die de bevestiging doet (en van de andere Dienaren, die mede tegenwoordig zijn) toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde. De bevestiging is de plechtige aanvaarding van het ambt en de openlijke verbintenis aan de roepende kerk. Het wezen der roeping ligt in de verkiezing tot het ambt, maar door de bevestiging krijgt de roeping effect. Vandaar dat zij in tijden van vervolging bij de kruiskerken, of bij verhindering door de overheid (zooals bij Voetius, die zonder openlijke bevestiging te Heusden predikant werd), wel eens achterwege bleef. Maar gewoonlijk werd zij in de Gereformeerde kerken onderhouden. Zij is geen sacrament, geen Roomsche ordening, die op sacramenteele wijze een bijzonderen ambtsgeest of bijzondere ambtsgaven meedeelt, waardoor iemand uit den leekenstand in den geestelijken stand wordt overgeplaatst. Zij is naar Gereformeerde opvatting slechts de openlijke inzetting in en aanvaarding van het ambt in het midden der gemeente, die met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen plaats heeft.

Tegen de handoplegging rees ten tijde der hervorming bij de Gereformeerden ernstig verzet uit vrees voor superstitie of bijgeloof, nl. dat men er in zou blijven zien een „mededeeling van ambtsgaven”. De eerste synoden wilden er dan ook niets van weten. Maar de synode van Middelburg, 1581, maakte onderscheid en beval ze bij de bevestiging van de dienaren, die voor het eerst in het ambt gesteld werden, aan; en dit werd nu op de volgende synode, te 's-Gravenhage, 1586, voor vast bepaald. De handoplegging werd beschouwd als een teeken van algeheele toewijding aan den dienst; van daar, dat zij alleen bij de bevestiging van de dienaren des Woords, die voor het eerst

|24|

in dienst traden, plaats had; en niet bij die van ouderlingen en diakenen. Zij moet plaats hebben naar het „Formulier om te bevestigen de Dienaren des Woords, die nooit te voren gediend hebben". Dit Formulier moet, blijkens de aanteekening bij de handoplegging: „deze ceremonie zal men niet gebruiken bij de bevestiging dergenen, die te voren gediend hebben”, ook bij de bevestiging van hen, die reeds gediend hebben en naar eene andere gemeente vertrekken, gebruikt worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 5

 

Art. V. Nopens die Dienaars, die nu alreede in den dienst des Woords zijnde tot eene andere gemeente beroepen worden, zal desgelijks zoodanige beroeping geschieden, zoowel in de steden als ten platten lande, door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de generale kerkelijke ordinantiën over de beroepbaarheid van hen, die buiten de Nederlandsche Gereformeerde Kerken gediend hebben, en over het meer dan eenmaal beroepen van denzelfden Dienaar in dezelfde vacature; in Kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest; en voorts in alle Kerken met approbatie van de Classe, aan welke de voorzeide beroepenen vertoonen zullen goede kerkelijke attestatie van leer en leven, en met approbatie van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen haar voorgesteld zijnde, geen hindernis daartegen komt: waarna de beroepenen met voorgaande stipulatiën en gebeden zullen bevestigd worden, naar het Formulier daarvan zijnde.

 

De beroeping van alreede in dienst zijnde predikanten.

Dit artikel handelt over die Dienaars, die alreede in den Dienst des Woords zijnde, tot eene andere gemeente beroepen worden. Bij vergelijking blijkt, dat dezelfde gang als in art. 4 wordt gevolgd, maar dat het examen en de handoplegging zijn weggelaten. De kerken oordeelden, dat een herhaald examen bij vertrek van een predikant naar een andere plaats in den regel onnoodig was en dat de handoplegging voor heel het leven gold en daarom niet herhaald moest worden. In de oude

|25|

redactie stond ook nog een bepaling over de approbatie der overheid en over het zoogenaamde collatie- of patronaatrecht, maar de synode van Amsterdam, 1892, heeft deze, omdat zij verouderd en met het gereformeerde kerkrecht in strijd zijn, er uit weggelaten. Het artikel handelt dus over de beroeping, de approbatie en de bevestiging.

1. De beroeping tot eene andere gemeente. Deze bepaling veronderstelt, dat beroeping tot een andere gemeente geoorloofd is. Maar zulk een beroeping mag niet lichtvaardig en zonder reden geschieden. Zulke wettige redenen zijn in het algemeen: wanneer een jeugdig dienaar na enkele jaren van oefening een grootere gemeente met stichting kan dienen; of wanneer een minder begaafd of op jaren gekomen dienaar nog wel een kleinere gemeente met zegen kan dienen; wanneer door tegenwerking van kerkeraad of gemeente de arbeid van den dienaar vruchteloos wordt en zijn invloed wordt ondermijnd; wanneer het te verwachten is, dat een dienaar een door twisten en oneenigheid verscheurde gemeente weer tot orde kan brengen; of ook wanneer een dienaar van zijn traktement niet kan leven en er geen uitzicht op verhooging bestaat.

De manier der beroeping is dezelfde als bij art. 4, nl. zoowel in de steden als ten platten lande door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is. Zie de verklaring bij art. 4. De verkeerde praktijken, die er zoo nu en dan voorkomen, moeten vermeden worden. Het beroepjagen, of het uitlokken van een beroep van de zijde der predikanten, is evenzeer af te keuren als het officieus toezeggen van een beroep zonder zekerheid te geven, dat het volgen zal, of het stelselmatig achteruitzetten van meer op leeftijd gekomen dienaren van de zijde der kerkeraden. Het sollicitatie-stelsel is ook onschriftuurlijk, want het gaat uit van de collegialistische gedachte, dat de kerk met een gewone vereeniging en het ambt met een maatschappelijke betrekking gelijk staat, waarvoor men zich zelf aanbieden en waarnaar men solliciteeren kan. De Schrift leert echter, dat wij het ambt niet zelf kiezen, maar dat Christus er ons toe roept door Zijn gemeente, Hebr. 5: 4: „En niemand neemt zich zelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron”. Wel zegt Paulus in 1 Tim. 3: 1: „Zoo iemand tot een opzienersambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk,” maar hij bedoelt hier de

|26|

begeerte tot het ambt als ambt en de bereidwilligheid om er zich voor te geven, zoodat de opleiding en voorbereiding, om tot het ambt te komen, geoorloofd is. Niet aan te bevelen is in het algemeen, dat een predikant op één of twee preeken, of enkel op het advies van een paar leden des kerkeraads, beroepen wordt, omdat dit geen genoegzamen waarborg geeft en een al te zware verantwoordelijkheid legt op een dergelijke commissie. Het beste komt ons voor, dat de kerkeraad een grostal opmake, dat een commissie die predikanten ga hooren en dat ze verzocht worden ook voor de gemeente te preeken.

Welke kerkelijke ordinantiën gelden voor de beroepbaarheid van hen, die buiten de Nederlandsche Gereformeerde kerken gediend hebben? In de 16e eeuw stelde men den eisch, dat bijv. de Roomsche priesters hun kudde trouw moesten onderwijzen en moesten trachten te bewegen met de Roomsche hiërarchie te breken; en eerst als dat mislukte, vrijheid hadden hun ambt neer te leggen en tot een andere kerk over te gaan. Diezelfde manier moet nog gelden. Het ambt wordt dan nog erkend, hoe verbasterd het ook moge wezen. Alleen wordt er dan een onderzoek ingesteld of zulke predikers ook lichtvaardig hun ambt neerleggen, of ze wel hebben gepoogd hun kerkeraad en gemeente mee over te halen, en of ze de wetenschappelijke ontwikkeling bezitten en met de dwalingen hunner kerk gebroken hebben. De onderscheidene bepalingen zijn de volgende:

a. Aangaande Gereformeerde predikanten uit andere landen „Predikers uit Gereformeerde kerken buiten Nederland, hebben bewijs over te leggen aangaande hunne beroeping tot den dienst, belijdenis en wandel. Zij hebben voorts zich te onderwerpen aan een colloquium doctum aangaande leer en wetenschap, dat eenzelfden graad van ontwikkeling vereischt als het praeparatoir- en peremptoir-examen der door de Gereformeerde kerken in Nederland toegelatenen. Indien zij echter voorheen door deze kerken waren toegelaten, zal men eenvoudig een onderzoek instellen of zij, wat de leer aangaat, dezelfden zijn gebleven.” Acta van Dordrecht, 1893, art. 165. Voor de candidaten van de Theol. School en van de Vrije Universiteit, die in de „Oud-Gereformeerde kerken van Oost-Friesland, Bentheim en Westfalen” gaan dienen en een beroep van een der Gereformeerde kerken aannemen geldt een andere bepaling en wel, dat het peremptoir-examen aldaar geschiedt ten overstaan van

|27|

gedeputeerden der Gereformeerde kerken (een commissie van 5 deputaten, van wie minstens 3 bij het examen moeten tegenwoordig zijn); en dat dezelfde eischen gesteld worden als voor het peremptoir-examen der Geref. kerken in Nederland.

b. Aangaande Ned. Hervormde predikanten: „Predikers uit het Nederlandsch Hervormde kerkgenootschap zullen, na onderzoek omtrent hun kennis van de Gereformeerde leer en kerkregeering, door de Classis, gesteund door de Provinciale Deputaten, op onderteekening van het bekende formulier, worden toegelaten als Bedienaren des Woords; mits overleggende goede getuigenis aangaande belijdenis en wandel, ter beoordeeling van de Classis”, Idem, art. 166.

c. Aangaande predikers uit kerken van min vaste formatie „Predikers uit kerken van min vaste formatiën zullen worden toegelaten na onderzoek van de door hen overgelegde bewijzen inzake beroeping tot den dienst, belijdenis en wandel en na onderzoek van hun kennis der Gereformeerde leer en kerkregeering”. Idem, art. 167.

d. Aangaande predikers uit de Christelijk Gereformeerde kerk: ,,Dat een broeder, vroeger predikant der Christelijk Gereformeerde kerk, die, lid geworden der Gereformeerde kerk, thans staat naar den Dienst des Woords en der Sacramenten in eene der Gereformeerde kerken, ...... kan worden toegelaten na onderzoek van de door hem overgelegde bewijzen inzake de beroeping tot den Dienst, belijdenis en wandel en na onderzoek van zijne kennis der Gereformeerde leer en kerkregeering, door de Classis, gesteund door de Deputaten der Particuliere Synode”. Synode van ’s-Gravenhage, 1914, art. 79.

Voorts is er nog een kerkelijke ordinantie over het meer dan eenmaal beroepen van denzelfden Dienaar in dezelfde vacature. De ordinantie waarop hier gedoeld wordt vinden we in de acte van Dordrecht, 1893, art. 164: „Het voor de tweede maal beroepen van denzelfden Dienaar des Woords in dezelfde vacature, zal niet zonder toestemming der Classe mogen geschieden”. Voor een tweede beroep moeten bijzondere redenen zijn. In gewone gevallen moet de beslissing, na ernstige en biddende overweging genomen, voor dienaar en gemeente wezen: zoo is Gods wil! Alleen in bijzondere gevallen, wanneer bijv. een of andere moeilijkheid, die hem eerst verhinderde heen te gaan, later weggevallen is, kan een tweede beroep geoorloofd zijn. Maar dan moet de classe elk voorkomend geval afzonderlijk

|28|

onderzoeken, of er wel genoegzame en geldige redenen voor aanwezig zijn.

Inzake den termijn, wanneer een predikant door een andere kerk mag beroepen worden, bepaalde de synode van Dordrecht, 1893, art. 168: „Daar de korte bediening van een Kerk tegen haar belang strijdt, wordt den kerkeraden ernstig ontraden, om Leeraars, die nog geen jaar in hun standplaats werkzaam zijn, te beroepen”. Maar de synode van Groningen, 1899, veranderde dit in: „nog geen twee jaar.” Deze raad is uitnemend. Verandering van standplaats en van werkkring kan goed wezen, maar het mag niet te spoedig geschieden. En inzake den termijn, waaraan de beroepene bij de beslissing gebonden is, leven de kerken naar een zeker gewoonterecht, nl. dat candidaten zes, maar gevestigde predikanten drie weken tijd van beslissing hebben. Dit kan desnoods in den beroepsbrief bepaald worden en in overleg met den kerkeraad kan de tijd worden verlengd.

Ten slotte staat er nog dat de beroeping moet geschieden, in kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest. Het woord advies beteekent hier ook de raad en leiding der classis, om te zorgen, dat het beroepingswerk naar de orde der kerken plaats heeft. Zie verder de verklaring bij art. 4, waar deze bepaling reeds is behandeld.

2. De approbatie of goedkeuring van de classe en van de gemeente, die hem ontvangen.

Aangaande approbatie der classe, die hem ontvangt, staat er, dat zoodanige beroeping in alle kerken met approbatie van de Classe zal geschieden, aan welke de voorzeide beroepenen vertoonen zullen goede kerkelijke attestatie van leer en leven. Elke classe moet waken, dat er binnen haar ressort geen dienaar indringt, die ongezond is in de leer of onzuiver in den wandel.

De synode van Utrecht, 1905, besloot, dat „ze zooveel mogelijk dient te geschieden in de gewone vergadering der classe zelve”, maar dat zij in „buitengewone gevallen”, waarin zij eerder moet plaats hebben, wat blijkbaar ter beoordeeling aan de roepende kerk wordt overgelaten, door „twee genabuurde kerken” plaats hebbe; maar dan met tijdige kennisgeving aan alle kerken der classe, om er aan te kunnen deelnemen. Aan die classe moet de beroepene „vertoonen goede kerkelijke attestatie van leer en leven” van zijne gemeente, die hij gaat

|29|

verlaten en die afgegeven is door den kerkeraad, nadat de afkondiging heeft plaats gehad.

Aangaande de approbatie der gemeente, die hem ontvangt staat er: en met approbatie der gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen haar voorgesteld zijnde, geen hindernis daartegen komt. Na de verkiezing moet de naam des Dienaars veertien dagen aan de gemeente voorgesteld worden, want de verkiezing geschiedt alleen door den kerkeraad met medewerking der stemgerechtigde leden, terwijl alle leden, ook de gedoopten en de vrouwen recht hebben om bezwaren in te brengen. En eerst als er geen hindernis d.i. geen wettig bezwaar is ingebracht, kan de bevestiging geschieden.

Maar behalve deze twee moeten er nog drie andere stukken bij de approbatie der beroepingen ter tafel zijn; dus samen vijf en wel in deze volgorde:

1e. De beroepsbrief, met de oorspronkelijke verklaring van aanneming der beroeping, om te kunnen controleeren of er ook verkeerde en zondige restricties gemaakt zijn.

2e. Een acte van ontslag van den kerkeraad der kerk, waar hij diende, volgens art. 10 K.O., inboudende de verklaring, dat hij de beroeping niet zonder de bewilliging des kerkeraads met de diakenen heeft aangenomen, benevens wettig getuigenis zijns afscheids, zonder hetwelk geen andere kerk hem zal mogen ontvangen.

3e. Goede kerkelijke attestatie van leer en leven van de kerk, die hij verlaat, volgens art. 5 K.O., waaraan de afkondiging aan de gemeente moet zijn voorafgegaan.

4e. Een acte van ontslag van de classis, binnen wier ressort hij diende, art. 10 K.O., want geen andere kerk mag hem ontvangen eer bij wettig getuigenis zijns afscheids van de (kerken) classe, waar hij gediend heeft, vertoont hebbe.

5e. Een verklaring van den kerkeraad der kerk, die hem ontvangt, dat de approbatie der gemeente geschied is zonder bezwaar, want volgens art. 5 K.O. moet „de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen haar voorgesteld zijn”, met de vermelding, dat er geen hindernis d.i. geen wettig bezwaar tegen hem inkwam, wat ter beoordeeling aan den kerkeraad en, bij appèl, aan de classe en synode staat.

3. De bevestiging, waarvan staat: waarna de beroepenen met voorgaande stipulatiën en gebeden zullen bevestigd worden, naar het Formulier daarvan zijnde. Dus bij verwisseling van

|30|

standplaats ook herbevestiging. Volgens Rome is dat ongeoorloofd. Wie eenmaal de wijding ontving, blijft in het ambt en kan niet meer opnieuw gewijd worden, al verwisselt hij ook tien- of twintigmaal van standplaats. De roeping draagt een onverdelgbaar karakter. Maar op Gereformeerd standpunt gaat de roeping van de plaatselijke kerk uit en wordt hij alleen in die plaatselijke kerk bevestigd, niet in alle kerken. Bij verwisseling van standplaats is er dan ook een nieuwe roeping en een nieuwe bevestiging van noode. Alleen valt de handoplegging bij herbevestiging weg.

Jansen, Joh. (1976) Art. 6

 

Art. VI. Ook zal geen Dienaar dienst mogen aannemen in eenige particuliere heerlijkheden, gasthuizen, of anderszins, tenzij dat hij voorheen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en hij zal ook niet minder dan andere aan de Kerkenordening onderworpen zijn.

 

Dienaren in particuliere heerlijkheden, gasthuizen, enz.

Hier wordt bepaald, dat de regel van de beroeping, in de drie vorige artikelen ontwikkeld, ook geldt voor de dienaren in particuliere heerlijkheden, gasthuizen, enz.

1. De noodzakelijkheid van deze bepaling bleek al spoedig toen in 1572 de vrijheid kwam. Zoolang de kerken nog onder het kruis en in de verstrooiing leefden, waren er nog geen kerken in heerlijkheden en gasthuizen. Maar ze werd noodzakelijk toen Prins Willem I een eigen hofprediker aanstelde en ook andere hooge families een eigen dienaar verkozen. De vraag was toen, welke positie zulke predikers innamen.

Op die vraag antwoordde de synode van Dordrecht, 1578, dat zulke hofpredikanten enz. alleen wettig-erkende predikanten waren, indien zij, evenals de gewone dienaren, door de kerk ter plaatse „ordentlick ende wettelick” beroepen werden, aan confessie en kerkenordening zich onderwierpen, een eigen hofgemeente en een hof-kerkeraad instelden en in het verband der classe werden opgenomen, art. 8. De synode te Middelburg, 1581, nam deze bepaling over, maar omdat er ondertusschen ook in gast- en weeshuizen eigen predikanten werden aangesteld,

|31|

voegde zij er aan toe, Part. vr. 7: „Ende soe feele der gheener anghaet, die in gasthuysen ofte weeshuysen dienen, die selue sullen oock gehouden zyn naer die kerckelicke ordeninghe oft ordinantie haer te regulieren”. Zoo geschiedde dan ook bijv. te Amsterdam, waar in de 16e eeuw vijf gewone kerken en één gasthuiskerk waren. In 1582 werd ervoor het eerst een predikant beroepen. De regenten van het gasthuis verzochten den burgemeester, die het patronaatrecht had, om een zekeren Everhard Hermanszoon te beroepen. Deze bewilligde, maar wees hen naar den kerkeraad, die op zijn beurt bewilligde, onder voorwaarde, „dat de predikant zich in leer en kerkelijke vergaderingen voegde met de andere dienaren”. En zoo werd hij door den kerkeraad beroepen. Zoo geschiedde ook te Delft en op andere plaatsen.

2. Is zulk een hof-, gasthuis- en weeshuiskerk een zelfstandige kerk naast en tegenover de kerk op dezelfde plaats? De synode van Dordrecht, 1578, bedoelde dat wel, want zij bepaalde, dat ,,wt den alderbequaemsten des Hofghesins Ouderlinghen ende Diakenen” gesteld moesten worden. Maar de latere synoden lieten deze bepaling uit het artikel weg en lieten daarmee ook de gedachte, dat elk gezin, elk hof en elk gast- en weeshuis een eigen kerk, met een eigen kerkeraad kon inrichten, blijkbaar los. Wel is er in het N.T. sprake van verschillende huisgemeenten, bijv. te Jeruzalem in het huisgezin van Maria, Hand. 12: 12, van Jakobus, vs.17, van Filippus, Hand. 21: 8; te Rome in het huisgezin van Gajus, Rom. 16: 23; te Corinthe in het huisgezin van Aquila en Priscilla, 1 Cor. 16: 19 enz. Maar deze waren blijkbaar geen afzonderlijke en zelfstandige gemeenten, doch slechts deelen der plaatselijke gemeente, die bij gebrek aan kerkgebouwen in private woningen vergaderde, zoodat de geloovigen, al kwamen zij in verschillende woningen saam, toch met elkander daar ter plaatse één gemeente vormden, Hand. 5: 11; 8: 1. Voetius zegt dan ook, dat zulke hof-, gasthuis- en weeshuiskerken slechts oneigenlijke, onvolledige en voorloopige kerken, uit noodzakelijkheid voortgekomen, kunnen genoemd worden. Een gezin op een eiland, dat geheel geïsoleerd lag, zou daar een eigen volk en ook een eigen kerk in het klein vormen, met een beginsel van staatsrechtelijke en kerkelijke macht. Zoo kan er op een verafgelegen plaats wel een huiskerk met eenige kerkelijke macht wezen. Maar op plaatsen, waar wel een kerk is, mag toch naast de plaatselijke kerk geen zelfstandige hof- gasthuis- en weeshuiskerk met een eigen kerkeraad worden

|32|

ingericht. Hoogstens zouden zij als een afzonderlijk deel van een plaatselijke kerk op zich zelf mogen vergaderen, maar dan onder leiding van den kerkeraad der plaatselijke kerk.

3. Door wie moet een Dienaar in een hof-, gasthuis- en weeshuiskerk gekozen worden? Art. 6 bedoelt, dat deze verkiezing niet door den vorst, den heer of het bestuur van een weeshuis, maar door den kerkeraad daar ter plaatse moet geschieden. Er staat immers, dat geen dienaar zulk een dienst mag aannemen, „tenzij dat hij voorheen geadmitteerd en toegelaten zij volgens de voorgaande artikelen”, waarin staat, dat een dienaar „wettelijk beroepen” moet worden art. 3; en dat de beroeping moet geschieden „door den Kerkeraad met de Diakenen” art. 4. Maar dan treden er twee lastgevers op: 1e de kerkeraad, die hem voor den dienst aan het hof enz., beroept en hem aan de belijdenis en kerkenordening bindt; en 2e de vorst of heer of het stadsbestuur, die zulk een dienaar van den kerkeraad verzoeken, en de instructie voor den dienst vaststellen, waarin de uren voor de prediking, de catechisaties en het huisbezoek enz. geregeld worden. Zóó geschiedde bijv. in de 16e eeuw de beroeping van een dienaar in de gasthuiskerk te Amsterdam. De kerkeraad beriep zulk een dienaar als predikant der gemeente, maar dan voor den dienst in de gasthuiskerk, en maakte de bepaling, dat hij in het gasthuis alleen mocht prediken, (geen sacramenten bedienen), en dat hij lid was van den kerkeraad, doch in zijn ambtelijken dienst gebonden was aan de ordonnantie der burgemeesters. Art. 6 zegt immers, dat zulke dienaren op gewone wijze beroepen moeten worden en „niet minder dan andere aan de Kerkenordening onderworpen zijn”.

4. Is dit artikel op alle Christelijke gestichten van toepassing? Neen, alleen op gestichten, die van de plaatselijke kerk uitgaan of zich onder den plaatselijken kerkeraad stellen. De tegenwoordige gestichten ter verpleging van kranken, krankzinnigen, doofstommen, verwaarloosde kinderen, gevallen meisjes, enz. zijn echter kerkelijk neutraal, zoodat de plaatselijke kerkeraad alleen over diegenen van de verpleegden en van het personeel kerkelijk en geestelijk opzicht heeft, die tot een der Gereformeerde kerken behooren. Maar over den geestelijken dienst als zoodanig heeft hij niets te zeggen. Zoo besloot dan ook de generale synode van Middelburg, 1896, art. 125, dat een geestelijk verzorger van een christelijk gesticht, dat niet met de kerk als instituut in verband staat, in zijn qualiteit geen

|33|

toegang heeft tot de kerkelijke vergaderingen, noch als stemhebbend, noch als adviseerend lid. Zie ook de acta van Utrecht 1905, art. 88 en van ’s-Gravenhage, 1914, art. 139, die hetzelfde bepalen.

Inzake de verhouding tusschen de kerken en de christelijke gestichten kunnen er zich drie gevallen voordoen: 1e Dat een gestichtsbestuur geestelijke verzorgers aanstelt geheel buiten de kerk om, zooals bij de Methodisten, die kerk en ambt minachten, en bij ongodsdienstige en neutrale bestuurders, die toch nog wel een soort moreele verzorging willen. 2e Dat een gestichtsbestuur geestelijke verzorging inricht naast de kerk. Zooals in een huisgezin de vader den huiselijken godsdienst leidt, zoo kan het bestuur een huisvader of een afzonderlijk aangesteld geestelijk verzorger opdragen een gestichtsgodsdienst in te richten. Zulk een geestelijk verzorger is dan echter, al is hij ook predikant geweest en emeritus verklaard, in qualiteit van geestelijk verzorger geen dienaar des Woords; zijn prediking is geen ambtelijke bediening, zijn woning geen pastorie enz. Zoo is de verhouding in onze christelijke gestichten. De losmaking van een dienaar, die tot geestelijk verzorger werd benoemd, geschiedde dan ook aldus: a. Dat zulk een dienaar emeritus verklaard, en van den dienst zijner gemeente ontslagen wordt. b. Dat de emeriteering op gewone wijze plaats heeft, maar zonder financieele verplichting voor de kerk, die hem emeriteert. c. Dat hij zijn radicaal behoudt en op verzoek der kerken het woord en de sacramenten mag bedienen. d. Dat zijn geestelijke arbeid in het gesticht geen ambtelijk karakter draagt en zijn prediking geen bediening des Woords, maar „een stichtelijk woord” is. e. Dat hij als „geestelijk verzorger” geen toegang heeft tot de kerkelijke vergaderingen, doch alleen als emeritus-dienaar zijner kerk, aldaar de kerkeraadsvergadering zou kunnen bijwonen en naar de classe afgevaardigd zou kunnen worden, enz., maar dan in zijn oude gemeente en classe alleen.
3e Dat een gestichtsbestuur de geestelijke verzorging regelt niet buiten de plaatselijke kerk om of naast haar, maar in verband met haar, zooals dat in art. 6 bedoeld wordt en vroeger geschiedde. Het gestichtsbestuur verzoekt dan aan den plaatselijken kerkeraad, in de stichting den dienst des Woords te willen instellen, daarvoor een dienaar af te staan of afzonderlijk te willen verkiezen, examineeren, approbeeren en bevestigen, alles naar de artt. 4 en 5 K.O.

|34|

Het bestuur regelt dan alleen de uitwendige zijde van den arbeid, nl. waar en wanneer de prediking en de catechisaties zullen plaats hebben enz. In onze tegenwoordige christelijke gestichten, die kerkelijk neutraal zijn, kan echter zulk een ambtelijke dienst niet ingesteld worden. Personeel en verpleegden kunnen wel ambtelijk verzorgd worden, maar dan door den plaatselijken kerkeraad, waar zij als leden hooren, of, wat de verpleegden in ziekenhuizen betreft, door den kerkeraad waar het ziekenhuis staat en, wanneer zij uit andere plaatsen komen, op verzoek van de betrokken ambtsdragers. Onze christelijke gestichten vallen dus niet onder art. 6.

5. Mag in Stichtingen het H. Avondmaal bediend worden ? Ook aan niet-leden der kerk? En bij lijders aan besmettelijke ziekten met gebruikmaking van afzonderlijke bekers? Op die vragen antwoordde de synode van Leeuwarden, 1920, art. 25:

„1. dat het aan een Kerkeraad eener Gereformeerde Kerk geoorloofd is op eventueel ingekomen verzoek het Heilig Avondmaal te bedienen in Stichtingen, die op het grondgebied dier Kerk liggen en wel ten bate van de leden der Gereformeerde Kerken, die aldaar korter of langer tijd verpleegd worden en die zonder groote bezwaren de gewone samenkomsten der Gemeente niet kunnen bezoeken, mits de Kerkeraad bij deze Avondmaalsbediening vertegenwoordigd is en ook andere leden der Gereformeerde Kerken, die als verplegers enz. aan deze Stichtingen verbonden zijn, aan deze Avondmaalsbediening deelnemen;

2. dat ook verpleegden, die niet tot een der Gereformeerde Kerken behooren, tot deze Avondmaalsbediening kunnen worden toegelaten, wanneer er voor hen geen gelegenheid bestaat om in de Kerk, waarvan zij zelf lidmaat zijn, het Avondmaal te gebruiken, mits ze daartoe tijdig aan den Kerkeraad hun begeerte te kennen geven en de Kerkeraad zich verzekerd heeft, dat zij in hun Kerk tot het Avondmaal zijn toegelaten, dat zij in de grondstukken der Christelijke religie met ons overeenstemmen en onberispelijk van levenswandel zijn, terwijl zij voorts bereid moeten wezen. zoolang zij als gasten aan het Avondmaal deelnemen, zich aan het toezicht van den Kerkeraad te onderwerpen;

3. dat, wanneer onder de verpleegden die aan het Avondmaal deel willen nemen, lijders zijn aan een besmettelijke ziekte, waardoor het gebruik van een gemeenschappelijken beker

|35|

gevaar van besmetting zou opleveren, de kerkeraad na ingewonnen advies der doctoren, zoodanige maatregelen mag nemen als noodig zijn om het gevaar van besmetting zooveel mogelijk te voorkomen.”

Jansen, Joh. (1976) Art. 7

 

Art. VII. Niemand zal tot den dienst des Woords beroepen worden, zonder dat men hem in eene bepaalde plaats stelle, ten ware dat hij gezonden worde om hier of daar kerken te vergaderen.

 

Toewijzing van arbeidsterrein.

Dit artikel staat met de voorgaande in nauw verband. In art. 3 staat de bepaling, dat niemand in het ambt mag optreden zonder wettelijke roeping. Geen ambt zonder roeping. Een beroep kiest men zelf, maar tot een ambt moet men geroepen worden. De volgende artt., 4 en 5, bepalen dan nader, dat die roeping door den kerkeraad plaats heeft en dus van de plaatselijke kerk uitgaat. Art. 6 voegt er aan toe, dat die roeping ook geldt voor dienaren aan de hoven en in gestichten, die met de kerken in rechtstreeks verband staan. En art. 7 bepaalt nog nader, dat uit de roeping voortvloeit een vaste verbintenis aan een bepaald arbeidsterrein. Ter verklaring wijzen wij op de volgende punten:

1. De historische wording. Dit artikel werd gemaakt tegen de zgn. losse predikanten, ook wel „loopers” genoemd, die niet aan een bepaalde kerk verbonden wilden wezen, maar, evenals de apostelen en evangelisten, van de eene plaats naar de andere wilden reizen, om te prediken waar het hun goeddacht. Reeds de synode van Dordrecht, 1574, bepaalde in art. 14, dat zulke losse predikanten eerst door de classe geëxamineerd en daarna door een der dienaren van de classe aan de gemeenten gepresenteerd en, als er dan een kerkeraad ingesteld was, voor vast verbonden moesten worden. Zij traden dus meestal op in plaatsen, waar nog geen kerkeraad was, voorgevende, dat zij evenals de apostelen kerken wilden vergaderen. De synode van Dordrecht, 1578, verklaarde dan ook nader, art. 7, dat het niemand betaamt van de eene plaats tot de andere te reizen om te prediken, dewijl het ambt der apostelen voor langen tijd

|36|

in de gemeente opgehouden is. De apostelen hadden een buitengewoon, en slechts een tijdelijk ambt, dat na hun dood ophield te bestaan. En de evangelisten waren hun helpers, die met hen opgehouden zijn. De volgende synode, te Middelburg, 1581, matigde dit absoluut verbod door hare bepaling in art. 7, dat het „niemand geoorloofd zal zijn, hier en daar te gaan prediken niet hebbende eenige zekere plaats, buiten consent en autoriteit van de Synode of Classe.” Zij oordeelde dus, dat er gevallen mogelijk waren, dat iemand geroepen kan worden om hier en daar te prediken, zonder aan een vaste standplaats verbonden te worden, maar de beslissing stond niet bij den dienaar, ook niet bij een bepaalde kerk, maar bij de synode of classe. In welke gevallen dit nu geoorloofd was, gaf zij niet nader aan Dit deed de synode van ’s-Gravenhage, 1586, art. 7, nl. in twee gevallen: 1e „dat hij gezonden werd om hier of daar te prediken in de gemeenten onder het kruis”, die geen eigen predikant konden beroepen en vaak zelfs geen kerkeraad meer hadden; 2e „of anderszins om kerken te vergaderen”, wat allereerst ziet op den arbeid om de verstrooide kruiskerken weer bijeen te brengen, maar verder ook kan slaan op de prediking in streken, waar alles nog Roomsch was. De uitdrukking is dan ook zeer algemeen.

2. De regel is, dat niemand tot den Dienst des Woords zal beroepen worden zonder dat men hem in een bepaalde plaats stelle. De bedoeling blijkt duidelijk uit de oorspronkelijke redactie van de synode te Middelburg, 1581: „Men zal niemand tot den Dienst des Woords beroepen, zonder hem in een Kerk te stellen, die hij dienen zal” (Latijn: Nemo ad verbi ministerium vocandus est nisi illi ecclesia, cui inserviat, assignetur d.i. niemand zal tot den Dienst des Woords beroepen worden, zonder dat hem een Kerk toegewezen worde, welke hij dienen zal). Ze houdt dus den regel in, dat de roeping ook een vaste verbintenis aan een bepaalde gemeente meebrengt. De roeping gaat uit van de plaatselijke kerk, artt. 4 en 5, en ze is een roeping tot een bepaald arbeidsveld binnen de grenzen eener plaatselijke kerk.

Wij handhaven dit beginsel tegenover tweeërlei dwaling. Eenerzijds tegenover de Roomsche ordening, die iemand in het ambt stelt zonder hem aan een kerk te verbinden, of een bepaald arbeidsveld aan te wijzen. Er waren dan ook rondreizende priesters, die wel in het ambt stonden, maar aan geen vaste

|37|

plaats verbonden waren en „wandelende Levieten” (Ambulantes Levitae) genoemd werden. Zij reisden, zooals Voetius zegt, van de eene plaats naar de andere en boden zich aan jagers, kooplieden, reizigers, schippers enz. aan. om hun de genademiddelen der kerk toe te dienen. En anderzijds tegenover de zgn. „zending”, zooals die in de 17e en 18e eeuw in Friesland plaats had, waar de kerken door de classe of part. synode maar één examen lieten afnemen, waardoor iemand dan de „zending” verkreeg d.w.z. tot wettig dienaar geordend werd en dus het recht ontving om te prediken, sacramenten te bedienen en tucht te oefenen; zoodat ook hier iemand in het ambt gesteld werd, zonder dat hij aan een bepaalde plaats verbonden werd.

3. De uitzondering: ten ware dat hij gezonden worde enz hier of daar kerken te vergaderen. Reeds de synode van Middelburg, 1581, had bepaald, dat het niemand geoorloofd zou zijn hier en daar te prediken, zonder vaste standplaats, tenzij dan door autoriteit van de classe of synode. Deze nog eenigszins algemeene bepaling, werd door de synode van ’s-Gravenhage, 1586, nader beperkt tot twee gevallen, nl. 1e dat iemand gezonden werd om hier of daar te prediken inde gemeenten onder ’t kruis; en 2e dat hij gezonden werd „om anderszins kerken te vergaderen”. Alleen in deze beide gevallen was het naar het oordeel der synode toelaatbaar, dat iemand geen vaste standplaats had. Over de wijze, waarop zulk een zending zou moeten plaats hebben, spreekt het artikel zich niet uit. De bedoeling toch is niet, dat in die gevallen de classe of synode zelf alleen zou mogen zenden, maar dat de uitzending naar zulk een arbeid niet zou geschieden buiten consent en autoriteit van synode of classe. Wat de uitvoering betreft, vinden wij, dat de particuliere synode van Zeeland, te Tholen, 1602, aan de vier classen van Zeeland heeft opgedragen beurtelings hiervoor te zorgen. En deze wezen dan binnen haar ressort twee kerken aan, om daarvoor één harer dienaren voor een jaar te leenen. Het eerste van deze beide gevallen hield op te bestaan toen er geen kruiskerken meer waren en is daarom door de synode van Utrecht, 1905, geschrapt.

Het tweede geval, „of anderszins om kerken te vergaderen”, doelde oorspronkelijk waarschijnlijk èn op het vergaderen der verstrooide geloofsgenooten in de Roomsche landen èn op het vergaderen van kerken door de prediking onder de Roomschen. De synode van Utrecht, 1905, heeft deze uitdrukking met het

|38|

oog op de heiden-zending laten staan. En terecht, want Christus vergadert zich Zijn gemeente uit het gansche menschelijk geslacht. (Heid. Cat. Zond. 21). Ook in het geval van de zending is het dus geoorloofd, dat één of meer kerken in Nederland een dienaar des Woords uitzenden, om door de prediking des Evangelies onder de heidenen te arbeiden en aldaar kerken te vergaderen, zonder dat hij er nog aan een vaste standplaats verbonden is.

Jansen, Joh. (1976) Art. 8

 

Art. VIII. Men zal geen schoolmeesters, handwerkslieden of anderen, die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt toelaten, tenzij dat men verzekerd zij van hunne singuliere gaven, godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid. Zoo wanneer dan zoodanige personen zich tot den dienst presenteeren, zal de Classe hen (indien het de Particuliere Synode goedvindt) eerst examineeren, en naardat zij hen in het examen bevindt, hen een tijd lang laten in ’t privé proponeeren, en dan voorts met hen handelen, zooals zij oordeelen zal stichtelijk te wezen, volgens de generale regeling, daarvoor door de Kerken vastgesteld.

 

Toelating van niet-gestudeerden tot het predikambt.

Ter toelichting van dit artikel wijzen wij op de volgende punten:

1. De noodzakelijkheid van art. VIII. Hoezeer de kerken de wetenschappelijke opleiding noodig achtten, toch drongen een drietal redenen tot de toelating van niet-gestudeerden: 1e omdat er in de Nederlanden nog geen universiteiten waren, zoodat de studenten naar Heidelberg, Genève, Bazel of Zurich moesten; 2e omdat het gebrek aan dienaren drong tot een gemakkelijker weg om tot de bediening des Woords te komen; 3e omdat bleek, dat sommige onbestudeerde personen met buitengewone gaven waren toegerust. Het convent te Wezel, 1568, en de synode te Embden, 1571, wilden dan ook in de meer groote en aanzienlijke gemeenten „private proposities”, d.i. een soort practische oefenschool in het preeken, instellen, onder leiding van een der predikanten. De part. synode van Dordrecht, 1574, voegde er echter aan toe, dat deze proposities niet voor alle ongestudeerden toegankelijk waren, maar alleen voor hen „die

|39|

goet verstandt” hadden: „Is besloten dat men die alleen toelaten sal inden welcken alle dese dinghen bevonden worden: Ten eersten, godtsalicheyt ende ootmoedicheyt; ten tweeden, gaue van welspreeckenheyt; ten derden, goet verstandt ende discretie”. De synode van Dordrecht, 1618-’19, verscherpte deze bepaling nog meer en bepaalde volgens de juiste vertaling van den Latijnschen tekst: „Schoolmeesters, lieden van ambacht, of anderen, die niet op de Scholen in de talen, de vrije kunsten en de Godgeleerdheid gestudeerd hebben, zullen niet tot den dienst des Woords worden bevorderd, tenzij wij zekere kennisse bezitten omtrent hun singuliere gaven: te weten hun godzaligheid, ootmoedigheid, goed bevattingsvermogen, onderscheidend oordeel en ook omtrent hunne welsprekendheid. Zoo dikwijls derhalve zulke personen verzoeken mochten, om tot het Predikambt te worden toegelaten, zullen ze vóór alle dingen (indien de Synode dit goedvinde) in eene Classis onderzocht worden; en zoo zij bij dit onderzoek voldaan mochten hebben, zullen zij zich een aan te wijzen tijdlang in het opstellen van predicatiën en het voordragen daarvan oefenen; en daarna zal over hen besloten worden, naar dit voor de stichting (der kerken) het meest bevorderlijk blijkt” (zie Acta der voorloopige synode van Ned. Geref. kerken, geh. te Utrecht 1889, art. 169.)

Wie deze vertaling vergelijkt met den Hollandschen tekst, die hierboven is afgedrukt, merkt dat deze laatste niet zeer nauwkeurig geweest is. Toch is deze slecht-vertaalde tekst in 1618-’19 als art. 8 in de K.O. opgenomen en tot nu toe geldig. Alleen de laatste woorden: „volgens de generale regeling, daarvoor door de kerken vastgesteld” zijn er door de synode van Utrecht, 1905, aan toegevoegd. Bij een eventueele wijziging mag echter de interpunctie wel gewijzigd worden, omdat de woorden: „tenzij dat men verzekerd zij van hunne singuliere gaven, godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid”, den indruk geven, alsof deze singuliere gaven gecoördineerd d.i. nevengeschikt of zelfstandig naast de godzaligheid, ootmoedigheid, enz. staan, terwijl door verandering van de komma achter singuliere gaven in een dubbel punt, de juiste bedoeling uitkomt nl., dat singuliere gaven het hoofdbegrip is, en dat de woorden: godzaligheld, ootmoedigheid enz. daaraan gesubordineerd d.i. ondergeschikt zijn, om uit te doen komen, dat al die volgende eigenschappen op singuliere d.i. buitengewone wijze aanwezig moeten zijn.

|40|

2. De bedoeling van artikel VIII. Het bevat een regel en een uitzondering.

De regel is: Men zal geen schoolmeesters, handwerkslieden of anderen, die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt toelaten. De kerken achtten van den beginne aan wetenschappelijke opleiding noodig. Maar de nood der tijden drong er toe, dat er wel eens te veel de hand mee gelicht werd. Zoo klaagde Coolhaes, dat allerlei lieden, als ambachtslieden, kleermakers, schoemakers, wevers, slootmakers enz., die het niet om de eere Gods en de stichting der kerken, maar om een lui leven te doen was, in den kerkedienst indrongen. En al is de klacht van dezen voorlooper der Remonstranten niet vrij van partijdigheid en eenzijdigheid, dat er gegronde reden tot klacht was, blijkt genoeg uit de acta der kerkelijke vergaderingen. Vandaar, dat de classen telkens vermaand moesten worden, „op dit punt goede regaerd” (acht) te nemen, en dat als regel voor alle kerken werd bepaald, dat „geen schoolmeesters, handwerkslieden of anderen, die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt toegelaten zullen worden.”

De uitzondering is: tenzij dat men verzekerd zij van hunne singuliere gaven: (te weten) godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid. goed verstand, en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid. Voor de middelmatigen is de lange weg van studie noodig. Maar gelijk er beneden de lijn van het middelmatige een reeks van minderbedeelden voorkomen, die van alle hoogere studie zijn uitgesloten, steken er ook boven de lijn van het middelmatige een aantal mannen met singuliere, enkelen zelfs met geniale gaven uit, die zonder den langen studieweg tot den kansel kunnen worden toegelaten. Welke deze singuliere gaven zijn, volgt verder: 1e Godzaligheid (Latijn: pietas = vroomheid), een man vol des H. Geestes, vervuld van de vreeze Gods, Dit is hoofdvereischte. 2e Ootmoedigheid (Latijn : humilitas = nederigheid). De godzaligheid moet juist uitkomen in de ootmoedigheid, omdat iemand, die uitsteekt, zoo licht tot hoogmoed en zelfinbeelding vervalt. 3e Zedigheid (Latijn modestia = zedigheid). De godzaligheid moet verder uitkomen in de zedigheid, of het ingetogen leven. 4e Goed verstand (Latijn: excellens ingenium = scherp bevattingsvermogen), d.i. een gezond vermogen om de Schrift uit te leggen en haar diepen zin te verstaan, dus de gave der Schriftverklaring (exegese). 5e Discretie (Latijn: prudentia = de gave der onderscheiding),

|41|

d.i. een helder oordeel, om waar en valsch te onderscheiden en de noodige menschenkennis en vooral kennis van het zieleleven, om het Woord te kunnen toepassen. En 6e gaven van welsprekendheid (Latijn: eloquentia = welbespraaktheid) niet, dat hij een buitengewoon welsprekend man moet wezen, want dat zijn ook lang niet alle geschoolde dienaren, maar wel moet hij zijne gedachten in goede orde, helder en juist kunnen uitdrukken, zonder hinderlijk dialect, om het gehoor te kunnen boeien.
De bedoeling was dus niet om te onderzoeken of iemand heel of half wetenschappelijk ontwikkeld was, maar of hij, juist zonder voorafgaande wetenschappelijke opleiding voor het predikambt, toch de noodige geschiktheid voor het ambt bezat.

3. De toepassing van art. VIII. Daarvan zegt het slot van het artikel: Zoo wanneer dan zoodanige personen zich tot den dienst presenteeren, zal de Classe hen (indien het de Particuliere Synode goedvindt) eerst examineeren, en, nadat zij hen in het examen bevindt, hen een tijdlang laten in ’t privé proponeeren, en dan voorts met hen handelen, zooals zij oordeelen zal stichtelijk te wezen, volgens de generale regeling, daarvoor door de kerken vastgesteld.

De generale regeling, waarvan hier sprake is, vinden wij in de Acta van Dordrecht, 1893, art. 175: 1eDe Gereformeerde kerken erkennen geen anderen weg tot de Bediening des Woords dan die der Theologische Studiën, behoudens alleen de zeer zeldzame gevallen, waarin, bij hooge uitzondering, de Heere, naar Zijn vrijmachtig welbehagen, langs anderen weg de noodige gaven verleent. 2eOm dit te weten, zal de Provinciale Synode van hen, die zich hiertoe aanbieden, allereerst de noodige attesten van Kerkeraad en Classis onderzoeken ten aanzien van de in art. VIII K.O. geëischte eigenschappen. Vervolgens zal zij zelve te dien aanzien nader onderzoeken. Alleen indien de aanwezigheid daarvan boven allen twijfel verheven blijkt, zal zij hem toelaten tot het praeparatoir-examen. 3eDit praeparatoir-examen zal den examinandus worden afgenomen door de classis zijner woonplaats, die het overige deel van art. VIII K.O. zal uitvoeren; en wanneer hij aan het einde van den oefeningstermijn voldoende zal zijn bevonden, hem beroepbaar zal stellen; waarna hem dan het peremptoir-examen wacht. Deze beide examina onderscheiden zich van die der Theologisch opgeleiden alleen door het niet onderzoeken in de oude talen. Tevens sprak de synode nog

|42|

uit, dat zij het niet noodig achtte aangaande het getal keeren van onderzoek van eenzelfden persoon bepalingen te maken, omdat de Provinciale Synoden ten dezen zelve te beslissen hebben.

De synode gaat terecht uit van de gedachte, dat „zoodanige personen zich tot den dienst presenteeren”, dus dat zoo iemand zich zelf hiertoe aanbiedt. Hij wendt zich tot den kerkeraad zijner gemeente om attesten ten aanzien van de in art. 8 geëischte gaven, zoodat de kerkeraad in zulk een geval voor de vraag komt te staan, of deze gaven aanwezig zijn. Eventueel gaat hij met deze attesten naar de classe, waaronder hij ressorteert, evenzoo om attesten ten aanzien van de vereischte singuliere gaven, waaraan deze, gezien het attest van zijn kerkeraad, wanneer zij dit noodig acht, een onderzoek kan laten voorafgaan. De particuliere synode, waaronder de classe ressorteert, onderzoekt eerst de attesten van kerkeraad en classe en daarna den persoon zelve teneinde zich te verzekeren of de vereischte singuliere gaven aanwezig zijn en, wanneer de aanwezigheid daarvan boven allen twijfel verheven blijkt, laat zij hem tot het praeparatoir-examen toe. Dit praeparatoir-examen wordt den examinandus afgenomen door de classis zijner woonplaats en, „naardat zij hem in het examen bevindt (zal) zij hem een tijdlang in ’t privé laten proponeeren” d.w.z. een voldoenden tijd bijv. van een half jaar, bij den een langer, bij den ander korter, doch in elk geval lang genoeg om te kunnen oordeelen, predicatiën laten opstellen, deze aan bevoegde beoordeelaars, bijv. een paar bekwame dienaren uit de classe, laten voorleggen en, na hun goedkeuring verkregen te hebben, onder toezicht der respectieve kerkeraden in de kerken der classe laten uitspreken. Aan het einde van dezen oefeningstermijn zal zij dan voorts met hem handelen, zooals zij oordeelen zal stichtelijk te wezen, d.w.z. dan heeft het eindoordeel of het eigenlijk praeparatoir-examen plaats, dat hem beroepbaar verklaart in 't generaal voor alle kerken of hem afwijst. Wanneer hij beroepbaar verklaard wordt en daarna een beroep ontvangen en aangenomen heeft, volgt het peremptoir-examen door de classe, waaronder de kerk, die hem roept, ressorteert. Deze beide examina onderscheiden zich van die der Theologisch geëxamineerden alleen door het niet-onderzoeken in de oude talen.

Het gebeurde wel, dat iemand die eenmaal afgewezen werd, telkens weer terugkwam of zich later tot een andere part. synode

|43|

wendde. Op de vraag of een part. synode dan telkens weer zulk een onderzoek had in te stellen, antwoordde de synode van Utrecht, 1905. art. 96, „dat elke particuliere Synode geheel vrij is en blijft in de beoordeeling van de toelating van iemand, die naar art. 8 wenscht onderzocht te worden en er dus geen reden is, hieromtrent nadere bepalingen te maken.”

Jansen, Joh. (1976) Art. 9

 

Art. IX. Nieuwelingen, mispriesters, monniken, en die anderszins eenige sekte verlaten hebben, zullen niet toegelaten worden tot den kerkedienst, dan met groote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij ook eenen zekeren tijd eerst wel beproefd zijn.

 

Toelating van nieuwelingen, enz.

Dit artikel bedoelde de toelating van een bepaalde klasse van personen, die met bijbedoelingen overkwamen, te belemmeren. Er waren Roomschen en Dooperschen, die aanstonds of eerst nadat de vervolging was geweken, uit overtuiging overkwamen, maar er waren er ook, die zich uit eigenbelang en om den broode trachtten in te dringen. Tegen deze laatste klasse werd deze scherpe bepaling gemaakt. De kerken moeten den dienst des Woords hooghouden. Paulus zegt met nadruk in 1 Tim. 5: 22: „Leg niemand haastiglijk de handen op en heb geen gemeenschap aan anderer zonden”. Het komt bij elken post en bij elk beroep, maar bijzonder bij het ambt der bediening, op de rechte personen aan. Daarom moeten de kerken met groote voorzichtigheid handelen bij de toelating van nieuwelingen, mispriesters en monniken, en die anderszins eenige secte verlaten hebben. Deze vier klassen zijn wel te onderscheiden.

1. De nieuwelingen (neophyti). Een nieuweling of neophiet is 1e iemand die pas uit het heidendom tot het christendom overkomt, en die niet aanstonds in het ambt gesteld mag worden: „geen nieuweling opdat hij niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle”; en 2e iemand, die pas uit een andere kerkformatie is overgekomen, zooals de synode van Dordrecht, 1578, sprak van „nieuwelinghen, die het pausdom ofte eenighe secten verlaten hebben”, zoowel leeken als geestelijken, die Roomsch of Doopersch geweest waren en tot ons

|44|

overkwamen. Zij moesten met groote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, en eerst nadat ze een proeftijd doorstaan hadden, toegelaten worden.

2. De Mis-priesters (sacrifici), die van de Roomsche kerk tot de Gereformeerde kerken overkwamen. Het waren meestal vagebond-priesters, die wel in het ambt stonden, maar geen vaste plaats hadden en hier en daar gingen preeken en doopen. Hun doop werd wel erkend, omdat zij bij Rome in het ambt stonden. Maar men moest voorzichtig wezen met hun toelating tot het predikambt bij de Gereformeerde kerken.

3. De Monniken (Grieksch: μοναχος, Latijn: monachus = alleen-levend, eenzame), die bij de Roomsche kerk een soort derden stand vormen naast den clerus en de leeken. Zij stonden niet in het ambt, maar hadden zich door de gelofte van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid van de wereld afgezonderd. Hun doop werd niet erkend. Zij kwamen wel over, maar de kerken moesten zeer voorzichtig met hen wezen.

4. Ten slotte is er nog sprake van hen, die anderszins eenige secte verlaten hebben nl. die van de Wederdoopers overkwamen en vooral gevaarlijk waren, omdat deze noch van vaste ambtsdragers, noch van wetenschappelijke opleiding wilden weten. Ieder kon den dienst waarnemen: eenvoudige handwerkslieden als schoenmakers, smeden, timmerlieden, enz., menschen die lezen noch schrijven konden. Hoe minder het hoofd vol wetenschap was, hoe vrijer orgaan des Geestes! Alleen zij, die uit overtuiging met de Doopersche dwalingen gebroken hadden en de Gereformeerde leer aanhingen, mochten toegelaten worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 10

 

Art. X. Een Dienaar, eens wettelijk beroepen zijnde, mag de gemeente, aan welke hij verbonden is, niet verlaten, om elders eene beroeping op te volgen, zonder bewilliging des Kerkeraads met de Diakenen, en met voorweten van de Classis, gelijk ook geene andere Kerk hem zal mogen ontvangen, eer hij wettelijke getuigenis zijns afscheids van de Kerk en Classe, waar hij gediend heeft, vertoond hebbe.

 

Vertrek van de eene naar de andere gemeente.

In art. 5 is reeds gehandeld over de beroeping tot eene andere gemeente en de manier derzelve. Art. 10 sluit zich daarbij

|45|

aan en handelt over de opvolging van zulk een beroeping en de beslissing in dezelve. Er waren rondreizende predikers, die in drieërlei opzicht zondigden: 1e omdat zij zonder roeping en examen optraden, waartegen toen de artt. 3 en 4 werden opgesteld; 2e omdat zij zich aan geen vaste standplaats en bepaald arbeidsveld wilden verbinden, waartegen toen de bepaling van art. 7 is gemaakt; 3e dat zij, na hier en daar een tijdlang gepreekt te hebben, als het hun niet langer beviel, zoo maar, zonder aan hun kerkeraad en classe verlof te vragen, weer naar een andere plaats vertrokken; en tegen deze onordelijkheid geldt nu art. 10. Wij wijzen op de volgende punten:

1. De wettelijke beroeping met of zonder conditie. Een dienaar, eens wettelijk beroepen zijnde, mag de gemeente, aan welke hij verbonden is, (in de oude redactie stond: „daer hij sonder conditie aenghenomen is”) niet verlaten enz. Er was dus oudtijds sprake van een beroeping met en zonder conditie. De kerken stelden toen iemand, dien zij niet voldoende kenden, wel een tijdlang op proef. Er waren nog te veel, die geen geregelde opleiding ontvingen. Gedurende dien proeftijd moest het dan blijken of zij de noodige ambtsgaven bezaten, zich ijverig op de studie toelegden, de gemeente trouw dienden, onberispelijk waren in leer en leven; dus of zij aan de gestelde verwachtingen beantwoordden. Was de tijd verstreken en beviel het van een van beide zijden niet, dan ging men van elkander. Een andere reden was, dat predikanten, die vanwege de vervolging verdreven werden of moesten vluchten, een tijdlang een andere gemeente dienden, totdat zij weer konden terugkeeren. Maar toen die redenen wegvielen, d.w.z. toen de vervolging ophield en er een vaste rubriek van geschoolde dienaren kwam, drong de synode van Dordrecht, 1578, er reeds op aan, dat de dienaren zich „gheheelick” aan de gemeenten moesten geven, Spoedig verviel de beroeping op conditie geheel en had de beroeping zonder conditie van tijd, dus voor altijd plaats. Dit was al regel tijdens de synode van Dordrecht, 1618-’19, maar zij liet de bepaling nog staan voor de enkele gevallen, die zich nog eens konden voordoen. Eerst de synode van Utrecht, 1905, liet ze weg, omdat in een geval van hooge uitzondering de conditie in den beroepsbrief omschreven kan worden.

2. De gemeente verlaten en elders eene beroeping opvolgen. Een dienaar mag zijne gemeente „niet verlaten” d.i.

|46|

den band met haar niet verbreken, van haar niet heengaan en haar niet herderloos achterlaten, — het woord „verlaten” beteekent hier hetzelfde als in de uitdrukking: „zijn vrouw verlaten” d.i. haar verstooten, haar achterlaten en van haar heengaan, — „om elders eene beroeping op te volgen” d.i. om elders daadwerkelijk den dienst te aanvaarden. In de oude redactie der 16e eeuw stond: „om elders een beroepinghe aen te nemen”; maar wijl „eene beroeping aannemen” tegenwoordig een geheel andere beteekenis heeft dan in de 16e eeuw en nu zooveel wil zeggen als: „besluiten om heen te gaan”, waarna de uitvoering van het besluit nog wel weken kan duren, terwijl in de 16e eeuw „eene beroeping aannemen” beteekende: „eene beroeping opvolgen” d.i. daadwerkelijk den dienst in eene andere kerk aanvaarden; wat duidelijk blijkt uit den Lat. tekst „ad aliam transferri ecclesiam non poterit” d.i. hij zal niet tot eene andere kerk kunnen overgeplaatst worden; zoo heeft de synode van Utrecht, 1905, de woorden: „om elders eene beroeping aan te nemen” aldus gewijzigd: „om elders een beroeping op te volgen” d.w.z. om elders (nl. in een andere plaats) eene beroeping op te volgen d.i. daadwerkelijk den dienst te aanvaarden; zoodat het woordje „elders” niet bij „beroeping”, maar bij „op te volgen” behoort; immers het „verlaten zijner gemeente” d.i. het afscheid en het vertrek gaat vooraf en daarna komt de tweede acte nl. het opvolgen van eene beroeping of in dienst treden „elders”, op een andere plaats.

3. Zonder bewilliging des Kerkeraads met de Diakenen d.i. van den breeden kerkeraad, want de breede kerkeraad beroept, het ligt dus in de lijn, dat de breede kerkeraad ook uit het ambt ontslaat.

Waarom is deze „bewilliging” van den breeden kerkeraad noodig? Omdat een dienaar „zonder conditie van tijd” d.i. voor zijn leven aan den dienst in zijne gemeente verbonden is. Was hij met conditie van tijd bijv. voor tien jaar verbonden, zooals dat vroeger wel geschiedde, dan kon hij aan het einde van den termijn heengaan. Maar nu hij „voor onbepaalden tijd” beroepen is en zich verbonden heeft, mag hij den band niet eigenmachtig verbreken. De band tusschen dienaar en gemeente is bilateraal d.i. wederzijds bindend van karakter. De eigenaardigheid is, dat zulke overeenkomsten alleen door wederzijdsche toestemming van beide partijen kunnen aangegaan en ook weer ontbonden worden. Moeilijkheid levert het op,

|47|

wanneer de eene partij den band wel, maar de andere niet wil ontbinden. De dienaar alleen kan dan niet beslissen; de kerkeraad alleen ook niet; maar beide samen door onderling overleg; en kunnen ze het niet eens worden, dan is er voor beide partijen beroep op de meerdere vergaderingen mogelijk.

Welk karakter draagt deze „bewilliging”? In de 16e en 17e eeuw was ,,bewilliging” in de practijk gelijk aan „beslissing” des kerkeraads. Ontving een dienaar een beroep en wilde de kerkeraad hem niet laten gaan, dan moest hij wel blijven of werd er soms een kerkelijke procedure uit geboren; terwijl er bij de beslissing door de classe minder met de neiging van den dienaar en meer met het belang der betrokken kerken gerekend werd. In de 18e eeuw sloeg de evenaar echter om en kwam de beslissing in de practijk schier uitsluitend bij den dienaar en was de „bewilliging” van den kerkeraad al meer een gedwongen fraaiigheid, omdat het steeds moeilijker bleek een dienaar tegen zijn zin te dwingen, of te blijven of te gaan. De juiste beteekenis is: dat de dienaar provisioneel (voorshands) beslist en dat de kerkeraad in die beslissing bewilligt. Eerste stadium is de dienaar ontvangt het beroep, hij moet er dus allereerst over oordeelen. Hij is de eerste, de actieve, de handelende, de oordeelende; hij mag de gemeente „niet verlaten om elders eene beroeping op te volgen” enz.; de actie gaat dus van hem uit; hij moet dus, zooals Voetius zegt, zelf eerst het beroep approbeeren, want niemand kan een beroep opvolgen of hij moet overtuigd wezen, dat het beroep wettig en in den Heere gedaan is. Tweede stadium is: dat hij van zijn voorloopige beslissing, om te blijven of heen te gaan aan den kerkeraad kennis geeft. Van het eerste geval, wanneer hij overtuigd is, dat hij van Gods wege moet blijven, zegt het artikel niets, omdat een dienaar „zonder conditie van tijd” aan de gemeente verbonden is. Oordeelt de kerkeraad echter om gegronde redenen (geen persoonlijke gevoeligheden) dat het èn voor den dienaar èn voor de gemeente beter is, dat hij vertrekt, dan deelt bij dat oordeel aan den dienaar mee en deze doet wél er ernstig mee te rekenen. Kan hij met dat oordeel niet instemmen en komt er bij nader overleg geen overeenstemming, dan is beroep op de meerdere vergaderingen mogelijk. In het tweede geval deelt bij zijn voorloopige beslissing, om de roeping op te volgen, met opgave van redenen (bijv. dat hij elders grooter of kleiner arbeidsveld krijgt, of met meer stichting hoopt

|48|

te kunnen dienen, of omdat zijn gezin grooter wordt en hij van zijn traktement niet meer kan leven, enz.) aan den kerkeraad mee met de vraag om er in te bewilligen. Derde stadium de kerkeraad moet dan overwegen, of er genoegzame redenen zijn om in zijn heengaan te bewilligen. Hierbij kunnen zich drie gevallen voordoen: a. dat de kerkeraad de aangevoerde redenen voldoende acht, en acte van eervol ontslag verleent; dan verloopt de zaak gemakkelijk; b. dat de kerkeraad wel in zijn heengaan bewilligt, maar geen eervol ontslag meent te kunnen geven; dan is nader overleg noodig om tot vereenstemming te komen; en ten laatste beroep op de meerdere vergaderingen mogelijk; c. dat de kerkeraad op goede gronden (bijv. dat in een groote gemeente met meer dienaren, nu de laatste zou heengaan), de bewilliging meent te moeten weigeren; in welk geval de dienaar zich wel ernstig mag bedenken; maar, zoo bij bij zijne voorloopige beslissing persisteert en, na overleg, geen overeenstemming verkregen te hebben, de zaak op de classe kan brengen.

4. En met voorweten van de Classe: waarmee bedoeld wordt, dat de classe mede moet toestemmen en bewilligen. Het woord „voorweten” heeft hier de beteekenis van toestemstemmen, bewilligen. Het kan toch gebeuren, dat een classe voor het geval staat, dat bijna alle dienaren uit haar ressort zijn vertrokken en ernstig bezwaar moet maken, dat ook deze heengaat. In gewone gevallen echter, wanneer kerkeraad en dienaar tot overeenstemming gekomen zijn, kan de classe er zich bij aansluiten en bestaat het voorweten dus alleen in het controleeren der acte van afscheid van den kerkeraad en in de vraag of zij zelve ook een acte van ontslag kan uitreiken; doch ook dit is noodig om te zorgen, dat alles eerlijk en met orde geschiede.

5. Gelijk ook geene andere Kerk hem zal mogen ontvangen, eer hij wettelijke getuigenis zijns afscheids van de Kerk en Classe, waar hij gediend heeft, vertoond hebbe. Hier wordt niet bedoeld het bewijs, dat hij zijn afscheidspredikatie gehouden heeft, maar de acte van ontslag van de kerk, die bij diende en van de classe, waartoe deze behoorde. Vroeger gebeurde het wel, dat een dienaar, die zonder acte van ontslag van zijn kerkeraad en classe, dus als een deserteur, naar een andere kerk overliep, een half jaar geschorst werd. Ook zou een kerk, die hem ontving, ernstig te berispen zijn.

|49|

Op de vraag, „wanneer een vertrekkende dienaar los is van zijne kerk”, antwoordde de synode van Amsterdam, 1908, art. 71: „1e dat in het wettelijk getuigenis zijns afscheids volgens art. 10 K.O., aan een vertrekkend Dienaar te geven, zal worden opgenomen, dat het ontslag zijner Kerk ingaat op den datum, waarop hij, volgens de overeenkomst met de beroepende Kerk, door deze laatste zal worden ontvangen; 2e dat voor dezen datum in den regel zal gesteld worden de Zaterdag, volgende op den dag, waarop de beroepen Dienaar, in de kerk welke hij verlaat, afscheid zal hebben gepredikt, tenzij met onderling goedvinden door de betrokken Kerken anders mocht worden bepaald; en 3e dat van dien bepaalden datum af de beroepen Dienaar geheel komt voor rekening van de roepende Kerk”.

Jansen, Joh. (1976) Art. 11

 

Art. XI. Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, en hen niet uit hun dienst te ontslaan zonder kennis en approbatie van de Classe en van Deputaten der Particuliere Synode.

 

Onderhoud en ontslag des Dienaars.

Artt. 10 en 11 behooren bij elkaar. Art. 10 zegt welke verplichting de band aan zijn kerk (zie artt. 3-9) voor den dienaar meebrengt nl. dat hij zijn gemeente niet eigenmachtig en eigenwillig mag verlaten. Art. 11 voegt er nu aan toe, welke verplichting er wederkeerig voor zijn gemeente uit volgt, en wel:

1. De verplichting tot onderhoud van den dienaar: Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen. Deze verplichting vloeit voort uit de roeping van de zijde der kerk. Immers de kerk roept hem om haar met al zijn gaven en krachten, tijd en vermogens te dienen, zoodat hij niet voor zich zelf kan zorgen en ook geen burgerlijke functie kan waarnemen, omdat dit aan zijn ambtelijken dienst te veel schade zou doen. In de 16e eeuw kwam het wel voor, dat een dienaar of zijn vrouw er iets bij deden om hun inkomen te vermeerderen

|50|

(bijv. advocaat, notaris, arts, winkel). De kerken keurden dat echter af. Niet uit een doopersch beginsel van mijding, alsof een dienaar er te geestelijk voor is, want Paulus heeft ook wel een tijdlang als tentenmaker in zijn onderhoud voorzien. Maar wel omdat de ambtelijke dienst al onze liefde, Joh. 21: 15-17; 2 Cor. 5: 14; al onzen tijd, Joh. 9: 4; al onze gewilligheid, 2 Cor. 9: 16-17; al onze volharding, 2 Tim. 4: 1-6; en onze algeheele afzondering tot en onze toewijding aan het werk der bediening vraagt, Rom. 1: 1; Hand. 15: 26.

Deze verplichting is aanstonds door de kerken uitgesproken. Aanvankelijk was het de nood die er toe drong, want door de breuke met Rome verloren zij alle goederen. Het convent te Wezel, 1568, adviseerde dan ook overal commissies te vormen van „mannen van beproefd geloof en levenswandel, die de bezoldiging der dienaren en wat voorts tot het gebruik van den dienst (des Woords) noodig zal zijn, verzamelen zullen.” Zie ook acta van Embden, artt. 36 en 40. Maar nadat zij sinds 1572 al meer de vrijheid verkregen en de overheid op vele plaatsen met de reformatie meeging, hebben zij toch deze verplichting, dat de kerken zelf voor het onderhoud der dienaren te zorgen hebben, als een beginsel gehandhaafd. Wel kwamen zij in de practijk telkens tot de Staten om de traktementen uit de kerkelijke en geestelijke goederen te ontvangen, maar zij meenden daartoe het recht te hebben, omdat de Gereformeerde kerken geen nieuwe, maar de voortzetting van de oude apostolische, door de Roomsche bijgeloovigheid verbasterde kerken, waren en dus op de aloude kerke-goederen, die met de reformatie op vele plaatsen onder beheer der overheid gekomen waren, rechtmatig aanspraak konden maken. Eerst in de laatste eeuw is bij de Gereformeerde kerken het besef levendig geworden, dat de kerken dit beginsel ook zelf moeten uitvoeren.

Deze verplichting legt Gods Woord dan ook aan de kerken op. Dit blijkt kortelijk uit de volgende bepalingen: a. dat de dienaren des Evangelies onderhouden moeten worden door degenen, onder wie zij arbeiden. Matth. 10: 10 en Luk. 10:7, „want de arbeider is zijn voedsel (of gelijk Luk. 10: 7 zegt: zijn loon) waardig”, gelijk de Heiland zelf onderhouden werd door degenen die Hem dienden van hun goederen; b. dat zij, volgens de ordinantie van Christus, die in het natuurrecht, 1 Cor. 9: 7; in de wet van Mozes vss. 8-10; in het geestelijk recht, vss. 10-12; en in de zorg voor de priesters in het O.T.

|51|

vs. 13 gegrond is, van het Evangelie moeten leven: „Alzoo heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven”; c. dat de nalatigheid inzake deze verplichting ernstig berispt en een bespotting van God genoemd wordt, die door Hem bestraft zal worden, Gal. 6: 6-8.

Deze verplichting rust op de gemeente, maar moet door den kerkeraad, die haar representeert, uitgevoerd worden. Is zij er niet van overtuigd, dan moet hij haar uit de Schrift hare roeping duidelijk maken. Een vast bedrag geeft art. 11 uit den aard der zaak niet aan. Het spreekt alleen van „behoorlijk onderhoud” (Latijn: stipendia justa d.i. het loon waarop zij recht hebben). Het onderhoud is geen liefdegave, maar verschuldigd loon. Jezus zeide zelf: „de arbeider is zijn loon waardig” Luk. 10: 7. Maar het bedrag is in verschillende kerken en tijden onderscheiden. In de dagen der vervolging waren de kerken arm en konden zij maar een klein traktement geven. Dat is thans anders. De meeste kerken kunnen hare dienaren nu wel een ruim bestaan verzekeren. Ook de positie van den dienaar zelf heeft invloed. In de Roomsche kerken hebben alle dienaren vanwege het coelibaat een klein gezin en ongeveer dezelfde eischen. Maar in de Gereformeerde kerken maakt het groot verschil of een dienaar gehuwd is of niet; en, zoo ja, of hij een klein of een groot gezin heeft. In den regel wordt daarop te weinig gelet en toch is het naar Gods woord, dat een dienaar met zijn gezin van het Evangelie moet kunnen leven. Kleine en zwakke kerken moeten krachtens den eisch van het kerkverband door de sterke worden gesteund. Evenmin bepaalt art. 11 hoe de kerkeraden aan het bedrag moeten komen. In vele kerken wordt het samengebracht uit kerkcollecten, contributies en zitplaatsengelden. Dit alles is aan de vrijheid der kerken overgelaten. Kerkcollecten zijn niet af te keuren als in de afkondiging maar uitkomt, dat ze zijn ter voldoening aan de verplichtingen jegens den kerkedienst, terwijl die voor de armen strekken om mede te deelen tot de behoeften der heiligen. Het stelsel van hoofdelijken omslag, waarbij de kerkeraad regelt, wat de leden ongeveer behooren bij te dragen, is aan te bevelen, als de leden dan maar vrij gelaten worden hun aandeel vrijwillig te bepalen. Het stelsel van zitplaatsen verhuren, zooals dat in vele kerken bij opbod plaats heeft, is af te keuren en tegen de Schrift, Jak. 2: 1-5. Wel wordt het bezwaar eenigszins weggenomen, wanneer rijken en armen overal door de geheele kerk heen kunnen zitten en een zeker bedrag

|52|

voor hunne zitplaatsen vrijwillig willen bijdragen. Evenmin is het stelsel van vrije zitplaatsen aan te bevelen, want de kerk is geen gehoor- of concertzaal, waar de menschen kunnen plaats nemen, waar zij willen. Het meest zuivere is het stelsel der gezinsbanken, zoodat de ouders met hun kinderen krachtens den eisch van het genadeverbond bij elkander zitten in dezelfde bank.

2. De verplichting om hen niet eigenmachtig uit hun dienst te ontslaan (in de oude redactie stond: „niet verlaten” d.i. niet laten varen, verstooten, ontslaan) zonder kennis en approbatie van de Classe en van de Deputaten der Particuliere synode.

In welk geval is zulk een ontslag mogelijk? Er is in de latere jaren op verschillende synoden (Groningen, 1899, art. 121; Utrecht, 1905, art. 89; Amsterdam, 1914, art. 139) over de strekking en toepassing van dit ontslag uit den dienst gehandeld. Het komt kort samengevat, hierop neer: 1e Art. 11 mag niet worden toegepast: a. in geval van onzuiverheid in leer of leven, welke onder de tucht. artt. 79 en 80 K.O., vallen en censurabel zijn; b. in geval kerkeraad en gemeente den dienaar wegens onwettige reden kwijt willen zijn, bijv. wanneer de schuld van de wanverhouding bij kerkeraad en gemeente ligt, want een predikant mag niet de dupe worden van lage bedoelingen, om een dienaar af te danken; c. in geval een predikant tot geestelijk verzorger in een onzer Christelijke gestichten van barmhartigheid wordt benoemd, want zoo iemand ontvangt geen ontslag naar art. 11, maar een soort emeritaat naar analogie van art. 13, met behoud van radicaal, maar zonder recht op emeritaatsgeld. 2e Maar art. 11 is voor een eigensoortig geval, waarin veelal door de schuld van beide zijden, de verhouding zóó gespannen is, dat de gemeente hem het toegezegde onderhoud niet meer geeft en hij er niet meer met zegen kan werken, ’t zij dan omdat hij wel de gaven heeft om een gemeente een tijd lang, maar niet om ze vele jaren met stichting te dienen, ’t zij dan omdat de karakters niet bij elkander passen, terwijl toch geen van beide partijen zich aan een censurabele zonde schuldig maakt, zoodat het niet onder de artt. 79 en 80 K.O. valt. In de 16e en 17e eeuw verplaatste de classe zulk een dienaar dan wel naar een andere kerk, zoodat volgens de oude redactie het slot van het art. dán ook luidde: „dewelke zal oordeelen of de voorschreven dienaars te verzetten zijn of niet.” Was een of andere kerk haar dienaar moe of kon zij hem niet meer betalen, dan vroeg zij aan de classe om hem te verplaatsen. Omdat deze

|53|

maatregel echter niet Gereformeerd, maar Roomsch is, zijn deze woorden in 1905 terecht geschrapt. Toch kan de classe in zulke gevallen wel iets doen. Zij kan aan de andere classen mededeelen, dat er inzake N.N. geen genoegzame redenen voor afzetting waren, en dat hij na oprechte schuldbelijdenis geacht kan worden wel in een andere, maar niet in zijn eigen gemeente meer met zegen te kunnen dienen; en daarom de aandacht der kerken op hem vestigt en hem bij haar aanbeveelt. Het ware te wenschen, dat dit meer geschiedde. De positie van zulk een ontslagen dienaar is deze, dat hij niet uit het ambt wordt ontzet, maar slechts van de werkzaamheden in die gemeente wordt ontslagen, zoodat hij ambtstitel of radicaal blijft behouden, voor andere kerken beroepbaar wordt verklaard, op verzoek in andere kerken Woord en Sacramenten mag bedienen, maar zoolang bij geen beroep ontvangt, de ontslagen-dienaar der gemeente, welke hij diende, blijft.

3. Wijl zulk een ontslag abnormaal is, geldt ook voor de financieele verplichtingen een abnormale regeling; het gewone traktement kan niet doorgaan, omdat hij den gewonen dienst niet meer verricht; emeritaatsgeld kan hij niet erlangen, omdat hij niet emeritus verklaard is, zoodat in den regel aan zoo iemand, zoolang hij geen gemeente weer heeft, een zeker „wachtgeld” wordt toegekend, waarbij dan met de positie van de vrouw en de minderjarige kinderen, ingeval van overlijden des dienaars, binnen den termijn van het wachtgeld gerekend werd, al kan de weduwe met de kinderen in eigenlijken zin geen aanspraak op emeritaatsgelden maken.

4. Dat van zulk een ontslag met opgave van redenen aan alle Classen der Gereformeerde kerken kennis gegeven moet worden, liefst in gesloten couvert.

Bij wie berust de beslissing? De kerkeraad onslaat, maar mag dat niet doen zonder kennis en approbatie van de Classe en van Deputaten der Particuliere Synode, en wel om drie redenen: 1e omdat de dienaar dan verzekerd is, dat hem geen onrechtvaardig ontslag gegeven wordt; 2e omdat de classe en de deputaten der part. synode ook behulpzaam zijn bij het peremptoir-examen en bij de toelating tot het ambt en nu ook bij het ontslag moeten erkend worden; 3e omdat er een meerdere macht moet zijn, die het ontslag moet goedkeuren, wijl de kerkeraad zelf partij is, zoodat er gevaar is, dat hij niet onbevangen oordeelt.

Jansen, Joh. (1976) Art. 12

|54|

Art. XII. Dewijl een Dienaar des Woords, eens wettelijk als boven beroepen zijnde, zijn leven lang aan den kerkedienst verbonden is, zoo zal hem niet geoorloofd zijn, zich tot eenen anderen staat des levens te begeven: tenzij om groote en gewichtige oorzaken, waarvan de Classe kennis nemen en oordeelen zal, welk oordeel de Classis niet zal uitspreken zonder kennis en approbatie van de Deputaten der Particuliere Synode.

 

Overgang tot een anderen staat des levens.

In dit artikel ligt drieërlei opgesloten: 1e het beginsel van levenslangen dienst; 2e de regel, die uit dat beginsel wordt afgeleid, dat een dienaar niet tot een anderen staat des levens mag overgaan; en 3e de uitzondering op dien regel: „tenzij om groote en gewichtige oorzaken, waarvan de Classe kennis nemen en oordeelen zal”.

1. Het beginsel van levenslangen dienst. Art. 12 gaat uit van het beginsel, dat een dienaar des Woords, eens wettelijk als boven beroepen zijnde, zijn levenlang aan den kerkedienst verbonden is. Dit beginsel rust niet op Roomschen grond, alsof het ambt een onverliesbaar karakter (character indelebilis) zou dragen en niet weer van den persoon te scheiden zou zijn, zoodat zelfs aan een priester, die door een of andere zonde zich het ambt onwaardig zou maken, niet het ambt zelf, maar alleen de uitoefening van het ambt kan ontnomen worden. Evenmin op grond van de Doopersche mijding, dat een dienaar des Woords, die eenmaal in het geestelijk ambt staat, alle aanraking van het burgerlijk leven voortaan moet mijden, Maar op grond van de Schrift, die duidelijk aanwijst, dat de ambtelijke dienst al onze liefde, Joh. 21: 15-17; 2 Cor. 5: 14; al onzen tijd, Joh. 9: 4; al onze gewilligheid, 1 Cor. 9: 16-17; al onze volharding, 2 Tim. 4: 1-6; en onze algeheele afzondering tot en toewijding aan het werk der bediening vraagt, Rom. 1: 1; Hand. 15: 26.

2. De regel hieruit afgeleid is: zoo zal het hem niet geoorloofd zijn, zich tot eenen anderen staat des levens te begeven. De Latijnsche tekst is nog sterker: „neque aliud vitae institutum obire possit” d.i. en niet kan overgaan tot een anderen staat des levens.

|55|

De beteekenis is, dat een dienaar zijn predikambt niet mag neerleggen, om in plaats daarvan een of ander maatschappelijk of wereldlijk beroep uit te oefenen. Men moet de uitdrukking: een anderen staat des levens hier in engeren, (niet in ruimeren) zin nemen en er onder verstaan een of ander maatschappelijk of wereldlijk ambt of beroep, bijv. dat van rechter, burgemeester, advocaat, schoolopziener, doctor in de medicijnen, fabrikant, handelaar, boer enz. In ruimeren zin genomen valt er natuurlijk iedere werkkring onder, die buiten het eigenlijke predikambt ligt, als het professoraat in de theologie en in de kerkgeschiedenis, de geestelijke verzorging in stichtingen van barmhartigheid enz. En de overgang tot zulk een werkkring werd in bepaalde gevallen als geoorloofd beschouwd. Maar deze gevallen vormen een eigen categorie, waarvan in onze K.O. nog geen bepaling gemaakt is en die tot nu toe naar analogie van art. 13 behandeld worden.

Valt een dienaar, die zijn ambt onwettig neerlegt, onder de tucht? Niet onder de tucht over de ambtsdragers. Hij kan niet wegens „trouwelooze verlating zijns dienstes met opschorting of afstelling van den dienst gestraft worden”, volgens art. 80 K.O., want „trouwelooze verlating van den dienst” ziet op een deserteur, die uit zijn gemeente gaat loopen, maar zich dienaar des Woords blijft noemen en elders dan ook gaat prediken, sacramenten bedienen enz. Het neerleggen van het ambt is een gelijksoortig geval als van een gewoon lid, die voor zijn lidmaatschap bedankt, zoodat uit den aard der zaak de eigenlijke tucht geen vat meer op hem heeft, omdat door het bedanken zijn lidmaatschap ophoudt en de tucht alleen over de leden der kerk gaat; of van een ouderling (en diaken), die zijn ambt neerlegt en niet meer onder de tucht over de ambtsdragers valt, omdat men hem niet meer ontnemen kan, wat hij eigenwillig terug gaf. Wel kan de kerkeraad zulk een daad ten sterkste afkeuren en dat openlijk uitspreken. En wel kan een geval zoo ernstig zijn, bijv. wanneer zulk een dienaar een ongeoorloofd levensberoep kiest als kroeghouder, tooneelspeler enz., of op zeer ergerlijke en lasterlijke wijze over den ambtelijken dienst en de dienaren des Woords spreekt, dat de gewone tucht over de leden op hem toepasselijk is. Maar de kerken staan hier voor een kwaad, dat ze wel streng kunnen afkeuren, doch ten slotte wel moeten dulden, omdat ze het niet kunnen tegengaan. Het spreekt van zelf, dat iemand, die zijn ambt neerlegt en tot

|56|

een anderen staat des levens overgaat en een of ander beroep kiest, ook niet meer mag proponeeren of een stichtelijk woord spreken. Hij keert terug tot de positie van een gewoon gemeentelid.

3. De uitzondering op den regel: tenzij om groote en gewichtige oorzaken, waarvan de Classe kennis nemen en oordeelen zal, welk oordeel de Classe niet zal uitspreken, zonder kennis en approbatie van de Deputaten der Particuliere Synode. Het is dus bij wijze van uitzondering geoorloofd alleen om groote en gewichtige oorzaken.

Enkele gevallen, welke algemeen ongeoorloofd geacht worden, zijn bijv., wanneer een dienaar ontslag vraagt: òf omdat de last van het ambt hem te zwaar wordt, wegens de veelvuldige moeilijkheden met kerkeraad en gemeente; òf omdat hij in de strikken der gierigheid gevangen ligt en een winstgevend beroep wil kiezen; òf omdat hij tot hooger eere zoekt te komen dan het predikambt hem biedt; òf omdat hij aan een of andere zonde schuldig staat en, om aan de schande en de tucht te ontkomen, in de vlucht heil zoekt; dan hebben wij zeker met ongeoorloofde gevallen te doen. De kerken moeten zoo iemand ernstig vermanen, van zijn zondig voornemen zich te bekeeren. Maar indien er geen oprechte bekeering plaats heeft, is het beter dat zij een eerbaar beroep kiezen dan langer met een onoprecht gemoed in het ambt te dienen. Maar op zich zelf genomen zijn het ongeoorloofde gevallen, die niet moesten voorkomen.

Daarnaast worden algemeen als geoorloofde gevallen beschouwd, wanneer de dienaar des Woords ontslag vraagt: òf omdat hij, naar art. 11 K.O. ontslagen zijnde, na maanden en jaren wachtens, geen beroep ontvangt, of van zijn wachtgeld niet leven kan en zoo gedrongen wordt een burgerlijk beroep te kiezen; òf omdat hij wegens gebrek aan ambtsgaven zijn gemeente niet langer kan dienen, en ook geen vrijmoedigheid heeft in een andere gemeente den dienst weer op te nemen; òf omdat hij door twijfel aan zijn inwendige roeping tot het ambt, of door twijfel aan een of ander punt van Schrift of belijdenis, gedrongen wordt om ontslag te vragen; òf wanneer iemand onder Gods voorzienig bestel tot een of ander gewichtig staatsambt (minister enz.) wordt verkozen, waarvan hij gelooft, dat God hem tot die taak heeft geroepen en ook de Classe oordeelt, dat het een geoorloofd geval is; òf omdat iemand tot rector van een gymnasium, of tot secretaris

|57|

van een christelijke studentenvereeniging, of tot professor in de letteren aan een Geref. universiteit wordt benoemd; al deze gevallen worden als groote en gewichtige oorzaken geacht, die het neerleggen van het ambt in een bepaald geval kunnen veroorloven.

Regel is daarbij, dat een dienaar des Woords, die tot een anderen staat des levens overgaat, geen predikant kan blijven en dus zijn titel en bevoegdheid verliest. Een predikant, die tot professor in de letteren, rechten, geschiedenis enz. benoemd wordt, gaat tot een anderen staat des levens over en verliest het ambt met al zijn bevoegdheden. Alleen de professoren in de theologie en, zooals Voetius er bij voegde, in de kerkgeschiedenis, zouden het predikambt kunnen behouden, omdat zij in de theologie ten dienste der kerken onderwijs geven. Zij worden dan echter niet naar art. 12 behandeld, maar naar analogie van art. 13 emeriti verklaard. Wie tot een anderen staat des levens d.i. tot een of ander burgerlijk beroep of maatschappelijke betrekking overgaat, verliest het ambt met al zijne bevoegdheden.

Ieder geval dat zich voordoet moet ter kennis van de classe gebracht en aan haar oordeel onderworpen worden. Tegen dezen regel wordt meermalen gezondigd. Het gebeurt telkens, dat een predikant zijn predikambt eigenwillig neerlegt en daarvan dan eenvoudig aan zijn kerkeraad (en aan de classe) kennis geeft. Dit is een eigenwillige daad, die tegen de Schrift ingaat. Niemand mag eigenwillig zijn ambt nederleggen. Het draagt een bilateraal (wederzijdsch) karakter. Daarom moet het voornemen daartoe ook aan de classe ter beoordeeling worden voorgelegd. Vroeger besliste dan de classe, maar sinds de synode van Leeuwarden, 1920, deze bepaling aanvulde, mag zij niet beslissen „zonder de kennis en approbatie (goedkeuring) van de Deputaten der Particuliere synode.” Dit is ook in de lijn van het kerkverband. De deputaten der part. synode worden ook erkend bij het inzetten in het ambt en moeten dus ook erkend worden bij het ontslag van het ambt.

Jansen, Joh. (1976) Art. 13

 

Art. XIII. Zoo het geschiedt dat eenige Dienaars door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden tot uitoefening huns dienstes, zoo zullen zij nochtans desniettemin de eere en den naam eens Dienaars behouden, en van de Kerk, die zij gediend hebben, eerlijk in hunne nooddruft (gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren in ’t gemeen) verzorgd worden.

 

Het emeritaat.

Van den beginne aan werd er voor de oude en gebrekkige dienaren gezorgd. De synode van Dordrecht, 1578, bepaalde reeds, dat zij, die door ouderdom of ziekte onbekwaam werden tot uitoefening van hun dienst, toch niettemin „de eere ende den naam” zouden behouden; en „van den kercken” (zwakke vrouwelijke 3e naamval enkelvoud) d.i. van de kerk, die zij dienden, voortaan moesten verzorgd worden. De volgende synode, te Middelburg, 1581, breidde deze bepaling nog wat uit door er ook de weduwen en weezen der dienaren In op te nemen. En de synode van ’s-Gravenhage, 1586, bracht nog enkele wijzigingen aan en stelde het artikel vast, zooals het tot nu toe nog luidt. Het valt in twee deelen uiteen en handelt over de emeriteering en over de verzorging of pensionneering.

1. De emeriteering: zoo het geschiedt, dat eenige dienaars door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden, tot de uitoefening huns dienstes, zoo zullen zij nochtans, desniettemin de eere en den naam eens Dienaars behouden.

De reden der emeriteering ligt in onbekwaamheid tot de uitoefening van hun dienst. Art. 11 handelt over ontslag uit den dienst wegens moeilijkheden in de gemeente. Art. 12 over het neerleggen van het ambt om tot een anderen staat des levens over te gaan. Art. 13 voegt er een andersoortig geval aan toe en wel „onbekwaamheid” (Latijn: inhabilis = ongeschikt, onbekwaam) tot de uitoefening van den dienst. De reden voor die onbekwaamheid kan liggen a in ouderdom, waarvoor de kerken thans den 70-jarigen leeftijd hebben vastgesteld; b in ziekte, door voortdurende krankheid; en c of „anderszins” in invaliditeit, gebreken, ongelukken enz., want worden zij eerder onbekwaam (inhabiel) wegens een of andere oorzaak, dan kan het emeritaat eerder verleend worden.
In den loop der geschiedenis is er echter nog een andersoortig geval bij gekomen en wel de emeriteering,

|59|

niet wegens onbekwaamheid tot den dienst, maar wegens overgang tot een of anderen geestelijken arbeid, bijv. wegens benoeming tot professor in de Theologie aan een hoogeschool of tot geestelijk verzorger aan een of ander christelijk gesticht. Het komt ons voor, dat dergelijke gevallen een eigensoortig karakter dragen en daarom bij een eventueele herziening der K.O. nader geregeld moeten worden. Van predikanten, die „tot een anderen geestelijken arbeid geroepen worden” (bijv. professoren in de theologie en geestelijke verzorgers) kan men toch niet zeggen dat ze „onbekwaam” geworden zijn tot hun dienst.

Het karakter van het emeritaat is ontslag van het ambtelijk werk met behoud van naam en eere: zoo zullen zij nochtans desniettemin de eere en den naam eens dienaars behouden. Zij worden niet ontzet uit hun ambt, maar alleen vrijgesteld van den dienst. Een dienaar, die uit het ambt ontzet werd, is een ex-dienaar d.i. een gewezen dienaar, die vroeger dienaar was, doch nu niet meer. Hij is geen emeritus-dienaar, die alleen van zijn dienstwerk wordt vrijgesteld, doch naam en eere behoudt. Het woord „emeritus” komt in art. 13 nog niet voor. Het was in het laatst der 15e en in het begin der 16e eeuw nog niet algemeen in gebruik. Wij vonden het ’t eerst in de acta van de particuliere synode van Appingadam, 1614. Het was oorspronkelijk een militaire term bij de Romeinen. Een soldaat, die zijn tijd uitgediend had, maar later nog opgeroepen kon worden, werd een emeritus of uitgediend soldaat, een veteraan genoemd. Later is het niet op staatkundig, maar wel op kerkelijk en wetenschappelijk, gebied overgegaan. Men gebruikt het niet van staatsdienaren en ook niet van ouderlingen en diakenen, maar alleen van predikanten en van professoren, omdat zij, wanneer zij niet meer dienen konden, toch hun naam en eere behouden. Art. 13 draagt geen limitatief of beperkend, maar een praescriptief of voorschrijvend karakter, zoodat hier niet het eenige geval wordt genoemd, maar alleen wordt voorgeschreven, dat het hier van toepassing is.

De gevolgen van het emeritaat zijn, dat een emeritus-dienaar van de verplichting tot zijn ambtelijk werk is ontslagen, maar toch de bevoegdheid daartoe blijft behouden. Hij blijft dus, ook al verhuist hij naar een andere plaats en wordt hij lid van een andere kerk, emeritus-dienaar van de kerk en, om zoo te zeggen, emeritus-lid van den kerkeraad, die hem emeriteerde, zoodat hij uit discretie voor zijn kerkeraad en zijn opvolger, zich in den

|60|

regel van het bijwonen der kerkeraadsvergaderingen onthoudt, tenzij dan op verzoek om mede tegenwoordig te zijn. Hij mag dan ook naar de classe en de synoden afgevaardigd en in het moderamen verkozen worden, al zal dit uit den aard der zaak niet vaak gebeuren. Indien hij later weer dienen kan, zou bij rechtens weer in zijn werkkring kunnen terugtreden. In de practijk gaat het meestal anders. De kerk, die emeriteert, ziet al spoedig een ander predikant te krijgen. En de emeritus-dienaar, die herstelt, ontvangt een beroep, en gaat naar een andere gemeente, zoo raken ze eerst practisch en ten slotte ook formeel van elkander los. Op een andere plaats, mag hij als ieder ander lid tot ouderling verkozen worden, zonder toestemming van den kerkeraad, die hem emeriteerde. Hij is daar dan slechts gewoon lid der gemeente, omdat hij haar emeritus-dienaar niet is, tenzij dat hij daar tot ambtsdrager (ouderling) verkozen wordt en als zoodanig zitting erlangt.

De wijze der emeriteering. Het artikel zegt er niets van, maar de generale synode van Dordrecht, 1893, art. 178, heeft er van bepaald: „De Emeritus-verklaring geschiedt, indien noodig, op aanvrage van de belanghebbenden, (hetzij Predikant of Kerkeraad) door de Classis, gesteund door de Deputaten ad examina der Provinciale synode”. Hierin liggen drie elementen. 1e Dat de aanvrage van den predikant uitgaat. Hij legt ze schriftelijk aan zijn kerkeraad voor, met opgave van redenen. De kerkeraad moet deze redenen grondig overwegen en daarna beslissen of hij de aanvrage goedkeurt. Indien niet, dan geve hij daarvan schriftelijk de reden op; en zoo de dienaar er zich niet bij neerlegt en er geen overeenstemming bereikt wordt, kan hij in appél gaan bij de classe. Indien ja, dan geeft hij daarvan schriftelijke verklaring af, met opgave van redenen. Indien ziekte de reden is, moeten twee bevoegde deskundigen (geneesheeren) verklaren, dat hij bij den voortduur door krankheid onbekwaam geworden is tot den dienst. Bij andere redenen staat de beoordeeling aan den kerkeraad met de classe. 2e Dat de aanvrage van den kerkeraad uitgaat. Hij spreekt er met zijn dienaar over en legt de redenen bloot. Bewilligt deze er niet in en komen zij niet tot overeenstemming, dan staat beroep op de classe open. Stemt de dienaar toe, dan stellen ze samen een aanvrage op, met opgave van redenen, door beide te onderteekenen. 3e Dat de classe, gesteund door de provinciale deputaten, over de aanvrage beslist. Wenschelijk is, dat de classe de aanvrage eerst

|61|

controleert, opdat de deputaten niet te vergeefs komen; en zorgt, dat, de deputaten tijdig worden aangeschreven. Deze deputaten moeten er bij zijn, en zijn dan aan de instructie gebonden, die de synode van Arnhem, 1902, in art. 144 heeft bepaald en die in de uitgave van Ds W.B. Renkema en Dr J.C. de Moor bij art. 13 is opgenomen.

2. De verzorging der emeriti: en van de kerk, die ze gediend hebben, eerlijk in hunne nooddruft (gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren in ’t gemeen) verzorgd worden. Ter toelichting wijzen wij even op drie punten:

a. Op het beginsel der verzorging nl. dat zij van de kerk, die zij gediend hebben in hunne nooddruft (gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren in ’t gemeen) verzorgd worden. De Christelijk Gereformeerde kerk van 1834 had daarvoor een algemeene kas onder beheer van een commissie, waaruit alle emeriti verzorgd werden, alsof alle kerken met elkander één genootschap vormden, dat voor alle pensioenen aansprakelijk was; en elke plaatselijke gemeente een afdeeling, die hare collecte moest storten om er uit te kunnen trekken. De Nederduitsch Gereformeerde kerken (1886) spraken echter uit op hare voorloopige synode van Leeuwarden. 1890, art. 21: „dat elke kerk in deze voor hare eigen dienaren des Woords heeft te zorgen”. Na de vereeniging in 1892 hebben de Gereformeerde kerken aan dat beginsel dan ook vastgehouden. Trouwens de oude synoden spraken het alle uit, dat zij „van den Kercken” (zwakke vrouwelijke 3e naamval enkelvoud, geen gewone 3e naamval meervoud) Dordrecht, 1578; van de „Ghemeijnte” Middelburg, 1581; van „die Kercke” ’s-Gravenhage, 1586; van „de Kercke”, Dordrecht, 1618-’19, „verzorgd moeten worden”.

Het bezwaar, dat het onbillijk is, de lasten der verzorging te leggen op de kerken, die de emeriti het laatst gediend en niet mede op de kerken, welke zij eerder en misschien veel langer en met frisscher krachten gediend hebben, is ongegrond en wel om deze twee redenen: 1e omdat de emeriti-verzorging niet, zooals het arbeiderspensioen, het karakter draagt van „uitgesteld” of „vroeger verdiend, maar te weinig uitbetaald loon”, want dan zouden de vorige kerken, waar hij diende, ook voor zijn pensioen mede moeten zorgen; maar zooals art. 13 op grond der Schrift zegt: „verzorging in hunne nooddruft” is, omdat de dienaren zich voor hun geheele leven en met al hun gaven en krachten aan den dienst des Woords gegeven

|62|

hebben en daarom tot aan hun dood toe niet alleen op „de eere en den naam”, maar ook op verzorging aanspraak hebben; en 2e omdat door het vertrek naar een andere kerk de band aan de vorige kerk geheel is losgemaakt en daarom ook de verplichting om voor zijn emeritaatsonderhoud te zorgen, ook in kerkrechtelijken zin, voor haar vervalt. Wel is het principieel niet ongeoorloofd, gelijk in verschillende provinciën reeds geschiedt, dat de kerken onderling naar een vasten rooster elkaar vrijwillig steunen, als maar geen enkele kerk er toe gedwongen wordt. Ook zijn er kerken, die, zooals de synode van Rotterdam, 1917, adviseerde, een fonds gevormd hebben, door geregeld daarvoor te collecteeren, wat ook op den duur den last gemakkelijker maakt.

b. Op het karakter der verzorging. Dit ligt in de woorden, dat zij eerlijk in hunne nooddruft verzorgd zullen worden. De verzorging is dus, zooals de synode van Dordrecht, 1893, art. 179, het uitdrukte, „niet zaak van barmhartigheid, maar recht der genoemde personen en plicht der betrokken kerken”, of zooals de synode van Utrecht, 1905, verklaarde, „evenals de verzorging van dienstdoende predikanten met hunne gezinnen en om gelijksoortige redenen, geen werk van barmhartigheid, maar eene uitkeering waarop de genoemden rechtmatige aanspraak hebben”. Die gelijksoortige redenen zijn in hoofdzaak tweeërlei: 1e omdat de dienaren zich geheel en voor altijd in den dienst der kerken stelden, zoodat zij niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, Joh. 21: 16; Hand. 15: 26; 1 Cor. 9: 16, 17; 2 Cor. 5: 14; Rom. 1: 1; en 2e omdat Christus nu wederkeerig de zorg voor de dienaren en hun weduwen en weezen, tot aan en zelfs na hun dood op de kerken gelegd heeft: „want de arbeider is zijn loon waardig”, Matth. 10: 10; Luk. 10: 7; en „die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven”, 1 Cor. 9: 6. 11, 14; 2 Cor. 11: 7-9; Gal. 6: 6; 1 Thess. 2: 6; 1 Tim. 5: 17, 18; 2 Tim. 2: 6. Zij draagt echter een ander karakter als het arbeiderspensioen. Dit is volgens de tegenwoordige begrippen een soort „uitgesteld” of „vroeger verdiend, maar toen te weinig uitbetaald loon”. Immers een arbeider, die wegens ouderdom of ziekte niet meer werken kan, is feitelijk geen werkman meer. De rechtsgrond voor zijn pensioen ligt in het vroeger verdiende, maar toen te weinig uitbetaalde loon. Maar een predikant blijft, ook nadat hij zijn dienstwerk moet

|63|

neerleggen, zijn naam en eere en ook het recht op verzorging in zijn nooddruft behouden. Om misvatting te voorkomen ware het misschien beter niet langer van pensioen, maar van verzorging der emeriti enz. te spreken.

c. Op den maatstaf der verzorging. Hiervan staat, dat zij eerlijk in hunne nooddruft (moeten) verzorgd worden. De synode van Dordrecht, 1578, bepaalde, „dat sy den ouerighen tyt hares leuens eerlick toebrenghen moghen.” Dus levensbehoefte. Die van Middelburg, 1581: „dat hem soo veel toegheleijt werde, daerop hij de reste zijns leuens eerlick ende bequamelick door comen moghe.” Dus het noodige levensonderhoud. En die van ’s-Gravenhage, 1586, bepaalde wat tot nu toe gelden bleef, dat zij „eerlijcken in haren nootdruft versorghet worden.” Zij moeten eerlijk, d.i. zóó, dat zij een fatsoenlijk, eerbaar, (honeste) leven kunnen leiden, in hun nooddruft d.i. het midden tusschen rijkdom en armoede, dus het bescheiden deel, dat bij hun levensstand past, verzorgd worden. Niet dat het bedrag van het onderhoud bíj allen hetzelfde moet wezen. Het is eisch van billijkheid, dat er met de grootte van het gezin en het aantal kinderen beneden 21 jaren, met het bedrag van het traktement, dat hij ontving en met bijzondere omstandigheden, die verhooging noodzakelijk maken, gerekend worde. Maar art. 13 bedoelt, dat alle emeritipredikanten, benevens hun weduwen en weezen, wanneer zij op wettige wijze emeritaat ontvangen, eerlijk in hun nooddruft verzorgd worden, onverschillig of zij korter of langer gediend hebben.

Jansen, Joh. (1976) Art. 14

 

Art. XIV. Zoo eenige Dienaars om de voorschreven of eenige andere oorzaken hunnen dienst voor eenen tijd onderlaten moesten, ’t welk zonder advies des Kerkeraads niet geschieden zal, zoo zullen zij nochtans ten allen tijde de beroeping der Gemeente onderworpen zijn en blijven.

 

Tijdelijk ontslag uit den dienst.

Nu volgt nog het tijdelijk ontslag uit den dienst. Deze bepaling is oorspronkelijk gemaakt met het oog op predikanten, die een kruisgemeente dienden. Als het gevaar te groot, of de gemeente

|64|

door de vervolging uiteen gedreven werd, zoodat zij geen gemeente hadden om te dienen, moesten zij vanzelf hun dienst onderlaten (zie K.O. van Dordrecht. 1578, art. 7). Ook konden ouderdom, ziekte, gebrek of ongeluk oorzaak zijn, dat zij hun dienst voor een tijd moesten nalaten. Maar in al die gevallen van tijdelijk ontslag bleven zij ten allen tijde aan de beroeping der gemeente onderworpen. Zie Acta van Middelburg, 1581, part. vr. 6; van ’s-Gravenhage, 1586, art. 12; en van Dordrecht, 1618-’19, art. 14. Ter toelichting antwoorden wij op de volgende vragen:

1. Wat is het karakter van tijdelijk ontslag? Het is eigenlijk een tijdelijk onderlaten van den dienst (Latijn: „functionem intermittere” d.i. den dienst onderbreken), waarbij de ambtelijke betrekking gelden blijft. Dit kan voor een te voren bepaalden, maar ook onbepaalden tijd geschieden. Bij studieverlof, buitenlandsche reis enz., kan het ontslag voor een bepaalden tijd van drie of zes maanden plaats hebben en, zoo noodig, telkens weer voor een bepaalden tijd verlengd worden. Maar een verlof tot herstel van gezondheid, of tot het medewerken aan een Bijbelvertaling, kan ook voor onbepaalden tijd gegeven worden, als maar vast staat, dat het „voor een tijd” is. Immers wanneer de oorzaak of reden voor het verlof vervallen is, houdt het verlof van zelf op en treedt hij weer in zijn dienst. De regeling van de positie der geestelijke verzorgers van onze Christelijke gestichten valt niet onder dit artikel, zoo zij tenminste geen tijdelijk verlof vragen. Zij leggen gewoonlijk het predikambt neer, om tot „een anderen geestelijken arbeid” over te gaan en werden tot nu toe naar analogie van art. 13 K.O., evenals de emeriti, van hun dienstwerk ontslagen, met behoud van radicaal, maar dan zonder financieele verplichtingen (zie Acta van Utrecht, 1905, art. 88).

2. Om welke oorzaken het mogelijk is. Het artikel spreekt van twee oorzaken:

a. Om de voorschreven oorzaken. Deze woorden schijnen alleen op art. 13 terug te slaan en dus op ouderdom, ziekte, gebrek of ongeluk te doelen. En deze vallen er inderdaad ook onder, want bij deze voorschreven oorzaken volgt in den regel eerst tijdelijk en soms ook wel een gedeeltelijk ontslag. Blijkt een dienaar niet geheel, maar ten deele onbekwaam te zijn, dan kan men hem voor een tijd ook gedeeltelijk, bijv. van den zwaarsten arbeid, ontheffen. Vroeger had dit dikwerf plaats en

|65|

stelde men wel een hulpprediker (proponent) naast hem, om den eigen dienaar langer te kunnen behouden. Maar volgens de oorspronkelijke redactie (van Dordrecht, 1578, art. 7) zag de uitdrukking „voorschreven oorzaken” allereerst terug op de voorgaande woorden, „dat zij geen gemeente hadden om te dienen”, d.i. op predikanten, die een tijd lang buiten dienst geraakten, omdat zij vanwege het gevaar vluchten moesten of omdat hun gemeente verstrooid was.

b. Om eenige andere oorzaken, bijv. om aan een Bijbelvertaling te kunnen deelnemen, zooals het tijdelijk ontslag van Gerson Bucerus, die in 1627 geroepen werd om aan de Statenvertaling mede te werken, terwijl tijdelijk in zijn plaats een ander werd beroepen; of om de studie te voltooien en den graad van doctor te halen; of om een buitenlandsche reis te ondernemen; of om een inspectiereis in de Oost te houden; of om als directeur van den Gereformeerden Jongelingsbond op te treden, of om een zittingsperiode als lid van de Tweede Kamer op te treden.

De vraag is of het traktement doorloopt, ja of neen. Het artikel zegt er niets van. De kerken moeten dit in overleg met den betrokken dienaar bij elk geval afzonderlijk bepalen. In gewone gevallen, bijv. van ziekte of ongeluk, is het doorgaans billijk, dat het doorloopt. Maar in buitengewone gevallen, bijv. wanneer een dienaar met aardsche goederen bedeeld, verlof ontvangt om voor zijn ontspanning een buitenlandsche reis te ondernemen, zal hij niet vragen, dat zijn salaris blijft doorgaan.

3. Bij wie de beslissing berust? Art. 14 zegt, dat het zonder advies des Kerkeraads niet geschieden zal. Het woord „advies” heeft hier de kracht van consensus, d.i. toestemming, bewilliging van den kerkeraad en is dus sterker dan in de artt. 4 en 5 K.O., waar het zooveel als judicium, d.i. oordeel beteekent. De dienaar, die ontslag vraagt, moet de redenen daarvoor opgeven. De kerkeraad moet die redenen beoordeelen, en, zoo het ziekte betreft, voor betrouwbare medische verklaringen zwichten. Bij verschil kan de hulp van een naburige kerk en verder het oordeel der classe gevraagd worden. De beslissing berust dus bij dienaar en kerkeraad beide en in geval van verschil, bij de meerdere vergaderingen. Ook hier komt weer uit dat de verhouding tusschen dienaar en gemeente bilateraal d.i. tweevoudig van karakter is. Er is wederzijdsche toestemming noodig.

4. Dat zij ten allen tijde de beroeping der Gemeente onderworpen zijn en blijven. Volgens de oude redactie van

|66|

Dordrecht, 1578, art. 7, doelden deze woorden allereerst op predikanten, die een kruisgemeente gediend hadden, maar omdat het gevaar te groot was, van hun gemeente waren losgemaakt en nu geen gemeente meer hadden. Zulke predikanten waren ten allen tijde aan de beroeping der gemeente, d.i. van elke andere gemeente, die hen beroepen wilde, onderworpen; of zooals de redactie van Middelburg 1581, part. vr. 6 luidde, zij waren ten allen tijde schuldig zich aan de beroeping der kerk, nl. van elke andere kerk, te onderwerpen. Zij mochten niet zeggen: ik wil liever buiten vasten dienst blijven en overal gaan preeken. Zij moesten zich, zoo spoedig mogelijk, weer aan een andere gemeente voor vast verbinden. Natuurlijk ligt er ook in, dat een dienaar, die wegens krankheid of studieverlof enz. tijdelijk ontslag ontving, na zijn verloftijd weer tot zijn eigen gemeente terugkeert. Maar dat geschiedt dan omdat bij aan de roeping zijner kerk gebonden blijft. Een nieuwe roeping is hier zelfs niet eens noodig, want tijdelijk verlof is slechts een tijdelijke ontheffing van zijn dienstwerk, maar geen losmaking van zijn gemeente.

Jansen, Joh. (1976) Art. 15

 

Art. XV. Het zal niemand geoorloofd zijn, den dienst zijner Kerk onderlatende, of in geenen vasten dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken buiten consent en autoriteit der Synode of Classe. Gelijk ook niemand in eene andere Kerk eenige predikatie zal mogen doen of Sacramenten bedienen, zonder bewilliging des Kerkeraads van die Kerk.

 

Het prediken op andere plaatsen.

Uit de beginselen, dat niemand zonder wettelijke roeping in het ambt mag treden, art. 3; en dat ieder, die geroepen wordt, ook aan een bepaald arbeidsterrein verbonden moet worden, art. 7, volgen, bij wijze van conclusie, nog twee andere beginselen nl., dat niemand hier en daar, waar geen gemeente is, mag gaan prediken, buiten consent en autoriteit van synode of classe; en evenmin in eene andere kerk mag optreden zonder bewilliging van den kerkeraad aldaar.

Het oude beginsel, reeds door de synode van Embden, 1571,

|67|

art, 17, uitgesproken, luidde, dat geen dienaar in een andere gemeente mocht prediken zonder bewilliging van den dienaar en den kerkeraad aldaar. Zij bedoelde er mee in den chaos van het kerkelijk leven orde te scheppen. Op vele plaatsen waren nog geen ambten ingesteld. En de gemeenten, die er waren stonden nog niet voldoende met elkander in verband. Vandaar dat verloopen monniken, voormalige Dooperschen en personen, die in handenarbeid geen zin hadden, zich als predikers opwierpen. Zij beriepen zich zelfs op het voorbeeld der apostelen en evangelisten, om hun optreden te verdedigen en vooral de eenvoudige geloovigen te winnen. Dat waren immers ook rondreizende predikers, die van de eene plaats naar de andere trokken om het evangelie te prediken. Maar de synode van Dordrecht, 1578, art. 7, weerlegde deze dwaling met de opmerking, dat „het ambt der apostelen en evangelisten reeds langen tijd in de gemeenten Gods opgehouden is”. De apostelen waren er wel eerder dan de kerken en zij waren ook niet aan de plaatselijke kerken gebonden. Maar zij waren als planters der kerken van buitengewoon karakter; en de evangelisten waren hun helpers, die van zelf verdwenen, toen er geen apostelen meer waren. De synode te Middelburg, 1581, breidde de bepaling nog wat uit en veroordeelde niet alleen, dat iemand, die geen vaste gemeente had, buiten consent en autoriteit van synode of classe, hier en daar ging preeken, maar ook het preeken in een andere kerk voor een enkelen keer, „zonder bewilliging des kerkeraads”. De synode van ’s-Gravenhage, 1586, wijzigde het iets en stelde de boven afgedrukte redactie vast, en de synode van Utrecht, 1905, voegde er nog de woorden aan toe: „van die kerk” d.i. niet van zijn eigen, maar van die andere kerk, om alle misverstand af te snijden. Het artikel handelt dus over twee afzonderlijke punten:

1. Over de reizende predikanten: Het zal niemand geoorloofd zijn, den dienst zijner Kerk onderlatende of in geenen vasten dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken, buiten consenten autoriteit der Synode of Classe. Het geldt beiden, niet alleen de vaste, maar ook de losse predikanten, d.i. predikanten, die zonder gemeenten zijn, omdat deze verloopen of verstrooid zijn, zooals in tijden van de vervolging wel geschiedde; of die naar art. 11 K.O. zijn ontslagen of losgemaakt en nog geen gemeente weer hebben. Zij willen dan wel gaarne hier en daar gaan prediken, mede om in hun onderhoud te voorzien. Maar zij

|68|

mogen zich zelf niet zenden. Zij moeten dan consent van classe of synode vragen, want Christus roept door middel van Zijn kerken. De ambtelijke taak van een dienaar strekt zich slechts zoover uit als zijn roeping bepaalt. Heeft hij een gemeente, dan reikt zijn arbeidsveld zoover als zijn gemeente reikt. Heeft hij geen gemeente, dan heeft hij ook geen arbeidsveld meer. Hij mag nergens eenigen ambtelijken dienst waarnemen zonder er toe geroepen te zijn. Zelfs ook niet om te evangeliseeren in den engeren zin des Woords d.i. de afgedwaalde gedoopten door de prediking en door herderlijk huisbezoek weer tot de kerk terug te brengen.

2. Het waarnemen van een dienst in een andere kerk: gelijk ook niemand in eene andere Kerk eenige predikatie zal mogen doen, of sacramenten bedienen, zonder bewilliging des Kerkeraads van die Kerk.

Niemand mag in een andere kerk preeken of de sacramenten bedienen, zonder bewilliging van den kerkeraad van die kerk. Er staat hier „bewilliging” en niet „verzoek”, omdat de actie van deze predikanten uitging. Zij wachtten niet totdat zij een verzoek ontvingen, maar boden zich zelf aan en drongen zich zelf op. Vandaar de bepaling dat zij niet mochten optreden zonder bewilliging d.i. toestemming van den kerkeraad. Volgens het collegialistisch of genootschappelijk systeem van kerkrecht, waarin alle kerken één genootschap vormen, dat alle predikanten door zijne provinciale besturen toelaat, zoodat zij predikanten zijn van het geheele genootschap, is het geoorloofd, dat zij op een andere plaats, ’t zij dan in een kerkgebouw, of particuliere zaal, preeken zonder consent van den kerkeraad. Maar volgens gereformeerd kerkrecht gaat de roeping van de plaatselijke kerken uit, zoodat geen dienaar in een andere kerk mag optreden, zonder bewilliging van den kerkeraad van die kerk. Elke kerk heeft haar eigen zelfstandigheid en haar eigen grenzen, waarover geen andere kerk te zeggen heeft. Hieruit volgt ook dat een dienaar ook niet in den ambtelijken dienst mag optreden buiten het kerkverband, bijv. in een Hervormde of Luthersche kerk, en wel om een tweetal redenen, nl. èn omdat hij niet eigenmachtig mag optreden op plaatsen, waar hij niet geroepen wordt; èn omdat bij niet mag optreden op het terrein van een andere kerk, zonder bewilliging van den kerkeraad aldaar. De kerkeraad kan hem dit verbieden, en, zoo hij weigert te gehoorzamen, eventueel schorsen en desnoods met toestemming

|69|

der classe afzetten. Naar plaatsen, waar de kerkeraad heterodox of waar geen geïnstitueerde kerk is, moeten de naburige kerken of classen hare dienaren zenden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 16

 

Art. XVI. Der Dienaren ambt is, in de gebeden en bediening des Woords aan te houden, de Sacramenten uit te reiken, op hunne Medebroeders, Ouderlingen en Diakenen, mitsgaders de gemeente, goede acht te nemen, en ten laatste met de Ouderlingen de kerkelijke discipline te oefenen, en te bezorgen dat alles eerlijk en met orde geschiede.

 

Het ambt der Dienaren.

De beide nu volgende artikelen handelen over het ambt der dienaren. Art. 16 over het ambt zelf en art. 17 over de gelijkheid in het ambt.

Het woord ambt komt hier niet voor in den zin, waarin wij het thans gebruiken. Ambt op burgerlijk terrein is een werkkring, waartoe men door openbaar of erkend gezag benoemd is. Wie een beroep kiest of door een bijzonder persoon is aangesteld, of zelfs door volkskeuze tot een hoogen post is geroepen, bekleedt geen ambt. Een advocaat, een kantoorbediende, een lid der Tweede kamer of van den gemeenteraad, bekleedt geen ambt, omdat er van geen aanstelling door openbaar of erkend gezag sprake is. Maar een burgemeester, een rechter, een gouverneur, een minister, enz. bekleedt wel een ambt, want hij wordt door de overheid aangesteld. Op kerkelijk terrein is ambt een werkkring, waardigheid en eere, waartoe men door Christus geroepen wordt, al is het ook middellijk door Zijn kerk, bijv. het ambt van dienaar des Woords, van ouderling en van diaken. Hier komt het echter voor in de beteekenis van de 16e en 17e eeuw, nl. niet in den zin van werkkring en waardigheid, maar van werkzaamheid of taak aan dien werkkring en aan die waardigheid verbonden. In de uitdrukkingen: „der Dienaren ambt”, art. 16; „het ambt der Doctoren of Professoren in de Theologie”, art. 18; „der Ouderlingen ambt”, art. 23; „het ambt der Christelijke Overheden”, art. 28; „het ambt van den Praeses”, art. 35, beteekent ambt zooveel als taak, roeping, plicht.

|70|

1. Hun taak als dienaren des Woords. Van de vijf werkzaamheden hier opgenoemd: 1e de dienst der gebeden en des Woords; 2e de dienst der sacramenten; 3e opzicht over ambtsdragers en gemeente; 4e uitoefening der kerkelijke tucht; 5e zorg voor de goede orde, behooren de eerste twee tot het ambt der dienaren en de laatste drie tot het ambt der ouderlingen. Eigenlijk zijn het maar drie werkzaamheden: 1e dienst des Woords (gebeden en prediking des Woords); 2e dienst der sacramenten; en 3e regeering der kerk (opzicht over gemeente en ambtsdragers; de tucht, en de zorg voor de goede orde). Deze onderscheiding maakte reeds het convent te Wezel, 1568, nl. de verkondiging des Woords, de bediening der sacramenten en de onderhouding der tucht. Wij treffen ze aan in het Formulier van bevestiging en bij de beste theologen.

Opmerkelijk is echter, dat het artikel niet spreekt van de catechisatie, het huisbezoek, het krankenbezoek en de huwelijksbevestiging. Toch behooren de catechisatie en de huwelijksbevestiging wel ter dege tot zijn taak als dienaar en het huis- en krankenbezoek tot zijn taak als ouderling. Uit deze stilzwijgendheid af te leiden, dat een dienaar er niet toe verplicht kan worden, is ongegrond. Immers de opsomming in art. 16 is niet limitatief (begrenzend en beperkend), maar praescriptief, bij wijze van voorschrift en voorbeeld bedoeld. De vraag is wel gesteld, of een dienaar vrij is in de tekstkeuze, en of hij voor elke werkzaamheid de goedkeuring van den kerkeraad moet vragen. Wat de tekstkeuze aangaat is er ten deele een kerkelijke regeling. De vrije stof kiest de dienaar in aansluiting aan het kerkelijk jaar zelf, maar inzake de catechismus-prediking is hij aan het kerkelijk voorschrift gebonden. En ook inzake de uitoefening van den kerkelijken arbeid mag de dienaar niet aan handen en voeten gebonden worden.

2. Hun taak als mede-ouderlingen: en ten laatste met de Ouderlingen de kerkelijke discipline te oefenen en te bezorgen, dat alles eerlijk en met orde geschiede. Het ware misschien beter en logisch juister geweest, dat in dit artikel alleen de taak van den dienaar in zijn qualiteit van dienaar des Woords, en in art. 23 alles wat tot het ambt der ouderlingen behoort, ware omschreven. Immers de dienaar des Woords treedt in tweeërlei qualiteit op. Hij is dienaar des Woords (didaskalos, leeraar) en wel in vierderlei zin, nl. als homileet, catecheet, liturg en zendeling; en hij is presbyter of ouderling en wel in tweeërlei zin,

|71|

nl. als pastor of herder in het weiden der kudde en als regeerder in het zorgen voor orde en regel en voor de uitoefening van vermaning en tucht. De taak der ouderlingen wordt dan ook nader bij art. 23 besproken.

3. Hun helpers, nl. de oefenaars, de catechiseermeesters en de voorlezers. Allereerst de oefenaars. De meening, dat er een afzonderlijk ambt van oefenaars is, dat recht geeft om allerwege in de gemeenten op te treden om een stichtelijk woord te spreken, is geheel verkeerd. En de practijk hier en daar om hen tot ouderlingen te verkiezen, en een oefenaar dan leerend-ouderling te noemen, opdat hun optreden een ambtelijk karakter en een kerkelijken vorm zou erlangen, is evenzeer af te keuren. Immers volgens 1 Tim. 5: 17 zijn de ouderlingen, die arbeiden in het Woord en in de leer, dus de leer-ouderlingen, juist geen oefenaars, maar leeraars of dienaren des Woords. Een oefenaar is een gemeentelid, dat van de classe de bevoegdheid heeft ontvangen, om als broeder onder de broederen een stichtelijk woord te spreken. Inzake hun toelating en hun bevoegdheid sprak de synode van ’s-Gravenhage, 1914, art. 109 nader uit:

„1. dat de aanvrage tot onderzoeking van een broeder om als oefenaar toegelaten te worden steeds moet uitgaan van een bepaalde Kerk, die zulk een onderzoeking vraagt te haren behoeve en wel bij de eigen Classis, binnen welke die Kerk ressorteert;
2. dat die Classis aan zulk een broeder ook wel de bevoegdheid kan geven, om in een andere Kerk, die dit begeert, op te treden, mits niet buiten haar eigen ressort;
3. dat, indien een Kerk buiten die Classis den dienst van zulk een broeder mocht begeeren, dan de Classis van die Kerk zal te beoordeelen hebben of en op welke wijze zij den bedoelden broeder opnieuw zal onderzoeken; doch dat hij In geen geval bevoegdheid heeft in eenige Kerk op te treden, dan met consent der Classis, binnen welke zulk een kerk ressorteert.”

Dit besluit heeft naar het ons voorkomt geen terugwerkende kracht. Het bedoelde niet een eenmaal verkregen recht te ontnemen, maar voor de verdere aanstelling leiding te geven. Er staat ook niet, welke werkzaamheden zij mogen verrichten, nl. een stichtelijk woord spreken, in de gebeden voorgaan, de catechisaties houden, huisbezoek doen en de kerkeraadsvergaderingen bijwonen met adviseerende stem, tenzij zij tevens tot

|72|

ouderlingen verkozen worden, want dan zijn zij tevens tot al het werk der ouderlingen geroepen en hebben zij ook het recht van beslissende stem op den kerkeraad. Dit is echter niet noodig, want een oefenaar is een helper van den dienaar des Woords, niet van de ouderlingen. De bediening der sacramenten en de bevestiging der ambtsdragers en van huwelijken is hun niet geoorloofd, evenmin als aan hulppredikers.

Ten tweede de catechiseermeesters. In de 16e en 17e eeuw werden er vooral in groote gemeenten voor de catechisaties en het ziekenbezoek wel afzonderlijke helpers aangesteld, die dan „ziekentroosters” werden genoemd. Maar eerst moest naar hun kennis, trouw, rechtzinnigheid en vroomheid een nauwkeurig onderzoek ingesteld worden. Er moest dus een kerkelijk onderzoek of examen en een kerkelijke aanstelling plaats hebben. In groote steden moeten de kerken er wel de toevlucht toe nemen. Op kleine plaatsen is het echter beter de catechiseermeesters en ziekenvertroosters tot leden des kerkeraads te benoemen. In elk geval moet de aanstelling, de regeling van het onderwijs en de boeken, die daarbij gebruikt moeten worden, ter beslissing aan den kerkeraad staan.

Ten derde, de lezers eener predikatie en de voorlezers der Schrift.

In de kruiskerken was er reeds van lezers eener predikatie sprake. Zij hadden vaak geen dienaren en moesten zich met het lezen van een deel der Schrift en van een predikatie behelpen. De synode van Embden, 1571, besloot zelfs, dat in plaatsen, waar nog geen kerken waren, door de classen lezers moesten aangesteld worden, om kerken te vergaderen. Toch mochten zij niet in de plaats treden van de dienaren des Woords. Zij moesten noodhulp blijven. Naarmate er meer predikanten kwamen, werden er minder lezers aangesteld. Thans treden ze alleen nog op bij afwezigheid van een predikant of hier en daar bij evangelisatie, om in opdracht der kerken een predikatie voor te lezen. Zulk een leesdienst draagt het karakter van hulpdienst voor den dienst des Woords. Een lezer is wel niet de dienaar zelf, maar diens orgaan of mond en neemt daarom de predikatie zooals ze daar ligt. Alleen vreemde woorden of iets, dat voor een bijzondere gelegenheid past, mag geschrapt worden, maar alle verdere eigenwillige uitlatingen, wijzigingen of toevoegingen zijn ongeoorloofd. Het publiek gebed bij den leesdienst mag volgens Dr A. Kuyper, Onze

|73|

Eeredienst, blz. 175, niet aan den lezer worden overgelaten, omdat hierbij vrij initiatief intreedt, en dit eigen initiatief juist bij leesdienst is uitgesloten.

De tweede soort zijn de voorlezers der Schrift. Aanvankelijk, toen de menschen nog niet lezen en schrijven konden, werd er wel een gedeelte der Schrift voorgelezen eer de dienst begon, om de gemeente met de Schrift bekend te maken. Maar toen, mede tengevolge van de boekdrukkunst, de Bijbel meer onder het volk kwam, was dit onnoodig. Wij kennen nu alleen het lezen der Schrift als een deel van den Eeredienst, na het votum.

Beide soorten van lezers zijn kerkelijke helpers en mogen dus niet eigenmachtig optreden, maar moeten door den kerkeraad aangewezen worden. In onze dagen is er een streven om de voorlezing der Schrift door den dienaar des Woords te doen plaats hebben, omdat de lezing van Gods Woord en van de artikelen des geloofs behoort tot het ambtelijk werk van den dienaar des Woords. Maar Voetius in vroeger en Kuyper in onze dagen, achtten, dat de voorlezing der Schrift, het bidden van een vastgesteld gebed, het doen van publicatiën, het aangeven van een collecte of psalm, juist omdat het eigen initiatief is uitgesloten, zonder bezwaar aan een opziener of een ander lezer, bijv. een onderwijzer enz., opgedragen kan worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 17

 

Art. XVII. Onder de Dienaren des Woords zal gelijkheid gehouden worden, aangaande de lasten huns dienstes, mitsgaders ook in andere dingen, zooveel mogelijk is, volgens het oordeel des Kerkeraads, en (dies van noode zijnde) der Classe; hetwelk ook in Ouderlingen en Diakenen te onderhouden is.

 

Gelijkheid in het ambt.

Dit artikel is reeds letterlijk door de synode van Middelburg, 1581, opgesteld. Het richt zich tegen het beginsel der hiërarchie in de Roomsche, Luthersche en Episcopaalsche kerken. De hiërarchische vraag onder de apostelen: „Wie van hen de meeste ware”, beantwoordde de Heiland met het voorbeeld van een kind, zeggende: „Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet

|74|

verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan”, Matth. 18: 1, 4; Marc. 9: 33-37; Luk. 9: 46-48. Op grond van deze Schriftuurlijke uitspraken, hebben de kerken aanstonds uitgesproken, dat de eene ambtsdrager niet over den ander heerschen mag.

1. Onder de Dienaren des Woords zal gelijkheid gehouden worden. De ambten zijn onderscheiden. Een dienaar des Woords heeft een ander ambt dan een ouderling en een diaken. Het artikel bedoelt dan ook, dat er onder de dragers van hetzelfde ambt, dus onder de dienaren onderling, en zoo ook onder de ouderlingen en diakenen onderling, gelijkheid (Latijn: aequalitas) moet zijn. Bij de Roomsche kerk staan de landsbisschoppen (chorepiscopi) onder de stadsbisschoppen; de stadsbisschoppen onder de metropolieten of bisschoppen der hoofdsteden (metropolen), de metropolieten onder de bisschoppen der sedes apostolicae d.i. de door de apostelen zelf gestichte gemeenten, Antiochië, Jeruzalem, Alexandrië, Efeze, Korinthe en Rome; en deze eindelijk onder den bisschop of paus van Rome. Deze hiërarchische vorm wist zich, ondanks sterke bestrijding niet alleen in de Luthersche kerk, maar ook in de vluchtelingenkerk te Londen nog in den vorm van het superintendentschap te handhaven. Johannes a Lasco, die zelf door koning Eduard VI (1547-1553) tot superintendent over de Nederlandsche vluchtelingenkerk te Londen was aangesteld, schreef een werk over de kerkinrichting (Forma ac ratio etc.), waarin hij het superintendentschap vasthield als hoofd van den „coetus” of raad der kerk. Deze „coetus” of kerkeraad bestond uit ouderlingen en diakenen. Aan het hoofd van dien raad stond de superintendent, die niet zoozeer boven den raad verheven, maar uit zijn midden en door hem zelf tot zijn voorzitter gekozenen door den koning als zoodanig uitdrukkelijk erkend werd. En niet alleen a Lasco, maar ook Calvijn, Knox, Saravia e.a. hadden tegen een superintendentschap, waarbij één uit hun midden met de inspectie over een groep van gemeenten belast werd, geen overwegend bezwaar.

Maar de Nederlandsche Gereformeerde kerken wilden er terecht niet van weten. Er werd van uit Zeeland, Oost-Vlaanderen en Engeland, waar de invloed van a Lasco doorwerkte, een poging gedaan op de synode van Middelburg, 1581, om „Inspectores of Superintendentes” aan te stellen, maar de

|75|

synode antwoordde: „Dat het onnoodich ende zorghelick is”. Onnoodig, omdat de classen en particuliere synoden zelf wel voor het opzicht over de kerken konden zorgen. En zorgelijk, omdat er een hiërarchisch beginseltje in school. Deze aandrang was misschien wel de oorzaak, dat zij dit artikel voor het eerst in de K.O. opnam, waarin zij opzettelijk een andere richting uitstuwde. Zij sprak hier beslist en opzettelijk uit, dat er onder de dienaren des Woords gelijkheid zal zijn.

2. Waarin die gelijkheid bestaat, nl. aangaande de lasten huns dienstes, mitsgaders ook in andere dingen. Allereerst moet er gelijkheid zijn aangaande „de lasten huns dienstes”. De kerken hebben er dan ook niets van willen weten, dat een dienaar, die uitmuntte in het preeken, alleen maar zou preeken en dat een ander, die voor het catechiseeren, of voor ziekenbezoek of voor het leiden van vergaderingen bijzondere gaven had ontvangen, van den anderen arbeid zou worden vrijgesteld. Zij zeiden: alle dienaren staan in hetzelfde ambt en hebben ook dezelfde taak; zij hebben gelijke rechten, maar ook gelijke plichten. Ook wanneer een kerk meer dienaren heeft dan één, moeten ze toch allen op hun beurt preeken, catechiseeren, huis- en krankenbezoek doen en de kerkeraadsvergaderingen leiden enz.

Deze gelijkheid moet ook in andere dingen nl. in de ambtseere en in de bezoldiging uitkomen. Alle apostelen bekleedden hetzelfde ambt en hadden in beginsel aanspraak op dezelfde ambtseere. De eene apostel stond in gezag en eere niet boven den ander. En toch ontving Petrus in graad meerder eere dan de anderen. Dit primaat van Petrus was wel geen voorrang van gezag, zooals Rome zegt, maar wel een voorrang van eere. Zoo is het ook onder de dienaren des Woords. Zij zijn allen dienaren des Woords en bekleeden hetzelfde ambt. Zij hebben allen aanspraak op dezelfde ambtseere in beginsel. De een staat niet als een superintendent boven den ander en ontvangt geen hoogere, andersoortige ambtseere. Maar in graad is er wel verschil, èn vanwege het onderscheid in ambtsgaven, 1 Cor. 12: 11; èn vanwege het verschil in ambtsijver en ambtstrouw, 1 Cor. 3: 9-15; èn zelfs ook vanwege de meerdere ambtelijke ervaring en den hoogeren leeftijd. Een dienaar des Woords, die met bijzondere ambtsgaven is toegerust, of die door ambtsijver en ambtstrouw uitblinkt, of die door zijn jarenlange, trouwe ambtsbediening en door rijpe ervaring uitmunt, zal in

|76|

graad meerder eere ontvangen dan een dienaar met weinig ambtsgaven of die zijn talent in de aarde verbergt en zijn tijd verbeuzelt, of die nog pas in de bediening staat.

Ook wat de bezoldiging betreft moet er gelijkheid zijn. Van alle dienaren geldt in gelijken zin: „degenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven”, 1 Cor. 9: 14. Maar dit wil niet zeggen, dat het traktement van alle dienaren nominaal gelijk moet zijn, want dan zou het in hooge mate ongelijk zijn. Een dienaar in een weelderige stad als Den Haag of op een klein eenvoudig dorp, met een groot of met een klein gezin, maakt natuurlijk verschil. Ieder moet op zijn plaats en in zijn stand met eere kunnen leven.

3. Hoever deze gelijkheid gaat, nl. zooveel mogelijk is, volgens het oordeel des Kerkeraads, en (dies van noode zijnde) van de Classe. De regel der gelijkheid moet „zooveel mogelijk”, of, gelijk er in het Latijn staat, quoad fieri d.i. voorzoover het geschieden kan, doorgevoerd worden. Oude en zwakke dienaren mogen verlichting ontvangen. In de 16e en 17e eeuw stelde men hen vrij van den arbeid, dien zij niet meer konden verrichten, om hen zoo lang mogelijk te behouden. Professoren in de theologie werden in de academiestad wel tot predikanten beroepen, maar dan van den gewonen ambtelijken dienst ontslagen, behalve dat zij des Zondags een keer moesten preeken. In onze dagen komt het wel voor, dat een dienaar voor één bepaalde taak, bijv. voor de evangelisatie of voor de zending onder de Joden, gekozen wordt.

De gelijkheid moet onderhouden worden volgens het oordeel des Kerkeraads en (dies van noode zijnde) der Classe. De beslissing berust dus bij den Kerkeraad en, bij verschil van meening, bij de Classe, die natuurlijk met den wensch van den dienaar zooveel mogelijk rekenen. Hetzelfde geldt in beginsel ook voor de Ouderlingen en de Diakenen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 18

 

Art. XVIII. Het ambt der Doctoren of Professoren in de Theologie is, de Heilige Schrifture uit te leggen, en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan.

 

Het ambt der Doctoren.

Na het ambt der dienaren, artt. 3-17, volgt thans dat der doctoren, artt. 18-21.

Gelijk uit de behandeling van art. 2 bleek, hebben Calvijn en, op zijn voetspoor ook het convent te Wezel, 1568, het doctorenambt opgevat als een kerkelijk ambt in engeren zin, naast dat der dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, ter wetenschappelijke beoefening en verdediging der Theologie. Ook hebben de kerken, na de stichting der universiteit te Leiden, 1575, het in formeelen zin nog wel als een kerkelijk ambt in de K.O. laten staan. Maar in werkelijkheid hebben zij toch allengs het ambtelijk karakter in engeren zin losgelaten en het met het professoraat in de Theologie aan de universiteiten vereenzelvigd.

In dit artikel wordt er nu over het ambt, d.i. over de taak der doctoren of professoren in de theologie gehandeld. Het woord „ambt” beteekent hier immers hetzelfde als taak, plicht, roeping, zooals wij bij art 16 reeds hebben aangetoond.

1. De vroegere opleiding. De kerken moesten aanstonds voor de opleiding zorgen. Het convent te Wezel, 1568, dacht aanvankelijk aan een eigen kweekschool of colloquium trilingue, onder leiding van de kerkelijke doctoren. Er kwam echter niets van. Men behielp zich aanvankelijk op tweeërlei wijze, nl. met een private oefening van ongestudeerden en met een soort wetenschappelijke opleiding van enkele studenten door bekwame dienaren des Woords, als private professoren.

In 1575 kwam er echter uitkomst door de stichting van de universiteit te Leiden. De Prins zag het gevaar in, dat er van de universiteit te Leuven, die immers Roomsch was, dreigde, en deed in stilte zijn best om een Gereformeerde hoogeschool te stichten. Dit gelukte hem. Naast die van Leiden, 1575, kwam er nog een te Franeker, 1585, en een te Groningen, 1614. Deze drie zijn aanstonds als universiteiten ontstaan. Later kwamen er nog drie bij, nl. die te Utrecht, 1636; te Harderwijk, 1648; en te Nijmegen, 1656, die eerst slechts illustre scholen waren,

|78|

maar later tot universiteiten verheven werden. Een illustre school had alleen het recht van onderwijs geven (jus docendi), maar een universiteit, die door een wettig souverein gesticht werd, had bovendien nog het recht van promotie (jus promovendi), d.i. het verleenen van een wetenschappelijken titel. Zulke illustre scholen waren er een menigte en wel in tweeërlei soort nl. de eigenlijke illustre scholen voor hooger onderwijs, die door de overheid gesticht werden, door aan hare professoren het recht van onderwijs, (niet het recht van promotie) te geven, en voorts de Latijnsche scholen, voor het voorbereidend onderwijs, zooals die te Harderwijk 1600, te Deventer, 1630, enz.

2. Hun ambt of taak is, de Heilige Schrifture uit te leggen, en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan. Dus exegese (uitlegging der Schrift) en disputatie (verdediging der leer tegen ketterijen en dolingen). In deze omschrijving is kennelijk de invloed van Calvijn op te merken. Volgens zijn omschrijving valt de taak der doctoren of professoren in de theologie in tweeën uiteen: 1e de interpretatio verbi Divini d.i. de verklaring van Gods Woord, of exegese; en 2e de disputatio of verdediging der Schrift tegen ketterijen en dolingen. Een encyclopaedische gedachte zit er nog niet in. Maar wel is hij op het goede spoor, want hij neemt de Schrift tot bron der Theologie. De encyclopaedische gedachte is eerst later duidelijk ontwikkeld, aanvankelijk door Bullinger, maar vooral door Andreas Hyperius, die de Schrift voorop stelde, uit de Schrift systematisch de kennisse Gods afleidde en eindelijk de vakken behandelde, die zich om de kerk groepeerden, en dus kwam tot drie hoofdgroepen nl. de exegese, de dogmatiek en de ecclesiologie (leer der kerk). Later hebben Alstedt en Voetius er nog één groep aan toegevoegd, nl. de ambtelijke vakken, zoodat de taak der doctoren of professoren in de theologie in vier deelen uiteenvalt, nl. vakken, die zich groepeeren rondom de Schrift (exegese), het dogma (dogmatiek), het ambt (ambtel. vakken), de kerk (ecclesiologie).

3. Het kerkelijk toezicht op het theologisch onderwijs.

De stichting der universiteiten ging uit van de lands- of van de stads-overheid, of van één of meer particuliere professoren, die er het initiatief toe namen. Het jus promovendi d.i. het recht van promotie (het verleenen van wetenschappelijke graden), wat

|79|

aan zulk een inrichting het karakter van een universiteit gaf, kon haar alleen door een wettig souverein verleend worden, nl. door paus, keizer, koning, provinciale of stedelijke overheid.

De invloed der kerk strekte zich dus alleen uit tot een zeker toezicht op het onderwijs. Vooral de Remonstrantsche ketterijen hadden er invloed op, dat de synode van Dordrecht, 1618-’19, een tiental artikelen opstelde, waarvan er drie voornamelijk op de theologische professoren betrekking hadden: 1edat de kerken gekend zouden worden bij de benoeming der theologische professoren; 2edat de theologische professoren de Theologie niet problematisch mochten behandelen, zooals Arminius gedaan had; 3edat de theologische professoren inzake hun theologisch onderwijs aan de synode onderworpen waren. Maar met al hare wenschen zijn de kerken telkens gestuit op den tegenstand der Politieken. De universiteit was een zaak der overheid en die wilde van een onderwerpen der theologische faculteit aan de kerken niet weten. Van eenig toezicht is thans geen sprake meer. Alleen heeft de Hervormde kerk het recht om aan de staatsuniversiteiten een katheder te bezetten om theologisch onderwijs te geven.

De Gereformeerde kerken hebben hare eigen Theologische school, waarover zij het volledig zeggenschap hebben; en zij houden „toezicht over de theol. faculteit (der V. U.) met het oog op de opleiding tot den dienst des Woords,” wat in een 15tal artikelen is vastgelegd, zie Acta van de synode te Amsterdam, 1908, art. 126.

Jansen, Joh. (1976) Art. 19

 

Art. XIX. De gemeenten zullen, voor zooveel noodig, arbeiden, dat er studenten in de Theologie zijn, die door haar onderhouden worden.

 

Het onderhoud van hulpbehoevende studenten.

Dit artikel sluit zich aan bij het vorige. Aan een universiteit zijn niet alleen professoren, maar ook studenten noodig. En daar er van den beginne aan te weinig jongelingen van goeden huize waren, die en de theologie studeerden, om de kerken van een genoegzaam aantal predikanten te voorzien, moesten deze wel zorgen, dat andere jongelingen van goeden aanleg en met

|80|

lust tot het predikambt, zich in de studie der theologie konden voorbereiden.

1. Wie moeten er voor zorgen? Er staat hier: De gemeenten zullen, voor, zooveel noodig, arbeiden, dat er studenten in de Theologie zijn, die door haar onderhouden worden. Marnix van St. Aldegonde had er de aandacht op gevestigd in een rondschrijven van 21 Maart 1570 aan de vluchtelingen-kerken in Engeland, dat er „eene algemeyne borsse” (beurs) voor de hulpbehoevende studenten moest gesticht worden. Als het land weldra van vijanden gezuiverd zou worden, zou er een schreiende behoefte aan studenten ontstaan. Dit schrijven van Marnix was ongetwijfeld aanleiding, dat de synode te Embden, 1571, reeds bepaalde, dat de kerken, zoodra ze uit de verstrooiing vergaderd en eenigszins tot rust en welstand gekomen waren, „ettelycke studenten” zouden onderhouden, onder conditie, dat dezen zich, na volbrachte studie, aan die gemeenten moesten verbinden; en dat de andere kerken, die ze wilden beroepen, de studiekosten moesten teruggeven, tenzij dan dat zij hen maar een tijdlang leenden. Ze moesten toen nog naar buitenlandsche universiteiten (Genève, Heidelberg, Bazel, Zurich), of hier en daar door private opleiding bij enkele bekwame predikanten, gevormd worden, terwijl enkele ongestudeerden bij wijze van propositie in het preeken geoefend en voor het predikambt bekwaamd werden.

Maar toen de kerken in de vrijheid en in de positie van bevoorrechte kerken kwamen, besloten zij op de synode van Dordrecht, 1578, allen vlijt te zullen aanwenden, dat sommige studenten van goeder hope „door de Overheyt ofte andere particuliere personen in de grooter scholen” d.i. aan de universiteiten, of, zooals de synode van ’s-Gravenhage, 1586, bepaalde, „ex bonis publicis” d.i. uit de publieke kerkelijke en geestelijke goederen, die met de Reformatie aan Rome ontnomen en onder beheer der overheid gekomen waren, onderhouden werden. In Leiden werd een hospitium of bursa voor de arme studenten gesticht en de Staten van Holland stelden dertig beurzen beschikbaar voor arme studenten. De zorg van de kerken bestond dus alleen hierin, dat zij zich tot de overheid wendden, om de zaak niet te vergeten.

Sinds de vorige eeuw hebben echter de Gereformeerde kerken zelf de zaak ter hand genomen en daarom de uitdrukking ex bonis publicis geschrapt. Men was nog steeds blijven spreken van een „kas ex bonis publicis”, terwijl deze alleen door kerkelijke collecten

|81|

gevuld werd, zoodat „bona publica” niet meer zag op de vroegere kerkelijke en geestelijke goederen, die onder beheer van de overheid stonden, maar ongemerkt de beteekenis kreeg van „bona communia” of kas van gemeenschappelijke bijdragen der kerken voor de hulpbehoevende studenten. De synode van Amsterdam, 1892, achtte het dan ook noodzakelijk, èn vanwege de veranderde verhouding van de kerken tot de overheid, èn vanwege genoemde misvatting, dat het artikel gewijzigd werd, en bepaalde nu: „De gemeenten zullen arbeiden, dat er studenten in de Theologie zijn, die door haar onderhouden worden”. En de synode van Utrecht, 1905, voegde er nog tusschen: „zooveel noodig”, èn omdat de overvloed van studenten, die uit eigen middelen studeerden, de zorg der kerken wel eens overbodig kon maken, èn omdat een onnoodige en overbodige zorg de opleiding van gegoede jongelingen zou kunnen tegenhouden, wat nimmer in de bedoeling der kerken gelegen heeft.

2. Wie moeten ondersteund worden? Er staat hier: studenten in de Theologie, waarbij in lateren tijd drie vragen aan de orde gesteld werden:

a. Of de alumni (leerlingen) alleen bij hun theologische, of ook bij hun voorbereidende studiën mogen ondersteund worden? In de 16e eeuw werden zij ook reeds bij de voorbereidende studie geholpen. En deze practijk wordt terecht ook door de kerken in onze dagen gevolgd. Wel werd als bezwaar geopperd, dat de keuze op zulk een leeftijd, van 12-14 jaar, nog niet gerijpt is, maar er staat tegenover, dat de eerste jaren voor talenstudie het meest geschikt zijn, en het vooraf bepaalde doel een zekere vastheid kweekt.

b. Of de kerken ook ondersteuning mogen verleenen aan hen, die na hun candidaatsexamen hun theologische studiën wenschen voort te zetten? Elk geval moet hier op zich zelf beoordeeld worden. Principiëel bezwaar is er niet tegen. Er hangt zooveel af van bijkomende omstandigheden. Is er groote behoefte aan predikanten, dan moeten de kerken er op aandringen zoo spoedig mogelijk zich beroepbaar te stellen en een beroep aan te nemen en alleen in een bijzonder geval van buitengewonen aanleg tot verdere studie ondersteuning bieden.

c. Aan welke inrichting de alumni moeten studeeren? Deze vraag kan zich voordoen, niet alleen ten opzichte van de Theologische School en de Vrije Universiteit, maar ook van een of andere buitenlandsche universiteit, waaraan een alumnus gaarne

|82|

enkele semesters zou willen studeeren. De kerken doen het best, als er geen overwegende bezwaren zijn, hen in de keuze der inrichting vrij te laten.

3. Op welke wijze? Inzake de wijze waarop is hier niets bepaald. Er staat alleen: De gemeenten zullen arbeiden. Zij kunnen het elk op zich zelf doen; zooals in de 16e eeuw en ook in de Christelijk Gereformeerde kerken wel voorkwam, bijv. te Varseveld, waar de gemeente een jongeling uit haar eigen midden liet studeeren, met name J. Wildenbeest, die haar, na volbrachte studie, jaren lang met eere diende. Maar zij kunnen het ook gezamenlijk doen, bijv. classicaal, provinciaal en generaal. Onze tegenwoordige kerken hebben deze zaak op de particuliere synode ter hand genomen. Deze benoemen enkele deputaten, bijv. uit elke classe één primus en één secundus, en stellen een regeling op, waaraan deze gebonden zijn. De alumni te binden, dat zij de studiekosten later, indien zij er toe in staat zijn, zullen restitueeren, schijnt mij in strijd te zijn met de bedoeling van art. 19. Dan zou de ondersteuning het karakter erlangen van een renteloos voorschot en dat was niet de bedoeling der kerken met art. 19 K.O. Wel rust er een zedelijke plicht op zulke predikanten, uit dankbaarheid voor de studie van anderen naar vermogen bij te dragen. En wel mogen de kerken in een bepaald geval daarop wijzen. Maar een vooraf bindende bepaling te laten onderteekenen of een belofte af te vragen, gaat o.i. te ver.

Jansen, Joh. (1976) Art. 20

 

Art. XX. In de Kerken, waar personen zijn, die volgens Art. 8 bekwaam zijn geoordeeld om tot den dienst des Woords te worden voorbereid, zal men tot hunne oefening het gebruik der propositiën kunnen instellen.

 

De Propositiën.

Dit artikel handelt over de „propositiën” d.i. over de opleiding tot het predikambt door middel van zoogenaamde preekvoorstellen of oefeningen in het preeken. Het heeft telkens wijziging ondergaan en nog komt het ons voor, niet uit te drukken wat het moet uitdrukken.

1. De private propositiën ter opleiding tot het predikambt.

|83|

Reeds het convent te Wezel, 1568, bepaalde, dat, zoolang er nog geen wetenschappelijke gelegenheid voor de opleiding kon worden ingericht, deze voorloopig alleen aan de private proposities, ook wel profetiën genoemd, moest worden toevertrouwd. Op die manier werden dan enkele studenten van buitenlandsche universiteiten, voorts enkele priesters en monniken, die van Rome overkwamen, en verder ongestudeerde personen van goeden aanleg, voor het predikambt bekwaamd. Te Wezel zelf o.a. Jean de Poirk, Everhardus Mommius en G. van der Horst. Deze private proposities waren, zooals de synode van Dordrecht, 1578, nadrukkelijk bepaalde, èn voor ongestudeerde personen èn voor studenten ter aanvulling hunner universitaire studie.

Maar de synode van ’s-Gravenhage, 1586, voegde er een geheel andere bepaling, nl. inzake de publieke propositie of het preeken voor de gemeente, aan toe. In art. 18a handelde zij wel over de private propositie (de private oefening in het preeken door het opstellen en voordragen van preekvoorstellen): „Inde Kercken daer meer bequamen Predicanten zijn, salmen t’ ghebruyck der Propositien aenstellen, om door sulcken oeffeninghen eenighe tot den dienst des Woordts te bereyden.” Maar dan volgt er in het tweede deel van het artikel (18b): „Wel-verstaende, dat gheen Proponenten die gemeente openbaerlijck vanden Predickstoel sullen Leeren, dan die Wettelijck gheexamineert ende bequaem ghekent zijn inde Vniversiteyt ofte Classe: ende en sullen nochtans haer niet vervorderen die Sacramenten te bedienen, totter tijt toe sy volcomelijcken beroepen ende bevestight zijn.”

Opmerkelijk, dat de synode van Dordrecht, 1618-’19, alleen het eerste deel van dit artikel heeft overgenomen en het tweede stuk geheel heeft weggelaten en door de woorden: „volghende in desen de ordre daervan by desen synode specialijck gestelt,” (art. 20) heeft vervangen. De reden daarvan ligt voor de hand. Tusschen de jaren 1586 en 1618-’19 waren de Arminiaansche twisten opgekomen. De kerken vertrouwden het universiteitsexamen te Leiden niet meer. En om nu de heeren van de academie niet te verbitteren, schrapten zij niet alleen het universiteitsexamen, maar de geheele bepaling van het publieke optreden der studenten, en voegden er de bovengenoemde woorden voor in de plaats. Wat de synode nu met die door haar „specialijck” gestelde „ordre” bedoelde, is niet duidelijk. Blijkbaar doelde zij op de in art. 8 opgenomen bepaling inzake de toelating van ongestudeerden, die met singuliere gaven begiftigd waren. Althans

|84|

in dien geest heeft de synode van Utrecht, 1905, het artikel nog eens weer gewijzigd en luidt het nu zooals het boven is afgedrukt.

Het komt ons echter voor, dat door deze wijziging de nevelen waarin art. 20 zoolang gehangen heeft, nog niet zijn opgeklaard. Wel is nu de bedoeling van art. 20 aan geen twijfel meer onderhevig. Het bepaalt nu alleen, dat de kerken tot de oefening van ongestudeerden, die volgens art. 8 bekwaam zijn geoordeeld om tot het predikambt voorbereid te worden, de propositiën kunnen instellen. Alleen maar, deze bepaling is hier geheel overbodig, omdat zij aan het slot van art. 8 reeds voorkomt, want daar staat nadrukkelijk, dat de classe zoodanige onbestudeerde personen, die met goedvinden der particuliere synoden naar het predikambt mogen staan, eerst zal examineeren „en naar dat zij hen in het examen bevindt, hen een tijd lang in ’t privé (zal) laten proponeeren en dan voorts met hen handelen, zooals zij oordeelen zal stichtelijk te wezen.”

Maar indien dit bezwaar gegrond is, volgt daaruit, dat de wijziging van dit artikel in een andere richting had moeten gezocht worden. De private propositie der niet-gestudeerden was door de synode van Dordrecht, 1618-’19, feitelijk naar art. 8 overgebracht. De synode van Utrecht, 1905, had nu in art. 20 de publieke propositie der gestudeerden moeten regelen. Nu echter eerst in art. 8, en later in art. 20 nóg eens weer, over private propositie der niet-gestudeerden gehandeld wordt, is er een leemte, want nu is de propositie der studenten en candidaten geheel uit de K.O. verdwenen. Dit is te meer jammer, omdat in later tijd de hulp der proponenten al meer gevraagd wordt.

2. De kerkelijke positie der proponenten. Het komt ons voor, dat bij een eventueele wijziging der K.O. in art. 20 de kerkelijke positie der proponenten moet geregeld worden. Reeds de synode van ’s-Gravenhage, 1586, bepaalde: „dat gheen Proponenten die gemeente openbaerlijck vanden Predickstoel sullen Leeren, dan die Wettelijck gheexamineert ende bequaem ghekent zijn inde Vniversiteyt ofte Classe: ende en sullen nochtans haer niet vervorderen die Sacramenten te bedienen, totter tijt toe sy volcomenlijcken beroepen ende bevestight zijn.” Toen waren de kerken dus van oordeel, dat de studenten niet mochten preeken of ze moesten eerst een soort praeparatoir-examen gedaan hebben in de universiteit of classe; en dat examen gaf dan alleen recht om te preken en niet om de sacramenten te bedienen.

Ook de synode te Dordrecht, 1618-’19, handelde, (naar

|85|

aanleiding van een gravamen uit Zeeland over „de voorbereiding der candidaten”) over de vraag of de studenten mochten preeken, doopen, catechiseeren, kranken bezoeken, voorlezen in de kerk, enz. Zij besloot, dat het preeken niet anders dan na voorafgaand examen, en niet anders dan op last van den kerkeraad, of in de groote steden van het college van predikanten, mocht plaats hebben, en niet anders dan in geval van nood; dat zij hoogstens het doopsformulier mochten voorlezen, maar het doopen zelf steeds door den predikant moest geschieden; dat het aan de prudentie der kerken en classen moest overgelaten worden of zij de kerkeraadsvergaderingen mochten bijwonen, omdat die het best over de voorwaarden van toelating konden oordeelen; en dat het voorlezen (uit de Schrift) in de kerken wel nuttig en noodig geoordeeld werd, maar ook aan vrijheid der kerken werd overgelaten.

Ook in de 17e en 18e eeuw was het regel, dat de studenten niet mochten preeken, vooral niet in vacante kerken, alvorens zij praeparatoir-examen gedaan hadden, al werd het zoo hier en daar, bijv. in Zeeland, wel toegestaan. Maar in de 19e eeuw liet men den regel wel eens los. De kerken der Afscheiding van 1834 lieten het preeken toe aan studenten, die met gunstig gevolg het semi-candidaatsexamen hadden afgelegd, en van de hoogleeraren consent hadden ontvangen. Na de vereeniging der beide kerken-groepen in 1892, besloot de synode van Amsterdam, 1892, dat het aan de studenten der Theol. School na het semi-candidaats- en aan die der Vrije Universiteit na het candidaats-examen en na consent van de Theol. professoren verkregen te hebben, toegestaan werd voor de gemeente op te treden.

Geen wonder, dat de volgende synoden de ongelijkheid wegnamen. De synode van Middelburg, 1896, bepaalde, dat de studenten eerst na afgelegd candidaats-examen; en die van Groningen, 1899, dat ze reeds na twee jaren theologische studie en nadat ze van de hoogleeraren toestemming gekregen hadden, mochten preeken. Maar de volgende synoden, nl. te Amsterdam, 1908, te Zwolle, 1911, en te ’s-Gravenhage, 1914, hebben het preeken aan de studenten verboden. De laatste synode zelfs in dien scherpen vorm, dat een candidaat voortaan bij het praeparatoir-examen een schriftelijke verklaring moet overleggen, inhoudende, „dat door hem dit verbod na deze Synode niet is overtreden, bij gebreke waarvan de Classis zijn examen voor minstens drie maanden opschorten zal.”

Tusschen voor- en tegenstanders is geen principieel verschil.

|86|

Immers een candidaat of proponent, die na het praeparatoir-examen beroepbaar gesteld is en verlof ontving om te preeken, staat evenmin in het ambt als een student, die na bekomen verlof der professoren uitgaat preeken. Zijn prediking is geen bediening des Woords, maar slechts een „stichtelijke toespraak,” evenals het preeken van studenten vóór het candidaats-examen. Het verschil is slechts van gradueel en temporeel karakter en loopt alleen over de vraag, of de kerken het verleenen van het preekconsent aan de professoren zullen toevertrouwen en dan reeds vóór het candidaats-examen, dan wel of ze het zelf op hare classen zullen verleenen en dan eerst nà het candidaats-examen. Het waardeeringsoordeel verschilt ten zeerste, al naar mate men er voor of er tegen is. De voorstanders van het studentenpreeken zijn van meening, dat het èn voor de studenten zelf en voor de kerken wenschelijk en profijtelijk is. Voor de studenten, omdat het een uitnemende practische oefenschool is voor het predikambt, en de vrijmoedigheid in het optreden, de vaardigheid in het spreken en de bekendheid in de gemeenten bevordert. En voor de kerken, omdat de leesdienst er door vermindert, en zij ongemerkt met de toekomende dienaren bekend worden. De tegenstanders zijn echter van oordeel, dat het optreden der studenten schadelijk is voor hun studie, wijl het den ijver voor de studie doet verslappen, veel kostelijken tijd doet verloren gaan, en het jagen naar succes bevordert; en dat het bovendien gevaarlijk is, omdat zij nog niet gefundeerd zijn in de waarheid en toch publiek optreden om voor te gaan en leiding te geven bij de openbare samenkomsten der gemeenten. Het komt ons voor, dat deze bezwaren overwegend zijn. Studenten moeten studeeren en niet uit gaan preeken. Wel moeten zij zich in het maken en houden van predikaties oefenen, maar dit moet onder leiding van de professoren in de theologia practica geschieden. Vooral in tijden van afzakking en verslapping mogen de kerken wel ernstig waken, dat zij zelf de toelating tot den kansel in handen houden, opdat, om in den stijl van Voetius te spreken, niet rijp en groen van den kansel verkondigd worde.

Eerst nadat candidaten tot den heiligen dienst het praeparatoir examen met goed gevolg hebben afgelegd en dus beroepbaar zijn gesteld, mogen zij proponeeren d.i. publiek preeken voor de gemeenten. Dit kan dan tweeërlei zijn: óf dat zij als proponenten hier en daar gaan preeken, om beroepen te worden; of dat zij zich als hulppredikers een korter of langer tijd voor vast

|87|

aan een bepaalde gemeente verbinden. Zulk een hulpprediker staat dan niet in het ambt, noch van dienaar des Woords, noch van ouderling. Hij verricht slechts hulpdienst en wel van het predik-, niet van het ouderlingenambt. Het is dus dwaas zoo iemand tot ouderling te verkiezen. Hij mag alleen preeken d.i. een stichtelijk woord spreken; voorts zich in het catechiseeren, en in het huis- en krankenbezoek oefenen; en als gast de kerkeraadsvergaderingen bijwonen, onder belofte van stilzwijgendheid; maar geen huwelijk en geen ambtsdragers bevestigen, veel minder nog de sacramenten bedienen. Alleen kan hem bij uitzondering het lezen van het formulier worden opgedragen, in geval bijv. van zwakheid of heeschheid van den dienaar des Woords, met uitzondering van het lezen en afvragen der stipulatiën bij den doop en het uitspreken der instellingswoorden bij het uitreiken van brood en beker bij het Avondmaal, want dat zijn sacramenteele handelingen, die een ambtelijk karakter dragen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 21

 

Art. XXI. De Kerkeraden zullen alomme toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leeren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in den Catechismus onderwijzen.

 

De kerkelijke zorg voor de Scholen.

Om de strekking van dit artikel te verstaan, wijzen wij op twee punten:

1. Op de vroegere kerkelijke zorg voor de scholen. De kerken zagen aanstonds het gevaar in, dat het zaad der reformatie geen wortel zou schieten, indien de kinderen bij den voortduur op de scholen in de Roomsche leer onderwezen werden. Toch dachten zij er niet aan naast de bestaande Roomsche scholen nieuwe Gereformeerde scholen te bouwen, maar wel om de Roomsche scholen te reformeeren. Dat lag ook in de lijn. De Gereformeerde kerken waren ook geen nieuwe, maar oude, door reformatie gezuiverde kerken. In dienzelfden geest moest nu ook

|88|

de school en het huisgezin, de maatschappij en de staat gereformeerd worden.

De eerste samenkomsten, die te Wezel, 1568, en te Embden, 1571, gehouden werden, konden nog niets anders doen, dan hare wenschen uitspreken, omdat het land nog in de macht des vijands was. Maar toen in 1572 de vrijheid begon te komen, en twee jaar later de particuliere synode van Dordrecht (1574) gehouden werd, kwam daar uit drie classen, nl. uit die van Voorne enz., van Zierikzee en van Walcheren hetzelfde gravamen (verzoek, bezwaar): „om tot reformatie der scholen te comen”. Als reden voerden zij aan, dat vele schoolmeesters „Papisten ende andere ketters (d.i. doopersch) oft slap oft onnut”, d.i. weinig onderlegd waren, zoodat „die Jeucht verdoruen werd”. De synode antwoordde, dat de dienaren des Woords moesten onderzoeken op welke plaatsen er schoolmeesters moesten wezen en of de schoolmeesters van de overheid hun stipendium (salaris) wel ontvingen; van de overheid vrijheid moesten vragen om op plaatsen, waar er nog geen was, voor haar rekening een schoolmeester te mogen aanstellen; er voor moesten zorgen, dat de schoolmeesters de belijdenis onderteekenden, zich aan de kerkelijke tucht onderwierpen, en aan de jeugd den catechismus leerden, en, zoo er waren die dit weigerden, er bij de overheid op aandringen, dat dezen geweerd en afgezet werden; en, in geval de plaatselijke overheid mocht weigeren tot de reformatie der scholen mee te werken, zich dan bij request tot de hooge overheid moesten wenden en de zaak moesten doorzetten. De kerken sloten zich dus bij den bestaanden toestand aan, dat de overheid de scholen stichtte en verzorgde, en trachtten alleen reformeerend op het onderwijs in te werken. Slechts langzamerhand werkte dit beginsel door, omdat het grootste deel van Holland toen nog in de macht van Spanje was.

De volgende synoden, te Dordrecht, 1578, en te Middelburg, 1581, besloten in dezelfde lijn. De eerste bepaalde: „Men sal arbeyden dat overal scholen opgericht worden in den weleken de kinderen niet alleen in spraken ende konsten, maer oock voornemelick in den christelicken catechismus onderwesen ende totten predicatien gheleydet worden”. De plaatselijke overheden lieten zich niet al te veel aan het onderwijs gelegen liggen en stelden vaak onbevoegde schoolmeesters aan als koetsiers, kosters, enz. De kerkeraad trad nu op menige plaats als schoolcommissie op of benoemde een deputatie uit zijn midden om er

|89|

bij de overheden op aan te dringen, toch goed voor maatschappelijk en godsdienstig onderwijs te zorgen. En die van Middelburg, 1581, wijzigde dit artikel en vatte hooger en lager onderwijs in één artikel saam, maar heeft zich nog afzonderlijk over een drietal punten uitgesproken, nl. over het examen, over „de gagie” (onderhoud) der schoolmeesters en over de instauratie en reformatie der scholen.

Eerst de synode van ’s-Gravenhage, 1586, heeft het artikel woordelijk vastgesteld, zooals het boven is afgedrukt. Zij bedoelde niet, dat de kerken nieuwe scholen moesten stichten en dat de kerkeraden daaraan goede schoolmeesters moesten benoemen, want daartoe hadden deze onder de Republiek geen bevoegdheid. Maar wel, dat zij bij de overheid moesten aandringen alleen zulke onderwijzers aan te stellen, aan wie niet alleen het maatschappelijk onderwijs, doch ook de godsdienstige opvoeding van het gedoopte zaad der kerk zonder zorg kon worden toevertrouwd. Bovendien waren er onderscheidene instructiën ter tafel inzake het „onderhout”, „het annemen ende affsetten”, de reparatie „der huysen”, „de gasie der schoolmeesters ende schoolvrouwens”, het voorzingen der schoolmeesters met de kinderen uit een psalmboek met „grooue letters”, enz. De synode werd daardoor gedrongen zich tot den Graaf van Leycester te wenden, die als landvoogd de kerken zeer gezind was en ook de synode had laten samenroepen, om een generale schoolorde in te voeren. Zelf had zij alvast een concept opgesteld, zooals dat wel meer gebeurde bij staatsstukken, die van Leycester uitgingen, en hem dit ter overweging voorgelegd. Dit concept is dan ook door hem goedgekeurd en uitgevaardigd, maar heeft niet veel effect gehad, omdat de Graaf in 1587 al weer vertrok. De korte inhoud is in drie hoofdbeginselen samen te vatten: 1e De kerken moesten er bij de overheid op aandringen, dat er overal scholen gesticht en onderhouden werden. De scholen toch gingen van de overheid uit. Niemand mocht dan ook een school oprichten, dan met voorgaand oordeel van den kerkeraad en classis en met consent van de overheid. 2e Het doel van het lager onderwijs was tweevoudig, nl. maatschappelijk (in lezen, schrijven, talen en vrije kunsten), „maar voornamelick in de Christelicke religie grondelick” te onderwijzen. 3e De kerken hadden het volledig toezicht op het godsdienstig karakter van het onderwijs; zij examineerden

|90|

de onderwijzers op het punt van leer en leven; en weerden de verkeerde boeken uit de scholen.

De synode van Dordrecht, 1618-’19, trok deze lijn nog verder door. Zij nam in art. 21 de bepaling der vorige synode over en heeft bovendien enkele lijnen voor de catechisatie getrokken. Er moest drieërlei catechisatie zijn, nl. een huis-, een school-, en een kerkelijke catechisatie. Inzake de huis-catechisatie bepaalde zij, dat de ouders hun kinderen en het gansche gezin in de christelijke religie moesten onderwijzen, de Schrift lezen, den catechismus overhooren, enz. Jammer dat er van die huiscatechisatie zoo weinig terecht komt. Inzake de school-catechisatie bepaalde zij: 1e dat er overal door de overheid scholen gesticht en onderhouden moesten worden, waarop de arme kinderen gratis onderwijs ontvingen; 2e dat de schoolmeesters lidmaten eener Gereformeerde kerk, vroom van leven en in den catechismus goed thuis moesten zijn; 3e dat bij het onderwijs in den catechismus drie leerboekjes moesten gebruikt worden: a. een klein boekje met zes hoofdstukken voor de kinderen; b. een uittreksel uit den catechismus voor meergevorderden; en c. de catechismus zelf voor de ouderen; 4e dat het toezicht op de scholen zou staan bij de predikanten, die met een ouderling of een magistraatspersoon de scholen moesten bezoeken en onderwijzers en leerlingen beiden moesten aansporen; 5e dat de schoolmeesters in geval van nalatigheid door den kerkeraad moesten worden vermaand, en bij voortdurende hardnekkigheid aan de overheid moest verzocht worden in te grijpen. En inzake de kerkelijke catechisatie oordeelde zij het wenschelijk, dat de predikanten, vooral op het platteland, zelf den catechismus op de scholen repeteerden, de ouderen aan huis of in de kerkeraadskamer alle week in den catechismus onderwezen, en die zich ten Avondmaal wilden begeven, drie of vier weken van te voren naarstig moesten onderrichten. Uit al deze bepalingen blijkt, dat wij na de reformatie in de 16e eeuw, wel met overheidsscholen, maar met Gereformeerde overheidsscholen te doen hebben.

2. Op het kerkelijk toezicht op onze Christelijke scholen. Het is volkomen waar, dat art. 21 niet volkomen meer past op de tegenwoordige verhouding tusschen kerk en school en overheid. Toch is de indruk, die men bij oppervlakkige lezing van deze bepaling zou kunnen krijgen, alsof de school in de 17e eeuw van de kerk uitging en onder haar beheer stond, geheel verkeerd. Het verschil bestaat hierin, dat de scholen toen van de

|91|

overheid uitgingen en door haar onderhouden werden en thans van vrije vereenigingen uitgaan en door deze verzorgd worden, met subsidie van den staat. Het gaat in dit artikel niet over de roeping der kerk om scholen te stichten, maar om op de scholen toezicht te houden. Die roeping rust op de kerken altijd door. Dat het uitoefenen van die roeping der kerken mogelijk was, kwam, omdat zij als publieke kerken officieel met de overheid in verband stonden. De overheid maakte dan ook bij de examinatie en de aanstelling der onderwijzers; bij het toezicht op het godsdienstig karakter van het onderwijs en de leermiddelen; en in het algemeen bij de zorg voor de gasie (het onderhoud) der schoolmeesters en de schoolgebouwen, gaarne van de hulp der kerken en vooral der predikanten gebruik. Al is het dus waar, dat de christelijke scholen thans van vrije vereenigingen en niet van de overheid uitgaan, dit neemt de roeping der kerken, om voor het christelijk karakter van het onderwijs te zorgen, niet weg. De grondgedachte, in dit artikel uitgesproken, blijft steeds van kracht. De kerken moeten steeds toezien, dat er christelijke scholen zijn en dat er op die scholen inderdaad ook christelijk onderwijs gegeven wordt. Alleen maar, zij dringen deze zaak thans niet bij de overheid, maar bij de ouders aan. De pasgehouden synode der Gereformeerde kerken, te Leeuwarden (1920), sprak deze beginselen nadrukkelijk uit in een door haar aangenomen rapport over art. 21 K.O. en voegde er aan toe: „En evenzeer spreekt het van zelf, dat de Kerkeraden ook nu, zij het ook door contractueel verband met de besturen der scholen, moeten trachten toezicht te verkrijgen èn op de geschiktheid van de onderwijzers èn op het religieus gehalte van hun onderwijs. Zeker zou, wanneer de Kerkenorde thans moest opgesteld worden, deze plicht allicht eenigszins anders geformuleerd zijn geworden, maar dit is nog geen voldoende reden om de Kerkenordening op deze punten te wijzigen, aangezien tegen hetgeen in dit artikel staat uitgedrukt, geen bezwaar bestaat en ze zelfs, mits goed opgevat, wel degelijk de hoofdlijnen aangeven van de roeping, die de kerk hierin te vervullen heeft”.

De grondgedachten inzake de roeping der kerken tegenover het gereformeerd lager onderwijs staan dan ook, zooals evengenoemd rapport zegt, voldoende vast. Ze zijn deze: 1e Dat naar de algemeene overtuiging in de kerken, de scholen niet van de kerken, maar van de ouders moeten uitgaan. Een

|92|

bepaling als deze: „De Synode spreekt de wenschelijkheid uit, dat de Scholen, als behoorende niet van de Kerken, maar van de Ouders uit te gaan, zich als vereenigingen bij de Hooge Overheid laten erkennen”, zie Acta der Gen. synode te Dordrecht, 1893, art. 235, is genoegzaam bewijs. 2e Dat het „de roeping der kerken is, de ouders tot de stichting van zulke scholen aan te sporen, waar ze nog niet zijn”. De kerken hebben dat ook in hare beste tijden gevoeld en betracht. De reformatie der kerken drong van zelf tot de reformatie der scholen. De kerken moesten onder de macht van Rome weg, maar de scholen evenzeer. Op plaatsen waar er scholen waren, moesten ze gereformeerd worden en als dat mislukte, of op plaatsen waar er nog geen waren, moesten er nieuwe gesticht worden. 3e „Dat toezicht van kerkeraadswege op het onderwijs gewenscht is”, en wel om deze drie redenen: a. omdat de gereformeerde ouders als grondslag voor hun schoolvereenigingen aannemen het Woord Gods en de belijdenis der Gereformeerde kerken, en de kerken de roeping hebben om toe te zien of de school zich aan dien grondslag houdt; b. omdat de ouders hij den doop de belofte afleggen, hun kinderen niet alleen zelf in de verbondsleer te onderwijzen, maar ook te doen onderwijzen, en het de roeping der kerk is te controleeren of zij deze belofte gestand houden; c. omdat de ouders en onderwijzers als belijdende en gedoopte leden der kerk altijd en overal inzake belijdenis en wandel aan het toezicht en de tucht der kerk onderworpen zijn, niet het minst in den dienst der school. 4e Dat dit toezicht uit den aard der zaak niet over het onderwijs als zoodanig, nl. over leerplan, lesuren, enz., maar over het schriftuurlijk en confessioneel karakter van het onderwijs gaat. Dus niet alleen over het onderwijs in Bijb. Gesch., maar ook over het christelijk karakter van het onderwijs, want wij bedoelen geen neutraal onderwijs plus den Bijbel, maar christelijk onderwijs in alle vakken, ook over de stof voor het reken-, lees-, schrijf- en geschiedenisonderwijs. Het socialistisch rekensommetje is in de schoolwereld bekend! 5e De wijze waarop het toezicht te oefenen zij, is het best bij onderling overleg te regelen. Het schoolbestuur erkenne het kerkelijk toezicht vrijwillig en overlegge wat het best is, of dat vanwege den kerkeraad twee zijner leden in het bestuur zitting hebben met volle rechten, óf dat de kerkeraad een afzonderlijke commissie voor het kerkelijk toezicht het benoeme. 6e Dat eventueele bezwaren met het bestuur moeten besproken worden. Dragen ze een religieus

|93|

en geestelijk karakter, dan berust de beslissing, als alle pogingen tot wegneming van het geschil mislukt zijn, bij de kerkelijke vergaderingen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 22

 

Art. XXII. De Ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkenraad en der Diakenen verkozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkenraad vastgesteld is; bij welke regeling het naar de gelegenheid van iedere Kerk vrij zal zijn, van tevoren de gemeenteleden in staat te stellen op geschikte personen de aandacht te vestigen, en voorts vrij zal zijn, voor de verkiezing zelve zooveel ouderlingen, als er van node zijn, aan de gemeente voor te stellen, om, van dezelve (ten ware dat er enig beletsel voorviel) geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden en stipulaties bevestigd te worden, of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde.

 

De verkiezing der Ouderlingen.

Na eerst over het ambt der dienaren, art. 3-17 en daarna over dat der doctoren, art. 18-21, gehandeld te hebben, volgt thans het ambt der ouderlingen, art. 22 en 23.

Aan Calvijn danken wij het, dat het ouderlingenambt zoals het oorspronkelijk in de Schrift lag, bij de reformatie der kerken weer in ere werd hersteld. De Roomsche kerk had de ambten van karakter veranderd. De predikant was tot bisschop opgeklommen, aan wie naast de bediening der sacramenten ook de macht der ordening of aanstelling der priesters toekwam; de ouderlingen waren in priesters veranderd, aan wie alleen de bediening der sacramenten was opgedragen; en de diakenen waren geen armverzorgers meer, maar een soort levieten of helpers der priesters bij de bediening der mis, want de armenzorg werd aan particulieren en vooral aan kloosterorden overgelaten. Ook in de Luthersche kerk werd het ouderlingenambt niet hersteld. De regering der kerk werd er aan de overheid overgelaten. Zelfs Zwingli, de reformator te Zürich, liet de regering der kerk aan de overheid over. Eerst Calvijn stelde naast de dienaren des Woords, die een wetenschappeljike vorming ontvingen en meestal

|94|

van buiten kwamen, de ouderlingen, die uit de gemeente zelf opkwamen, om als een soort leeken-element des te beter het gevaar van hiërarchie tegen te gaan. Het was echter geen vinding van Calvijn zelf, maar een herstelling van wat de Schrift in onderscheidene teksten bijv. 1 Tim. 5: 17; Rom. 12: 8 en 28; Matth. 18: 17 enz. leerde.

Dit artikel handelt over de roeping der ouderlingen (evenals art. 4 over de roeping der dienaren). Deze roeping wordt in drie kerkelijke handelingen voltooid nl. in de wettige verkiezing, de approbatie, en de bevestiging. Bij de roeping der dienaren in art. 4 is er ook nog sprake van de examinatie. Maar die is bij de ouderlingen weggelaten. De kerken achtten ze in de praktijk zeer bezwaarlijk en principieel ook niet nodig. Men wilde de ouderlingen vooraf in de voornaamste leerstukken en vooral in pedagogisch kerkrecht oefenen en examineren. Telkens dook deze kwestie weer op. In de 17e eeuw werd ze reeds aan de orde gesteld door Jakobus Koelman; in de vorige eeuw nog eens door Dr. A.C. van Raalte; en nog pas in 1913 op de Gereformeerde predikantenconferentie door Prof. L. Lindeboom. Men wees er op, dat 1 Tim. 3 : 10 zulk een „beproeving” of onderzoek eischt; dat ook de praktijk zulk een oefening in Schrift en belijdenis, kerkrecht en huisbezoek dringend vraagt; en dat er voor allerlei lagere en hogere ambten een kortere of langere voorbereiding vereist wordt. Maar de kerken willen er toch niet aan. De bezwaren maken het onmogelijk: 1e Omdat de beproeving, in 1 Tim. 3: 10 vereischt, niet alleen door een wetenschappelijk examen maar ook op praktische wijze kan plaats hebben, bijv. door ernstige bespreking eer de dubbele getallen worden opgemaakt; 2e omdat er ook geen wetenschappelijke vorming voor nodig Is, maar dat praktische vorming op catechisatie, jongelingsvereniging enz., en eigen oefening volstaan kan; 3e omdat een afzonderlijke opleiding voor de ouderlingen een nieuw soort clerus zou maken; 4e omdat minder begaafde kandidaten zich uit eerbejag zouden aanbieden en de beste krachten juist zouden wegblijven; 5e omdat op ander gebied bijv. voor gemeenteraadslid ook geen examen vereischt wordt, en een eenvoudig gemeentelid, met een goed verstand, na deskundige voorlichting, heel goed mede oordelen kan; en 6e omdat zulk een opleiding toch maar in enkele kerken ingang zou vinden. Zo blijven dus over: de verkiezing, de approbatie en de bevestiging.

|95|

1. De verkiezing der ouderlingen. Wij vragen dienaangaande:

a. Wie verkozen mogen worden. Antwoord: Zij, die aan de eisen, in 1 Tim 3: 1-7 en Tit. 1: 5-9 gesteld, beantwoorden. Het convent van Wezel, 1568, wees er reeds op: „Met alle kracht zal men zich echter daarop toeleggen, dat die dingen aanwezig zijn, die Paulus vereischt, nl. een onbestraffelijk leven, zuivere religie, uitstekende godzaligheid en geestelijke wijsheid, waarbij het bovenal nuttig zal wezen, dat eenige kennis ook van de burgerlijke zaken gevoegd worde. Voor alle dingen zullen zij zoover mogelijk verwijderd zijn van alle eerzucht en begeerte naar roem, ja ook van alle vermoeden van eerbejag.” Dit was zó duidelijk, dat de kerken later deze eisen niet meer in dit artikel hebben opgenomen.

Wel kwamen er uit de kerken telkens vragen op, bijv. of iemand, die een kwade huisvrouw, of ongehoorzame kinderen had, die uit het ambt ontzet was, of in het ambt der overheid stond, enz., wel in het ambt gesteld, of, bij aanklacht, gehandhaafd kon worden. Het antwoord luidde: dat men op de eisen van Paulus moest letten en, in geval er geen anderen waren, de besten moest kiezen ook al was er, buiten hun schuld, op de vrouwen en kinderen wat aan te merken; dat men afgezette ouderlingen, hoewel het niet uitdrukkelijk verboden was, toch niet lichtelijk weer in het ambt zal stellen; en dat „het ene ambt het andere niet verhindert”, d.i. uitsluit.

Van belang is ook de vraag, of vader en zoon of twee broeders of zwagers tegelijk wel in den kerkenraad mogen zitten. Voor de Provinciale Staten en Gemeenteraden is het verboden, maar voor de Staten-Generaal weer niet. De Schrift geeft er ook geen enkelen regel voor. Wel een paar voorbeelden in den apostelkring nl. van Simon Petrus en Andreas en van Jakobus en Johannes. Principieel is er dus geen bezwaar tegen. Maar in geval er anders genoegzame personen zijn, en dan vooral in kleine kerkenraden, is het wenselijk geen nauwverwante familieleden te verkiezen.

b. Bij wie het recht der verkiezing berust. Art. 22 geeft als antwoord: De ouderlingen zullen door het oordeel van de Kerkeraad en de Diakenen verkozen worden. Het woord „kerkenraad” Is hier „smalle kerkenraad”, want de diakenen worden afzonderlijk genoemd. Dus, samengevat, bij den „brede kerkenraad”. Dit is van het convent te Wezel, 1568, af, door alle synoden, zij het eerst met wat andere woorden, zoo bepaald.

|96|

Dit antwoord doet echter aan de rechten van de gemeente tekort. Er moet aan toegevoegd worden: met medewerking van de gemeente. In art. 31 der confessie staat dan ook juister, dat ze „tot hunne ambten behoren verkozen te worden door wettige verkiezing der kerk”; en het Formulier van bevestiging vraagt „of gij niet gevoelt in uwe harten, dat gij wettiglijk van Gods gemeente en mitsdien van God zelve tot dezen heiligen dienst beroepen zijt.” De oorspronkelijke bedoeling was wel niet om aan de Roomse hiërarchie vast te houden en de ambtsdragers van bovenaf aan de gemeente op te leggen, maar om het Independentisme in onze kerken tegen te gaan, volgens hetwelk de gemeente alles te zeggen en dus ook het uitsluitend, onbeperkt en beslissend recht der verkiezing heeft. De ouderlingen moeten bij vrije stemming door de leden der gemeente gekozen worden. De kerkenraad mist zelfs de bevoegdheid haar dubbeltallen voor te leggen. Maar al was de bedoeling goed, de redactie legt al te eenzijdig op de macht van den kerkenraad te veel, en op den invloed der gemeente te weinig nadruk. Volgens de Schrift komt het recht der verkiezing toe aan de gemeente onder leiding van den kerkenraad. Christus kent in het organisme van de gemeente aan het orgaan der ambten de leidende en besturende en aan de gemeenteleden de helpende en controlerende macht toe.

Toch wilden onze vaderen van een „strakke eenvormigheid” ook weer niet weten. Hetzelfde grondbeginsel van de verkiezing werd wel op drieërlei manier toegepast. Daar was 1e de meer aristocratische manier van Wezel, 1568, en Embden, 1571, die ook in de Franse kerken gevolgd werd, waarbij de kerkenraad alleen verkiest zonder medewerking van de gemeente en daarna de gekozenen alleen aan de gemeente ter approbatie of goedkeuring voorstelt, zodat aan de gemeente alleen het recht van stilzwijgende goedkeuring of gemotiveerde afkeuring toekomt; 2e de meer aristocratisch-democratische manier van de particuliere synode van Dordrecht, 1574, waarschijnlijk aan de Franse vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van Valerandus Pollanus en door haar aan Straatsburg, waar Calvijn diende, ontleend; volgens welke de kerkenraad een dubbel getal maakt, waaruit de gemeente dan de helft kan kiezen. Hier ontvangt de gemeente ook invloed op de keuze van de personen; en 3e de meer democratische manier van de Hollandse vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van Johannes a

|97|

Lasco, die in zijn „Forma ac ratio” etc. bepaalde, dat de gemeente, na bidden en vasten, bij vrije stemming een groslijst moest opmaken, en de kerkenraad daarna uit dat grostal de besten en meest geschikten moest kiezen.

Opmerkelijk nu, dat de synode van Dordrecht, 1578, wel de meer aristocratische manier van Wezel en Embden, en ook de meer aristocratisch-democratische manier van Dordrecht, 1574. in dit artikel heeft opgenomen, maar de meer democratische manier van a Lasco er buiten liet, omdat dit de kerken toen nog te ver ging. Onder den invloed van de democratische stroming van onzen tijd, die ook in de kerken haar invloed doet gelden, heeft de synode van Utrecht, 1905, echter ook deze stroming in het artikel opgenomen. De eenheid en duidelijkheid van het artikel hebben er wel onder geleden, maar toch is de bedoeling wel te vatten. Het vangt aan met de aristocratische grondlijn: „De Ouderlingen zullen door het oordeel van de Kerkenraad en de Diakenen gekozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkenraad vastgesteld is”; en dan volgt:

1e De meer democratische manier: „bij welke regeling het naar de gelegenheid van iedere Kerk vrij zal zijn van te voren de gemeenteleden in staat te stellen op geschikte personen de aandacht te vestigen”. De kerkenraad laat dan eerst een grostal door de gemeente aanwijzen en vult dit grostal al of niet aan, want hij is aan de namen, door de gemeente opgegeven, niet gebonden. Met dit grostal kan hij dan op tweeërlei manier handelen, nl. óf zelf uit dit grostal zooveel ouderlingen (en diakenen) kiezen als er nodig zijn, en de door hem gekozenen ter approbatie aan de gemeente voordragen; óf uit dit grostal een dubbel getal aan de gemeente voorstellen, deze uit het dubbel getal de helft laten kiezen, en de gekozenen daarna nog ter approbatie aan de gemeente afkondigen.

2e De meer aristocratische manier: „en voorts vrij zal zijn voor de verkiezing zelf zoveel ouderlingen, als er nodig zijn, aan de gemeente voor te stellen, om, van dezelfde (ten ware dat er enig beletsel voorviel) geapprobeerd en goedgekeurd zijn, met openbare gebeden en stipulaties bevestigd te worden”. De kerkenraad kiest hier eenvoudig, zonder de gemeente een grostal te laten aanwijzen, of haar zelfs een dubbel getal van namen voor te leggen, het getal ouderlingen, en stelt de gekozenen ter approbatie (goedkeuring) aan de gemeente

|98|

voor, terwijl deze alleen het recht van stilzwijgende goedkeuring of gemotiveerde afkeuring heeft.

En 3e de meer aristocratisch-democratische manier: „of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen helft op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde”. De kerkenraad maakt zelf, zonder voorafgaand grostal der gemeente, geheel vrij de dubbele getallen op, stelt deze aan de gemeente voor, en laat haar de helft er uit kiezen, om de gekozenen, na nog aan de gemeente ter approbatie voorgesteld te zijn, volgens her Formulier te bevestigen. Deze laatste manier wordt in de meeste Gereformeerde kerken, voor zoover wij weten, gevolgd.

c. Wie stemgerechtigde leden zijn? Alleen zij, die aan deze drie kenmerken beantwoorden: 1eDat zij belijdenis des geloofs deden, want de gedoopte kinderen zijn wel leden, maar nog incomplete, onmondige leden, die van de uitoefening van het stemrecht nog zijn uitgesloten; en de gedoopte volwassenen hebben, omdat zij nalatig zijn in bet doen van belijdenis, als ongehoorzame leden geen kerkelijke rechten. Zelfs zijn er kerken, die het stemrecht voor de belijdende leden nog beperken en aan den leeftijdsgrens van 23 jaren binden, omdat iemand beneden 23 jaar wel het lichaam des Heren onderscheiden kan, maar nog niet de volle lichamelijke, geestelijke en zedelijke rijpheid in ontwikkeling bereikt heeft; en omdat een Nederlandsch burger op 21 jaar wel mondig is, maar eerst met 25 jaar het stemrecht ontvangt. De Schrift geeft er wel geen bepaling voor en laat de kerken dus vrij, maar er is wel reden voor, omdat het stemrecht rijpheid van verstand en oordeel vraagt. 2eDat zij niet onder censuur staan, want een gecensureerde heeft nog wel niet de rechten van zijn lidmaatschap, maar wel de uitoefening van die rechten, zoolang de toegang tot het H. Avondmaal en het stemrecht hem ontzegd is, verloren. 3eDat zij van het mannelijk geslacht zijn. Alle Gereformeerden zijn het er over eens, dat de vrouw in de kerk van het passieve kiesrecht voor het predik- en regeerambt is uitgesloten; al zijn er enkelen, die het vrouwelijke diaconaat in ambtelijke zin willen invoeren. Maar wat het actieve kiesrecht aangaat is er onder de Gereformeerden nog geen communis opinio, of eenparige overtuiging. De Schrift maakt deze kwestie in Hand. 1 : 15 vv.; 6: 3; 15:7, 13 enz. niet uit, al komt het ons voor, dat er voor het stemrecht van de vrouw niet veel uit valt af te leiden. Wel is men het eens over

|99|

de stelling, dat aan de vrouwen de regeermacht in de kerk niet toekomt. Maar het verschil loopt over de vraag, of het stemmen een daad van regering is, ja of neen; sommigen zeggen: neen, stemmen is slechts een aanwijzing van de personen, geen roepen en aanstellen, want die macht komt de kerkenraad toe; anderen echter zeggen: stemmen is wel een daad van regering, want de regering moet onderscheiden worden in een algemeene regeermacht, die aan de gemeente, en een bijzondere regeermacht, die aan de ambtsdragers toekomt, en het stemmen behoort, zoals Voetius reeds zei, tot die algemene regeermacht, waarvan de vrouwen zijn uitgesloten, en die alleen aan de mannelijke stemgerechtigde leden toekomt. Het komt ons voor, dat tegen die laatste gedachte weinig is in te brengen.

d. Op welke wijze moet de stemming plaats hebben? Aldus: Dat de kerkenraad bijv. in de maand Oktober of November een lijst van kandidaten opmaakt, waarop dubbel zooveel namen voorkomen als er vacatures zijn, na al of niet vooraf aan de stemgerechtigde leden gelegenheid gegeven te hebben op geschikte personen de aandacht te vestigen, en van deze dubbele getallen kennis geeft aan de gemeente; dat de stemming niet, als bij de politieke verkiezingen, in een of ander lokaal, waar een stembus staat en onder controle van een commissie de stemmen uitgebracht kunnen worden, maar in een vergadering van den kerkenraad, met de stemgerechtigde leden der gemeente, onder aanroeping van den naam des Heren, geschiede, waarbij stembriefjes van afwezige stemgerechtigde leden ongeldig verklaard kunnen worden, omdat het moeilijk te controleren is, of de verhindering wettig of onwettig is, omdat zij bij onwettige verhindering hun stem verbeuren, wijl ieder stemgerechtigd lid van Godswege geroepen is aan de stemming deel te nemen, en bij wettige afwezigheid er in moeten berusten, en omdat het aanleiding geeft tot misbruik en het absenteïsme in de hand werkt; dat, eer de stemming plaats heeft, de namen der dubbele getallen worden voorgelezen, en voorts bij het beoordelen der stemmen de stembriefjes, die meer namen bevatten dan er verkozen moeten worden, of andere namen dan op de dubbele getallen staan, ongeldig zijn, maar de stembriefjes, die minder namen bevatten dan er vacatures zijn, hoe verkeerd de bedoeling ook wezen kan, wel meegerekend moeten worden, omdat de reden kan wezen, dat men alle kandidaten niet kent en er in de kerken geen stemdwang bestaat; dat zij, die de volstrekte meerderheid (bij een even getal de helft

|100|

plus één, en bij een oneven getal een halve bij de helft) verkregen hebben, verkozen zijn; maar zoo meerdere kandidaten evenveel stemmen hebben, opnieuw gestemd wordt, en zoo de stemmen dan opnieuw staken, onder aanroeping van den naam des Heren, het lot beslist; dat, ingeval de verkozene om wettige redenen, welke ter beoordeling van den kerkenraad staan, bezwaar maakt de verkiezing op te volgen, of ook na vermaning onwillig blijft het ambt te aanvaarden, waarin de kerkenraad dan wel berusten moet, zonder het echter goed te keuren, de kerkenraad een nieuw dubbel getal formeert, en op gebruikelijke wijze opnieuw laat stemmen; dat de gekozenen op twee achtereenvolgende Zondagen na de verkiezing aan de gemeente ter approbatie moeten voorgesteld, en, zoo er geen bezwaren komen, bijv. op den eersten dag (of eersten Zondag) van het nieuwe jaar in een openbare samenkomst der gemeente bevestigd worden.

2. De approbatie of goedkeuring der gemeente. Er is eerst sprake van een approbatie of goedkeuring van de gekozenen, want er staat, dat het aan den kerkenraad vrij zal zijn, „voor de verkiezing zelve, zooveel ouderlingen, als er nodig zijn, aan de gemeente voor te stellen, om, van die zelve, (ten ware, dat er enig beletsel voorviel) geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden en stipulaties bevestigd te worden.” Deze voorstelling der gekozenen is een voorstelling ter approbatie of goedkeuring, en houdt in, dat de gemeente het recht heeft van stilzwijgende goedkeuring of gemotiveerde afkeuring.

Maar dan volgt er: „of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde.” Is dit: „dubbel getal aan de gemeente voor te stellen”, een voorstellen ter approbatie of ter verkiezing? Dit is niet duidelijk. Het woord „voorstellen” op zich zelf beschouwd duidt alleen aan: mededeling aan de gemeente. Ook de volgende uitdrukking: „op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen” maakt de zaak niet uit, want op dezelfde wijze behoeft niet in te sluiten: na approbatie, maar kan alleen doelen op: „met openbare gebeden en stipulaties”. Alleen de daaropvolgende slotwoorden: „volgens het Formulier daarvan zijnde” maken het uit, want de aanhef van het Formulier spreekt uitdrukkelijk van de approbatie der gekozenen: „Geliefde Christenen, gijlieden weet, hoe wij nu tot onderscheidene reizen u voorgedragen hebben de namen van onze tegenwoordige medebroeders, die

|101|

tot den dienst van het Ouderlingschap (en van het Diakenschap) der gemeente verkozen zijn, om te vernemen of iemand wat had, waarom zij in hun ambt niet behoren bevestigd te worden.” Hier is sprake van een approbatie, niet vóór de verkiezing, „om te vernemen of iemand wat had, waarom zij in hun ambt niet behoren verkozen te worden, maar  de verkiezing, van de namen degenen, die verkozen zijn, „om te vernemen of iemand wat had, waarom zij in hun ambt niet behoren bevestigd te worden.” De volgorde in het Formulier is dus: eerst verkiezing, daarna approbatie der gekozenen, en ten derde de bevestiging. Art. 22 is op zich zelf niet recht duidelijk, maar uit de verwijzing naar het Formulier blijkt, dat de approbatie der gekozenen bedoeld is.

Maar wat is kerkrechtelijk het meest juiste? De approbatie van het dubbel getal alleen, of de approbatie der gekozenen alleen, of de approbatie eerst van het dubbel getal en daarna van de gekozenen? Het laatste is stellig het meest juiste. Er is essentieel (wezenlijk) onderscheid tusschen de approbatie van het dubbel getal en die van de gekozenen: 1e omdat iemand tegen het dubbel getal bezwaren kan hebben ook al heeft hij geen enkel bezwaar tegen de personen, die er op staan; en 2e omdat het recht om bezwaren in te brengen tegen leer en leven van iemand, die reeds verkozen is, onverkort blijft bestaan en niet slechts als een deel van het verkiezingswerk alleen aan de stemgerechtigde leden, maar, als tot de tuchtoefening behorende, evenzeer aan de doop- en de vrouwelijke leden toekomt.

Bezwaren kunnen èn tegen de wijze der verkiezing èn tegen leer, leven en ambtsgaven der gekozenen ingebracht worden. Bezwaren van formele aard, die alleen de wijze der verkiezing raken, moeten op de vergadering zelf worden ingebracht. Oordeelt de kerkenraad de bezwaren ongegrond of niet gewichtig genoeg, maar tekent de bezwaarde appèl aan bij de classes, dan stelle de kerkenraad de bevestiging uit totdat de classes uitspraak gedaan heeft, tenzij dan dat het bezwaar zóó tastbaar lichtvaardig en ongegrond is, dat geen kerkenraad de bevestiging er door mag laten ophouden. Een kleine kerkenraad vraagt dan vooraf advies aan een genabuurden kerkenraad, want twee weten meer en geven meer waarborg dan één. Zijn de bezwaren gegrond en gelden ze de personen zelf, dan verklaart hij de verkiezing voor ongeldig en stelle een nieuw dubbel getal voor. Maar zijn ze van formelen aard en raken ze bijv. alleen de wijze der verkiezing,

|102|

dan stelle bij de bevestiging uit, om het verschil uit den weg te ruimen. Gelukt dat, dan kan de bevestiging doorgaan: maar zoo niet, dan moet de bevestiging verder uitgesteld en de zaak op de classes gebracht worden, want zoo de kerkenraad doorging, zou hij niet alleen voor de ingebrachte bezwaren, maar ook voor de vraag, of de bevestigde weer uit het ambt moet ontzet worden, komen te staan. Legt de bezwaarde zich niet bij het oordeel der classes neer, maar wil hij appelleren bij de particuliere en generale synode, dan zou de bevestiging niet slechts maanden, maar jaren moeten wachten en geheel onmogelijk kunnen worden gemaakt. De kerkenraad trachten alsnog den bezwaarden broeder tot overeenstemming te bewegen, maar zoo dit mislukt, dele hij hem mee, dat de bevestiging zal doorgaan.

3. De bevestiging in het ambt. Aanvankelijk, toen de publieke bevestiging met het oog op de vervolging niet zonder gevaar was, lieten de kerken ze wel eens achterwege, temeer omdat men oordeelde, dat ze niet tot het wezen, maar alleen tot het welwezen der roeping behoorde, zodat zij desnoods kon wegblijven. Maar nadat in 1572 de vrijheid kwam werd ze aanstonds door de particuliere synode van Dordrecht, 1574, als verplichtend gesteld en door de volgende synoden als zoodanig overgenomen.

Oorspronkelijk hield de bevestiging tweeërlei in nl. de belofte van den gekozene, dat hij zijn ambt getrouw wilde bedienen; en de gebeden waarmee de gemeente den gekozene ontving. De handoplegging werd vrijgelaten. Maar de synode van ’s-Gravenhage, 1586, heeft voor de bevestiging het bekende formulier opgesteld, dat in drie deelen uiteenvalt: 1e Een uiteenzetting (verklaring) van het ambt der ouderlingen en diakenen. 2e De stipulaties of verbintenissen (beloften) van den gekozene. En 3e de vermaningen aan de bevestigden en aan de gemeente, besloten met een dankgebed. De bevestiging is bij de Gereformeerden nooit geweest een mededeling van ambtsgaven. zoals bij Rome, maar alleen een publieke aanvaarding van het ambt voor heel de gemeente.

Moet bij herkiezing ook herbevestiging plaats hebben? Ja! Bij de vroegere continuatie was dat niet nodig, want dan werd het mandaat eenvoudig, bij besluit van den kerkenraad, met mededeling van dit besluit aan de gemeente, verlengd, zonder formele herkiezing, zodat de diensttijd niet onderbroken, maar alleen verlengd werd en nog één, twee of meer jaren doorliep.

|103|

Maar bij herkiezing wordt de aftredende, die aan het einde van den diensttijd gekomen is, door den kerkenraad weer op het dubbel getal geplaatst en door de gemeente weer herkozen. Er heeft dan een nieuwe roeping, voor een nieuw tijdperk, plaats, waaruit volgt, dat de herkozen ook op nieuw bevestigd moet worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 23

 

Art. XXIII. Der Ouderlingen ambt is, behalve hetgeen dat boven, in Art. 16. gezegd is hun met den Dienaar des Woords gemeen te zijn, opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hunne andere Medehelpers en Diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen, en de bezoeking te doen, naar dat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stichting der gemeente, zoo voor als na het Nachtmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen, en ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen.

 

Het ambt der Ouderlingen.

Van den aanvang af hebben de oude synoden het ambt of de taak der ouderlingen trachten te omschrijven. Het convent te Wezel, 1568, was daarbij het meest uitvoerig en wees vooral op het huisbezoek. Maar de volgende synoden moesten zich bekorten, omdat een K.O. alleen een korte omschrijving der hoofdbeginselen geeft. De synode te ’s-Gravenhage, 1586, stelde het artikel vast zoals het nu nog onveranderd luidt en boven is afgedrukt. Het valt in drie stukken uiteen:

1. De regeering en tucht. Deze wordt in art. 16 bij het ambt der dienaren omschreven en door verwijzing naar die omschrijving in dit artikel opgenomen: „Der Ouderlingen ambt is, behalve hetgeen dat boven, in art. 16, gezegd is hun met den Dienaar des Woords gemeen te zijn.” enz. Art. 16 omschrijft dit deel zeer kort aldus: „de kerkelijke discipline te oefenen en te zorgen, dat alles eerlijk en met orde geschiede.” Eerst wordt hier de discipline of tucht genoemd. Logisch is dit niet juist, want de tucht is een onderdeel van de regering. Maar praktisch is de tucht wel het voornaamste stuk en daarom zeker voorop gesteld. Wij gaan er hier niet nader op in, omdat er in art. 71 vv. breedvoerig over wordt gehandeld. Voorts wordt de regeering

|104|

in de volgende woorden omschreven: „en te bezorgen, dat alles eerlijk (Latijn: decenter d.i. voegzaam, betamelijk, passend) en met orde geschiede.” Dit is ontleend aan 1 Cor. 14: 40, waar Paulus, naar aanleiding van de houding der vrouwen, de viering van het Avondmaal en de beoefening der geestelijke gaven te Corinthe, zegt: „Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden”. Deze regering draagt een geestelijk karakter, want zij is door Christus in de gemeente ingesteld, om haar van de zonde te reinigen en tot de zaligheid te leiden.

Heeft de kerkenraad ook voor het financieel beheer der gemeente te zorgen? Ja, in dien zin, dat de kerkenraad het enige bestuur der gemeente is en de kerkelijke administratie geheel van hem afhankelijk moet zijn. Maar wat de uitvoering betreft, moet zij, vooral in grote gemeenten, toch liefst niet door den kerkenraad gevoerd worden, omdat de zorg voor de stoffelijke goederen en het financieel beheer in eigenlijken zin niet tot de geestelijke taak van het ambt behoort, en te veel van de eigenlijke roeping zou afleiden. De kerkenraad benoeme een commissie van beheer of kerkelijke administrateurs, maar bepaalt uitdrukkelijk in hun instructie, dat alleen de kerkenraad hen benoemt, instrueert en ontslaat. Van meet af moet voorkomen worden, dat zij als zelfstandige machten naast den kerkenraad gaan staan. Zulke beheerders of administrateurs zijn slechts kerkelijke helpers, die van den kerkenraad afhankelijk en aan hem verantwoording schuldig zijn. Tot die helpers behoort ook de koster, die in opdracht van den kerkenraad het kerkgebouw schoonhoudt, de kerkgangers terecht helpt, voor de verwarming, de verlichting, de opening en sluiting der deuren zorgt en alles doet wat zijn instructie hem oplegt.

Moeten de ouderlingen voor elke afzonderlijke ambtelijke werkzaamheid eerst een opdracht van den kerkenraad hebben? Bijv. mag een ouderling naar eigen goeddunken huis- en ziekenbezoek doen; en vlak voor het Avondmaal iemand, die zich ergerlijk misgaat, het Avondmaal ontzeggen? Men make hier onderscheidt tusschen het herderlijk werk en de regering. „Herderlijk werk kan een afzonderlijk ouderling ook wel doen. Hij kan en mag ook persoonlijk de leden der gemeente bezoeken, de zieken, de eenzamen en de zwakken een woord van troost en steun toespreken. Dit is, zoo hij daartoe in de gelegenheid is, zijne roeping, zoals het Formulier van bevestiging als taak der ouderlingen aangeeft om „ook met raad en troost alle

|105|

gemeene christenen te dienen.” Maar in de regering der kerk is een ouderling alleen, evenmin als de predikant, tot geen enkele daad bevoegd. De Schrift spreekt dan ook steeds van ouderlingen in het meervoud. Hand. 14: 23; 20: 17; Phil. 1: 1; Tit. 1: 5. Slechts in vereniging met elkander en met den dienaar vormen zij den raad der kerk en zijn zij tot de regering bevoegd” (Bouwman). De ouderlingen vormen „te samen één college, zijnde als een Raad der kerk en vertonende de gehele gemeente” (Formulier van bevestiging enz.). Zij moeten dus samen de gemeente regeren en den arbeid regelen. Maar in de regeling kunnen zij vaststellen, dat ieder ouderling zijn eigen wijk heeft. waar hij huis- en ziekenbezoek moet doen, en zo nodig, maar dan onder nadere verantwoording aan en goedkeuring van den kerkenraad, een ergerlijk lid van het Avondmaal kan weren, indien de tijd te kort is om den kerkenraad samen te roepen.

In verband met het vraagstuk van „de opvoeding der rijpere jeugd”, kwam op kerkelijk gebied de vraag aan de orde, of het benoemen van een jeugdouderling kerkrechtelijk juist is. Wij antwoorden: indien het instituut van jeugdouderling niet als een nieuw ambt met een nieuwe taak wordt beschouwd, maar als een verbijzondering van de taak, die aan de ouderlingen in het algemeen is opgedragen, dan is er geen bezwaar tegen. Van een afzonderlijk ouderlingenambt voor de jeugd weet de Schrift niet. De kerkenraden mogen dus geen afzonderlijke jeugdouderlingen laten verkiezen, maar kunnen wel aan één of meer ouderlingen het bijzonder opzicht over de jeugd opdragen.

2. Het opzicht over de medeambtsdragers. Het artikel omschrijft het aldus: opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hunne andere Medehelpers en Diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen. De ouderlingen hebben dus opzicht:

a. Over de Dienaren van het Woord, en wel over hun leer en wandel en hun ambtelijk werk, „ten einde alles tot stichting der kerk gericht moge worden, en dat geen vreemde leer worde voorgesteld volgens hetgeen wij lezen, Hand. 20: 28, waar de apostel vermaant naarstige wacht te houden tegen de wolven, die in de schaapskooi van Christus mochten komen” (Formulier). Natuurlijk moet dit opzicht niet ontaarden in vitzucht en niet op ontactische wijze plaats hebben, bijv. terstond na afloop van den dienst, ten minste als het een meer of minder ernstig bezwaar betreft. De bezwaarde spreke er eerst persoonlijk met den

|106|

dienaar over, liefst in het begin van de week, om hem niet nodeloos in zijn voorbereiding voor den rustdag te storen. Eerst als het onmogelijk is, het verschil of bezwaar naar Matth. 18: 15 vv. weg te nemen, mag het op den kerkenraad gebracht worden, tenzij een ernstige openbare dwaling in leer of leven onmiddellijk ingrijpen van den kerkenraad eischt. De ouderlingen bezoeken ook de catechisaties, om te controleren of het onderwijs geschikt is en de catechisanten naarstig zijn in het onderzoek.

b. Over hun Medehelpers (d.i. over hun medeouderlingen, want in den Latijnschen tekst van 1581 staat: caeterique collegae d.i.: en de overige medeambtgenoten) en Diakenen. Eveneens over hun belijdenis en wandel en ambtelijk werk. Niet om heerschappij over elkander te oefenen, maar integendeel om elkander op te scherpen in getrouwe plichtsbetrachting. Ook hier moeten alle opmerkingen in den geest der liefde geschieden. Eerst naar Matth. 18: 15 vv. persoonlijk; zoo dit niet baat in bijzijn van één of twee getuigen, liefst uit de kerkenraad; en in derde instantie op den kerkenraad.

3. Het huisbezoek: en de bezoeking te doen, naardat de gelegenheid van de tijd en ter plaatse tot stichting van de gemeente, zoo voor als na het Avondmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen en ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen. Het huisbezoek is de ambtelijke, maar dan private en vertrouwelijke herderlijke zorg voor de leden van de gemeente in haar huizen, en is uitdrukkelijk op de Schrift gegrond. Christus heeft niet alleen voor gehele scharen gepredikt, maar ook den enkelen gelovige opgezocht, zoals de Samaritaansche vrouw, Joh. 4; de boetvaardige zondares, Luk. 7; de wenende Maria, Joh. 20; de gevallen Petrus, Joh. 21. En Hij gaf aan Zijne apostelen de opdracht, niet alleen aan de volken in het algemeen, Matth. 28: 19; Marc. 16: 16, maar ook in de huizen het evangelie te prediken, Matth. 10: 12, en de enkele schapen te weiden, Joh. 21: 15-17. Zij leerden dan ook aan de huizen. Hand. 20: 20. en zochten ook de enkelingen, zoals den kamerling, Hand. 8, Cornelius, Hand. 10, Lydia en den stokbewaarder, Hand. 16. op.

Wie het huisbezoek moeten doen. Art. 23 zegt: Der ouderlingen ambt is de bezoeking te doen. Het is dus het ambt d.i. taak, plicht, roeping der ouderlingen. Ook van den dienaar van het Woord, maar dan in zijn kwaliteit (hoedanigheid) als ouderling. Het is niet goed de dienaar van alle huis- en krankenbezoek

|107|

en het bezoek van ouden van dagen geheel vrij te stellen. Wel moet het leerambt, dus prediking en catechisaties, bij hem hoofdzaak zijn en is het onbillijk, dat hij alleen zooveel doet als alle andere ouderlingen samen, ten minste in een groote gemeente! Maar hem geheel vrij te stellen zou toch niet goed zijn. Dan ontbreekt te zeer bij hem het contact tusschen herder en kudde.

Wanneer het huisbezoek moet geschieden. Het convent te Wezel, 1568, wilde het zooveel mogelijk, liefst elke week, en in elk geval vóór het Avondmaal. Maar in tijden van druk en vervolging was het kerkelijk leven al te sterk gespannen. De synode van Dordrecht, 1578, bepaalde, dat het „voor het Avondmaal”, en die van ’s-Gravenhage, 1586, dat het „nae dat de ghelegentheijt des tijts ende der plaetsen, tot stichtinghe der Gemeynten soo vore als naer het Avontmael kan lijden”, moet plaats hebben; en deze laatste bepaling geldt tot nu toe. En ook het ambtelijk huisbezoek vóór en  het Avondmaal, (vóór het Avondmaal om tot de rechte viering des Avondmaals voor te bereiden en eventuele moeilijkheden uit den weg te ruimen, en nà het Avondmaal om over de vrucht der Avondmaalsviering te spreken) is in grote gemeenten om des tijd wille nog bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk.

In vele kerken wordt alleen het gewone „jaarlijksch huisbezoek” gehouden, waarvan in art. 23 echter geen sprake is; hier en daar heeft men ook naast het „jaarlijksch huisbezoek” nog het z.g.n. Avondmaalsbezoek, door één òf twee ouderlingen, om te vernemen of er ook ene of andere belemmering voor het Avondmaal is. Onze vaderen wilden echter, dat het huisbezoek in verband met het Avondmaal zou geschieden. En waar het mogelijk is, leidde men het daar heen.

Daarnaast sprak Voetius nog van het gewone gelegenheidsbezoek (visitatio occasionata) door predikant of ouderling alleen, aan zieken, zwakken, ouden van dagen, bezochten, bevoorrechten, enz. Daarbij mogen dan de „kerkgangers”, die niet tot de gemeente behoren, niet vergeten worden.

Het huisbezoek draagt een ambtelijk karakter en bedoelt: 1e „Om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen.” Het geldt dus de „lidmaten der gemeente” en dan zowel gedoopte als belijdende leden, kinderen als ouders, dienstbaren als heren en vrouwen. Het hoofd van het gezin moet er dus voor zorgen, dat allen aanwezig zijn. De bedoeling is om ben te vertroosten en te onderwijzen, d.w.z. dat ze in de

|108|

rechte gemeenschap met God komen te staan en in belijdenis en wandel als gelovigen optreden. 2e „En om ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen.” De historische betekenis van deze woorden is, dat de kerkenraad ambtelijk over alle bewoners, ook die niet bij de kerk behoorden, te zeggen had. De Gereformeerde kerken waren de bevoorrechte en alleen erkende kerken. Ieder, die zich niet bij baar voegde, moest door haar ambtelijk vermaand worden. Maar dit standpunt was onjuist. Het vloeide voort uit de valse idee der ene volkskerk, d.w.z. dat elk burger van den staat ook lid van de ene landskerk moest wezen. Deze opvatting is mede door de pluriformiteit der kerk al lang losgelaten. Ieder mensch is rechtstreeks aan God verantwoording schuldig. Die buiten zijn (nl. buiten de kerk) oordeelt God, 1 Cor. 5: 13. Het gezag der geïnstitueerde kerk is tot hare leden beperkt. Toch heeft de synode te Utrecht, 1905, deze woorden laten staan. En terecht, want Christus heeft de opdracht gegeven het Evangelie te prediken aan alle creaturen, Matth. 28: 19; Marc. 16: 15-16. Dat bevel omvat alle volken, niet alleen de heidenen, maar ook de afgedoolde christenen. Het slot van dit artikel behoort dus tot de Evangelisatie en voorts tot de persoonlijke roeping van ieder gelovige tegenover zijn medemensch.

Eindelijk is de vraag, of de ouderlingen mogen bezoldigd worden. Hoewel zij op grond van 1 Tim. 5: 17-18 op bezoldiging aanspraak kunnen laten gelden, hebben zij toch van den aanvang af hun werk om niet willen verrichten. De gemeenten waren meestal arm en hadden aanvankelijk met de traktementen der predikanten al genoeg te doen. Vele jaren achter elkander in het ambt van ouderling te dienen, was echter voor de meesten een al te groot offer. Mede daarom voerde men de vaste aftreding in. Zij deden dus vrijwillig afstand van hun recht. Niet uit beginsel, maar om praktische redenen, evenals ook Paulus de gemeente van Corinthe om niet wilde dienen, 1 Cor. 9: 11; 2 Cor. 11: 9; 12: 13. Natuurlijk moeten de onkosten, die de ouderlingen bij hun ambtelijk werk maken, hun worden vergoed. Geen kerkenraad mag vorderen, dat deze uit eigen beurs worden betaald.

Jansen, Joh. (1976) Art. 24

 

Art. XXIV. Dezelfde wijze, die van de Ouderlingen gezegd is, zal men ook onderhouden in de verkiezing, approbatie en bevestiging der Diakenen.

 

De verkiezing der Diakenen.

De volgende drie artikelen (24-26) handelen over het diaconaat. Art. 24 handelt over de verkiezing, approbatie en bevestiging der diakenen; en deze moeten op dezelfde wijze als bij de ouderlingen plaats hebben. Wij handelen dus niet meer over de verkiezing zelf, maar alleen over het karakter van het ambt, de vereisten tot het ambt, de verhouding van het diaconaat tot de particuliere armenzorg en de z.g.n. diaconessen.

1. Het karakter van het diakenambt. De naam diaken is afkomstig van het Grieksche woord diaconos d.i. iemand, die dient. Dat woord had eerst een zeer ruime betekenis. Ieder, die in enigen kerkelijke dienst bezig was, zelfs ook de prediker van het Evangelie, Hand. 6: 4, werd een diaconos d.i. een dienaar genoemd. Maar het wordt in het N.T. ook sensu praegnante d.i. in bepaalden en engere zin gebruikt, nl. als dienaar der barmhartigheid. Al spoedig werd een diaken onderscheiden van een opziener en een apostel. Zo reeds in Hand. 6; 1-6, waar de gemeente van Jeruzalem zeven diakenen kiest, die „de tafelen dienen” moesten, omdat de apostelen dit niet meer bij de prediking des Woords konden waarnemen; voorts in Fil. 1: 1, waar in de zegenbede sprake is van de „opzieners en diakenen”; en eindelijk in 1 Tim. 3: 8-10, waar naast de vereischten voor de opzieners vss. 1-7, afzonderlijke vereisten voor de diakenen gesteld worden, vss. 8-10. Hieruit blijkt reeds genoegzaam, dat oorspronkelijk met het diaconaat de dienst der barmhartigheid werd aangeduid.

Maar reeds in de tweede eeuw is het diaconaat van karakter veranderd. Dit kwam aldus: volgens 1 Tim. 4: 14 staat er een kerkenraad d.i. een raad van presbyters of ouderlingen aan het hoofd der gemeente. Maar reeds in de tweede eeuw verhief zich één van hen tot bisschop, terwijl de andere presbyters (ouderlingen) en ook de diakenen zijn dienaren werden. De bisschop werd zoo langzamerhand de hogepriester, de andere presbyters (ouderlingen) werden de priesters, en de diakenen waren aan de levieten gelijk, die hulpdienst moesten verrichten. Eerst hielpen

|110|

zij naast anderen arbeid ook nog wel bij het werk der barmhartigheid, maar toen In de middeleeuwen de armenzorg al meer aan particulieren en aan kloosterorden werd overgelaten, hield hun dienst op dienst der barmhartigheid te zijn en werd hij hulpdienst der sacramenten. De omschrijving in Hand. 6: 2 dat zij „de tafelen dienen” moesten, werd niet meer van de verzorging der armen, maar van de bediening der sacramenten opgevat. De diakenen moesten den priester behulpzaam zijn bij de bediening van de mis en van den doop en bij de prediking.

Nu is bij de Reformatie in de 16e eeuw het oorspronkelijk Schriftuurlijk karakter van het diaconaat als dienst der barmhartigheid wel door Calvijn, maar niet door Luther weer hersteld. Luther zelf zegt wel, dat het diakenambt is ingezet voor de armenzorg, maar in de Luthersche kerk is het niet tot ontwikkeling gekomen; de armenzorg werd aan de overheid overgelaten en de naam diaken werd later al meer gegeven aan de hulppredikers, die in grote kerken de predikanten ter zijde stonden. Calvijn is het ook hier geweest, die de zuivere lijn heeft getrokken. Hij nam echter twee soorten van diakenen aan. De eerste soort voor de ontvangst en uitdeling der armengelden, en de tweede soort voor de ziekenverpleging. Alleen de eersten zijn in de Gereformeerde kerken te Embden, en in die van den Palts, den Benedenrijn, Frankrijk, Schotland en Nederland, voor goed en blijvend in ere gekomen.

2. De vereischten voor het diakenambt. Evenals voor de ouderlingen wijst de Schrift nadrukkelijk de vereischten voor het diakenambt aan. Beide zijn hierin onderscheiden, dat voor de ouderlingen meer op het „bekwaam om te leeren” en op de gave der „regeering”, 1 Tim. 3 : 2, 4-5, wordt gelet, terwijl voor de diakenen meer op de zedelijke eisen van eerlijkheid en betrouwbaarheid nadruk valt. Deze vereischten lezen wij:

1e in Hand. 6: 1-7, vooral in vs. 3: Ziet dan om broeders naar zeven mannen uit u, die goed getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid. Drie vereischten, nl. een goed getuigenis van de gemeente en van degenen, die buiten zijn; vol des H. Geestes omdat een diaken in de liefde moet uitblinken; en de gave der wijsheid, om te weten waar werkelijk hulp nodig is en in welke mate ze verleend moet worden.

2e in 1 Tim. 3: 8-12: De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuil-gewin-zoekers. Houdende de verborgenheid des geloofs in

|111|

een rein geweten. En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zoo zij onbestraffelijk zijn. De vrouwen evenzo moeten eerbaar zijn, geen lasteressen, wakker, getrouw in alles. Dat de diakenen ééner vrouwe mannen zijn, die hunne kinderen en hun eigen huizen wèl regeren. De vraag is wel gesteld, of een arme, die ondersteund wordt, wel tot diaken verkozen mag worden. Wij antwoorden: niemand is om zijn armoede of rijkdom op zich zelf te verwerpen, als ze bovengenoemde vereisten bezitten. Alleen wanneer een arme den tijd niet kan missen om zich aan het ambt te wijden, dan, zo oordeelden Voetius en Koelman reeds, moest men ze niet met het diakenambt belasten.

3. De diaconale armenzorg en de particuliere barmhartigheid, enz. De mening, dat de diaconie voor alle armen te zorgen heeft is tegen de Schrift en vindt weinig verdedigers meer. Volgens Gods Woord komt de armenzorg uit drieërlei beginsel op:

Vooreerst uit het beginsel van den plicht; en wel uit plicht van wedervergelding, van kinderen en kindskinderen tegenover arme ouders en voorouders, 1 Tim. 5: 4; verder uit plicht van nauwe familiebetrekking van rijke ouders tegenover arme kinderen of van broeders en zusters en familieleden onderling; en eindelijk uit plicht van wettelijke verordening en sociale rechtvaardigheid, bijv. van voogden, verzorgers en patroons tegenover hen, die aan hun zorg zijn toevertrouwd.

Voorts uit het beginsel van liefde en barmhartigheid; ’t zij dan krachtens het ambt der geloovigen, en wel òf door particuliere barmhartigheid tegenover verdere familiebetrekkingen, vroegere dienstboden en verder arme kennissen, buren, gemeenteleden enz., òf door gemeenschappelijke barmhartigheid, als de gelovigen in dorp of stad, bijv. om in den nood van een groter of kleiner aantal mensen, die door een ongeluk of ramp getroffen zijn, te voorzien, met elkander samenwerken; ’t zij dan krachtens het ambt der diakenen, wanneer alle andere hulp afwezig is en er in de gemeente armen overblijven, die geen verzorgers hebben; de diaconale armenzorg komt dus na de particuliere barmhartigheid, hoewel het uit praktisch oogpunt verstandig is, dat de eerste in overleg met de laatste geschiede.

Eindelijk blijft dan nog over, de verzorging uit nood, voor het terrein, waar de reeds genoemde verzorging niet komt; en die dan òf uit individueelen nood, door sterfgeval, ramp, ongeluk;

|112|

òf uit socialen nood, bijv. uit groote misstanden en maatschappelijke ontwrichting geboren wordt, waar alleen de overheid helpen kan en bij wijze van politiemaatregel helpen moet.

4. Nog iets over de z.g.n. diaconessen. Is er in het N.T. van ambtelijke diaconessen sprake? Onze kerken hebben zich in de 16e eeuw maar tweemaal over dit punt uitgesproken en wel te Wezel, 1568, en te Middelburg, 1581. Het convent te Wezel oordeelde het wel nuttig, dat „ook vrouwen van beproefd geloof en eerbare levenswandel en die op gevorderde leeftijd zijn, tot dit ambt genomen worden”. De bedoeling was blijkbaar, dat zij bij de verzameling en uitdeling van aalmoezen aan de armen en bij de verpleging van arme zieken, wel niet in engere zin ambtelijk, maar toch als helpsters zouden worden aangesteld. Toch kwam de classes Wezel in 1581, met de vraag tot de synode van Middelburg, 1581: „Oft Raetsaem waere, het Ampt der diaconessen weder in te voeren?” Maar de synode antwoordde zeer beslist: „Neen, om verscheijden inconvenienten wille, die daer ut souden moghen volghen. Maer in tijden van Pestilentie ofte ander kranck-heden, zoo daer eenighen dienst bij krancke vrouwen te doene is, den Diaconen niet betamelick, so sullen sy die versorghen door haere huysvrou, ofte andere daer toe bequaeme synde.” Dus geen ambtelijke diaconessen, maar wel vrouwen, die behulpzaam waren bij het verzorgen der kranken. Zoo is de beschouwing gebleven in onze kerken. Voetius bijv. zegt, dat de z.g.n. diaconessen behoren tot de categorie der behulpsels. Zij dragen in eigenlijken zin geen ambt, maar zijn helpsters bij de verzorging van armen en vooral bij de verpleging van vrouwelijke zieken, en staan dus met voorlezers en kosters op één lijn. Maar in dezen laatste zin kan er van den hulpdienst der vrouwen veel ruimer gebruik gemaakt worden. Volgens de Schrift hebben Jezus en de apostelen van den dienst der vrouwen niet alleen gebruik gemaakt bij het diaken-, maar ook bij het predik- en ouderlingenambt. In het ambt mag zij niet gesteld. Maar helpen en bijstaan mag zij wel, en dan in veel ruimer zin, op het terrein van heel het christelijk leven. God heeft haar schone gaven gegeven voor velerlei arbeid bijv. voor de zondagsschool, het godsdienstonderwijs, de armenzorg, de ziekenverpleging, de verzorging van weduwen en weezen en ouden van dagen, de ondersteuning van kraamvrouwen, het verschaffen van bijstand en raad aan moeders, de bereiding van spijzen voor armen en zieken; het voorzien in de behoeften

|113|

aan kleeding en deksel, de behartiging der belangen van dienstboden, alleenstaande meisjes, fabrieksarbeidsters, de evangelisatie en de zending enz. Ook op godsdienstig en kerkelijk terrein is zij een hulpe van het ambt.

Jansen, Joh. (1976) Art. 25

 

Art. XXV. Der Diakenen eigen ambt is, de aalmoezen en andere armengoederen naarstig te verzamelen, en die getrouwelijk en vlijtiglijk, naar den eisch der behoeftige, beide der ingezetenen en vreemden, met gemeen advies uit te delen, de benauwden te bezoeken en te vertroosten, en wel toe te zien. dat de aalmoezen niet misbruikt worden; waarvan zij rekening zullen doen in den Kerkenraad, en ook (zoo iemand daar bij wil zijn) voor de gemeente, op zulke tijd als de Kerkenraad het goedvinden zal.

 

Het ambt der Diakenen.

Reeds op de eerste samenkomst, te Wezel, 1568, hebben onze vaderen over de taak der diakenen breedvoerig gesproken. Voorop stellen zij, dat het bedienen der tafelen, Hand. 6: 2, in Gereformeerden zin moet opgevat worden, nl. als armenzorg, en niet in Roomse zin als bediening der Mis. Voorts namen zij van Calvijn de idee van tweeërlei diakenen, nl. voor de armen en voor de zieken, over. Maar de volgende synoden, te Embden, 1571, en te Dordrecht, 1578, hebben over die tweede soort van diakenen, nl. voor de zieken, niet meer gesproken. En ook de synode van Dordrecht, 1578, en die van Middelburg, 1581, waar de redactie van dit artikel is vastgesteld, hebben er alleen het diaconaat voor de armen in geregeld en omschreven. Het ambt (ambt ook hier in den zin van taak, plicht, roeping) der diakenen valt in vier delen uiteen, nl. in het verzamelen der gaven; het uitdelen der gaven; het bezoeken en troosten der armen; de administratie en verantwoording; waaraan wij volledigheidshalve enkele opmerkingen over het voorkomen van armoede laten voorafgaan.

1. Het voorkomen van armoede. De vraag is of de diakenen ook moeten trachten armoede te voorkomen door tijdige en voorlopige ondersteuning? Ja, want de Here had reeds in Lev. 25: 35 ieder Israëliet bevolen: En als uw broeder zal

|114|

verarmd zijn, en zijne hand bij u wankelen zal, zoo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. En Voetius trekt er voor de diakenen deze conclusie uit: „Het is beter door enige hulp een val te voorkomen, dan de gevallene te ondersteunen, of uit den val op te richten. Het is gemakkelijker en profijtelijker een dreigende ziekte te voorkomen, dan een uitbrekende ziekte te genezen; en een versleten kleed bij tijd te herstellen, dan straks een geheel nieuw stel kleren te verschaffen.” Dan juist triomfeert de diaconale zorg, wanneer zij zóó tijdig ingrijpt, dat een dreigende inzinking en daaruit voortvloeiende duurzame verarming voorkomen wordt. De middelen daartoe zijn: 1e de geestelijke middelen van raadgeving, vermaning en bestraffing, in geval iemand door eigen schuld, bijv. door kroeglopen, misbruik van sterken drank, speelzucht, leven boven zijn stand, wanbeheer, verkwisting enz., dreigt te verarmen; en 2e het verstrekken van financiële hulp, bijv. van een gift in eens, of van een voorschot zonder rente, tenzij dan dat zonder bezwaar een matige rente gevraagd kan worden.

2. Het verzamelen der gaven. Hun ambt (taak, plicht, roeping) is, de aalmoezen en andere armengoederen naarstiglijk te verzamelen. Welke gaven moeten zij verzamelen? Er staat hier „de aalmoezen en andere armengoederen.” Ook het Formulier van bevestiging van Ouderlingen en Diakenen spreekt van „aalmoezen en andere goederen, die den armen gegeven worden.” De „aalmoezen” zijn de gewone liefdegaven uit giften en collecten samengebracht. En de „andere armengoederen”, waarvan hier sprake is, zien op legaten, schenkingen, opbrengsten van landerijen, enz. Al deze gaven moeten oorspronkelijk uit liefde gegeven zijn en het karakter van liefdegaven dragen. De diakenen moeten naar het Formulier toezien, „dat tot hulp der armen vele goede middelen gevonden mogen worden.”

Goede middelen zijn de gewone liefdegaven, die in de eredienst verzameld worden; de buitengewone gaven en collecten, die voor tekorten of extra uitgaven, in den eredienst of bij rondgang door de gemeente, worden vergaderd; de dankoffers bij Doop en Avondmaal, die ook den armen toekomen, terwijl de kosten voor het Avondmaal ten laste der kerk komen; de legaten en schenkingen, ’t zij in geld, ’t zij in landerijen, waarbij de diakenen goed moeten toezien of er ook voorwaarden aan verbonden zijn, die, bij aanvaarding, het christelijk karakter der diaconale zorg zouden aantasten.

|115|

Verkeerde middelen zijn: dat de diakenen een hoofdelijke omslag zouden heffen, wat wel op den weg der overheid ligt, maar met het beginsel van diaconale armenzorg in strijd is; dat de diakenen een schaalcollecte bij de straat zouden gaan houden en dus een deel van hare verplichting op de burgerij zouden overdragen; dat de diaconie enige staatssubsidie zou aanvaarden, omdat deze haar van de overheid afhankelijk zou maken; dat de diaconie de opbrengst van wereldsche instellingen, als concerten, tooneelvoorstellingen, zanguitvoeringen, bazaars, en oneerlijk verkregen geld enz., zou aannemen.

Op welke wijze moet de inzameling plaats hebben? Op een tafel in de samenkomst, zoals in de eerste eeuwen? Of in een carbona of offerbus bij den ingang der kerk, zoals later geschiedde? Of bij wijze van collecte, zoals ten tijde van de Reformatie in de 16e eeuw is ingevoerd? Een principieel verschil is er niet tussen. Wij zijn aan de collecte gewoon en houden ons er maar aan. Maar moet die collecte onder of aan het einde van den dienst gehouden worden? Aanvankelijk werd zij onder den dienst gehouden. Maar de particuliere synode van Dordrecht, 1574, wilde ze liever aan de deur houden, en het orgelspel aan het einde van den dienst bij het uitgaan der kerk afschaffen. Ook de synode van Dordrecht, 1578, antwoordde op de vraag: wat beter was, na of onder den dienst te collecteren „De eerste wijze is beter.” Het collecteren onder den dienst mocht tijdelijk wel geduld worden, maar zodra men het verbeteren kon moest dat geschieden. In Zeeland was het dan ook gewoonte, zelfs tot nu toe, aan het einde van den dienst de collecte te houden, omdat men het collecteren onder den dienst en voor den dienaar en voor den collectant en voor de gemeente zeer hinderlijk vond. Maar Voetius was het er niet mee eens: collecteren onder of na den dienst, deed aan het wezen der zaak niet toe of af; dat het onder den dienst storend zou werken, wordt onder ons haast niet gevoeld; en een voordeel is, dat de collecte dan meer opbrengt, omdat de mensen niet kunnen voorbijgaan. Het meest gewenst komt ons voor, dat de kerkelijke financiën bij wijze van contributie worden samengebracht, zodat de collecte voor de kerk kan worden afgeschaft; en dat dan de collecte voor de armen onder of na den dienst gehouden wordt. Onder den dienst is liturgisch het meest juiste. De liturgie toch eist, dat het karakter van een vrijwillige liefdegave bij de collecte voor de armen goed tot zijn

|116|

recht komt. Maar dan als deel van en niet als een aanhangsel achter aan den eredienst. Wil men ook de collecte voor de kerk handhaven dan moeten ze wel onder den dienst gehouden worden, omdat ze beide niet na den dienst kunnen plaats hebben. Maar dan moet bij de aankondiging het onderscheiden karakter duidelijk uitkomen, (bijv. dat er gelegenheid is, om een bijdrage voor den eredienst en een liefdegave voor de armen te geven). En dan zij er een voldoende tijd. De dienaar kondigde ze plechtig af en ondertussen zingt de gemeente een op de prediking of op de barmhartigheid passend lied, of leest de dienaar een passend gedeelte uit de Schrift.

Naast die gewone, kan er zoo nu en dan ook een buitengewone collecte gehouden worden. Paulus maakte er ook gebruik van in 1 Cor. 16: 1 vv. Hij verordende in de gemeenten van Corinthe en Galatië, dat „een iegelijk, naardat hij welvaren verkregen had, op elken eersten dag der week bij zich zelven moest wegleggen”, en wel voor de arme moedergemeente te Jeruzalem en voor die in Juda, die door de vervolgingen zoo zeer hadden geleden. Zoo kunnen de diakenen in de eigen kerk ook een buitengewone collecte houden, zoowel in den eredienst als bij de huizen, om in de tekorten te voorzien.

3. Het uitdelen der gaven. Wij stellen hier enkele vragen: Wie ondersteund moeten worden. Art. 25 antwoordt: de behoeftigen d.i. de behoeftige leden der gemeente, „beide der ingezetenen” d.i. der eigen gemeenteleden, „en der vreemden” d.i. der vreemde gemeenteleden, die uit hun woonplaats vluchten moesten, en bij hun doortocht naar elders, onderweg tijdelijk enkele dagen, soms twee à drie weken, op een plaats vertoefden en dan weer verder gingen. Toen nu valsche bedelaars, onder voorwendsel van arme vluchtelingen te zijn, de gemeenten afliepen, heeft de synode van Embden, 1571, reeds bepaald, dat de arme vluchtelingen, die van elders kwamen, een attestatie moesten tonen, waarop dan elke diaconie kon aanteekenen wat zij gegeven had. Met deze beide uitdrukkingen worden dus leden der gemeente bedoeld. Maar Voetius stelde ook reeds de principiële vraag, of ook armen buiten de gemeente ondersteund moesten worden? Hij antwoordde reeds bevestigend. Wanneer de buiten-armen elders behoorlijk verzorgd werden, konden de diakenen zich tot de eigen armen beperken. Maar vroeger was het wel zóó, dat de diakenen voor alle armen zorgden en dan ook bij ieder collecteerden en ook de overheid

|117|

de diaconie zelfs steunde. Principieel is er geen bezwaar tegen, dat ze ook andere armen steunen, maar wel is er bezwaar tegen, subsidie van de overheid te aanvaarden. De diakenen moeten hun zorg eerst tot eigen armen en voorts zoo ver mogelijk uitstrekken. De barmhartige Samaritaan verbond en verzorgde ook zijn vijand, Luk. 10: 29-37. Paulus leert in Rom. 12: 20: „Indien uw vijand hongert zoo spijzigt hem”, enz. en in Gal. 6: 10: „Zoo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenooten des geloofs”.

Uit dat hoofdbeginsel vloeit voort, dat niet alleen de belijdende, maar ook de gedoopte leden, en dan niet alleen de minder-, maar ook de meerderjarigen, in elk geval zolang zij leden der kerk zijn, en, zo mogelijk, óók daarna, ondersteund moeten worden; dat het verkeerd zou zijn, in geval een arme onder censuur kwam, zijn ondersteuning te doen ophouden, of als de ouders door den ban werden afgesneden en weigerden de gedoopte kinderen naar de catechisatie en de christelijke school te zenden, zich van die kinderen terug te trekken; dat ze ook ondersteuning bieden, als iemand wel ten dele, maar niet geheel in zijn levensonderhoud kan voorzien; dat zij bijv. alleen in geval de arme niet meer in staat is zijn bezit te beheren, er op aandringen dit aan de diaconie af te staan, om dan het overige aan te vullen, maar dat zij in den regel, zoolang geen onvermogen of wanbeheer in het spel is, den arme het zijne moeten laten en het ontbrekende aanvullen.

Hoeveel moeten de armen ontvangen? Art. 25 zegt: „naar eisch der behoeftigen”. Zuiver naar de Schrift, want 1 Tim. 5: 16 zegt, dat de armen „genoegzame hulp” moeten ontvangen. In geval de kas niet toereikend is, moeten de diakenen naar meer middelen uitzien, bijv. een extra-collecte houden, de meer-gegoeden opzoeken enz. De armen moeten zóó verzorgd worden, dat zij eenvoudig, maar behoorlijk leven kunnen.

Op welke wijze moet de ondersteuning geschieden? Art. 25 zegt: „met gemeen advies.” In geval van oogenblikkelijken nood, mag een diaken voorlopig wel helpen en ook particulier wel gaven verzamelen, maar de ondersteuning en de publieke inzameling moet met gemeen advies geschieden. Voorts moeten de gaven niet publiek, maar in het verborgen worden meegedeeld, Matth. 6: 3-4. De linkerhand mag niet weten wat de rechter doet, d.i. de een mag niet weten wat de ander geeft. De aalmoes moet in het verborgen zijn. Een vaste zitdag, waar

|118|

de armen moeten verschijnen, is verkeerd. De gaven moeten door de diakenen aan huis bezorgd worden, om ook troostrijke woorden te kunnen spreken en om op het gebruik toezicht te kunnen houden.

4. Het bezoeken der armen. Het ambt der diakenen is: de benauwden te bezoeken en te vertroosten en wel toe te zien, dat de aalmoezen niet misbruikt worden. Een diaconaal huisbezoek dus, maar van een ander karakter als het gewone huisbezoek, nl. met het oog op den nood der armen, om hen te vertroosten en ook wel met hen te bidden. Tevens kunnen diakenen dan toezien of de gaven goed worden besteed, bijv. of zij ook te hoge huishuur betalen, of zij de levensmiddelen ook te duur inkoopen, of zij ook pronken en snoepen. Wel moet de zelfstandigheid der gezinnen zolang mogelijk gehandhaafd worden, maar het kan toch nodig zijn, dat de ondersteuning niet in geld, maar in levensmiddelen geboden moet worden.

5. De verantwoording. Art. 25 zegt daarvan aan het slot: waarvan (nl. van bet verzamelen en uitdelen der aalmoezen, het bezoeken en troosten der benauwden, en het toezicht, dat de gaven niet misbruikt worden) zij rekening zullen doen in den Kerkenraad, en ook (zoo iemand daarbij wil zijn) voor de gemeente, op zulke tijd als de Kerkenraad het goedvinden zal.

Deze bepaling gaat uit van de gedachte, dat de diakenen aan den kerkenraad onderworpen zijn. Art. 23 zegt reeds, dat tot het ambt der ouderlingen behoren, „opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hunne andere Medehelpers en Diakenen, hun ambt getrouwelijk bedienen.” Volgens het Gereformeerd kerkrecht is de kerkenraad het enige bestuur ener paatselijke kerk. Aan zijn opzicht zijn de dienaren, de ouderlingen en ook de diakenen, als ook de gehele gemeente, onderworpen. Voor zelfstandige diaconale vergaderingen is er dus in bet gereformeerd kerkelijk leven geen plaats.

Uit dit beginsel volgt, dat zij van heel hun arbeid rekening zullen doen aan den kerkenraad. Doorgaans geschiedt dit aan het einde van het jaar. Maar er ligt meer in. Er staat: „waarvan zij rekening zullen doen” enz., en dit „waarvan” omvat alle werkzaamheden der diakenen, in het artikel genoemd. Niet dat zij van alle kleinigheden verslag moeten doen, maar wel, dat de kerkenraad de grondregelen make of goedkeure voor den diaconale arbeid.

|119|

Daarop volgt dan: en ook (zoo iemand daar bij wil zijn) voor de gemeente, op zulken tijd, als de Kerkenraad het goedvinden zal. Deze verantwoording aan de gemeente draagt een ander karakter. Voor den kerkenraad dient ze, opdat deze den arbeid goedkeure en voor zijn rekening neme, maar voor de gemeente, om over een of ander punt inlichtingen te geven. De wijze kan verschillend zijn: òf door de boeken ter inzage te leggen, òf, ’t zij dan schriftelijk, ’t zij dan mondeling (in een gemeentevergadering), een beredeneerd verslag te laten geven. De diakenen houden zich daarbij aan de oude gewoonte, dat zij de namen der ondersteunden en het bedrag der ondersteuning niet openbaar maken. Dit rust op Matth. 6: 3-4. Zij kunnen de verschillende posten rubriceeren en de verantwoording onder hoofdgroepen brengen, bijv. aan weduwen zooveel, aan gezinnen zooveel, aan giften in eens zooveel, enz. Wil iemand om een bepaalde reden, bijv. om een arme particulier te steunen, gaarne weten wat hij ontvangt, dan kan de diaconie hem inlichten onder belofte van stilzwijgendheid. Maar in den regel mogen namen en bedrag niet gepubliceerd worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 26

 

Art. XXVI. De Diakenen zullen, ter plaatse waar huiszitten-meesters of andere aalmoezeniers zijn, van deze begeren goede correspondentie met hen te willen houden, ten einde de aalmoezen te beter uitgedeeld mogen worden onder degenen die meest gebrek hebben.

 

Correspondentie met andere lichamen voor armenzorg.

Dit artikel handelt over de correspondentie met andere lichamen of besturen, die ook voor de armen zorgen, ten einde bij de uitdeling misbruik te voorkomen. Wij wijzen u op twee zaken:

1. Op de vroegere correspondentie met andere lichamen. Uit de geschiedenis van dit artikel blijkt, dat de kerken bij hare reformatie van het diakenambt, naar de apostolische inzetting, een harde strijd hadden te voeren met de overheid. Het ging bij dien strijd over de vraag: wie moet voor de armen zorgen, de diaconie of de overheid; en dan verder: komen de oorspronkelijke armengoederen (zoals de heilige gasthuizen, waar de oude armen verzorgd werden, en de fondsen voor de „huis-zittende-armen”,

|120|

onder beheer van z.g.n. „huiszitten-meesters”, en van „andere Aalmoezeniers” d.i. armverzorgers) toe aan de burgerlijke armbesturen of aan de diaconieën? De kerken stonden op het standpunt, dat de oorspronkelijke armengoederen, die bijv. van de missen afkomstig waren en met de reformatie overgingen, aan de Gereformeerde diaconieën toekwamen. Maar in de werkelijkheid is dat slechts ten dele zoo geschied. Er is zelfs drieërlei onderscheiden manier van handelen op te merken: 1e Op sommige plaatsen: zoals in Groningen, had de overheid deze armengoederen onder beheer van de diaconieën gesteld, maar dan moesten de diakenen ook voor alle armen zorgen, zonder onderscheid van richting. Op het standpunt van de toenmalige Gereformeerde overheid was dat consequent. Zij beschouwde immers de kerk als publieke kerk en de diaconie als publieke armvoogdij. 2e Op andere plaatsen, zoals in Zeeland in de staatskerkenordening van 1591, was bepaald, dat een gemengd college, waarin van de zijde der kerk de diakenen en van de zijde der overheid de thuiszittermeesters zitting hadden, uit een gemeenschappelijke beurs, waarin de collecten en alle andere inkomsten gestort werden, voor alle armen zonder onderscheid van religie zorgen moest, terwijl de diakenen niet door de kerk alleen, maar door een collegium qualificatum, voor de helft uit kerkenraadsleden en voor de helft uit overheidspersonen saamgesteld, gekozen werden. 3e Op nog andere plaatsen, bijv. te Amsterdam, stelde de overheid deze armengoederen onder beheer van burgerlijke armvoogden. Tusschen deze burgerlijke armvoogdijen en de kerkelijke diaconieën was er dan geen verband. Wel konden de Gereformeerde armen als burgers der stad ook soms uit deze fondsen trekken. Maar steun uit deze oorspronkelijke armengoederen ontvingen de diaconieën zelden.

De kerken hebben echter tegen de al-bemoeiing der provinciale en plaatselijke magistraten de zelfstandigheid van hare diaconieën gehandhaafd en bepaald, dat de diakenen op plaatsen, waar huiszitten-meesters en andere aalmoezeniers waren, goede correspondentie zouden verzoeken, ten einde misbruik, vooral dubbele ondersteuning, tegen te gaan. Wel kunnen de diakenen deze correspondentie niet aan de burgerlijke armbesturen of aan de overheid opleggen, maar ze kunnen ze toch verzoeken en er het initiatief toe nemen d.i. het eerst het voorstel er toe doen. Men heeft er wel als bezwaar tegen ingebracht, dat elke correspondentie met den eisch der christelijke liefde en kiesheid

|121|

in strijd is. Dit zou inderdaad zo wezen als de diakenen, geheel in het algemeen en zonder enig motief, de namen der armen en het bedrag, dat dezen ontvingen, bekend maakten. Maar hier is er gegronde reden voor, ten einde dubbele verzorging te voorkomen; en de namen enz. worden niet publiek bekend, maar blijven in den particulieren kring der besturen. Het zou minder nodig zijn indien elke stichting haar terrein nauwkeurig kon afbakenen. Maar dat is in de praktijk onmogelijk, omdat de overheid alleen bij wijze van politiemaatregel zorgen mag, opdat er niemand van gebrek omkomt; en de diaconieën niet altijd in staat zijn de armen harer kerken te verzorgen.

2. Op de diaconie en de nieuwe armenwet. Wij wijzen hier slechts in het kort aan, welke rechten de nieuwe armenwet van 27 April 1912 de diaconieën toekent en welke verplichtingen zij haar oplegt:

1e De wetgever heeft allereerst getracht de zelfstandigheid der diaconieën te handhaven. 2e De diakenen zijn volgens art. 12 der Armenwet verplicht inlichtingen te verstrekken aangaande zulke armen, die, door de diaconie ondersteund, bij een andere instelling van weldadigheid om steun vragen. Bij weigering worden zij naar art. 78 1 gestraft met hoogstens 25 gulden boete. 3e De diakenen zijn verplicht jaarlijks aan den armenraad of aan B. en W. opgave te doen, niet van de namen, maar van het aantal bedeelden en van de som, die in het geheel wordt uitgereikt, art. 13 1. Bij weigering ook hier een straf van ten hoogste 25 gulden. 4e Dat, om subsidie van de gemeente te ontvangen, volgens art. 14 aan vijf voorwaarden moet voldaan worden. Maar de Gereformeerde kerken zijn tegen subsidie en hebben daarom aan dit artikel niets. 5e Openbare inzamelingen bij de huizen van alle burgers moeten drie maal vier en twintig uren te voren aan B. en W. aangevraagd worden, maar de collecten in de kerk en bij de huizen van de leden der gemeente zijn hiervan uitgezonderd. De kerken zijn vrij op haar eigen terrein, art. 15. 6e De armengelden, afkomstig van „uiterste wilsbeschikkingen ten voordeel van de armen zonder nadere aanduiding” art. 925, B.W. en van trouwbussen, in stad- en gemeentehuizen geplaatst, worden naar art. 16 verdeeld en mogen door onze diaconieën zonder bezwaar aanvaard worden, omdat ze niet als belastinggelden, maar als liefdadige giften in het algemeen gegeven zijn. Nadere voorschriften voor die verdeling gaf de regeling in het Koninklijk besluit van 18 juli 1912,

|122|

later gewijzigd bij dat van 29 jan. 1913. 7e Art. 21 2 bepaalt, dat vanwege het burgerlijk armbestuur voorschriften worden vastgesteld inzake de ondersteuning in geval van nood. 8e Art. 28 bepaalt, dat de overheidsarmenzorg een subsidiair karakter draagt, d.w.z. dan eerst kan worden verleend, wanneer de arme geen ondersteuning ontvangt van anderen. 9e Art. 31 bepaalt, dat „dubbele bedeling” mogelijk is, d.w.z. dat een arme, die reeds door de diaconie ondersteund wordt, ook van het burgerlijk armbestuur steun ontvangt, maar eerst nadat aan de diaconie om inlichtingen is gevraagd, want meerder steun kon wel eens onnodig zijn. Deze bepaling opent voor de diaconieën de gelegenheid haar ondersteuning te verminderen. Maar dat is dan haar schuld zelf, want door voldoende ondersteuning kunnen zij de dubbele bedeling overbodig maken. 10e In Art. 41 1 wordt bepaald, dat er door de regering een armenraad kan worden ingesteld en dat de diaconieën daaraan deel kunnen nemen, maar daartoe niet verplicht zijn. Principieel bezwaar is er niet tegen. In art. 12 zijn hare verplichtingen, zo zij er aan deelneemt, aangewezen. 11e Art. 63 bepaalt, dat alle kosten voor verzorging van een arme gegeven, behalve loon voor arbeid, verhaalbaar zijn: a. op den ondersteunde zelf, „indien hij tot teruggave daarvan in staat is”; b. „op zijne nalatenschap”; en c. „op hen, die in gevolge de wet tot zijn onderhoud gehouden zijn” (nl, ouders, kinderen, schoonouders, schoonzoons, schoondochters en echtgenoten). Men lette er echter op, dat de vordering met 5 jaar verjaren kan, zie art. 73. De wijze van verhaal is in art. 64 bepaald. 12e Ten slotte, dat het met het oog op de strafbepalingen wenselijk is, één der diakenen de verplichting op te leggen, voor het doen van opgaven te zorgen, opdat bij een eventueel verzuim niet alle diakenen gestraft worden; en dat alle stukken, opgemaakt ingevolge de armenwet, vrij van zegel zijn.

Jansen, Joh. (1976) Art. 27

|123|

Art. XXVII. De Ouderlingen en Diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen, en alle jaar zal een evenredig deel aftreden. De aftredenden zullen door anderen vervangen worden. Ten ware dat de gelegenheid en het profijt van enige Kerk, bij de uitvoering van Art. 22 en 24, ene herkiezing raadzaam maakten.

 

Diensttijd der Ouderlingen en Diakenen.

Deze bepaling is reeds van oude datum en handelt over den diensttijd der ouderlingen en diakenen, over den regel der vaste aftreding en over de uitzondering der herkiesbaarheid.

1. Eerst iets over de geschiedenis van deze bepaling. De bepaling van den diensttijd is al van oude datering. Ze is eigenlijk van Calvijn afkomstig. Hij bepaalde, voornamelijk om de Roomse hiërarchie uit de Gereformeerde kerken te weren. In zijne Kerkenordening van 1541, en voerde deze bepaling in Genève in, dat elk jaar alle ouderlingen moesten aftreden en alleen de bekwaamsten, zo zij bereidwillig waren, voor een jaar (niet voor altijd) mochten gecontinueerd d.i. herbenoemd worden. Aanstonds nam het convent te Wezel, 1568, deze bepaling over: de helft van de ouderlingen en diakenen zou naar omstandigheden elk jaar of elke zes maanden aftreden en door anderen vervangen worden, met vrijheid om de bekwaamsten, zo ze bereidwillig waren, voor een jaar of een half jaar te continueren, d.i. zonder herverkiezing, te herbenoemen. De synode te Embden, 1571, nam den diensttijd wat langer, nl. als regel twee jaar dienen en elk jaar de helft aftreden, met vrijheid voor de kerken (vooral die onder het kruis) den tijd langer of korter te nemen. De bedoeling zal wel geweest zijn den diensttijd naar omstandigheden te mogen verkorten, maar ook te verlengen, dus weer voor één of twee jaar te continueren. De volgende synoden, nl. van Dordrecht, 1574 en 1578, namen deze bepaling over. Op de laatstgenoemde synode was echter een vraag, waaruit blijkt, dat naast de continuatie of herbenoeming (zonder tal) ook de herverkiezing, uit een voorgesteld tal, waarop ook de aftredenden voorkwamen, in de kerken gebruikelijk was. Ze luidde: „Of een ouderling, wiens diensttijd verstreken was, maar die nog bereid was verder te dienen”, „der ghemeynte wederom magh voorghestelt worden om hem te mochen verkiesen? Antw. Ja”.

|124|

De volgende synode, te Middelburg, 1581, heeft de redactie van het artikel vastgesteld zoals het tot 1905 luidde: „De Ouderlinghen ende Diaconen sullen twee iaer dienen, ende alle iaer sal thalue deel verandert ende andere inde plaetse ghestelt werden, ten ware dat de gheleghentheijt ende profijt eenigher Kercken anders vereijschte”. Regel bleef periodieke aftreding van de helft elk jaar, zodat de diensttijd twee jaar was; uitzondering of continuatie door den kerkenraad óf herverkiezing door de gemeente uit een nieuw dubbel getal, waarop ook de aftredende weer geplaatst werden; dit werd in de vrijheid der kerken gelaten, want er staat: “ten ware dat de gheleghentheijt ende profijt eenigher Kercken anders vereijschte”. Maar de synode kwam nog voor een andere vraag, nl. van den levenslangen dienst, te staan. Er was een vraag uit Oost-Vlaanderen: “oft beter ware, dat de Ouderlinghen ende diakenen geduerich (d.i. voortdurend, levenslang) dienen ende onderhouden (bezoldigd) werden oft dat sy omgewisselt worden”. De synode heeft toen aan prof. Danaeus van Leiden opgedragen om er een advies over te geven. Dit advies houdt in: 1e De Schrift leert niet, dat ze „altijd in dat beroep ghebleeven sijn”. Verwisseling is dus geoorloofd, en, om kerkelijke tirannie te vermijden, beter dan levenslange dienst. 2e Het is wenschelijk, dat meerdere personen in de kerkelijke zaken worden ingewijd. 3e De dienaren verliezen door het aftreden van het halve deel telkens een deel van hun aanhang en zo wordt het gevaar voor tirannie er eer minder dan meerder door. 4e In geval enigen gecontinueerd worden, wat geoorloofd is, moeten ze toch aan de gemeente ter approbatie worden voorgesteld. Dit advies is wel niet behandeld, omdat de synode haar agendum toch al niet kon afhandelen. Maar dat zij het er mee eens was, blijkt wel uit het feit, dat zij dit artikel onveranderd handhaafde.

Deze redactie is door de synode van ’s-Gravenhage, 1586, en door die van Dordrecht, 1618-’19, overgenomen en is blijven gelden tot de synode van Utrecht, 1905, die er een tweetal wijzigingen in aanbracht; 1e dat de diensttijd niet twee jaar, maar twee of meer jaren kon zijn, omdat de praktijk de wensgelijkheid aangetoond had, dat de aftreding niet zoo haastig geschiede; en 2e dat in plaats van de slotwoorden: „ten ware de gelegenheid en het profijt van enige Kerk anders vereischte”, waarin tot nu toe de vrijheid was gelaten, òf bij wijze van continuatie (herbenoeming door den kerkenraad), òf bij wijze van

|125|

herverkiezing te handelen, nu werd gesteld: „ten ware dat de gelegenheid en het profijt van enige Kerk, bij de uitvoering van Art. 22 en 24, een herverkiezing raadzaam maakten”, waarin de vrijheid wordt ingeperkt, en ook over de vraag, of de aftredenden nog langer zullen dienen, de gemeente mede beslist. De continuatie of herbenoeming door den kerkenraad alleen, hoogstens met volgende approbatie der gemeente, is nu opzettelijk losgelaten, en als uitzondering alleen de herverkiezing toegelaten.

2. De diensttijd van ouderlingen en diakenen. Er staat nu: De Ouderlingen en Diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen. De vroegere bepaling luidde, dat ze twee jaar zouden dienen en alle jaar het halve deel veranderd zou worden. Het convent te Wezel, 1568, had geraden, naar omstandigheden, of elk jaar of elke zes maanden het halve deel te laten aftreden, dus twee jaar of één jaar dienen. Dat was toen nodig vanwege de verdrukking en de armoedige tijden. Maar reeds de synode te Embden, 1571, bepaalde, dat ze twee jaren zouden dienen en elk jaar het halve deel zou aftreden. Deze bepaling werd door de volgende synoden overgenomen en bleef gelden van de 16e tot de 19e eeuw, althans formeel. Maar de praktijk kon er zich niet bij aanpassen. Ze droeg een al te prescriptief (voorschrijvend) en limitatief (beperkend) karakter. Twee jaar dienen, langer niet en korter niet. Wel stond er bij, dat elk jaar de helft zou aftreden, om te voorkomen dat alle twee jaar allen tegelijk aftraden en dus een geheel nieuw stel ouderlingen optrad. Maar dat was ook de enige ruimte, die gelaten werd. Al spoedig bleek dan ook, dat deze tijdsbepaling al te kort was. Onderscheidene kerken werden door de praktijk gedrongen de diensttijd op drie of vier jaar te stellen. Voetius achtte dat ook beter en profijtelijker. Hij wilde ook liever „de tweejaarlijksche aftreding veranderen in ene drie-, vier-, of vijfjaarlijkse, waar zulks gemakkelijk geschieden kon, naar de vrijheid en gelegenheid der kerken en ouderlingen”. De reden ligt voor de hand. Twee jaar is al te kort om in de kerkelijke zaken goed ingewikkeld te worden. Daar er echter van de 17e tot de 19e eeuw geen synode gehouden werd, bleef de oude bepaling formeel van kracht, maar werd ze in de practijk op zij gezet. Er ontwikkelde zich een gewoontewet van twee of meer jaren dienen. En eerst de synode van Utrecht, 1905, heeft de redactie gewijzigd en in overeenstemming met de practijk bepaald, dat zij „naar plaatselijke

|126|

regeling twee of meer jaren dienen en alle jaar zal een evenredig deel aftreden.” In de praktijk was de diensttijd facultatief (naar goedvinden) gesteld. In een enkele kerk nog twee, maar in vele kerken drie, vier, vijf, of zes jaren. En dit is nu in de redactie opgenomen. De gewoontewet is tot jus constitutum, tot een kerkelijke wet verheven. Daaruit vloeide van zelf voort, dat de woorden: „en elk jaar zal het halve deel veranderd worden”, nu aldus moesten luiden: „en alle jaar zal een evenredig deel aftreden.” In geval er zes ouderlingen zijn, die drie jaar dienen, of tien, die elk vijf jaar zitting hebben, moeten er elk jaar twee aftreden. De K.O. laat het nu vrij. De kerken kunnen het plaatselijk regelen „naar de gelegenheid der plaatsen en der kerken.” En dat is verreweg het beste.

3. De regel der periodieke aftreding: de aftredenden zullen door anderen vervangen worden. Dit is nu praescriptief (voorschrijvend) gebleven. De aftredenden zullen, wanneer hun diensttijd om is, door anderen vervangen worden. Dus een keuze voor een bepaalden tijd. Geen levenslangen diensttijd. De gronden waarop deze bepaling rust zijn een viertal: 1e De H. Schrift geeft geen bepaling inzake den diensttijd der ouderlingen en diakenen. Zij laat de kerken vrij. Wel is verwisseling van ambt mogelijk. Filippus toch was eerst diaken, Hand. 6: 5, maar later evangelist, Hand. 8: 5, 12. Evenzo is er ook bij het ouderlingen- en diakenambt afwisseling mogelijk. Het ambt als zoodanig is wel blijvend tot aan het einde dezer bedeling, maar de personen, die het bedienen wisselen gedurig af, ’t zij door den dood, ’t zij wegens vertrek, ’t zij wegens onbekwaamheid, ’t zij wegens overgang tot een ander ambt, ’t zij om hiërarchie te voorkomen, ’t zij ook omdat het te veel tijd rooft en het maatschappelijk beroep er schade door lijdt. 2e Het ambt draagt geen karakter indelebilis, geen onverdeelbaar karakter, alsof het van zijn bedienaar niet te scheiden zou zijn. Rome leert dit wel: het ambt kan slechts eenmaal in het leven ontvangen worden en is nooit van den persoon te scheiden; zelfs aan iemand, die zich het ambt onwaardig maakt, kan wel de bediening, maar niet het ambt zelf ontnomen worden. De Gereformeerden daarentegen leren, dat Christus het ambt oplegt en weer afneemt naar zijn welbehagen. Het is een opdracht, een mandaat, waarover Christus te beschikken heeft. 3e In de dagen der Hervorming was levenslange diensttijd wegens den druk der tijden voor de ouderlingen, die in ’t algemeen tot de

|127|

eenvoudige volksklasse behoorden, vrijwel onmogelijk, terwijl, zooals Voetius zegt, een vaste bezoldiging der ouderlingen onmogelijk was, omdat aan de dienaren nauwelijks traktement gegeven kon worden. 4e Bovendien is periodieke aftreding ook wenschelijk om het clericalisme en de hiërarchie tegen te gaan. Wel hebben eerst de Roomschen en later de Remonstranten het ouderlingenambt zelf en vooral het „tijdelijke” van het ambt bestreden met de opmerking, dat de ouderlingen maar leeken en ongestudeerde personen waren, en dat het wezen van het ambt door de tijdelijke bediening te loor ging. Maar Voetius merkte reeds op, dat het „tijdelijke” van het ambt bijkomstig is en zijn wezen niet te niet doet. Men mag van het bijkomstige niet tot de onwaarde besluiten. Er zijn wel ambten voor één maand, één week, ja zelfs voor één dag. Dat hangt maar af van den duur der opdracht. Men moet hier wèl onderscheiden tusschen het ambt zelf en zijn bediening. Het ambt zelf is permanent, blijvend, voortdurend. Maar de bediening is altijd wisselend, ook bij levenslange ambtsbediening, want de dood maakt er altijd een einde aan, en behalve de dood kunnen er nog allerlei andere redenen zijn, zooals onbekwaamheid, verkiezing tot een ander ambt, gevaar voor hiërarchie, te veel schade voor het maatschappelijk beroep enz., die verwisseling noodig maken.

De vraag is wel eens gesteld, of het met periodieke aftreding in strijd is, dat een zittend of aftredend diaken op het dubbel getal geplaatst en tot ouderling verkozen wordt. Neen. Periodieke aftreding is aftreden na een bepaalde periode, zonder direct weer voor hetzelfde ambt op tal geplaatst en verkozen te mogen worden. Er ligt niet in, dat een aftredende nooit weer, en evenmin, dat hij eerst met drie, vier, vijf jaar enz. weer op het dubbel getal geplaatst en verkozen mag worden. Ook wordt er niet door verboden, dat een zittend of aftredend diaken ter verkiezing voor ouderling wordt voorgesteld, omdat hij alsdan tot een ander ambt overgaat. Dat komt dan ook meermalen voor, omdat er wat voor te zeggen is, dat een ouderling eerst als diaken met den ambtelijken dienst wat op de hoogte gekomen is. Omgekeerd zou ook een aftredend ouderling ter verkiezing voor het diakenambt voorgesteld kunnen worden, hoewel hiervoor in het algemeen minder termen aanwezig zijn dan voor de verkiezing van aftredende diakenen voor het ouderlingenambt. Ook behoort deze verkiezing van aftredenden tot een ander ambt, dan zij tevoren bekleedden, niet in die mate plaats te

|128|

hebben, dat daardoor de breede kerkeraad steeds uit ongeveer dezelfde personen bestaan zou.

4. De uitzondering der herkiezing: ten ware dat de gelegenheid en het profijt van eenige Kerk, bij de uitvoering van Artt. 22 en 24, eene verkiezing raadzaam maakten. Herkiezing is dus mogelijk, maar dan moet er een geldende reden voor zijn. De gelegenheid (ratio = gesteldheid) en het profijt (utilitas = nuttigheid) der kerk moeten ze raadzaam maken, bijv. als er geen bekwame ouderlingen gevonden kunnen worden, of als de dienaar des Woords vertrok en het wenschelijk is, dat tijdens de vacature de aftredenden blijven zitten. Elk geval moet echter op zich zelf door den kerkeraad beoordeeld worden.

In de herkiezing ligt echter opgesloten, dat de aftredenden wel door den kerkeraad op het dubbel getal worden geplaatst, maar dat de gemeente stemt en dus mede oordeelt of zij hun aanblijven noodig oordeelt, want zij kan de aftredenden passeeren en anderen kiezen. Op dit punt is de K.O. sterk gewijzigd in democratischen zin. Vóór de synode van Dordrecht, 1578, was er alleen sprake van continuatie, d.i. verlenging van den diensttijd bij besluit van den kerkeraad, met mededeeling aan en stilzwijgende approbatie van de gemeente; van 1578 af, tot de synode van Utrecht, 1905, toe, naast de continuatie de herkiezing, in de vrijheid der kerken gesteld; en na Utrecht, 1905, uitdrukkelijk alleen de herkiezing! De wijzer sloeg dus wel geheel van de continuatie naar de herkiezing, d.i. van de aristocratische naar de democratische zijde, over. Hierin ligt kennelijk de bedoeling, de gemeente mede te laten oordeelen over de vraag, of de aftredenden zullen blijven zitten, ja dan neen. Alleen als er in een bepaald geval gewichtige redenen voor zijn en als de gemeente hare volle instemming er toe geeft, zou een kerkeraad bij wijze van continuatie den diensttijd voor een bepaalden tijd kunnen verlengen. Maar de historische ontwikkeling spreekt zóó duidelijk, dat een kerkeraad daartoe niet lichtelijk overga.

Jansen, Joh. (1976) Art. 28

|129|

Art XXVIII. Gelijk het ambt der Christelijke Overheden is, den heiligen kerkedienst in alle manieren te bevorderen, denzelven met haar exempel den onderdanen te recommandeeren, en aan de Predikanten, Ouderlingen en Diakenen in allen voorvallenden nood de hand te bieden, en bij hare goede ordening te beschermen, alzoo zijn alle Predikanten, Ouderlingen en Diakenen schuldig, de gansche gemeente vlijtiglijk en oprechtelijk in te scherpen de gehoorzaamheid, liefde en eerbiedinge, die zij den Magistraten schuldig zijn; en zullen alle kerkelijke personen met hun goed exempel in dezen de gemeente voorgaan, en door behoorlijk respect en correspondentie de gunst der Overheden tot de Kerken zoeken te verwekken en te behouden; teneinde, een ieder het zijne, in des Heeren vreeze, ter wederzijde doende, alle achterdenken en wantrouwen moge worden voorkomen, en goede eendracht tot der Kerken welstand onderhouden.

 

De correspondentie met de overheid.

Dit artikel is eerst door de synode van Dordrecht, 1618-’19, in de K.O. opgenomen. Vóór dien tijd stond het er niet in. Wat er aanleiding toe gaf is nog niet duidelijk. Een gravamen (verzoek), dat er om vroeg, was uit geen enkele kerk bij haar ingekomen. Misschien heeft de synode om twee redenen dit artikel opgenomen: 1e Om van de overheid van den beginne aan de zoo vurig begeerde politieke approbatie (goedkeuring) der K.O. te verkrijgen, „op datse doorgaens inde Nederlantsche kercken, cracht van publyke wetten zouden moghen hebben en dies te meer tot vrede en stichtinge derseluer onderhouden werden”. Zij bedoelde daarmede, dat de K.O. voor het kerkelijk leven niet slechts de kracht van een kerkelijke ordinantie, maar door de approbatie der overheid ook van een staatswet zou bezitten. En 2e om de wederzijdsche verhouding juist af te bakenen en van te voren zoowel de Arminiaansche gedachte, dat de overheid boven de kerk staat, als de Roomsche idee, dat de overheid onder de kerk staat, af te snijden.

Het artikel valt in tweeën uiteen. Het eerste deel handelt over de roeping der overheid jegens de kerken, en het tweede omgekeerd over de roeping der kerken jegens de overheid. Maar dan bij wijze van vergelijking, want het eerste deel behoort in een K.O. eigenlijk niet thuis, de kerken staan toch niet boven de overheid om haar voor te schrijven hoe zij te handelen heeft; alleen het tweede deel, nl. wat de roeping der kerk is

|130|

tegenover de overheid, gaat de kerken zelf aan. Daarom heeft de synode bij wijze van vergelijking de taak der overheid er in opgenomen: „Gelijk het ambt der Christelijke Overheden is, enz. ... alzoo zijn alle Predikanten” enz. Maar zuiver kerkrechtelijk is dat niet, want zoo kan men er allerlei andere dingen, bijv. uit de natuur en uit de wetenschappen, in opnemen.

1. De roeping der overheid jegens de kerken. Deze bestaat in drie stukken:

a. Den heiligen kerkedienst in alle manieren te bevorderen. Wij belijden dit met onze vaderen, maar verschillen in de manier dezer bevordering. Zij zeiden, dat de overheid den heiligen kerkedienst moet bevorderen, door ze in tijden van verval te reformeeren, de paapsche superstitiën te verbieden. de prediking van het zuivere Evangelie te gelasten en de predikers der valsche (d.i. Roomsche) religie af te zetten, i.e.w. door de Gereformeerde kerken als publieke kerken te erkennen en de valsche d.i. Roomsche kerk uit te roeien. Wij zeggen: de overheid moet den heiligen kerkedienst bevorderen, door alle kerken gelijkelijk te beschermen, haar als publiek-rechtelijke lichamen te erkennen; hare organisatie, samenkomsten, eigendommen en bezittingen te beschermen en alle beletselen voor hare vrije ontwikkeling en den vrijen loop des Evangelies weg te nemen. Wij vatten de woorden: „in alle manieren” niet op in den zin van: des noods met het zwaard de ketterij uit te roeien, maar in beperkten zin: in alle manieren, die bij het overheidsambt passen.

b. Denzelven met haar exempel den onderdanen te recommandeeren. Zij bedoelden daarmede, dat de overheid in hare qualiteit als overheid den Gereformeerden kerkedienst door haar voorbeeld moest aanbevelen. Wij gelooven daarentegen, dat de overheid officieel in hare qualiteit als overheid geen enkele kerk begunstigen mag, want daaruit zou volgen, dat zij andere achteruit zou zetten, maar dat de overheidspersonen als christenen den heiligen kerkedienst aan hare onderdanen moeten recommandeeren, door trouw den kerkedienst bij te wonen, een ieder in zijn kerk, waartoe hij behoort.

c. En aan de Predikanten, Ouderlingen en Diakenen in allen voorvallenden nood de hand te bieden en bij hare goede ordening te beschermen, d.w.z. dat de overheid de kerkelijke ambtsdragers in alle voorkomende moeilijkheden, bijv. als hun persoonlijke en burgerlijke vrijheid wordt aangetast, „de hand

|131|

(moet) bieden", d.i. hulp moet verleenen en moet beschermen; en voorts bij hare goede ordening, d.i. niet naar de landswetten, maar naar de kerkenordening, moet beschermen.

2. De roeping der kerken jegens de overheid. Deze roeping ligt ook in drieërlei:

a. Om de gehoorzaamheid jegens de overheid der gemeente in te scherpen: alzoo zijn alle Predikanten, Ouderlingen en Diakenen schuldig, de gansche gemeente vlijtiglijk en oprechtelijk in te scherpen de gehoorzaamheid, liefde en eerbiedinge, die zij den Magistraten schuldig zijn. Dit rust op de Schrift. Jezus eerbiedigt ook bet gezag der overheid, Matth. 17: 24-27; Luk. 12: 14. Hij zegt tot de Farizeën, Matth. 22: 15-22: „Geeft dan den Keizer wat des Keizers is en Gode wat Gods is.” Evenzoo beveelt Paulus, Rom. 13: 1-7: „Alle ziel zij den machten over haar gesteld onderworpen” enz. Vooral de ambtsdragers moeten de gemeente er in voorgaan, de overheid te eeren, 1 Petr. 2: 17; voor haar te bidden, Ezra 6: 10, 1 Tim. 2: 1-2; aan hare schatting en belasting, die zij oplegt, zich te onderwerpen, Rom. 13: 6, enz. Daarom toonen de Gereformeerde kerken door hare deputaten dan ook hare deelneming in gevallen van rouw of vreugde en bij de verjaardagen van H.M. de Koningin en wekken zij de kerkeraden op, om haar op den Zondag voor haar verjaardag in dankzegging en gebed te gedenken. Wij kunnen dat nog steeds betrachten, mits wij met deze woorden niets anders bedoelen dan de overheid op haar terrein als van Godswege met gezag bekleed te erkennen.

b. En zullen alle kerkelijke personen met hun goed exempel in dezen de gemeente voorgaan, en door behoorlijk respect en correspondentie de gunst der Overheden tot de Kerken zoeken te verwekken en te behouden. Vooreerst ligt hierin, dat de kerkelijke ambtsdragers aan de gemeente in die gehoorzaamheid enz. aan de overheid een goed voorbeeld moeten geven; en voorts inzake de punten, waar de kerken met de overheid gedurig In aanraking komen, bijv. bij de huwelijksbevestiging, de armenzorg, enz. goede correspondentie met haar moeten onderhouden, en daardoor de gunst der overheden jegens de kerken moeten opwekken en behouden.

c. Ten einde een ieder het zijne, in des Heeren vreeze ter wederzijden doende, alle achterdenken en wantrouwen moge worden voorkomen en goede eendracht tot der kerken welstand onderhouden. Dat was het einddoel met deze voorgaande

|132|

bepalingen, den kerken en den overheden te herinneren, dat zij elk een eigen terrein hebben! Wel zijn beide ingesteld om der zonde wille: de overheid om de zonde te beteugelen en te straffen; en de kerken om uit de zonde te redden en van haar schuld en straf te verlossen! Maar beide komen toch uit een eigen wortel en hebben een eigen terrein. De overheid komt op uit de algemeene genade en beslaat het terrein van het burgerlijk leven; de kerk komt op uit de bijzondere genade en beheerscht het terrein van bet geestelijk leven. Overheid en kerk hebben elk een eigen terrein. Het streven der politieken, dat aan de overheid, zelfs ook aan de plaatselijke overheid op het terrein der kerk de regeermacht toekomt, hebben de kerken hier, zeker opzettelijk, te voren gebrandmerkt. Alleen wanneer ieder van beide op eigen terrein blijft en daar in ’s Heeren vreeze het zijne doet, dan is het mogelijk, dat alle achterdenken en wantrouwen voorkomen wonde en goede eendracht tot der kerken welstand onderhouden worde.

Jansen, Joh. (1976) Art. 29

|133|

II. Van de kerkelijke samenkomsten.

 

Art. XXIX. Vierderlei kerkelijke samenkomsten zullen onderhouden worden: de Kerkeraad, de Classicale vergaderingen, de Particuliere Synode, en de Generale of Nationale.

 

Vierderlei samenkomsten.

Dit artikel bepaalt, dat er vierderlei samenkomsten zullen zijn. Wij zullen nagaan hoe ze ontstaan zijn, welken naam en karakter ze dragen en of er nog andere kerkelijke samenkomsten zijn.

1. Hoe ze ontstaan zijn. De eerste samenkomst van kerkelijke personen, in 1568 te Wezel gehouden, was reeds een bewijs, dat er aan een kerkverband groote behoefte gevoeld werd. Zij spraken daar reeds uit, dat de kerken, die in dezelfde buurt lagen, dikwijls moesten samenkomen, en dat „de onderscheidene Nederlandsche provinciën in bepaalde en vaste classen of parochiën (moesten) worden ingedeeld,” om met elkander over de moeilijke en belangrijke zaken te kunnen handelen. Zelfs spraken zij van een viertal samenkomsten nl. van „een kerkelijken Senaat of kerkeraad” (senatus ecclesiasticus sive consistorium) uit ouderlingen en dienaren des Woords bestaande; voorts van eene „vergadering van iedere classe”; ten derde van een samenkomst „der classen van eene geheele provincie” (provinciale synode) en eindelijk nog van „eene provinciale synode van geheel Nederland” (een gemeenschappelijke samenkomst van de kruiskerken in Nederland, zonder de Nederlandsche vluchtelingenkerken, die in Engeland en Duitschland verstrooid waren.

De synode te Embden, 1571, heeft dan ook aanstonds deze voorloopige indeeling voor goed vastgelegd. In elke kerk moesten „Consistorien der Dienaren des Woorts, Ouderlinghen ende Diaconen” gehouden worden. Daarbenevens moesten er ook „Classische versamelinghen” van de kerken, die bijeen gelegen waren, gehouden worden. Ten derde ook „jaerlijcxsche

|134|

versamelinghen”, en wel van de verstrooide kerken in Duitschland en Oostfriesland afzonderlijk; en van die in Engeland afzonderlijk, en van de kruiskerken in Nederland afzonderlijk. En ten vierde „een alghemeyne versamelinghe aller Nederlantsche Kercken”.

De synode van Dordrecht, 1578, bepaalde kort en bondig „Om goede ende wettelicke ordeninghe in de ghereformeerde ghemeynte deser nederlanden te stellen is nut ghevonden dat vierderley Kerckelicke versamelinghen ghehouden worden, Ten Ien den Kerckenraet in een yegelicker ghemeynte, Ten IIen de Classicale vergaderinghe, Ten IIIen de particuliere Synoden, Ten IIIIen de generale ofte nationale Synoden”.

En de volgende synode, te Middelburg, 1581, redigeerde het artikel zooals het nu luidt, want zij schrapte de aanvangswoorden: „Om goede ende wettelicke ordeninghe in de ghereformeerde ghemeynte deser nederlanden te stellen”, en verplaatste deze naar art. 1 der K.O.; zoodat het artikel nu luidde: „Vierderleij kerckelicke tsamencoemsten sullen onderhouden worden. De Kerckenraedt: de Classicale vergaderinghe: de particuliere Sijnoden ende de generalen ofte Nationalen”. En deze redactie is tot nu toe gebleven.

Deze vier samenkomsten worden als volgt behandeld:
Artt. 29-36 Algemeene bepalingen.
„ 37-40 Van den Kerkeraad.
„ 41-46 Van de Classe.
„ 47-49 Van de particuliere Synoden.
„ 50-52 Van de nationale Synoden.

2. Naam en karakter. De naam kerkeraad beteekent vergadering en college van den raad eener plaatselijke kerk. Vroeger schreef men: Kerckenraet d.i. raad eener kerk. In 1 Tim. 4: 14 is er sprake van Ouderlingschap d.i. het college van ouderlingen. Nog andere namen zijn: het Grieksche woord πρεσβυτεριον d.i. ouderlingschap; en de Latijnsche woorden presbyterium d.i. het college van ouderlingen; consistorium d.i. de plaats waar de kerkeraad samenkomt en vandaar het college van den kerkeraad zelf; synedrium d.i. rechtszaal, raadhuis, kerkeraadskamer en zoo verder de kerkeraad zelf; en senatus ecclesiasticus d.i. de kerkelijke senaat, de kerkeraad.

Het woord classis of classe (van het Grieksche woord καλειν, Latijn calare, d.i. noemen, roepen, samenroepen), beteekent in het algemeen een samengeroepen menigte, een afdeeling van

|135|

het geheel; en op kerkelijk gebied een samenkomst van een groep van kerken, die tot eenzelfde buurtschap of district behooren. Wezel sprak van „classen of parochiën” d.i. samenkomst van genabuurde kerken (parochie van het Latijnsche woord parochia of paroecia. Grieksch παροικια d.i. nabuurschap). Art. 41 bepaalt dan ook terecht: „De classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde kerken”. Vroeger sprak men wel van „conventus ecclesiarum” d.i. een samenkomst van kerken, of van „conventus classicus” d.i. een classicaal convent, zelfs van „coetus” d.i. samenkomst, ’t zij van een gewone classe, ’t zij van predikanten alleen, om elkander, zoo noodig, te helpen en bij te staan. De naam classis kreeg echter de overhand en duidt aan een samenkomst van genabuurde kerken.

De particuliere synode is een samenkomst van een aantal classen tot een meerdere vergadering. Vroeger sprak men wel van „provinciale synoden” d.i. een samenkomst van de classen binnen een provincie. Maar de synode van Dordrecht, 1578, sprak van „particuliere synoden” d.i. een samenvoeging van een aantal classen tot meerdere vergaderingen buiten verband van de provinciale grenzen. En met opzet, want de provincie Holland omvatte twee kwartieren, nl. Holland (later Zuid-Holland) en West-Friesland (later Noord-Holland). Ook thans zijn de kerken in Friesland en Zuid-Holland in twee particuliere synoden ingedeeld, nl. Friesland Noordelijk Gedeelte en Friesland Zuidelijk Gedeelte; en Zuid-Holland Noordelijk Gedeelte en Zuid-Holland Zuidelijk Gedeelte. In de andere provinciën wordt de provinciale indeeling gevolgd en spreekt men dan ook wel van „provinciale synode”.

De „generale of nationale synode” is een samenkomst van alle kerken binnen de grenzen des lands. Zuiver consequent is het artikel hier niet, want als het spreekt van „particuliere synode” dan moest het ook spreken van „generale synode”, terwijl bij „provinciale synode” de naam „nationale synode” past. Een „generale synode” toch is een vergadering van vertegenwoordigers van alle kerken uit alle landen der wereld en „nationale synode” een vergadering der kerken in eigen land. Maar „generaal” en „nationaal” worden hier door elkander gebruikt, terwijl een synode van alle Gereformeerde kerken in heel de wereld geen „generale”, maar een „oecumenische synode” genoemd wordt.

3. Zijn er nog andere kerkelijke samenkomsten? Zooals bijv.

|136|

vergaderingen met de gemeenteleden; vergaderingen van alle plaatselijke kerken; en oecumenische synoden?

Vergaderingen met de gemeenteleden zijn geoorloofd mits zij onder leiding van den kerkeraad gehouden worden. Men noemt ze ten onrechte wel gemeente-vergaderingen. Eigenlijk zijn het publieke kerkeraadsvergaderingen, waarbij de gemeenteleden tegenwoordig zijn. Wij staan hier tusschen de Independentische en Roomsche beschouwing in. De Independenten zeggen: de vergadering der gemeenteleden heeft beslissend en de kerkeraad slechts uitvoerend gezag. De Roomschen leeren: de clerus heeft alles en de gemeente heeft niets te zeggen. De Gereformeerden nemen hun standpunt daar tusschen in. De kerkeraad kan met de gemeenteleden samenkomen, waarbij dan de leidende en beslissende macht bij den kerkeraad en de medewerkende en controleerende macht bij de gemeente berust. Ook bij de vaststelling van de punten op het agendum heeft de kerkeraad de leiding en beslissing. Niemand mag op zulke vergaderingen buiten de leiding om, alles wat bij op het hart heeft, ter sprake brengen. Alle dingen moeten eerlijk en met orde geschieden. Stemmingen dragen geen beslissend, maar een adviseerend karakter. Zij zijn een middel om het gevoelen der meerderheid te weten. Vooral bij financieele aangelegenheden is het goed de gemeente te raadplegen. De notulen dezer vergaderingen zijn notulen van een kerkeraadsvergadering in tegenwoordigheid van de leden der gemeente, en moeten dus door den kerkeraad en niet door de leden vastgesteld worden.

Vergaderingen van alle Gereformeerde kerken in het land rechtstreeks, door enkele afgevaardigden, kennen wij niet. Wel kan dit in het klein bij een classis, waar de genabuurde kerken zelf door een tweetal afgevaardigden vertegenwoordigd worden, maar reeds bij een particuliere synode zou zulk een vergadering al te groot worden om zaken te doen, en hoeveel te meer dan bij een generale synode. In Engeland, Schotland en Amerika heeft men ze wel en worden ze „general assembly” (waarvoor wij geen Nederlandsch woord hebben) genoemd. Maar de Gereformeerde kerken in Nederland, Frankrijk en Zwitserland hebben ze niet ingevoerd. Niet omdat ze principieel ongeoorloofd, maar omdat ze practisch onuitvoerbaar zijn. Er zijn dan ook twee bezwaren tegen: 1e Omdat zulk een synode veel te groot en te kostbaar is; een kleine groep van 700 kerken, die elk slechts één afgevaardigde zonden; zou reeds een synode van 700 leden

|137|

worden. Dat kan wel voor één of twee dagen, maar geen twee of drie weken. En 2e omdat zulk een groote vergadering wel voor propaganda, maar niet voor regeering en bestuur geschikt is. Men kan op zulk een groote vergadering geen kerkelijke zaken doen en geen geschillen behandelen. Daarom hebben de kerken voor hare synoden de organische en trapsgewijze afvaardiging gekozen.

Moet er niet een „oecumenische synode” van de Gereformeerde kerken in alle landen gehouden worden? Dit is in de 16e eeuw wel beproefd. De Duitsche Gereformeerde theoloog Zanchius heeft er sterk voor geijverd. Er werd druk over gecorrespondeerd. De synode van Middelburg, 1581, dacht stellig, dat het er wel toe komen zou, en bepaalde reeds, dat uit elke particuliere synode een deputaat zou worden aangewezen en dat die deputaten met elkander de afgevaardigden naar de „synodus oecumenica” zouden benoemen. Maar er kwam niets van, 1e omdat de overheid te veel buitenlandschen invloed op de inwendige aangelegenheden des lands vreesde; 2e omdat de moeilijkheid der taal niet te ondervangen was; en 3e omdat er te veel kosten aan verbonden waren en het reizen te bezwaarlijk was. Principieele bezwaren waren dat niet, maar practisch kwam het er nooit toe. Wel droeg de synode van Dordrecht, 1618-’19, een meer algemeen karakter en wordt ze wel een „extra-ordinaire,” en „internationale” synode genoemd. Haast zou ze den naam van „wereld-synode” of den „eerenaam van het Gereformeerd oecumenisch concilie” mogen dragen. Edoch een „Gereformeerd oecumenisch concilie” in den vollen zin des woords was ze niet, omdat de afgevaardigden niet door de kerken, maar door de overheden gedeputeerd werden, en omdat de Fransche en Schotsche overheden geen afgevaardigden gezonden hadden. Jammer, dat zulk een oecumenisch concilie onmogelijk is. Het zou de kroon zetten op het presbyteriale systeem van kerkrecht.

Jansen, Joh. (1976) Art. 30

|138|

Art. XXX. In deze samenkomsten zullen geene andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze, verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de Kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort.

 

Bevoegdheid der kerkelijke vergaderingen.

In dit artikel worden inzake de bevoegdheid drie zaken behandeld:

1. Wat er behandeld mag worden: In deze samenkomsten zullen geen andere dan kerkelijke zaken behandeld worden. Er was aanleiding voor deze bepaling. In den eersten tijd na de reformatie, toen ze nog vervolgd en verdrukt werden, hielden de kerken zich op hare samenkomsten ook wel eens met politieke zaken bezig. Rome riep immers ook de politieke macht te hulp om de reformatie in haar bloed te smoren. En uit reactie deden nu ook de Gereformeerden zoo. Er is ook zulk een nauw verband tusschen de godsdienstige en de politieke vrijheid. Het eerste verzet ging zelfs van de consistoriën (de kerkeraden) in de Zuidelijke Nederlanden uit. De kerkeraad van Nieukercke, begin 1561, besprak vragen als deze: „of men zich gewapenderhand tegen de papisten mag verdedigen, of men een pauselijken deken voor een overheidspersoon moet houden, en of men kerkers mag openbreken en gevangenen (nl. die om des geloofswille gevangen zaten) mag bevrijden.” En de synode van Antwerpen. 1562, antwoordde: zulk een „effractie” d.i. openbreken van den kerker om zulke gevangenen te bevrijden, met beslistheid voor geoorloofd te houden! Zelfs heeft Prins Willem I door bemiddeling van Marnix van St. Aldegonde een poging gewaagd bij de synode van Embden, 1571: 1e dat de kerken den opstand tegen Spanje gemeenschappelijk zouden steunen, door soldaten voor het leger te werven, geld voor de troepen te verzamelen en bij het overbrengen van legerberichten te helpen. De synode zweeg echter op dit punt. Zij was blijkbaar reeds van overtuiging, dat zij alleen over kerkelijke zaken had te handelen. Om den Prins echter niet te krenken sprak zij het niet uit, maar zweeg er over, die daarover wel ietwat geprikkeld was.

Sinds echter na 1572 al meer de vrijheid kwam, en er voor de behandeling van de politieke zaak geen aanleiding meer was,

|139|

kwamen de tegenstanders met den Prins zelf tot een ander inzicht. De particuliere synode van Dordrecht, 1574, sprak dan ook openlijk het beginsel uit: 1e dat de kerkelijke samenkomsten „niet en handelen dan t’ ghene dat kerckelick is”; en 2e dat bij de gemengde zaken, die ten deele een politiek en ten deele een kerkelijk karakter droegen, de kerken zich aan de beslissing der overheid zouden onderwerpen. De volgende synode, te Dordrecht, 1578, wijzigde dit laatste zóó, dat bij gemengde zaken de beslissing „bij de Ouericheyt ende Kercken-raet te samen zou staan,” waardoor de invloed der overheid werd ingeperkt. De volgende synode, te Middelburg, 1581, stelde de redactie van het artikel vast, zooals het nu nog luidt, maar dan in twee artikelen, die door de synode te ’s-Gravenhage onveranderd werden overgenomen, terwijl de synode van Dordrecht, 1618-’19, deze beide artikelen tot één samenvoegde.

De bedoeling van deze bepaling is, dat zij op hare vergaderingen geen maatschappelijke zaken (zooals de landbouw, de veeteelt, de koophandel enz.), geen politieke zaken (zooals de staatsinrichting, de verkiezing der volksvertegenwoordiging, het politieke stemrecht der vrouw, de kroning der vorsten enz.), geen militaire zaken (zooals het ondernemen van een oorlog, het werven van een leger enz.) en geen wetenschappelijke zaken (de beoefening van de letteren, de medicijnen, de rechten, de natuurkunde enz.), maar uitsluitend kerkelijke zaken (zooals de beslissing in geloofszaken, de wederlegging van dwaalleer, de bestraffing van slechte zeden, het bijleggen van twist, de handhaving van de kerkelijke orde enz.) zullen behandelen. In gemengde zaken bijv. als een lid der gemeente iemand, die buiten de gemeente staat, bedrogen heeft, en deze laatste zich met overlegging der bewijzen, daarover bij den kerkeraad beklaagt, heeft de kerkeraad (respectievelijk de classe, enz.) te handelen in zooverre deze zaken de kerk aangaan.

Is de kerkeraad geroepen uitspraak te doen in een rechtszaak tusschen leden zijner kerk? Men heeft dat wel trachten te bewijzen met 1 Cor. 6: 1-8. Maar ten onrechte! In zulk een geval beveelt Paulus wel aan, dat de leden van Christus’ kerk niet voor de „onrechtvaardigen”, d.i. voor de heidensche rechters te recht gaan, maar liever schade en ongelijk te lijden vs. 7, en, als men dat niet wil, als men op zijn recht blijft staan, door arbitrage, d.i. door wederzijdsche onderwerping aan een uitspraak van een commissie uit christenbroeders bestaande, te trachten

|140|

het geschil tot oplossing te brengen. Doch als men het hierover niet eens kan worden, of iemand tot den kerkeraad komt om een rechterlijke uitspraak te doen, dan moet de kerkeraad dit weigeren, omdat dit heel iets anders is dan een scheidsgerecht, en God de rechtspraak aan de overheid heeft opgedragen.

2. De wijze der behandeling ligt in de woorden: en dezelve op kerkelijke wijze verhandeld worden. Er is ook wel een andere wijze van behandeling, die men de politieke, de militaire, de rechtelijke enz. zou kunnen noemen en een bevelend en dwingend karakter draagt. De overheid, en evenzoo een generaal en een rechter, eischt gehoorzaamheid uit kracht van de wet en dwingt ze des noods van een onwillige af. Zij beveelt en gelast. Dit behoort tot haar karakter, want zij draagt het zwaard niet te vergeefs. De kerkelijke wijze van behandeling daarentegen is niet overheerschend, bevelend, dwingend, maar overtuigend, overredend, terechtwijzend en leidend. De handelingen der overheid dragen een juridisch, die van de kerken een geestelijk-zedelijk karakter. De wetten der overheid zijn dwingende, die van de kerken voorlichtende en regelende bepalingen. Alle kerkelijke besluiten moeten gemotiveerd worden en op Gods Woord gegrond zijn. Ontmoeten ze tegenstand, dan kunnen ze niet met de wereldlijke macht worden opgelegd, maar slechts door het ambtelijk gezag en met geestelijke middelen gehandhaafd worden.

3. De bevoegdheid der meerdere vergaderingen: In de meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene dat in mindere vergaderingen niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de Kerken der meerdere vergaderingen in ’t gemeen behoort. Een beginsel, dat de synode van Embden, 1571, reeds uitsprak en dus van den beginne aan gold.

Hier wordt voor het eerst onderscheid gemaakt tusschen meerdere en mindere vergaderingen, of „grooter en minderen versamelinghen” (synode van Dordrecht, 1578). Dit onderscheid beteekent niet, dat de meerdere vergaderingen een soort hooger bestuur over de mindere zouden vormen, of hooger in macht zouden zijn, want volgens de Gereformeerde beschouwing staat er geen hooger bestuur boven den kerkeraad. Maar het onderscheid bestaat in drie punten: 1e In het aantal kerken dat samenkomt; een kerkeraad vertegenwoordigt slechts één kerk en is dus een mindere vergadering ten opzichte van de classe; een classe vertegenwoordigt een aantal naburige kerken en is

|141|

een mindere vergadering ten opzichte van een particuliere synode enz.; een meerdere vergadering vertegenwoordigt een grooter aantal kerken dan een mindere; het grondverschil ligt dus in het aantal kerken dat samenkomt. 2e In den graad (niet in den aard) van het gezag, want — Voetius merkte het terecht reeds op — evenals de macht van tien menschen in graad meerder is dan van één, van alle apostelen samen meerder dan van elk apostel op zich zelf, en van alle kerkeraadsleden samen meerder dan van elk lid afzonderlijk, zoo is ook de macht van tien kerken in graad meerder dan van één kerk; in de meerdere vergaderingen is dus een cumulatie (ophooping) van de machten die de mindere vergaderingen er samenbrengen. 3e In de beperkter taak en het beperkter terrein van actie, dat de meerdere vergaderingen hebben dan de mindere. Dit is eigenaardig aan het Gereformeerde stelsel. In bijna alle andere stelsels van kerkregeering is dat anders. In het Roomsche stelsel is de macht van den paus het ruimst. In het Luthersche stelsel berust de hoogste macht bij de overheid. In het Collegiale stelsel bij de synode. Maar in het Gereformeerde stelsel berust de uitgebreidste macht bij den kerkeraad. Immers een kerkeraad handelt over alle zaken zijner gemeente, een classe alleen over de zaken die de kerkeraden niet af kunnen, of die alle kerken der classe gezamenlijk aangaan, enz. De kerkeraden brengen dus op de classen niet hun volledige machten samen, maar alleen die, welke noodig zijn om datgene af te doen, wat op de mindere niet afgedaan kan worden en wat alle kerken, die er samenkomen gemeenschappelijk aangaat. Hierdoor wordt de macht der meerdere vergaderingen zeer beperkt, want tegenover tien zaken, die een kerkeraad wèl af kan, staat er misschien één, die de hulp van meerdere kerken vraagt.

Voorts wordt dan inzake de bevoegdheid bepaald, dat men in de meerdere vergaderingen niet zal handelen dan over deze twee zaken: 1e zaken, die qua talis (als zoodanig) tot de mindere vergaderingen behooren, maar aldaar niet afgehandeld kunnen worden, òf uit onmacht, in geval bijv. een kerk niet in staat is haar eigen zaken af te doen, òf wegens verwaarloozing, ingeval de predikant en de kerkeraadsleden door ziekte worden belemmerd om hun taak waar te nemen, òf in geval van appèl of hooger beroep als iemand zich door het besluit van een mindere vergadering bezwaard acht en verhaal zoekt; en 2e zaken, die qua talis op de meerdere vergadering zelf thuis behooren, omdat ze

|142|

alle kerken, die er samenkomen, aangaan; want alle zaken, die niet één kerk, maar alle kerken aangaan, moeten ook door die kerken met elkander behandeld worden; op een generale synode mogen dus alleen de generale zaken, zooals de vaststelling, de wijziging en handhaving van de belijdenis, de liturgie, de kerkenordening, de psalmen en de gezangen enz. behandeld worden. Indien de mindere vergaderingen voor hun gemak zaken, die zij zelf wel kunnen afdoen, op de meerdere vergaderingen brengen, moeten deze aanstonds teruggewezen worden. De meerdere vergaderingen zijn dus geen hoogere besturen, die de zaken voor de mindere colleges beslissen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 31

 

Art. XXXI. Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen; en ’t gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoo lang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn.

 

Hooger beroep.

Dit artikel dateert van de synode te Middelburg, 1581, die het eerste deel van de synode te Dordrecht, 1578, overnam en zelf het tweede deel daaraan toevoegde. Het handelt dus over twee beginselen van kerkrecht nl. over het hooger beroep en over de geldigheid der kerkelijke besluiten.

1. Hooger beroep. De kerkenordening spreekt hier het beginsel uit: Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen.

Allereerst staat hier, dat er hooger beroep mogelijk is. Dit veronderstelt, dat de besluiten der kerkelijke vergaderingen feilbaar zijn. Van de bepalingen der Schrift is geen hooger beroep mogelijk. Deze toch zijn onfeilbaar. Wel zegt Rome, dat er beroep mogelijk is, van de Schrift op de kerk. Maar het is juist omgekeerd, er is van de kerk beroep mogelijk op de Schrift, omdat kerkelijke bepalingen steeds feilbaar zijn. Het

|143|

veronderstelt ook, dat in de meerdere vergaderingen gradueel meerder waarborg ligt voor een rijpere, wel-gegronde beslissing. Principieel zijn alle kerkelijke vergaderingen feilbaar, de meerdere zoowel als de mindere. Maar in een breedere vergadering, waar meer kerken samenkomen, ligt meer waarborg voor een onpartijdig en wel-gegrond besluit dan in een mindere vergadering. In de veelheid der raadslieden is de behoudenis des volks, zegt Salomo. Spreuk. 15: 14, 15, 22. En daar komt nog bij, dat hooger beroep noodig is voor de beslechting van geschillen en voor de bewaring van orde en rust in de kerken. Er moet gelegenheid zijn voor de minderheid, die zich verongelijkt acht, om verhaal te krijgen. Anders zou er telkens gevaar voor scheuring zijn.

Ten tweede, in welk geval hooger beroep mogelijk is, nl. zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn. Niet van elk besluit dus. Maar alleen in geval van „verongelijking” of van „rechtskrenking”. Bijv. niet als de kerkeraad bepaalt, dat de dienst des Woords om 10 uur in plaats van om 9 uur zal aanvangen en de gemeente dan evengoed kan komen. Maar wel als door zulk een besluit een deel van de gemeente inderdaad wordt verhinderd den dienst bij te wonen.

Ten derde, bij welke vergadering hooger beroep mogelijk is, nl. van een „mindere op eene meerdere kerkelijke vergadering.” Dus van een kerkeraad op de classe ; van de classe op de particuliere synode; en van de particuliere synode op de generale synode. Niet van den kerkeraad op de gemeente, zooals de Independenten leerden, die de gemeentevergadering als souverein en hare besluiten als de stem van God beschouwden. Immers de vraag inzake de besnijdenis der heiden-christenen, werd door Paulus niet ter oplossing gebracht naar een vergadering der gemeenteleden, maar naar de „apostelen en ouderlingen” te Jeruzalem, en de beslissing, die het apostel-convent nam, was geen „advies”, maar een „heel-de-kerk-bindend besluit”, Hand. 15. Wel komt het voor, dat iemand, die door een besluit der generale synode niet overtuigd is, zich in een ernstig en moeilijk geval, op de volgende generale synode beroept. Dit is formeel geoorloofd, maar mag niet anders dan op goede gronden geschieden.

Ten vierde, aan welken termijn hooger beroep gebonden is. Men kan toch niet jaren later en altijd door over een vroeger

|144|

besluit reclameeren en appelleeren! De vroegere kerken hadden geen vasten termijn. Sommige kerken stelden drie, andere zes weken. Maar tegen zulk een willekeurige bepaling zijn ernstige bezwaren: 1e bij elke uitspraak moet men dan den termijn van appèl meedeelen, wat meestal vergeten werd; 2e kwam een appèl een paar dagen te laat, dan werd het enkel op formeele gronden afgewezen; en 3e moest de vergadering zelf dan ook den gestelden termijn afwachten met de uitvoering van het besluit. Daarom is de bepaling van de synode van Dordrecht, 1893, art. 185 veel beter: Hooger beroep tegen eenige uitspraak eener kerkelijke Vergadering moet vóór de eerstvolgende samenkomst der meerdere vergadering, waarop men zich beroept, geschieden met kennisgeving aan den Scriba der Vergadering door wier besluit men zich bezwaard acht. Bij elke uitspraak moet hiervan (nl. van die uitspraak) worden kennis gegeven aan de belanghebbenden.

Ten vijfde, op welke wijze hooger beroep moet plaats hebben. Hiervoor gelden deze regelen: 1e voorstelling der quaestie in de eigen woorden; 2e mededeeling van het besluit der mindere vergadering in de officieele redactie; 3e opgave der gronden, waarop zijn bezwaar tegen dat besluit rust; en 4e verzoek om op genoemde gronden het bezwarende besluit ongegrond te verklaren. Van ouds werd het aan den bezwaarde vrij gelaten zich van „een mond” te bedienen, d.i. door een ander te laten bijstaan, wanneer zulk een advocaat maar lid der kerk was, zich aan de orde der vergadering onderwierp en van zijn vrijheid geen misbruik maakte.

En ten zesde is de vraag, of hangende een appèl een besluit mag uitgevoerd worden. Eenerzijds heeft de appellant er recht op, dat de uitvoering van een besluit wordt opgeschort, totdat er over zijn bezwaar geoordeeld wordt. Stel eens, dat er ernstig bezwaar rees tegen een beroepen dienaar des Woords of tegen reeds verkozen ambtsdragers, en de appellant daarmee tot de classe kwam, maar de kerkeraad onderwijl tot de bevestiging overging, en de classe het bezwaar gegrond achtte, dan zou de kerkeraad voor de veel moeilijker vraag komen te staan, of de bevestigde ook weer uit het ambt ontzet moest worden. Anderzijds echter moet er aan het appèl ook een grens zijn, want stel eens, dat de appellant met bovengenoemd bezwaar eventueel van de classe naar de particuliere synode en van de particuliere naar de generale synode ging, dan zou zoo iemand (en in het algemeen

|145|

een lastig lid der gemeente) de bevestiging zoolang kunnen tegenhouden, dat de zittingstijd bij ouderlingen en diakenen verstreken was. Daarom gelde als regel: één appèl in elk geding. „Eindeloos appèl”, zegt Dr. A. Kuyper in de Heraut van 1898, no. 1054. „dient tot niets. Regel moet zijn één appèl in elk geding. Meer hoeft niet. Meer is nergens regel. Meer verzwakt de zenuw van het recht en vervalscht de rechtstoestanden. Van den kerkeraad moet één appèl op de Classis zijn; van de zaken ter eerster instantie in de Classis aangebracht, moet er appel zijn op de Provinciale Synode; en van de zaken, die begonnen zijn in de Provinciale synode, moet er appèl zijn op de Synode-Generaal. Dan staat het voor allen gelijk en heeft ieder één appèl”.

En ten zevende is de vraag, of een meerdere vergadering de door haar ongegrond verklaarde besluiten eener mindere vergadering mag casseeren, d.i. vernietigen. De Roomsche kerk antwoordt: ja, de paus kan alle besluiten der lagere geestelijken casseeren (vernietigen), en de hoogere geestelijken die der lagere! Evenzoo als het is in het burgerlijk recht, waar een hoogere rechtbank het vonnis van een lagere rechtbank, als zij het ongegrond verklaart, eenvoudig casseert. Maar de Gereformeerde kerken zeiden: neen, een meerdere vergadering kan de mindere alleen verzoeken en aanraden, met opgave van de gronden, waarop haar ongegrond-verklaring rust, zelve haar besluit in te trekken. Maar indien de mindere vergadering weigert zich aan de uitspraak der meerdere vergadering te onderwerpen, wat dan? Kan een classe of synode dan doen „wat des kerkeraads is” en den onwilligen kerkeraad afzetten enz.? Neen, zulk een dwingende en ingrijpende macht heeft een meerdere vergadering niet. Wel bij het Collegialistisch genootschap, maar niet bij de Gereformeerde kerken. Wel kunnen zij van hare zijde tijdelijk of voor goed het kerkverband met zulk een onwilligen kerkeraad (classe enz) verbreken, zooals blijkt uit bet geval van Ds. Fredericus van Leenhof, die op grond van zijn Cartesiaansche en Spinozistische beginselen door bijna alle kerken ter afzetting waardig werd geacht, maar door den kerkeraad van Zwolle, en door de stedelijke en provinciale overheid gesteund, gehandhaafd werd. De kerken in de andere provinciën verbraken toen het kerkverband met den kerkeraad van Zwolle, door te besluiten, Ds. van Leenhof in geen enkele functie te erkennen, geen enkel Zwolsch predikant op den kansel toe te laten, geen lidmaten uit Zwolle te aanvaarden zonder nader onderzoek, en de

|146|

lidmaten, die naar Zwolle vertrokken, ernstig voor hem te waarschuwen. Eerst toen Ds. van Leenhof in 1711 zijn ontslag vroeg en verkreeg, kwamen al deze besluiten buiten werking.

2. De geldigheid van de besluiten der meerderheid. Hiervan zegt het artikel: En ’t gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods of tegen de artikelen in deze Generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn. Een regel met twee uitzonderingen.

De regel is, dat de besluiten der meerderheid geldig zijn. Het liefst namen de kerken hare besluiten met gemeen accoord. Een discussie moest de zaak eigenlijk zóó rijp maken en het besluit zóó voorbereiden, dat het met „gemeen accoord” genomen werd. Maar waar dat eenparig gevoelen niet bereikt kon worden, werd er bij stemming gevraagd, wat het gevoelen der meerderheid was, en de minderheid sloot zich daarbij aan. Slechts schijnbaar heerschte de meerderheid over de minderheid. Want reeds de synode van Embden, 1571, besloot, dat eerst bij stemming moest uitgemaakt worden, wat het gevoelen der meerderheid was, en dat de scriba dit schriftelijk moest samenvatten en „klaarlijk lezen, opdat het met gemeene bewilliging bestendigd worde” (ut omnium calculis probetur, d.i. opdat het eenstemming goedgekeurd werd). Waarschijnlijk werd er zelfs tweemaal gestemd; eerst om het gevoelen der meerderheid te weten, en daarna om het gevoelen der meerderheid eenparig aan te nemen. Zoo oordeelde ook de synode van Dordrecht, 1578, art. 23. Later werden er formeel geen twee stemmingen meer gehouden, maar rekende men stilzwijgend, dat de minderheid zich aan het gevoelen der meerderheid conformeerde (d.i. er zich bij aansloot). Dit beginsel nu, dat het gevoelen der meerderheid geldigheid heeft, rust op de Schrift. 1e Op Hand. 15: 22-29, waar de apostelen inzake de besnijdenis der heidenchristenen een bindend besluit nemen, dat geldig is voor alle kerken; en 2e op den regel, dat twee meer weten dan één, Spreuk. 11: 14: „de behoudenis is in de veelheid der raadslieden”, zie vs. 22, en Matth. 18: 16: „opdat in den mond van twee getuigen alle woord besta”.

De eerste uitzondering is: tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods. Alle besluiten der kerkelijke vergaderingen zijn geldig, tenzij ze met een „uitgedrukt Woord

|147|

Gods” zooals de synode van Dordrecht, 1578, uitdrukte, d.i. met een duidelijke uitspraak of met een bepaalden tekst in strijd zijn. Het besluit moet bewezen worden te strijden tegen het Woord Gods, zoo staat er. Maar voor wie? Wil dat zeggen, dat de appellant het moet bewijzen voor de meerdere vergadering, en als hij haar overtuigen kan met zijne bewijzen, er van ontslagen is? Maar dit spreekt van zelf. Een besluit dat strijdig is met Gods Woord is voor niemand geldig. Of wil het zeggen, dat wij aan de besluiten der meerderheid gebonden zijn, tenzij iemand een of ander besluit voor zich zelf bewezen acht in strijd te zijn met Gods Woord? Dit laatste is het juiste antwoord en wel op de volgende gronden: 1e omdat op dien zelfden grond het reformatorisch verzet tegen Rome rustte, nl. dat de reformatoren bij zich zelven overtuigd waren, dat de Roomsche leeringen met Gods Woord in strijd waren; 2e omdat wij geen kerkelijke conciliën, decreten of besluiten mogen „gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen”, art. 7 Confessie; en 3e omdat Voetius ook zegt, dat een plaatselijke kerk, die gedwongen zou worden een besluit, dat bevonden wordt met Gods Woord te strijden, uit te voeren, des noods uit het kerkverband moet treden, liever dan tegen Gods Woord en het geweten te handelen.

De tweede uitzondering is, dat een besluit bewezen worde te strijden tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn. Er is onderscheid tusschen een kerkelijk besluit (decreet) of uitspraak (sententie) inzake een concreet geval, en de Artikelen der K.O., die voor alle kerken gelden en van algemeene strekking zijn. De bedoeling is nu, dat de kerkelijke besluiten inzake concrete gevallen niet mogen ingaan tegen de Artikelen der K.O. Is dat wel het geval, dan behoeft de belanghebbende zich niet aan het besluit te houden. Daarbij geldt dan als regel, dat de Artikelen der K.O. geldig zijn zoolang ze niet door een latere synode veranderd zijn. Is een of ander artikel door een latere synode veranderd, dan geldt niet het oude, maar het nieuwe artikel. Het is niet noodig, dat de kerkelijke vergaderingen hare besluiten met bepaalde teksten uit Gods Woord staven, omdat de meeste bepalingen niet uit bepaalde teksten, maar uit de beginselen der Schrift zijn afgeleid; en het zou ook dikwerf onmogelijk wezen, omdat er voor de meeste besluiten geen teksten te vinden zijn. Het is voldoende als de

|148|

motieven voor de besluiten niet tegen de Schrift ingaan. Reeds de synode te Embden, 1571, antwoordde op de vraag van de broeders uit Keulen, of alle dingen niet met Gods Woord moesten bevestigd worden, dat alleen die dingen, welke de consciëntie aangaan, met Gods Woord moeten bevestigd worden, maar die op de Kerkenordening betrekking hadden of middelmatig waren, niet. Dit besluit was zeer juist. En zoo hebben de volgende synoden steeds bepaald.

Jansen, Joh. (1976) Art. 32

 

Art. XXXII. De handelingen aller samenkomsten zullen met aanroeping van den Naam Gods aanvangen. en met eene dankzegging besloten worden.

 

Aanvang en sluiting der handelingen

Deze bepaling stond van den aanvang af in de K.O. De synoden van Embden, 1571, er, van Dordrecht. 1578, hadden er reeds bepalingen over, maar nog voor de samenkomsten van kerkeraad. classe, provinciale en generale synode afzonderlijk. Eerst de synode van Middelburg, 1581, heeft al die afzonderlijke bepalingen voor de onderscheidene samenkomsten in één artikel samengevoegd, dat nu voor alle kerkelijke samenkomsten bepaalde: „De handelinghen aller Tsamencoemsten sullen vande aenroepinghe des naems Godts aengheuanghen ende met een dancksegginghe besloten werden.” Deze redactie is door de volgende synoden overgenomen en tot nu toe geldig. Het was wel niet volstrekt noodig, dat het in de K.O. werd opgenomen, want het spreekt van zelf, dat de handelingen der kerkelijke vergaderingen met gebed aangevangen en met dankzegging gesloten worden. Maar er was ook weer iets voor, het uitdrukkelijk te bepalen, nl. opdat het vaste regel zou worden, en het besef te wekken, dat de kerkelijke samenkomsten in de tegenwoordigheid des Heeren gehouden moeten worden. Wij zullen de volgende drie punten nagaan, nl. de noodzakelijkheid van gebed en dankzegging; of er een vrij of een formuliergebed moet gebruikt worden; het lezen der Schrift bij den aanvang der samenkomst; en het gebed in de consistorie vóór den dienst des Woords.

1. Noodzakelijkheid van gebed en dankzegging. Er staat

|149|

toch, dat „de handelingen van alle samenkomsten”, nl. van kerkeraad, classe, particuliere en generale synode, „zullen aangevangen worden met gebed en besloten worden met dankzegging”. Verzuim is overtreding van een gebod, maar geen Goddelijk, doch een kerkelijk gebod. Wel is er in Hand. 1 (voor de apostelkeuze); Hand. 6 (voor de verkiezing van diakenen); en in Hand. 15 (voor het vraagstuk van de besnijdenis der heidenchristenen) van kerkelijke vergaderingen sprake, en ook wel tweemaal van het gebed (Hand. 1 : 14 en 24), maar toch niet uitdrukkelijk met het oog op den aanvang en de sluiting der vergadering. De Schrift beveelt het niet uitdrukkelijk. Het is dus een kerkelijke bepaling.

Er staat niet dat de samenkomsten zelf, maar dat de handelingen aangevangen zullen worden met gebed en besloten met dankzegging. Vroeger werd er bij de samenkomsten der provinciale synoden wel tweemaal gebeden. Eerst door den vorigen praeses of den dienaar der roepende kerk, met het oog op de opening der vergadering en de verkiezing van het moderamen. Daarna door den verkozen praeses, om Gods leiding over de handelingen of werkzaamheden af te bidden. Zoo bepaalde het de synode van Embden. 1571, en die van Dordrecht, 1578. Maar de synode van Middelburg, 1581, liet het eerste gebed weg en hield alleen het tweede over, dat dan blijkbaar aan het begin der vergadering plaats had en zoowel op de verkiezing van het moderamen als op de werkzaamheden der vergadering betrekking had, zoodat ook de keuze van het moderamen voortaan tot de handelingen werd gerekend. De dienaar der roepende kerk vangt de handelingen aan met gebed. Na afhandeling der zaken worden deze door den praeses, of op zijn verzoek door een ander, met dankzegging besloten.

2. Moet er een vrij of formuliergebed gebezigd worden? Een bindende regel is er voor de kerkelijke samenkomsten niet te geven. De Schrift geeft er geen bepaling voor. Er kunnen omstandigheden zijn, dat een vrij gebed de voorkeur verdient, bijv. wanneer een synode dagen achtereen zitting houdt, of wanneer de ziekte of het overlijden van een der leden, of een of andere nood gedacht moet worden. Maar omgekeerd kan soms een formuliergebed meer gewenscht zijn, bijv. wanneer verschil van inzicht op het vrij gebed van invloed zou zijn en de gemeenschappelijke samenstemming in het gebed zou verhinderen.

|150|

In de Liturgie der Gereformeerde kerken in Nederland vinden wij drie formuliergebeden voor de kerkelijke samenkomsten: 1e „Gebed vóór de handeling der kerkelijke bijeenkomsten”; 2e „Gebed na de handeling der kerkelijke samenkomsten”; en 3e „Een gebed vóór de vergadering der Diakenen”. Dit laatste behoort niet tot den officieelen tekst der Liturgie, maar is reeds meer dan 2½ eeuw in gebruik.

3. Is het voorlezen uit de Schrift bij den aanvang der kerkelijke samenkomsten en het gebed in de consistorie vóór den dienst des Woords aanbevelenswaardig? Wat de eerste vraag betreft, over het voorlezen van een gedeelte uit de Schrift, hebben wij in de Oude Acta niets gevonden. Er is wel sprake van gebed en dankzegging, en ook van het houden eener predikatie op de classe, maar niet van het lezen der H. Schrift. Dit is eerst in de vorige eeuw, uit de stichtelijke bijeenkomsten, die onder invloed van het Methodisme gehouden werden, in onze kerkelijke samenkomsten ingedrongen. Hier en daar begon een predikant en een kerkeraad er mee en zoo kwam het in gebruik. Onze vaderen oordeelden het niet noodig, omdat een kerkelijke samenkomst niet tot stichting, maar tot het afhandelen van kerkelijke zaken, vergadert. Waar het niet in gebruik is, voere men het niet in, maar waar het wel in gebruik is en men het wil handhaven, verandere men het van karakter en kieze men zulke gedeelten der Schrift, die op de ambten en derzelver bediening betrekking hebben, zoodat niet meer de onderlinge stichting, maar de onderwijzing in de regeering der kerk als doel voorzit. Dan kan het zonder bezwaar gehandhaafd worden.

Wat de tweede vraag betreft, het gebed in de consistorie vóór den dienst des Woords is van jongen datum. Vóór de 19e eeuw vinden wij er geen spoor van. Het is door den nood der tijden ontstaan, waarschijnlijk ten tijde van de Scheiding in 1834; en later bij de Doleantie in 1886 overgenomen. Toen de kerken vervolgd en hare samenkomsten soms uiteengedreven werden, hadden de ambtsdragers behoefte om samen eerst te bidden, dat God den dienaar wilde sterken en dat de samenkomst ongestoord mocht doorgaan. Men heeft wel eens gezegd, dat dit gebed een liturgisch karakter droeg, nl. dat de samenkomst der gemeente daardoor eigenlijk dienst des Woords werd. Maar dat is niet zoo. De dienst des Woords vangt aan als kerkeraad en gemeente samenkomen. dus als de voorzang wordt

|151|

opgegeven. Wat er aan voorafgaat behoort er niet bij. Ook behoort dit gebed niet in strikten zin tot het ambt der ouderlingen. Indien er een ambtelijk gebed moet plaats hebben, zou het eigenlijk bij het ambt van den dienaar behooren. Het draagt dus geen kerkrechtelijk en liturgisch, maar slechts een privaat karakter. Gelijk een gemeentelid vooraf een zegen van God vraagt voor zich zelf, zoo bidt een der broeders van den kerkeraad om bijstand voor den dienaar des Woords. Waar het niet in gebruik is, verplicht de Gereformeerde liturgie niet om het in te voeren. Waar het wel in gebruik is, schaffe men het niet licht af. Maar waar men het handhaaft, zij het alleen een kort gebed om hulp en bijstand voor den dienaar des Woords, niet een gebed om „den nood aller christenheid”, dat alles opsomt wat er niet toe behoort, terwijl er wel iets voor te zeggen is, dat, gelijk men voor den eersten dienst bidt om, men ook na den laatsten dienst dankt voor de hulp en bijstand des dienaars.

Jansen, Joh. (1976) Art. 33

 

Art. XXXIII. Die tot de samenkomsten afgezonden worden, zullen hunne credentiebrieven en instructien, onderteekend zijnde van degenen die ze zenden, medebrengen, en deze zullen keurstemmen hebben, ten ware in zaken, die hunne personen of Kerken in het bijzonder aangaan.

 

Credentie-brieven, Instructiën en het recht van Keurstem.

Reeds de synode te Embden, 1571, bepaalde, dat de afgevaardigden naar de particuliere en generale synode „Brieven van haare zendinge, mitsgaders de puncten schriftelyk vervat, die zy voorstellen zullen”, moesten meebrengen. Twee stukken dus nl. een credentie-brief, want alleen die wettig afgevaardigd waren mochten zitting nemen, en een schriftelijke instructie inzake de punten van „de Leer, het Kerkregiment en byzondere zaaken”, die behandeld zouden worden, want niemand mocht eigener autoriteit allerlei punten aan de orde stellen. De synode te Dordrecht, 1578, nam deze beide punten over, maar zóó, dat ze nu ook voor de classen zouden gelden en bepaalde inzake de instructiën, dat ze niet eerder geschreven mochten worden voordat de acta der vorige vergadering gelezen waren,

|152|

omdat het wel gebeurde, dat dingen, die op een vorige vergadering reeds afgehandeld waren, weer op de instructie der volgende werden geplaatst. De volgende synode van Middelburg, 1581, liet dit laatste weg en voegde er een nieuwe bepaling voor in de plaats nl.: „ende dese (d.i. degene, die wettig afgevaardigd waren) sullen alleene keurstemmen hebben”. De toevoeging van deze derde bepaling, nl. van de keurstem, was noodig geworden, omdat kerkeraadsleden, die niet afgevaardigd waren, vooral bij de behandeling van belangrijke zaken, tegenwoordig waren. De vraag was dan of ze mede-zeggenschap hadden. De synode besloot nu, dat zulke gasten of hoorders, met toestemming der vergadering wel iets mochten zeggen, dus wel een advies mochten geven, maar geen keurstem hadden. Deze redactie bleef totdat de synode van Utrecht, 1905, het woordje „alleene” er uit schrapte en er aan toevoegde: „ten ware in zaken, die hunne personen of kerken in het bijzonder aangaan”, omdat het in den loop der tijden noodig was gebleken, uitdrukkelijk uit te spreken, dat niemand rechter in eigen zaken en in die zijner kerken kan zijn. Er zijn dus drie punten nader te behandelen: nl. de credentie-brieven, de instructiën en het recht van keurstem.

1. De credentie-brieven. Credentie-brieven (Latijn: litterae fidei, d.i. geloofsbrieven, litterae dimissiones, d.i. brieven van afzending, fiduciariae litterae, d.i. vertrouwensbrieven, credentiales of testimoniales, d.i. credentie-brieven of getuigenissen) zijn bewijzen van wettige afvaardiging.

Wie moeten de credentie-brieven afgeven? Het staat niet in het artikel. Toch hebben de kerken er zich wel opzettelijk over uitgesproken, vooral met het oog op de Remonstranten, die beweerden, dat de overheid het recht toekwam, kerkelijke lasthebbers naar de classen en synoden te zenden. De kerken wilden van die heerschappij van den staat over de kerk niets weten en bepaalden dan ook reeds op de particuliere synode van Dordrecht, 1574: „dat de Kerkcken-dienaers, die op den sijnodum te gaen ghedeputeert worden, ghetuijghenisse brenghen vanden Consistorie ende Classe ende niet van der Ouericheijt”. Wel kwam het later nog wel een enkelen keer voor, zooals de dienaar en ouderling van de kerk te Hattem op de classe Neder-Veluwe in 1604, dat ze met credentie-brieven van de plaatselijke overheid verschenen en werden ze voor dien keer dan nog wel toegelaten, maar toch met de uitdrukkelijke

|153|

bepaling er bij, dat het voortaan niet meer mocht geschieden. Alleen aan de kerken zelve komt het recht en de vrijheid toe om afgevaardigden naar de kerkelijke samenkomsten te zenden, en wel in dien zin, dat de kerkeraden afvaardigen naar de classen; de classen naar de particuliere synoden; en de particuliere synoden naar de generale synoden; terwijl dan niet alleen de lastbrieven van de kerkeraden naar de classen, maar soms ook wel die van de classen naar de particuliere synoden; en die van de particuliere naar de generale synoden, door de betrokken kerkeraden geschreven en geteekend waren, om juist in de afvaardiging uit te drukken, dat de meerdere vergaderingen geen hoogere besturen zijn, maar samenkomsten van kerken. Op de synode van ’s-Gravenhage, 1586, waren dan ook twee soorten van lastbrieven; vier, die door de kerkeraden, en zes, die door de particuliere synoden afgegeven waren.

Wat is het karakter van credentie-brieven? Credentie-brieven zijn de bewijzen van wettige afvaardiging, die tevens het karakter der meerdere vergaderingen als samenkomsten van kerken aangeven. Een mondeling getuigenis is niet voldoende: 1e omdat iemand zich als afgevaardigde kan aandienen, die het niet is, gelijk in de 16e eeuw wel geschiedde; en 2e omdat het een getuigenis is in eigen zaak. Samenkomsten van ambtsdragers, die zonder credentie-brieven vergaderen, dragen het karakter van conferentiën, d.w.z. samenkomsten van personen en niet van kerken.

Welken vorm moet een lastbrief hebben? Een lastbrief bestaat uit vier onderdeelen, nl. uit de mededeeling der afvaardiging met de namen der afgevaardigden, de lastgeving, de stipulatie, en de heilbede. Soms bevatte een lastbrief wel eens een restrictie (voorbehoud), zooals van de classe Haarlem, in 1582, dat zij de besluiten, die hare afgevaardigden goedkeurden, getrouwelijk wilde achtervolgen. Maar de synode maakte haar duidelijk, dat na rijpe overweging de meeste stemmen beslisten en dat iemand, die zich met het genomen besluit niet kon vereenigen, zich op de meerdere vergadering kon beroepen. Daarom stelde men wel als regel, dat de credentie-brieven de bepaling van art. 31 K.O. moesten bevatten, nl. de belofte van submissie (onderwerping) aan de besluiten der meerdere vergadering, „tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geen andere Generale Synode veranderd zijn”.

|154|

2. De Instructiën. Een instructie (Latijn: litterae mandati, d.i. brieven van mandaat) is een lastbrief, die inhoudt wat de afgevaardigden op de vergadering hebben te behandelen.

Het karakter van een instructie is een schriftelijke opdracht van de lastgevende kerk of kerken (classe, synode) aan hare afgevaardigden van hetgeen zij op de vergadering aan de orde stelt of stellen. Geen enkele afgevaardigde mag eigener autoriteit een of andere zaak aan de orde stellen. De lastbrieven moeten aangeven wat zij hebben te doen, nl in het algemeen alles wat op wettige wijze aan de orde wordt gesteld, en in het bijzonder de gravamina of bezwaren, en de vragen, en voorstellen, die de eigen lastgevers aan de orde stellen.

De inhoud van de lastbrieven is niet, hoe de afgevaardigden stemmen, maar wat de afgevaardigden doen moeten. Wel heeft de lastgever principieel het recht aan zijn lasthebber op te dragen èn wat hij doen èn hoe hij stemmen moet. En in buitengewone gevallen hebben de kerken dan ook wel van dat recht gebruik gemaakt, bijv. toen de zaak der Remonstranten zou behandeld worden op de synode van Dordrecht, 1618-’19, en door meer dan eene particuliere synode aan hare afgevaardigden in last gegeven werd alleen dan tot een besluit mede te werken, wanneer dit besluit overeenstemde met den gegeven last; en voorts in de zaak van Fredericus van Leenhof, predikant te Zwolle, die pantheist was, toen de kerken in de provinciën hare afgevaardigden in last gaven, er vóór te stemmen, dat de kerk van Zwolle een tijdlang buiten het kerkverband werd gezet. Maar in den regel wilden de kerken er toch niet van weten en zou het ook niet kunnen, want er komen op een synode een reeks van zaken, bijv. tuchtquaesties, geschillen, regelingen voor de zending, en voor het onderwijs enz., waarover de kerken vooraf niet gehoord kunnen worden. Bovendien, als de afgevaardigden in alle zaken een mandat impératif meekregen, zouden zij tot stemmachines verlaagd worden, en zou het deliberatief (beraadslagend) karakter van een synode te loor gaan. Alleen in zulke zaken, die eigenlijk door een tekst of uitspraak der Schrift reeds duidelijk zijn, en waarover dus niet meer gedelibereerd behoeft te worden, mogen de kerken een mandat impératif meegeven. Maar in alle zaken, die niet door de Schrift worden uitgewezen, moeten zij vrijheid van stem laten.

3. Het recht van keurstem: en deze zullen keurstem hebben ten ware in zaken die hunne personen of Kerken in het bijzonder

|155|

aangaan. Dit artikel handelt dus over het recht van keurstem, terwijl art. 42 handelt over het recht van adviseerende stem. Een keurstem is een beslissende, ook wel definitieve stem; een adviseerende stem is een deliberatieve of raadgevende stem.

Wie hebben nu recht van keurstem? De afgevaardigden met wettige credentie en instructie. Echter met deze beperking, dat zij geen keurstem hebben „in zaken, die hunne personen of Kerken in het bijzonder aangaan”. Niemand toch mag rechter wezen in eigen zaken. Maar hebben ze wel adviseerende stem in eigen zaken? Neen, ook niet. Het artikel verbiedt het wel niet, maar dit spreekt van zelf. Zoolang iemands zaken behandeld worden, is hij partij in het geding. Dit geldt de afgevaardigden naar alle kerkelijke vergaderingen. Er staat niet bij, dat de personen tijdens de behandeling van hun eigen zaken de vergadering moeten verlaten. Geldt het iemands kerk alleen, dan is het niet zoo noodig. Maar bij persoonlijke zaken is het soms wel gewenscht. Oordeelt een vergadering het noodig, dan neme zij het besluit daartoe en deele dit aan den betrokkene mee.

Komt het zittings- en stemrecht aan de afgevaardigden toe krachtens hun ambt of krachtens hun wettige afvaardiging? Niet krachtens hun ambt maar krachtens hun afvaardiging naar de kerkelijke bepalingen. Indien er onder de ambtsdragers geen geschikte personen waren, zouden zelfs gewone leden der kerk naar een classe of synode afgevaardigd kunnen worden. Indien het zittings- en stemrecht in het ambt lag, zouden alle ambtsdragers automatisch naar de classen en synoden moeten gaan.

Komt het zittings- en stemrecht toe aan de professoren in de Theologie krachtens hun ambt? Wanneer wij de acta der synoden hierover nagaan, komen wij tot de volgende conclusiën: 1e dat hun zittingsrecht in de practijk al meer is ingekrompen eerst hadden zij zitting op alle kerkelijke vergaderingen; later alleen op de classen en synoden; en dan nog alleen als deze vergaderden ter plaatse waar de universiteit was; 2e dat zij doorgaans alleen adviseerende stem hadden en alleen op de synode van Dordrecht, 1618-’19, als een unicum beslissende stem ontvingen; 3e dat hun zittings- en stemrecht rustte in de uitnoodiging der kerken om haar van advies te dienen en niet in hun ambt als zoodanig; en 4e dat alle theologische professoren van de Theologische School en van de Vrije Universiteit door de kerken worden uitgenoodigd als adviseerende leden de generale synoden bij te wonen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 34

|156|

Art. XXXIV. In alle samenkomsten zal bij den praeses een scriba gevoegd worden, om naarstiglijk op te schrijven ’t gene waardig is opgeteekend te zijn.

 

Het Moderamen.

Van den beginne aan was er natuurlijk bij de kerkelijke vergaderingen een moderamen noodig. Maar deze bepaling dateert eerst van de synode van Middelburg, 1581, waar ze reeds woordelijk zoo luidt. Zij handelt over twee zaken, nl. over de noodzakelijkheid van een moderamen en over de taak van den scriba.

1. De noodzakelijkheid van een moderamen: In alle samenkomsten zal bij den praeses een scriba gevoegd worden.

Wie behooren tot een moderamen? Het artikel noemt alleen een praeses en een scriba. Die twee moeten in alle samenkomsten wezen, nl. in kerkeraden, classen en synoden. In de oudste redactie van 1571 en 1578, was er ook nog van een assessor of bijzitter sprake, maar de redactie van 1581 liet hem weg, omdat hij niet voor alle vergaderingen noodig is. Een kerkeraadsvergadering die slechts enkele uren duurt en een vasten praeses heeft, kan wel zonder assessor vergaderen. Zijn er zaken te behandelen, waarbij de praeses niet tegenwoordig mag zijn, dan kan de oudste of bekwaamste ouderling, of, waar twee of meer predikanten zijn, de vorige praeses zoolang als assessor optreden. Maar bij meerdere vergaderingen, die één of meer dagen duren is een assessor noodig, om den praeses bij te staan in de leiding, te herinneren als hij iets zou vergeten en te vervangen als hij aan de discussie zou deelnemen. Deze drie: praeses, scriba en, voor de meerdere vergaderingen nog een assessor, vormen samen het moderamen, (een Latijnsch woord dat besturing, leiding beteekent) d.i. het bestuur, bij hetwelk de leiding der vergadering berust.

Is het moderamen een permanent bestuur? Neen, want de functies van praeses, scriba en assessor duren slechts zoolang de vergadering zit. Bij de Roomsche, Luthersche en Collegialistische systemen is het moderamen wel een blijvend bestuur. Maar bij de Gereformeerden was het gewoonte elke volgende vergadering een nieuw moderamen te kiezen. Bij kerkeraden met meer dan één predikant, en bij classen waren zij er zelfs tegen,

|157|

dat dezelfde dienaar tweemaal achtereen praeses was, om het gevaar van hiërarchie te voorkomen, dat des te grooter was naarmate deze vaker samenkwamen. Bij de particuliere en generale synoden, die minder dikwijls samenkwamen en waarheen de classen of synoden doorgaans hare bekwaamste dienaren afvaardigden, lieten zij het wel vrij, maar was toch ook in de practijk afwisseling regel. Gebeurde het al eens, dat men op de volgende synode den vorigen praeses herkoos, zooals op de synode van Dordrecht, 1574, die Casper van der Heijden, den praeses van de vorige synode te Embden, 1571, weer tot voorzitter verkoos, dan was het niet de bedoeling om daarvan regel te maken, maar achtten de afgevaardigden het voor de goede constitutie der kerken van belang.

Mag een emeritus-dienaar, die lid eener kerkelijke vergadering is en keurstem heeft, in haar moderamen verkozen worden? Ja, een emeritus-dienaar is wel ontslagen van de verplichting tot zijn dienstwerk, maar blijft al zijn vroegere bevoegdheden behouden. Hij mag door den kerkeraad naar de classe, door de classe naar de particuliere synode en door deze naar de generale synode afgevaardigd, en door al deze samenkomsten in het moderamen (praeses, scriba of assessor) gekozen worden.

2. De taak van den scriba. Doorgaans wordt de scriba door de vergadering uit een harer leden gekozen. Dit ligt in den aard der zaak, al is het op zich zelf genomen mogelijk dat een kerkeraad een vasten secretaris aanstelt, om de notulen te maken en de correspondentie te voeren, buiten eigen kring; evenals een secretaris van het curatorium zelf geen curator behoeft te zijn (Heraut, 1921 no. 2257).

Zijn taak is dan: om naarstiglijk op te teekenen, ’t gene waardig is opgeteekend te zijn. De opteekening is noodzakelijk om twee redenen: 1e om te voorkomen, dat er later over dezelfde dingen nog weer gehandeld wordt, en 2e om de besluiten voor het nageslacht te bewaren.

Wat moet de scriba opteekenen? Er staat: ’t gene waardig is opgeteekend te zijn, (Latijn: notatu digna = dingen, die waard zijn opgeteekend te worden). Er gebeurt in de meeste vergaderingen wel eens iets dat niet waardig is opgeteekend te worden en waaraan het nageslacht niets heeft. Het was dan ook vroeger de gewoonte niet de breede discussie, maar alleen de besluiten met de gronden waarop ze rusten in de acta op te nemen. Trouwens als de geheele discussie er bij opgenomen

|158|

werd, zouden de acta al te breedsprakig worden. Maar in deze eeuw van onderzoek en nieuwsgierigheid is men daarmee niet meer tevreden. De acta moeten zóó nauwkeurig en uitvoerig wezen, dat de lezers als het ware de vergadering zelf bijwonen. Het komt alleen op de besluiten aan en de gronden waarop ze rusten.

Welken titel moeten de besluiten dragen? Het artikel zegt er niets var. Er komen drie woorden voor in aanmerking, nl. handelingen, notulen en acta. De naam handelingen is al van ouden datum. De besluiten van de synoden te Embden, 1571, en te Dordrecht 1578, werden reeds: „Acta ofte handelinghen” genoemd. De Christelijk Gereformeerde kerk noemde de acta harer synoden ook: „Handelingen”. Maar dit woord is toch te ruim. De „handelingen” van een kerkeraad duiden niet alleen aan wat de kerkeraad besloten, maar ook wat hij gedaan heeft. Dit blijkt duidelijk uit art. 32: „De handelingen”, d.i. niet alleen wat de synode opteekent, maar ook wat ze doet en verhandelt, „zullen met gebed aanvangen en met dankzegging besloten worden”. De officieele acta omvatten echter alleen de eigenlijke besluiten, die officieel gezag dragen. Het woord notulen kan alleen voor kerkeraads- en classicale-vergaderingen gebruikt worden, niet voor de particuliere en generale synoden. Notulen is afgeleid van notula (een verkleinwoord van nota = teeken), dat een klein teeken, ook wel het opgeteekende aanduidt. Notulen zijn dan ook de opteekening van de besluiten met de voornaamste punten uit de discussie. Het woord acta is echter het juiste woord voor de besluiten der synoden. Van een kerkeraads- en classicale vergadering, die maar enkele uren vergaderen, kan men notulen maken, d.w.z. de besluiten met de hoofdpunten der discussie opteekenen. Maar van een particuliere en generale synode, die vaak enkele dagen zitting houden, maakt men „acta”, d.w.z. teekent men alleen de „besluiten” op, en niet wat zij doen of verhandelen. Zoo spreken wij van de „Acta der provinciale, particuliere, generale synoden”.

Moeten de notulen en acta door dezelfde vergadering vastgesteld worden? De notulen van den kerkeraad kunnen door de volgende vergadering vastgesteld worden. Inzake de notulen der classe maakt men onderscheid tusschen het „kort verslag” dat door de vergadering zelf wordt opgeteekend en in een of ander kerkelijk blad wordt geplaatst, en de „notulen”, die op de volgend vergadering worden gelezen en goedgekeurd. Bij

|159|

classen kan dit nog, als de formuleering der besluiten ten minste niet aan den scriba zelf wordt overgelaten, doch door de vergadering zelf geschiedt. Maar de particuliere en generale synoden doen het beste aan het einde van elke zitting een verslag van het verhandelde voor te lezen en goed te keuren en de vaststelling der acta aan het moderamen op te dragen. De besluiten zelf treden terstond in werking wanneer zij genomen zijn, tenzij in het besluit zelf daarvoor een bepaalden datum is aangegeven.

Moet aan iedereen, die het vraagt, inzage der acta of notulen, of een uittreksel (extract) uit dezelve, gegeven worden? Neen, de lezing der acta komt wel aan de leden der vergadering toe, maar niet aan alle leden der kerk, omdat er bij opzicht en tucht telkens zaken van persoonlijken aard behandeld worden, die geheim moeten blijven; en alleen zij, die er rechtstreeks bij betrokken zijn, hebben recht een gewaarmerkt afschrift van de besluiten, die op hun zaak betrekking hebben te ontvangen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 35

 

Art. XXXV. Het ambt van den praeses is, voor te stellen en te verklaren ’t gene te verhandelen is; toe te zien dat een iegelijk zijne orde houde in ’t spreken; den knibbelachtigen en die te heftig zijn in ’t spreken, te bevelen dat zij zwijgen; en over dezelve, geen gehoor gevende, de behoorlijke censuur te laten gaan Voorts zal zijn ambt uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt.

 

Het ambt van den Praeses.

Dit artikel dagteekent al van de synode te Embden, 1571, maar stond toen nog onder de bepalingen, die voor de provinciale en generale synoden golden. De synode van Middelburg, 1581, plaatste het vóór de artikelen, die over den kerkeraad, de classe en de synode handelden. zoodat het nu de taak van den praeses voor alle kerkelijke samenkomsten aanwijst. Het handelt over twee zaken, nl. over de taak van den praeses en over den duur van het praesidium.

1. De taak van den Praeses. Het ambt, d i. de taak, roeping, plicht, werkzaamheid (zie over de beteekenis van het woord ambt art. 16) van den praeses bestaat in drie stukken:

Ten eerste: voor te stellen en te verklaren ’t gene te

|160|

verhandelen is. Hij moet dus vooraf weten wat er aan de orde is, d.w.z het agendum kennen, en zich vooral met bijzondere quaesties op de hoogte stellen. Zijn taak is niet, de oplossing aan de hand te doen, maar wel, om de zaken zoo duidelijk mogelijk voor te stellen, opdat de vergadering spoedig tot beslissing kome. En daarvoor is tact en overleg noodig. Eenerzijds mag hij niet heerschen en zijn wil niet aan de vergadering opleggen, want de beslissing berust bij de vergadering. En anderzijds moet hij toch de behandeling der zaken leiden en mag hij de teugels niet uit handen geven. Het gemis van het noodige beleid maakt, dat er zooveel lijders onder de leiders der vergaderingen zijn.

Ten tweede: toe te zien, dat een iegelijk zijn orde houde in ’t spreken. In een kerkeraad met één dienaar, spreekt het van zelf, dat hij de zaken moet uiteenzetten. Maar in meerdere vergaderingen zal de praeses zich voornamelijk tot het leiden der besprekingen beperken. Sommige buitenlandsche kerken hebben bepaald, dat een praeses zich nooit in de discussie mag mengen. Dat is te sterk. Het kan gebeuren, dat bij spreken moet, bijv. als hij de eenige is, die het rechte licht over een zaak kan ontsteken. Maar dan spreekt hij niet als praeses, doch als lid der vergadering en moet de assessor zoolang het praesidium waarnemen. Hij moet zorgen, dat een iegelijk zijn orde houde in het spreken, d.w.z. dat er alleen gesproken worde over wat aan de orde is, en over niets anders; dat de een niet altijd het woord voere, zoodat de ander niet aan het woord kan komen; en dat de sprekers zich binnen de grenzen der welvoegelijkheid houden. Soms volgt men den regel, dat een spreker maar tweemaal over hetzelfde onderwerp het woord mag hebben. Is de vergadering dan nog niet rijp, zoo kan de praeses op nieuw het woord verleenen. Wordt het punt in quaestie niet begrepen, dan brenge hij het naar voren. Is de vergadering rijp, dan trachte hij de beslissende elementen in een voorstel samen te vatten, indien er ten minste geen voorstel is. Zoo er meerdere voorstellen zijn, trachte hij tot eenstemmigheid te komen en zoo niet, tusschen de verschillende voorstellen te laten stemmen, terwijl dan geacht wordt, dat de minderheid zich aan de beslissing der meerderheid onderwerpt.

Ten derde: den knibbelachtigen en die te heftig zijn in ’t spreken, te bevelen dat zij zwijgen; en over dezelve, geen gehoor gevende, de behoorlijke censuur te laten gaan. Er zijn twee soorten van sprekers, die het een praeses lastig maken:

|161|

1e zij, die altijd scherp zijn, de knibbelachtigen (Latijn: acriores = die scherp zijn, prikkelen); en 2e zij, die strijdlustig zijn (Latijn: contentiosi = die strijdlustig, te heftig zijn in ’t spreken). Hij moet dezulken bevelen (imperare), dat zij zwijgen. Gewoonlijk is een zachte vermaning genoeg; zoo dat niet helpt, dan bevele, d.i. gebiede hij; en zoo dat niet baat, dan moet hij „over dezelve de behoorlijke censuur laten gaan”. Het woord censuur is hier niet de afhouding van het Avondmaal of de excommunicatie, maar alleen een bestraffing of berisping met woorden, hij kan des noods een motie van afkeuring over iemands optreden aan de vergadering voorstellen. De synode van Embden, 1571, bepaalde, dat hij ze gebieden kon uit de vergadering te gaan, opdat zij gestraft werden naardat zij verdiend hadden. Gaat de praeses zelf buiten de rechten van het praesidium, dan moet de assessor hem tot de orde roepen, of ook de vergadering hem verzoeken zich te matigen, en des noods een motie van afkeuring over zijn leiding uitspreken.

2. De duur van het praesidium. Het slot van het artikel luidt dienaangaande: Voorts zal zijn ambt uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt. Eigenlijk staat er: "Zijn functie echter houdt op bij het einde der samenkomst”. Dit spreekt van zelf. Wanneer de vergadering afgeloopen is, houdt de functie van den praeses en evenzoo van den scriba en van den assessor op. Het praesidium is slechts een tijdelijke kerkelijke functie, geen blijvende kerkelijke waardigheid. Ook is het praesidium niet aan een bepaald persoon eigen, zooals bij Rome, waar het praesidium der oecumenische concilies aan den paus, dat der nationale en provinciale synoden aan den patriarch; en dat van de diocesiaan-synoden aan den bisschop toekomt. Wel kan het moderamen na de vergadering nog eenig werk afdoen, maar alleen dat, wat de vergadering het opdroeg en op de uitvoering der genomen besluiten betrekking heeft. Een permanente praeses kennen wij dus niet. Zelfs niet een praeses voor een week of een maand. Wel kan iemand als praeses worden aangewezen voor alle vergaderingen, die in een week of maand plaats hebben. Voetius antwoordt dan ook op de vraag of iemand voortdurend praeses mag zijn: „Neen, omdat het niet met de practijk en met art. 32 der K.O. zou overeenstemmen en naar voren en naar achteren tot de Roomsche hiërarchie zou afvoeren. Hier, zoo ergens, (voegt hij er aan toe), past het spreekwoord van Plautinus: „De vlam is wel het naast aan den rook, nochtans

|162|

kan door den rook niets verbrand worden maar door de vlam wel”, Pol. Eccl. IV: 201. Trouwens om hiërarchie te voorkomen is in art. 37 bepaald, dat in de kerkeraden de dienaren bij beurte presideeren zullen; en in art. 41 inzake de classen, dat dezelfde dienaren geen tweemaal achtereen presideeren mogen.

Eindelijk is de vraag nog, waar het adres is der kerkelijke vergaderingen. Bij het scheiden der vergaderingen houden alle functies op, en toch moet er voor de correspondentie een adres zijn. Volgens kerkelijk gebruik is de praeses of de scriba het adres voor de kerkeraden, en een opzettelijk daarvoor aangewezen kerk voor de classen en synoden. Vroeger wees men er wel een kerkelijk persoon voor aan en gaf aan zoo iemand den naam „actuarius”. Maar dit is voor de meerdere vergaderingen beslist af te keuren. Het beste is er een kerk voor aan te wijzen. Zulk een kerk, die de classe moet samenroepen, wordt „classicale”, en die de synode moet samenroepen „synodale kerk” genoemd.

Jansen, Joh. (1976) Art. 36

 

Art. XXXVI. ’t Zelfde zeggen heeft de Classe over den Kerkeraad, ’t welk de Particuliere Synode heeft over de Classe en de Generale Synode over de Particuliere.

 

Het gezag der meerdere vergaderingen over de mindere.

Dit artikel is eerst door de synode van Middelburg, 1581, in de K.O. opgenomen. Maar het beginsel, daarin uitgesproken, heeft van den beginne aan in de Gereformeerde kerken gegolden, toen zij nog onder het kruis en in de verstrooiing waren. De bovenstaande redactie van 1581 is onveranderd gehandhaafd tot nu toe.

1. Het veronderstelt een zeker gezag van de meerdere vergadering over de mindere: een classe heeft over een kerkeraad, een particuliere synode over een classe, en een generale synode over een particuliere een zeker zeggen, of, zooals er in het Latijn staat, een zekere authoritas d.i. gezag. Dit rust ook op de Schrift. Er was tijdens Jezus en de apostelen nog wel geen compleet classicaal en synodaal verband, omdat de apostelen zelf nog leefden, en er nog geen behoefte aan was, maar de

|163|

beginselen er van waren er toch wel. Dit blijkt uit de voorbeelden: 1e Dat er behalve de samenkomsten tot de bediening des Woords ook kerkelijke vergaderingen gehouden werden, bijv. een vergadering van de apostelen met de 120 geloovigen in de opperzaal te Jeruzalem, ter verkiezing van een apostel, Hand. 1: 12 vv., 23-26; een andere vergadering, eveneens te Jeruzalem, ter verkiezing van zeven diakenen, Hand. 6: 1-7; en een derde vergadering te Jeruzalem van de ouderlingen, dus een kerkeraadsvergadering, waarin Paulus, na zijn derde zendingsreis, verslag deed van zijn arbeid onder de heidenen, Hand. 21: 17 vv. 2e Dat de eene gemeente afgevaardigden zendt naar de andere, om hulp te vragen in kerkelijke geschillen. Bijv. in Hand. 15, waar het apostelconvent beschreven wordt. Daarin staat tweeërlei: a. dat de gemeente van Antiochië een tweetal afgevaardigden. nl. Paulus en Barnabas, zendt naar de gemeente te Jeruzalem, die onder leiding der apostelen stond, om haar advies en oordeel te vragen inzake een vraagstuk, dat niet alleen haar, maar alle kerken aanging, nl. de noodzakelijkheid der besnijdenis voor de heiden-christenen. Een samenkomst dus van twee kerken, niet door gelijkmatige afvaardiging, maar door afvaardiging van de eene naar de andere; een soort gecombineerde kerkeraadsvergadering onder leiding der apostelen en in bijzijn der gemeenteleden; en b. dat de apostelen met de ouderlingen te zamen, na langdurige deliberatie en groote twisting, vs. 7, onder leiding en goedkeuring des Geestes, een besluit genomen, op schrift gesteld, en door een opzettelijk aan Paulus en Barnabas toegevoegde commissie van twee personen, nl. Judas en Silas, aan de gemeente hebben laten overbrengen; een besluit, dat bindende kracht had en dan ook als een last aan alle gemeenten uit de heidenen werd opgelegd, vss. 28-29. Uit dit voorbeeld volgt, dat classen en synoden, tot wederkeerige raad en hulp, wel niet geboden, maar door Goddelijke toelating geoorloofd zijn, en, na ernstige overweging, ook bindende besluiten mogen nemen. 3e Dat, wanneer één geloovige het niet af kan, er meerderen bij betrokken mogen worden, wat ook voor het kerkverband geldt, Matth. 18: 15 vv.; dat de eene kerk aan de andere tot een voorbeeld gesteld wordt, 1 Cor. 11: 16; en dat de meergegoede de arme gemeenten ook financieel moeten helpen enz., 2 Cor. 8: 1, 4, 19, vgl. Rom. 15: 26.

Trouwens het ligt ook in den aard der zaak, dat de meerdere vergaderingen een zeker gezag hebben. Elke kerk op zich zelf

|164|

is een complete kerk en heeft haar kerkelijk gezag van Christus ontvangen. Komen nu een aantal kerken samen en brengen zij haar gezag door hare afgevaardigden mee, dan hebben deze meerdere vergaderingen zooveel gezag als de afzonderlijke kerken er door saambrenging cumuleeren d.i. ophoopen. Twee hebben toch meer macht dan één, en tien meer dan vijf. Meerdere vergaderingen brengen er ook meerder macht samen. Geen hoogere macht, die als een zekere bestuurshoogheid boven de mindere vergaderingen staat, want een meerdere vergadering heeft geen enkele macht of ze ligt al in de macht der mindere.

2. Het artikel wijst nu aan, welk karakter het gezag der meerdere vergaderingen over de mindere draagt: ’t zelfde zeggen heeft de Classe over den Kerkeraad, ’t welk de Particuliere Synode heeft over de Classe, en de Generale Synode over de Particuliere. Gezag (authoritas) is de macht van iemand, die over een ander te „zeggen” heeft. Het veronderstelt ongelijkheid en drukt de verhouding uit van een meerdere tot zijn mindere. Maar die verhoudingen zijn zeer ongelijk en zoo is de aard van het gezag ook verschillend. Het gezag van de ouders over de kinderen, van de overheid over haar onderdanen, en van den meester over de leerlingen is veel meer juridisch (rechterlijk) van aard en kan optreden met bevel en wet, en, bij onwilligheid en overtreding, met dwang en straf. Het gezag op kerkelijk gebied, van de meerdere vergaderingen over de mindere, draagt veel meer een zedelijk en geestelijk karakter, treedt niet bevelend, dwingend en straffend, maar vermanend, waarschuwend en tuchtigend op. Het gezag der meerdere vergaderingen is dan ook naar ons Gereformeerd kerkrecht:

a. Niet oorspronkelijk, maar afgeleid. Een kerkeraad heeft zijn macht oorspronkelijk van den Koning der kerk ontvangen en inhaerent in bezit, maar een classe enz. heeft haar macht als een afgeleide en opgedragen macht, door afvaardiging van de kerkeraden verkregen.

b. Niet algemeen, maar begrensd. Een kerkeraad heeft algemeen gezag, want bij handelt over alle zaken, die tot zijn kerk behooren, maar een classe en synode hebben beperkte macht, want zij handelen alleen over die zaken, die op de mindere vergaderingen niet kunnen afgehandeld worden, of tot de kerken der meerdere vergaderingen in ’t gemeen behooren. Het gezag der meerdere vergaderingen is dan ook door instructies beperkt.

|165|

c. Niet een hoogere, maar een mindere macht. Een afgevaardigde heeft toch minder macht dan die hem afvaardigt.

d. Niet overheerschend, maar dienend. Een meerdere vergadering kan een mindere niet dwingen hare besluiten uit te voeren. Is een mindere vergadering overtuigd, dat een of ander besluit met de Schrift in strijd is, dan mag zij het niet uitvoeren, ook al kan zij de meerdere vergadering niet overtuigen, tenzij dan dat deze haar van ongelijk overtuigde. Wanneer in laatster instantie ook de generale synode zulk een klager in het ongelijk stelde, blijft er slechts tweeërlei mogelijkheid over: nl. de besluiten te dulden, onder voortdurend protest bij de volgende synoden, zonder er in te berusten of gedwongen te worden iets te doen, wat in strijd is met de Schrift, óf, na het uiterste beproefd te hebben, met het kerkverband te breken. Zij hebben alleen dienend gezag d.i. de mindere vergaderingen met raad en hulp bij te staan; en deze zijn dan aan hare besluiten gebonden, in zooverre deze niet met de Schrift in strijd zijn. De mindere vergaderingen ontvangen de macht niet van de meerdere, bijv. een kerkeraad ontvangt zijn macht niet van de classe enz., zooals bij het hiërarchische en collegialistische stelsel, maar het gezag der meerdere vloeit uit dat der mindere door middel van afvaardiging voort.

e. Niet van voortdurend bezit, maar van tijdelijke uitoefening, want de meerdere vergaderingen oefenen deze macht zoolang als de kerken deze er samen brengen, maar als de vergadering scheidt, houdt ook deze uitoefening der macht op, al werkt haar gezag door in hare besluiten.

f. Niet onfeilbaar, maar afhankelijk en ondergeschikt, want onfeilbaar is alleen het gezag van Gods Woord, maar alle kerkelijke macht is ondergeschikt aan en afhankelijk van het gezag Gods in Zijn Woord.

3. Het gezag der meerdere vergaderingen over de mindere is dus van een andersoortig karakter als dat van een kerkeraad over een gemeente. Het komt veel meer overeen met het gezag van den kerkeraad over de enkele kerkeraadsleden, dan van den kerkeraad over de gemeente. Daarom is dit laatste ook opzettelijk weggelaten uit dit artikel. Er is hier een verschil in oorsprong, noodzakelijkheid, wezen, duurzaamheid en doel. 1e In oorsprong, want de meerdere vergaderingen hebben alleen een van de kerkeraden ontleende macht, terwijl de kerkeraden de macht oorspronkelijk van Christus, den Koning

|166|

der kerk, ontvangen hebben. 2e In noodzakelijkheid, want een kerkeraad is noodzakelijk voor het wezen van een geïnstitueerde kerk, zonder een kerkeraad kan geen geïnstitueerde kerk bestaan, maar meerdere vergaderingen zijn alleen noodig voor het wel-wezen, niet voor het wezen, der kerk. 3e In wezen, want bij den kerkeraad berust de kerkelijke macht wezenlijk (essentialiter), bij de meerdere vergaderingen toevallig (accidentaliter) evenals de hitte principieel is in het vuur en accidenteel in het water, tengevolge van het vuur. 4e In duurzaamheid, want als de plaatselijke kerken ophouden te bestaan vervalt van zelf het gezag der meerdere vergaderingen, maar als er geen classen en synoden zijn, kunnen de plaatselijke kerken nog wel bestaan. De regeering berust bij de plaatselijke kerken voortdurend, ook al worden er geen classen en synoden gehouden. En eindelijk, 5e in doel, want een kerkeraad bestaat op zich zelf, niet terwille van de meerdere vergaderingen, maar de meerdere vergaderingen bestaan wel terwille der plaatselijke kerken, om haar met raad en daad te dienen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 37

 

XXXVII. In alle Kerken zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen, dewelke, althans in de grootere gemeenten, in den regel alle weken eens tezamenkomen zullen, alwaar de Dienaar des Woords (of de Dienaren, zoo daar meerdere zijn, bij beurte) presideeren en de actie regeeren zal.

 

Van den Kerkeraad.

De vier artikelen, die nu volgen, handelen over den kerkeraad, de eerste van de vier kerkelijke vergaderingen in art. 29 genoemd. Art. 37 handelt over den kerkeraad zelf; art. 38 over de nieuw op te richten en kleine kerkeraden art. 39 over plaatsen, waar nog geen kerkeraad is en art. 40 over de diaconale vergadering. Wij handelen ter verklaring van dit artikel over de volgende punten:

1. Dat er in alle kerken een kerkeraad moet zijn: In alle Kerken zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen. Vooreerst veronderstelt deze bepaling, dat elke plaatselijke kerk een complete, zelfstandige kerk

|167|

is. De afzonderlijke kerken te Jeruzalem, Hand. 2: 47; te Antiochië, Hand. 13: 1; te Rome. Rom. 1: 7; te Corinthe, 1 Cor. 1: 2; enz., zijn zelfstandige openbaringen van de algemeene kerk (ecclesia catholica), die over de geheele aarde zich verspreidt.

Voorts staat hier, dat in elke plaatselijke kerk een kerkeraad moet zijn. Dit rust op de Schrift. In elke gemeente toch werden presbyters of ouderlingen verkozen, Hand. 14: 23; Tit. 1: 5, zooals in de gemeenten van Judea, Hand. 11: 30; te Lystre, Ikónium en Antiochië, 14: 21, 23; te Jeruzalem, 15: 2, 6, 22; enz. Deze afzonderlijke ambtsdragers in elke kerk, bleven niet los naast elkander staan, maar behoorden bijeen en vormden een college van ouderlingen, d.i. een presbyterium of kerkeraad, 1 Tim. 4: 14, waar van een ouderlingschap d.i. een presbyterium of kerkeraad sprake is. De kerkeraden kwamen van den aanvang af reeds in vaststaande of gewone, en in gelegenheids- of buitengewone vergaderingen samen. (bijv. de buitengewone vergadering van de ouderlingen onder leiding der apostelen, om over het vraagstuk der besnijdenis te handelen, Hand. 15: 6; en evenzoo een gelegenheidsvergadering van de ouderlingen te Jeruzalem ten huize van Jakobus waar Paulus verslag deed van zijn derde zendingsreis, Hand. 21: 17-18), om de gemeenten te besturen.

Eindelijk staat hier nog, dat een kerkeraad uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen bestaat. Het woord „kerkeraad” omvat hier dus alleen de dienaren des Woords en de ouderlingen. Terecht! In 1 Tim. 4: 14 omvat het woord „ouderlingschap” (presbyterium, kerkeraad) ook alleen het college van presbyters of ouderlingen, die volgens 1 Tim. 5: 17 dan nader onderscheiden worden in regeer- en leerouderlingen, d.i. de ouderlingen en de predikanten. Over de vraag of, en zoo ja, in welk geval, de diakenen bij den kerkeraad genomen mogen worden, handelt het volgende artikel. Het woord „kerkeraad” duidt dan ook, in schier alle artikelen der K.O., waarin het voorkomt, nl. in de artt. 4, 5, 11, 14, 15, 17, 21, 22, 25, 29, 36, 37, 38, 39, 41, 44, 70. 73, 74, 75, 76, 77. 78, 82, 83 alleen het college van dienaren en ouderlingen aan. Alleen in art. 53 worden de diakenen er bij genomen of gedacht.

Er staat in dit artikel niet, dat er in alle plaatsen maar één kerkeraad mag zijn; er staat alleen: „in alle kerken zal een Kerkeraad zijn”, dus, dat er in een plaatselijke kerk een kerkeraad

|168|

moet zijn. Het woordje „een” is geen tel-, maar een lidwoord, zooals uit den Lat. tekst blijkt: in unaquaque Ecclesia erit presbyterium d.i. in elke afzonderlijke kerk zal een kerkeraad zijn. De vraag, of er op dezelfde plaats één of meer kerken mogen bestaan, gaat dus buiten dit artikel om.

2. Hoe dikwijls moet een kerkeraad vergaderen? Er staat hier: dewelke, althans in grootere gemeenten, in den regel alle weken eens te zamen komen zullen. De synode te Embden, 1571, bepaalde, dat ze „ten weynighsten alle weecken eenmael ghehouden sullen worden”. Deze bepaling bleef officieel in de K.O. staan tot 1905 toe. Toch was ze vooral voor kleine gemeenten al te bindend gebleken. Lang niet elke week was er zooveel belangrijks, dat er een vergadering noodig was. De practijk was dan ook al lang, dat in kleinere gemeenten de vergaderingen om de veertien dagen of om de maand gehouden worden, en dat in grootere gemeenten de smalle kerkeraad elke week en de breede kerkeraad om de maand vergadert. Vandaar dat de synode van Utrecht, 1905, er in voegde: „dewelke, althans in grootere gemeenten, in den regel alle weken eens tezamenkomen zullen”.

Van de samenroeping der kerkeraadsvergaderingen wordt niets gezegd. Toch is ze noodig, al is het maar bij mondelinge afspraak of krachtens vaststaande gewoonte. Er is vroeger wel eens moeite over geweest. Het gebeurde wel eens, dat niet alle leden kennis kregen van de te houden vergadering, maar alleen zij, die het met een voorstel of zienswijze eens waren. Naar aanleiding van zulk een geval kwam er een vraag, uit de provincie Brabant, op de synode van Middelburg, 1581: of zulke vergaderingen en hare besluiten wettig waren? De synode antwoordde: dat zulke besluiten door een wettigen kerkeraad voor ongeldig verklaard konden worden, en dat buitengewone vergaderingen dan alleen wettig waren, wanneer alle leden behoorlijk kennis gekregen hadden. Het is onmogelijk voor al deze geregeld voorkomende vergaderingen het agendum te voren aan de leden rond te zenden. Is er een vraagstuk waarover iemand meer licht wenscht, dan kan hij verzoeken de behandeling tot de volgende vergadering te verdagen. Het is gewenscht, dat bij de behandeling van gewichtige zaken alle leden tegenwoordig zijn. De plaats en de tijd van samenkomst moeten door de kerkeraden naar plaatselijke omstandigheden geregeld worden.

Moet de tijd van samenkomst ook aan de gemeente bekend

|169|

gemaakt worden en hebben de leden der gemeente vrijen toegang tot de kerkeraadsvergadering? Wat de eerste vraag betreft, geldt als regel, dat de gewone vergaderingen wel, maar de buitengewone niet bekend gemaakt worden. De leden der gemeente moeten gelegenheid ontvangen, om inlichtingen te bekomen, attesten aan te vragen, klachten in te brengen enz. De bekendmaking kan in een kerkbode of van den kansel geschieden. Maar op de tweede vraag, of de leden der gemeente vrijen toegang hebben, antwoorden wij ontkennend. Men beroept zich wel op het apostelconvent, waarbij ook de gemeente tegenwoordig was, Hand. 15: 4, 5, en, volgens sommigen, ’t zij met beslissende. ’t zij met adviseerende stem aan de besprekingen deelnam, vss. 12, 25. Maar dit bewijs gaat niet op: 1e omdat het apostelconvent geen kerkeraads-, maar een beginsel van een meerdere vergadering was, in bijzijn van de gemeente; en 2e omdat het onderwerp, nl. de besnijdenis der heidenchristenen, niet van persoonlijk, maar van algemeen belang was. De leden der gemeente hebben geen recht op vrijen toegang. Wel naar Independentisch, niet naar Gereformeerd kerkrecht. De synode van Dordrecht, 1618-’19, bepaalde dan ook inzake de toelating van proponenten tot de kerkeraadsvergaderingen: „dat men ze oock toelate (doch met eenige limitatie) in de consistoriën om de handelingen die niet particulier of secreet en zijn te hooren en te zien”. Deze bepaling zou geen zin hebben, wanneer zij als leden der gemeente reeds toegang hadden. Wel is het gewenscht, dat de gemeente meeleeft, maar dat kan beter bevorderd worden door mededeeling in huisbezoek, op den kansel, of in een z.g.n. ledenvergadering; temeer omdat lang niet alle leden als toehoorders aanwezig zijn. En wel is inzake classes en synoden een beperkte openbaarheid toegestaan, omdat er meestal zaken van algemeen en publiek belang behandeld worden, en, zoo er bij uitzondering tuchtzaken en persoonlijke quaesties aan de orde komen, zij dan in comité kunnen gaan, maar een kerkeraadsvergadering heeft veel meer met persoonlijke en intieme zaken te doen, kan daarom slechts in bepaalde gevallen en aan bepaalde personen toestemming verleenen, en deze vergunning ten allen tijde weer intrekken, zonder iemands rechten er door te krenken.

3. Het praesidium. Hiervan bepaalt het artikel: alwaar de Dienaar des Woords (of de Dienaren, zoo daar meerdere zijn, bij beurte) presideeren en de actie regeeren zal. Dit houdt

|170|

tweeërlei in: 1e Dat in kerken met één Dienaar, deze op alle vergaderingen praeses is, ook al is er een ouderling, die er de gave voor zou hebben. 2e Dat in kerken met meer dienaren, het praesidium „bij beurte” d.i. om de beurt moet worden waargenomen. Waarom? Om des beginsels wille. Rekende men hier subjectief, naar de meeste gaven, dan zou de beste redenaar altijd moeten preeken, de beste paedagoog altijd moeten catechiseeren, de beste vermaner en vertrooster altijd huis- en krankenbezoek moeten doen, en zoo ook de beste leider altijd moeten praesideeren. Op die manier zou er een permanente praeses, een vaste leider, dus een soort bisschop of superintendent komen. De kerken hebben dit om des beginselswille vermeden. De dienaren moeten dus bij beurte „de actie regeeren”. De actie zelve gaat van den kerkeraad uit. De praeses moet alleen de actie regeeren, d.i. langs den juísten kerkrechtelijken weg tot het juiste einde of doel leiden.

Het is noodzakelijk, dat de praeses een scriba naast zich hebbe, „één persoon uit het getal der ouderlingen”. zooals het convent te Wezel reeds oordeelde, die niet alleen een vaardige pen, maar ook de noodige kerkrechtelijke bekwaamheid heeft, om de genomen besluiten juist te redigeeren. Het is niet gewenscht, dat de praeses ook de notulen schrijft. Dat is de taak van den scriba. Is deze er niet toe in staat, dan kan de praeses hem bijstaan.

4. De taak van den kerkeraad. Tot de taak van den smallen kerkeraad behoort bijv.: de regeling van den dienst des Woords en der catechisaties, de uitoefening van de tucht, het huisbezoek, de toelating tot den Doop en tot het Avondmaal. de behandeling der ingekomen stukken, die op het kerkelijk leven betrekking hebben, (alle andere stukken, ook de aanvragen om collecten en giften, behooren op den breeden kerkeraad).

Tot de taak van den breeden kerkeraad behoort dan nader: 1e de verkiezing van ambtsdragers met het opmaken der dubbeltallen, de beslissing of de gekozene beroepen zal worden, de beoordeeling der ingebrachte bezwaren, de ontheffing van een beroeping enz. zie artt. 4, 5, 22. 24 enz. K.O.; 2e het opstellen, beoordeelen, en goedkeuren der attestaties van inkomende en vertrekkende predikanten, artt. 5 en 10 K.O.; 3e de voorloopige beoordeeling en beslissing inzake een emeritaatsaanvrage naar art. 13 K.O.; 4e de censura morum, art. 81 K.O.; 5e het

|171|

deelnemen aan de kerkvisitatie, art. 44 K.O.; 6e het beheer der kerkelijke inkomsten, art. 11; het benoemen en instrueeren van een commissie van beheer, het regelen der collecten en contributies, de vaststelling der traktementen; 7e de algemeene regeling van de armverzorging, de regeling der collecten, het geven van advies aan de diakenen, de goedkeuring der armenadministratie, artt. 25, 46 K.O.; 8e de beslissing inzake vaste geldbelegging, leening, koop, verkoop, bezwaring van goederen, voeren van processen, oprichten van stichtingen, stichten van gebouwen voor kerk en armen, enz.; 9e de behandeling van ingekomen stukken van algemeenen aard (die van kerkelijke zaken in bijzonderen zin behooren bij den smallen kerkeraad en die van diaconale zaken in engeren zin behooren op de diaconale vergadering).

Over de ineensmelting van twee of meer kerken tot één kerk, is door de synode van Dordrecht, 1893, art. 114, een uitvoerig rapport aangenomen, waarnaar wij hier verwijzen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 38

 

Art. XXXVIII. Welverstaande, dat in de plaatsen, waar de Kerkeraad voor het eerst of op nieuw is op te richten, ’t zelve niet geschiede, dan met advies van de Classe. En waar het getal van de Ouderlingen klein is, zullen de Diakenen door plaatselijke regeling mede tot den Kerkeraad kunnen genomen worden; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.

 

Van de nieuw op te richten en kleine kerkeraden.

Dit artikel bevat twee zaken, die van den beginne aan wel naast elkander bestonden, maar eerst door de synode van
’s-Gravenhage, 1586, in één artikel zijn saamgevoegd, nl. van opnieuw op te richten kerkeraden en van de diakenen in kleine kerkeraden. Deze samenvoeging lag voor de hand, omdat zulke pas-opgerichte-kerkeraden meestal nog zeer klein waren en vaak maar uit twee of drie ouderlingen bestonden. Daarom voegde zij aan dit artikel toe, dat in zulke kleine kerkeraden de diakenen tot den kerkeraad mogen gerekend worden. Deze redactie bleef gelden tot nu toe, alleen heeft de synode van Utrecht, 1905, er een paar zaken aan toegevoegd nl. de woorden:

|172|

voor het eerst of; verder de woorden: door plaatselijke regeling; en aan het slot: hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.

1. Nieuw op te richten kerkeraden. In de oude redactie was er alleen sprake van plaatsen, waar de kerkeraad van nieuws is op te richten. Dit zag op gemeenten, die door de vervolging van Spanje uiteen gedreven en verstrooid waren, en later, wanneer de vijand verdreven en de rust weergekeerd was, zoo langzamerhand weer vergaderd werden. Wanneer het getal van die verstrooide geloovigen, die terugkeerden, groot genoeg was, moesten de ambten weer opnieuw ingesteld worden. Waren er nog van de oorspronkelijke ambtsdragers overgebleven, die werden dan gehandhaafd en hun getal zoo noodig aangevuld. Maar zoo niet, dan werd een geheel nieuwe kerkeraad gekozen.

De synode van Utrecht, 1905, heeft er echter met het oog op onzen tijd een tweede geval aan toegevoegd, nl. van plaatsen, waar de kerkeraad voor het eerst is op te richten. Zij deed dat blijkbaar met het oog op plaatsen, die later ontstaan zijn en waar, bijv. door langere of kortere evangelisatie, een genoegzaam aantal geloovigen vergaderd waren om tot kerkformatie over te gaan. Hoe groot dat aantal moet zijn, om tot kerkformatie over te kunnen gaan, is vooraf niet te zeggen. Voor de instelling van Javaansche kerken, zoo oordeelden de Deputaten voor de zending, moeten er minstens een twaalftal broeders zijn. Minstens, want onder die broeders moeten er dan nog enkelen zijn, die gaven voor de ambten hebben. Ieder geval moet op zich zelf beoordeeld worden. Er hangt zooveel van af, of er hope op uitbreiding is. Een twintig à vijf en twintig gezinnen is wel gewenscht om aan te vangen.

In beide gevallen mag hetzelve niet geschieden, „dan met advies van de Classe”. De reformatie en formatie der kerken wordt niet van boven af opgelegd. Zij komt van onderen, uit de geloovigen zelf op. De institueering der ambten gaat niet van de classen uit, maar onder leiding van een genabuurde kerk van de geloovigen zelf. Maar zij mag niet geschieden „dan met advies”, d.i. niet „na advies”, zoodat het voldoende zou zijn, als men formeel om advies gevraagd heeft, ook al handelt men er niet naar, maar in overeenstemming met het advies of oordeel der classe. (Advies is hier zooveel als het Latijnsche judicium d.i. oordeel, raad, hulp). Komt er zulk een aanvrage in, dan beoordeelt de classe of er genoegzame reden is, om ze toe te

|173|

staan. Zoo ja, dan kan men nader advies vragen hoe er te handelen is; en zoodra de formatie heeft plaats gehad, neemt de classe, zoo het een nieuwe kerk is, deze in haar kerkverband op. Oordeelt de classe het ongegrond of nog te vroeg, dan wachte men den tijd af, of trede nader met haar in overleg. In het uiterste geval kan men zich op de meerdere vergadering beroepen.

Dit advies der classe is noodig, niet tot het wezen, maar tot het wel-wezen van zulk een nieuwe kerk. De classe heeft hier een dubbele taak: eenerzijds moet zij arbeiden en de kerken aansporen, dat overal, waar het mogelijk is, de kerken geïnstitueerd (ingesteld) worden; en anderzijds moet zij er voor waken, dat er geen kerk geïnstitueerd wordt, die geen levensvatbaarheid heeft, bijv. op plaatsen, waar een nederzetting mislukt en de menschen weer wegtrekken. Wel is het mogelijk dat een kerk ontbonden wordt. Onder de eigenschappen der kerk behoort volgens Voetius ook hare ontbindbaarheid (dissolubilitas). Er is door de historie heen een rubriek: „verdwenen kerken.” De belofte, dat de poorten der hel de kerk nooit zullen overweldigen, geldt wel van de kerk als geheel, maar niet van de plaatselijke kerken. Maar evenals vóór de formatie, moet ook vóór de ontbinding het advies der classe gevraagd worden. Zij adviseere echter niet spoedig om tot kerk-ontbinding over te gaan. Veel beter is het, wanneer een kerk zóó zwak is, dat zij niet meer op eigen beenen kan staan, haar onder de zorg en het toezicht van een andere kerk te stellen, of met een naburige kerk te combineeren. Alleen in het uiterste geval, wanneer er geen ambtsdragers meer verkozen kunnen worden, en alle hoop op instandhouding der kerk is uitgesloten, mag men tot kerk-ontbinding overgaan. Zoo zijn in het Oosten tal van bloeiende kerken door het Mohamedanisme geheel verdwenen.

De instelling der ambten kan op tweeërlei wijze plaats hebben, nl. met of zonder hulp van een plaatselijke kerk. Het beste is, dat een naburige kerkeraad, waaronder de plaats ressorteert, of die door de classe is aangewezen, leiding geeft of hulp verleent. Maar is die hulp niet te verkrijgen, dan wijzen de geloovigen, krachtens het ambt der geloovigen door eigen vrije keuze de ambtsdragers aan en bidden van God, dat Hij ze in het ambt stelle (Kuyper, Tractaat v.d. ref. der kerken, blz, 29). Bij zulk een eerste verkiezing was het dan gewoonte een vrije stemming te houden, omdat er nog geen kerkeraad was, maar

|174|

bij de volgende verkiezingen was zij naar art. 22 K.O. onder leiding van den kerkeraad aan dubbele getallen gebonden (zie H.H. Kuyper, De verkiezing voor het ambt, blz. 28).

Uit hoeveel personen moet een kerkeraad bestaan? Vormen bijv. één ouderling en één diaken een kerkeraad en mogen die een predikant beroepen? De part. synode van ’s-Gravenhage, 1624, antwoordde: neen, één ouderling en één diaken vormen geen kerkeraad, zij moeten zich tot de classe wenden en mogen zonder haar niet peremptoirlijck handelen. Zulk een gemeente was maar een beginseltje van een kerk. In den regel moet een kerkeraad uit minstens drie leden bestaan, naar den ouden stelregel; tres faciunt collegium d.i. drie vormen een college, bijv. twee ouderlingen en een diaken, of één predikant en één ouderling en een diaken. Alleen wanneer bij aftreding wegens vertrek enz. de kerkeraad niet meer aangevuld kan worden, moet men tijdelijk wel toelaten, dat de kerkeraad uit twee personen bestaat. Daarom staat er in het tweede deel van het artikel, dat in kleine gemeenten, waar het getal ouderlingen op minder dan drie is bepaald. bijv. op twee (of des noods tijdelijk op één), de diakenen bij den kerkeraad genomen moeten worden, want een kerkeraad moet uit minstens drie personen bestaan.

2. De zitting der diakenen in kleine kerkeraden. In art. 30 der confessie staat, dat er ook Opzieners en Diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerk. Blijkbaar in navolging daarvan, bepaalde de synode van Embden, 1571, dat men in iedere kerk „samenkomsten of consistorien der Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen” zou hebben, en nam de diakenen bij den kerkeraad; wat uit de tijdsomstandigbeden, toen de verstrooide geloovigen moesten voortgeholpen worden, zeer goed te verklaren is. Maar nadat in 1572 de vrijheid kwam en de kerken zich voor goed konden inrichten, kwam de vraag op de particuliere synode van Dordrecht, 1574, of de diakenen wel tot den kerkeraad behoorden en wel verplicht waren op de kerkeraadsvergaderingen te komen? Zij antwoordde in art 4, dat de bepaling van Embden, 1571, bleef gelden, nl. dat de kerkeraad uit dienaren, ouderlingen en diakenen bestaat; maar dat eenerzijds de dienaren met de ouderlingen en anderzijds de diakenen afzonderlijk zouden vergaderen, tot afdoening van eigen zaken (smalle kerkeraad en diakonale vergadering); en dat de diakenen op kleine plaatsen bij den kerkeraad mochten gerekend worden en als het ware hulpdiensten

|175|

als ouderlingen mochten verrichten. Sinds ging dan ook de splitsing door. De synode van Middelburg, 1581, nam in art. 28 het woord „kerkeraad” aanstonds in engeren zin als vergadering van dienaren en ouderlingen alleen, met afzonderlijke diakonale vergaderingen. De synode van ’s-Gravenhage, 1586, voegde er in art. 35 nog aan toe, dat in kleinere gemeenten de diakenen bij den kerkeraad mochten genomen worden; terwijl de synode van Utrecht, 1905, er nog aan toevoegde „hetgeen altijd geschieden zal, waar het getal op minder dan drie is bepaald”.

De vraag is dus, of de zitting der diakenen in den kerkeraad rust op de Schrift of op een kerkelijke bepaling. Voetius oordeelde, dat er in de Schrift grond voor was, nl. in Phil. 1: 1, waar Paulus de opzieners en diakenen van de gewone leden onderscheidt en aan beiden eenige voortreffelijkheid, voorrang en leiding toekomt. Maar er staat tegenover, dat het woord kerkeraad in 1 Tim. 4: 14 (ouderlingschap, presbyterium) alleen het college van ouderlingen (leer- en regeerouderlingen 1 Tim. 5: 17) omvat, waaruit dus volgt, dat de zitting der diakenen in den kerkeraad alleen rust op kerkelijk recht. In een kleine kerk met weinig ouderlingen is het dan ook regel, dat de diakenen in den kerkeraad zitten en dienst doen als hulpouderlingen. Zij beslissen dan mede over de zaken van regeering en tucht, terwijl de ouderlingen omgekeerd mede over diakonale zaken oordeelen en beslissen. Toch is het ook dan wenschelijk, dat de ouderlingen en diakenen elk in eigen zaken overwegenden invloed hebben. Wanneer bijv. een censuur met één ouderling en vier diakenen vóór, en één dienaar en drie ouderlingen tegen zou doorgedreven worden, deugt de verhouding niet en is het beter de beslissing uit te stellen totdat er overeenstemming verkregen is.

De kerkeraad bestaat dus in eigenlijken en engeren zin uit predikanten en ouderlingen, terwijl in kleine kerken de diakenen er wel bij genomen worden. In groote kerken echter bestaat de kerkeraad alleen uit predikanten en ouderlingen (de gewone of smalle kerkeraad), maar deze breidt zich dan voor sommige zaken uit tot een vergadering van den „kerkeraad met de diakenen”, (die men dan wel den grooten of breeden kerkeraad noemt).

3. Iets over correspondentie en combinatie. Correspondentie tusschen plaatselijke kerken is het onderling, mondeling of

|176|

schriftelijk verband. Zoo gaf de gemeente van Efeze aan Apollos, bij zijn vertrek naar Achaja, brieven van aanbeveling mee, Hand. 18: 37, en beveelt Paulus Febé bij de gemeente van Rome aan, Rom. 16: 1. Het kan over personen en zaken gaan en houdt dan in 1e dat de kerken elkanders dienaren des Woords, elkanders tucht en elkanders leden erkennen; en 2e elkander bijstaan in allerlei zaken, waarin het noodig is. Bestaan er twee of meer gereformeerde kerken in dezelfde plaats waar de vereeniging nog niet aanstonds tot stand kan worden gebracht, dan houdt ze in „dat zij: 1e elkanders tucht erkennen, 2e geen leden van elkander zonder wederzijdsche bewilliging overnemen, 3e in aangelegenheden van gemeenschappelijken aard naar elkanders kerkeraadsvergaderingen deputeeren, 4e beproeven althans enkele malen eene gemeenschappelijke godsdienstoefening te houden, 5e over en weer hare Dienaren des Woords nu en dan laten optreden in elkanders Diensten, en 6e in alle zaken tegenover derden elkander steunen en bijstaan” (zie synode van Amsterdam, 1892, Bepalingen: Ineensmelting, art. 3).

Combinatie is geen vereeniging van twee kerken tot één kerk, maar een samenwerking van twee (of meer) kerken, met behoud van beider zelfstandigheid, tot een vooraf bepaald en welomschreven doel. Niet van twee kerken op eenzelfde plaats, die met elkander in correspondentie treden als boven, en tot ineensmelting zoeken te komen, maar van twee genabuurde kerken, die elk op zich zelf te zwak zijn om in den dienst van Woord en Sacramenten te voorzien, of in een of andere zaak hulp noodig hebben. Meestal heeft ze plaats inzake de beroeping van één predikant voor twee (of meer) kerken. Deze kerken komen dan overeen denzelfden predikant voor beide kerken te beroepen, betalen samen het traktement, en treffen onderling een regeling, evenals twee patroons, die denzelfden arbeider huren elk voor de helft van den tijd. Uit die combinatie vloeit voort, dat beide kerkeraden zich, zooals ook Voetius zegt (Pol. Eccl. IV : 118), met het oog op een bepaald doel kunnen combineeren tot één kerkeraad, gemeenschappelijk, niet kerksgewijze, stemmen, en dat de meerderheid van stemmen beslist; evenzoo kunnen zij ook de leden der beide gemeenten combineeren tot één ledenvergadering tot gemeenschappelijk overleg.

Jansen, Joh. (1976) Art. 39

|177|

Art. XXXIX. Plaatsen, waar nog geen Kerkeraad zijn kan, zullen door de Classe onder de zorg van een genabuurden Kerkeraad gesteld worden.

 

Waar nog geen kerkeraad is.

Dit artikel geeft antwoord op de vraag, hoe er gehandeld moet worden op plaatsen, waar nog geen kerkeraad is.

Deze vraag deed zich aanstonds voor bij alle kerken, die met de reformatie overgingen. De Roomsche kerken toch hadden geen ouderlingen en diakenen, dus ook geen kerkeraden, meer. De vraag was dus in elke kerk, die met de hervorming meeging, hoe er voor het eerst een kerkeraad in te stellen was. Zoolang er nog geen kerkeraad was, konden er ook geen kerkelijke handelingen plaats hebben. Calvijn had beslist afgeraden op plaatsen, waar nog geen kerkeraad was, de bediening des Woords in te stellen, omdat dan alle opzicht en tucht ontbrak. Wel konden de geloovigen tot onderlinge stichting samenkomen, maar een geïnstitueerde kerk kwam er eerst als de ambten en de dienst des Woords en der Sacramenten werden ingesteld.

1. Hoe het vroeger op zulke plaatsen toeging? Hiervan lezen wij in art. 11 van de synode van Dordrecht, 1578, waar staat, dat er (door de classe) een dienaar heen gezonden werd, om voorbereidenden arbeid te verrichten; dat deze sommigen van de godzaligsten tot voorloopige ouderlingen en diakenen aanstelde, om hem te kunnen steunen bij den verderen grondleggenden arbeid; daarna moest hij de toehoorders door onderwijs en vermaning tot de geloofsbelijdenis en tot het gebruik des Avondmaals voorbereiden; en, wanneer zoo de gemeente een weinig gefundeerd was, moest hij uit het getal Avondmaalgangers sommigen ordelijk, d.i. naar de gewone orde en regel, tot ouderlingen en diakenen aanstellen. Zie ook part. vr. 10 der synode van Middelburg, 1581.

Toen de volgende synode te ’s-Gravenhage, 1586, samenkwam, was de reformatie al zoover gevorderd, dat er op vele plaatsen reeds kerken en classen waren. Aangaande de overige plaatsen bepaalde zij: „In die plaatsen, waar nog geen Kerkeraad is, zal middelerwijl bij de Classe gedaan worden, ’t gene anders den kerkeraad naar uitwijzen dezer kerkenordening opgelegd is te doen”. De bedoeling was dan niet, dat de classe

|178|

daar in de plaats van den kerkeraad zou optreden, want die was er nog niet, maar dat er zoo spoedig mogelijk een kerkeraad kwam, en dat zij tot zoolang voor de geestelijke belangen dezer geloovigen had te zorgen, door er bijv. een predikant heen te zenden. Zoo was het in Roomsche landen, waar maar enkele Gereformeerden woonden, bijv. in het land van Nijmegen, in Brabant en in Limburg.

De synode van Utrecht, 1905, bracht echter een kleine wijziging aan, waardoor de bedoeling nog duidelijker uitkwam „Plaatsen, waar nog geen Kerkeraad zijn kan, zullen door de Classe onder de zorg van een genabuurden Kerkeraad gesteld worden”. Hier komt nog duidelijker uit, dat deze toestand slechts voorloopig is. Waar het kan moet onverwijld een kerkeraad ingesteld worden, maar waar nog geen kerkeraad zijn kan, moet een naburige kerkeraad zoolang voor den geestelijken welstand der geloovigen zorgen,

2. Wat is de inhoud en strekking van deze bepaling? Vooreerst staat er, dat de classe hier regelend moet optreden. Terecht! De classe verdeele het terrein, dat binnen haar ressort nog braak ligt en stelle de onderscheidene plaatsen onder „de zorg” van een genabuurden kerkeraad. En zoo zorgen de particuliere synoden voor de verdeeling van de verwaarloosde terreinen, waar nog geen classe is. Des noods kunnen de kerken der classe gezamenlijk een dienaar voor den arbeid der evangelisatie in zulke streken beroepen. Maar dan alleen in plaatsen, die niet liggen binnen het ressort van een plaatselijke kerk! De meerdere vergaderingen mogen niet in de rechten der plaatselijke kerken treden.

Voorts staat er, dat de genabuurde kerken dan verder „de zorg” d.i. de geestelijke verzorging van zulke plaatsen hebben. Natuurlijk in overeenstemming met de omstandigheden. Wonen op een plaats maar enkele geloovigen, zoodat er geen samenkomsten voor evangelisatie gehouden, en nog veel minder een gemeente geplant kan worden, dan kunnen dezen als buitenleden bij de genabuurde kerk inwonen en, zoo de afstand geen beletsel is, daar den dienst des Woords en der Sacramenten en de catechisaties bijwonen; of, ingeval de afstand te ver is, onder nadere regeling van den genabuurden kerkeraad een stichtelijke samenkomst houden, waarbij dan door een der broeders een predikatie gelezen kan worden. Wonen er op een plaats meer geloovigen en is er goede hope, dat door

|179|

geregelden evangelisatie-arbeid de kring zich uitbreidt, dan kan er gepredikt worden, totdat de tijd voor kerkformatie rijp is. Is er eindelijk een voldoend aantal geloovigen om er de ambten in te stellen en den dienst des Woords en der Sacramenten in te richten, dan vragen zij eerst het advies der classe en verkiezen daarna op zijn minst een drietal ambtsdragers (twee ouderlingen en één diaken). Over de wijze der verkiezing voor het eerst zie men de verklaring van het vorige artikel.

Eindelijk, dit artikel is nóg van beteekenis. Er zijn nog groote streken in ons land, die geheel in onkunde, ongeloof of bijgeloof verzonken zijn, waar men geheel ontwend is aan godsdienst en kerk, of die aan de donkerheid van het Romanisme zijn overgegeven, schier in alle provincies, met name in Friesland, Groningen, Drente, Noord-Holland, en Noord-Brabant en Limburg. En de generale synode van Amsterdam, 1908, sprak, op aandrang van onderscheidene particuliere synoden uit, „dat die arbeid dient uit te gaan van de plaatselijke kerk, die zoowel door nabuurschap als anderszins daartoe meest is aangewezen, waarbij Classis en Provincie haren steun hebben te verleenen, terwijl de weg open blijft om ook buiten de Provincie steun te zoeken”. Dit is juist in overeenstemming met dit artikel. Behalve dat de bepaling inzake den steun van classe en provincie alleen op financieelen steun schijnt te doelen. En dat is te beperkt, Dan is beter de bepaling van art. 13 der Zendingsorde: „De zendingsarbeid geschiedt door de plaatselijke kerk, al of niet in samenwerking met de andere kerken”. Krachtige evangelisatie-arbeid is noodig zoowel in onze groote steden als in de verwaarloosde streken op het platteland.

Jansen, Joh. (1976) Art. 40

 

Art. XL. Desgelijks zullen de Diakenen samenkomen, waar zulks noodig is alle weken, om met aanroeping van den Naam Gods, van de zaken, hun ambt betreffende, te handelen, waartoe de Dienaren goede opzicht zullen nemen, en zoo noodig zich daarbij laten vinden.

 

De diaconale vergadering.

Aan de artikelen over den kerkeraad wordt nu als aanhangsel nog toegevoegd art. 40 over de diaconale vergadering. Deze

|180|

toch was in art. 29 niet genoemd, omdat daar alleen over de kerkelijke samenkomsten gehandeld werd. De synode te Embden, 1571, had aanvankelijk wel bepaald, dat de diakenen bij den kerkeraad behoorden. Maar de particuliere synode van Dordrecht, 1574, verklaarde, dat zij elke week afzonderlijk moesten samenkomen om rijpelijk over de armen-zaken te spreken, art. 33. De volgende synoden hebben deze bepaling gehandhaafd. Alleen heeft de synode van ’s-Gravenhage, 1586, er twee punten aan toegevoegd nl. dat zij „met aanroeping des naams Gods” gehouden moest worden en dat de dienaren er „goede opzicht over moesten nemen en des noods zich daarbij moesten laten vinden”; en heeft de synode van Utrecht, 1905, het bindend karakter om „alle weken samen (te) komen” er uit weggenomen, omdat dit in alle kerken niet noodig is en dus niet als regel kan gelden, door er in te voegen: „waar zulks noodig is, alle weken samen komen”. Drie zaken vragen hier nadere behandeling nl. de taak der diaconale vergadering; het opzicht over en de leiding van de diaconale vergadering; en eindelijk de diakenen en de meerdere vergaderingen.

1. De taak der diaconale vergadering: Desgelijks, d.i. evenals de kerkeraad samenkomt, zullen de Diakenen sarnenkomen, waar zulks noodig is alle weken, om met aanroeping van den naam Gods van de zaken, hun ambt betreffende, te handelen.

Er staat uitdrukkelijk: „de Diakenen zullen samenkomen”. Ook in kleine gemeenten, waar ze bij den kerkeraad genomen worden? Neen, dat is de bedoeling niet. Het staat er wel algemeen, alsof het voor alle kerken geldt, maar dat ligt aan de manier der bepalingen. In art. 37 staat, dat de diakenen principieel niet tot den kerkeraad behooren. Daaruit volgt van zelf de regel, dat de kerkeraad (art. 37) en de diakenen (art. 40) afzonderlijk vergaderen. Alleen is er voor kleine kerken een uitzondering toegelaten, nl. dat de diakenen bij den kerkeraad genomen mogen worden. Maar daaruit volgt, dat dan ook de diaconale zaken op de gemeenschappelijke vergadering besproken worden. De diakenen zijn dan helpers van de ouderlingen en de ouderlingen helpers van de diakenen. De eerste een soort hulpouderlingen en de tweede een soort hulpdiakenen. Het artikel geldt dus voor de groote gemeenten. Zij zullen dan „samenkomen”. Niet de gewoonte invoeren om de zaken des Zondags onder den kansel af te doen. Maar, althans in groote gemeenten, naar een vastgesteld huishoudelijk reglement geregeld

|181|

samenkomen. In zulk een regeling bepale men den tijd van samenkomst, de taak der diakenen naar art. 25 K.O., bijv. de verzorging van armen, ouden van dagen, weezen, kranken enz., de bevoegdheid der commissies, de orde van collecteeren, het tellen der gelden, de taak van den praeses en scriba. Een model voor zulk een reglement, vindt men in Het Diaconaat van P. Biesterveld enz. blzz. 252-259.

Hoe vaak moeten zij samenkomen? In de oude redactie van 1581 stond: „alle weken”, maar de synode van Utrecht, 1905, maakte de bepaling wat ruimer: „waar zulks noodig is alle weken”. In groote gemeenten is het wel noodig, maar in kleine is om de veertien dagen of om de maand voldoende. De diakenen moeten dat zelf naar omstandigheden regelen. Maar wel is de bedoeling, geregeld op een vastgestelden tijd samen te komen. Niet nu eens wel om de veertien dagen of om de maand en dan weer niet. Een vaste tijd van vergaderen is zeer bevorderlijk tot orde en regel in de gemeente.

De diaconale vergadering moet „met aanroeping van Gods naam” gehouden worden. Dit is eerst in 1586 op de synode te ’s-Gravenhage bepaald. Op de synode van Middelburg, 1581, was reeds gesteld, dat alle kerkelijke vergaderingen met gebed aangevangen en met dankzegging gesloten moesten worden. Dat het nu afzonderlijk nog voor de diakenen bepaald werd, had zeker zijn reden hierin, dat zij hier en daar niet onder den kerkeraad, maar liever onder de overheid wilden staan, omdat zij van overheidswege mede over de publieke armengoederen aangesteld waren en nu meenden, dat deze bepaling niet op hun samenkomst, als zijnde geen kerkelijke vergadering, van toepassing was. In elk geval, de bepaling van art. 32 moest ook voor de diaconale samenkomst gelden, al was deze geen zelfstandige kerkelijke samenkomst in gelijken zin als de kerkeraad. In de meeste uitgaven der Liturgie vindt men: „Een gebed vóór de vergadering der diakenen”. Het behoort niet tot den officieelen tekst der Liturgie en is dus niet kerkelijk vastgesteld. Maar het is toch kort na de vaststelling van de Liturgie door een uitgever daarin opgenomen, en in de meeste uitgaven telkens weer overgenomen, 2½ eeuw lang. Het heeft dus een zeker gewoonterecht gekregen en mag dan ook veilig gebruikt worden.

De taak der diakenen is, te handelen „van de zaken hun ambt betreffende”. Niet van de zaken der leer en der kerkregeering. Zij mogen niet in de plaats van of naast den

|182|

kerkeraad treden, geen soort bestuurscolleges worden, geen complot smeden en zich op den breeden kerkeraad eendrachtig tegen den kerkeraad verzetten. Hun taak is ook niet de sociale quaestie op te lossen. Wel moeten zij het licht van Gods Woord op de maatschappelijke toestanden laten vallen, maar zich verder tot het werk der barmhartigheid bepalen. De sociale quaestie is een maatschappelijk vraagstuk, eischt veel studie en nadenken en is misschien alleen te verzachten, nooit volkomen op te lossen. Evenmin is hun taak de geldelijke administratie der kerk waar te nemen, zooals hier en daar geschiedt. Deze behoort niet tot het diakenambt. De inkomsten voor kerk en armen moeten wel uit elkander gehouden worden. Is er onder de diakenen een bij uitstek kundig boekhouder, dan mag zoo iemand wel door den kerkeraad voor de administratie gekozen worden, maar dan wordt hij daarvoor gekozen en voert hij de administratie niet als diaken.

2. Het opzicht over en de leiding van de diaconale vergadering: waartoe de Dienaren goede opzicht zullen nemen, en zoo noodig zich daarbij laten vinden. Dit was een nieuw punt, eerst door de synode van ’s-Gravenhage, 1586, er in gevoegd. Wel gold van den aanvang af, dat de diakenen aan den kerkeraad rekening en verantwoording schuldig waren, zie art. 25 K.O., maar zij voegde er een nieuw punt aan toe. Er was een vraag bij haar ingekomen, of de diakenen niet onder opzicht van den kerkeraad stonden, en of de dienaar niet tegenwoordig moest zijn om hunne vergaderingen te leiden. Hier en daar begonnen de diakenen zich al meer zelfstandig te gevoelen naast den kerkeraad, en meenden zij, dat zij niet onder opzicht van den kerkeraad, maar van de overheid stonden. Maar de synode hield het kerkelijk karakter van het diakenambt tegenover de overheid vast en bepaalde: „waartoe de Dienaren goede opzicht zullen nemen, en zoo noodig zich daarbij laten vinden”.

Het opzicht der dienaren staat er onvoorwaardelijk en stellig: zij zullen ,,goede opzicht nemen”. Zij behoeven niet te wachten tot de diakenen hen er om verzoeken. Het komt hun krachtens hun regeerambt toe. Zij zitten er eigenlijk niet als dienaren, maar als ouderlingen. Maar het volgende: „en zoo noodig zich daarbij laten vinden” staat er voorwaardelijk en betrekkelijk. „Zoo noodig”, d.w.z. wanneer de diakenen de hulp en het advies der dienaren noodig hebben, bijv. bij beginselquaesties

|183|

en moeilijke vraagstukken, zullen dezen van hun zijde zich daarbij laten vinden, nl. om de vergadering bij te wonen. Moeten de dienaren beslist het praesidium der diaconale vergadering waarnemen? Dit is niet beslist noodzakelijk. Het komt hen niet jure suo toe. Maar wenschelijk is het wel. In den regel hebben ze ook beter tact om leiding te geven. Ze kunnen de zaken beter in bet juiste licht stellen. Practisch is er alles voor. Zij hebben echter alleen adviseerende stem. De diakenen moeten met het advies der dienaren zooveel mogelijk rekening houden, maar de beslissing berust bij de diakenen. In het algemeen staat vast, dat de diakenen bij al hun arbeid steeds aan het toezicht van kerkeraad, classe en synode onderworpen blijven.

3. De diakenen en de meerdere vergaderingen. In lateren tijd is de vraag aan de orde gesteld, of de diaconieën ook in de meerdere vergaderingen vertegenwoordigd moeten worden, of op een andere wijze in meerdere vergaderingen kunnen samenkomen.
Wij bedoelen niet, of de diakenen naar een classe of synode afgevaardigd kunnen worden. Dit kan zelfs, zooals Voetius reeds opmerkt, ten aanzien van de private geloovigen, hoeveel te meer dan ten aanzien van de diakenen, evenwel alleen door wettige afvaardiging, en niet krachtens hun ambt. Maar het is de vraag, of de diaconieën ook in de meerdere kerkelijke vergaderingen moeten vertegenwoordigd worden; en zoo ja, op welke wijze? Er zijn verschillende oplossingen aan de hand gedaan: 1eEen soort meerdere vergaderingen van diaconieën te houden. Maar dat zouden geen samenkomsten van kerken, maar van diaconieën der kerken zijn; dus diaconale conferenties, die alleen adviezen kunnen geven, maar geen bindende besluiten mogen maken. De synode van Groningen, 1899, antwoordde dan ook op het verzoek der Diaconale Conferentie, gehouden te Amersfoort in 1899, om „nadere organisatie of regeling van het Diaconaat”, terecht: „Dat het organiseeren van afzonderlijke meerdere vergaderingen voor diaconale zaken zeker niet is overeen te brengen met het verband en de samenwerking der ambten en der kerkelijke vergaderingen, zooals die in de Belijdenis en Kerkenorde zijn aangegeven”. 2eAfvaardiging naar de classe, ’t zij dan met adviseerende, ’t zij dan met beslissende stem. Maar reeds Voetius merkte op, dat de diakenen nooit als diakenen afgevaardigd mogen worden. Wel kunnen zij bij verhindering der ouderlingen naar de classe gezonden worden, maar dan niet als diakenen doch als

|184|

hulpouderlingen. 3eZoo blijft alleen over de diaconale zaken op de classe aanhangig te maken, bijv. bij de rondvraag naar art. 41, of door instructie, of door de kerkvisitatie, of door deputaten voor diaconale zaken te benoemen, waarin de diakenen niet mogen ontbreken. Dit is dan ook het beste en zoo kunnen de moeilijkheden heel goed opgelost worden, zoodat er aan afzonderlijke diaconale classen, en aan officieele vertegenwoordiging der diaconieën op de meerdere vergaderingen, geen behoefte is.

Jansen, Joh. (1976) Art. 41

 

Art. XLI. De Classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde Kerken, dewelke elk een Dienaar en een Ouderling, ter plaatse en tijd bij hen in het scheiden van elke vergadering goedgevonden (zoo nochtans, dat men het boven de drie maanden niet uitstelle), daarhenen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen; in welke samenkomsten de Dienaars bij beurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkoren wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden. Voorts zal de praeses onder anderen een iegelijk afvragen, of zij in hunne Kerken hunne kerkeraadsvergadering houden; of de kerkelijke discipline geoefend wordt; of de armen en scholen bezorgd worden; ten laatste, of er iets is, waarin zij het oordeel en de hulp der Classe tot rechte instelling hunner Kerk behoeven. En eindelijk zullen in de laatste vergadering vóór de Particuliere Synode verkoren worden, die op deze Synode gaan zullen.

 

Classicale vergaderingen.

Nu volgen er zes artikelen over de classen, als volgt:
Art. 41 over de classicale vergaderingen.
Art. 42 over meer predikanten in de classe.
Art. 43 over de onderlinge censuur op de classe.
Art. 44 over de kerkvisitatie.
Art. 45 over de Acta der meerdere vergaderingen.
Art. 46 over de instructiën voor de meerdere vergaderingen.

Dit artikel handelt over de classicale vergaderingen. De voornaamste punten zijn de volgende:

1. De instelling der classen. Al spoedig kwamen de Gereformeerde kerken van dezelfde buurt in classen samen. We vinden

|185|

ze het eerst in de Zuidelijke Nederlanden. Sommige van de synoden, die daar van 1563–’66 gehouden zijn, waren niet meer dan classen. Ook treffen wij ze aan bij de vluchtelingenkerken in Engeland, onder den naam van colloquia en bij de Gereformeerde kerken van Frankrijk, waar ze consistoires genoemd worden. En op de eerste samenkomst van de voormannen op kerkelijk gebied in Nederland, nl. op het convent te Wezel, 1568, sprak men uit, dat de provinciën ook hier, zoo spoedig als de vervolging het toeliet, in vaste classen of parochiën moesten worden ingedeeld, om elkander te helpen en bij te staan. De eerste synode, die daarop gehouden werd te Embden, 1571, heeft dan ook in negen artikelen de hoofdpunten voor de classicale vergaderingen vastgesteld, waarin later geen wezenlijke veranderingen zijn aangebracht. Ook deelde zij de Nederlandsche kerken, die in drie provinciën (nl. 1e Duitschland met Oost-Friesland, 2e Nederland en 3e Engeland) onderscheiden werden, aanvankelijk reeds in classen in. De kerken in Duitschland werden in vier classen ingedeeld nl. de classe van den Paltz, van Gulick, van Cleef en van Embden; en die in Nederland evenzoo in vier nl. de classe van Brabant, van Oost- en West-Vlaanderen, van de Waalsche kerken en van Holland met Overijsel en West-Friesland. Toen echter na 1572 de vervolging langzamerhand ophield en de reformatie overal doorging, moest deze indeeling natuurlijk herzien worden. De part. synode van Dordrecht, 1574, is er dan ook reeds mee begonnen. Zij kwam tot een indeeling in 14 classen. Op de synode van Dordrecht, 1578, werden er een paar bepalingen aan toegevoegd, nl. dat uit elke kerk maar twee leden, nl. een predikant en een ouderling keurstem hadden en dat dezelfde dienaar geen tweemaal achtereen praeses mocht wezen en ook de verdere indeeling in classen ging door. De synode te Middelburg, 1581, heeft al de zoogenaamde bepalingen saamgevat in één artikel en dus de eerste redactie van dit artikel gegeven, dat met enkele kleine wijzigingen tot nu toe is gebleven.

Uit hoeveel kerken bestaat een classe? Er is geen vast getal noch als minimum noch als maximum aan te geven. In het Roomsche zuiden waren classen van 5 à 6 kerken. De part. synode van Harderwijk, 1603, sprak uit, dat een classe minstens uit tien kerken moest bestaan. Er hangt zooveel van af, of het groote of kleine kerken zijn, en of ze gemakkelijk kunnen samenkomen. Gemiddeld kan men het getal tien wel als regel stellen.

|186|

Wat waren preekringen? Dit waren weer onderdeelen van de classe met het oog op de vacature-diensten. Men verdeelde de classe dan in twee, drie of meer ringen, en wel zóó, dat de ringpredikanten zonder al te veel bezwaar één beurt op zon- en feestdagen, veelal de morgenbeurt, in de vacante kerk, en één beurt in de eigen kerk konden waarnemen. Vooral de afstand drong daartoe. Zoo werd het bezwaar, aan de vacature- en aan geregelde leesdiensten verbonden, voor een groot deel weggenomen. Men werkte er toen sterk op in, dat twee of meer „zwakke kerken”, die toch niet konden beroepen, zich combineerden en samen één predikant beriepen, en dat de eigenlijke vacante kerken door de indeeling der classen in preekringen geholpen werden. Dit heeft ook zeer veel voor en wordt ook in onzen tijd hier en daar met vrucht toegepast. Maar dan moeten die „preekringen” ook tot den predikdienst beperkt blijven en geen „ringen” van predikanten worden, zooals in de Herv. kerk. De eigenlijke classen, waar ook de ouderlingen kwamen, werden teruggedrongen tot één vergadering in het jaar, terwijl „de ringen”, waar alleen de predikanten verschenen. gedurig samenkwamen. Zulke afzonderlijke samenkomsten van predikanten zijn geen kerkelijke vergaderingen, maar slechts particuliere conferenties en mogen niet in de plaats der classen treden.

2. Het karakter der classen: De Classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde Kerken. Een classe is dus geen bestuurscollege van personen, dat boven den kerkeraad staat, maar een samenkomst van genabuurde kerken tot onderlinge hulp en steun. Een kerkeraad is een vergadering van personen, nl. van ambtsdragers eener plaatselijke kerk, met bestuursmacht bekleed. Maar een classe bestaat uit afgevaardigden der genabuurde kerken, die er samenkomen met gelijke macht. Het onderscheid ligt dus hierin, dat de kerkeraad een samenkomst is van ambtelijke personen, die in qualiteit van ambtsdragers hun kerk vertegenwoordigen, terwijl een classe bestaat uit lasthebbers en repraesentanten van naburige kerken, die in den regel ook wel ambtsdragers zijn, maar dan toch niet krachtens hun ambt, doch krachtens hun last of mandaat hun kerken vertegenwoordigen en des noods dan ook gewone leden der gemeente kunnen zijn.

Een classe is voorts een samenkomst van genabuurde kerken bij wijze van afvaardiging met behoorlijke credentie- d.i. geloofs- en lastbrieven. Deze credentie-brieven waren geen

|187|

formaliteit, noch minder een soort presentielijst, maar wettelijke bewijzen van afvaardiging. De afgevaardigden zijn gedeputeerden of gelasten d.i. personen, die een last hebben te volbrengen. Wanneer de lastbrief ontbreekt, dan ontbreekt het bewijs van afvaardiging en mogen zulke personen geen keurstem, maar slechts adviseerende stem uitbrengen. Zie over het karakter van de credentie-brieven en instructies art. 33.

Wat is een classis-contracta? Dit is een samengetrokken classis, die uit enkele kerken bestaat, om vooraf-bepaalde-spoedeischende zaken af te doen, waarvoor alle kerken niet best kunnen samenkomen. Aan zulk een classis-contracta is thans wel de tusschentijdsche approbatie van beroepen opgedragen. De andere kerken worden dan wel aangeschreven, maar zijn niet verplicht te komen en betuigen dan later stilzwijgend hun instemming met de genomen besluiten.

3. De wijze van samenkomst: dewelke elk een Dienaar en Ouderling ... daarhenen .... afvaardigen zullen.

Wie moeten er afgevaardigd worden? De synode van Dordrecht, 1578, antwoordde reeds, dat uit iedere gemeente een dienaar met een ouderling op de classe zouden verschijnen en dat deze twee alleen keurstem hadden; de overige dienaren en ouderlingen mochten de vergadering wel bijwonen, maar alleen als adviseerende leden, artt. 26 en 27; terwijl de synode van Middelburg, 1581, er aan toevoegde, dat zij alleen als zij gevraagd werden hun advies mochten geven; het kwam blijkbaar wel eens voor, dat zij al te veel het woord voerden. De synode van ’s-Gravenhage, 1586, bepaalde kort en goed, zooals ze nog luidt: „dewelke elk een Dienaar en een Ouderling .... afvaardigen zullen”.

Hoe moet de afvaardiging plaats hebben, bij toerbeurt of bij vrije stemming? In den regel bij toerbeurt. Wanneer ze bij vrije stemming geschiedt, kan het gebeuren, dat dezelfde personen telkens en de overigen bijna nooit aan de beurt komen. Alleen bij bijzonder moeilijke quaesties, die de beste krachten vragen, kan het wenschelijk zijn, dat de kerkeraad van dezen regel afwijkt. Bij verhindering van een dienaar werd in den regel een ouderling en bij verhindering van een ouderling een diaken in zijn plaats gekozen. Zoo had een diaken zitting als lid van de synode van Dordrecht, 1574. Trouwens, in kleine kerken worden zij als hulp-ouderlingen bij den kerkeraad gerekend en hebben zij dan ook in de classe, in geval van

|188|

afvaardiging, niet in qualiteit van diakenen, maar van hulpouderlingen zitting.

Mag een kleine kerk evenveel afgevaardigden zenden als een groote? Ja, de plaatselijke kerken zijn geen afdeelingen van een hooger bestuur, die naar verhouding van het aantal leden een zeker aantal stemmen uitbrengen, maar complete kerken, die aan elkander gelijk zijn en een gelijk aantal stemmen uitbrengen. In zooverre het ongerijmd is een groote stadskerk met duizenden zielen evenveel macht toe te kennen als een kleine kerk van honderd zielen, ligt dit bezwaar niet aan het beginsel van gelijkheid, maar aan de overdreven groote stadskerken, en moet dit dan ook niet opgelost worden door aan die kerken het recht van dubbele afvaardiging toe te kennen, maar door met het stelsel der massale stadskerken te breken en deze in afzonderlijke en zelfstandige kerken in te deelen. Dan vervalt het bezwaar van zelf en kan de geestelijke bearbeiding der steden ook veel beter tot haar recht komen.

Geen afgevaardigde heeft het recht bij verhindering zelf een plaatsvervanger aan te wijzen. Dit is trouwens ook niet noodig. Als de kerken naast elken primus- een secundus-afgevaardigde aanwijzen, is de moeilijkheid bij verhindering van zelf opgelost.

4. Tijd en plaats van samenkomst. Er staat, dat zij ter plaatse en tijd bij hen in het scheiden van elke vergadering goedgevonden (zoo nochtans, dat men het boven de drie maanden niet uitstelle) enz., zullen samenkomen.

Aangaande de plaats oordeelde het convent te Wezel, 1568, dat de samenkomsten moesten rondgaan. Dit was noodig om hiërarchie te weren en vooral om met de gemeenten goed op de hoogte te komen. Wegens de gebrekkige communicatie kwamen de afgevaardigden meestal een dag te voren en konden dan meteen den toestand en de gebruiken der kerk beter onderzoeken. De volgende synoden hielden deze bepaling nog wel vast, maar de synode van ’s-Gravenhage, 1586 liet ze los en bepaalde, dat ze „ter plaetsen ende tijden bij hen int scheijden van elke verghaderinghe ghoet ghevonden”, zullen samenkomen. En terecht! De vergaderingen moeten gehouden worden op plaatsen, die het best te bereiken zijn.

En aangaande den tijd oordeelde het convent te Wezel, 1568, dat ze „telkens om de twee of ten minste om de drie maanden” gehouden moeten worden. De synode te Embden, 1571, stelde wegens de moeilijke tijden den tijd wat ruimer nl. „alle drie ofte

|189|

zes maenden”. De tegenwoordige bepaling dateert van de synode te Middelburg, 1581, nl. dat de tijd voor de volgende vergadering aan het einde der vorige bepaald wordt, terwijl er als maatregel van orde aan toegevoegd wordt, dat ze minstens elke drie maand, dus vier maal in het jaar gehouden moeten worden. Aanvankelijk was er geen regel. In Friesland waren classen, die eerst elke week, later om de twee weken, nog later om de twee maand samenkwamen; en de classe Neder-Veluwe in Gelderland vergaderde slechts éénmaal in het jaar. Maar langzamerhand kwam er regel en vergaderden ze viermaal in het jaar. Dit is ook genoeg. Voor spoedeischende en dringende gevallen kan er, op kosten der kerk of kerken, die ze vragen, een buitengewone vergadering gehouden worden. De kerk, die krachtens opdracht der andere kerken de classe samenroept, wordt „classicale” of „roepende kerk” genoemd.

5. De leiding der vergadering: in welke samenkomsten de Dienaars bij beurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkozen wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkozen worden. Vooreerst staat hier, dat de Dienaars presideeren. Dit was zoo van den beginne af. De ouderlingen werden van het praesidium uitgesloten, niet met hiërarchische bedoelingen, maar omdat de predikanten in den regel meer tact van leiding hadden. Over de vraag, of een dienaar, die als adviseerend lid ook tot praeses verkozen mag worden, zie het slot van art. 42.

Voorts staat er, dat de praeses òf bij toerbeurt òf bij stemming wordt aangewezen. Aanvankelijk werd de praeses met „gemeene keurstemmen” d.i. bij stemming van alle daartoe gerechtigden, gekozen, zooals de synode van Embden, 1571, bepaalde. Er waren toen veel moeilijke zaken en nog weinig goed gevormde predikanten. Maar toen het kerkelijk leven meer vastheid kreeg en de meeste dienaren goed geschoold waren, bepaalde de synode van Middelburg, 1581, dat hij òf bij toerbeurt òf bij stemming zou gekozen worden. De omwisseling bij toerbeurt is toen opgenomen in den tekst, vooreerst om het beginsel van hiërarchie onder de dienaren te weren en voorts om de lasten en lusten der vergadering gelijkelijk te verdeelen. Het artikel laat de kerken echter vrij. Zij kunnen ook elke vergadering, bij stemming, weer een nieuwen praeses aanwijzen. Ook al is toerbeurt regel, dan kan een classe, die belangrijk en moeilijk zal zijn, en waar zoo veel van de leiding afhangt, voor dien keer een praeses

|190|

kiezen. Maar als deze dan juist op de vorige vergadering naar toerbeurt eens praeses was? Dan verbiedt de letter van het artikel niet, dat hij nu ook praeses is. Er staat toch niet, dat dezelfde niet tweemaal achtereen presideeren mag, maar dat hij „niet tweemaal achtereen zal mogen verkozen worden”. De eerste maal was hij naar toerbeurt praeses en voor de tweede maal wordt hij dan eerst verkozen.

Vroeger stond er in het artikel, dat aan den praeses een scriba toegevoegd moet worden, maar later bepaalde men dat voor classen en synoden in één artikel nl. art. 34. Van een assessor is geen sprake. Die is bij een classe niet zoo noodig, omdat zij doorgaans maar één dag zit. In de practijk voorziet men er in, door den praeses van de vorige vergadering als assessor te laten optreden.

6. De werkzaamheden der classe. De eerste redactie, van de synode te Embden, 1571, was iets ruimer. Zij omschreef in negen artikelen wat de classe te doen had. Het eerste punt was, dat één der dienaren een korte predicatie moest houden en dat de andere dienaren die beoordeelen moesten. Niet om een stichtelijk karakter aan de vergadering te geven, want dat zou meer methodistisch dan gereformeerd zijn. Classen zijn geen stichtelijke, maar kerkelijke samenkomsten tot het afdoen van een door God opgelegde taak. Maar als een soort propositie of preekvoorstel, om de gewezen pastoors en monniken, de gebrekkig onderlegde en naar art. 8 toegelaten predikanten op te scherpen. Dat was toen zeer noodig. Toen later de opleiding en de examens beter geregeld waren, was het niet meer zoo noodig. Bovendien was er veelal ook geen tijd voor. De synode van Utrecht, 1905, heeft ze dan ook geschrapt.

Hier is nu alleen sprake van de gewone werkzaamheden. Er staat immers: Voorts zal de praeses onder anderen een iegelijk afvragen enz. „Onder anderen” wil hier zeggen: Onder andere vragen zal hij ook vragen enz., of onder andere dingen, die aan de orde zijn, zal hij telkens vragen enz. Immers de classe heeft steeds ook bijzondere werkzaamheden, die hier niet genoemd kunnen worden. Ieder gemeentelid heeft het recht zich tot de classe te wenden. De praeses moet dan ook alle ingekomen stukken aan de orde stellen. Natuurlijk kan de classe niet op alle vragen en voorstellen, die door een of ander lid aan de orde worden gesteld, ingaan. Maar indien het concreete gevallen betreft, moet als regel gelden, dat de classe ze behandelt.

|191|

Behalve die toevallige en buitengewone zaken, moeten telkens ook de gewone werkzaamheden gedaan worden. Daartoe moet de praeses dan iedere kerk vragen:

1e „of zij in hunne Kerken hunne kerkeraadsvergaderingen houden”. Dus alleen formeel of de vergaderingen gehouden worden. Niet wat er behandeld en besloten is. Zoo een kerkeraad nalatig was geweest, en in langen tijd niet vergaderde, werd hij vermaand. Er moest orde en regel komen in het vergaderen.

2e „of de kerkelijke discipline geoefend wordt”. De tucht mocht niet verslappen, wat hier en daar vooral bij opkomende ketterijen nog als eens gebeurde.

3e „of de armen en scholen bezorgd worden”. De armen door de kerk en de scholen door de overheid. De scholen gingen tijdens de Republiek niet van de kerken, of van vrije vereenigingen, maar van de plaatselijke overheden uit. Daar echter de overheid gereformeerd was, liet zij de zorg voor de scholen meestal aan de kerken over. De kerkeraad trad dan plaatselijk als schoolcommissie op, zorgde voor geschikte en gereformeerde onderwijzers en examineerde ze daartoe. In onzen tijd, nu de overheidsschool neutraal is, moet de kerkeraad zorgen, dat er door de ouders christelijke scholen worden gesticht.

4e „ten laatste of er iets is, waarin zij het oordeel en de hulp der classe tot rechte instelling hunner kerk behoeven”. Een algemeene vraag, maar inzake concrete punten, die de rechte instelling (constitutie = samenstelling) der plaatselijke kerk raakt. Een classe kan niet op alle vragen, die niet op concrete gevallen doelen, ingaan. Zulk een advies moet niet slechts het persoonlijk gevoelen van den praeses, maar het gevoelen der classe wezen en met haar instemming gegeven worden.

„En eindelijk zullen in de laatste vergadering vóór de Particuliere Synode verkozen worden, die op deze Synode gaan zullen”. Het motief daarvoor was, dat men eerst op de laatste classis weet, wat er op de synode gebracht moet worden, en dat alle kerken de namen der afgevaardigden zouden weten.

Er is geen vaste regel in de K.O. aangegeven, welke zaken bij instructie en welke naar art. 41 aan de orde gesteld moeten worden. Alle vragen die op de inrichting (Latijn: constitutie = inrichting, toestand) der kerk betrekking hebben, mogen naar

|192|

art. 41 aan de classe gedaan worden. Maar het is wenschelijk, dat bepaalde voorstellen enz. bij wijze van instructie aan de orde gesteld worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 42

 

Art. XLII. Waar in eene Kerk meer Predikanten zijn dan één, zullen ook zij, die niet volgens het voorgaande artikel afgevaardigd zijn, in de Classe mogen verschijnen en adviseerende stem hebben.

 

Meer predikanten van een kerk in de classe.

Dit artikel is eerst door de synode van Dordrecht 1618-’19 in de K.O. opgenomen, maar door de synode van Utrecht, 1905, gewijzigd.

1. De oude redactie. Van af de synode van Dordrecht, 1578, gold als regel, dat uit elke kerk slechts twee afgevaardigden met keurstem naar de classe werden gedeputeerd nl. één dienaar en één ouderling; zeker om te voorkomen, dat de grootere kerken de kleinere zouden overstemmen. De andere dienaren en evenzoo de ouderlingen ter plaatse, waar de classe gehouden werd, mochten wel verschijnen, maar hadden alleen adviseerende stem. Allengs werd het echter usantie, dat alle predikanten van de grootere plaatsen geregeld op de classe verschenen. De nood der tijden drong er toe. Op schier iedere classe moesten gewichtige besluiten genomen, regelingen getroffen, en critiek op de korte predikatie van onervaren en slecht gevormde predikanten geoefend worden. Daarbij moesten juist de meest-begaafde predikanten, die meestal in de grootere steden stonden, tegenwoordig zijn, zou de classe iets beteekenen. Eerst namen zij alleen maar aan de bespreking deel. Maar sommige kerken drongen er op aan, dat aan deze adviezen niet slechts moreele, maar ook beslissende beteekenis toegekend zou worden. Zulk een vraag was er uit West-Friesland op de synode van Middelburg, 1581. Maar zij antwoordde nog in sterk-ontkennenden zin: Zij mochten wel op de classe verschijnen „ende wanneer sy ghefraeght” werden ook wel „advys gheven”, maar ,,gheen stemme” hebben. Dit antwoord bevredigde echter niet. Ten minste op de Zuidhollandsche synode van Schoonhoven, 1597, was uit eene der kerken weer de vraag: „off alle de

|193|

dienaers in de steden, wanneer se in den classe tsamen verschynen, stemme decisyff sullen hebben”. De synode antwoordde: „dat men dit refereert tot den synodum generael”. Het duurde echter tot 1618–’19 eer de generale synode samenkwam. In die tusschenliggende jaren was het in vele classen reeds gewoonte, aan alle predikanten keurstem te verleenen. Grootere kerken met meer predikanten hadden toch onmiskenbaar meer invloed op den gang van zaken dan kleine, en waarom zou men dat niet erkennen? De synode van Dordrecht, 1618–’19, gaf dit gravamen in handen van onderscheidene colleges, die er advies over uitbrachten. De Noordhollandsche deputaten verdedigden nog zwakjes het juiste beginsel, maar stelden toch ook reeds voor, dat kerken met één tot drie dienaren één dienaar; kerken met vier tot zes dienaren twee dienaren; kerken met zeven tot negen dienaren drie dienaren en kerken met tien tot twaalf dienaren vier dienaren met keurstem zouden afvaardigen. De synode zelf liet dan ook het oude beginsel los en besloot bij meerderheid: Daer in een plaetse meer Predicanten zijn als een, zullen die al t’samen in de Classe moghen verschijnen, ende keurstem hebben, ten waere in zaecken die haer persoonen ofte Kercken int bysonder aengaen. De synode oordeelde blijkbaar, dat, al staan alle kerken in beginsel gelijk, toch aan sterkere kerken in graad meer invloed toegekend kan worden; en dat, waar ze in de practijk reeds grooten invloed uitoefenden, en in vele classen ook reeds keurstem hadden, het maar algemeen moest gelden.

Dit artikel is toen als art. 42 in de K.O. ingevoegd. Maar daaruit volgde: 1e Dat de twee afgevaardigden, die naar art. 41 gedeputeerd werden, verplicht waren te komen, en dat de anderen, die naar art. 42 verschenen, wel keurstem hadden, maar niet verplicht waren te komen. 2e Dat het consequent zou geweest zijn, ook aan een grooter aantal ouderlingen keurstem te verleenen. Misschien liet zij het na, omdat er weinig ouderlingen waren, die er tijd voor konden vinden. Maar zoo werd aan de predikanten te veel overwicht verleend. 3e Dat het slot der bepaling, nl. dat de predikanten keurstem hebben „ten ware in zaken, die hunne personen of Kerken in ’t bijzonder aangaan”, in dit artikel niet thuis hoort en dan ook terecht door de synode van Utrecht, 1905, naar art. 33 der K.O. is overgebracht (en bij de behandeling van dat artikel is verklaard).

2. De nieuwe redactie. De oude redactie, die bijna drie

|194|

eeuwen gold, is door de synode te Utrecht, 1905, als volgt gewijzigd: Waar in eene Kerk meer Predikanten zijn dan één, zullen ook zij, die niet volgens het voorgaande artikel afgevaardigd zijn, in de Classe mogen verschijnen en adviseerende stem hebben.

Van de particuliere synode van Friesland, was er reeds een voorstel op de synode van Groningen, 1899, dat zij zich zou uitspreken over de vraag, of art. 42 D.K.O. niet in strijd was met de beginselen van ons Gereformeerd kerkrecht en daarom niet zoo gewijzigd moest worden, dat voortaan slechts één dienaar keurstem kreeg, of, zoo de bepaling gehandhaafd werd, ook aan een even gelijk aantal ouderlingen keurstem moest worden verleend. De commissie van rapport was het met Friesland eens en adviseerde dan ook, het aldus te wijzigen: „In een plaats, waar meer predikanten zijn dan één, zullen alle predikanten en een gelijk getal ouderlingen naar de classe afgevaardigd worden, van wie echter slechts één predikant en één ouderling keurstem, en de overige predikanten en ouderlingen adviseerende stem zullen hebben”. Maar de synode was nog niet rijp voor de beslissing. De discussie was verward en voerde niet tot een klare oplossing. De zaak bleef zooals ze was. Aan de classen zou de vrijheid blijven, om bij huishoudelijke bepaling de noodige regeling te treffen. Maar lang duurde het niet. Toen op de synode van Utrecht, 1905, door de commissie ook een wijziging van dit artikel werd voorgesteld, nam de synode ze aan. Zij keerde dus terug tot de oude bepaling van de synode van Dordrecht, 1578, dat de andere dienaren wel op de classe mochten verschijnen, maar alleen met adviseerende stem. Van de ouderlingen is er geen sprake. Deze mogen wel vragen om als gasten of toehoorders de vergadering bij te mogen wonen, gelijk ieder lid der gemeente dat mag vragen, maar zij hebben geen adviseerende stem. De synode oordeelde zeker, dat de meerdere invloed der grootere kerken reeds genoegzaam uitkomt door alleen aan de predikanten, en niet aan een gelijk aantal ouderlingen, adviseerende stem toe te kennen, omdat die invloed ook meest van de predikanten uitgaat.

Mag een dienaar, die alleen adviseerende stem heeft, in het moderamen gekozen worden en aan allerlei werkzaamheden deelnemen? Er is geen bepaling, die het bevestigt of ontkent. Wij antwoorden toestemmend. Alle predikanten van een grootere kerk mogen, zonder telkens opnieuw afgevaardigd te worden,

|195|

alleen krachtens de algemeene bepaling der kerken in art. 42, in de classe verschijnen en hebben dan adviseerende stem. En evenals bij den gemeenteraad de burgemeester geen keurstem heeft, maar toch als adviseerend lid meespreekt en de vergadering leidt, zoo mag ook in een classe een dienaar met adviseerende stem, in het moderamen gekozen worden en voorts aan allerlei werkzaamheden deelnemen, zie Bazuin, 1918, no. 9, 1921 no. 21; Heraut, 1921 no. 2264.

Jansen, Joh. (1976) Art. 43

 

Art. XLIII. In het einde van de Classicale en andere meerdere samenkomsten zal men censuur houden over diegenen, die iets strafwaardigs in de vergadering gedaan, of de vermaning der mindere samenkomsten versmaad hebben.

 

Onderlinge censuur op de classen enz.

In dit artikel is sprake van de onderlinge censuur aan het einde der meerdere vergaderingen.

Eenerzijds is ze onderscheiden van de censuur, die de praeses, volgens art. 35 tijdens de behandeling der zaken oefenen moet. Zijn taak is niet slechts „voor te stellen en te verklaren ’t gene te verhandelen is”, maar ook „toe te zien, dat een iegelijk zijn orde houde in ’t spreken; den knibbelachtigen en die te heftig zijn in ’t spreken, te bevelen dat zij zwijgen, en over dezelve, geen gehoor gevende, de behoorlijke censuur te laten gaan”. Dit is de taak van den praeses in alle kerkelijke vergaderingen. In onderscheiding daarvan bepaalt nu art. 43, dat men aan „het einde van de classicale en andere meerdere samenkomsten” nog een afzonderlijke „censuur zal houden over diegenen, die iets strafwaardigs in de vergadering gedaan, of die de vermaning der mindere samenkomsten versmaad hebben”. Beiderlei censuur is wel gelijksoortig van karakter, maar de eerste oefent de praeses, als het noodig is, tijdens de behandeling der zaken; en de laatste wordt aan het einde der vergaderingen zeker bij algemeene rondvraag, of ook iemand in de vergadering iets strafwaardigs gedaan of de vermaning der mindere samenkomsten versmaad had, gehouden.

Anderzijds moet ze ook wel onderscheiden worden van de

|196|

censura morum, die volgens art. 81 in elken kerkeraad en dan meestal voor het H. Avondmaal gehouden wordt en dan over de ambtsbediening gaat. In art. 43 gaat het over de censuur, die aan het einde der classicale en synodale vergaderingen geschiedde, 1e over hen, „die in de vergadering iets strafwaardigs gedaan hebben”, dus geen censuur in het algemeen over leer en leven en ambtsbediening, maar bepaald over „iemands houding en gedrag staande de vergadering”; en 2e over hen, die „de vermaning der mindere samenkomsten versmaad hebben”, wanneer er bij de meerdere vergadering een klacht kwam, dat een of ander kerkedienaar zich aan de vermaning der mindere vergadering niet stoorde. Het woord censuur beteekent hier vermaning, waarschuwing, terechtwijzing, berisping, al naar mate het noodig bleek.

In de 16e eeuw werd dit artikel blijkbaar geregeld toegepast. Er waren toen een aantal dienaren, die op onregelmatige wijze in den kerkedienst gekomen waren en van orde en regel nog weinig wisten. Zij gedroegen zich op de kerkelijke vergaderingen soms zeer onbehoorlijk en moesten dan aan het einde soms een formeele bestraffing ondergaan. Toen de kerkedienaren zoo langzamerhand aan orde en regel gewoon raakten, was er aan het einde der vergaderingen weinig meer te bestraffen. De acta van de particuliere synode van Alkmaar, 1593, meldt dan ook aan het slot: „Is voorts ten laetsten hiermede deze synodus geeindicht, ende die censuere gehouden zijnde, niet bevonden (Godt loff!) dat straffe waerdich was, mer is alles met goede stichtinge ende vrede afgegaen ende geeindicht ende met dankzegginge van des Heeren naeme beslooten”. Toch heeft de synode van Dordrecht, 1618–’19, dit artikel laten bestaan, omdat er in voorkomende gevallen opzicht over de waarneming der functiën moet wezen. Ook nu nog gebeurt het wel, dat het op de kerkelijke vergaderingen onstichtelijk toegaat. Het komt wel niet vaak voor, maar geheel overbodig is de handhaving en de toepassing van deze bepaling toch niet.

Jansen, Joh. (1976) Art. 44

|197|

Art. XLIV. De Classe zal ook eenige harer Dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste, autoriseeren, om in alle Kerken, van de steden zoowel als van het platte land, alle jaar visitatie te doen, en toe te zien. of de Leeraars, Kerkeraden en Schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomene orde in alles onderhouden, en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevordere; teneinde zij diegenen, die nalatig in het een of het ander bevonden worden, in tijds mogen broederlijk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing, en het meeste profijt der Kerken en scholen helpen dirigeeren. En iedere Classe zal deze visitatoren mogen continueeren in hunne bediening, zoo lang het haar zal goeddunken, ten ware dat de visitatoren zelven, om redenen, van dewelke de Classe oordeelen zal, verzochten ontslagen te worden.

 

De kerkvisitatie.

Dit artikel handelt over de kerkvisitatie. Het is eerst door de synode van ’s-Gravenhage, 1586, in de kerkenordening opgenomen, maar door die van Dordrecht, 1618–’19, aanmerkelijk uitgebreid en sinds onveranderd gehandhaafd. De voornaamste punten zijn de volgende:

1. De instelling der kerkvisitatie. De kerkvisitatie is niet aanstonds na de reformatie ingesteld. Het was aanvankelijk minder noodig, omdat de classen veel vaker, hier en daar elke maand samenkwamen. De moeilijkheden konden dus aanstonds op de classen gebracht worden. Het convent te Wezel, 1568, wenschte zelfs op elke classe een soort onderzoek, onderlinge censuur, waarbij de dienaren en ouderlingen om de beurt moesten buitenstaan.

Maar toen het rondreizen voor de classen te veel moeilijkheden opleverde, en ze in den regel maar vier maal in het jaar vergaderden, kwam de vraag naar een afzonderlijke visitatie der kerken van zelf uit haar boezem op. De Zeeuwsche kerken voerden ze op hare synode te Vlissingen, 1581, voor haar zelve in, en wel tweemaal in het jaar. Bovendien drongen zij er op aan, bij de generale synode van Middelburg, 1581, de kerkvisitatie algemeen te maken. Deze wilde echter van een afzonderlijke kerkvisitatie niet weten. Zij achtte ze deels „onnoodich”, omdat de visitatie, waar ze noodig was het best

|198|

door de Classen en synoden kon geschieden; en deels ook „zorghelick”, omdat de visitatoren zoo licht in een soort inspectores of superintendenten konden ontaarden.

Toch was aan den aandrang geen weerstand te bieden. Vooral van uit Zuid-Holland, waar sommige kerken zich aan het kerkverband niet veel stoorden, en enkele onkundige predikanten waren, werd er sterk op aangedrongen bij de synode van ’s-Gravenhage, 1586. Deze schreef ze echter nog niet imperatief (bindend) voor, maar stelde ze facultatief d.i. liet ze uit voorzichtigheid nog vrij, maar drong er toch in een afzonderlijke circulaire bij de Classen op aan de visitatie in het werk te stellen. Spoedig werd ze nu in alle provincies gehouden. Alleen de provincie Noord-Holland bleef er tegen. Zij wilde ze facultatief houden. Maar het verzet mocht niet baten. De synode van Dordrecht, 1618–’19, stelde ze voor alle classes verplichtend, en redigeerde de bepaling zooals ze in art. 44 der K.O. is opgenomen en met enkele wijzigingen tot nu toe gelden bleef.

2. De benoeming der visitatoren: De classe zal ook eenige harer Dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste, en geschiktste, autoriseeren.

Wie benoemt de visitatoren? Het artikel zegt: „De Classe”. Niet de overheid, zooals bij de Lutherschen, of de paus, zooals bij Rome, maar de classe, want de kerken zelf hebben het recht en de bevoegdheid de visitatoren te benoemen.

Mogen alleen predikanten of ook ouderlingen gekozen worden? Het artikel spreekt alleen van „eenige harer Dienaren”, niet van ouderlingen. Naar de H. Schrift en het Gereformeerd kerkrecht behoort de kerkvisitatie echter niet tot het leer-, maar tot het regeerambt, zoodat de predikanten ze niet in hun qualiteit van predikanten, maar van ouderlingen waarnemen. Dat art. 44 alleen van dienaren spreekt, komt, volgens Voetius, omdat de gewone ouderlingen niet zoo vele dagen uit hun zaken konden, te meer, omdat zij geen bezoldiging genoten. Sommige provinciën bepaalden dan ook dat de ouderlingen konden benoemd worden. Er is dan ook geen enkel principieel bezwaar tegen, dat bijv. twee dienaren en één ouderling worden aangewezen, hoewel de K.O. alleen spreekt van dienaren des Woords.

Hoeveel en wie moeten er gekozen worden? Het artikel antwoordt: „ten minste twee”. Minder dan twee niet, wel meer. Naar den regel van Deut. 19: 15 en Matth. 18: 16, „dat in

|199|

den mond van twee of drie getuigen alle woord besta”. Een goede regel is, dat een groote classe voor elken ring en een kleine classe in het geheel twee primi en één of twee secundi aanwijzen. Maar wie dan? De tekst zegt: ten minste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste. Den Hollandschen tekst kan men zóó lezen, dat de oudsten tevens de ervarensten en geschiktsten werden geacht. Maar de Latijnsche tekst drukt de bedoeling duidelijker uit: „minimum binos, aetate, experientia, et prudentia maximè conspicuos” d.i. ten minste twee, door leeftijd, ervaring en beleid het meest in het oog vallend. De bedoeling is dus niet om ze bij toerbeurt aan te wijzen en de kerkvisitatie als een soort oefenschool voor jonge, onervaren predikanten te doen dienen. Er is een zekere menschenkennis, die eerst door jarenlangen omgang, een rijpheid van oordeel, die alleen door ervaring, en een zeker beleid in het oplossen van moeilijkheden, die alleen door juiste kennis van zaken verkregen wordt. In den regel zullen de ouderen ook wel de meest ervarenen enz. zijn. Alleen wanneer er onder de jongere dienaren zijn, die meer ervaren en bekwaam zijn, mogen zij ook gekozen worden.

Op welke wijze moet de benoeming geschieden? Er staat „De classe zal eenige harer Dienaren autoriseeren”. De bedoeling is niet bij toerbeurt, maar bij vrije stemming, want de bepaling, dat de meest geschikten enz. moeten gedeputeerd worden, sluit aanwijzing naar toerbeurt uit. Aanwijzing bij toerbeurt gaat dus tegen deze bepaling in. Maar wel zegt het slot van art. 44, dat de visitatoren telkens weer mogen gecontinueerd worden, „zoolang het haar (de classe) zal goeddunken”, ten ware de visitatoren zelven om gewichtige redenen, waarover de classe dan nog eerst oordeelen moest, er van ontslagen wenschten te worden. Wenschelijk is echter om ze voor één jaar te benoemen, om hiërarchie te voorkomen, en, des gewenscht dan te continueeren. Volgens Voetius is de continuatie echter geen vast gebruik geworden. Hij wilde liever, dat één van de twee of drie gecontinueerd werd, dan bleef er telkens één zitten, die met den toestand der kerken op de hoogte was. Daarvoor is wel wat te zeggen. Het gevaar van een zekere superintendentie (heerschappij) wordt dan vermeden en toch is er één, die met de kerken bekend is.

3. Tijd en wijze der visitatie. De visitatoren ontvangen in last, om in alle Kerken, van de steden zoowel als van het

|200|

platteland, alle jaar visitatie te doen. Hoe vaak moet ze gehouden worden? Er staat: „alle jaar”. Aanvankelijk werd ze op de classen gehouden en deze vergaderden in den eersten tijd elke maand, later om de twee en toen voor vast om de drie maanden. Toen het kerkelijk leven op regel kwam was dat ook niet meer noodig. Vandaar dat de synode van Dordrecht, 1618-’19, in dit artikel bepaalde: „alle jaar”. Deze bepaling heeft op normale toestanden betrekking. En deze regel moet in alle classen onderhouden worden. Doen er zich tusschentijds moeilijkheden voor in een kerk, dan kan een extraordinaire visitatie noodig zijn. Vroeger gebeurde het wel, dat de visitatoren, wanneer hun iets ter oore kwam, dat niet in orde was, of dat het met een dienaar niet al te goed ging, heimelijk zulk een gemeente bezochten, of zulk een predikant gingen hooren, en de eventueele moeilijkheden trachtten op te lossen. De visitatoren waren krachtens hun mandaat wezenlijke opzieners, niet maar voor één keer in het jaar, maar het heele jaar door zoolang hun mandaat duurde.

Moet de kerkvisitatie des Zondags te voren ook aan de gemeente bekend gemaakt worden en mogen dan de visitatoren op klachten en bezwaren der gemeenteleden ingaan? Ja, de visitatie moet tijdig aan de gemeente bekend gemaakt worden; en, zoo er bezwaren of klachten van gemeenteleden inkomen, onderzoeken de visitatoren of de klager eerst pogingen heeft aangewend, met den betrokken persoon of kerkeraad de bezwaren uit den weg te ruimen; zoo niet, dan geven zij gelegenheid om het verzuim te herstellen; zoo ja, maar is de poging mislukt, dan trachten zij alsnog de partijen te verzoenen. De visitatoren hebben als deputaten der classe alleen het recht van advies en niet van beslissing. De visitatie is niet voor heel de gemeente toegankelijk, omdat zij niet alleen over zaken, maar ook over personen gaat en dus geen publiek, maar een geheim karakter draagt.

Bij wie berust het praesidium? Bij de gewone jaarlijksche visitatie is ze een vergadering van den kerkeraad met de visitatoren; dan berust de leiding bij den praeses van den kerkeraad; en de scriba maakt dan ook de notulen daarvan op voor den kerkeraad. Maar bij een buitengewone visitatie is ze een vergadering van de visitatoren met den kerkeraad; dan berust de leiding bij de visitatoren.

Hoe moet de visitatie bij de onderscheidene kerken geregeld

|201|

worden? Art. 44 zegt, dat ze „in alle kerken, van de steden zoowel als van het platteland moet gehouden worden”. Dus geen enkele kerk overslaan en de bezoeken zoo regelen, dat er hij elke kerk voldoende tijd is om de gewone vragen te stellen en bovendien nog om eventueele vragen, die zich voordoen, te behandelen; terwijl men bij eventueele moeilijkheden, die zich voordoen, een afzonderlijke visitatie zou kunnen instellen. De onkosten der visitatie moeten door de kerken gelijkelijk worden gedragen, tenzij in buitengewone gevallen, als er redenen zijn om van den regel af te wijken.

4. De taak der visitatoren is: a. en toe te zien, of de Leeraars, Kerkeraden en Schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomen orde in alles onderhouden, en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen. De visitatie gaat hier over het ambt d.i. de ambtsbezigheid, over de leer d.i. de belijdenis, over de onderhouding der orde of kerkenordening en over de stichting d.i. de opbouwing der gemeente en der jonge jeugd. De schoolmeesters worden hierbij genomen, niet alsof de scholen toen van de kerken uitgingen, want zij gingen formeel van de plaatselijke overheden uit, maar omdat de overheid op de meeste plaatsen de zorg voor de scholen als zoodanig en het toezicht op het geheele onderwijs, maar vooral op bet godsdienstig onderwijs, aan de kerkeraden opdroeg en overliet. De visitatoren onderzoeken dus bij den kerkeraad, of het leven en de belijdenis der schoolmeesters, het religieus karakter van hun onderwijs wel in overeenstemming is met Gods Woord, en of zij den kinderen stichtelijke boeken in handen geven. In de visitatie-reglementen is dus de vraag op zijn pas, of de onderwijzers geschikt en getrouw zijn in het waarnemen van hun ambt, het religieus gehalte van hun onderwijs in overeenstemming is met Schrift en belijdenis, en of het strekt tot stichting der jonge jeugd.

b. Vermanen der nalatigen: ten einde diegenen, die nalatig in het een of ander bevonden worden, intijds mogen broederlijk vermanen. De visitatoren mogen geen censuur oefenen over de tragen en nalatigen, maar zij moeten hen wel vermanen, dus ook den kerkeraad vermanen, zoo hij nalatig mocht zijn in het oefenen der censuur, daarin getrouw te zijn, en daarvan aan de classe rapport te doen. Zoo iemand zich over de handelingen

|202|

der visitatoren bezwaard gevoelt, kan hij zich op de classe beroepen.

c. Met raad en daad bijstand verleenen: en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing, en het meeste profijt der Kerken en Scholen helpen dirigeeren. De visitatoren vormen een commissie van raad en hulp om eventueele moeilijkheden in het kerkelijk leven te voorkomen of intijds op te ruimen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 45

 

Art. XLV. De Kerk, in dewelke de Classe, en desgelijks de Particuliere of Generale Synode, samenkomt, zal zorg dragen, dat zij de Acten der voorgaande vergadering op de naastkomende bestelle.

 

De zorg voor de Acta.

In art. 34 werd bepaald, dat er in de kerkelijke samenkomsten een scriba moet wezen om het verhandelde op te teekenen. Dit artikel voegt er nu aan toe, dat de kerk ter plaatse waar de classen en synoden samenkomen, er zorg voor moet dragen, dat de acta der vorige vergadering op de volgende aanwezig zijn. Wij spreken over twee hoofdzaken nl.

1. Over de zorg voor de Acta. Deze bepaling dateert van de synode te Dordrecht, 1578, maar gold toen nog alleen voor de synoden. De volgende synode, te Middelburg, 1581, nam er echter de classen in op, zoodat de bepaling van toen af gold voor alle meerdere vergaderingen. De boven afgedrukte redactie, door haar opgesteld, bleef tot nu toe onveranderd gelden.

Dit artikel handelt niet over de vaststelling der acta, wat bij art. 34 behoort, maar legt alleen aan de kerk, in welke de meerdere vergadering gehouden wordt, de taak op, om te zorgen, dat de acta van de vorige vergadering aanwezig zijn. In vroeger tijd, toen deze nog niet gedrukt werden, was dit nog zoo veel meer noodig dan thans, nu gewoonlijk al de afgevaardigden, reeds vóór de bijeenkomst der vergadering, den juisten tekst van de gedrukte acta in hun bezit hebben.

2. Over de zorg voor de Archieven. Onder de kerkelijke archieven verstaan wij de verzameling van geschreven en gedrukte stukken, die op het ontstaan en de geschiedenis der kerken betrekking hebben. Het is in vele kerken zóó treurig

|203|

met die Archieven gesteld, dat de particuliere synode van Zeeland aan de synode van Rotterdam, 1917, voorstelde, „maatregelen te nemen in het belang der Plaatselijke, Classicale en Particuliere Synodale archieven onzer kerken”. De synode besloot dan ook, door haar moderamen aan de particuliere synodes een schrijven te richten, waarin met allen nadruk wordt aangedrongen op de zorgvuldige bewaring van haar archief, en haar verzocht wordt, mede te werken, dat in de Classes in haar ressort voor de Archieven de vereischte zorg wordt gedragen.

Er zijn vierderlei archieven te onderscheiden: nl. de kerkeraadsarchieven; de classicale archieven; de archieven der particuliere en der generale synoden; en het zendingsarchief. Tot de kerkeraadsarchieven behooren alle eigendomsbewijzen en schuldbrieven, alle stukken, die op de formatie en reformatie der plaatselijke kerken betrekking hebben, alle doop- en lidmatenboeken, alle notulen der kerkeraadsvergaderingen en acta der synoden, enz. Het beste is, dat de zorg voor het archief aan een archivaris wordt opgedragen. Tot die van de classen behooren de classicale notulen en acta der synoden, de verslagen der kerkvisitatie, de correspondenties inzake tuchtgevallen, klachten, gravamina, allerlei rapporten, enz. De classe wijze een archief-bewarende kerk aan, en de kerkvisitatoren controleeren of het archief in orde is en brengen van hun onderzoek rapport uit. Evenzoo zorgen de particuliere en generale synoden voor haar archieven door een archief-bewarende kerk aan te wijzen, gelijk het archief der Generale synode bij besluit der synode van Middelburg, 1896, en het zendingsarchief bij besluit der synode van Arnhem, 1902, aan de zorg van de Gereformeerde kerk te Amsterdam zijn toevertrouwd.

Jansen, Joh. (1976) Art. 46

|204|

Art. XLVI. De instructiën der dingen, die in meerdere vergaderingen te behandelen zijn, zullen niet eerder geschreven worden, voordat over de daarin voorgestelde punten de besluiten der voorgaande Synoden gelezen zijn, opdat ’t gene eens afgehandeld is, niet wederom voorgesteld worde, ten ware dat men het achtte veranderd te moeten zijn.

 

Instructiën voor de meerdere vergaderingen.

Ook deze bepaling dateert uit den tijd toen de acta nog niet gedrukt werden. Wel was de boekdrukkunst reeds in 1423 uitgevonden door Laurens Koster, maar zij was nog niet tot algemeen gebruik gekomen. De scriba dicteerde de genomen besluiten en de afgevaardigden schreven deze uit den mond van den scriba op en namen ze mede terug. Maar zoo kon het licht gebeuren, dat een zaak, die vroeger reeds behandeld was, op een volgende vergadering weer ter tafel kwam. En om nu onnoodige herhaling te voorkomen besloten de kerken, dat de vorige besluiten eerst moesten voorgelezen worden, voordat de instructies voor de volgende meerdere vergadering werden opgesteld.

1. Het ontstaan van dit artikel. Reeds de synode van Embden, 1571, heeft er een uitvoerig artikel over opgesteld, nl. dat de classe, eer ze de punten voor de provinciale synode ging opstellen, de acta der vorige synode „vlijtiglijk” moest overlezen, om herhaling te voorkomen; alleen in geval er gegronde twijfel rees, of de genomen besluiten toch wel gegrond waren, mochten de kerken er op terug komen.

Het kerkelijk leven begon zich pas te ontwikkelen. In onderscheidene kerken deden zich dezelfde vragen en moeilijkheden voor. Plaatste men al die vraagpunten zoo maar op de instructies, dan kon het gebeuren, dat ze telkens opnieuw aan de orde kwamen. Daarom moesten de besluiten der vroegere meerdere vergaderingen in de mindere (nl. in kerkeraden, classen en particuliere synoden), eer men de instructies opmaakte, gelezen worden. De redactie is echter door de synode van Utrecht, 1905, door de toen ingevoegde woorden: „over de daarin voorgestelde punten”, terecht verduidelijkt. De oude redactie was te algemeen en hield feitelijk in, dat, aleer men een instructie opstelde, alle besluiten der voorgaande vergaderingen

|205|

moesten gelezen worden, wat natuurlijk een onmogelijke zaak zou zijn. De bedoeling was alleen, dat de kerkeraden, classen en particuliere synoden, eerst moesten nagaan of er over de voor te stellen punten vroeger ook al reeds besluiten genomen waren.

2. Het doel der bepaling is: opdat ’t gene eens afgehandeld is, niet wederom voorgesteld worde, ten ware dat men het achtte veranderd te moeten zijn. Hierin ligt een regel en een uitzondering.

De regel is, dat eens afgehandelde zaken niet wederom voorgesteld mogen worden. Dit gebeurde meermalen, deels uit onkunde, omdat men niet wist, dat er reeds vroeger over deze zaak gehandeld was, deels uit de zucht om zijn zin te krijgen. Deze bepaling geeft dus den regel aan, die in het kerkelijk leven gelden moet, nl. dat noodelooze herhaling voorkomen moet worden.

De uitzondering is: „ten ware dat men het achtte veranderd te moeten zijn”. De bedoeling is dus alleen een bloote herhaling, maar niet om een voorstel tot gegronde verandering of verbetering, te voorkomen. Verkeerde besluiten moeten zoo spoedig mogelijk veranderd worden. Maar met de noodige voorzichtigheid, want een besluit kan verkeerd zijn, terwijl er groote bezwaren aan verbonden zijn het voetstoots te veranderen, omdat de tijdsomstandigheden het niet toelaten, of omdat men het niet door een beter kan vervangen. Het kerkelijk leven is geen machine, die even stil gezet en versteld kan worden, maar een levend organisme, waarin wijzigingen en veranderingen gelijdelijk moeten aangebracht worden, om geen stoornis te veroorzaken. Overigens echter wilden de kerken er volstrekt niet mee zeggen, dat een eenmaal genomen besluit onveranderlijk en onverbeterlijk is. Een voorstel, dat om formeele redenen niet in behandeling kon komen, kan op de volgende vergadering weer ingediend worden. Ook in geval de overtuiging rijpt, dat een vroeger besluit niet rust op Gods Woord of daarmee in strijd is, kan men herziening vragen. Zelfs de belijdenisschriften zijn revisibel en examinabel. Hoeveel te meer geldt dit dan niet van de gewone kerkelijke besluiten?

3. Op welke manier kunnen de kerkelijke zaken op de meerdere vergaderingen aan de orde worden gesteld? a. Bij wijze van hooger beroep (appèl, provocatio) art. 31. b. Bij wijze van rondvraag naar art. 41. c. Bij wijze van instructie, art. 46.

|206|

d. Bij wijze van gravamen of bezwaar, ’t zij dan in den vorm van een vraag (quaestio), als het bezwaar nog niet-wel-gevestigd is, of van een bezwaar (gravamen), als het wel gevestigd is, of van een twistgeding (controversia), waarvan de oplossing gevraagd wordt, of van een aanklacht (accusatio), die onderzocht en beoordeeld moet worden. e. Bij wijze van voorstellen (propositiones), die door de mindere vergaderingen of hare leden op de meerdere vergaderingen gedaan kunnen worden.

Inzake dit punt gelden de volgende regelen: 1e Dat al deze vragen, instructies, bezwaren, aanklachten en voorstellen op concrete gevallen betrekking moeten hebben; een classe of synode is geen bureau van inlichtingen, waar ieder lid eener kerk of iedere mindere vergadering zich om allerlei inlichtingen kan vervoegen, maar een samenkomst van kerken, om elkander in concrete gevallen van raad en hulp te dienen. 2e Dat in gewone gevallen een mindere vergadering zich wende tot hare meerdere vergadering, waaronder zij ressorteert. Maar dit sluit niet uit, dat elk lid der gemeente zich rechtstreeks tot de meerdere vergaderingen mag wenden, en dat deze ook, indien het een concreet punt betreft, er op mag ingaan. Zoo heeft de synode van Dordrecht, 1618-’19, wel geantwoord op de vraag van den kerkeraad te Amsterdam, inzake den doop van heidenkinderen in Oost-Indië, die in christelijke gezinnen opgenomen waren. Ds. Hulsebos te Jacatra kwam met deze vraag op den kerkeraad en de classe van Amsterdam; de classe droeg aan den kerkeraad op deze vraag te beantwoorden; en de kerkeraad besloot, toen de synode reeds was aangevangen, de vraag „naer het Synodus-Nationael” te zenden en stelde ze aan de beide Amsterdamsche afgevaardigden ter hand, die ze bij de synode indienden. 3e Het is nimmer gewoonte geweest, dat de punten van het agendum voor een meerdere vergadering, eerst aan de mindere vergadering toegezonden werden. Wel lieten de synoden zeer gewichtige punten eerst door een commissie in studie nemen en een concept-voorstel aan de kerken toezenden, om zoo de kerkeraden, classen en particuliere synoden in de gelegenheid te stellen zich er over uit te spreken en zoo de behandeling op de meerdere vergaderingen voor te bereiden. Maar dat gebeurde alleen met de gewichtigste en moeilijkste vraagstukken, nimmer met alle punten van het agendum.

Jansen, Joh. (1976) Art. 47

|207|

Art. XLVII. Alle jaren (ten ware dat de nood eenen korteren tijd vereischte) zullen eenige, zooveel mogelijk tot dezelfde provincie behoorende, genabuurde Classen samenkomen, tot welke Particuliere Synode uit iedere Classe twee Dienaars en twee Ouderlingen (welk getal door eene Synode, die uit slechts drie of vier Classen bestaat, ook op drie kan gesteld worden) afgevaardigd zullen worden. In het scheiden, zoowel der Particuliere als der Generale Synode, zal eene Kerk verordend worden, die last hebben zal, om met advies der Classe den tijd en de plaats der naaste Synode te stellen.

 

De particuliere synoden.

Nu volgen er twee artikelen over de particuliere synoden. Art. 47 over de particuliere synoden als zoodanig en art. 48 over de correspondentie tusschen de particuliere synoden onderling. Wij handelen bij de verklaring van art. 47 over de volgende punten:

1. De instelling en indeeling der particuliere synoden. Aanvankelijk, toen de kerken nog onder kruis en vervolging zuchtten, was er slechts van drie provinciale synoden sprake, maar dan in geheel anderen zin als de latere provinciale of particuliere synoden. De Nederlandsche Gereformeerde kerken waren in drie landen verstrooid, nl. in Duitschland (te Wezel, Keulen en Aken) en Oost-Friesland (te Embden); voorts in Engeland (te Londen en omstreken); en in Nederland zelf. Deze drie hoofdgroepen moesten nu elk op zich zelf als een provinciale synode samenkomen, zoo oordeelden het convent te Wezel, 1568, en de synode te Embden, 1571.

Toen echter sinds 1572 allengs de vrijheid kwam en de reformatie doorwerkte, kwamen de kerken allerwegen in de Nederlandsche provinciën zelf in provinciale synoden saam. De eerste in Noord-Holland was die van Hoorn, in het begin van den zomer 1572; en sinds volgden de kerken in de andere provinciën op den voet. Van daar dan ook, dat de synode te Dordrecht, 1578, bepaalde, dat ze elk jaar zouden samenkomen, en uit vier of vijf classen zouden bestaan; dat elke classe twee dienaren en twee ouderlingen zou afvaardigen, terwijl de andere dienaren en ouderlingen wel als gasten aanwezig mochten zijn, maar geen keurstem zouden hebben; en ten slotte, dat een der kerken werd aangewezen, om, met advies der classe, plaats en

|208|

tijd der volgende synode te bepalen. Deze elementen werden later in één artikel samengevat en tot 1905 gehandhaafd. De synode van Utrecht, 1905, heeft in het artikel echter verschillende veranderingen aangebracht. Zij liet het getal „vier of vijf” weg en bond de grenzen der particuliere synoden nauwer aan de geographische grenzen der provinciën, omdat de kerken in eenzelfde provincie elkander het best kennen en het kerkelijk leven samen het best kunnen regelen. Vandaar dan ook, dat in de provinciën Groningen, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Holland en Zeeland, de politieke en kerkelijke grenzen samenvallen, met uitzondering van enkele kerken in de veenkoloniën, die provinciaal bij Drente behooren, maar wegens haar ontstaan van uit de aangrenzende gemeenten in Groningen, en wegens betere communicatie, bij de classen in Groningen zijn gebleven; terwijl de kerken in Noord-Brabant en Limburg alsnog één particuliere synode vormen en de classen in de provinciën Friesland en Zuid-Holland in twee particuliere synoden samenkomen (Particuliere synode van Friesland en van Zuid-Holland noordelijk gedeelte en zuidelijk gedeelte); alleen voor gemeenschappelijke belangen als de zending, het weeshuis te Middelharnis, en de regeling voor de hulpbehoevende kerken, zouden ze kunnen samenwerken op de wijze, die haar zelf het meest gewenscht voorkomt.

2. Tijd en plaats van samenkomst. Van den beginne aan is het regel geweest, dat de particuliere synoden elk jaar samenkwamen. De synode te Embden, 1571, sprak reeds van „jaerlijcxsche versamelingen”. En de synode van Dordrecht, 1578, bepaalde, dat zij: „Alle jaren (ten ware dat de noot korter tyt vereysschede) sullen te samen koemen”. Deze redactie is door de volgende synoden overgenomen en tot nu toe geldig. De kerken onderhielden dezen regel zooveel mogelijk. In een paar provincies wisten echter de provinciale overheden, die meenden, dat zij ook in kerkelijke zaken wat te zeggen hadden en den invloed der kerken tegenover de opkomende Remonstranten wilden breken, de provinciale synoden tegen te houden. Zoo verboden de staten van Holland de particuliere synoden tien jaar lang, van 1608-1618; en werden ze in Gelderland niet gehouden in de jaren 1584-1592, en van 1613-1618.

Inzake de plaats van samenkomst hebben de oude kerkenordeningen geen bepalingen gemaakt. Zij lieten dit aan de particuliere synoden zelf over. Aanvankelijk oordeelden

|209|

sommige provincies, zooals de particuliere synode van Zuid-Holland te Delft, 1587, dat ze gehouden moest worden in de plaats waar de meeste moeilijkheden waren, om deze te kunnen wegnemen; of ook, dat ze beurtelings in de verschillende classen zou samenkomen, maar later liet men die gedachte geheel los en vergaderden de particuliere synoden in de hoofdplaatsen, die wegens de communicatie het gemakkelijkst te bereiken waren.

3. Karakter en samenstelling of afvaardiging, waarvan staat: Alle jaren ... zullen eenige, zooveel mogelijk tot dezelfde provincie behoorende, genabuurde Classen samenkomen, tot welke Particuliere Synode uit iedere Classe twee Dienaars en twee Ouderlingen (welk getal door eene Synode, die slechts uit drie of vier Classen bestaat, ook op drie kan gesteld worden) afgevaardigd zullen worden. Allereerst staat er, dat de particuliere synode een samenkomst is van eenige genabuurde Classen. Deze bepaling gold van den beginne aan. Zij is dus geen samenkomst van personen, die een bestuurscollege vormen, maar van kerken. Wel is hare samenstelling een andere als die van een kerkeraad en van een classe. Een kerkeraad is een samenkomst van ambtsdragers eener plaatselijke kerk, en wel òf alleen van dienaren en ouderlingen (smalle kerkeraad), òf van dienaren, ouderlingen en diakenen (breede kerkeraad). Een classe is een samenkomst van afgevaardigden van kerkeraden der genabuurde kerken, dus een rechtstreeksche, maar dan beperkte, vertegenwoordiging der plaatselijke kerken. Een particuliere synode is echter een samenkomst van afgevaardigden der classen; dus ook wel een samenkomst van kerken, maar geen rechtstreeksche vertegenwoordiging van alle plaatselijke kerken door middel van hare ambtsdragers, doch een getrapte vertegenwoordiging der kerken, door middel van de afgevaardigden der classen.

Voorts staat hier, welke classen in de particuliere synode samenkomen, nl. eenige, zooveel mogelijk tot dezelfde provincie behoorende Classen. De oude redactie van 1578, had het getal aangegeven nl. „vier of vijf of meer genabuurde classen”, maar los van de grenzen der provinciën. Edoch men kon zich hieraan niet houden. Het aantal varieerde vroeger tusschen drie en elf. Zuid-Holland had elf, Gelderland negen, Groningen zeven. Noord-Holland zes, Friesland zes, Zeeland vier, Overijsel vier, Utrecht drie en Drente drie classen. Het grootste getal was dus elf, het kleinste getal drie. In hoofdzaak volgden de kerken

|210|

daarbij de provinciale indeeling, maar toch met belangrijke afwijkingen, bijv. bij de provinciale synode van Gelderland, die zelf uit zes classen bestond, werden drie generaliteits-classen gevoegd, nl. de classe ’s-Hertogenbosch, de Peel c.a., en Maastricht c.a.; van die van Zuid-Holland, die dertien classen zou bevatten tegen Noord-Holland vier, werden twee classen afgenomen nl. Haarlem en Amsterdam, zoodat Zuid-Holland nu elf en Noord-Holland nu zes classen bevatte (zie Bachiene, Kerkelijke Geographie, Eerste stuk blz. 18; Tweede stuk blzz. 4, 173; Derde stuk blzz. 4, 85, 123; Vierde stuk blzz. 2, 83, 165; terwijl bij de vier classen van Zeeland wel geen classen, maar wel enkele gemeenten werden gevoegd, nl. bij de classe Zuid-Beveland enkele gemeenten uit Staats-Vlaanderen, en bij die van Tholen enkele gemeenten van Staats-Brabant. De synode van Utrecht, 1905, liet dan ook het getal „vier of vijf of meer” er uit, en stelde er voor in de plaats: „eenige, zooveel mogelijk tot dezelfde provincie behoorende, genabuurde Classen”, zoodat het artikel zich bij de reeds bestaande practijk aanpastte. Er staat echter „zooveel mogelijk”, want de provincies Friesland en Zuid-Holland zijn kerkelijk in tweeën gesplitst, zoodat de getallen nu zijn: Groningen zes, Gelderland vijf, Noord-Holland vijf, Zeeland vijf, Friesland Noordelijk gedeelte vijf, Friesland Zuidelijk gedeelte vijf, Zuid-Holland Noordelijk gedeelte vier, Zuid-Holland Zuidelijk gedeelte zes, Drente vier, Overijsel drie, Utrecht drie en Noord-Brabant en Limburg drie.

Ten derde staat er, dat uit iedere Classe twee Dienaren en twee Ouderlingen (welk getal door een Synode, die slechts uit drie of vier Classen bestaat, ook op drie kan gesteld worden) afgevaardigd zullen worden. Dit getal van twee dienaren en twee ouderlingen stond van 1571 af vast en is zoo gebleven. Een particuliere synode is dus een samenkomst niet van alle, maar slechts van een viertal leden der Classe. Een particuliere synode, waar alle leden der classe verschenen, zou veel te groot worden. Van daar een vertegenwoordiging door middel van de afgevaardigden. De synode van Dordrecht, 1578, voegde er nog aan toe, dat ook de andere dienaren en ouderlingen als gasten tegenwoordig mochten zijn, doch zonder keurstem, wat echter door de volgende synoden weer werd weggelaten. Daar echter een particuliere synode, die slechts uit drie classen bestond, wel wat klein is en maar twaalf leden zou tellen, was

|211|

het in enkele provincies, bijv. in Noord-Brabant, reeds gewoonte, in plaats van twee, drie predikanten en drie ouderlingen af te vaardigen. Daarom heeft de synode van Utrecht, 1905, het artikel aangevuld met deze woorden: „welk getal door een synode, die slechts uit drie of vier Classen bestaat, ook op drie kan gesteld worden”. Er staat: kan, niet: zal gesteld worden. Het is dus in de vrijheid gelaten.

Inzake de afvaardiging van twee ouderlingen zijn echter de classen van den regel afgeweken. Alleen in Gelderland, Friesland en Noord-Holland werden ook twee ouderlingen afgevaardigd, maar in Utrecht uit elke classe drie predikanten en twee ouderlingen; in Zuid-Holland en Overijsel uit elke classe drie predikanten en één ouderling; in Groningen zond alleen de stad twee predikanten en één ouderling, maar de andere classen geen enkelen ouderling; in Drente, naast drie predikanten uit elke classe, geen enkelen ouderling, maar wel zes politieken en drie deputaten der vorige synode; en in Zeeland, waar aanvankelijk twee predikanten en twee ouderlingen werden gezonden, kwamen na 1638 geen particuliere synoden meer samen, doch alleen de zoogenaamde „coetus’’, waartoe uit elke classe alleen twee predikanten zonder ouderlingen werden afgevaardigd, terwijl de overheid ook twee politieke afgevaardigden zond. „De reden waarom er”, zoo zegt Prof. Dr. F.L. Rutgers in „De rechtsbevoegdheid” enz. blz. 29, „ondanks alle synodale bepalingen toch gewoonlijk meer predikanten dan ouderlingen waren, lag eeniglijk en alleen in de omstandigheid, dat de ouderlingen doorgaans te bezet waren, om daarvoor eenige dagen of weken beschikbaar te hebben”. In dit opzicht zijn de kerken dan ook naar den goeden regel weergekeerd. De ouderlingen gaan nu even geregeld ter vergadering als de predikanten.

Ten slotte merken wij nog op:

a. Dat de verkiezing, en de teekening der lastbrieven, niet altijd door de classen zelf, maar ook wel door de, door haar daartoe aangewezen, kerkeraden geschiedde. Bijv. op de particuliere synode van Dordrecht, 1574, waren vijf en twintig afgevaardigden, van wie meer dan de helft door de kerkeraden met lastbrieven waren afgevaardigd. Beide is dus mogelijk. De classen kunnen de afgevaardigden zelf benoemen, maar zij kunnen er ook bepaalde kerken voor aanwijzen. Thans geldt de regel, dat zij door de classen verkozen worden.

b. Dat de afvaardiging bij keurstemmen en niet naar

|212|

toerbeurt moet plaats hebben. De afvaardiging naar de classe is het best bij toerbeurt te regelen, zie art. 41. Maar naar de synoden moet ze bij keurstemmen geschieden. Daar moeten de meest bekwame en ervaren dienaren en ouderlingen verschijnen.

4. De orde van samenkomen. Daartoe behoort:

a. De opening der vergadering, die volgens de synode van Embden, 1571, moet geschieden „door den dienaar der plaats of, zoo er geen dienaar was, door den vorigen praeses”. De op haar volgende synoden te Dordrecht, 1578, en te Middelburg, 1581, keerden deze orde om en noemden eerst den vorigen praeses, en, zoo die niet tegenwoordig was, de plaatselijke dienaar (pastor loci). Beide is geoorloofd, want zij geschiedt in opdracht van de kerken, die er op de synode een kerk of een persoon voor aanwijzen. De bepaling van Embden komt ons het beste voor, maar dan in dien zin, dat het niet aan den dienaar der roepende kerk, maar aan de roepende kerk zelf wordt opgedragen, die daarvoor dan een harer dienaren, of bij een eventueele vacature, haar consulent kan aanwijzen. Op welke wijze moet de opening plaats hebben? Vroeger opende de pastor loci of de vorige praeses met een gebed om de leiding des Geestes bij de verkiezing van een moderamen. Na het optreden van het moderamen ving de praeses dan de handelingen aan met een nieuw gebed. Later heeft men het tweede gebed weggelaten. De dienaar der roepende kerk laat een psalmvers zingen, leest een deel uit de H. Schrift, en vangt de handelingen aan met gebed (dat dan èn op de verkiezing van een moderamen en op de handelingen der synode betrekking heeft).

b. Het nazien der credentie-brieven en het constitueeren der vergadering. Eerst moeten de credentie-brieven nagezien worden, want alleen een wettig geconstitueerde vergadering kan een moderamen kiezen. Wenschelijk is, dat er een presentielijst ter tafel zij, waarop de namen van alle afgevaardigden naar de orde der classen opgeteekend zijn.

c. De verkiezing van een moderamen, die naar vasten regel schriftelijk moet plaats hebben.

d. De behandeling der zaken. De synode te Embden, 1571, bepaalde reeds, dat de zaken der instructies in deze volgorde moesten behandeld worden: eerst de zaken aangaande de leer, dan die aangaande regeering en tucht, en eindelijk de varia. En dan wel zoo, dat de praeses eerst de zaken voorstelt, daarna in bespreking geeft en eindelijk de verschillende voorstellen in

|213|

stemming brengt, om te weten wat het gevoelen der meerderheid is; dat de scriba het besluit schriftelijk samenvat en voorleest; terwijl men vroeger daarna nog eenmaal stemde om dit gevoelen der meerderheid met gemeen accoord aan te nemen.

5. Aanwijzing der roepende kerk. Daarvan staat aan het slot: In het scheiden, zoowel der Particuliere als der Generale Synode zal eene Kerk verordend worden, die last hebben zal om met advies der Classe den tijd en de plaats der naaste Synode te stellen. De kerk en classe, die in opdracht hadden de volgende synode samen te roepen, werden „synodale kerk” en „synodale classe” genoemd. De opdracht houdt in, dat de roepende kerk, in overleg met de classe, tijd en plaats der volgende synode tijdig bepale; en aan de daarbij betrokken kerken, met het oog op de punten voor het agendum, daarvan bericht geve; en dat zij het agendum tijdig aan de afgevaardigden en ook aan de classen toezende.

6. Sluiting der handelingen met dankzegging. De synode van Embden, 1571, bepaalde ook, dat „alle zittingen (moesten) beginnen met den gebeden en besluiten met der dankzegginge”. Deze bepaling is stilzwijgend blijven gelden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 48

 

Art. XLVIII. Het zal aan elke Synode vrijstaan, correspondentie te verzoeken en te houden met hare genabuurde Synode of Synoden, in zulke forme, als zij meest profijtelijk achten zullen voor de gemeene stichting.

 

De correspondentie.

Dit artikel is eerst door de synode te Dordrecht, 1618-’19, in de K.O. opgenomen. Wij zullen de instelling, de manier en de bedoeling der correspondentie tusschen de particuliere synoden nader aanwijzen.

1. De instelling der correspondentie. Zoolang de generale synode geregeld vergaderde was een afzonderlijke correspondentie tusschen de particuliere synoden niet noodig. Maar toen de Hooge overheid na 1586 het samenkomen der kerken in generale synode jaar op jaar verhinderde, uit vrees, dat zij door zulk een samenwerking al te machtig zouden worden, kwam de

|214|

behoefte op om op andere manier het verband tusschen de kerken in de verschillende provincies te onderhouden en wel door onderlinge correspondentie, waarmee men dan bedoelde, het zenden van een paar deputaten naar elkanders vergaderingen. De particuliere synode van Zuid-Holland te Den Briel, 1593, begon er mee. Zij zond twee dienaren, nl. Libertus Fraxinus en Karolus Agricola naar de synode van Noord-Holland met het voorstel om deze correspondentie geregeld in te voeren. Deze vond het goed. In 1600 kwam op aandrang van Noord- en Zuid-Holland, Gelderland „als der Dritte im Bunde” er bij. In 1601 eveneens Overijsel en Groningen. In 1624 ook Utrecht en in 1630 nog Friesland. Maar Zeeland, waar de Staten er geen verlof toe wilden geven, en Drente deden er niet aan mee.

Geen wonder dan ook, dat een der kerken van Zuid-Holland vroeg aan de particuliere synode van Delft, 1618, of het niet goed zou zijn, dat de generale synode de correspondentie over het geheele land invoerde. Deze oordeelde dit goed, mits met deze restrictie, dat de instelling der correspondentie de samenroeping der generale synode niet mocht tegenhouden, maar alleen een zekere vergoeding er van mocht wezen. De synode van Dordrecht, 1618-’19, stelde wel de algemeene bepaling van dit artikel op, maar liet de correspondentie toch vrij: „Het zal aan elke Synode vrijstaan” enz. Toen echter na 1618-’19 het samenkomen der generale synode steeds verboden werd, kwam de correspondentie in alle provincies, behalve in Drente en in Zeeland, voor vast in gebruik. Zelfs zijn er door de correspondenten der verschillende provincies wel gemeenschappelijke vergaderingen gehouden, de z.g.n. coetus correspondentium, om zaken van algemeen belang, bijv. het nazien der autographa voor de Bijbelvertaling, te behartigen.

2. De manier der correspondentie. De kerken zijn vrij ze te onderhouden in zulke forme, als zij meest profijtelijk achten zullen voor de gemeene stichting. Van den beginne aan werd ze persoonlijk, d.w.z. door wederzijdsche afvaardiging van gedeputeerden, zooals Zuid-Holland, of van gecommitteerden, zooals Noord-Holland, of van extra-ordinaire deputaten, zooals Overijsel, of van correspondenten, zooals men later ze noemde, onderhouden. Zeeland, waar de staten de persoonlijke correspondentie verboden, bood nog eens een „schriftelijke correspondentie” aan, maar daarop gingen de andere provincies niet in. De correspondenten ontvingen op vertoon van hun

|215|

lastbrieven zitting en hadden slechts deliberatieve (adviseerende) stem, uitgenomen in zaken die beide synoden gelijkelijk aangingen, waarin zij definitieve (beslissende) stem konden uitbrengen.

3. De bedoeling der correspondentie. De correspondentie bedoelde tot onderlinge eenicheijdt ende correspondentie van de Kercken; of: tot meerder stichtinghe ende goede eenicheijdt tusschen de Kercken, dienstig te zijn. Zij kwamen zoo tot overeenstemming bijv., dat de studenten eerst na volbrachte studie en examen zouden worden toegelaten; dat de Bijbelvertaling, die door den dood van Marnix van St. Aldegonde gestaakt was, weer ter hand genomen moest worden; dat de vrijheid, om allerlei slechte boeken te drukken, geweerd werd; dat er door onderling overleg tegen dwaalleeraars als Frederik van Leenhof geageerd werd; en dat er in 1775 in alle provincies een nieuwe psalmberijming ingevoerd werd, enz.

Nu in onzen tijd de generale synoden meer geregeld samenkomen, is de correspondentie niet meer van groote beteekenis. Slechts in enkele gevallen, bijv. van grensregeling tusschen twee provincies, of van een gemeenschappelijke zendingsactie, enz., hebben twee of meer particuliere synoden soms nog iets met elkander te doen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 49

 

Art. XLIX. Iedere Synode zal ook eenigen deputeeren, om alles wat de Synode geordonneerd heeft, te verrichten en in voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand te bieden, waarbij voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten te benoemen zijn, en om, althans ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan. En alle deze deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de Synode rapport te doen, en zoo het geëischt wordt, redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst, voor en aleer de Synode zelve hen daarvan ontslaat.

 

De Deputaten.

Dit artikel handelt over het deputaatschap en is eerst door de synode van Dordrecht, 1618-’19, in de K.O. opgenomen. Ter toelichting wijzen wij op de volgende punten:

|216|

1. Op de instelling van het deputaatschap. Uit het feit, dat een kerkelijke vergadering slechts macht bezit zoolang zij zitting heeft, volgt van zelf, dat zij, ter uitvoering van de besluiten, die zij gedurende hare zitting zelf niet kan uitvoeren, haar moderamen moet machtigen, of afzonderlijke deputaten moet aanwijzen. Dit bleek al aanstonds noodig te zijn. Zoo wees de synode te Embden, 1571, voor de uitvoering van verschillende besluiten enkele onderscheiden deputaten aan; bijv. een tweetal deputaten om de Nederlandsche Gereformeerde kerken op de synode der Fransche kerken te vertegenwoordigen; en een zestiental deputaten om Marnix van St. Aldegonde tot het verzamelen van historische gegevens voor een geschiedenis der reformatie behulpzaam te zijn, enz. Evenzoo bleek het deputaatschap ook spoedig voor de classen en particuliere synoden noodig te zijn.

Toch was er bij de particuliere synoden al spoedig een streven merkbaar, om voor meerdere zaken een stel vaste deputaten te benoemen. De synode van Zuid-Holland begon er mee, en de andere (behalve Zeeland) volgden. Onder invloed van Zuid-Holland werd het deputaatschap zelfs op de synode van Dordrecht, 1618-’19, aanhangig gemaakt. Het gravamen daarop betrekking hebbende, luidde: „Van de gedeputeerde der Provinciale synoden”. De synode heeft toen, blijkbaar om tusschen de verschillende provincies „eenparigheid” in het deputaatschap te bevorderen, en om de beschuldiging van Hugo de Groot, die zei, dat de deputaten een soort „interreges” d.i. tusschen-regenten waren, die in de plaats van de synoden optraden, zoolang er geen synoden vergaderden, te ontzenuwen, dit artikel opgesteld en als art. 49 in de K.O. opgenomen.

De synode van Dordrecht, 1618-’19, bedoelde echter met dit artikel alleen het deputaatschap der classen en particuliere synoden te regelen, want de Zuidhollandsche synode te ’s-Gravenhage, 1571, vroeg aan haar ook nog vaste deputaten der generale synode te willen benoemen, om beter correspondentie tusschen de kerken in de provinciën te onderhouden en om de generale zaken af te doen. Maar zij oordeelde ze niet noodig. Voor het afdoen van de noodigste zaken der generale synode konden telkens speciale deputaten benoemd, en de rest kon door de particuliere synode uitgevoerd worden.

Sinds echter in de vorige eeuw de generale synoden weer geregeld samenkwamen en niet meer door overheidsdwang

|217|

verhinderd werden, werd dit artikel stilzwijgend ook op de benoeming van deputaten der generale synoden toegepast. Maar men brak nu met het stelsel om zooveel mogelijk alle zaken aan één stel deputaten op te dragen. Nu werden telkens voor de onderscheiden belangen zooveel mogelijk verschillende groepen van deputaten aangewezen. En dit veranderde stelsel heeft de synode van Utrecht, 1905, in de redactie van art. 49 ingevoegd. De meerdere arbeid drong er van zelf toe. En het gevaar van bestuurshoogheid wordt er door verminderd.

2. De benoeming van deputaten: Iedere synode zal ook eenigen deputeeren...., waarbij voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten te benoemen zijn. Het recht van benoeming berust dus niet bij de overheid of hij een of ander particulier persoon, zooals een vorst of patroon, maar bij de kerken, en wel bij de particuliere synoden. Ze geschiede bij vrije stemming en met gesloten briefjes, niet bij continuatie (de zittenden herkiezen), of bij toerbeurt, of bij onderlinge verdeeling door de meerderheid, zooals vroeger wel eens plaats had. De beste krachten zijn hier niet te goed. Zij, die in kerkelijke zaken het meest ervaren zijn, en een goed vertrouwen genieten, dus „de gequalificeerste en geschiktste” moeten gekozen worden. Het deputaatschap is geen ambtelijke functie, waartoe ieder ambtsdrager op zijn beurt verplicht en geroepen is, maar een kerkelijke hulpdienst, waartoe zelfs ieder lid der kerk benoemd mag worden. Soms is het gewenscht een rechtsgeleerde of diplomaat (maar dan lid eener Geref. kerk) in zulk een commissie, bijv. voor de correspondentie met de Hooge Overheid, te benoemen. Wel is het goed om hiërarchie te voorkomen, er voor te waken, dat dezelfde persoon niet altijd deputaat blijft, en te bepalen, dat de helft der deputaten elk jaar moet aftreden en vernieuwd worden. En ook kan het goed zijn, dat het moderamen, bij wijze van advies, een voordracht doet aan de synode, die door haar kan aangevuld worden, en dat zij, om herhaalde en verwarde stemmingen te voorkomen, uit zulk een grostal stemme. Voor een algemeen deputaatschap als de zending en dergelijke, is het gewenscht, uit elke particuliere synode er één te nemen; dan zijn alle kerken er gelijkmatig in vertegenwoordigd. De deputaten hebben niet het recht, hun aantal eigener autoriteit aan te vullen of uit te breiden. Dat recht komt alleen aan de synoden toe.

3. De taak der deputaten wordt slechts in het algemeen en

|218|

zeer kort omschreven: om alles wat de Synode geordonneerd heeft, te verrichten en in voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand te bieden...., en, om, althans ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan. Drieërlei taak dus:

a. De uitvoering der synodale besluiten. De oude redactie van 1618-’19 luidde: „om alles wat de Sijnodus verordineert heeft te verrichten, zoowel bij de Hoghe Overheyt, als bij de respectieve Classen, onder haer sorterende”. Deze redactie is tweemaal gewijzigd. Eerst door de synode van Amsterdam, 1892, die er de woorden „zoowel bij de Hoghe Overheyt als” uitliet; en later nog eens door de synode van Utrecht, 1905, die de woorden: „bij de respectieve Classen onder haer sorterende” hier schrapte, en even verder tot een nieuw punt formuleerde, zoodat hier alleen overbleef: „om alles wat de Synode geordonneerd heeft te verrichten”. Niets dan de algemeene bepaling, dat de deputaten de besluiten der synode moeten uitvoeren, zonder de beide punten er hij, nl. bij de overheid en bij de classen! Terecht! Een kerkenordening moet slechts algemeene bepalingen geven, die in alle bijzondere gevallen kunnen toegepast worden, terwijl ook het noemen van een paar punten den indruk geeft, dat men de verzwegen punten wil uitsluiten. De deputaten moeten er dus goed op letten, wat de synode geordonneerd, d.i. opgedragen, bevolen, heeft. Zulk een synodale ordonnantie is dan hun lastbrief. In den regel loopt zulk een opdracht van synode tot synode; een enkele maal echter worden zij ook wel aan een doorloopende instructie gebonden, (zooals de deputaten voor de Hooge Overheid, die aan de instructie van de synode te Dordrecht, 1893, gebonden zijn), maar zulk een instructie geldt dan totdat een latere synode ze wijzigt of vervangt. Deze bepaling geldt nu zoowel voor de deputaten der generale als voor die der particuliere synoden. Voor de onderscheiden zaken worden nu telkens afzonderlijke deputaten benoemd.

b. Het bijstaan der classen in voorvallende zwarigheden: en in voorvallende zaken aan de Classen de hand te bieden. Deze bepaling heeft in de practijk alleen betrekking op de deputaten der particuliere synoden. Vroeger droegen zij die taak aan de „synodale classen” op. Later benoemden zij er deputaten voor, zelfs wel met de algemeene opdracht, om in alle mogelijke geschillen tusschenbeide te komen. Dit ging te

|219|

ver. Er dreigde een beginseltje van bestuursmacht in te sluipen. Vandaar dat de synode van Dordrecht, 1618-’19, deze bepaling maakte: „ende voorts in alle voorvallende swaricheden den Classen de hant te bieden, opdat goede eenicheyt, ordre, ende suyverheyt der leere behouden ende ghestabilieert werden”. De bedoeling was, dat de deputaten zich niet ongevraagd, maar alleen op verzoek der classen in de geschillen mochten mengen; en dat hun tusschenkomst geen beslissend, maar slechts een adviseerend karakter zou dragen. De synode te Utrecht, 1905, schrapte deze breede omschrijving, omdat in art. 1 K.O. het doel van het kerkverband reeds duidelijk omschreven is, en liet alleen staan: „en in voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand te bieden”. Deze bepaling ziet geheel algemeen op „alle voorvallende zwarigheden”, bijv. de zwarigheden inzake losmaking van predikanten naar art. 11 K.O.; van emeriteering van predikanten naar art. 13 K.O.; van de toelating van Ned. Herv. predikanten, Acta van Dordrecht, 1893, art. 166; van predikanten, die den band met de Gereformeerde kerken verbraken en later weer terugkeeren, Acta van Groningen, 1899, art. 153; van Christelijk Gereformeerde predikanten, Acta van ’s-Gravenhage, 1914, art. 79; en verder alle zwarigheden, die zich telkens kunnen voordoen. Maar welke deputaten zijn dat? Meestal worden al deze zaken opgedragen aan de deputaten, die in het volgende punt genoemd worden, nl. die bij het peremptoir-examen tegenwoordig moeten zijn; behalve dat er voor afzonderlijke zaken wel eens een afzonderlijke commissie wordt benoemd. Maar de ingevoerde bepaling van Utrecht, 1905, zegt, dat voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten benoemd moeten worden.

c. Het bijwonen van alle peremptoire examens: en om, althans ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan. De oude redactie van 1618-’19 luidde: „mede om te samen ofte in minder getal, over alle examina der aankomende predikanten te staan”. Maar de synode te Utrecht, 1905, bracht er twee wijzigingen in aan. Vooreerst verving zij de woorden: „te samen ofte in minder ghetal” door de woorden: „althans ten getale van twee of drie”, in overeenstemming met art. 4 K.O., waar bepaald wordt, dat het examen „zal geschieden ten overstaan van de Gedeputeerden der Particuliere Synode of eenige derzelven”, zoodat er steeds „eenige derzelven” d.i. minstens twee of

|220|

drie aanwezig moeten zijn; terwijl de uitdrukking: „minder getal” uit de oude redactie slechts één deputaat zou kunnen zijn. Om staking van stemmen te voorkomen is drie beter dan twee en in het algemeen een oneven getal beter dan een even. Voorts veranderde zij: „alle examina” in: „alle peremptoire examens”, zoodat zij niet de praeparatoire, maar alleen de peremptoire examens moeten bijwonen. Zij moeten dus over „alle peremptoire examens der aanstaande predikanten staan”. In het Latijn staat: „Omnibus intersint examinibus” d.i. dat zij bij alle examens tegenwoordig moeten zijn. Het gebeurde vroeger wel, dat de deputaten door ziekte of ongunstige weersgesteldheid wegbleven, en dat toch het examen doorging en ook stilzwijgend als geldig erkend werd. Maar dat gaat te ver. De deputaten moeten er bij zijn; anders zou de candidaat alleen binnen het ressort dier classe toegelaten zijn, wijl de deputaten de overige kerken van het kerkverband vertegenwoordigen.

De vraag is, of de deputaten alleen adviseerende dan wel beslissende stem hebben; en of, bij verschil, de deputaten of de classe moet beslissen. De bepaling laat deze vragen open. Maar kerkrechtelijk zijn zij geen open vragen meer. De particuliere synode van Schoonhoven, 1597, had reeds bepaald: „dat de lidmaten der classis stemmen sullen, naerdat de ghedeputeerde der synodt eerst haer advys gegeven sullen hebben”. Juist en zeer duidelijk. De deputaten geven eerst en alleen advies, en daarna beslist de classe. Adviseeren deputaten vóór toelating, maar stemt de classe tegen toelating, dan is hij niet toegelaten. Adviseeren deputaten tegen toelating en stemt de classe vóór toelating, dan moet er nader overleg plaats hebben, en, zoo men niet tot overeenstemming komt, eerst de particuliere synode gevraagd worden. Immers liet de classe iemand toe tegen den wil der deputaten, dan zou hij alleen voor die classe toegelaten zijn, tenzij de particuliere synode achteraf zich bij het besluit der classe neerlegde. Daarom is het beter eerst de beslissing der particuliere synode te vragen, en des noods het examen te vernieuwen, om tot eenparige beslissing te komen.

4. De bevoegdheid der deputaten: En alle deze deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de Synode rapport te doen, en, zoo het geëischt wordt redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen

|221|

dienst voor en aleer de synode zelve hen daarvan ontslaat. Deputaten zijn dus geen superintendenten en hebben geen bestuurshoogheid over de kerken, maar zijn slechts lasthebbers der classen en synoden, die ze benoemen. Wel schimpte Hugo de Groot, dat ze interreges d.i. tusschenbestuurders waren, die zich, zoolang de synoden niet vergaderden, voor synode hielden. Maar de kerken waakten er doorgaans wel voor, dat zij geen beslissende, maar slechts uitvoerende macht hadden. Wel kan in een concreet geval, bijv. in een tuchtzaak, aan deputaten opgedragen worden, om met synodale autoriteit te handelen, maar dan steeds in concrete, wel omschreven gevallen, zooals in de procedure tegen de Remonstranten wel is geschied. Ook hebben de synoden hen wel opgedragen, in een haar bekende, door haar besproken en concrete zaak, naar bevind van zaken te handelen. Maar dan altijd in opdracht der synode en niet eigener autoriteit.

Zij moeten „van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de Synode rapport te doen en, zoo het geëischt wordt, redenen te geven”. Hoe moeten deputaten handelen in spoedeischende gevallen, die niet wachten kunnen tot de volgende synode? Mogen zij dan handelen onder nadere approbatie (goedkeuring) der synode, of nadat zij eerst met de classen overleg gepleegd hebben? Neen! In zulke dringende gevallen wenden deputaten zich tot de synodale classe of kerk, met de samenroeping der synode belast, om een buitengewone of vervroegde synode. Deputaten hebben geen macht in zulke gevallen eigenmachtig op te treden, en ook de afzonderlijke classen hebben geen macht hen deze bevoegdheid te geven.

Ten slotte staat er nog: Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst voor en aleer de Synode zelve hen daarvan ontslaat. Deputaten zijn dus aan hun last gebonden totdat de volgende synode hun er van ontheft. Niemand mag zich zelf ontslaan of tusschentijds bedanken. Valt er een door den dood of door vertrek naar elders weg, dan treedt zijn secundus op, totdat de volgende synode of de classis binnen wier ressort hij woonde weer een primus in zijn plaats benoemt. Wordt de synode in geval van oorlog of verbod van de overheid verhinderd samen te komen, dan geldt de slotbepaling, dat zij „niet ontslagen zullen wezen van hunnen dienst, vóór en aleer de Synode zelve hen daarvan ontslaat”. Gewoonlijk duurde het deputaatschap twee jaar. In later tijd van synode tot synode.

|222|

Maar in een noodgeval blijven zij de handelingen verrichten, totdat de synode weer samenkomt, en blijven zij aan haar verantwoording schuldig.

Jansen, Joh. (1976) Art. 50

 

Art. L. De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, ten ware dat er eenige dringende nood ware, om den tijd korter te nemen. Tot deze zullen twee Dienaren en twee Ouderlingen uit elke Particuliere Synode afgezonden worden. Voorts zal de Kerk, die last heeft om den tijd en de plaats der Generale Synode aan te wijzen, zoo dezelve naar het oordeel van ten minste twee Particuliere Synoden binnen de drie jaren te beroepen ware, met advies of onder goedkeuring van hare Particuliere Synode van den tijd en de plaats besluiten.

 

De Nationale Synode.

Aanstonds met de reformatie voelden de kerken er behoefte aan in synode samen te komen en inzake tijd en plaats, afvaardiging, samenroeping en wijze van werken vaste bepalingen te maken.

1. Tijd van samenkomst: De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, ten ware dat er eenige dringende nood ware, om den tijd korter te nemen. Het convent te Wezel, 1568, sprak reeds de wenschelijkheid uit, „dat elk jaar een provinciale synode van geheel Nederland” d.i. van de kruiskerken in Nederland, „gehouden worde”. De synode van Embden, 1571, veranderde één jaar in twee jaar. De classen konden alle drie of zes maanden, de provinciale synoden elk jaar, en de generale synode „alle twee jaar eens” gehouden worden. Maar er kwam niets van. De volgende synode zou tegen de lente van 1572 of ’73 worden samengeroepen. Maar de synodale classe van den Paltz kon aan haar opdracht niet voldoen van wege de troebelen in Holland en Zeeland. De synode te Dordrecht in 1574, was nog een particuliere synode, omdat de afgevaardigden van Noord-Holland er vanwege de Spaansche troepen, niet aan deel konden nemen. Eerst in 1578 kon er weer een nationale synode te Dordrecht samenkomen. En zij besloot, dat ze „ordinarelick alle dry iaren

|223|

zou ghehouden worden, doch alsoo datse indien de noot sulckes eyscht eer mach samen gheroepen worden.” Deze bepaling is tot nu toe gebleven.

De vraag inzake den tijd van samenkomst is geen beginselvraag. De eisch van de practijk van het kerkelijk leven moet hier beslissen. Het meest gewenscht zou zijn, dat de synode elk jaar zou samenkomen: 1e omdat schier alle vereenigingen, en corporaties eens in het jaar een jaarvergadering houden; 2e omdat de kerken in de 17e eeuw in Schotland, Frankrijk, Hongarije en Zevenbergen ook elk jaar in synode samenkwamen; 3e omdat er elk jaar appèl op de synode mogelijk zou zijn, de quaesties spoediger afgehandeld konden worden en het kerkelijk leven geregelder kon voortgaan; en 4e omdat er dan minder aan deputaten behoeft opgedragen worden. Niettegenstaande deze voordeelen zijn de kerken van één op drie jaar overgegaan: 1e Omdat de overheid het houden der generale synode tegenhield. De eerste maal gelukte het. De synode van Dordrecht 1578, besloot, dat ze om de drie jaar zou samenkomen, wat dan ook in 1581 te Middelburg geschiedde. Maar sinds ook niet weer. De volgende synode kwam eerst vijf jaar daarna, in 1586, te ’s-Gravenhage samen. Na 1586 verliepen er wel 23 jaar eer de synode te Dordrecht, 1618-’19, weer samenkwam. En na 1618-’19 is ze niet weer gehouden tot in de 19e eeuw. 2e Omdat de kosten zoo hoog zijn. Deze bedroegen vóór den oorlog ongeveer 5000 en na den oorlog ongeveer 12000 gulden. Wel is waar zou een jaarlijksche synode niet zoo veel kosten, maar toch meer dan de helft. Als een driejaarlijksche synode 5000 gulden kost, dan kost een jaarlijksche synode ongeveer 3000 gulden, dat zou dus in drie jaar 9000 gulden worden, en zoo zou er dus 4000 in drie jaar tijds mee uitgespaard worden. Thans zou een jaarlijksche synode wel 7000 gulden kosten; dat wordt in drie jaar 21000 gulden; en daar een driejaarlijksche synode ongeveer 12000 gulden kost, zou er 9000 uitgespaard worden. 3e Omdat drie jaar tijd het voordeel biedt, dat de genomen besluiten in het kerkelijke leven ingang vinden, en alzoo kerkelijke processen en appèlleeren tegenhoudt.

Nog steeds is er echter uitzondering mogelijk: ten ware dat er eenige dringende nood ware om den tijd korter te nemen. In dringende gevallen kan dus de gewone synode eerder samenkomen, of een buitengewone of een tusschentijdsche synode gehouden worden.

|224|

2. Afvaardiging naar de synode: Tot deze zullen twee Dienaren en twee Ouderlingen uit elke Particuliere Synode afgezonden worden. Eerstens is de vraag, door wie zij afgevaardigd moeten worden. Te Embden, 1571, vergaderden de kerken nog rechtstreeks, door afvaardiging der plaatselijke kerken, wijl er toen nog geen classen en particuliere synoden waren. Maar de volgende synoden kwamen reeds op organische of getrapte wijze samen, ’t zij dan door afvaardiging van de classen, zooals de synode van Dordrecht, 1578, omdat er toen nog te weinig provinciale synoden waren; ’t zij dan door afvaardiging van de particuliere synoden, zooals de synoden te Middelburg, 1581, te ’s-Gravenhage, 1586, en te Dordrecht, 1618-’19. De afgevaardigden kunnen dus ook door de plaatselijke kerken en door de classen, evengoed als door de particuliere synoden, aangewezen worden. Wie van deze drie ze afvaardigt is bijkomstig. In alle drie gevallen vertegenwoordigen de afgevaardigden de kerken. Een synode is ook een samenkomst van kerken en niet van personen. Nu staat er hier, dat zij uit, maar de bedoeling is, dat zij niet alleen uit, maar ook door de particuliere synode zullen afgevaardigd worden. De practijk drong daartoe. Zoo alleen kunnen een groot aantal van wel 200 kerken eener provincie door slechts vier personen vertegenwoordigd worden. Een uiterst gebrekkige vertegenwoordiging, soms niet eens zooveel afgevaardigden als er classen zijn. Maar met dit voordeel, dat zulk een afvaardiging van vier personen uit elke particuliere synode een generale synode maakt van 50 a 60 leden, zoodat er met zulk een vergadering te werken valt. Toch is zulk een synode een vergadering van kerken, hoe onvolkomen zij er ook vertegenwoordigd zijn. Dit blijkt uit den eisch, dat de afgevaardigden, om zitting te erlangen, hun geloofsbrieven, die óf door de particuliere synoden, of door de kerkeraden der gemeenten, waar de afgevaardigden woonden, geschreven en geteekend moesten zijn, moesten inleveren. Zie art. 33.

Wie moeten afgevaardigd worden? Het artikel zegt: twee Dienaars en twee Ouderlingen uit elke Particuliere Synode. Aanvankelijk was er geen bepaling voor en kwamen er veel meer predikanten dan ouderlingen. De synode te Embden, 1571, bijv. was samengesteld uit 19 predikanten, 3 toekomstige predikanten, 2 emeriti-predikanten, en slechts 5 ouderlingen. Dat het gevaar van dominocratie (predikanten-heerschappij) hier dreigde, was niet te miskennen. Om nu dat Roomsche clericalisme

|225|

uit de Gereformeerde kerken te mijden, besloot de synode van Dordrecht, 1578, voor het eerst, dat „twee Dienaers ende twee Ouderlingen, niet van den Classen, maer van den Particuliere Synoden” afgevaardigd moesten worden. De ouderlingen toch vertegenwoordigen het „leeken-element” en bekleeden het regeerambt. Daar een synode volgens Gereformeerd gevoelen juist een presbyteriaal-regeercollege is, behoorden de afgevaardigden evengoed uit de ouderlingen als uit de dienaren gekozen te worden. Toch bleven de verkiezingen in dezelfde lijn doorgaan. De synode van Middelburg, 1581, bestond uit 29 dienaren en 19 ouderlingen; die van ’s-Gravenhage, 1586, bestond uit 22 predikanten, 2 ouderlingen, en nog 3 politieken, 1 professor (Saravia) en 2 predikanten van Leiden voor de zaak van Coolhaes; en de synode van Dordrecht, 1618-’19, bestond uit 35 predikanten, en 17 ouderlingen, De reden, dat er zoo weinig ouderlingen werden afgevaardigd, lag misschien een enkele maal aan het clericalisme der predikanten, maar in verreweg de meeste gevallen aan de omstandigheid, „dat de ouderlingen doorgaans te bezet waren om een aantal dagen of weken voor kerkelijke vergaderingen beschikbaar te hebben.” In onzen tijd zijn deze bezwaren vervallen en worden er doorgaans evenveel ouderlingen als predikanten naar de classen en synoden afgevaardigd, die dan ook geregeld verschijnen. Tevens moeten één of twee der deputaten naar art. 49 op de volgende synoden aanwezig zijn, om rapport te doen van hun handelingen en zoo het geëischt wordt, redenen te geven. Ook al hebben zij een schriftelijk verslag, dan nog moeten zij aanwezig zijn om eventueele vragen te kunnen beantwoorden en inlichtingen te kunnen geven.

Moet de afvaardiging bij vrije stemming of naar toerbeurt plaats hebben? Van den beginne aan was vrije verkiezing regel. Dit bracht mee, dat dikwerf dezelfde personen werden afgevaardigd, omdat zij de meest bekwamen waren. Daarover werd dan wel eens geklaagd, bijv. op de synode van Middelburg, 1581, waar gevraagd werd, of het niet goed was, dat dezelfde dienaar niet tweemaal achter elkander afgevaardigd werd, opdat ook de andere dienaars leeren mochten? Maar de synode antwoordde, dat de kerkeraden, Glassen en synoden vrij zouden zijn om te zenden, „die sy daer toe bequaem vinden sullen, naer haere beliefte”. De kerkelijke vergaderingen zijn geen leer of oefenscholen, maar samenkomsten van regeering en tucht,

|226|

waar aan de beste krachten behoefte is. En het gevaar voor hiërarchie is niet zoo groot, dat het voordeel der vrije verkiezing daarvoor moet worden prijsgegeven.

Zijn de meerdere vergaderingen en in het bijzonder de generale synoden geheim of publiek? Vroeger waren ze geheim. Alleen de synode van Dordrecht, 1618-’19, was met eenige beperking voor het publiek open. Dat is o.i. ook het juiste standpunt. Op de meerdere vergaderingen worden meestal de zaken van algemeen karakter behandeld. Daarbij kunnen de leden der kerk toegelaten worden. Tuchtzaken en persoonlijke quaesties vormen een uitzondering en die moeten dan in comité behandeld worden. Dus een beperkte publiciteit.

3. Samenroeping der synode: Voorts zal de Kerk, die last heeft, om den tijd en de plaats der Generale Synode aan te wijzen, zoo dezelve naar het oordeel van ten minste twee Particuliere Synoden binnen drie jaren te beroepen ware, met advies of onder goedkeuring van hare Particuliere Synode van den tijd en hare plaats besluiten. Deze bepaling veronderstelt, dat het recht van samenroeping aan de kerken zelf toekomt. Zoo geschiedde het ook aanvankelijk. Het convent te Wezel, 1568, was slechts door persoonlijke uitnoodiging, vooral van Marnix van St. Aldegonde en van Petrus Datheen, samengekomen. Maar de synode te Embden, 1571, is reeds aanstonds op kerkelijke wijze samengeroepen, nl. door een commissie van zes personen, waarvan twee door de synode van Bedbur, 4 en 5 Juli 1571 gehouden, en vier door de vluchtelingenkerk te Embden, waren aangewezen. Evenzoo de synode van Dordrecht, 1578, door de classen der Nederlandsche kerken zelve, die op een voorbereidende vergadering op 26 Febr. 1578 er toe besloten. De synode te Middelburg, 1581, werd door de kerk van Antwerpen, (met de kerk van Delft en met de Waalsche kerk te Antwerpen door de vorige synode als „synodale kerk” aangewezen), samengeroepen. Later echter werd de overheid er in betrokken. Niet, omdat de kerken het recht van uitschrijving der synode aan de overheid toekenden, zooals de politieken wilden, maar omdat de overheid gereformeerd was, en de kerken op hare autoriteit konden steunen. Zoo is de synode van ’s-Gravenhage, 1586, op verzoek van vele kerken door den Graaf van Leycester uitgeschreven; en ook de synode van Dordrecht, 1618-’19, niet door een of nadere synodale kerk of classe, maar door de Algemeene Staten samengeroepen. Zij

|227|

wees, in afwijking van art. 50, voor het uitschrijven van de volgende synode niet de kerk, maar de classis Dordrecht als „synodale classis” aan. De reden voor deze afwijking lag in het feit, dat de kerk van Dordrecht niet vrij was in hare bewegingen, omdat de overheid zich daar nog al met kerkelijke zaken bemoeide. De classe was van zelf niet zoo van de plaatselijke overheid afhankelijk. Maar ook dat mocht niet baten. De Staten hielden het samenkomen van een volgende synode tegen.

De wijze van samenroeping is volgens deze bepaling aldus: De vorige synode wijst een „synodale” of „nationale kerk” aan, „die last heeft om den tijd én de plaats der Generale Synode aan te wijzen.” Gewoonlijk bepaalt zij tevens in welke stad de volgende synode zal samenkomen en draagt zij aan de kerk aldaar op de synode samen te roepen. Deze heeft dan alleen den juisten tijd en het gebouw van samenkomst nader vast te stellen en de synode alsdan te ontvangen. Dit geldt echter alleen de gewone synode, die alle drie jaar geregeld samenkomt. In geval echter twee particuliere synoden binnen drie jaar een buitengewone synode noodig oordeelen, maken zij dit aan de synodale kerk bekend. Deze is dan geroepen, na eerst met hare particuliere synode den tijd en de plaats van samenkomst vastgesteld te hebben, aan het verzoek te voldoen en de buitengewone synode samen te roepen.

4. De wijze van werken op de synode. Inzake de wijze van werken op de synode hebben de kerken in hare K.O. geen bepaling opgenomen. Toch is het van belang er hier iets van te zeggen, omdat het een punt raakt, dat voor alle synoden van belang is.
Wij gaan eerst na welke manier van werken door de oude synoden is gevolgd. Voor zooverre uit de acta van het convent te Wezel, 1568, en van de synoden te Embden, 1571, te Dordrecht, 1578, te Middelburg, 1581, en te ’s-Gravenhage, 1586, valt af te leiden, hadden zij de vrije manier van werken, zonder commissoriale voorbereiding van elk punt, dat behandeld werd. Maar de synode van Dordrecht, 1618-’19, week van deze gewoonte af en volgde de manier van behandeling bij de Staten-Generaal gebruikelijk, waar de afgevaardigden van elke provincie te zamen slechts één rapport en één stem uitbrachten en de president uit die verschillende rapporten de eindconclusie trok zonder die nog aan eene afzonderlijke stemming te

|228|

onderwerpen. De leden der synode waren in achttien afzonderlijke colleges of commissies verdeeld, en wel elf inlandsche (nl. één college van de gezamenlijke professoren, negen colleges van afgevaardigden der provinciale synoden, en één college van afgevaardigden der Waalsche synoden); en zeven buitenlandsche, (nl. van elk land of van iedere stad saam een afzonderlijk college). Deze verschillende colleges vergaderden als afzonderlijke commissies, behandelden elken avond de punten, die den volgenden dag aan de orde werden gesteld, zoodat elk college afzonderlijk zijn judicium (sententie) of oordeel inleverde, tenzij er een of ander was, die zijne stem afzonderlijk wilde uitbrengen. Bij gewichtige punten werden er dus wel achttien judicia voorgelezen, terwijl het moderamen uit al deze judicia een eind-judicium trok, dit aan de synode liet voorlezen en het dan zóó, als het gevoelen der meerderheid aangenomen beschouwde, of wel door eene afzonderlijke stemming tot een synode-besluit verhief. Deze manier van werken mocht doeltreffend zijn om tot het juiste besluit te komen, zij was echter zóó omslachtig en tijdroovend, dat er zeer over geklaagd werd en de synode zelfs, op voorstel van den praeses, overwoog of zij niet door eene korter en doelmatiger manier vervangen kun worden, wat echter op niets uitliep.

De kerken in onze dagen hebben echter in deze commissoriale behandeling in tweeërlei opzicht verandering aangebracht. Vooreerst worden de commissies niet meer provinciaalsgewijze gevormd, maar voor de verschillende groepen van zaken, die op het agendum voorkomen, afzonderlijke commissies geheel vrij samengesteld. Voorts worden de verschillende punten van het agendum soort bij soort tot verschillende groepen samengevoegd; voor elke groep wordt ééne commissie benoemd, die des avonds vergadert en haar resultaat in een rapport met overwegingen en eind-conclusies samenvat; deze rapporten worden ter synode voorgelezen en besproken, waarna de synode er geheel vrij over beslist. Deze manier van behandeling heeft onmiskenbaar dit groote voordeel, dat de onderscheidene zaken beter tot haar recht komen. In eene kleine vergadering, van tien, twaalf personen, kan onder goede leiding het noodige licht ontstoken worden over gewichtige punten zonder afzonderlijke voorbereiding, maar in eene groote vergadering is dat ondoenlijk.

Toch zijn er tegen deze werkwijze ook zeer ernstige

|229|

bezwaren in te brengen. Wijl alle voorbereidende arbeid in deze commissies geschiedt, moet de praeses telkens vragen, welke commissie met haar rapport gereed is. Gevolg is, dat de verschillende onderwerpen geheel zonder orde of samenhang afgehandeld worden, en door de acta heen verspreid komen te staan. Terwijl ook de arbeid voor de leden der commissies dikwerf veel te zwaar is, wijl zij des daags ter synode aan de behandeling der zaken deelnemen en des avonds tot laat in den nacht aan hun rapporten moeten werken. De gedachte is dan ook al geopperd of het niet veel beter zou wezen, dat de synode eerst een voorloopige samenkomst hield, bijv. van één dag, waarin zij de commissies benoemde, en dan een week of een veertien dagen uiteenging, om aan de commissies den tijd te geven eerst hare rapporten op te stellen, om daarna in volle synode, zonder onderbreking het agendum te kunnen afhandelen. De voordeelen zouden wezen, dat de commissies hare taak rustig konden afwerken en de rapporten gedrukt aan de leden der synode konden toezenden; dat de leden der synode den tijd hadden, deze rapporten te overwegen; dat de behandeling der zaken op de synode zelve geregeld en zonder onderbreking en naar de bijeenbehoorende rubrieken kou plaats hebben; en dat de acta meer systematisch konden worden ingericht.

Jansen, Joh. (1976) Art. 51

 

Art. LI. Voor de Gereformeerde Kerken van Europeanen in Nederlandsch-Indië wordt de wijze, waarop zij met de Kerken hier te lande in verband staan, door de Generale Synode geregeld.

 

Verband tusschen de Indische en Nederlandsche Gereformeerde kerken.

Dit artikel is eerst door de synode van Utrecht, 1905, in de K.O. opgenomen. Het oude artikel is toen geschrapt en door een nieuw vervangen. Ter wille van de volledigheid bespreken wij echter eerst het oude en daarna het nieuwe artikel.

1. De oude redactie van art. 51. Deze luidt: Alzoo in de Nederlanden tweeërlei sprake gesproken wordt, is voor goed gehouden, dat de Kerken der Duitsche en Waalsche taal, op haar zelve haar Kerkeraad, Classicale vergaderingen en

|230|

particuliere Synoden hebben zullen. Vooreerst staat hier, dat er in de Nederlanden tweeërlei sprake gesproken werd. Er woonde in het laatst der 16e eeuw tweeërlei volksstam in de Zuidelijke Nederlanden. De Vlamingen, die tot het Nederlandsche volk behoorden en de Duitsche (d.i. Nederlandsche) taal spraken, en de Walen, die van een Gallischen of Franschen stam, uit de naast aan Frankrijk grenzende Nederlandsche provinciën Artois, Henegouwen, Vlaanderen, en een gedeelte van Brabant, afkomstig waren en de Waalsche (d.i. de oude Fransche taal) spraken. Al spoedig ontstonden er verschillende Waalsche Gereformeerde gemeenten, die reeds vroeg hun samenkomsten hielden. In de acta dezer synoden worden zij echter met verbloemde namen aangeduid, om aan de vervolging te ontkomen nl. la Rose, de Roozeboom (Ryssel); la Vigne, de Wijngaard (Antwerpen); la Palme, de Palmboom (Doornik); du Bouton, de Rozeknop (Armentieres); de la fleur de Lis, de Lelie (Oudenaarden); la Olive, de Olijfberg (verscheidene kerken, in
Vlaanderen); du Glaive, van het Zwaard (Gent); du Soleil, van de Zon (Brussel) enz. Opmerkelijk is het, dat beide kerken-groepen wel de 37 Geloofs-artikelen van Cuido de Brès aannamen, maar inzake den Catechismus verschilden. De Waalsche kerken namen dien van Calvijn, de Nederlandsche kerken dien van Heidelberg aan, en dit werd door alle synoden, tot die van Dordrecht, 1618-’19 toe, goedgekeurd. Deze Waalsche kerken hadden het, na de komst van Alva, in de vervolging zwaar te verduren. Hare kerkgebouwen werden verbrand, afgebroken of vernield; hare leiders en aanhangers door den bloedraad gevangen gezet en gedood; en hare goederen verbeurd verklaard. Velen van deze geloovigen zijn toen gevlucht naar Engeland (Londen) en naar Duitschland (Wezel, Frankenthal, Keulen, Embden, enz.). Anderen hielden zich in de Waalsche provinciën schuil, terwijl nog meerderen uit de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden vluchtten.

Voorts staat hier, dat de Waalsche kerken „op haar zelve haar Kerkeraad, Classicale vergaderingen en particuliere Synoden” hebben zouden. De vraag was toch of de Waalsche kerken, die Fransch spraken, een eigen kerkverband zouden onderhouden, dan wel met de bestaande kerken van Holland en Zeeland in de bestaande classen en synoden zouden worden opgenomen. Over deze vraag hielden zij te Dordrecht, in het jaar 1577, een afzonderlijke vergadering. Daar kwamen ze overeen om aan de

|231|

synode (te Dordrecht 1578) te vragen, of het niet het best ware, wegens taalverschil ook in eigen classen samen te komen. De synode antwoordde, dat ze wegens het verschil in taal een eigen kerkverband mochten onderhouden en dus ook in afzonderlijke kerkeraads-, classicale en particuliere synodale vergaderingen mochten samenkomen; en wat de generale synode betrof, zou als regel gelden, dat deze uit twee afgevaardigden van elke particuliere synode, „soowel der Walscher als der nederduytscher sprake” zou bestaan, art. 44; maar dat zij ook afzonderlijke generale synoden mochten houden, mits onder deze beperking, dat deze geen verandering mochten aanbrengen in de belijdenis en kerkenordening, want dat mocht alleen op een synode van beide spraken geschieden, art. 46. Maar de synode van Middelburg, 1581, liet dit laatste eenvoudig weg, zoodat ze wel eigen kerkeraden, classen en particuliere synoden, maar geen eigen generale synoden mochten houden. En zoo bleef de bepaling gelden, totdat ze door de synode van Utrecht, 1905, geschrapt is.

Volgens de opgave van W.A. Bachiene, in zijn „Kerkelijke Geographie”, vierde stuk blz. 194, waren er in het laatst der 16e en in het begin der 17e eeuw zestien Waalsche gemeenten, en wel in Holland zeven, nl. te Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Rotterdam en 's-Gravenhage; in Zeeland drie nl. te Middelburg, Zierikzee en Vlissingen; in Gelderland één nl. te Nijmegen; in Utrecht één nl. te Utrecht; in Overijsel één nl. te Kampen; en eindelijk nog drie in de Generaliteitslanden nl. te Grave, Bergen-op-Zoom en te Groede. Dit aantal werd echter na de opheffing van het Edict van Nantes in 1685 door Lodewijk XIV (1654-1715) aanmerkelijk versterkt door de Fransche refugiés of vluchtelingen. Bij dit edict was aan de Fransche Hugenoten vrijheid van godsdienst gewaarborgd. Maar Lodewijk XIV werd ontrouw aan zijn woord. Duizenden kerken werden omvergehaald, vele geloovigen ter dood gebracht of op de galeien vastgeketend, en groote scharen refugiés (vluchtelingen) ontsnapten over de grenzen en werden in Brandenburg, Nederland, Engeland en Zwitserland met open armen ontvangen. Deze vluchtelingen spraken ook Fransch en voegden zich dus in ons land bij de oude Waalsche gemeenten. Een jaar na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685, waren er op de synode van Rotterdam, 1686, twee honderd gevluchte predikanten, die de belijdenisschriften der Waalsche kerken plechtig onderteekenden. Zoo zij geen gemeenten hadden, ontvingen zij een

|232|

jaarlijksch pensioen. 400 gulden voor de gehuwden en 300 gulden voor de ongehuwden. Het aantal vluchtelingen was zóó groot, dat de bestaande gemeenten werden versterkt en vele nieuwe gemeenten werden gesticht. In 1688 bedroeg hun aantal samen twee en vijftig.

In het jaar 1817 is het aantal Waalsche gemeenten weer aanmerkelijk verminderd. De Staat had geldgebrek en wijl vele gemeenten te klein waren om een predikant te beroepen, bepaalde Willem I, dat de kleine gemeenten zich met de Ned. Hervormde gemeenten moesten vereenigen. Tengevolge van deze bepaling zijn er vele opgeheven. Thans zijn er nog 17 Waalsche gemeenten met 17 predikanten. Daar de Gereformeerde kerken met de Waalsche kerken niet meer in kerkelijk verband staan en de werking van dit artikel dus vervallen is, heeft de synode van Utrecht, 1905, het geschrapt en door een nieuw artikel vervangen.

2. De nieuwe redactie van art. 51. In dit nieuwe artikel is sprake van de Gereformeerde kerken van Europeanen in Nederlandsch-Indië. Aanvankelijk waren er slechts twee nl. de kerken te Batavia en te Soerabaja. Deze beide kerken waren ontstaan door den zendingsarbeid der Christelijk Gereformeerde kerk. Deze toch zond in 1874 zendeling E. Haan naar Batavia. Hij werkte er onder de Europeanen en inlanders beide. Er werd een kleine gemeente onder de Europeanen gesticht, in de hoop, dat die arbeid de brug zou worden voor den eigenlijken arbeid onder de inlanders. Hij arbeidde er van 1874-1883, en werd opgevolgd door D. Huising van 1883-1899; deze door Ds. D.J.B. Wijers van 1899-1914; en deze werd voor het Hollandsch sprekende deel der gemeente opgevolgd door Ds. J.C. Aalders van 1918-heden, en voor het Maleisch sprekend deel door Ds. L. Tiemersma, van 1912-heden. Enkele jaren nadat br. E. Haan naar Batavia vertrok, zond de kerk br. A. Delfos uit naar Soerabaja, die daar ook een gemeente van Europeanen stichtte en er arbeidde van 1880-1887, en opgevolgd werd door br. A. Bolwijn, van 1886-1896, en deze door Ds. W. Pera van 19001919. Later kwam er bij de kerk te Djocjakarta in 1913, voorts de kerken te Bandoeng, Semarang en Solo op Java, en die te Medan op Sumatra. De kerk te Bandoeng werd gesticht in Febr. 1916 en kreeg in 1921 Dr. J.H. Bavinck als predikant; die te Medan, in Mei 1917 gesticht, kreeg in 1918 Dr. W.G. Harrenstein als predikant; en die te Solo, waar Dr. H.A. van Andel en Ds. A. Pos arbeiden.

Inzake deze Gereformeerde kerken van Europeanen in

|233|

Ned.-Indië, bepaalt nu art 51 K.O.: „de wijze, waarop zij met de Kerken hier te lande in verband staan, wordt door de Generale Synode geregeld.” Over dit verband is heel wat te doen geweest. Zij hadden zich aanvankelijk, geheel collegialistisch, als vereeniging bij het Indisch Gouvernement laten erkennen en konden op dien voet niet in ons kerkverband opgenomen worden. De synode van Middelburg, 1896, benoemde dan ook drie deputaten, die over beide punten, nl. over de verhouding tot het Indisch Gouvernement en over het kerkverband moesten dienen van advies. Uit dit advies, dat op de synode van Groningen, 1899, werd uitgebracht, bleek overtuigend, dat de kerken van Batavia en Soerabaja nog altijd bij de regeering als „vereeniging” bekend stonden, en dat daar vooralsnog niet aan te doen was. Toch besloot de synode deze kerken, die volgens eigen verklaring gaarne als zelfstandige kerken van Gereformeerde belijdenis zouden bekend staan, inzake de leer en kerkregeering de drie Formulieren van eenigheid en de K.O. aanvaardden, en met de Gereformeerde kerken in Nederland kerkelijke gemeenschap wenschten te onderhouden, te gemoet te komen, door te bepalen: deze kerken als zusterkerken te erkennen, haar in het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde kerken op te nemen, totdat ze met andere kerken op Java een eigen classis zullen kunnen vormen, en ze als „buitenkerken” bij de classis ’s-Gravenhage te voegen, die met haar van hare zaken moest oordeelen, haar met raad en daad zou dienen en met haar de correspondentie zou onderhouden, terwijl de Gereformeerde kerken in Nederland ze financieel zouden steunen met het oog op het groot belang, dat zij voor de zending hadden en met het oog op eigen zendingsarbeid in Batavia en omgeving, Acta van Groningen, 1899, artt. 84 en 112. Met de andere kerken, nl. van Bandoeng en Medan ging het evenzoo. Ook deze zijn als buitenkerken in de classis ’s-Gravenhage der Gereformeerde kerken opgenomen, op dezelfde voorwaarden als vroeger bij de kerken van Batavia en Soerabaja, nl. dat hieruit voor de classis geen financieele verplichtingen zouden voortvloeien, Acta van Rotterdam 1917, blzz. 226, 229.

Op de synode van Rotterdam, 1917, kwam ook reeds het verzoek om een eigen classis van de Gereformeerde kerken op Java te vormen. De synode verwees dit terug naar de classis ’s-Gravenhage om advies. Ondertusschen kwamen de kerken op Java op 21 Aug. 1918 te Djogja reeds als „voorloopige classis”

|234|

saam en herhaalden die voorloopige samenkomst op 24 en 25 Juni 1919 te Bandoeng, en op 23 en 24 Juni 1920 te Soerabaja. Onder dien oplevenden drang uit de kerken van Java zelf, besloot dan ook de generale synode van Leeuwarden, 1920, dat er een classis Batavia zou zijn, die de kerken te Batavia, Soerabaja, Bandoeng, Medan, Djogja, Semarang en Solo zou omvatten en als buitenclassis bij de particuliere synode van Zuid-Holland (Noordelijk Gedeelte) gevoegd zou worden, „met dien verstande, dat zij zoo mogelijk naar die synode afgevaardigden zenden en de grenzen vaststellen, waarbinnen elke kerk zal arbeiden; dat als Deputaten ad examina naar art. 49 K.O. zal optreden de Afzonderlijke Vergadering van Missionaire Dienaren des Woords op Java; en dat deze classis de bevoegdheid hebbe om niet alleen (gelijk van zelf spreekt) alles te doen, wat eener Classis is, maar bovendien ook af te handelen de zaken, die van wege hun speciaal Indisch karakter alleen de Indische kerken in het gemeen aangaan, natuurlijk altoos behoudens het recht van appèl naar art. 31 K.O.; doch dat zij zich voor alles, wat zoowel de kerken in Nederland als die in Indië in het gemeen aangaat, tot de Particuliere, resp. Generale Synode zal wenden in al die gevallen, waarin ook de Classes in Nederland dit naar de K.O. hebben te doen”, Acta van Leeuwarden, 1920, art. 132, blz. 67 en Bijlage XXXVIII blzz, 257-259.

Jansen, Joh. (1976) Art. 52

 

Art. LII. Desgelijks wordt de arbeid der kerkelijke Zending in Nederlandsch-Indië, voor zoover deze algemeene bepalingen noodig heeft, door de Generale Synode in eene Zendingsorde geregeld.

 

De regeling der kerkelijke zending.

Ook dit artikel is door de synode van Utrecht, 1905, geschrapt en door een ander vervangen. Wij handelen eerst weer over het oude en daarna over het nieuwe artikel.

1. De oude redactie van art. 52. De synode van Dordrecht, 1578, had dan — zooals uit de verklaring van het vorige artikel bleek — bepaald, dat de Waalsche kerken een eigen kerkverband zouden onderhouden, d.i. afzonderlijke kerkeraads-, classicale en particuliere synodale vergaderingen mochten

|235|

houden. Al spoedig gevoelden zij, dat het niet genoeg was, alleen een enkele maal in generale synode met elkander samen te komen. Zij kwamen dan ook zelf op de synode van ’s-Gravenhage, 1586, met het verzoek, om op zekere tijden ook gecombineerde kerkeraads-vergaderingen met de „Duytsche” (d.i. met de Nederlandsch-sprekende) kerken te mogen houden. Als antwoord op deze vraag heeft de synode toen aan het vorige artikel een nieuw artikel toegevoegd, aldus luidende: „Is niet te min goet ghevonden, dat inde Steden daer de voorschreven Walsche Kercken zijn, alle Maenden sommige Dienaren ende Ouderlingen van beijde zijden vergaderen zullen om goede eendracht ende correspondentie met malcanderen te houden, ende soo veel moghelijck is nae ghelegenheydt des noots met rede malcanderen by te staan.” De bedoeling was dus om verband met elkander te onderhouden en als er moeilijkheden kwamen, zooals dat bij de Arminiaansche twisten noodig bleek, elkander met rede bij te staan.

In de practijk is er echter van deze gecombineerde kerkeraadsvergaderingen weinig gekomen. De Waalsche kerken hielden hare eigen kerkeraadsvergaderingen en tweemaal in het jaar hare synoden; de eerste einde April of begin Mei, en de tweede einde Augustus of begin September. De synoden droegen het karakter van nationale of generale synoden. Alle Waalsche kerken waren er rechtstreeks vertegenwoordigd. Wijl onze Gereformeerde kerken echter met de Waalsche kerken geen gemeenschap meer hebben, is ook dit artikel door de synode van Utrecht, 1905, geschrapt en door een ander vervangen.

2. De nieuwe redactie van art. 52. Aanvankelijk waren er voor de kerkelijke zending in Ned.-Indië geen algemeene bepalingen. Naar mate echter de zendingsactie zich uitbreidde, werd er al meer behoefte aan gevoeld. Na enkele jaren van voorbereiding kwam het op de synode van Arnhem, 1902, tot de vaststelling der Zendingsorde. Vandaar dat de synode te Utrecht, 1905, die er nog een kleine wijziging in aanbracht, in de K.O. als algemeen geldende bepaling vaststelde, dat de arbeid der kerkelijke Zending in Nederlandsch-Indië, voor zoover deze algemeene bepalingen noodig heeft, door de Generale Synode in een Zendingsorde geregeld moet worden, en deze bepaling in plaats van het oude art. 52 opnam. Deze zendingsorde te bespreken valt buiten het bestek van dit werk. Zij is te vinden in de uitgave der K.O. van Ds. W.B. Renkema en Dr. J.C. de Moor.

Jansen, Joh. (1976) Art. 53

|236|

III. Van de leer, de sacramenten en andere ceremoniën.

 

Art. LIII. De Dienaren des Woords Gods, en desgelijks de Professoren in de Theologie (’t welk ook den anderen Professoren en insgelijks den Rectoren en Schoolmeesters wel betaamt) zullen de drie Formulieren van eenigheid der Nederlandsche Kerken onderteekenen, en de Dienaren des Woords, die zulks refuseeren, zullen de facto in hunnen dienst door den Kerkeraad of de Classe geschorst worden, tot ter tijd toe dat zij zich daarin geheellijk verklaard zullen hebben, en indien zij obstinatelijk in weigering blijven, zullen zij van hunnen dienst geheellijk afgesteld worden.

 

Onderteekening der belijdenis door de Dienaren des Woords, enz.

De artikelen, die nu volgen, handelen dus over drie zaken:
1. Van de leer, artt. 53-55.
2. Van de sacramenten artt. 56-64 (nl. van den Doop artt. 56-60; en van het Avondmaal artt. 61-64).
3. Van de andere ceremoniën artt. 65-70 (nl. van de lijkpredikatiën, art. 65; van de bededagen, art. 66; van de feestdagen, art. 67; van de catechismusprediking, art. 68; van de psalmen en gezangen, art. 69; en van het christelijk huwelijk, art. 70).

Op het tweede deel, dat over het kerkverband handelt, volgt nu het derde, over de leer, de sacramenten en andere ceremoniën. Alle kerken toch, die met elkander in kerkverband treden, moeten in belijdenis der leer, der sacramenten en der voornaamste kerkelijke en liturgische plechtigheden overeenstemmen. De belijdenis is daarbij de hoofdzaak en wordt hier dan ook het eerst genoemd. Het kerkverband is op overeenstemming in belijdenis gegrond. Toen Genève door Calvijn gereformeerd werd, stelde hij eerst een belijdenis op, die alle burgers moesten aannemen. In Frankrijk hebben de Gereformeerde kerken op hare

|237|

eerste synode te Parijs in 1559, aanstonds een belijdenis opgesteld en aanvaard. In de Zuidelijke Nederlanden hebben de kruiskerken de geloofsbelijdenis van Guido de Brès op de synode te Armentières, 1563, aanvaard, en hare onderteekening geëischt. Ook de kerken in de Noordelijke Nederlanden stelden de onderteekening der belijdenis van hare eerste synodes af verplichtend. In dit artikel zijn nu samengevoegd de groepen van onderteekenaars, voor wie een formulier is opgesteld, terwijl in het volgende artikel nog volgen de ouderlingen en diakenen, voor wie geen formulier bestaat.

1. Het Formulier voor de Dienaren des Woords. Aanvankelijk was er geen formulier. Het convent te Wezel, 1568, achtte het nog voldoende, dat de candidaten bij het examen mondeling hun overeenstemming met de belijdenis en catechismus betuigden. Maar de synode te Embden, 1571, eischte reeds de onderteekening van de belijdenis. Men plaatste zijn handteekening eenvoudig onder een afschrift of afdruk der belijdenis, want een formulier was er nog niet. Maar dit „simpelick onderteekenen”, zooals Cornelis van Delft dit onderschrift noemde, achtten de kerken al spoedig niet voldoende. De classis Alkmaar had dan ook, 21 Sept. 1608, reeds een formulier opgesteld, dat twee deelen bevatte, nl, een verklaring van instemming met den catechismus en met de 37 geloofsartikelen; en een belofte, dat men aan die leer wilde vasthouden en alle dwalingen, daartegen strijdende, openlijk zou verwerpen. Dit was het moederformulier. Twee jaar later, in 1610, stelde de classis Buren (Gelderland) een nieuw formulier op, met dezelfde verklaring en belofte, maar waarin de ketterij van Arminius uitdrukkelijk genoemd en veroordeeld werd, terwijl zij tevens van de proponenten eischte, dat zij, bij twijfel omtrent de leer, dezen twijfel alleen zouden mededeelen aan de classe, en zich aan haar oordeel zouden onderwerpen op poene van suspensie (schorsing).

In 1610 stelde de provinciale synode van Zeeland, gehouden te Veere 17-27 Mei, een formulier op, dat de volgende elementen bevatte: 1e een verklaring van instemming met de confessie en den catechismus; 2e de belofte, deze leerstukken getrouw te zullen leeren; 3e de verplichting, om bij eenigen twijfel, daarover alleen in de classe of synode te zullen spreken op straffe van censure; en 4e de bereidwilligheid, om telkens, wanneer de classe het eischte, zijn gevoelen omtrent eenig stuk der leer nader te verklaren. Tevens had deze synode een

|238|

formulier ontworpen voor de onderteekening der kerkenordening. Evenzoo heeft de provinciale synode van Gelderland, gehouden te Harderwijk, 3 Juli 1612, een nieuw formulier opgesteld, waarbij het Zeeuwsche en Alkmaarsche formulier tot leiddraad dienden, en dat, behoudens enkele afwijkingen, dezelfde hoofdelementen bevatte.

Geen wonder, dat de synode van Dordrecht, 1618-’19, een formulier voor alle kerken opstelde. Aanleiding daartoe gaf het gravamen van Zuid-Holland: op welke wijze het kwaad gestuit kon worden, dat de Remonstrantsche predikanten wel de confessie en den catechismus onderteekenden en toch bezwaren tegen de Gereformeerde leer bleven koesteren. De synode besloot daarop „een accuraet formulier van onderteekeninge van de confessie, den catechismus ende de synodale verklaringhe van de vyff articulen der Remonstranten” op te stellen, „om daer mede haer gesont gevoelen duydelick te betuyghen, ende de verkeerde uytvluchten van sommige, omtrent de onderteekeninghe, te voorcomen.” Zij benoemde een commissie, die in de 164ste zitting het concept-formulier inleverde, dat door de synode werd goedgekeurd en tot nu toe geldig is gebleven. Dit formulier is te vinden in de Postacta, enz. van Dr. H.H. Kuyper, blz. 186 vv.

Het karakter dezer onderteekening is drievoudig:

1e Een verklaring van instemming met de drie formulieren van eenigheid. Vóór 1618-’19 werden alleen de confessie en de Catechismus onderteekend. Thans werd er aan toegevoegd „mitsgaders de Verklaring over eenige Punten der voorzeide Leer in de Nationale Synode Anno 1619 te Dordrecht gedaan.” Door deze beslissing kregen de kerken in plaats van twee dus drie formulieren van eenigheid. Elke persoonlijke onderteekening was dus een verklaring: alzoo geloof en belijd ik als dienaar des Woords. En de gezamenlijke onderteekeningen maakten ze tot „formulieren van eenigheid.” De synode verklaarde dan ook, dat ze moest plaats hebben „tot een teecken van eenicheyt in de rechtgevoelende leere.”

2e Een belofte, deze leer naarstiglijk voor te staan, en de dwalingen, die er tegen strijden, te weren.

3e Een verplichting, om eventueele dubia (twijfelachtige leerstukken) niet te verbreiden, maar aan het oordeel van „den kerkeraad, classe en synode” te onderwerpen, op poene van schorsing. In het Zeeuwsche formulier stond: classe of synode.

|239|

De betrokken predikant kon dus kiezen. Het Dordsche formulier nam den kerkeraad er in op en stelde: kerkeraad, classe en synode. De vraag was dus, of deze bepaling conjunctim d.w.z. achtereenvolgens eerst aan den kerkeraad, daarna aan de classe en eindelijk aan de synode, opgevat moest worden. Neen, zeiden de Zeeuwsche afgevaardigden, de Dordsche synode bedoelde, dat deze woorden divisim (deelsgewijze) moesten opgevat worden, zoodat het aan de keuze van den predikant zou staan, waar hij zijn dubia wilde openbaren. In de nieuwe redactie van 1905 staat dan ook weer: kerkeraad, classe of synode.

4e Een verbintenis, om zich aan het jus inquisitionis (het recht van onderzoek), behoudens het recht van appèl, te onderwerpen. Natuurlijk alleen „om gewichtige oorzaken van nadenken”; niet „op eens ygelijckx believen, maer dan eerst, als zij rechtvaerdighe oorzaecke van suspicie zouden mogen gegeven hebben. waer van het oordeel by de kerckelycke vergaderinghe bestaen sal.” De strijd met de Remonstranten had deze nadere verbintenis noodig gemaakt om hun „verkeerde uytvluchten” onmogelijk te maken, en zoo kregen de formulieren het karakter van „formulieren van zuiverheid”.

2. Het formulier voor de Professoren in de Theologie. De synode van Dordrecht, 1578, bepaalde voor het eerst, dat ook de professoren in de Theologie de belijdenis des geloofs moesten onderteekenen, art. 53. De synode van Middelburg, 1581, voegde er nog aan toe, „twelck oock den anderen Professoren wel betaemt”, art. 37. De volgende synoden namen deze bepalingen over. En de synode van Dordrecht, 1618-’19, gaf aan hare deputaten last, het formulier voor de predikanten ook voor de onderteekenng der Professoren in de Theologie, de Regenten der Colleges, de Rectoren en de Schoolmeesters gereed te maken. Het werd in de 175ste zitting dan ook voorgelezen en goedgekeurd, en is te vinden in „De Postacta” enz. van Dr. H.H. Kuyper, blz. 229 vv.

Bij vergelijking blijkt, dat het formulier voor de predikanten alleen een weinig is gewijzigd. De aanspraak is dus veranderd: „Wij professoren” enz. Het „prediken” is weggelaten. Zij behoeven hun bedenkingen alleen aan de provinciale synode of hare gedeputeerden te openbaren. En zij worden eventueel niet gestraft met suspensie van hun dienst, want daartoe hadden de kerken geen macht, maar alleen met censure.

|240|

In de practijk is van de onderteekening niet veel terecht gekomen. Alleen de professoren van de Universiteit te Groningen teekenden het getrouw, maar die van Leiden en evenzoo die van Nijmegen, Harderwijk, Franeker en Utrecht weigerden, blijkbaar omdat in het formulier „subjectie” (onderwerping) aan de provinciale synode beloofd werd en de Staten dit verboden.

Dit formulier is met enkele wijzigingen voor de Professoren en Lectoren aan de Theol. School te Kampen gereed gemaakt en voor het laatst door de synode van Amsterdam, 1914, Acta, blz. 107, herzien.

Voorts hebben wij ook nog een formulier voor de Theologische Professoren aan de V.U. In het jaar 1891 werd er verband gelegd tusschen de Nederduitsch Gereformeerde kerken en de Theol. Faculteit der V.U. Dit voorloopig verband werd bij de vereeniging der Ned. Geref. kerken en de Christelijk Gereformeerde kerk in 1892 overgenomen, en bleef gelden tot in 1908. Toen was er van een formulier nog geen sprake. In 1908 echter is bij de herziening van het verband tusschen de kerken en de Theol. Faculteit in art. 5 opgenomen: „De Hoogleeraren en andere Docenten onderteekenen vóór dat zij in functie treden, een door de kerken vastgesteld formulier, waardoor zij hun instemming betuigen met de belijdenisschriften der Gereformeerde Kerken en zich uitdrukkelijk verbinden, in woord of geschrift niets te zullen leeren, dat daarmee strijdig is. Dit formulier wordt niet vastgesteld, noch gewijzigd zonder voorafgaand overleg met de Directeuren en Curatoren der Vrije Universiteit”. Op dezelfde synode werd een concept-formulier aangenomen, dat volgens de Acta der volgende synode ook door de Vereeniging voor Hooger onderwijs werd aanvaard. Dit formulier is te vinden in de Acta van de synode te Amsterdam, 1908, Bijlage LXXX.

3. Het Formulier voor de Rectoren en de Schoolmeesters. Reeds de particuliere synode van Dordrecht, 1574, besloot, „dat de Schoolmrs. de belijdinghe des gheloofs onderschrijven, ende zich der Discipline onderwerpen”; en, zoo er onwilligen waren, moest men de overheid verzoeken, „dat se gheweert ofte afghesettet worden”. Deze onderteekening was toen nog een maatregel van reformatie. De synode van Middelburg, 1581, art. 37, en die van ’s-Gravenhage, 1586, art. 48 stelden de onderteekening evenals voor de predikanten, enz. ook voor de schoolmeesters verplichtend. De synode van Dordrecht,

|241|

1618-’19, nam deze bepaling over en zoo bleef ze gelden, totdat de synode van Utrecht, 1905, in plaats van de verplichting, uitsprak: „('t welk ook den anderen Professoren en insgelijks den Rectoren en Schoolmeesters wel betaamt)”.

Aanvankelijk geschiedde de onderteekening eenvoudig onder een afdruk of afschrift der belijdenis. Maar de synode van Dordrecht, 1618-’19, droeg aan de commissie, die een formulier voor de predikanten enz. zou opstellen, tevens op dit formulier voor de onderteekening der Regenten, der Rectoren en der Schoolmeesters gereed te maken. Het is te vinden in de Postacta van Dr. H.H. Kuyper, blz. 188 vv. Het is een verkorte redactie van dat voor de predikanten en bestaat uit twee stukken: 1e een verklaring van instemming met de leer; en 2e een belofte, deze leer naarstig voor te staan en aan de jeugd in te scherpen. Het dient aanbeveling, dat dit formulier voor de tegenwoordige Gereformeerde scholen, die de instemming der onderwijzers met de belijdenisschriften vragen, gebruikt worde.

Jansen, Joh. (1976) Art. 54

 

Art. LIV. Insgelijks zullen ook de Ouderlingen en Diakenen, en degenen die door eene Classe als proponent worden toegelaten, de genoemde Formulieren van eenigheid onderteekenen.

 

De onderteekening door ouderlingen en diakenen en proponenten.

De oude redactie, die van 1586 dagteekent, bepaalde alleen, dat de schoolmeesters de confessie, of in de plaats van haar, den Heid. catechismus moesten onderteekenen. De synode van Utrecht, 1905, heeft echter de schoolmeesters uit dit artikel geschrapt en bij het vorige artikel gevoegd en in dit artikel de ouderlingen, diakenen en proponenten samengenomen. Zoo heeft zij in art. 53 de groepen, voor wie wèl, en in art. 54 de groepen, voor wie géén algemeen geldend formulier bestaat, samengevoegd. Wij handelen dan ook over de onderteekening der ouderlingen en diakenen en proponenten elk afzonderlijk.

1. De onderteekening der ouderlingen en diakenen. De vroegere kerken hebben inzake de onderteekening der ouderlingen en diakenen geen vaste lijn getrokken. De particuliere

|242|

synode van Dordrecht, 1574, begon met ze verplichtend te stellen (art. 32). De generale synode van Dordrecht, 1578, liet ze echter vrij (art. 53). Die van Middelburg, 1581, stelde ze weer verplichtend (art. 37). Maar die van ’s-Gravenhage, 1586, liet ze geheel weg. Ook de synode van Dordrecht, 1618-’19, liet ze „ter discretie van yder Classis ende Synoden”. De oude synoden weifelden dus zeer op dit punt.

Later kwam er echter eenstemmigheid. De particuliere synoden hielden zich eerst nog wel aan de Dordsche bepaling om ze vrij te laten, maar de practijk bewoog zich al meer in de richting van verplichte onderteekening. De Gereformeerde kerken, die in 1834 en 1886 het synodale juk afwierpen, sloten zich bij deze gewoonte aan. Toen dan ook de synode van Utrecht, 1905, bij hare wijziging van art. 54, de onderteekening der ouderlingen en diakenen verplichtend stelde, deed zij niets anders dan een reeds lang gevestigde gewoonte in de K.O. vastleggen. De wijze der onderteekening liet zij aan de kerken over. Wel had de particuliere synode van Groningen bij haar een voorstel ingediend, om „een formulier van onderteekening voor Ouderlingen en Diakenen vast te stellen.” Maar zij antwoordde: „aangezien de regeling dezer zaak aan de Classen is overgelaten, en door onderscheidene Classen reeds is vastgesteld, is er geen reden voor de generale synode om een dergelijk formulier op te stellen.” Dit antwoord bevredigt ons niet geheel. Dergelijke in alle kerken voorkomende en noodzakelijke stipulatiën (verbintenissen) moeten niet aan de kerken en classen overgelaten, maar in een algemeen geldende redactie vastgelegd worden.

2. De onderteekening door de proponenten. Deze kwam niet in de oude K.O. voor. Eerst de synode van Utrecht, 1905, heeft ze bij hare revisie der K.O. in art. 54 opgenomen. Maar al was ze in de K.O. niet bepaald, ze werd reeds in de 17e eeuw in verschillende provincies verplichtend gesteld, bijv. in Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Holland en Overijsel. Ze is dan ook niet van belang ontbloot. Proponenten toch zijn studenten in de Theologie, die geëxamineerd en toegelaten zijn, om een stichtelijk woord te spreken. De kerken hebben er recht op te weten, dat ieder, die voor haar optreedt, zich verbonden heeft de zuivere leer der waarheid te verkondigen. De synode van Utrecht, 1905, bepaalde dan ook terecht in art. 54, dat ook „degenen, die door eene Classe als proponent worden toegelaten, laten, de genoemde Formulieren van Eenigheid onderteekenen.”

|243|

De wijze, waarop ze moet plaats hebben, is aan de classen overgelaten. Zij kunnen het formulier voor de predikanten met de noodige wijzigingen overnemen. Maar zij kunnen er ook, zooals de Zeeuwsche en Zuidhollandsche kerken vroeger, eigen formulieren voor opstellen. Dat van Zeeland was opgesteld door de synode te Vere in 1610. (Zie Acta van Reitsma en van Veen dl. V blzz. 106-107). En dat van Zuid-Holland door de synode van Gorinchem in 1622. (Zie Acta van Dr. W.P.C. Knuttel dl. I blzz. 49-50). Het is wenschelijk, dat de classen, eer ze aan de proponenten toegang tot den kansel verleenen, de onderteekening der belijdenis vragen en daarvan in de acte van het examen melding maken.

Jansen, Joh. (1976) Art. 55

 

Art. LV. Tot wering van de valsche leeringen en dwalingen, die door kettersche geschriften zeer toenemen, zullen de Dienaars en de Ouderlingen de middelen gebruiken van leering, van wederlegging, van waarschuwing en van vermaning, zoowel bij den dienst des Woords als bij de Christelijke onderwijzing en bij het huisbezoek.

 

De Boekencensuur.

Dit artikel handelt over de boekencensuur. Hiervan zijn twee redacties, die nog al uiteenloopen.

1. De oude redactie luidde: Niemand van de Gereformeerde Religie zal zich onderstaan eenig boek of schrift van hem of van een ander gemaakt of overgezet, handelende van de Religie, te laten drukken, of anderszins uit te geven, zonder dat ’t zelve vooraf doorzien en goed gekend zijnde, van de Dienaren des Woords zijner Classe, of particuliere Synode, of Professoren der Theologie van deze Provinciën, doch met voorweten zijner Classe. De boekencensuur was reeds vóór de reformatie, vooral sinds de uitvinding van de boekdrukkunst in 1423 door Laurens Jansz. Koster te Haarlem, in de Roomsche kerk tot ontwikkeling gekomen. Velen leerden toen lezen en grepen naar de boeken van de Hervormers. Deze openden de oogen voor de schrikkelijke dwalingen der Roomsche kerk. Uit verweer daartegen greep deze naar het wapen der boekencensuur. Reeds in 1501 en in 1515 verboden de pausen het

|244|

drukken van boeken zonder bijzonder verlof der aartsbisschoppen of van den pauselijken vicarius, en in 1559 kwam er een z.g.n. „lijst van verboden boeken”, waarin de geschriften van de Hervormers werden veroordeeld.

De Gereformeerde kerken namen dit instituut dus van de Roomsche kerken over, maar pasten het nu in haar voordeel toe. Reeds op hare eerste synode, te Embden, 1571, bespraken zij dit punt en legden zij de vrijheid van het boekdrukken aan banden. Niemand mocht een boek over de „Religie” schrijven of laten drukken, zonder dat het door de classe of door een der gereformeerde professoren goedgekeurd was (art. 51). De synode van Dordrecht, 1578, nam deze bepaling over (art. 55); evenzoo die van Middelburg, 1581, (art. 38). Maar de synode van ’s-Gravenhage, 1586, bracht een wijziging aan. De synode van Embden had geheel in het algemeen bepaald „Niemand”, nl. geen enkel burger, ’t zij hij lid der kerk is of niet, zal een kettersch boek schrijven of drukken. Zij hoopte dat bij de doorwerking der reformatie de overheid de kerken zou helpen, en de bepaling algemeene geldigheid zou krijgen. Maar dat kwam anders uit. De politieken oordeelden later, dat de kerken alleen over die binnen, en niet over die buiten zijn hadden te zeggen, en hare bepaling moesten inperken. Dit geschiedde dan ook op de synode te ’s-Gravenhage, 1586. Zij toch bepaalde „Niemand van de Gereformeerde religie zal” enz., zoodat zij nu alleen op de leden der kerk betrekking had. En de synode van Dordrecht, 1618-’19, voegde er nog iets aan toe, zoodat de tekst nu luidde, zooals de oude redactie boven is afgedrukt. Een schrijver kon nu zijn boek op drieërlei manier laten onderzoeken: of door de predikanten zijner classe, óf door de predikanten zijner particuliere synode, óf door de professoren der Theologie; maar aan de censuur der professoren had zij toegevoegd: „doch met voorweten der Classis.” De strijd met Arminius was pas achter den rug. Deze had bewezen, dat de professoren niet onvoorwaardelijk te vertrouwen waren. Daarom mochten zij hun goedkeuring niet geven, dan met voorweten der classen, binnen wier ressort zij woonden.

Van deze boekencensuur is echter weinig terecht gekomen. Vooreerst omdat de overheid niet wilde meewerken. De synode van Dordrecht, 1618-’19, heeft onderscheiden zittingen aan het vraagstuk der boekencensuur gewijd, en wilde de Generale Staten verzoeken in naam der kerken een verordening

|245|

uit te vaardigen, om de misbruiken weg te nemen en voortaan te voorkomen. Maar er kwam niets van. De Staten waren de kerken voor en kwamen op 22 Dec. 1618 met een eigen verordening „tot wegneming van de abusen der Druckerijen”, uit. Zij vreesden zeker, dat de kerken wel eens te veel konden vragen en voorzagen wel, dat zij toch iets moesten doen. Dit placcaat der overheid bevredigde de synode niet. Zij drong nog nader aan op strenger visitatie der boeken en strenger toezicht op de drukkerijen; en wilde bovendien, dat er vaste visitateurs zouden worden aangesteld, onder wie ook kerkelijke personen moesten worden opgenomen.

Voorts zijn de meerdere vergaderingen niet in staat deze boekencensuur zelf uit te oefenen, omdat zij zoo nu en dan maar zitting houden. Zij moeten de boekencensuur dus aan afzonderlijke commissies opdragen. Maar ook dan nog zou die taak veel te zwaar zijn voor enkele commissieleden, terwijl zulk een commissie, die het recht van goed- en afkeuring moest ontvangen, zoo licht een gevaarlijk inkruipsel van hiërarchie zou kunnen worden.

Ten derde zou een Gereformeerde boekencensuur onbillijk zijn tegenover Gereformeerde schrijvers. De ongeloovige schrijvers zouden er door aangemoedigd en de geloovige schrijvers tegengehouden worden. Ook zou de waarborg voor een rechtvaardige censuur ten eenenmale ontbreken. Enkele sprekende voorbeelden leveren daarvan het bewijs. Bijv. „Zions worstelingen” van Jacobus Fruytier en „Het innige christendom” van Wilhelmus Schortinghuis konden de kerkelijke goedkeuring niet verkrijgen, hoewel het uitstekende boeken waren, die veel nut gesticht hebben; terwijl „De hemel op aarde” van Frederik van Leenhof, predikant te Zwolle, in 1703 met classicale goedkeuring verscheen, hoewel het niet vrij was van Spinozistische ketterijen, waarom hij dan ook in 1708 door de synode van Overijsel werd afgezet. Hieruit blijkt duidelijk, dat de boekencensuur niet in staat is, het schrijven en drukken van verkeerde boeken tegen te gaan. „De gestolen wateren zijn zoet en het verborgen brood is liefelijk”, Spr. 9: 17. De afkeuring was menigmaal een reclame voor een verschenen boek.

2. De nieuwe redactie. De synode van Utrecht, 1905, heeft dan ook de oude redactie door een nieuwe vervangen, Zij oordeelde, dat de kerken zooveel mogelijk den invloed van verkeerde boeken moesten tegengaan, echter niet door een of

|246|

ander wettelijk verbod of door een dwingende bepaling, maar op geestelijke en zedelijke wijze, door leering, wederlegging, waarschuwing en vermaning, zoowel bij den dienst des Woords als bij de Christelijke onderwijzing en bij het huisbezoek.

Het voornaamste middel is steeds de dienst des Woords. Bij elken tekst moet de waarheid zuiver verkondigd, de dwaling weerlegd, voor ketterijen gewaarschuwd en tot getrouwheid vermaand worden. Voorts wijst het artikel op de Christelijke onderwijzing of catechisatie. Deze dient juist om de waarheid thetisch uiteen te zetten, de dwalingen te weerleggen, tegen verkeerde lectuur te waarschuwen en de jeugd te vermanen tot naarstig onderzoek der Schrift. En in de derde plaats noemt het artikel het huisbezoek. En zeer terecht. Naar de lectuur in de gezinnen moet steeds meer worden gevraagd. Bij elk huisbezoek. In vele gezinnen leest men zonder bezwaar een zoogenaamd neutraal of anti-christelijk blad. In zulke gevallen moet het beginsel spreken, de waarheid verklaard, de dwaling weerlegd, en vooral de jongere generatie, die zoo licht door den geest des tijds wordt meegevoerd, voor afwijking gewaarschuwd!

Maar zou een lid der Gereformeerde kerken, wegens het schrijven of uitgeven van een kettersch boek, voorwerp van censuur kunnen worden? Ongetwijfeld! Alleen men onderscheide hier wèl. De tucht gaat steeds over levende personen en niet over levenlooze voorwerpen, omdat deze niet zondigen kunnen en niet tot bekeering vermaand kunnen worden. De Roomsche kerk doet niet alleen de schrijvers, maar ook hun geschriften in den ban. Vermaard is de ban van 15 juni 1520 over Luther en zijn werken. Indien bij niet binnen 60 dagen herriep, moest hij gevangen genomen en naar Rome vervoerd, en zijn geschriften verbrand worden. De Gereformeerde kerken oordeelden steeds, dat de tucht alleen gaat over levende personen, die zich in leer of leven aan ergerlijke dwalingen en zonden schuldig maakten. Blijkt nu zulk een dwaling in de leer uit een boek, dan is de schrijver aan vermaning en tucht onderworpen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 56

|247|

Art. LVI. Het verbond Gods zal aan de kinderen der Christenen met den Doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden, en dat in openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt.

 

De bediening des Doops.

Na de artikelen over de belijdenis, volgen nu de Sacramenten. Eerst de Doop in zes artikelen. Art. 56 over den Doop der kinderen. Art. 57 over de Doopgetuigen. Art. 58 over de Doopsformulieren. Art. 59 over den Doop der bejaarden. En art. 60 over de Doopregisters.

Art. 56 handelt dus over den kinderdoop. Wij stellen de volgende vragen:

1. Aan welke kinderen de Doop bediend moet worden? Art. 56 antwoordt: aan de kinderen der Christenen. Deze bepaling is nog al eens veranderd. De Wezelsche artikelen en de acta van de particuliere synode van Dordrecht, 1574, bepaalden geheel in het algemeen: „aan de kinderen”. Natuurlijk bedoelden zij niet alle kinderen, maar alleen de kinderen der geloovigen. Daarom bepaalde de synode van Dordrecht, 1578: „de kinderen der Christenen”. De volgende synode te Middelburg, 1581, beperkte het nog meer en sprak van „de kinderen der ghedoopten Christenen,” niet alsof er ook ongedoopte christenen waren, maar omdat de doop als bewijs gold, dat iemand christen was. Maar de synode van ’s-Gravenhage, 1586, liet het woord „gedoopte” weer weg, omdat de doop in het woord christen begrepen ligt. Zoo bleef dus de redactie van 1578, voortaan gelden: „aan de kinderen der Christenen”.

Deze bepaling is zeer ruim. Maar de kerken oordeelden steeds, dat de K.O. slechts algemeene beginselen mag bevatten. Het opschrift boven het formulier van den kinderdoop is ook zeer ruim, In de oude redactie stond alleen: „Forme om den heiligen doop uit te richten.” Uitgevers hadden er later van gemaakt: „Formulier om den heiligen Doop te bedienen aan de kleine kinderen der geloovigen.” Maar de thans geldende uitgave van Dr. F.L. Rutgers c.s. heeft: „Formulier om den heiligen Doop aan de kinderen te bedienen”. Aan welke kinderen staat er niet bij. Bedoeld zijn de kinderen der christenen of „de kinderen der geloovigen”, zooals art. 34 der confessie zegt,

|248|

of de kinderen des verbonds, Gen. 3: 15; 17: 7; Hand. 2: 39, die in het verbond der genade en in de gemeente begrepen zijn, Joël 2: 16; Ef. 6: 1; Col. 3: 20; 1 Joh. 2: 13; 2 Tim. 3: 15.

Geen wonder, dat er bij de toepassing van zulk een algemeen beginsel allerlei vragen rezen.

Aanstonds bij de reformatie in de 16e eeuw was de vraag al, op de synode te Embden 1571, of een kind van Roomsche ouders, die den doop in de Gereformeerde kerken zuiverder achtten, gedoopt mocht worden. De synode antwoordde zelf niet, maar verwees naar een advies van de predikanten en professoren te Genève op een dergelijke vraag. Als regel moest gelden, zoo schreef Beza, geen kinderen te doopen dan van lidmaten der kerk. Maar in tijden, wanneer de kerk pas tot reformatie kwam en nog onder kruis en vervolging zuchtte, mochten bij wijze van uitzondering de kinderen van ouders, die nog te zwak en te bevreesd waren, om zich bij de Gereformeerden te voegen, onder getuigen gedoopt worden. Waren de ouders beslist onkundig, dan moesten zij vooraf uitdrukkelijk beloven, dat de kinderen in de Gereformeerde leer opgevoed zouden worden. De kerken hebben dit advies in den ruimsten zin toegepast. In het laatst der 16e eeuw gebeurde het wel, dat kinderen, wier ouders publiek Roomsch waren, in de Gereformeerde kerken gedoopt werden. De besluiten van latere synoden waren vaak al te zwak. Bijv. het antwoord van de synode van Dordrecht, 1578, op de vraag, of men de kinderen van allerlei menschen, als hoereerders, geëxcommuniceerden,
papisten en andere dergelijken, zonder onderscheid doopen zal, dat aldus luidde: „overmits de doop aan de kinderen des verbonds toekomt, en het zeker is, dat deze kinderen buiten het verbond niet zijn, zoo zal men ze van den doop niet weren, mits behoorlijk onder getuigen.” Dit antwoord ging toch wel wat al te ver. Hier ontbrak toch alle waarborg voor een Christelijke opvoeding. Het is alleen te verklaren uit het begrip der volkskerk. Dit brengt mee, dat men ten slotte alles doopt wat in het doophuis gebracht wordt.

Mag een kind van onverschillige ouders gedoopt worden? De synode van Middelburg, 1581, antwoordde: Neen, niet aanstonds, maar de ouders moeten tot hun schuldigen plicht en tot het zoeken van bekwame getuigen vermaand worden en de dienaren des Woords moeten tegen zulke onordelijke

|249|

toestanden in de prediking waarschuwen. De synode gevoelde, dat dit toch zoo maar niet ging. Toch was ook dit antwoord te zwak, en te veel uit het beginsel der volkskerk. Onverschillige ouders moeten vermaand worden tot ze zelf belijdenis doen en zoo niet, dan mogen hun kinderen niet gedoopt worden, omdat zij buiten de kerk en buiten het verbond der genade staan.

Mogen kinderen van gecensureerden gedoopt worden? Een gecensureerde staat nog niet buiten de kerk. Hij heeft het recht op het lidmaatschap nog niet verloren, alleen de uitoefening of het gebruik van zijn rechten is hem ontnomen. Daarom heeft zijn kind wel recht op den doop, maar mag hij niet als getuige bij den doop optreden, om de stipulatiën aan te gaan. Zulk een kind kan gedoopt worden als bijv. een van beide ouders niet onder censuur staat, en lidmaat is in volle rechten, of andere belijdende leden, liefst uit den kring der familie, bijv. de grootouders, als getuigen optreden. In geval van opheffing van censuur kan hij zelf bij verklaring voor den kerkeraad de stipulatiën van de getuigen overnemen.

Mogen kinderen van geëxcommuniceerden gedoopt worden? Aanvankelijk waren de kerken op hare synoden (Dordrecht, 1574, Dordrecht, 1578, Middelburg, 1581) van oordeel, dat zij nog als kinderen des verbonds te achten waren, en daarom ook gedoopt moesten worden. Maar deze besluiten zijn toen onder den invloed van de leer der volkskerk genomen. Later oordeelden de kerken en ook Voetius, Maestricht, enz. er anders over. En terecht. In geval één van beide ouders lidmaat is in volle rechten, mag het kind volgens 1 Cor. 7: 14 gedoopt worden. Maar in geval beide ouders geëxcommuniceerd zijn, of de niet-geëxcommuniceerde buiten de kerk staat, mogen de kinderen, die na de excommunicatie geboren zijn, niet gedoopt worden.

Mogen onechte kinderen gedoopt worden? Bijv. wanneer de ongetrouwde moeder doop- of belijdend lid eener Gereformeerde kerk is en de vader onbekend, of vermoedelijk een onverschillige en ongeloovige is? Wanneer de moeder belijdend lid is en na ernstige vermaning tot berouw komt, ja! De moeder kan dan zelf, na schuldbelijdenis, het kind laten doopen en de doopvragen beantwoorden. Is zij dooplid en komt zij tot oprecht berouw, dan kan haar schuldbelijdenis aangenomen worden, ook al is zij nog niet rijp voor geloofsbelijdenis. Het is mogelijk, dat zij inzake die eene zonde tot volkomen

|250|

schuldbesef komt, maar dat haar geloof nog niet tot volkomen helderheid en rijpheid is gekomen om belijdenis te doen. Maar dan kan zij zelf toch niet de doopvragen beantwoorden. Het beste is dan, dat de grootouders, mits zij belijdende leden zijn, als getuigen optreden. Maar hoe, in geval de ongetrouwde moeder wel doop- of belijdend lid is, maar geen berouw over haar zonde toont en geen schuldbelijdenis wil doen? Ook dan wil Voetius, mits er goede waarborg is voor de christelijke opvoeding, nog onder getuigen doopen. Zie Pol. Eccl. I : 653 (Modo constet enz.).

Mogen geadopteerde (aangenomen) kinderen gedoopt worden? Het hangt er maar van af of het kinderen zijn van geloovige ouders, ja of neen. Zoo ja, dan mogen de pleegouders, zoo die leden der kerk zijn, laten doopen. Zoo neen, dan niet. Zulk een geval is behandeld op de synode te Dordrecht, 1618-’19. Er was een vraag van Ds. Hulsebos te Jacatra, of heiden-kinderen, die door christelijke families werden geadopteerd, mochten gedoopt worden. De Engelsche theologen o.a. zeiden: ja, want Abraham besneed ook de heiden-kinderen; Gen. 17: 12-13. Maar de synode antwoordde: neen, het feit, dat zulke heiden-kinderen door christelijke families aangenomen worden en een christelijke opvoeding krijgen, geeft geen recht op den doop. Abraham besneed niet alle heiden-kinderen in zijn omgeving, maar alleen de kinderen zijner slaven, die Abrahams God hadden leeren dienen en zelf eerst besneden waren.

En eindelijk is nog de vraag: of kinderen van z.g.n. doopleden gedoopt mogen worden? Er heeft zich sinds de behandeling van het bekende Rapport van Dr. Bavinck en Dr. Rutgers over de doopleden-quaestie, op de synode van Middelburg, 1896, drieërlei practijk ontwikkeld: òf dat men zulke doopledenouders zelf alsnog liet staan over den doop hunner kinderen; òf dat men getuigen stelde in de plaats van de ouders; òf dat men den doop uitstelde tot de ouders zelf belijdenis des geloofs hadden gedaan. De classis Kollum vroeg nu aan de synode te Amsterdam, 1908, welke van deze drie de goede manier is naar de Gereformeerde belijdenis. De synode antwoordde:

a. De goede practijk naar Geref. orde is, dat de Kerkeraden arbeiden om volwassen leden, die nog geen toegang tot het H. Avondmaal hebben gevraagd, er toe te brengen, dat zij belijdenis des geloofs afleggen.
b. Maar dat de kinderen van zulke ouders, die nog leden

|251|

der Kerk zijn, beschouwd moeten worden als te behooren tot het zaad der kerk, en dat deze derhalve recht op den Doop hebben.
c. Dat echter de stipulatiën, welke de kerk bij den doop der kinderen verlangt en moet verlangen, als waarborg voor de christelijke opvoeding, niet met de ouders kunnen worden aangegaan, wijl deze nog verzuimden door eigen belijdenis van hun geloof te doen blijken; tengevolge waarvan zij nog niet tot de volle gemeenschap zijn gekomen.
In zulke gevallen blijft er bij gevolg niets anders over dan om, liefst uit den kring der familie, een of meer getuigen te vorderen, die naar het oordeel des kerkeraads voldoende waarborg geven, dat de opvoeding van zulke kinderen zal beantwoorden aan den eisch des verbonds.” Zie Acta van Amsterdam, 1908, art. 86.

2. Door wie de Doop bediend moet worden? De eigenlijke Bedienaar van den Doop is Christus zelf, Matth. 3: 14; Joh. 3: 22, 26; 4: 1, 2. Maar Hij droeg de uitoefening der bediening aan Zijne discipelen, Joh. 4: 2, later aan Zijn apostelen Matth. 28: 19; Marc. 16: 15, 16; Hand. 2: 38, op. De bediening des doops was van den aanvang af aan de bediening des Woords gebonden. De doop volgde het Woord op den voet. Toen dan ook later de prediking des Woords aan het leerambt werd opgedragen, ging het recht om de sacramenten te bedienen vanzelf op de leeraren over.

Onze vaderen hebben dat beginsel aanstonds gevat en op het convent te Wezel, 1568, uitgesproken: „Daar de Sacramenten met de bediening des Woords door een onlosmakelijken band verbonden zijn, zoo betwijfelt niemand, dat zij tot het ambt der dienaren behoorden. Wij oordeelen daarom, dat de doop door niemand anders dan door den Dienaar des Woords op de rechte wijze kan meegedeeld worden.” Alleen wettig geordende dienaren des Woords waren bevoegd de sacramenten te bedienen. Geen anderen, zelfs geen professoren in de Theologie, geen ouderlingen noch diakenen. „Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, Ouderling of Diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords of der Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn.” Zoo bepaalde de synode van Middelburg, 1581, art. 3. Deze regel is zelfs in art. 30 der confessie vastgelegd: „dat er Dienaars of Herders moeten zijn, om Gods Woords te prediken en de Sacramenten te bedienen.”

|252|

Bij de toepassing van dit beginsel kwam men echter voor allerlei moeilijke vragen te staan. Allereerst enkele vragen met het oog op voorkomende gevallen in eigen kring.

Of de doop van private leden der gemeente, die nooit eenige roeping hadden, zooals van een vader of moeder, van vroedvrouwen of dokters, van kosters of voorlezers, van schoolmeesters of andere personen, die in geen kerkelijk ambt staan, erkend mag worden? De kerken antwoordden steeds ontkennend. Zelfs al had een privaat persoon ook opdracht van een kerkeraad, dan nog mocht zulk een doop niet erkend worden, omdat er geen wettelijke roeping tot het ambt plaats had.

Of de doop van hen, die eenigen hulpdienst voor het predikambt verrichten, zooals catechiseermeesters en ziekentroosters, enz., wettig is? Antwoord: neen! Zelfs al waren zij door een classe geautoriseerd, dan verklaarden de synoden nog wel, dat men dien doop van „geener waarde” zou achten (zie Dr. H.J. Olthuis, ,,De Doopspractijk” enz. blz. 30).

Of de doop van hen, die eenig kerkelijk ambt (buiten het predikambt) bekleeden, zooals ouderlingen en diakenen, van waarde is? Antwoord: neen, want zij staan niet in het ambt en missen de wettige roeping. Gebeurde het al eens, dat een ouderling op verzoek van de gemeente of van den kerkeraad den doop had bediend, dan moest die doop wel niet herhaald worden, omdat hij ,,eenige forme van beroepinghe” had, dus omdat er voor dit bepaalde geval een vorm van roeping was, maar het mocht geen navolging vinden (Acta van Dordrecht, 1578, part. vr. 291).

Of de doop van proponenten, dus van hen, die nog niet in bet predikambt staan, te erkennen is? De synode van ’s-Gravenhage, 1586, antwoordde in art. 18, dat een proponent na zijn prae-paratoir-examen wel „openbaerlijck van den Predick-stoel (mocht) Leeren,” dus wel mocht preeken, maar geen Sacramenten mocht bedienen, tot den tijd, dat zij volkomen beroepen en bevestigd waren. De synode van Dordrecht, 1618-’19, was van hetzelfde gevoelen. „Hoogstens mochten zij het doopsformulier voorlezen, maar het doopen zelf moest door den predikant geschieden.” Zie de Pro-acta enz. van Dr. H. Kaajan blz. 295. Dit geldt ook van het Avondmaal en het Avondmaalsformulier. Wij zouden willen adviseeren: het afvragen der beloften bij de doopvragen moet ook dan nog door den predikant geschieden, omdat het een ambtelijk karakter draagt.

|253|

Of de doop van gewezen predikanten, die geen ambt meer hebben, omdat zij zijn afgezet of tot een anderen staat des levens zijn overgegaan, nog erkend kan worden? De particuliere synode van Arnhem, 1600, antwoordde op deze vraag: „Neen, dewijle Christus bevoelen heeft te doopen, die hij bevoelen heeft te predijcken.” Een afgezet predikant of een dienaar, die zijn predikambt verlaten heeft en tot een anderen staat des levens is overgegaan, is geen predikant meer en mag dus ook geen sacramenten meer bedienen.

In de tweede plaats stonden de kerken voor de vraag of de doop van andere kerken of secten erkend kan worden.

a. De Roomsche doop. Aanstonds bij de hervorming was het de vraag, of allen, die uit de Roomsche kerk kwamen en met de hervorming meegingen, ook herdoopt moesten worden. Op de synode van Embden, 1571, was er zelfs een vraag over. Er waren enkele Gereformeerde christenen, die er niet gerust over waren, of zij ook herdoopt moesten worden. Maar de synode ging er niet op in. Zij dacht er niet aan alle gewezen-Roomschen, die met de hervorming meegingen, te herdoopen. Wanneer de doop in de Roomsche kerk door een wettig geordend priester, in den wettigen vorm (met water) en in den naam van den Drieëenigen God had plaats gehad, dan mocht hij niet herhaald worden. De synode van Middelburg, 1581, verklaarde dan ook, dat de doop van vagebond-priesters, d.i. van rondzwervende pastoors en kapelaans, die wel aan geen plaats verbonden waren, maar toch een zekere roeping hadden, wèl, maar dat de doop van monniken, die zich wel van de wereld afzonderden, maar geen ambt bekleedden, en doopten „sonder daertoe authorisatie te hebben,” niet erkend mocht worden. Zelfs de nooddoop, door vroedvrouwen, dokters, bakers en andere particuliere personen bediend, werd in den regel als een christelijken doop erkend en niet herhaald, omdat in geval van nood een leek er het recht toe had. Zie Voetius Pol. Eccl. Dl. I blzz. 633-635.

b. De doop der Lutherschen, Wederdoopers, Socinianen en Remonstranten. De doop der Lutherschen werd door de Gereformeerden erkend, indien hij door een wettig geordend predikant was bediend. Maar gold het den doop door de Wederdoopers toegediend, dan moest er eerst nauwkeurig onderzocht worden, of hij met water en in den naam van den Drieëenigen God had plaats gehad, omdat zij in de leer der Drieëenheid dwaalden. Zoo je, dan werd hij niet herhaald. De doop der Remonstranten

|254|

werd ook nog erkend, omdat zij de formeele leerstukken althans niet hadden verloochend. Maar de doop der Socinianen werd niet erkend, omdat zij niet meer tot de Christelijke kerken gerekend werden te behooren.

c. De doop op een plaats, waar geen Gereformeerde kerk is. In de tijden van vervolging en ook bij verhuizing kwam het wel voor, dat er Gereformeerden kwamen te wonen op plaatsen, waar geen Gereformeerde kerk was. Zoo bijv. omstreeks 1555, met vluchtelingen uit Nederland, die in Duitschland onder de Lutherschen kwamen te wonen. Evenzoo in Frankfort, waar in 1562 de overheid den Gereformeerden godsdienst verbood. De vraag was dan, of hun kinderen ongedoopt moesten blijven, dan wel of men ze bij de Roomschen of bij de Lutherschen mocht laten doopen. Onderscheidene godgeleerden waren van oordeel, dat het zoeken van den doop bij de Roomschen ongeoorloofd, maar bij de Lutherschen geoorloofd was, indien de bedienaar ten minste het exorcisme (duivelbanning) en andere Luthersche ceremoniën wilde weglaten. Calvijn was ook van oordeel, dat, als verhuizen niet mogelijk was, zulke Gereformeerde ouders hun kind bij een Luthersch predikant mochten laten doopen, mits er geen superstitieuze gebruiken plaats hadden, de ouders verklaarden bij de Geref. belijdenis te blijven, en het kind niet in de Luthersche, maar in de Gereformeerde leer werd opgevoed.

d. De ketterdoop. Ketters zijn zij, die dwalen in de fundamenteele leer der kerk. Inzake de erkenning van den ketterdoop is er verschillend geoordeeld. De kerkvaders in het algemeen veroordeelden den ketterdoop beslist. Cyprianus bijv., die leerde, dat er buiten de kerk geen zaligheid en ook geen doop was, zei de ketters staan buiten de kerk, derhalve is hun doop geen doop. De Westersche of Roomsche kerk echter erkende wel den ketterdoop. Elke doop, zelfs door vrouwen, dokters, joden en heidenen bediend, is geldig, mits hij bediend is met de wettige formule, in den naam van den Drieëenigen God. En wijl de doop inlijft in de kerk en er maar één zichtbare kerk is, zoo zijn alle gedoopten leden der eene ware (Roomsche) kerk en moeten desnoods met geweld tot die kerk terug gebracht worden. De Gereformeerden verwierpen de Roomsche leer, dat de onzichtbare kerk zich alleen in het eene Roomsche kerkinstituut openbaart. Zij, leerden, dat de eene onzichtbare kerk zich in meerdere kerkinstituten openbaren kan. Daarom erkennen zij

|255|

dan ook elken doop, die aan deze drie kenmerken beantwoordt: 1e dat hij bediend is, naar de instelling van Christus, met water en in den naam der Drieëenheid; 2e dat hij bediend is in een Christelijke gemeenschap, die aan de belijdenis der Drieëenheid vasthoudt en dus in beginsel een Christelijke kerk is; 3e dat hij bediend is door een in een Christelijke gemeente erkenden dienaar. Dit is dan ook het zuivere standpunt.

3. Wanneer de Doop bediend moet worden. Art. 56 zegt: Het verbond Gods zal aan de kinderen der Christenen met den Doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden. Er staat: zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan. Dat is niet na twee, drie of meer weken, maar bij de eerste samenkomst der gemeente, ’t zij die in de week of op den rustdag plaats heeft. Zoo was de gewoonte bij onze vaderen. Guido de Brès, de opsteller onzer belijdenis, liet zijn eerstgeboren kind den volgenden dag na de geboorte doopen.

Deze bepaling rust op de Schrift. Niet alleen de volwassenen zelf, Matth. 3: 6; Marc. 1: 5; Hand. 2:41; 8: 12, 36; maar ook hun gezinnen, werden terstond gedoopt, zooals Cornelius en zijn gezin, Hand. 10: 2, 47; 11: 13-14; Lydia en haar gezin. Hand. 16: 15; de Stokbewaarder en al de zijnen, Hand. 16: 33; Crispus de overste der synagoge en heel zijn huis, Hand. 18: 8; en het huisgezin van Stephanas, 1 Cor. 1: 16.

Sinds de 2e eeuw werd de doop echter om verschillende redenen uitgesteld; de volwassendoop, omdat de insluipende dwalingen een zekeren proeftijd (catechumenaat) noodzakelijk maakten; en de kinderdoop, omdat men vreesde, dat de kinderen de genade des doops weer verliezen zouden. Maar toen sinds de 5e eeuw de kinderdoop algemeen erkentenis vond en zoo langzamerhand de Roomsche dwaling insloop, dat de doop noodzakelijk is tot de zaligheid, werd vanzelf de vroegdoop regel. De kinderen moesten aanstonds gedoopt worden. Liefst nog op den dag der geboorte. Ingeval van nood mocht de doop dan ook door een leek (vader, moeder, vroedvrouw, dokter enz.) worden bediend.

Opmerkelijk is, dat de hervormers evenwel den vroegdoop van Rome overnamen. De eerste kerkelijke bepaling was van de particuliere synode van Dordrecht, 1574, art. 57, en deze luidde reeds: „Het verbondt Godts sal inden kinderen soo haast alsmen den Doop Christelicken becomen kan, met den Doope verseghelt worden, ten sij saecke datter eenighe sware oorsaecke

|256|

sij, om den doop eenen tijdt langh wt te stellen, van welcke de consistorie oordeelen sal. Maar die affectie der ouderen, die den doop harer kinderen begheeren wt te stellen ter tijdt toe dat de moeders selue haer kinderen presenteeren, ofte op die ghevaders langhe wachten, en achten de broeders gheen wettelicke oorsaecke te sijn om den Doop wt te stellen.” Deze bepaling hield drieërlei in: 1e de regel, dat de doop zoo spoedig mogelijk moest plaats hebben; 2e de uitzondering, dat uitstel alleen om „eenighe sware oorsaeke” geoorloofd was, en ter beoordeeling aan den kerkeraad stond; en 3e dat het wachten op het herstel der moeder, of op de aanwezigheid van getuigen, geen wettige reden voor uitstel was. Maar natuurlijk waren zij voor den vroegdoop om andere redenen dan Rome! Niet omdat de doop de wedergeboorte werkt en dus noodzakelijk is tot zaligheid. Maar op grond van de Schrift! En wel 1e omdat de kinderen der geloovigen van de geboorte af in het verbond der genade begrepen zijn en dus aanstonds recht op den doop hebben; 2e omdat de doop niet als de besnijdenis aan den achtsten dag gebonden is, maar zoo spoedig mogelijk moet geschieden; en 3e omdat het N.T. ons den indruk geeft, dat niet alleen de volwassenen, maar ook de kinderen der eerste bekeerlingen terstond gedoopt werden.

Uitstel van den doop mocht alleen om „eenighe sware oorsaecke” plaats hebben. Welke zulk „een sware oorsaecke” was, staat er niet bij, maar laat zich wel denken, bijv. ziekte, afwezigheid van den vader, zoodat de moeder moest optreden, verre afstand, enz., maar het wachten op het herstel van de moeder werd geen wettige oorzaak geacht. Moest de doop om eene of andere wettige oorzaak wachten, en kon de moeder mee ten doop komen, dan mocht zij ook evengoed als de vader bij den doop van haar kind optreden en de doopvragen mede beantwoorden.

Moet de doop in den vóór- of namiddagdienst, en vóór of na de preek plaats hebben? In de 17e eeuw gaf men aan den namiddagdienst de voorkeur, omdat door de doopsbediening in den vóórmiddagdienst het verzuim van de namiddagbeurt in de hand gewerkt werd, door „het misbruyck der brasmalen, dat daerop plach te volgen.” Een beginsel stak er dus niet in. De kerken kunnen het naar eigen goeddunken regelen. Op de tweede vraag, antwoordde de particuliere synode van Dordrecht, 1574, reeds, „dat mense tusschen de predicatie ende t’ algemeyne ghebet sluijten sal mueghen.” Dus eerst de preek, dan de doop

|257|

met de dankzegging na den doop en ten slotte het laatste gebed, Maar dat werkte ergerlijke misbruiken in de hand, nl. dat sommige hoorders na de preek weggingen, of dat de predikant na het beëindigen van den dienst alleen in tegenwoordigheid van belanghebbenden den doop bediende. Uit een oogpunt van beginsel moet de doop het Woord bezegelen, maar wijl in het formulier de leer des doops vooraf nadrukkelijk wordt verklaard, is er principieel geen bezwaar tegen, den doop aan de preek te laten voorafgaan.

4. Waar moet de doop toegediend worden? Art. 56 antwoordt: en dat in openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt. Aanvankelijk stond men den huisdoop nog wel toe. Het gebeurde, dat ouders, die pas uit Rome overgekomen waren, den doop van hun ziek kind aan huis vroegen, omdat zij nog hingen aan de dwaling van de absolute noodzakelijkheid des doops. Het convent te Wezel, 1568, gaf den raad, aan dat verlangen voorloopig toe te geven, mits in tegenwoordigheid van minstens vier of vijf geloovigen, om eenigermate een „vergadering van geloovigen” te hebben. De volgende synoden echter wilden van die toegeeflijkheid niet meer weten. De particuliere synode van Dordrecht, 1574, bepaalde in art. 58: „Men sal den Doop niet aendienen dan alleen in den openbaren versamelinghen der Kercke bij de vercondinghe des goddelicken woordts”. Deze bepaling werd door de volgende synoden overgenomen. Ondertusschen kwamen in de practijk er nog een tweetal gelijksoortige gevallen bij, nl. van ter dood veroordeelde misdadigers, die ongedoopt waren en den doop in de gevangenis, en van ongedoopte kranken, die den doop op hun sterfbed aan huis begeerden. Deze gevallen werden door de provincie Noord-Holland op de synode van Dordrecht, 1618-’19, gebracht. De Noordhollandsche afgevaardigden wilden den privaten doop weigeren, om de dwaling tegen te gaan, dat de doop noodzakelijk werd geacht tot de zaligheid. Niet de ontbering, maar de verachting der sacramenten stelde iemand schuldig. Maar de synode besloot, misschien wel onder invloed van de afgevaardigden van Zuid-Holland, die een milder standpunt innamen, in toegeeflijken zin: „Men sal den doop aan siecke kinderen ofte krancke buyten vergaderinge der kercke niet bedienen dan in zeer groten noot, ende dat met voorweten ende in tegenwoordicheyt des kerckenraets; oock niet aen gecondemneerde misdadighe dan met goet advys van de gedeputeerde des Classis”. Dit besluit bevat drie onderscheiden gevallen:

|258|

1e zieke kinderen, 2e volwassen kranken, die ongedoopt zijn, en 3e ongedoopte ter dood veroordeelde misdadigers. Zij stond dus den huisdoop in gevallen van grooten nood toe, mits in tegenwoordigheid van den kerkeraad, en, wat het laatste geval betreft, met goed advies van gedeputeerden der classe. Maar de synode was blijkbaar voor de doorwerking van haar eigen besluit bevreesd, want zij liet het niet alleen uit de K.O. weg, maar besloot ook, dat het in de acta, wanneer deze gedrukt werden, niet mocht opgenomen worden. In de practijk kwam het wel voor, dat voor zieken, voor aanzienlijke personen en voor vorsten een uitzondering werd gemaakt. Maar de kerken keurden het in den regel af. En terecht. De regel moet wezen, dat de doop in de openbare samenkomsten der gemeente plaats heeft, omdat de sacramenten bij den dienst des Woords behooren en zonder het Woord even weinig beteekenen als een zegel zonder een papier. Alleen bij hooge uitzondering, die niet aan den dienaar alleen, maar aan den ganschen kerkeraad ter beoordeeling staat, en dan alleen in bijzijn van den kerkeraad, kan het geoorloofd zijn.

Jansen, Joh. (1976) Art. 57

 

Art. LVII. De Dienaars zullen hun best doen en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten Doop presenteere. En in de gemeenten, waar men nevens den vader ook gevaders of getuigen bij den Doop neemt (welk gebruik, in zichzelf vrij zijnde, niet lichtelijk te veranderen is), betaamt het, dat men neme die de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn.

 

Vaders en Getuigen.

Dit artikel bevat twee hoofdzaken:

1. Het optreden der vaders bij den doop: De Dienaars zullen hun best doen en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten Doop presenteere. Dit is een echt reformatorisch beginsel, en een sterke anti-Roomsche bepaling. Bij Rome is de tegenstelling tusschen natuur en genade. De ouders zijn als de natuurlijke vleeschelijke voortbrengers van het kind de oorzaak, dat het in zonden ontvangen en geboren en een slaaf van Satan is. De kerk neemt het door den doop in haar schoot en

|259|

in de sfeer der genade op. Maar dan moeten in de plaats van de natuurlijke ouders de z.g.n. peetouders als geestelijke ouders bij den doop optreden. Zij moeten bij den doop de geloofsbelijdenis afleggen in de plaats van het kind, dat nog niet gelooven kan, en bovendien als borgen optreden, dat het kind overeenkomstig zijn doop zal worden opgevoed. Bij Rome traden de getuigen dus in de plaats van de ouders.

De Gereformeerde hervormers kwamen tegen dit getuigenstelsel in verzet en hebben het recht der ouders, om bij den doop hunner kinderen op te treden, hersteld. De tegenstelling tusschen natuur en genade, werd door die van zonde en genade vervangen. God had Zijn verbond opgericht met de ouders en hunne kinderen. Daarom moesten de ouders zelf bij den doop hunner kinderen optreden. Wel lieten de kerken volgens de bepalingen harer synoden het optreden aanvankelijk nog vrij. Zij wilden het Roomsche gebruik niet revolutionair afschaffen. Maar de ouders moesten dan voorop en de getuigen slechts naast de ouders staan (Wezelsche artikelen VI: 34). En wijl in de practijk vele ouders nog aan het Roomsche gebruik vasthielden, drongen de volgende synoden er met kracht op aan, dat de vaders verplicht waren, bij den doop hunner kinderen op te treden en de verbintenissen voor de opvoeding aan te gaan, al mochten de getuigen naast hen blijven bestaan, om hen bij de opvoeding „te helpen” onderwijzen, Acta van de synode van Dordrecht, 1574, art. 61; van Dordrecht, 1578, art. 61; en van Middelburg, 1581, art. 40. De synode van ’s-Gravenhage, 1586, art. 61, drong er ook bij de predikanten op aan, om er op te letten: „De Dienaars zullen haar best doen en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten doop presenteere.”

Het woord vader staat hier dus in tegenstelling met de Roomsche getuigen, die in plaats van de ouders optraden. De ouders mochten hun rechten niet langer prijsgeven. De vaders moesten de eerste plaats innemen bij den doop en de getuigen mochten slechts naast hen staan, om hen bij de opvoeding te helpen. Dat hier alleen de vader en niet ook de moeder genoemd wordt, is niet omdat de moeder toen geminacht werd, maar omdat het kind toen in den regel aanstonds bij de eerste gelegenheid werd gedoopt, zoodat de moeder er, gelijk van zelf spreekt, niet bij kon wezen. Onze vaderen waren van overtuiging, dat de kinderen der geloovigen van hun geboorte af in het verbond der genade begrepen waren en daarom

|260|

ook aanstonds recht hadden op den doop. In de 18e en 19e eeuw liet men de zuivere verbondsbeschouwing wel los en werd de doop ook niet meer als een teeken en zegel van Gods genade, maar als een kerkelijke plechtigheid beschouwd. En om nu aan die kerkelijke plechtigheden meer luister bij te zetten, besloot de algemeene synode der Ned. Herv. kerk in 1817, dat de doop uitgesteld moest worden, totdat er meer kinderen tegelijk gedoopt werden en de moeder er bij tegenwoordig kon zijn. Ook nadat de Gereformeerde doopsbeschouwing door de reformatorische beweging der afscheiding en der doleantie weer herleefde, is toch het uitstel van den doop hier en daar gewoonte gebleven. Niet uit minachting van den doop, maar uit een zekere overtuiging, dat het uitstel van den doop, totdat de moeder hersteld is en er bij tegenwoordig kan zijn, geoorloofd is. Maar onze vaderen achtten dit onjuist. De particuliere synode Van Dordrecht, 1574, verklaarde, dat „de affectie (gezindheid, neiging) der ouders, die den doop hunner kinderen begeerden uit te stellen, tot den tijd toe, dat de moeders zelven hare kinderen presenteeren of op de gevaders (getuigen) lang wachten, geen wettige oorzaak is om den doop uit te stellen.” Gebeurt het nu, dat de moeder er bij is, dan mag men haar niet ignoreeren en den vader alleen laten antwoorden. Dat zou krenkend en onrechtvaardig zijn. In dat geval wijzige men de derde doopvraag naar omstandigheden, evenals dat bijv. geschiedt in geval de vader gestorven of geen lid der kerk is en de moeder alleen moet optreden. Het formulier moet in zulke gevallen naar omstandigheden gebruikt worden. Ondertusschen trachte men met verstand de ouders te overtuigen, dat de doop zoo haast het kan moet bediend worden en dat uitstel tot het herstel der moeder door onze vaderen geen wettige en geoorloofde reden werd geacht.

De uitdrukking, „dat de vader het kind ten doop presenteere” beteekent, dat hij het kind ten doop aanbiede, en dit houdt in a. dat hij den doop aanvraagt bij den kerkeraad, evenals hij het kind aangeeft bij den burgerlijken stand; en b. dat hij bij den doop de stipulatiën aangaat inzake de opvoeding van het kind. Het beteekent niet, dat de vader het kind ook ten doop moet heffen d.w.z. bij het doopen moet vasthouden. Wel eischt een gezonde symboliek, dat de vader, of bij afwezigheid van den vader de moeder, deze handeling verricht, maar als geen van beiden er toe in staat is, kan het ook door een

|261|

familielid, door den predikant, of desnoods door de baker, geschieden. Het behoort tot de „middelmatige dingen.”

2. Het optreden van getuigen naast de ouders: En in de gemeenten, waar men nevens den vader ook gevaders of getuigen bij den Doop neemt, (welk gebruik, in zich zelf vrij zijnde, niet lichtelijk te veranderen is), betaamt het dat men neme die de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn. Het kostte nog al moeite de vaders er toe te bewegen, dat zij zelf bij den doop hunner kinderen optraden. Zij waren eeuwen aan de getuigen gewend. Wel waren deze, nu de ouders in hun rechten hersteld werden, eigenlijk overbodig. Maar de synoden lieten ze, al was het niet meer in de plaats van, dan toch naast de ouders, in de vrijheid der kerken.

Zij schaften ze niet revolutionair af, maar lieten het zuivere beginsel langzaam doorwerken. De ouders moesten allereerst optreden. Wilde men dan naast de ouders nog getuigen, dit werd bij wijze van concessie in de vrijheid der kerken gelaten. Het convent te Wezel, 1568, VI: 3, en de synode te Embden, 1571, art. 20, achtten het optreden van getuigen een middelmatig ding. Wel oordeelden de volgende synoden, van Dordrecht, 1574, art. 62; van Middelburg 1581, art. 40; van ’s-Gravenhage 1586, art. 51; en van Dordrecht, 1618-’19, art. 57, dat, al was het gebruik vrij, het toch, wegens zijn profijtelijkheid niet licht veranderd moest worden. En wel bleef in de 16e en 17e eeuw nog lang de gewoonte gelden, dat de getuigen naast de ouders optraden als borgen voor de christelijke opvoeding van het kind en als eventueele getuigen, dat het kind gedoopt was. Maar in de 18e en 19e eeuw is het langzamerhand in onbruik geraakt. Trouwens als de ouders in volle rechten optreden bij den doop hunner kinderen is het getuigenstelsel naast de ouders geheel overbodig. Alleen bij uitzondering, wanneer de ouders door den dood zijn weggevallen of nog geen belijdenis hebben gedaan, en dus uit kerkelijk oogpunt onmondig zijn, is het getuigenstelsel als hulpmiddel noodzakelijk. Eisch is dan, zooals art. 57 zegt, dat men dan getuigen neme, „die de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn.” De bedoeling is, dat het ongerepte belijdende leden der kerk zijn. Het is niet noodig dat ze leden derzelfde kerk zijn. Die het best voor het kind kunnen zorgen, komen het eerst in aanmerking, ook al zijn ze leden eener andere Gereformeerde kerk. Zie over getuigen in plaats van de „doopleden,” art. 56.

Jansen, Joh. (1976) Art. 58

|262|

Art. LVIII. De Dienaars zullen in het doopen, zoo der jonge kinderen als der bejaarde personen, de Formulieren van de instelling en het gebruik des Doops, welke tot dien einde onderscheidenlijk beschreven zijn, gebruiken.

 

Doopsformulieren.

Reeds in het N.T. blijkt, dat de bediening des doops van eenig ritueel, al was het nog zeer eenvoudig, vergezeld ging. De Moorman werd op zijn verzoek door Filippus gedoopt, na het afleggen van een geloofsbelijdenis, door onderdompeling en met het uitspreken van een doopsformule, Hand. 8: 36-38. Al spoedig werden er enkele vragen opgesteld, die door de doopelingen, of, zoo het kinderen waren, door de doopheffers moesten worden beantwoord. Later werden er bepaalde formulieren opgesteld, zooals bij de Roomsche kerk, die in het Rituale Romanum de doopsbediening tot in bijzonderheden regelde. En ook de hervormers hebben de doopsbediening aanstonds aan vaste regelen gebonden. Daarvoor zijn formulieren noodig. Bij de doopsbediening moest steeds een verklaring van den doop zijn. Deze is niet een private verklaring van den dienaar, maar een verklaring en uiteenzetting van de kerk. De formulieren zijn geen hulpmiddelen voor onbekwame dienaren, evenals een kruk voor een lamme, maar kerkelijke verklaringen inzake de bediening des doops. Alle groote mannen hebben de noodzakelijkheid daarvan erkend en zich aan het gebruik daarvan gehouden. Er is in art. 58 van twee formulieren sprake, nl. voor den kinderdoop en voor den volwassendoop.

1. Het formulier voor den kinderdoop. Het convent te Wezel, 1568, vermaande reeds, dat men de vragen „in het formulier van den doop uitgedrukt” woordelijk vragen moest. Toen was er dus reeds een formulier. En wel dat op naam van Petrus Datheen is gesteld, omdat hij den H. Catechismus had vertaald, 1563, en aan de kerken een nieuwe Psalmberijming en een liturgie heeft bezorgd, maar dat door hem in samenwerking met Van der Heijden is samengesteld en in 1566 is uitgegeven. Dit was echter geen nieuw formulier. Er bestonden reeds andere, bijv. het formulier van Calvijn in Genève, de „Forma ac ratio” etc. van a Lasco, de „Christelijke Ordonnantien” van Maarten Micron en het Paltzische formulier van Caspar Olevianus. Met

|263|

behulp van al deze formulieren hebben zij het formulier van 1566 samengesteld en uitgegeven.

Maar al spoedig zijn er wijzigingen in aangebracht. Het is met dit formulier een groote lijdensgeschiedenis geweest. De particuliere synode van Dordrecht, 1574, heeft het aanstonds belangrijk ingekort. Algemeen vond men het veel te lang. Vandaar dat er predikanten waren, die het geheel weglieten en door een eigen vermaning vervingen. De synode oordeelde echter, dat deze willekeurige wijziging „gevaarlijk” was. Daarom besloot zij „dat de vorm eenerlei zal wezen, welcke corter begrepen ende den Dienaren toegestelt is”, m.a.w. het bestaande formulier werd aanmerkelijk verkort. Later is er door de synoden telkens nog wel over den tekst van het formulier gesproken, nl. te Dordrecht, 1578, te Middelburg. 1581, te ’s-Gravenhage, 1586, en te Dordrecht, 1618-’19. Maar geen enkele synode heeft een uitgave bezorgd, die een officieel kerkelijk karakter droeg. De voornaamste uitgaven waren die van Van der Heiden in 1580 te Antwerpen; en een andere, die in 1591 en in 1611 te Middelburg bij Schilders uitkwam. De synode van Dordrecht, 1618-’19, heeft de uitgave van 1611 wel „overzien”, maar er geen nieuwen druk van bezorgd. Zoo kwamen er verschillende uitgaven, die nooit kerkelijk werden goedgekeurd. Eerst Dr. F.L. Rutgers c.s. hebben naar de uitgave van 1611 en naar de opmerkingen der Dordsche synode den tekst herzien, en ons een uitgave der Liturgie bezorgd, die door de synode van Amhem, 1902, voorloopig als de gangbare is aanbevolen.

2. Het formulier voor den volwassendoop. Dit formulier dagteekent van de synode te Dordrecht, 1618-’19. Het is niet geheel nieuw, maar een wijziging en aanvulling van dat voor den kinderdoop met het oog op den volwassendoop. Haar bedoeling was, dat het algemeen didactisch of leerstellig deel van het formulier voor den kinderdoop eerst gedrukt en gelezen zou worden en dat daaraan dan een korte uiteenzetting van den bejaardendoop en de vragen zouden worden toegevoegd. Een tweetal formulieren bestonden reeds. Eén van de kerken in Zuid- en Noord-Holland. In onderling overleg hadden de synoden van deze beide provincies in 1602 besloten samen een formulier op te stellen. Dit was het volgend jaar, nl. in 1603, gereed. Dit formulier werd niet alleen in Zuid- en Noord-Holland, maar ook in Gelderland en in Friesland gebruikt. Het bestond uit vijf vragen, die aan den doopeling

|264|

gesteld werden. En één van de Zeeuwsche kerken, op last van de synode te Vere, 1610, opgesteld. Deze twee verschilden hierin, dat het Hollandsche aanstonds op de uiteenzetting van de leer des doops, uit het formulier voor den kinderdoop, het gebed en de vijf vragen liet volgen, terwijl het Zeeuwsche daarop eerst een korte uiteenzetting van den volwassendoop gaf en daarna gebed en vragen. Deze Zeeuwsche redactie werd het volgend jaar, 1611, door H. Faukelius bij Schilders te Middelburg uitgegeven en is in hoofdzaak door de synode van Dordrecht, 1618-’19, gevolgd; evenwel met uitzondering van de vragen, want die zijn niet uit het Zeeuwsche overgenomen, maar naar het Hollandsche model opgesteld.

Jansen, Joh. (1976) Art. 59

 

Art. LIX. De bejaarden worden door den Doop de Christelijke gemeente ingelijfd, en voor lidmaten der gemeente aangenomen, en zijn daarom schuldig het Avondmaal des Heeren ook te gebruiken, ’t welk zij bij hunnen Doop zullen beloven te doen.

 

Bejaardendoop en Avondmaal.

Ter verklaring van dit artikel beantwoorden wij de volgende vragen:

1. Welke is de grens tusschen den kinder- en den volwassendoop? Hierover is van den aanvang der reformatie in de 16e eeuw bijna geen verschil geweest. In den regel werd daarvoor het 15e levensjaar aangegeven. Bij vroeg-ontwikkelde-kinderen werd de grens wel eens vroeger gesteld, maar later nooit. Dit stemt ook met de verschillende perioden overeen. De kindsheid duurt van 1-7 jaar, de knapenleeftijd van 8-14, en de jongelingsleeftijd van 15-21. De ontwikkelingsleeftijd valt bij alle volken in drie perioden, elk van ongeveer 7 jaar, uiteen. Nu was men het over twee punten algemeen eens. Het eerste was, dat kinderen van 1-7 jaar nog geheel als kinderen te beschouwen en te doopen waren. En het tweede, dat met en na het 15e levensjaar geen kinderdoop meer mocht plaats hebben. Maar de moeilijkheid lag juist in de tusschen-periode van 8-14 jaar en dan vooral bij kinderen van 12, 13 en 14 jaar. Kan men zulke knapen en meisjes nog als kleine kinderen doopen? Wijlen

|265|

Prof. Dr. F.L. Rutgers antwoordde op deze vraag: „Te dien aanzien is in onze kerken altijd aangenomen, dat de leeftijd op zich zelf nooit een reden mag zijn, waarom kinderen des verbonds van den doop zouden worden uitgesloten. Integendeel de doop moet hun zelfs zoo spoedig mogelijk bediend worden. En wanneer dit reeds eenige jaren is uitgesteld, dan is er des te meer reden, om nu toch niet langer te wachten. Daarom werden zulke kinderen hier te lande dan ook altijd toegelaten om gedoopt te worden, geheel op denzelfden voet als de pasgeborenen. Alleenlijk werd dan vaak bij de eenigszins oudere kinderen vooraf onderzocht, of zij reeds eenige Godsdienstige kennis hadden, bijv. of zij de Tien Geboden, de Twaalf geloofsartikelen, en het Onze Vader, of wel iets daarvan reeds van buiten kenden. Zonder twijfel, opdat blijken zou, dat de noodige waarborg voor een Christelijke opvoeding niet geheel ontbrak, en dat er bij het kind geen bepaald verzet was tegen de waarheid; 't geen bij de kinderen wel zeldzaam, maar toch niet geheel ondenkbaar is”. (Heraut 1894 no. 882). Dit was dan geen volkomen geloofsbelijdenis, die ook toegang gaf tot het H. Avondmaal, maar slechts een voorloopig onderzoek om te weten of de doopeling een Christelijke opvoeding genoot, de drie hoofdsommen van het Christelijk geloof kende, en geen teekenen van bepaalden afkeer van de religie, maar reeds eenige kenmerken van godsvrucht vertoonde. (Zie ook Heraut 1919, no. 2155). Maar wie den leeftijd van 15 jaar of daarboven bereikt had, moest belijdenis des geloofs afleggen en als volwassene gedoopt worden, of, zoo hij daartoe nog niet in staat of bereid was, wachten totdat hij nader onderricht ontvangen had en tot de geloofsbelijdenis in staat was.

2. Is een volwassen gedoopte verplicht terstond ten Avondmaal te gaan? De vraag is dus, of de toelating tot den volwassendoop de toelating tot het Avondmaal insluit. Die vraag kwam vooral in Noord- en Zuid-Holland op, of jongelieden, die op 15-, 16- of 17-jarigen leeftijd den doop aanvroegen, zonder eenig fundament in het geloof te hebben en zonder nog ten Avondmaal te kunnen gaan, wel gedoopt mochten worden? Ook kwam het voor, dat ongedoopten den doop aanvroegen om de kerkelijke huwelijksbevestiging te verkrijgen, omdat de kerken weigerden een huwelijk, waarvan een der partijen ongedoopt was, te bevestigen. Aanvankelijk waren de kerken van Noord- en Zuid-Holland op hare synoden in deze zaak zeer onzeker. Zij weifelden en

|266|

hadden niet den moed om te weigeren. Zij lieten zulke ongedoopten, als zij niet al te onverschillig waren, toe tot den doop alleen met de vermaning, dat zij zich „met den tijt bequamelick en ordentelick tot den aventmale (souden) begheven,” maar zonder hen te verplichten terstond ten Avondmaal te gaan. Later werden de Noordhollandsche kerken veel beslister en wilden ze eigenlijk niemand doopen, of hij moest beloven ook ten Avondmaal te gaan. Deze quaestie moest op de generale synode tot beslissing komen. Ze was er niet alleen door de particuliere synoden van Noord- en Zuid-Holland, maar ook door die van Utrecht gebracht.

En welke beslissing heeft de synode van Dordrecht, 1618-’19, dienaangaande toen genomen? Bij de behandeling van deze quaestie adviseerden de afgevaardigden van Noord-Holland „dat men geen bejaerde en behoort te doopen dan die beloven haer mette eerste gelegenheyt oock tot het gebruyck des H. Avontmaels te begeven.” De synode nu nam dat advies over, maakte zoo aan alle toegeeflijkheid een einde en legde hare beslissing vast in de woorden, die boven in dit artikel zijn afgedrukt en door haar als art. 59 in de K.O. werd ingevoegd.

3. Welke twee hoofdzaken bevat dit artikel? Vooreerst, dat de bejaarden door den doop in de Christelijke gemeente ingelijfd en voor lidmaten der gemeente aangenomen worden. Het woord „bejaarden” heeft hier niet den zin van bedaagden, die op hooge jaren gekomen zijn, dien het thans heeft, maar den zin, dien het toen had, van personen, die tot hun jaren, d.i. tot de jaren des onderscheids gekomen en dus reeds boven 15 jaar oud waren. Zij worden door den doop in de „Christelijke gemeente” d.i. in de geïnstitueerde kerk, waar zij den doop ontvangen, ingelijfd en door die inlijving als lidmaten der gemeente, nl. van die plaatselijke kerk, aangenomen. Uit deze inlijving in, en uit deze aanneming voor lidmaten der gemeente, volgt nu, ten tweede, dat zij schuldig zijn, het Avondmaal des Heeren te gebruiken. Indien hun geloofsbelijdenis en wandel onvoldoende waren om tot het Avondmaal te worden toegelaten, waren zij ook onvoldoende tot den doop, want het eene sacrament is niet minder omvattend en heilig dan het andere. En indien zij wel voldoende waren tot den doop, dan waren zij ook voldoende voor het Avondmaal en gold het bevel van Christus, dat de leden Zijner gemeente Zijn Avondmaal zouden vieren, en had niemand het recht daarvan dispensatie te verleenen, d.i. van

|267|

die verplichting te ontheffen. Daarom bepaalde zij ook aan het slot van het artikel, dat zij dit bij den doop ook uitdrukkelijk moesten beloven. Uit deze laatste bepaling vloeide voort, dat in het later door de synode vastgestelde formulier dan ook in de 4e doopvraag aan het slot de volgende belofte werd afgevraagd: „en belooft dat gij in de gemeenschap dezer Christelijke Kerk niet alleen in het gehoor des Goddelijken Woords, maar ook in het gebruik des Heiligen Avondmaals, zult volharden?” De regel is dus, dat alle belijdende leden door de belijdenis de verplichting op zich genomen hebben ten Avondmaal te gaan.

Maar dan rijst in de practijk de vraag: Wanneer een belijdend lid later bezwaar krijgt, zooals dat wel gebeurt, en zegt ik heb geen deel aan Christus en ik mag niet ten Avondmaal gaan, wat dan? Dan moet zoo iemand met ernst en, zoo er geen spoedige bekeering plaats heeft, langdurig vermaand worden. Zoo het blijkt, dat de oorzaak gelegen is in onverschilligheid, moet hij ten slotte worden afgesneden; maar zoo de oorzaak in geestelijke bekommering gelegen is, moet zoo iemand met geduld gedragen worden, totdat er verandering komt. Nooit mag de kerk iemand bij de belijdenis des geloofs van de verplichting, om ten Avondmaal te gaan, ontheffen. Maar wel kan ze iemand, die bezwaar heeft, een korter of langer tijd dulden en dragen, om te trachten de bezwaren uit den weg te ruimen. Nooit legitimeeren (wettigen), maar wel een tijdlang tolereeren (dulden), om de gebreken in den weg der reformatie uit te zuiveren!

Jansen, Joh. (1976) Art. 60

 

Art. LX. De namen der gedoopten, mitsgaders der ouders en getuigen, en desgelijks de tijd des Doops, zullen opgeteekend worden.

 

Doopregisters.

Dit artikel handelt over het inboeken der namen, met de aanteekening van den tijd des doops er bij.

1. Welke namen mogen gegeven worden? Het artikel zegt er niets van, maar geheel onschuldig is deze naamgeving toch niet. In Roomsche kringen kwam het voor, dat men aan heidenen bij hun doop een nieuwen naam gaf. Men wees op de naamsverandering van Abram in Abraham, van Sarai in Sara, van Simon

|268|

in Petrus, en van Saulus in Paulus. Deze naamsverandering was dan een zinnebeeld van den overgang uit de zonde in de genade, uit de wereld in de kerk. Maar bij de Gereformeerde kerken kwam het bij hooge uitzondering alleen voor. Bij den kinderdoop had het ook geen zin, omdat een kind nog geen leven onder den ouden naam achter den rug heeft. Bovendien de Gereformeerde opvatting van het verband tusschen natuur en genade verzet er zich tegen. De natuurlijke naam is niets zondiger dan de ambtelijke naam. In de gevallen van Abraham, Sara, Petrus en Paulus had die naamsverandering niet plaats bij de besnijdenis of bij den doop, maar bij andere gelegenheden. Veeleer blijkt uit de Schrift, dat het geen regel, maar hooge uitzondering was.

De Hervormers hadden nog tegen een ander misbruik van Roomschen aard te strijden, nl. tegen het geven van bijgeloovige namen, die aan Christus of aan de heiligen ontleend waren. De synode van Dordrecht, 1578, art. 63, en die van Middelburg, 1581, vr. 23, namen er positie tegen. De vraag was: „Of men den kinderen, die te doopen zijn, allerlei namen geven mag?” Antwoord: „Het is wel vrij, doch men zal naarstiglijk toezien, dat men zulke namen niet neme, die of Gode of Christo eigen zijn, als Emanuel, Salvator. Item die van eenige ambten genomen zijn, als Baptista, Engel, of die anders overgeloovig (superstitieus) zijn”. De Roomschen wilden allerlei heidensche namen weren, en er namen van heiligen voor in de plaats stellen. Zij gaven daarom aan het kind den naam van den heilige, die op den geboortedag van het kind herdacht werd. Ieder kind bracht dan als 't ware zijn naam mee. Maar de Gereformeerden zeiden, dat er in het N.T. heel wat erkende geloovigen met heidensche namen voorkomen, bijv. Apollos, Hemas, enz. Onder de Puriteinen in Engeland gold langen tijd de gewoonte om Bijbelsche namen te geven. Maar met de Bijbelsche namen moet men toch ook voorzichtig zijn. Voetius zegt terecht, dat er heel wat Bijbelsche namen zijn, die niemand aan zijn kinderen zou willen geven, als Beëlzebul, Dagon, Kaïn, Judas, enz.

2. De naam en tijd des doops moet zorgvuldig ingeboekt worden. Reeds het convent te Wezel, 1568, achtte het inboeken van de namen der kinderen, ouders en getuigen in de publieke registers noodig. En wel om twee redenen, nl. „zoowel voor de kerk als voor het gemeenebest.” Voor de kerk om later bewijs te hebben, dat ze gedoopt waren, en beter op de

|269|

gedoopten en op ouders en getuigen toezicht te kunnen oefenen. En voor het gemeenebest, omdat er toen nog geen burgerlijke stand bestond, en de kerkelijke opteekening tevens voor de overheid van kracht was. De opteekening geschiedde door den predikant, of door een ouderling, den koster of den voorlezer, in een afzonderlijk register. Deze bepaling werd door de volgende synoden overgenomen. Alleen voegde de synode van Dordrecht, 1578, er nog aan toe, dat benevens de namen ook de tijd des doops moest opgeteekend worden, art. 24. De volgende synode te Middelburg, 1581, nam deze bepaling over, en redigeerde het artikel zooals het tot nu toe onveranderd gegolden heeft: „De namen der gedoopten, mitsgaders der ouders en getuigen, en desgelijks de tijd des Doops, zullen van den Dienaren opgeteekent worden”. Alleen heeft de volgende synode, te ’s-Gravenhage, 1586, de woorden: „van den Dienaren” er uit weggelaten, en zoo is de redactie gebleven tot nu toe. Er is hier sprake van den tijd des doops, niet van den datum der geboorte. Blijkbaar achtte men dit voldoende, omdat de vroegdoop regel was. Onder geboorte- en dooptijd verstond men ongeveer hetzelfde. Maar in de tweede helft der 18e eeuw begon men, mede op aandrang der provinciale staten naast den datum des doops ook dien der geboorte op te teekenen. Tusschen geboorte en doop verliep reeds een langere tijd. Eerst op 21 Aug. 1811 werd aan de kerkeraden bevolen de geboorte- en doop-protocollen aan de Maires (burgemeesters) der burgerlijke gemeenten af te staan. Van toen af kreeg de burgerlijke stand haar eigen registers.

Jansen, Joh. (1976) Art. 61

 

Art. LXI. Men zal niemand ten Avondmaal des Heeren toelaten, dan die naar de gewoonheid der Kerk, tot dewelke hij zich voegt, belijdenis der Gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis eens vromen wandels, zonder welke ook degenen, die uit andere Kerken komen, niet zullen toegelaten worden.

 

Toelating tot het H. Avondmaal.

In de volgende artikelen (61-64) worden inzake het H. Avondmaal slechts een viertal punten van kerkrechtelijken aard bepaald:

|270|

in art. 61 wie tot het Avondmaal mogen toegelaten worden;
in art. 62 op welke manier het Avondmaal bediend moet worden;
in art. 63 hoe dikwijls de bediening moet plaats hebben;
en in art. 64 aan welke voorwaarden de bediening gebonden is.

Er wordt dus niet over alles gehandeld wat kerkrechtelijk tot de Avondmaalsbediening behoort. Een eenigszins volledige studie zou veel meer moeten behandelen. Maar de K.O. bevat slechts enkele der voornaamste en meest-noodzakelijke bepalingen, die voor de goede orde noodig zijn. Zij is geen wetboek, dat voor alle mogelijke en speciale gevallen een artikel bevat, maar een kerkelijke ordening, die slechts de hoofdbeginselen in enkele artikelen zoo kort mogelijk uitspreekt, en de toepassing daarvan in de bijzondere gevallen aan de practijk van het kerkelijk leven overlaat.

Over de vraag, wie tot het Avondmaal toegelaten mochten worden is reeds vroeg gehandeld. Het convent te Wezel, 1568, bepaalde reeds, dat „niemand tot het Avondmaal zal toegelaten worden, tenzij hij vooraf belijdenis des geloofs afgelegd en aan de kerkelijke tucht zich onderworpen zal hebben”, en gaf enkele bepalingen voor het onderzoek van de volwassenen en kinderen en voor de openbare belijdenis in het midden der gemeente, hoofdstuk VI: 7-11. De synode van Dordrecht, 1578, nam deze bepalingen in andere bewoordingen over (art. 64). En de synode van Middelburg, 1581, redigeerde deze bepaling in de woorden, waarmee ze boven in dit artikel staat afgedrukt, zoodat zij sinds geen verandering in redactie onderging. Het artikel handelt over twee onderscheiden zaken, nl. over de toelating tot het Avondmaal door belijdenis des geloofs in eigen kerk; en over de toelating der belijdende leden, die van andere kerken overkomen.

1. De toelating tot het Avondmaal in eigen kerk: Men zal niemand ten Avondmaal des Heeren toelaten, dan die naar de gewoonheid der Kerk, tot dewelke hij zich voegt, belijdenis der Gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis eens vromen wandels.

Van den beginne aan gold dus de regel, dat de toegang tot het Avondmaal niet vrij was; dat het Avondmaal zelf niet voor ieder gedoopte zonder meer open stond. De kerken moeten waken dat er alleen geloovigen aan deelnemen. Zij mogen niemand toelaten, die er niet aan hoort. Op dit punt kwamen

|271|

zij in strijd met Duifhuis, Erastus en de Remonstranten, die leerden, dat men het moet overlaten aan ieders consciëntie om aan het H. Avondmaal al of niet deel te nemen. Dit denkbeeld leeft nog wel in sommige streken, ook bij de Gereformeerden, voort. Voelt men er vrijmoedigheid toe dan gaat men aan. Is men in gedrukte stemming dan blijft men weg. In de vrije kerk van Waadland mag ieder ook ten Avondmaal gaan. Maar dat is geheel in strijd met het karakter van de kerk en van het Avondmaal beide. Voetius vraagt reeds, of ieder gedoopte niet geacht mag worden tot het H. Avondmaal toegelaten te zijn? En hij antwoordt: Neen, want het potentieele geloof kan wel aanwezig zijn, zonder dat het zich tot het actueele geloof ontwikkeld heeft; en dit laatste is voor het Avondmaal noodig. Het is niet genoeg dat het vermogen des geloofs in de wedergeboorte aanwezig is, ook de bekeering moet er wezen.

Er moet dus voor de toelating belijdenis der Gereformeerde religie plaats hebben. Gewoonlijk spreken wij van „belijdenis des geloofs;” in Hervormde kringen spreekt men ook wel van „aanneming tot lidmaat.” Maar deze manier van spreken is onjuist. Men veronderstelde dan, dat iemand door den doop wel lid, maar door de „aanneming” eerst „lidmaat” der kerk werd. De groote massa gedoopten telde niet mee; eerst door de „aanneming” werd een gedoopte een volkomen „lidmaat” der kerk. Zoo was het bij de Non-conformisten in Engeland, bij de Baptisten en Methodisten in Amerika, bij het Piëtisme in Duitschland, en bij het Hervormd Genootschap in ons land. Maar reeds de eerste doopvraag leert het anders. Wij „bekennen” d.i. belijden daarin, dat onze kinderen „in Christus geheiligd zijn en alzoo als lidmaten Zijner gemeente behooren gedoopt te wezen.” Zij worden geen lidmaten door de belijdenis des geloofs, zelfs niet door den doop, maar zij zijn het reeds naar den regel van Gods genadeverbond krachtens hun geboorte uit geloovige ouders, want zij worden „als lidmaten” gedoopt.

Aan die belijdenis gaat een onderzoek in leer en leven vooraf. Niet een soort examen. Maar een kerkelijk onderzoek inzake de Gereformeerde religie d.w.z. of zoo iemand een zekere mate van kennis der Schrift en der Gereformeerde belijdenis bezit; en inzake den wandel, of er getuigenis eens vromen wandels van hem gegeven kan worden.

De belijdenis zelf heeft dan publiek voor de gemeente plaats. Vroeger geschiedde het wel aldus: het onderzoek inzake leer en

|272|

leven had plaats door den kerkeraad of een commissie uit denzelven; maar de eigenlijke belijdenis geschiedde daarna in een publieke samenkomst der gemeente, en wel bij de z.g.n. belijdenis- of voorbereidings-predikatie, die meestal in de week vóór de Avondmaalsviering plaats had; deze belijdenis was dan niet maar een antwoorden met „ja” op enkele vaststaande belijdenisvragen, maar een meer of minder uitvoerige belijdenis van de hoofdwaarheden, waarin ze publiek ondervraagd werden. (Zie Wezelsche artikelen VI: 7-11). Maar die publieke ondervraging hield velen terug. Van uit Zeeland klaagde men er over en vroeg aan de particuliere synode van Dordrecht, 1574, op wat wijze men handelen moest: òf publiek in de kerk ondervragen naar hun geloof, òf in den kerkeraad alleen en dan zóó, dat men met een jawoord volstaan zal. De synode antwoordde, dat het onderzoek voor een commissie uit den kerkeraad zou plaats hebben (één predikant en twee ouderlingen, of twee predikanten), maar dat de eigenlijke belijdenis in het openbaar en dan vanwege de „ionkheyet der Kercke” met „een ja-woord geschieden zal.” In hoofdzaak is dit nog zoo. Het onderzoek heeft in kleine gemeenten in den vollen kerkeraad, in groote gemeenten door een commissie uit den kerkeraad plaats, maar de openbare belijdenis geschiedt in het midden der gemeente, door eenvoudig met ja te antwoorden op de vastgestelde vragen.

Tot nu toe bestaan daarvoor geen officieel kerkelijk vastgestelde vragen en evenmin een soort formulier. Maar de meeningen beginnen te veranderen. Dr A. Kuyper schreef terecht in „Onze Eeredienst” blz. 442: „Ook bet afleggen van belijdenis hebben onze kerken te regelen. Moge al aan dit doen van belijdenis een voorloopig onderzoek door den predikant en een ouderling voorafgaan, nooit mag dit het eigenlijk doen van belijdenis worden. Het mag nooit de „aanneming” zijn, maar moet blijven de toelating tot de openbare belijdenis en de openbare belijdenis moet in het midden der gemeente plaats grijpen. Dit nu is een kerkelijke acte van het hoogste gewicht en de kerken zijn verplicht hiervoor een formulier vast te stellen. Een formulier, dat ten eerste de beteekenis dezer plechtigheid uiteenzet, en ten tweede de vragen aangeeft, die aan de toetredende personen zullen worden voorgehouden. Vragen waarvan de eerste terug moet slaan op den Doop, dien ze als kind ontvingen, waarvan de tweede moet doelen op instemming met de belijdenis der kerken, en waarvan de derde de belofte afeischt van een christelijk leven. Op de

|273|

toestemmende beantwoording van die drie vragen, moet dan namens de kerken de verklaring volgen, dat zulke personen van nu voortaan tot het H. Avondmaal zijn toegelaten. En dit alles moet niet in de eene kerk zus en in de andere kerk zoo worden verricht, maar moet in alle kerken, die in bond samenleven, op geheel dezelfde wijze geschieden, om de afdoende reden, dat het de gemeenschap van deze personen met alle deze kerken saam geldt.”

Deze vragen gelden echter niet met betrekking tot volwassen personen, die uit andere kerkelijke kringen, bijv. uit de Ned. Herv. kerk komen. Sommige kerken bepalen zich bij zulke personen wel tot een privaat onderzoek inzake belijdenis en wandel door den kerkeraad, met mededeeling aan de gemeente, dat de kerkeraad, zoo er geen bezwaar komt uit de gemeente, ze zal inboeken. In andere kerken liet men ze in het openbaar nog op eenige vragen antwoorden, dus z.g.n. openbare belijdenis doen. Maar dan gebruike men niet de gewone vragen voor de gedoopte leden, die ten Avondmaal komen. Er is toch onderscheid tusschen ongeloovigen, die tot het geloof komen en in het verbond der genade en in de kerk worden opgenomen, door de vragen uit het Formulier van den volwassendoop; en gedoopten, die van den doop tot het Avondmaal komen, door de gewone vragen voor de belijdenis des geloofs van de kinderen der gemeente; en volwassen personen, die uit andere kerkelijke kringen komen en naar bevind van zaken worden onderzocht en zelfs wel zonder openbare belijdenis des geloofs worden toegelaten. De kerkeraad stelt dan een onderzoek in en deelt de namen ter approbatie aan de gemeente mee, of laat ze enkele vragen, voor die gevallen afzonderlijk opgesteld, publiek beantwoorden.

2. De toelating tot het Avondmaal van lidmaten uit andere Gereformeerde kerken: zonder welke ook degenen, die uit andere Kerken komen, niet zullen toegelaten worden. Deze toelating op bewijs van attestatie vloeit voort uit het kerkverband. De kerken, die dezelfde belijdenis hebben aanvaard en naar dezelfde K.O. leven, nemen elkanders leden en ambtsdragers over op getuigenis van leer en leven. Zulke brieven van getuigenis waren van ouds in elken levenskring wel in gebruik. In de apostolische kerken vinden wij er reeds melding van. De discipelen te Efeze gaven brieven van aanbeveling mede aan Apollos naar de gemeente te Achaje, opdat deze hem ontvangen zou, Hand. 18: 27, Paulus beval Febé aan de

|274|

gemeente te Rome aan, Rom. 16: 1. In den eersten tijd der reformatie was het overnemen van elkanders leden op bewijs van attestatie nog niet geregeld. Men nam ze aan op mondeling getuigenis. Een schriftelijke verklaring was gevaarlijk om in de handen der inquisitie te vallen. Maar het duurde niet lang of het misbruik van bedelaars en landloopers, die zich als vervolgde geloovigen voordeden en door vromen schijn de harten wisten te winnen, om maar meer aalmoezen te ontvangen, drong er toe, de gemeenten voor bedrog te vrijwaren, De synode te Embden, 1571, bepaalde dan ook, dat in elke kerk moest afgekondigd worden, dat zij, die naar elders verhuisden, voortaan alleen op vertoon van attestatie zouden aangenomen worden. Deze attestatie zou inhouden, hoe zij zich tevoren in leer en leven hadden gedragen (art. 44), Ook de particuliere synode van Dordrecht, 1574, bepaalde, dat alleen zij, „die een wettelijk getuigenis” meebrachten, „tot het Avondmaal toegelaten (zouden) worden”. Dat getuigenis mocht echter niet te oud zijn, maar een datum werd niet genoemd. Om echter te voorkomen dat vluchtelingen er door in moeite zouden geraken, werd er ter verzachting aan toegevoegd, dat men ze eerder moest aannemen dan afwijzen. De synode te Middelburg, 1584, stelde echter de redactie van dit artikel voor het eerst vast, zooals het nog luidt: „zonder welke ook degenen, die uit andere Kerken komen, niet zullen toegelaten worden”, art, 43. Deze bewoordingen zijn tot nu toe blijven gelden. Taalkundig is er alleen sprake van een getuigenis eens vromen wandels. Maar krachtens het verband is er het getuigenis der leer mede inbegrepen. Iemand, die een kettersche leer dreef, kreeg geen getuigenis eens vromen wandels, al leefde hij ook uiterlijk onberispelijk. De bedoeling was, dat iemand, die een attestatie meebracht, dat hij gezond was in het geloof en onberispelijk van wandel, toegelaten zou worden. De meest gebruikelijke uitdrukkingen waren dan ook: dat iemand gezond in het geloof en stichtelijk of onbestraffelijk of onergerlijk van wandel (leven) was.

Inzake de toelating op attestaties zijn een reeks van vragen te stellen.

1e Of de attestatie door de eene kerk aan de andere moet overgezonden, of door de leden zelf moet ingeleverd worden. Zij moet door de leden zelf bij den kerkeraad der gemeente, die zij gaan verlaten, tijdig worden aangevraagd, en bij den kerkeraad der gemeente, waar zij komen, worden ingeleverd.

|275|

Volgens het collegiale stelsel is iemand lid van het groote geheel. Als bij verhuist, blijft hij er lid van. Alleen moet zijn naam bij de afdeeling, waar hij woonde, uitgedaan, en bij de afdeeling, waar bij komt, ingeboekt worden, en dat geschiedt als aan het hoofdbestuur bericht van verhuizing gezonden wordt. Zijn lidmaatschap blijft ongestoord doorgaan. Maar zoo is het bij de Gereformeerde kerken niet. Wanneer iemand uit A verhuist naar B is hij niet vanzelf lid van de kerk te B. Zoodra hij zijn attest heeft aangenomen, houdt hij formeel op lid der kerk van A te zijn. En eerst, wanneer hij het te B heeft ingeleverd en daar wordt aanvaard, wordt hij lid van de kerk aldaar. Daarom moet een lid zelf attest aanvragen en bij de kerk, waar hij metterwoon zich vestigt, inleveren. Alleen op verzoek van en in overleg met de leden mag het overgezonden worden.

2e Moet een kerkeraad per sé elke attestatie van een anderen Gereformeerden kerkeraad aanvaarden? Neen, als er gegronde redenen zijn om ze te wantrouwen, niet. Elke plaatselijke kerk is een zelfstandige kerk, en kan zeggen: ik laat niemand tot het Avondmaal toe, dan die ik zelf onderzocht heb. Maar uit het kerkverband d.i. uit de eenheid van belijdenis en kerkregeering vloeit voort, dat iemand, die in een andere kerk is toegelaten, niet opnieuw wordt onderzocht, doch op attestatie, dat hij gezond is in het geloof en onberispelijk van wandel, in goed vertrouwen wordt toegelaten. Het is dus een zaak van vertrouwen. Daaruit vloeit echter voort, dat een kerkeraad, die in zijn vertrouwen jegens een andere kerk geschokt is, ook hare attestaties, in geval deze onvolledig of onbetrouwbaar zijn, niet meer vertrouwt en zelf een onderzoek instelt. In den tijd van de Remonstrantsche twisten kwam het meermalen voor, dat er attestaties geweigerd werden. Zoo bijv. de attestatie van iemand, die uit Alkmaar kwam, met een attestatie, door een Remonstrantschen predikant en ouderling onderteekend, en die door den Amsterdamschen kerkeraad, om ze „in bedenken te nemen en metten classe te communiceeren” voorloopig geweigerd werd. Eveneens werd de attestatie van den Remonstrant Simon Episcopius, die in 1611 met een goed attest uit Franeker kwam en dat een paar maanden later te Amsterdam bij de commissie voor de attestaties inleverde, zonder antwoord af te wachten, door den kerkeraad geweigerd. In dergelijke gevallen moest er een nader onderzoek of samenspreking plaats hebben. Zie Prof. Dr. F.L. Rutgers, Het Kerkverband enz., blzz. 38-42.

|276|

3e Hoe oud mag een attestatie wezen? Een attestatie is geen kerkelijk verhuisbillet, maar een getuigenis aangaande belijdenis en wandel. Verzuimt iemand ze in te leveren, dan verliest ze haar kracht en kan een kerkeraad er niet meer op vertrouwen. Er is geen bepaalden tijd te stellen, hoe oud ze mag wezen. De redenen van verzuim kunnen zeer verschillend zijn. Elk geval moet afzonderlijk onderzocht worden. In de 16e eeuw bepaalde men wel, dat ze niet ouder dan drie maanden mocht wezen, Acta der part. synode van Alkmaar, 1587, art. 6. Dit is in het algemeen wel een goede regel. Eén maand, zooals men wel eens aanraadde, is wel wat kort. Een kerkeraad vrage echter in elk voorkomend geval naar de reden van verzuim; en zoo deze geen bevrediging geeft, stelle hij een proeftijd of een nieuw onderzoek in.

4e Mogen schippers ter plaatse waar zij liggen, tot het Avondmaal toegelaten worden? Op deze vraag antwoordde de synode van Dordrecht, 1893, art. 189: „Aan schippers wordt, met het oog op hun zwervend leven een bewijs van lidmaatschap afgegeven”. Dit „bewijs van lidmaatschap”, of, zooals men het ook wel eens noemt, een z.g.n. „schippersattestatie”, is geen gewone attestatie, om er mee naar een andere plaats te vertrekken, maar een verklaring of getuigenis, dat hij lidmaat der kerk is, waar hij zijn, domicilie heeft, en niet onder censuur staat, om op de plaatsen, waar hij stil ligt, aan het Avondmaal te kunnen deelnemen, en eventueel een kind, dat hem onderweg geboren wordt, te kunnen laten doopen. De gewoonte is, dit bewijs voor niet langer dan één jaar af te geven en dit op het attest te vermelden. Tevens verzoeke men aan de betrokken kerkeraden aan den achterkant van het bewijs te willen aanteekenen, wanneer hij aan het Avondmaal deelnam, of eventueel een kind liet doopen met vermelding van den naam van hetzelve. Zoo is er tenminste eenige controle op zulke zwervende leden.

5e Mag men attestaties aanvaarden van kerken, die niet tot het kerkverband behooren, bijv. Van Lutherschen, Doopsgezinden, op-zich-zelf-staande Gereformeerde kerken, de Ned. Hervormde kerk? In het algemeen geldt als regel, dat men alleen attestaties aanneemt, die afgegeven zijn door kerken, die tot het kerkverband behooren. Attestaties van kerken, die in belijdenis niet met de Gereformeerde kerken één zijn, gelden als scheurpapier. Ook attestaties van kerken, die wel de Gereformeerde belijdenis zijn toegedaan, doch niet met de Gereformeerde kerken in kerkverband

|277|

staan, kan men niet zoo maar aanvaarden. Wel kunnen zij aanleiding geven, dat alleen onderzocht wordt of zulke personen met de Gereformeerde belijdenis instemmen en dan na afkondiging voor en approbatie van de gemeente worden ingeschreven.

Jansen, Joh. (1976) Art. 62

 

Art. LXII. Een iedere Kerk zal zulke manier van bediening des Avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Welverstaande nochtans, dat de uitwendige ceremoniën, in Gods Woord voor geschreven, niet veranderd en alle superstitie vermeden worde, en dat na de voleinding der predikatie en der gemeene gebeden het Formulier des Avondmaals, mitsgaders het gebed daartoe dienende, zal worden gelezen.

 

De wijze der Avondmaalsviering.

Ook inzake de wijze der Avondmaalsviering heeft de reformatie verandering aangebracht. De Roomsche zuurdeesem moest in alle onderdoelen worden uitgezuiverd. Wij bespreken de volgende punten:

1. De middelmatige dingen: Een iedere kerk zal zulke manier van bediening des Avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Van den beginne aan liet men de kerken in de middelmatige dingen vrij. Het convent te Wezel, 1568, I: 9, 10, maakte reeds onderscheid tusschen middelmatige dingen, die niet, en noodzakelijke dingen, die wèl in Gods Woord zijn voorgeschreven. Tot die eerste behoorden de vragen:

1e Of men het Avondmaal staande, zittende of gaande zou gebruiken, d.w.z. of de predikant zou rondgaan bij de leden, die dan staande of zittende brood en beker uit zijn hand namen, dan wel of de leden zouden rondgaan, bij den predikant langs, om brood en beker te ontvangen. Het rondgaan bij den predikant langs raakte blijkbaar spoedig in onbruik, want de synode te Embden, 1571 (en evenzoo de volgende synoden), sprak alleen van staan of zitten en liet de keuze tusschen beide vrij, art. 21. Toch kwam het zitten aan den Disch al meer in gebruik, wat duidelijk blijkt uit de bepaling van de synode te Dordrecht, 1574, art. 76, die staan het „voechelyckste” achtte, blijkbaar om het duidelijk van het aanzitten aan een gewonen maaltijd te

|278|

onderscheiden en het Avondmaal niet gemeen te maken, maar die, omdat het zitten aan den Disch reeds in gebruik was, toch tot voorzichtigheid maande en adviseerde het voorloopig maar zoo te laten, totdat het gevoegelijk veranderd kon worden. De volgende synode, te Dordrecht, 1578, art. 69, liet de keuze tusschen staan of zitten echter weer vrij, maar het knielen keurde zij af, om het gevaar voor superstitie, (d.i. de Roomsche aanbidding van het brood) tegen te gaan, want het kwam hier en daar voor, dat men uit diepen eerbied voor het sacrament aan de tafel neerknielde. Langzamerhand schijnt het zitten aan de tafel in alle kerken een vast gebruik geworden te zijn. En het komt ons voor dat dit ook de meest juiste manier is.

2e Of men onder de bediening uit de Schrift zal lezen of Psalmen zal zingen. Het convent te Wezel, 1568, I: 10 en VI: 15, en de synode te Embden, 1571, art. 21, lieten het vrij. De synode van Dordrecht, 1574, art. 78, koos echter beslist voor het lezen „Is goet gheuonden dat men in allen Kercken eendrachtelick eenighe plaetsen wt der H. Schrift lesen sal te wyle men het Nachtmael houdt”. Maar die van Dordrecht, 1578, art. 71, liet echter het lezen „uit den Propheten ofte Euangelisten van het lyden Christi ofte eenigbe Psalmen singhen” weer vrij. En dat de kerken er mee instemden blijkt wel uit het Avondmaalsformulier, waarin wij lezen: „Terwijl men communiceert zal men stichtelijk zingen, of sommige kapittelen lezen ter gedachtenis des tijdens van Christus dienende, als Jes. 53, Joh. 6, 13, 14, 15. 16, 17. 18, of dergelijke”. Opmerkelijk, dat Schriftlezen regel en zingen uitzondering bleef. Alleen bij het verwisselen der tafels laat men in den regel de gemeente zingen.

Van een toespraak is er geen sprake. Deze is ook eerst in de 18e eeuw in gebruik gekomen. Ze behoort ook tot de „middelmatige dingen”. Er vóór is, dat bij een langdurige Avondmaalsbediening met veel tafels de gedachten geleid worden. Maar er tégen is, dat de „toespraak” vaak, juist omgekeerd, niet naar het Avondmaal heen-, maar van het Avondmaal afleidt. Bij het sacrament moet niet het woord overheerschen, maar moet het teeken spreken.

3e Welke Avondmaalsformule gebruikt moet worden. De Schrift deelt ons de instelling des Avondmaals op onderscheiden plaatsen, onder verschillende bewoordingen mee, Matth. 26: 26-28; Mark. 14: 22-24; Luk. 22: 19-20; 1 Kor. 11: 23-25; 1 Kor. 10: 16. De Avondmaalsformule is dus een „middelmatig

|279|

ding”, die niet door de Schrift is bepaald, maar aan de kerken ter vaststelling is overgelaten. Nu kwamen er bij de Gereformeerde kerken in de 16e eeuw al spoedig twee formules naast elkaar te staan. Vooreerst de breede formule van a Lasco: „Het brood, dat wij breken, is de gemeenschap des lichaams van Christus”, waaraan bij dan bij het uitreiken van het brood aan de gasten liet toevoegen: „Neemt, eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onzen Heere Jezus Christus gebroken is, tot verzoening van al onze zonden”. En evenzoo bij den drinkbeker: „De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is de gemeenschap des bloeds van Christus”, met de toevoeging: „Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft, dat het dierbaar bloed onzes Heeren Jezus Christus vergoten is tot een volkomen verzoening van al onze zonden”. Daarnaast kwam de korte formule van Datheen, die hij in zijn nieuwe liturgie had opgenomen en alleen uit de woorden van 1 Cor. 10: 16 bestond nl.: „Het brood, dat wij breken is de gemeenschap des lichaams van Christus. De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen is de gemeenschap des bloeds van Christus”. De vraag is nu welke formule de kerken officieel hebben aangenomen. Het convent te Wezel, 1568, oordeelde: „De woorden bij het Avondmaal, die in de kerkelijke verordeningen worden voorgesteld (waarmee blijkbaar op de breede formule van a Lasco werd gedoeld) achten wij dat zekerlijk moeten behouden worden”, VI: 13. De synode van Embden, 1571, liet het vrij òf de woorden van Christus òf die van Paulus te gebruiken, mits ze niet het karakter der Roomsche consecratie (wijding) aannamen, art. 21. Deze afwijkende bepaling had echter geen invloed. De volgende synoden, te Dordrecht, 1574, art. 77, en 1578, art. 70, en te Middelburg. 1581, part. vr. 30, namen weer de breede formule van a Lasco over nl. de woorden van Paulus, 1 Cor. 10: 16, met de aanvullingswoorden. Sinds bleef de breede formule gelden. Ze is in de uitgave der Liturgie van Schilders in 1611 opgenomen; en deze uitgave is door de synode van Dordrecht, 1618-’19, als de authentieke uitgave aangewezen, zoodat deze tekst in art. 62 K.O. bedoeld moet zijn. Wel kwam er later, meer dan 2½ eeuw, een uitgave in omloop, met de korte formule uit 1 Cor. 10: 16, zonder de aanvullingswoorden. Maar in de uitgave der Liturgie van Dr F.L. Rutgers, die door de synode van Arnhem, 1902, is aanbevolen, is de breede formule in eere hersteld. Kerkrechtelijk is de breede formule dan

|280|

ook de juiste. Of ze echter liturgisch ook de meest juiste is, komt ons wel twijfelachtig voor. Datheen kon wel eens gelijk hebben met zijn korte formule. Een sacramenteele formule moet beknopt en pakkend zijn. Maar dat is een liturgisch, geen kerkrechtelijk vraagstuk.

2. De noodzakelijke dingen: Welverstaande nochtans, dat de uitwendige ceremoniën, in Gods Woord voorgeschreven, niet veranderd en alle superstitie vermeden worde. Tot die noodzakelijke dingen rekende het convent te Wezel, 1568, „de breking des broods, omdat die door Christus klaarlijk is ingesteld en door de Apostelen en de geheele oudere kerk niet zonder de gewichtigste oorzaken is onderhouden geworden”; en „dat in alle kerken gewoon brood en niet een bijzonder soort of ongezuurd brood of iets anders zal gebruikt worden, dat naar bijgeloovigheid smaakt”, VI: 12, 14. Evenzoo oordeelde de synode van Embden, 1571, art. 21. In enkele gemeenten werkte de Roomsche zuurdeesem na en gebruikte men nog ouwels of oblaten. Op de synode van Dordrecht, 1578, was er een vraag over, nl. of dat vrij stond. De synode antwoordde, dat alle kerken zouden trachten gewoon brood te gebruiken. Rome eischte ongezuurd brood, in den vorm van een hostie. De Gereformeerden zeiden: gewoon brood, het ongezuurde brood van den Paaschdisch is geen regel voor den Nieuwtestamentischen Avondmaalsdisch. Ook was er op de synode van Middelburg, 1581, een vraag of het drijven van sommige predikanten, die het brood niet gesneden, maar geheel gebroken wilden hebben, te billijken was. Zij antwoordde, dat men bij het gewone gebruik moest blijven. Dit gewone gebruik was blijkbaar, dat men het brood eerst in breede sneden of lange reepen sneed, en zoo op de Avondmaalstafel plaatste en dat de dienaar het dan bij de bediening brak. Dit laatste was noodzakelijk. De breking des broods moest door den dienaar in de tegenwoordigheid der gemeente geschieden. Alleen in geval brood en wijn niet te krijgen waren, was het geoorloofd ze door andere teekenen te vervangen. Men bereidde dan het brood uit andere ingrediënten bijv. uit rijst. En men verving dan den wijn wel door water. Ook aan gasten, die bijv. op uitdrukkelijke verklaring van een geneesheer, geen wijn mochten gebruiken, gaf men wel water. Maar dit is niet toe te staan aan geheelonthouders, omdat Christus den wijn als teeken heeft verordend. In later tijd is de vraag gerezen, of het gebruik van afzonderlijke bekers is toe te staan, om aan het

|281|

bezwaar van besmetting te gemoet te komen. Officieel hebben de kerken er zich nog niet over uitgesproken. Maar de algemeene opinie in de kerken verzet er zich tegen. De eisch van een gemeenschappelijke beker rust op de Schrift. Christus nam den gemeenschappelijken beker en gedankt hebbende gaf hun dien en zij dronken allen daaruit, Luk. 27: 17, Marc. 14: 23. Wel gaan er soms twee, drie of vier bekers rond, maar dan wordt de gedachte van den gemeenschappelijken beker niet gebroken. Wel is ook het gebruik aan te bevelen, de bekers na den rondgang even te reinigen, om het gevaar van besmetting zooveel mogelijk weg te nemen. En wel besloot de synode van Leeuwarden, 1920, art. 25, 3e, dat, „wanneer het gebruik van een gemeenschappelijken beker door lijders aan besmettelijke ziekten in stichtingen gevaar van besmetting oplevert, de kerkeraad, na ingewonnen advies der doctoren zoodanige maatregelen mag nemen, als noodig zijn om het gevaar van besmetting zooveel mogelijk te voorkomen”, wat uit den aard der zaak niet alleen voor stichtingen, maar voor alle kerken geldt. Maar overigens is het streven, om afzonderlijke Avondmaalsbekers in te voeren af te keuren.

3. Het lezen van het Formulier, mitsgaders het gebed.

Deze slotbepaling is eerst door de synode van ’s-Gravenhage, 1586, aan het artikel toegevoegd: „en dat na de voleinding der predikatie en der gemeene gebeden op den predikstoel, het formulier des Avondmaals, mitsgaders het gebed daartoe dienende, voor de tafel gelezen zal worden”. De volgende synode, te Dordrecht, 1618-’19, nam deze woorden onveranderd over, maar de synode van Utrecht, 1905, liet er de door ons cursief gedrukte woorden, op den predikstoel en voor de tafel uit weg. De reden daarvoor lag hierin, dat vroeger het Avondmaal in het koor gehouden werd en de dienaar na beëindiging van de preek en de gemeene (gewone) gebeden op den predikstoel, van den kansel afkwam en dan het formulier mitsgaders het gebed voor de Avondmaalsviering voor de tafel las. Een beginsel steekt er echter niet in. Nu in onze kerkgebouwen de Avondmaalsviering voor den kansel plaats heeft, is het, vooral in groote kerken, beter het formulier op den kansel te lezen, opdat de geheele gemeente het hoore. Iedere kerk is er echter vrij in. Het behoort tot de „adiaphora” of middelmatige dingen. Daarom liet de synode van Utrecht, 1905, deze woorden er uit weg.

Jansen, Joh. (1976) Art. 63

|282|

Art. LXIII. Het Avondmaal des Heeren zal ten minste alle twee of drie maanden gehouden worden.

 

De tijd der Avondmaalsviering.

Wij handelen bij dit artikel over de volgende punten:

1. De tijd der Avondmaalsviering. Pas na de instelling werd het H. Avondmaal dagelijks, althans elken rustdag gevierd, Hand. 2: 46; 20: 7. Bij Rome werd dat later: éénmaal in het jaar voor de leeken (de communie) en elken dag de Mis. Met de hervorming trachtte men de apostolische traditie weer te herstellen. Calvijn wilde het tenminste wekelijks op den dag des Heeren vieren. Maar dit kon hij niet invoeren. Terwille van de orde en rust pleitte hij toen voor een maandelijksche bediening. Ook dit kon hij in Genève nog niet bereiken, en zoo bleef het bij viermaal in het jaar.

Bij de reformatie der kerken in ons land, kon er niet aanstonds over gehandeld worden. De kerken werden nog vervolgd. Waar men maar veilig kon samenkomen, daar vierde men het Avondmaal. Het convent te Wezel, 1568, oordeelde: „Voorloopig kan nog niet één bepaalde tijd om het Avondmaal te vieren, voor alle kerken voorgeschreven worden, totdat in de synode zal overwogen zijn wat in het algemeen belang der kerken is” VI: 16. De synode van Dordrecht, 1574, besloot echter, dat de kerken tot den regel moesten komen om het Avondmaal alle twee maanden te houden, zooveel als mogelijk is, art. 69. Deze bepaling is door de volgende synoden overgenomen. Alleen voegde de synode van Dordrecht, 1578, er nog aan toe, dat de kruiskerken, die vaak in ’t geheim moesten samenkomen, het mochten houden zoo vaak het hun gelegen kwam, art. 73, wat natuurlijk wegviel toen later de vervolging ophield, en de synode van ’s Gravenhage, 1586, besloot, dat men, waar de gelegenheid der kerk het toeliet, het op Paschen, Pinksteren en Kerstfeest houden zou, en dat men ter plaatse, waar nog geen kerkelijke orde was, eerst ouderlingen en diakenen bij provisie d.i. voorloopig, stellen zou. Zoo bleef de redactie van het artikel luiden tot de synode van Utrecht, 1905, die de beide evengenoemde slotbepalingen schrapte, en het getal „twee maanden” veranderde In „twee of drie maanden”, zoodat alleen de korte redactie

|283|

overbleef: Het Avondmaal des Heeren zal tenminste alle twee of drie maanden gehouden worden. In de meeste kerken werd het Avondmaal niet meer op genoemde feestdagen gevierd, omdat de gemeente dan van de feestherdenking werd afgehouden en had de bediening niet om de twee, maar om de drie maanden plaats. Dit laatste was een gewoontewet geworden en daarom ook in het artikel opgenomen. Enkele kerken, bijv. Amsterdam, hebben zich aan het oude gebruik van „twee maanden” gehouden of zijn er tot teruggekeerd. Het komt ons voor, dat dit algemeen navolging moest vinden. Wij kwamen er in elk geval nader door bij de oorspronkelijke gewoonte.

2. De Voorbereiding en Dankzegging. Van de voorbereiding staat niets in de K.O. Vroeger wel. Reeds bij de vluchtelingenkerken in Londen en omstreken was ze omstreeks 1550 in gebruik. Veertien dagen tevoren werd het Avondmaal aangekondigd, niemand mocht wegblijven, maar ieder moest zich tevoren recht beproeven jegens God en den naaste; zij die wilden aangaan, moesten zich aanmelden in die 14 dagen bij de ouderlingen; na elken middagdienst werd met hen over het rechte toetreden gesproken; en daags vóór het Avondmaal was er om 2 uur nog een laatste voorbereidingspreek.

Het convent te Wezel, 1568, volgde het voetspoor van a Lasco en bepaalde: „Wij achten het zeer nuttig veertien dagen van tevoren den tijd waarop het Avondmaal zal gevierd worden, aan het volk bekend te maken, zoowel opdat de afzonderlijke leden der kerk zich bijtijds kunnen voorbereiden, alsook opdat de ouderlingen hun ambt in het bezoeken der wijken op de rechte wijze kunnen volbrengen”. Van de voorbereidingspredikatie is hier nog geen sprake. Alleen van de persoonlijke voorbereiding en van het ouderlingen-bezoek.

De synoden van Dordrecht, 1574 en 1578, handelden in bijna gelijken zin over de voorbereidingspredikatie. De laatstgenoemde in deze bewoordingen: „Men zal vóór de bediening des Avondmaals een predikatie doen, in dewelke van de bekeering, des menschen beproeving zijns zelfs, en zijn verzoening met God en den naaste, en dergelijke andere materiën gehandeld zal worden. Maar op den dag des Avondmaals zelve zal het nut zijn, dat men van de Sacramenten en met name van de verborgenheid des Avondmaals het volk leere, en tot dien einde een bekwamen tekst neme, ten ware dat de gewone tekst daartoe bekwamelijk geschikt kan worden. Doch na den middag zal

|284|

men met de gewone predikatie of catechismus voortvaren”, art. 68. De synode van Middelburg, 1581, nam deze bepaling over in haar particuliere vragen, 26-27. Maar die van ’s-Gravenhage, 1586 liet ze ter bekorting van de K.O. weg. De voorbereidingspredikatie zelf bleef en werd een vaste gewoonte in de kerken.

Met de dankzegging of nabetrachting is het anders gelegen. Ook daarover is gehandeld, maar zóó, dat ze vrijgelaten werd. De synode van Dordrecht, 1574, bepaalde, dat men aan het einde van de Avondmaalsviering een korte inleiding zou lezen tot dankzegging, waarin de groote liefde Gods tot ons en onze dankbaarheid tot Hem werd aangewezen. Maar ’s namiddags zou men gewoon den catechismus weer preeken, om in een jaar rond te kunnen komen, artt. 79-80. Evenzoo bepaalde de synode van Dordrecht, 1578, art. 16. Maar de synode van Middelburg, 1581, liet het weer in de vrijheid der kerken. Er was daar een vraag uit N. Brabant, of men ’s namiddags den catechismus of een afzonderlijke dankzeggingspredikatie zou houden. De synode antwoordde, dat dit laatste wel nuttig kon wezen, maar liet de kerken er vrij in. Deze konden naar eigen goedvinden handelen. In onze tegenwoordige kerken heerscht tweeërlei gebruik. Sommige predikanten houden een afzonderlijke dankzeggingspredikatie. Anderen gaan voort met den Catechismus en passen die op het Avondmaal toe. Het komt ons voor, dat wij de dankzeggingspredikatie moeten houden, maar dat wij de vrijheid moeten laten tusschen een vrijen tekst of den Catechismus.

Is een offergave na het Avondmaal goed te keuren? Ongetwijfeld ja! Christus bezegelt in het Avondmaal zijn schuld- en zoenoffer, dat Hij bracht voor ons. Wij brengen Hem aan het Avondmaal een dankoffer voor de Zijnen. Ze moet dus ten goede komen aan de armen, die Hij ons achterliet. Men kan de gave van de aanzittende gasten ophalen en op de tafel neerleggen, zooals in de Engelsche kerken gewoonte is. Maar men kan ook een offerbus op de tafel of bij den uitgang plaatsen. Dat is ook naar omstandigheden te regelen. Zijn bij den dienst ook de niet-Avondmaalgangers aanwezig, dan moet men ook de gewone collecte voor de armen houden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 64

|285|

Art. LXIV. De bediening des Avondmaals zal alleen geschieden, waar toezicht is van Ouderlingen, volgens kerkelijke orde, en in eene openlijke samenkomst der gemeente.

 

De plaats der Avondmaalsbediening.

Wij bespreken hier eerst het oude en daarna het nieuwe artikel.

1. Het oude artikel van de Avondgebeden. In de 16e eeuw verstond men die uitdrukking. Die avondgebeden waren avond-samenkomsten in de kerk, uitsluitend voor het gemeenschappelijk gebed. Een soort Gereformeerde vesperdienst. Nog een navolging van de Roomsche gewoonte, om elken avond, ongeveer 3 of 4 uur, de kerk open te zetten en vesperdienst te houden. Bij de reformatie hield men die gewoonte vast. De dienst bestond dan in een korte Bijbellezing met gebed. Maar al spoedig kwam er bezwaar tegen. De synode van Dordrecht, 1574, besloot, dat men ze niet moest invoeren waar ze niet waren, en waar ze wel in gebruik waren, moest men ze maar zoo spoedig mogelijk afschaffen, en wel om drie redenen: 1e opdat men de gewone predikaties des te naarstiger zou bezoeken; 2e opdat de huisgebeden des te naarstiger onderhouden werden; en 3e opdat de algemeene gebeden op de vastendagen des te vuriger en plechtiger gebruikt werden. Zoo oordeelde de synode van Dordrecht, 1578, art. 57. Langzamerhand kregen ze echter eenige vastigheid In de kerken. Vandaar dat de volgende synoden, te beginnen met die van Middelburg, 1581, er wel bij bleven, dat men ze niet moest invoeren, waar ze nog niet waren, maar op plaatsen, waar ze wel waren, mocht men ze niet afschaffen, zonder het oordeel van de classe en van de Gereformeerde overheid te dier plaatse. Een langen tijd bleven ze nog wel in gebruik, maar in de 17e eeuw verdwenen ze toch langzamerhand geheel. Het bleek practisch onmogelijk de geheele gemeente ’s avonds bijeen te krijgen. Eerst schafte men ze in de week af en werden ze alleen op Zondagavond gehouden. Vandaar dat in kerken als Rotterdam en Vlissingen die Zondagavondbeurten nog lang het „Zondagavondgebed” genoemd werden. Maar allengs raakte ook dat in onbruik, zoodat de synode van Utrecht, 1905, het artikel, dat al lang geantiqueerd (verouderd) was, terecht geschrapt en door een nieuw artikel, over de plaats der Avondmaalsbediening, vervangen heeft.

2. De plaats der Avondmaalsbediening. In dit artikel liggen twee beginselen:

|286|

Vooreerst, dat het niet bediend mag worden waar nog geen gemeente en dus geen kerkeraad is, om toezicht te houden. „De bediening des Avondmaals zal alleen geschieden, waar toezicht is van Ouderlingen, volgens kerkelijke orde”. Dit punt kwam al vroeg ter sprake. Het gebeurde, dat op een plaats de reformatie wel doorwerkte, de geloovigen wel vergaderden, maar de groep nog te klein en nog te onvast was, om er een vorm van een kerk in te richten, ambtsdragers te verkiezen, de sacramenten in te stellen en de tucht toe te passen. Calvijn gaf den raad, dat men zich daar moest bepalen tot het lezen en verklaren van het Woord, maar dat men er geen sacramenten moest bedienen vóór er een vorm van een kerk bestond, aangezien er nog geen kerkeraad was, om toe te zien en de tucht uit te oefenen. In gelijken geest besloot de synode van Dordrecht, 1574, dat men geen Avondmaal mocht vieren, waar nog geen kerkeraad was om op de toelating en op de regeering der toegelatenen acht te hebben, art. 68. Alleen voegde de synode van ’s-Gravenhage, 1586, er nog aan toe, dat men op plaatsen, waar nog geen kerkelijke orde was, eerst ouderlingen en diakenen bij provisie zou stellen, d.w.z. dat men aldaar enkele personen als voorloopige ouderlingen en diakenen zou aanwijzen om den dienaar te helpen, en dan met de Avondmaalsbediening aan te vangen, art. 56. Die regel moet blijven gelden.

Voorts, dat het Avondmaal niet bediend mag worden in particuliere huizen, aan zwakken en kranken, die niet ter kerk kunnen komen, maar alleen in eene openlijke samenkomst der gemeente. Een dergelijke vraag werd door de kerken van Overijsel en Gelderland en te Wezel reeds aan de synode van Middelburg, 1581, voorgelegd. Deze antwoordde echter ontkennend: „neen, en dat men de sacramenten niet uit richten zal, dan in de gemeene verzameling, ter plaatse waar de gemeente ordinairlijk samenkomt”. Men oordeelde toen, dat men van den regel, om de Sacramenten alleen te bedienen in de gewone samenkomst der gemeente, niet moest afwijken. Deze regel is dan ook in de door de synode van Utrecht, 1905, veranderde redactie van dit artikel opgenomen. De synode van Leeuwarden, 1920, nam echter het minder strenge standpunt van Calvijn in, en besloot, dat bet Avondmaal ook in Stichtingen, op verzoek, aan verpleegden en verplegers enz., die leden eener Gereformeerde kerk zijn, mag bediend worden. Zie het volledig besluit te voren bij art. 6, blz. 34; en Acta van Leeuwarden, 1920, art. 25, Bijlage III.

Jansen, Joh. (1976) Art. 65

|287|

Art. LXV. Lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld.

 

Afschaffing van de Lijkpredikatiën.

Bij dit artikel bespreken wij de lijkpredikaties, het klokluiden en de lijkverbranding.

1. De lijkpredikaties. De vraag der lijkpredikaties werd reeds op de synode van Dordrecht, 1574, aan de orde gesteld. Bij Rome droeg de begrafenis een kerkelijk karakter. Er werd een soort publieken lijkdienst in de kerk gehouden, waarbij de priester over de lijkbaar heen een aanspraak hield, een gebed voor den doode opzond en de parochianen een lied ten afscheid zongen. De Gereformeerden konden die Roomsche ceremoniën natuurlijk niet overnemen. Daarom vroeg de classe Voorne c.a. aan de synode van Dordrecht, 1574, om een generale orde, waarnaar alle kerken en predikanten zich konden reguleeren. De synode antwoordde op deze vraag, dat de lijkpredikaties zoo spoedig mogelijk afgeschaft, en op plaatsen, waar ze niet waren, niet mochten ingevoerd worden, om het gevaar van superstitie (bijgeloof) te vermijden, art. 52. De synode van Dordrecht, 1578, oordeelde evenzoo, maar voegde er voor de plaatsen, waar ze nog niet afgeschaft konden worden, de waarschuwing aan toe, om ze in den vorm van een onvoorbereide vermaning, maar niet van een „predicatie”, die met gebed aanving en dankzegging besloten werd, te houden. Zij vreesde blijkbaar, dat in de lijkpredikaties „de lof der afgestorvenen” al te zeer op den voorgrond kwam en dat het eenvoudige volk in de voorbede nog een zekere „hulp en bijstand” aan den doode zou zien. Dat mocht niet. Daarom bepaalde de synode van Middelburg, 1581, dat men de lijkpredikaties, waar ze niet waren, niet mocht instellen, en waar ze reeds in gebruik waren, op de minst stootende wijze moest afschaffen, art. 48. Ook bracht zij een kleine verandering aan in de Liturgie. Er stond een „Dankzegging bij de begrafenis der dooden” achter den Catechismus. En die liet zij schrappen. Voortaan moest die weggelaten worden. De synode van Utrecht, 1905, bepaalde echter kort en goed „Lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld”.

De gewoonte, bij ons in gebruik, om bij een begrafenis de familie van den overledene en die met haar zijn opgekomen,

|288|

troostend en vermanend toe te spreken, kan niet geacht worden met deze bepaling in strijd te zijn. Wel echter ligt er in dit artikel en de historie daarvan een waarschuwing, om aan deze begrafenisplechtigheid niet het karakter van een officieelen kerkedienst en van een uitvaart op Roomsche wijze, te geven.

2. Het klokluiden. De Roomsche christenen waren er zeer aan gehecht: 1e om de booze geesten er door te verdrijven en 2e om de menschen op te wekken voor den overledene te bidden. Het gaf dus aanleiding tot superstitie of bijgeloof. Geen wonder dat de Gereformeerde kerken in het begin er tegen waren. De synode van Dordrecht, 1574, bepaalde dan ook in art. 52: „’t Luiden der klokken omtrent de begrafenis der dooden achten wij, dat alleszins afgezet behoort te worden”. Het was zelfs gewoonte tweemaal te luiden, èn als iemand gestorven was èn als bij begraven werd. Dit is hier en daar nog zoo, bijv. in Gelderlands Achterhoek. Maar de synode van Dordrecht, 1578, bepaalde, art. 58: „Het zal ook der Dienaren ambt zijn, zorg te dragen, dat het gebruik der klokken, welke in het Pausdom zoo bij het verscheiden als bij het begraven der menschen geluid worden, weggenomen worde”. Ondanks deze verbodsbepalingen bleef het luiden, niet in de groote steden, maar op de dorpen in gebruik. Dat er oorspronkelijk een Roomschen bijsmaak aan was, gevoelt men nu niet meer. Het is nu niet meer dan een oud gebruik, dat het karakter draagt van een publieke bekendmaking van het overlijden en dat de eerbaarheid der begrafenis verhoogt.

3. Begrafenis, geen lijkverbranding. Er is van geen begrafenis sprake, maar deze was van ouds bij de christenen in gebruik. Abraham zeide reeds: „Dat ik mijne doode voor mijn aangezicht begrave”, Gen. 23: 4. Lazarus lag in het graf, Joh. 11: 17. En Jezus zelf werd in het graf gelegd. De begrafenis is een oud-christelijk gebruik. De lijkverbranding daarentegen is van heidenschen oorsprong. Onder Israël kwam ze voor als een doodstraf, Gen. 38: 24; Lev. 20: 14; 31: 9; Joz. 7: 15. Zooals zij thans weer wordt ingevoerd, draagt ze een puur materialistisch karakter. Met den dood is het gedaan. Alleen een weinig asch blijft over. In de begrafenis daarentegen ligt de hope der wederopstanding. Wij leggen het lijk als een zaad in het graf en Christus zal er eens een verheerlijkt lichaam uit opwekken.

Jansen, Joh. (1976) Art. 66

|289|

Art. LXVI. In tijden van oorlog, pestilentie, algemeene volksrampen en andere groote zwarigheden, waarvan de druk overal in de Kerken gevoeld wordt, zal een bededag uitgeschreven worden door de Classe, die daartoe door de laatste Generale Synode is aangewezen.

 

Vast- en Bededagen.

Inzake de vast- en bededagen het volgende:

1. De vroegere vast- en bededagen. De vast- en bededagen zijn bij de reformatie der kerken niet afgeschaft, maar onderhouden. Trouwens ze waren reeds van ouden datum. Zoolang de kerken nog onder het kruis of in de verstrooiing waren, konden er alleen particuliere vast- en bededagen voor elke gemeente gehouden worden. Later werden het officieele, van regeeringswege erkende, dagen, die niet alleen voor de kerken, maar voor heel het land golden. Het vasten was slechts middel om het vleesch te bedwingen. Maar het eigenlijke doel was, om de ziel des te ernstiger tot het gebed te stemmen. Aanvankelijk zonderde men zulk een vast- en bededag alleen af bij de verkiezing van een dienaar des Woords. Later ook in tijden van oorlog, pestilentie, duren tijd, zware vervolging der kerk en andere openbare ellenden. De gemeente kwam in de week samen, bleef soms een geheelen dag in de kerk en onthield zich van spijze en drank. Er werd tweemaal gepreekt. Tusschen de preeken in werd er een of ander deel uit het O. of N.T. voorgelezen. Eerst begon de kerk er mee, maar toen de reformatie doorwerkte en ook de plaatselijke overheid op de meeste plaatsen gereformeerd werd, besloot zij op hare synoden, dat hare Dienaars op de verschillende plaatsen de overheid moesten verzoeken, „dat door hare autoriteit en bevel openbare vast- en bededagen aangesteld en geheiligd mogen worden”. Artikelen van Wezel, 1568, II: 6; acta van Dordrecht, 1574, artt. 23 en 54; van Dordrecht, 1578, art. 74; van Middelburg, 1581, art. 49; en van ’s-Gravenhage, 1586, art. 59.

2. De tegenwoordige bededagen. In tweeërlei opzicht is er door de synode van Utrecht, 1905, een verandering aangebracht.

Vooreerst is in de nieuwe redactie het vasten weggelaten. In de vroegere redactie was er sprake van vast- en bededagen. Nu alleen van bededagen. Niet omdat de kerken nu principieel anders oordeelen over het vasten! Dat ze het vroeger noodzakelijk

|290|

oordeelden en nu niet meer! Neen, maar omdat het vasten in de practijk zóó in onbruik is geraakt, dat het in geen enkele Gereformeerde kerk meer voorkomt.

En voorts stond er in de oude redactie, dat de dienaars der kerken aan de overheid zouden verzoeken zulk een biddag uit te schrijven, terwijl de synode van Utrecht, 1905, het aldus wijzigde: „dat de Bededag zal uitgeschreven worden door de Classe, die daartoe door de laatste Generale synode is aangewezen”. Al spoedig nadat de Christelijk Gereformeerde kerk van 1834, en de Ned. Gereformeerde kerken van 1886 waren vereenigd (in 1892), werd er voor het uitschrijven van een bededag een bepaalde classe en wel de classe ’s-Gravenhage aangewezen. De synode van Arnhem, 1902, adviseerde haar zelfs, de uitschrijving van een bededag of bidstond niet door deputaten maar door de classe zelve te doen geschieden, art. 197. De synode van ’s-Gravenhage, 1914, gaf de classis in overweging voor dit doel als regel een Zondag aan te wijzen, art. 92.

De kerken zijn tot deze laatste wijziging gekomen, omdat het uitschrijven van een bededag door de overheid in ons land zoo goed als niet meer voorkwam. Natuurlijk kon de overheid zulk een bededag niet aan de onderscheiden kerken opleggen, maar wel is haar taak deze te verzoeken op eenzelfden dag samen te komen, daarvoor een datum aan te wijzen en het publieke leven alsdan zooveel mogelijk stil te doen staan.

Jansen, Joh. (1976) Art. 67

 

Art. LXVII. De gemeenten zullen onderhouden, benevens den Zondag, ook den Kerstdag, Paschen, Pinksteren en Hemelvaartsdag. De onderhouding der tweede feestdagen wordt in de vrijheid der Kerken gelaten.

 

Christelijke Feestdagen.

Wil wijzen ter verklaring van dit artikel op drie punten:

1. Op de aanvankelijke overtuiging der kerken inzake de feestdagen. Van den aanvang der hervorming was er bij sommigen een sterke actie tegen de feestdagen. Niet pas onder den invloed van Calvijn, maar reeds vóór dien tijd. Ten onrechte is de afschaffing der feestdagen aan Calvijn toegeschreven. In Genève

|291|

waren ze onder den invloed van Farel en Viret, en te Straatsburg onder dien van Bucer, reeds afgeschaft. Maar wel was Calvijn het volkomen met de afschaffing eens. Het motief was drieërlei: 1e dat ze niet van Goddelijke, maar van menschelijke instelling waren; 2e dat ze den Zondag opzij drongen; en 3e dat ze aanleiding gaven tot losbandigheid en heidensche feestelijkheden. In Genève was niet eens voorgeschreven om op de Christelijke feestdagen te preeken. Op den Zondag vóór Kerstfeest werd over de Kerstgeschiedenis gepreekt, maar op het Kerstfeest zelf (want er werd elken dag in de week gepreekt) over het onderwerp dat aan de orde was. Zoo preekte Calvijn op 25 Dec. eens over een vervolgstof uit Deuteronomium over de huwelijkswet. Om dezelfde reden heeft ook John Knox in Schotland de feestdagen afgeschaft. Zij wilden alleen den Zondag als Christelijken feestdag onderhouden.

2. De latere concessie aan de overheid. Aanvankelijk waren dan ook de kerken in ons land er tegen. De synode van Dordrecht, 1574, bepaalde in art. 53, dat men met den Zondag tevreden moest zijn en van de feestdagen afgemaand moest worden. Alleen liet zij toe Zondags vóór het Kerstfeest en, zoo het Kerstfeest op een preekdag (in de week of op een Zondag) viel, over de geboorte van Christus; en evenzoo ook op Paasch- en Pinksterfeest over de opstanding van Christus en over de uitstorting des H. Geestes te handelen. Dit gold echter alleen de eerste, niet de tweede feestdagen.

De volgende synode te Dordrecht, 1578, gaf al meer toe. Zij bepaalde in art. 75: Het ware te wenschen, dat de Zondag alleen gevierd werd. Maar zij sanctioneerde toch reeds het Kerstfeest, en waar door de autoriteit der overheid ook de eerste en tweede Kerst-, Paasch- en Pinksterdagen, en in sommige plaatsen ook Nieuwjaars- en Hemelvaartsdag onderhouden werden, moesten de Dienaren maar preeken om lediggang en losbandigheid te voorkomen. Maar behalve Kerstfeest (en Paschen en Pinksteren, die op Zondag vielen) moesten de feestdagen zooveel mogelijk afgesteld worden.

De synode van Middelburg, 1581, ging weer een stap verder en nam in art. 50 ook Hemelvaartsdag onder de verplichte feestdagen op. Zij stelde voorop, dat de kerken bij de overheid moesten aandringen op afschaffing der feestdagen, behalve Kerstfeest en Hemelvaartsdag. Maar waar de overheid ze in stand hield, moesten de Dienaren des Woords toch maar

|292|

preeken om lediggang te voorkomen en er een karakter van een Christelijken feestdag aan te geven, art. 50.

De synode van ’s-Gravenhage, 1586, besloot in art. 60, dat naast den Zondag voor vast de eerste en tweede Kerst-, Paasch- en Pinksterdagen onderhouden moesten worden; en voorts, dat op plaatsen, waar op bevel van de overheid ook nog andere feestdagen met name de Besnijdenis van Christus (nieuwjaars-) en Hemelvaartsdag onderhouden werden, de Dienaren moesten prediken om lediggang te voorkomen en er een Christelijken feestdag van te maken. Hemelvaartsdag werd hier met den Nieuwjaarsdag facultatief gesteld. d.w.z. in de vrijheid gelaten.

De synode van Dordrecht, 1618-’19, sloot zich inzake de vaste onderhouding van den eersten en tweeden Kerst-, Paasch- en Pinksterdag bij de vorige synode aan. Maar inzake den dag van de Besnijdenis van Christus (Nieuwjaarsdag) en den dag van Zijn hemelvaart, die in de meeste steden en provincies van Nederland onderhouden, maar door de vorige synode in de vrijheid gelaten werden, moesten de Dienaren op de plaatsen, waar ze nog niet gevierd werden, er bij de overheid aldaar op aandringen, zich met de andere te conformeeren, d.i. ook deze feestdagen voor vast te onderhouden. Zoo werden dan nu officieel de eerste en tweede Kerst-, Paasch- en Pinksterdagen en ook de Nieuwjaars- en Hemelvaartsdag als Christelijke feestdagen onderhouden. Waar de beide laatste dagen nog niet onderhouden werden, moesten ze nu wel ingevoerd worden. In sommige provinciën hield dit nog geruimen tijd aan.

Wij merken bij de besluiten dezer synoden een steeds meerdere toegeeflijkheid op. Aanvankelijk waren de kerken er tegen. Maar de overheid hield er met alle kracht aan vast, niet alleen om het volk een genoegen te doen, maar ook omdat ze zulke geschikte vacantiedagen waren. En nu de arbeid op deze dagen stilstond, en het volk gevaar liep, van lediggang tot ongebonden dartelheid over te slaan, bepaalden de kerken, reeds in 1578, dat de Dienaars door de prediking „den onnutten en schadelijken lediggang in een heilige en profijtelijke oefening (zullen) veranderen”. De kerken hebben de feestdagen dus wel „toegelaten”, maar geenszins „goedgekeurd”.

3. De Goede Vrijdag. In de oude christelijke kerk werd de Woensdag en ook de Vrijdag als vastendag beschouwd, omdat „onze Heere op een Woensdag door Judas verraden en op een Vrijdag door de Joden gekruist is”. Bij de Roomsche kerk was

|293|

de Goede Vrijdag een halve feestdag, waarop het geoorloofd was te werken. Luther oordeelde, dat alle Christelijke feestdagen van menschelijke instelling waren, maar achtte het toch loffelijk, dat de voornaamste dier feestdagen, en dat waren juist de dagen van Christus’ dood en opstanding, kerkelijk herdacht werden. De Luthersche kerk heeft dan ook bij voorkeur den Goeden Vrijdag als Avondmaalsdag gevierd. De Gereformeerden, die in het algemeen al tegen de feestdagen waren, wilden van den Goeden Vrijdag niets weten. In de acta van de Zuidhollandsche synode, gehouden te Gouda, 1589, vinden wij er het eerste spoor van. Op sommige plaatsen volgde men de Roomsche gebruiken nog na, en zoo werd er hier en daar op Goeden Vrijdag bij nacht gepreekt. Dit was onstichtelijk, oordeelde de synode; en de classen, waar het voorviel, moesten het weren, art. 30. In Gelderland, waar blijkbaar de Luthersche gewoonte van uit Duitschland zeer nawerkte, besloot de synode van Zutfen in 1596, art. 20, dat op de vastendagen „alle Vrijdagen de historie des lijdens” verklaard moest worden. In de classis Nijmegen waren de andere feestdagen verboden, echter met uitzondering van den Vrijdag voor Paschen en die werd „Goede Vrijdag” genoemd. En in Utrecht hebben de Remonstranten in hun K.O. van 1612 den Goeden Vrijdag onder de kerkelijke feest- en vierdagen gerekend. Zoo werd hij in de 17e en 18e eeuw slechts in weinige provincies gevierd. In de 19e eeuw werd hij echter bij het Ned. Herv. Genootschap een kerkelijke feestdag. Telkens kwamen er bij hare synoden, zoo in 1818 en in 1845, verzoeken in, om op het onderhouden van den Goeden Vrijdag aan te dringen. De synode van 1853 wendde zich dan ook met een verzoek tot de Kerkeraden, dat die dag meer naar waarde gevierd moest worden en dat het houden van het Avondmaal op Goeden Vrijdag daartoe zeer dienstig zou wezen. Hiermee werd deze dag als een bijzonder heilige dag gestempeld en boven den rustdag gesteld. Ten onrechte, want de dood van Christus moest eerst door Zijn opstanding bevestigd worden. Eerst na de opstanding stond de kerk voor het door den Vader aanvaarde offer. Daarom kwamen de eerste christenen dan ook bij voorkeur op den eersten dag samen om brood te breken. Toch zijn er onderscheidene Gereformeerde kerken, die het stellen van den Goeden Vrijdag boven of naast den Rustdag, en het Avondmaal-vieren op Goeden Vrijdag beslist afkeuren, maar die hem met den tweeden Paasch- en Pinkster-, met

|294|

Hemelvaart- en Nieuwjaarsdag op een lijn stellen. En van deze tweede feestdagen verklaart thans art. 67: „De onderhouding der tweede feestdagen wordt in de vrijheid der kerken gelaten”. Deze bepaling zwijgt wel van den Goeden Vrijdag, maar in de meeste Gereformeerde kerken is het gewoonte, dezen dag te onderhouden door een avonddienst. Principieel is daar ook niet veel tegen in te brengen. Het is wel waar, dat de Ethischen en Modernen bij voorkeur den Goeden Vrijdag vieren en hem zelfs boven de rustdag eeren. Maar daarom behoeven wij niet in een ander uiterste te vervallen en met het bad ook het kind weg te werpen. Zie Post-acta van Dr. H.H. Kuyper, blz. 151; en Bazuin, no. 11.

Jansen, Joh. (1976) Art. 68

 

Art. LXVIII. De Dienaars zullen alomme des Zondags, ordinaarlijk in de namiddagsche predikatiën, de somma der Christelijke leer, in den Catechismus, die tegenwoordig in de Nederlandsche Kerken aangenomen is, vervat, kortelijk uitleggen, alzoo dat dezelve, zoveel mogelijk, jaarlijks mag geëindigd worden, volgens de afdeeling des Catechismus zelven daarop gemaakt.

 

Catechismus-prediking.

Wij wijzen ter verklaring op twee zaken:

1. Op de invoering der Catechismus-prediking. Inzake de Catechismus-prediking hebben de Gereformeerde Kerken de buitenlandsche kerken gevolgd. Reeds in 1566 predikte de bekende predikant Petrus Gabriël elken Zondag uit den H. Catechismus. Wel hebben het convent te Wezel, 1568, de synode te Embden, 1571, en evenzoo de particuliere synode van Dordrecht, 1574, zich over de Catechismus-prediking geheel niet uitgelaten, maar zoo hier en daar, bijv. te Dordrecht, werd de Catechismus reeds voor 1574, in de namiddag-godsdienstoefening verklaard. Dit blijkt ook nog uit de vraag van Walcheren, op de Dordsche synode van 1574, of het niet goed was, dat men goede homiliën (preeken) op den Catechismus maakte. En evenzoo uit het besluit der synode van Dordrecht, 1578, om des namiddags na de Avondmaalsviering, met de gewone predikatie of met den Catechismus voort te varen. Beide besluiten onderstellen de Catechismus-prediking.

|295|

Het eerste, voor alle kerken bindende besluit, was van de synode te ’s-Gravenhage, 1586: „De Dienaars zullen alomme des Zondags ordinaarlijk in de namiddagsche predikatie de somma der Christelijke leer, in den Catechismus, die tegenwoordig in de Nederlandsche kerken aangenomen is, vervat, kortelijk uitleggen, alzoo dat dezelve, zooveel mogelijk, jaarlijks mag geëindigd worden, volgens de afdeeling des Catechismus zelven daarop gemaakt.” Alleen de cursief gedrukte woorden zijn later tusschengevoegd. De eerste acht cursief gedrukte woorden door de synode van Dordrecht, 1618-’19, en de laatste twee door de synode van Utrecht, 1905.

Ondanks deze bepaling van 1586, werd de Catechismusprediking op vele plaatsen door de gemeente slecht bezocht, en omdat zij slecht bezocht werd, hier en daar door nalatigheid der dienaars, afgeschaft. De acta der particuliere synoden zijn er vol van. En Henric van Corput klaagt er over in de voorrede van den Catechismus van Bastingius. Op sommige plaatsen kwamen er weinig, op andere zelfs geen hoorders, zoodat de Dienaren des Woords door deze „slappicheyt ende nalaticheyt” mede „slap ende verdrietich” werden. Dit was de oorzaak, dat de Friesche en Overijselsche kerken zich met deze klachten tot de synode van Dordrecht, 1618-’19, wendden, en dat de synode opzettelijk over de Catechismus-prediking handelde. Als oorzaken worden genoemd: de nalatigheid der predikanten, onder wie er waren, die Zondagsnamiddags niet preekten ende gemeente niet vermaanden tot de preek te komen; de moeilijkheid om het landvolk Zondags van hun spelen of werk af te houden; de combinatie van twee of meer kerken, waardoor de dienaren niet voldoende op de gemeenten acht konden geven; de tegenzin der Remonstranten tegen de Catechismus-prediking; en de slapheid der overheid in het handhaven der Zondagsrust, wijl zij den landarbeid op Zondag toeliet.

De synode besloot dan ook tot de volgende middelen, om de Catechismus-prediking ingang te doen vinden:

1e Art. 61 van de Haagsche synode te vernieuwen en aan alle predikanten, niet alleen in de steden, maar ook in alle dorpen, ernstiglijk en onder zware kerkelijke censuur, te belasten, Zondagsnamiddags geregeld korte en ook voor eenvoudigen bevattelijke Catechismus-predikaties te houden.

2e Deze namiddag-predikaties mochten om het kleine getal hoorders niet nagelaten worden, al moesten de predikanten ook

|296|

voor weinig hoorders, ja soms alleen voor hun eigen gezinnen preeken, want als zij zelf met hun familiën een goed voorbeeld gaven, zouden anderen, en vooral zij, die de Gereformeerde religie toegedaan waren, spoedig volgen.

3e De Overheid moest verzocht worden, allen dagelijkschen arbeid en voornamelijk de spelen, zuiperijen en zwelgerijen, en andere ontheiligingen, waarmee men vooral op het platteland den Zondagnamiddag plagt te ontheiligen, met strenge placcaten te verbieden, opdat het volk de namiddagdiensten trouw ging bezoeken en den geheelen Sabbat beter leerde vieren.

4e Waar het mogelijk was moesten de gecombineerde kerken elk een eigen predikant beroepen, maar waar de combinatiën (samenvoegingen van kerken) niet afgeschaft konden worden, moest ten minste in de gecombineerde kerken om den anderen Zondag ’s namiddags uit den Catechismus gepreekt worden.

5e De visitatoren moesten bij het bezoek der kerken toezien of de predikanten naarstig hun roeping vervulden en de ongehoorzamen aan de classe bekend maken, opdat hun nalatigheid door behoorlijke censuur ernstiglijk bestraft werde; en er blijkbaar bij de kerkeraden op moesten aandringen de belijdende leden, die weigerden de Catechismus-prediking bij te wonen, onder de kerkelijke censuur te stellen en hun familiën er toe te brengen de Catechismus-prediking trouw te bezoeken. Zie H. Kaajan, De Pro-acta der Dordsche synode blzz. 154-167.

2. Op de bedoeling dezer bepaling. De bedoeling is, dat de Catechismus-prediking zooveel mogelijk jaarlijks rond komt. In de oude redactie stond: „alzoo dat dezelve jaarlijks mag geeindigd worden”. Maar dat was te sterk. Het is geen wet van Meden en Perzen, dat men den 52sten Zondag van den Catechismus ook op den 52sten Zondag van het jaar moet behandelen. Daarom voegde de synode van Utrecht, 1905, er in: „zooveel mogelijk”. Er is nu wat ruimte en vrijheid gelaten.

Het is niet juist, bij de Catechismus-prediking een tekst af te lezen. De Zondagen rusten niet op één tekst, maar op verschillende teksten en op de doorgaande leer der Schrift. De Catechismus-prediking is dus inderdaad Schriftprediking, maar niet over afzonderlijke teksten, doch over een korte samenvatting van verschillende teksten over een bepaald onderwerp. Het vooropstellen van één tekst bij elken Zondag zou den indruk geven, dat de Catechismus niet de uitdrukking is van Gods Woord.

|297|

De gewoonte, vroeger hier en daar gevolgd, om een der catechisanten vóór de preek den Zondag te laten opzeggen, is niet goed. Niet alleen, omdat het bij zulke vrijmoedige catechisanten geestelijken hoogmoed kweekt, maar vooral omdat het geen publieke Catechisatie, maar Catechismus-prediking is. Deze prediking mag niet te lang duren. Vooral niet langer dan anderhalf uur.

Jansen, Joh. (1976) Art. 69

 

Art. LXIX. In de Kerken zullen alleen de 150 Psalmen Davids, de Tien geboden, het Onze Vader, de 12 Artikelen des geloofs, de Lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon, de Morgenzang en de Avondzang, en de Bedezang vóór de predikatie, gezongen worden.

 

Psalmen en Gezangen.

Wij wijzen op de Psalmen, de Gezangen en het Orgelspel.

1. De Psalmen. Calvijn heeft ook het kerkgezang gereformeerd. Bij Rome zong alleen het koor en zweeg de gemeente. Maar hij voerde het gezang der gemeente in en verzamelde daartoe een bundel psalmen van Clement Marot en Beza. Hij liet de melodieën door Louis Bourgois en Maitre Pierre vervaardigen en begon met enkele menschen deze melodieën te leeren en de kinderen op de scholen in den zang te oefenen.

Zijn voorbeeld vond in de Gereformeerde kerken overal navolging. Allerwegen werd het gezang der gemeente ingevoerd. Van 1540 af zong men de Souterliedekens van Willem van Zuylen van Nyevelt. In 1566 kwamen daar bij de „Psalmen Davids” van Jan Utenhove, maar die vonden geen ingang; evenmin als die van Lukas de Here.

De voornaamste berijming is echter die van Petrus Datheen. Deze verscheen ook in 1566 en vond aanstonds ingang. Datheen was een populair en gewild predikant. Hij gaf een vrije bewerking naar de Fransche berijming van Beza en Clement Marot. Er kleefden wel vele gebreken aan, maar er zat gezonde zalving in en zij sprak tot het gemoed van het Gereformeerde volk. Het convent te Wezel, 1568, besloot dan ook, dat ze „in alle Nederlandsche kerken” gebruikt zou worden. En de kerken hielden er tot en met de synode van Dordrecht, 1578, aan vast.

|298|

Maar in 1580 verscheen een nieuwe berijming van Marnix van St. Aldegonde. Hij had de psalmen uit den grondtekst geexegetiseerd en getracht de oorspronkelijke bedoeling zoo getrouw mogelijk in de berijming weer te geven. Marnix zelf en vooral de Leidsche professor Bonaventura deden veel moeite om ze bij kerken ingang te doen vinden. De beide volgende synoden stonden dan ook sterk onder hun invloed. Die van Middelburg, 1581, besloot wel, dat de psalmen van Datheen nog in gebruik zouden blijven, overmits verandering „periculeux” (gevaarlijk) was, maar zij voegde er toch reeds aan toe : totdat verandering zou kunnen geschieden. Beide lieten ze den naam Datheen officieel weg. In art. 76 van de acta van Dordrecht, 1578, stond nog: „De Psalmen Davids van Petrus Datheen overgezet”, enz. Nu luidde het: „De Psalmen Davids alleen zullen in de kerk gezongen worden”. De naam van Datheen werd dus geschrapt en alleen uit voorzichtigheid die van Marnix nog niet genoemd.

Opmerkelijk, dat die poging ten eenenmale mislukt is! De berijming van Marnix was niet in staat die van Datheen te verdringen. Deze was en bleef populair. Zij sprak ook veel meer tot het hart van het volk. Bovendien raakte Marnix sinds het jaar 1585 zijn vertrouwen wel wat kwijt, omdat hij de stad Antwerpen aan Parma moest overgeven. Men verdacht hem, dat hij met den vijand heulde. Daarbij kwam, dat de Graaf van Leicester, die de synode van 1586 had samengeroepen, en aan wie de zaak was opgedragen, in ongunst heenging en alles, waaraan zijn naam kleefde, in miscrediet kwam, De synode van Dordrecht, 1618-’19, zat dan ook wel wat in moeilijkheid. Zij liet dan ook eenvoudig het artikel van 1586 bestaan, sprak zich dus over geen enkele berijming uit en liet den meerderen invloed van Datheens’ berijming onder het volk stillekens begaan.

De berijming van Datheen heeft dan ook twee eeuwen lang den toets doorstaan, en is eerst in 1775 door de tegenwoordige berijming vervangen. Allengs waren er verschillende bezwaren tegen zijn berijming gerezen. Vooral het boek van Andreas Andriessen: „Aanmerkingen op de Psalmberijming van P. Datheen”, 1756; en eveneens een boek van Jean Guepin van Vlissingen hebben deze bezwaren onder het volk gebracht en algemeen verbreid. Er waren zelfs reeds nieuwe berijmingen verschenen. Maar eerst toen de Staten van Holland de zaak aanpakten, kwam er voortgang. Zij noodigden een commissie van 9

|299|

predikanten uit, die met 2 afgevaardigden der Staten 12 jan. 1773 in het Mauritshuis vergaderde. Deze commissie verzamelde een nieuwen bundel uit drie berijmingen, nl. 1e uit die van Hendrik Ghijsen, zilversmid te Amsterdam; 2e uit die van het genootschap Laus Deo, Salus populo, d.i. Gode de eere, den volke heil, meest door Doopsgezinden en Remonstranten vervaardigd; en 3e uit die van Johannes Eusebius Voet, geneesheer te ’s-Gravenhage. Zij was er 19 juli 1773 mee gereed. Deze bundel nu werd op last der Algemeene Staten, 1 jan. 1775, ingevoerd. Dit was kerkrechtelijk onjuist. De kerken hadden de samenstelling en invoering van een nieuwe berijming zelf moeten regelen. Maar de Staten verhinderden het samenkomen eener generale synode. Ook werkte het verkeerd, dat ze op sommige plaatsen met dwang is ingevoerd, zooals op het eiland Walcheren en te Vlaardingen en te Maassluis geschiedde.

Tegen dezen psalmbundel zijn wel vele en ook wel ernstige bezwaren in te brengen: 1e Dogmatische bezwaren, omdat in verschillende psalmen de deugd al te zeer verheerlijkt wordt; 2e Exegetische bezwaren, omdat de berijming hier en daar gedachten uitspreekt, die in den oorspronkelijken tekst niet voorkomen; 3e Aesthetische bezwaren, omdat hier en daar minder fraaie uitdrukkingen voorkomen. Maar een krachtige drang om tot een verbeterde psalmberijming te komen is er in onze kerken nog niet.

2. De gezangen. Van den beginne aan werden er naast de psalmen ook enkele gezangen gezongen. Datheen had zelf aan zijn psalmberijming van 1566 enkele gezangen toegevoegd, nl. de Tien geboden, het onze Vader, de Twaalf artikelen, de drie Lofzangen en het gebed: O God, die onze Vader zijt. Maar de kerken waren huiverig er meer aan toe te voegen. De synode van Dordrecht, 1574, antwoordde dan ook op een vraag, of het nuttig was nog andere geestelijke liederen aan de psalmen toe te voegen: „dat men met den Psalmen van Datheen mitsgaders ’t geen dat er bij is, tevreden zal wezen, totdat in de Synode generaal anders besloten zal zijn”. De gezangen, die Datheen aan zijn psalmbundel had toegevoegd, waren nu eenmaal in gebruik! En sommige kerken zongen ook de psalmen van Utenhove en andere geestelijke liederen. Maar de synode zei niet verder gaan dan de psalmen van Datheen, met de gezangen, die hij er aan toevoegde! De kerken mochten de gezangen niet eigendunkelijk uitbreiden. Zij moesten wachten op wat de

|300|

generale synode besloot, art. 43. De synode van Dordrecht, 1578, besloot dan ook, dat men alleen de psalmen Davids (van Datheen) mocht zingen, gelijk men tot nog toe gedaan had, „achterlatende de gezangen, welke in de H. Schrift niet gevonden worden”. Zij veroordeelde dus alle vrije gezangen. Alleen de psalmen en gezangen, die in de Schrift gevonden werden, waren geoorloofd. Evenzoo, die van Middelburg, 1581, art. 51. Alleen voor de kerken van Overijsel liet deze een uitzondering toe. Daar kon men zich, vooral op het platteland, niet goedvinden inde psalmen van Datheen en zong men verschillende Duitsche liederen. De synode gaf aan die zwakheid wat toe en bepaalde, dat de classe Deventer een bundel van 12 of meer der „lichtste psalmen Davids en daarbij eenige Oostersche (Duitsche) uitgelezen gezangen” zou uitgeven, „om alzo de boeren aldaar te gewennen tot gebruik der psalmen Davids”.

De synode van Dordrecht, 1618-’19, moest echter weer over de gezangen spreken. Door drie provinciale synoden werd er op eenparigheid in het gezang aangedrongen, nl. door ZuidHolland, Gelderland en Overijsel. Verschillende redenen maakten dit noodig. Vooreerst had de evengenoemde concessie aan de kerken van Overijsel juist het omgekeerde gevolg, dat de „boeren” nog meer gezangen gingen zingen, niet alleen in Overijsel, maar in heel het Noorden. Voorts had de Remonstrantsche synode van Utrecht, 1612, een poging gewaagd om een bundel van 48 gezangen in te voeren, die, al was ze mislukt, de kerken toch tot voorzichtigheid maande. En eindelijk hadden de synoden wel bepaald, dat alleen de psalmen en de gezangen, die aan de Schrift ontleend waren, mochten gezongen worden, maar welke gezangen dat waren, was nooit uitgemaakt. Zelfs al hebben de vroegere synoden daarbij gedacht aan de berijming van Datheen, dan was een nadere bepaling nog niet overbodig. Immers vijf van zijn gezangen waren aan de Schrift ontleend, nl. de Tien geboden, het Onze Vader en de Lofzangen van Zacharia, Simeon en Maria en mochten dus strikt genomen gezongen worden. Maar de 12 Artikelen des Geloofs en vooral het kort gebed vóór de predikatie: O God, die onze Vader zijt (van Jan Utenhove) en het Avondgebed (vertaling van de aan Ambrosius toegeschreven Latijnsche hymne) waren reeds vrij weergegeven liederen. De synode bepaalde dan ook: In de Kerken zullen alleen de 150 Psalmen Davids, de Tien Geboden, het Onze Vader, de 12 Artikelen des Geloofs, de Lofzangen

|301|

van Maria, Zacharias en Simeon gezongen worden. Deze zes gezangen werden dus goedgekeurd. Wel staan de 12 Artikelen niet woordelijk in de Schrift, maar toch zijn ze zakelijk uit de Schrift geput. Daarom werden ze geoorloofd geacht. En verder luidt het artikel: ’t Gezang: O God, die onze Vader zijt, wordt in de vrijheid der Kerken gesteld, om 't zelve te gebruiken of na te laten. Alle andere gezangen zal men uit de Kerken weren, en waar er eenige alreeds ingevoerd zijn, zal men dezelve met de gevoegelijkste middelen afstellen. Het gebed vóór de predikatie: O God, die onze Vader zijt, werd dus vrij gelaten, maar alle andere, ook de Avondzang, die men toch bleef drukken, en natuurlijk ook de Morgenzang, die er sinds 1722 werd bijgevoegd, zijn toen van het kerkelijk gebruik nog uitgesloten. Bij de wijziging der K.O. op de synode van Utrecht, 1905, zijn ook deze drie met de andere gelijk gesteld en toegelaten.

Bijna twee eeuwen lang heeft deze bepaling gegolden. Maar in 1807 is er een gezangbundel ingevoerd. Niet door een generale synode want die kwam niet samen, maar door een commissie van afgevaardigden uit alle provinciale synoden. die een bundel van 192 gezangen samenvoegde, goedkeurde en bij de kerken aanbeval. Later werd het gebruik der gezangen verplichtend gesteld, wat veel verzet opwekte.

De Gereformeerden hadden van ouds steeds ernstige bezwaren tegen de gezangen: 1e omdat de psalmen rechtstreeks door God gegeven waren voor het liturgisch gebruik in de kerken, onder alle volken, alle eeuwen door; en 2e omdat de gezangen slechts de geloofsuiting kunnen zijn van een bepaalden tijd, uit den aard der zaak een tijdelijk karakter dragen en dan ook telkens bij wijze van supplement moeten aangevuld worden. Na een tijdperk van 50 of 100 jaar zijn er vele gezangen verouderd en moeten er weer nieuwe bij, terwijl de psalmen nooit verouderen en voor alle volken en eeuwen gelden.

In de latere jaren is er in de Gereformeerde kerken echter een steeds sterker wordende strooming, die den psalmbundel wil aanvullen met nieuwe gezangen. De synode van Rotterdam, 1917, ging er nog niet op in. De oorlogsomstandigheden, die de stemming zeer drukte, werkte er niet toe mee. Maar toen de particuliere synode van Noord-Holland, met instemming van die van Gelderland, aan de synode van Leeuwarden, 1920, voorstelde, dat eenige berijmde Schriftgedeelten mogen worden toegevoegd aan den bundel „Eenige Gezangen”, achter de

|302|

psalmen opgenomen, ging de synode er op in en benoemde een commissie met de opdracht, „den bundel „Eenige Gezangen” te overzien en voorts te trachten dien uit te breiden met eenige andere berijmde of onberijmde gedeelten der H. Schrift”.

Er waren ook een paar voorstellen om kerkliederen, „die niet een berijming van Gods Woord doch een vrije vertolking van wat het gemoed des Christens beweegt, moeten heeten, voor zoover deze met Gods Woord naar onze belijdenis overeenkomen”, in te voeren. Maar, — zoo oordeelde de commissie van advies — al mocht er principieel geen bedenking tegen te maken zijn, er was toch practisch drieërlei bezwaar tegen 1e dat de geschiedenis der gezangen-quaestie in Nederland nog steeds een onbevangen beoordeeling onmogelijk maakt; 2e dat een gezangenbundel wegens zijn tijdelijk karakter telkens aanvulling noodig heeft en zoo het gevaar dreigt, dat de Psalmbundel er door verdrongen wordt; en 3e dat een eventueele vrijheid om deze gezangen al of niet te gebruiken, de kerken gemakkelijk in al of niet gezangen zingende kerken zou kunnen splitsen, wat voor de rust der kerken niet weldadig zou werken. Op haar voorstel ging de synode er dan ook niet op in.

3. Het orgelspel. In art. 69 wordt niet gesproken over het orgelspel. Maar in de vroegere redacties wel. Bij den aanvang der reformatie waren er nog geen orgels. De kruiskerken vergaderden meest in huizen en schuren. Maar toen men in 1572 in Holland en Zeeland de vrijheid kreeg, kwamen zij in het bezit van kerken met prachtige orgels. Het orgelspel diende toen echter niet ter begeleiding van het gezang der gemeente, maar had plaats vóór en na de predikatie als een soort orgelconcert, om de hoorders op muziek te vergasten. Geen wonder, dat de kerken daartegen ernstig bezwaar hadden. De synode van Dordrecht, 1574, besloot dan ook, dat het orgelspel geheel afgeschaft moest worden, volgens 1 Cor. 14: 19, waar Paulus zegt, dat hij liever vijf woorden spreekt met zijn verstand, om anderen te onderwijzen, dan tienduizend in een vreemde taal. Ook het orgelspel aan het einde der preek moest ophouden, want het nam den indruk der preek weg, en gaf aanleiding tot superstitie of bijgeloof. Het was beter, dat men de collecte voor de armen, die nu onder den dienst gehouden werd, tot hinder van de preek, voortaan in plaats van het orgelspel naar het einde van den dienst verplaatste, art. 50. Ook de synode van Dordrecht, 1578, achtte het gebruik der orgels in de kerken,

|303|

inzonderheid vóór de predikatie, niet goed. De dienaren des Woords moesten het, ook al was het een tijd lang geduld, zoo spoedig mogelijk afschaffen, art. 77; zie ook de synode van Middelburg, 1581, part. vr. 34.

Dit standpunt hadden de Gereformeerde kerken van Calvijn overgenomen. Hij schafte het Roomsche koorgezang, dat sinds het einde der Middeleeuwen onder begeleiding van orgelspel plaats had, af. De gemeente zelf moest zingen en de kinderen moesten het leeren in de scholen. De hervormers en de kerkelijke vergaderingen begonnen dan ook op verwijdering der orgels uit de kerken aan te dringen. Maar dat gelukte niet. Op de meeste plaatsen bleven ze stil in de kerken staan. Ze deden echter geen dienst bij de prediking. De gemeente zong zonder het orgel. Alleen werd er in de week wel een uitvoering op gegeven en speelde men ook des Zondags wel vóór en ná de preek. Het bezwaar van Calvijn was principieel, nl. dat het gebruik van muziekinstrumenten en ook van orgels bij den eeredienst ongeoorloofd was. In den schaduwdienst van Israël was dat noodig, omdat Israël nog een kind was, maar in de nieuwe bedeeling moeten wij afschaffen wat tot den schaduwdienst behoorde, anders verduisteren wij het volle licht, dat wij in Christus onzen Heere verkregen hebben. Deze beginsel-uitspraak van Calvijn was langen tijd in de Gereformeerde kerken beslissend. Zelfs Voetius heeft zich met hand en tand tegen het gebruik van orgels verzet. Hij was er tegen, omdat de vromelijk-gewijde stemming der schare er niet door verhoogd maar verlaagd werd; omdat alles, wat in den openbaren eeredienst niet tot stichting dient en de kerk niet opbouwt, hoe voortreffelijk het in zich zelf ook moge zijn, niet gebruikt mag worden; en omdat alles, wat aanleiding geeft tot misbruik, ook al was het in zich zelf „middelmatig” of „nuttig”, vermeden moet worden.

Maar reeds in de tweede helft der 17e eeuw, dus nog ten tijde van Voetius, kwam er een kentering in de zienswijze. Onze vaderen gingen in hun afkeer van het orgel te ver. Niemand minder dan Constantijn Huygens schreef in 1641 een breede verhandeling tegen Voetius, nl. „Gebruik of ongebruik van ’t orgel in de kerken der Vereenigde Nederlanden”. Hij was er voor, dat het kerkgezang steeds door muziek „vergeselschapt” en tot een „eerlyck, nuttigh en vermakelyck gebruyck” aangewend werd. In 1637 werd het voor het eerst te Leiden ter begeleiding van het kerkgezang gebruikt. Andere kerken

|304|

volgden het voorbeeld van Leiden na. De muziek is wel geen deel of toevoegsel van den openbaren eeredienst, zooals Voetius terecht opmerkte, maar daarmee is niet in strijd, dat het kerkgezang door orgelspel begeleid en gesteund wordt. Wel dreigt er gevaar, wanneer de orgelbegeleiding ontaardt in een orgelconcert, en bekwame organisten er hun werk van maken, hun virtuositeit, vooral als ze een geschikt orgel voor zich hebben, zooveel mogelijk te laten hooren. Maar daartegen moeten de kerken waken. Het orgel mag het gezang niet overheerschen, maar slechts ondersteunen en dienen. Dan is het geoorloofd. Sinds de 18e eeuw zijn de orgels dan ook al meer in gebruik gekomen en thans heeft er schier niemand meer bezwaar tegen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 70

 

Art. LXX. Alzoo behoorlijk is, dat de huwelijke staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde, volgens het Formulier daarvan zijnde, zullen de Kerkeraden daarop toezien.

 

Kerkelijke Huwelijksbevestiging.

Het artikel handelt over de kerkelijke huwelijksbevestiging en bepaalt in hoofdzaak drieërlei:

1. De kerkelijke huwelijksbevestiging behoort te geschieden: „Alzoo behoorlijk is, dat de huwelijke staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde” enz. Het artikel spreekt van bevestiging, niet van sluiting. De eigenlijke huwelijkssluiting gaat aan de kerkelijke bevestiging vooraf. Een huwelijk komt naar Gereformeerde opvatting in drie stadiën tot stand nl. door de verloving, de burgerlijke voltrekking en de kerkelijke bevestiging.

Eerst de verloving. In de verloving, d.i. de belofte om elkander trouw te blijven, lag, volgens de Gereformeerde opvatting, het beginsel van het huwelijk. Reeds de synode van Dordrecht, 1574, bepaalde dienaangaande in art. 23: „De ondertrouw wettelijk gedaan zijnde, zal geenszins mogen gebroken worden, al ware het dat beide partijen daarin bewilligden.” In die „ondertrouw” (Latijn sponsalia = verloving) d.i. in die wederzijdsche belofte, die met toestemming der wederzijdsche ouders of voogden in den familiekring plaats had, lag de grondslag van het huwelijk. Nu maakte de Roomsche opvatting sinds de

|305|

Middeleeuwen onderscheid tusschen een verloving voor het tegenwoordige (de praesenti) en voor het toekomstige (de futuro) d.i. tusschen een onvoorwaardelijke en volstrekt bindende, en een voorwaardelijke of breekbare, bijv.: ik neem u tot mijn vrouw als gij wachten wilt, totdat ik mijn studie volbracht en een goede positie gekregen heb. Maar de synode van Dordrecht, 1578, bepaalde in art. 78, dat de verloving alleen „per verba de presenti” d.i. met beloften voor het tegenwoordige, dus zonder conditie of voorwaarde, mocht plaats hebben. Van een voorwaardelijke verloving wilde zij niet weten. Ook z.g.n. „geheime beloften”, die niet in tegenwoordigheid van twee of drie getuigen (familie, vrienden) gegeven werden, waren niet geldig. Alleen de onvoorwaardelijke verloving was geldig. Die mocht dan ook niet gebroken worden, want daarin lag het beginsel des huwelijks.

Voorts de burgerlijke huwelijksvoltrekking. Bij Rome was het huwelijk een sacrament en dus een kerkelijke zaak. De Roomsche overheid bemoeide er zich niet mee. En wel bleef het na de reformatie gewoonte, dat de publieke huwelijkssluiting door de predikanten geschiedde, maar toch oordeelden de kerken, dat het huwelijk als zoodanig tot het terrein der gemeene gratie, en de burgerlijke voltrekking dus tot de taak der overheid behoorde. De synode van Embden, 1571, sprak reeds uit, dat het huwelijk „ten deele kerkelijk” en „ten deele politiek” is. Inzake echtscheiding, verboden graden van bloedverwantschap enz., wilden de kerken wel adviseeren, maar moest de overheid beslissen. Die quaesties lagen op haar terrein. Daarom drongen de kerken telkens bij haar aan om een „generale huwelijksordinantie.” Maar zij wilde zich „in geene manieren met de zaken aangaande den huwelijken staat bemoeien.” De overheid liet de huwelijkssluiting schier geheel aan de kerken over. Zelfs ook van personen, die geen van beiden tot de kerk behoorden, als ongedoopten en geëxcommuniceerden. Daarom bepaalde de synode van Dordrecht, 1618-’19, dat zulke huwelijken „met den publieken en solemneelen zegen in de kerk” niet mochten bevestigd worden. De predikanten mochten die huwelijken wel sluiten, maar niet kerkelijk bevestigen. Alleen het huwelijk van Joden enz. werd sinds het einde der 16e eeuw door den Regeeringscommissaris voor de huwelijkszaken voltrokken. Zoo bleef tijdens de Republiek de huwelijkssluiting aan de kerk. Eerst na de Fransche revolutie van 1789 trok de overheid de huwelijkssluiting aan zich. In Frankrijk zelf sinds 1792 en in Nederland

|306|

sinds 1848. Nu gaat de burgerlijke huwelijksvoltrekking voorop en is de kerkelijke bevestiging daarvan afhankelijk. De wet bepaalde nu, dat geen huwelijk kerkelijk mag worden ingezegend, voordat de partijen het bewijs der burgerlijke huwelijkssluiting hebben getoond. Dit bewijs moest zelfs worden betaald. Maar dit is nu veranderd. Thans is het gratis te krijgen. Predikant of pastoor, die deze bepaling overtreedt, wordt bedreigd met een geldboete tot f 300 en, bij herhaling, met een gevangenisstraf van twee maanden.

Eindelijk de kerkelijke huwelijksbevestiging. In de oude redactie van 1586 stond, dat de kerken zouden blijven bij de geldende gebruiken, totdat de overheid een generale huwelijksordinantie zou verordenen. Maar de synode van Utrecht, 1905, heeft een nieuwe redactie in plaats der oude gesteld, waarin zij uitspreekt, dat ook, nadat de overheid de burgerlijke huwelijkssluiting overal aan zich getrokken heeft, de kerkelijke bevestiging evenwel behoort te geschieden. Het huwelijk ontstaat wel niet door de kerkelijke bevestiging. Maar toch heeft deze een eigen beteekenis. Zij is de officieele sanctie van dit huwelijk voor het terrein van genadeverbond en kerk; en 2e het af bidden van Gods zegen over hetzelve.

2. De wijze der kerkelijke huwelijksbevestiging: „volgens het Formulier daarvan zijnde,” Dit formulier is reeds in 1566 ontstaan. Vóor dien tijd was de manier der huwelijksbevestiging vrij. Elke kerkeraad deed het op eigen manier. Maar Petrus Datheen bezorgde den kerken reeds in 1566 een liturgie, waarin ook dit formulier voorkwam. Het is bijna letterlijk uit de liturgie van den Paltz en (voor een klein deel) uit die van a Lasco overgenomen. Dit formulier beantwoordt echter niet zuiver aan den huidigen toestand. Eenerzijds moet er uit weg wat aan de vroegere periode herinnert, toen de overheid de huwelijkssluiting geheel aan de kerk overliet. En anderzijds moet de beteekenis der kerkelijke huwelijksbevestiging beter tot uitdrukking komen. De synode van Leeuwarden, 1920, heeft dan ook een commissie van vijf personen benoemd, aan wie zij opdroeg „in het bijzonder de aandacht te schenken aan een revisie van het huwelijksformulier.”

3. Toezicht op de huwelijksbevestiging. De kerken zullen toezien, dat „de huwelijke staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde volgens het Formulier daarvan zijnde.” Hierbij deden zich echter van den aanvang af verschillende vragen voor. Enkele van de voornaamste laten wij hier volgen:

|307|

a. Moet de kerkelijke huwelijksbevestiging te voren afgekondigd worden? Ja! De kerken achtten dat van den beginne aan noodig. De namen moesten op drie Zondagen van den kansel voor het volk afgekondigd worden. Voornamelijk om een ieder, die wettige bezwaren tegen de sluiting van het huwelijk wist in te brengen (bijv. dat bruidegom of bruid reeds gehuwd waren of dat de ouders hun toestemming niet wilden geven enz.) daartoe op te roepen. Kwam er niemand, dan kon de dienaar verklaren: „Ik neem u allen tot getuigen dat er geen wettige verhindering tegen dit huwelijk voorgekomen is.” Deze afkondiging heeft echter sinds de overheid de huwelijkssluiting aan zich trok, ten stad- en gemeentehuize plaats. Toch verhindert dit de kerken niet de afkondiging te handhaven, maar dan met het oog op de bevestiging van het huwelijk. Het is toch mogelijk, dat tegen de bevestiging van een reeds door de overheid voltrokken huwelijk, bijv. tusschen een geloovige en ongeloovige, ernstige en gegronde bezwaren bestaan en door de gemeente ingebracht worden. Daarom moet de gemeente van het voorgenomen huwelijk kennis dragen.

b. Door wie moet de kerkelijke huwelijksbevestiging plaats hebben? Alleen door een wettig geordend dienaar des Woords. Een kerkelijke huwelijksbevestiging is een openbare dienst des Woords met het oog op het huwelijk. En daartoe heeft geen ouderling of candidaat of iemand anders eenige roeping of recht.

c. In welken graad van bloedverwantschap mag de kerkelijke huwelijksbevestiging plaats hebben? Op de kerkelijke vergaderingen rezen er telkens vragen, bijv. of een huwelijk met de weduwe van den broeder (schoonbroeder of schoonzuster), tusschen een neef en nicht, of tusschen oom en nicht, of tusschen weduwnaar en stiefdochter, enz. geoorloofd was. Het eerste geval wordt door de wet verboden, maar er kan dispensatie van verleend worden, Daarom leggen de kerken zich dan bij de beslissing der overheid neer en staan zij de kerkelijke bevestiging toe. Het tweede geval wordt door de wet geheel vrijgelaten. De kerken maken dan ook doorgaans geen bezwaar tegen kerkelijke bevestiging, al achten zij het ook op zich zelf niet wenschelijk. Het derde geval is ook verboden in de wet, maar ook hiervan kan dispensatie verleend worden, En dan volgen de kerken ook hier de beslissing der overheid. Het vierde geval is beslist bij de wet verboden en daarvan is ook geen dispensatie mogelijk, Kan een kerkeraad zich in een bepaald geval niet in de beslissing der

|308|

overheid vinden, en meent hij dat de huwelijkswetgeving op een punt ernstig van de Schrift afwijkt, dan moet bij zulk een quaestie op de meerdere vergaderingen brengen en eventueel de generale synode bewegen bij de overheid op wijziging aan te dringen.

d. Mag een huwelijk met een ongedoopte kerkelijk bevestigd worden? Reeds de synode van ’s-Gravenhage, 1586, part. vr. 9, antwoordde: „dat zulks niet geraaden is, dewyl de ongedoopte Persoon door de verwerpinge des Doops niet kan gerekent worden in het verbond Gods”. En nog sterker luidt het oordeel der synode van Dordrecht, 1618-’19: „De huywelijcken van dieghene, die door den doop der Christelicke kercke noch niet ingelyft zyn, en behoort men met den publycken ende solemnelen seghen inde kercken gebruyckelick niet te solemniseren voor ende aleer zy haren doop ontfangen hebben”. Onder „ongedoopten” verstond men dan personen, die niet „gedoopt waren en die ook niet gedoopt willen worden”, dus „verachters van den doop”. Dan stond als regel vast, dat zulk een huwelijk niet kerkelijk bevestigd mocht worden, Maar was een ongedoopte „niet vijandig”, doch „begeerig naar de waarheid” en bleek dat duidelijk door het zich voegen bij de kerk en het zoeken van den doop, dan werd bij uitzondering zulk een huwelijk, als het bezwaarlijk uitgesteld kon worden, wel kerkelijk bevestigd, mits de ongedoopte uitdrukkelijk verklaarde, dat het gezin bij de Gereformeerde kerk zou behooren.

e. Mag een gemengd huwelijk kerkelijk bevestigd worden? Er is onderscheid tusschen een huwelijk van Christenen en niet-Christenen, en tusschen leden van de eene en leden van een andere kerk. De eerste zijn algemeen door alle Christelijke (Roomsche, Grieksche en Protestantsche) kerken afgekeurd en werden ook niet kerkelijk bevestigd. De tweede werden wel door de Grieksche kerk verboden, maar door de Roomsche en Protestantsche kerken slechts afgekeurd, maar niet verboden. Ook werd de kerkelijke inzegening niet onthouden. De Gereformeerde kerken oordeelden in het algemeen, dat er groote bezwaren tegen zijn. De kerkelijke verdeeldheid doet schade aan het geestelijk leven, verstoort zoo licht de rechte samenstemming tusschen man en vrouw en verbreekt vaak de kerkelijke eenheid tusschen de kinderen. Daarom is het algemeen oordeel, dat een huwelijk tusschen leden van verschillende kerken dan alleen kerkelijk bevestigd kan worden, wanneer de bij een andere kerk behoorende

|309|

partij voor den kerkeraad verklaart er in toe te stemmen, dat het gezin tot de Gereformeerde kerk aldaar zal behooren, zelf zich ook leerzaam betoont en belooft eventueel bij de opvoeding der kinderen geen struikelblok in den weg te zullen leggen. Daarom is het wenschelijk, dat de bruidegom zelf, ook al is hij de andere partij, de huwelijksbevestiging aanvraagt.

f. Is een huwelijk met een wettig gescheiden man of vrouw geoorloofd? In het algemeen, ja! Wanneer een huwelijk door hoererij of kwaadwillige verlating niet alleen feitelijk, maar ook wettelijk door scheiding verbroken is, geven Matth. 19: 9 en 1 Cor. 7: 15 vrijheid een nieuw huwelijk aan te gaan en mag zulk een huwelijk ook kerkelijk bevestigd worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 71

|310|

IV. Van de censuur en kerkelijke vermaning.

 

Art. LXXI. Gelijkerwijs de Christelijke straf geestelijk is, en niemand van het burgerlijke gericht of straf der Overheid bevrijdt, alzoo worden ook, benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuren noodzakelijk vereischt, om den zondaar met de Kerk en zijnen naaste te verzoenen, en de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen.

 

De kerkelijke censuur.

Dit artikel handelt bij wijze van inleiding over het karakter, de noodzakelijkheid, het voorwerp en het doel der tucht.

1. Het karakter der tucht. Het artikel stelt op den voorgrond, dat de Christelijke straf geestelijk is en niemand van de burgerlijke straf bevrijdt, d.i. ontheft of ontslaat. De kerken spraken dit opzettelijk uit tegenover de overheid. Zij hadden aan haar om de politieke approbatie (goedkeuring) der kerkenordening gevraagd, opdat deze voor de kerken het karakter van een landswet zou krijgen en meer gezag zou uitoefenen. Maar de overheid vreesde, dat de kerken hare macht ook buiten hare grenzen zouden uitstrekken over degenen, die niet tot haar behoorden; d.w.z. dat zij zich ook de burgerlijke macht zouden aanmatigen. Om haar nu gerust te stellen, en toch de politieke approbatie te verkrijgen, verklaarden de kerken hier, dat de tucht een geestelijk karakter draagt en niemand harer leden van de burgerlijke straf ontslaat. Stel het geval, dat „iemand” d.w.z. een harer leden, een zonde van diefstal of moord bedreven heeft en, na vermaning door de kerk, tot oprecht berouw en verzoening met haar komt, dan ontslaat hem dit niet van de burgerlijke straf. Een moordenaar zou dan, al was hij ook met God en de kerk verzoend, toch de door de rechtbank geëischte straf, tot zelfs de doodstraf toe, moeten ondergaan. De kerkelijke tucht heft de overheidsstraf niet op.

De kerkelijke tucht is een Christelijke straf en draagt een

|311|

geestelijk karakter. Zij komt op uit de geestelijke macht, welke Christus aan zijn kerk schenkt, Matth. 20: 28; Ef. 4: 11; wordt bediend door ambtsdragers, die Christus aan zijn gemeente geeft, 1 Cor. 12: 28; Hebr. 5: 4; wordt beoefend met geestelijke wapenen van overtuiging, vermaning, waarschuwing, censuur en ban, 2 Cor. 10: 4; en bedoelt het behoud der zielen, de zuivering der kerk en de eere Gods, Ef. 4: 12; 6: 10-18. De overheidsmacht daarentegen komt op uit God als Schepper, wordt bediend door de wereldlijke overheid, handhaaft zich door de macht van het zwaard, en bedoelt de onderhouding van orde en recht in den burgerstaat.

2. De noodzakelijkheid der tucht. Deze rust op de volgende gronden:

a. De ban in het O.T., waardoor de Heere Israël naar buiten beschermde tegen de zeven omwonende Kanaanitische volken, die op Zijn bevel moesten uitgeroeid worden, Deut. 7: 1-11; 20: 15-18; en naar binnen heiligde, want een afgodendienaar, Ex. 22: 20; een Godslasteraar, Lev. 24: 11-16, enz. moesten door den ban uit zijn midden worden uitgeroeid.

b. De synagogale tucht, die in en na de ballingschap ontstond, om het Joodsche volk in de verstrooiing voor vermenging te bewaren, Ezra 10: 8. Zij bestond uit drie graden nl. de Niduï of lichtere graad, de Schamatta of zwaardere straf en de Cherem of afsnijding. Ook in het N.T. vinden wij er enkele sporen van, nl. in Luk. 6: 22; Joh. 9:22; 12: 42; 16: 2.

c. De sleutelmacht der apostelen, die Christus eerst aan Petrus, Matth. 16: 19, en daarna aan al de apostelen gaf, Matth. 18: 18; Joh. 20: 23. Zij was een extra-ordinaire macht om den toegang tot en de uitsluiting van het koninkrijk der hemelen onfeilbaar te bepalen.

d. De tucht in de N.T. gemeente. Uit de sleutelmacht der apostelen is de eigenlijke kerkelijke tucht in engeren zin ontstaan. In oorsprong zijn ze wel een, gelijk wortel en plant, want van beide is Christus de bron, maar in graad is er verschil, want de sleutelmacht is een extra-ordinaire macht der apostelen, terwijl de tucht een ordinair of gewoon karakter draagt. Over de sleutelmacht in engeren zin handelen alleen de drie teksten Matth. 16: 19; 18: 18 en Joh. 20: 23; terwijl de kerkelijke tucht veel meer steunt op teksten als Rom. 16: 17, 18; 1 Cor. 5: 2, 13; 1 Thess. 5: 14; 2 Thess. 3: 6, 14; 1 Tim. 5: 2; Tit. 3: 10; Op. 2: 2, 14, 20.

|312|

3. Het voorwerp der tucht. Art. 71 zegt, dat de tucht den zondaar met de kerk enz. tracht te verzoenen. Het voorwerp der tucht is dus de zondaar d.w.z. een lid der kerk, die zich aan een tuchtwaardige zonde heeft schuldig gemaakt. Meer staat er niet van. Nader uitgewerkt zijn de voorwerpen der tucht:

a. De belijdende leden der kerk, die zich aan een tuchtwaardige zonde schuldig maken, en wel: levende personen, geen levenlooze voorwerpen (geschriften, gebouwen, landen), geen gestorvenen (dwaalleeraars, ketters, leerstelsels), geen massa leden tegelijk (onschuldigen zoowel als schuldigen).

Voorts: lidmaten der kerk; niet alle gedoopten, zoowel die buiten de kerk als binnen haar zijn (Rome), niet zij, die hun lidmaatschap mondeling of schriftelijk opzeggen en daarbij volharden, of die zich daadwerkelijk bij een ander kerkgenootschap voegen en na vermaning daarbij blijven, of iemand, die met attestatie naar een andere kerk vertrokken is en weigert zijn attest daar in te leveren. Inzake lidmaten, die niet kerkelijk meer meeleven, voortdurend elders kerken, of zich zelf stichten, maar naar het oordeel des kerkeraads toch niet met den ban afgesneden kunnen worden, oordeelde de synode van ’s-Gravenhage, 1914, art. 140, dat in zulke gevallen „den kerkeraad alleen kan worden aangeraden, met vermaning van deze personen voort te gaan, en hen des noods van het Avondmaal af te houden” zonder hen met den ban af te snijden.

Ten derde: schuldige leden der kerk, die toerekenbaar zijn; niet een massa leden tegelijk, zoodat de onschuldigen met de schuldigen getroffen worden, gelijk dit met het Roomsche interdict geschiedde; en ook geen krankzinnigen, wier woorden en daden niet toegerekend kunnen worden en geen tuchtwaardige zonden zijn.

En eindelijk alle lidmaten der kerk, rijk en arm, overheden en onderdanen; dus ook keizers en koningen, rechters en ambtslieden, burgemeesters en notarissen enz. Rome zonderde den paus, als opperhoofd der kerk uit en de Episcopaalscbe en Luthersche kerk de overheidspersonen. Maar het is tegen de Schrift. Christus alleen is de onfeilbare Koning der kerk, Eén is uw Meester en gij zijt allen broeders.

b. De gedoopte leden der kerk. Reeds de gedoopte kinderen zijn als leden der kerk voorwerpen van de tucht. Maar wijl zij nog onvolkomen leden zijn is de tucht ook nog onvolkomen en bestaat in aansporing, vermaning, waarschuwing, bestraffing enz. In geval een kind der gemeente een losbandig leven leidt, de

|313|

kroegen bezoekt, slecht ter catechisatie komt, enz., moet eerst met de ouders gesproken worden, want de fout kan in de opvoeding schuilen. Maar ook de kinderen zelf zijn voorwerpen van vermaning en tucht. Paulus vermaande ook rechtstreeks de kinderen zelf: „Gij kinderen zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heere, want dat is recht,” Ef. 6: 1; Col. 3: 20. Ook de volwassen gedoopten, „die op volwassen leeftijd door eigen schuld nog niet tot kerkelijke belijdenis en verbintenis komen,” zijn voorwerpen der tucht. Zij moeten met ernst worden onderwezen om tot de belijdenis des geloofs te komen. In gevallen van hardnekkige onverschilligheid moeten zij hoofd voor hoofd worden vermaand. En zoo deze vermaningen geen effect hebben, moeten zij bij wijze van excommunicatie kerkelijk verklaard worden niet meer tot de kerk te behooren. Van zelf houden zij dan ook op voorwerpen der tucht te zijn.

c. Het toezicht op Gereformeerde vereenigingen. De kerk heeft ook de roeping om toezicht te houden op vereenigingen, die staan op den grondslag en zich bezig houden met de verklaring van Gods Woord en de belijdenis der kerk. Immers zij moet voor de publieke uitlegging van Gods Woord en de handhaving harer belijdenis waken. De bond van Gereformeerde jongelingsvereenigingen heeft dan ook op advies van Prof. Dr. H.H. Kuyper op den bondsdag te Leeuwarden, 1907, het kerkelijk toezicht „voorzoover het de zaken der religie aangaat, met name de uitlegging van Gods Woord en de handhaving der belijdenis,” uitdrukkelijk aanvaard. En inzake het toezicht op de Gereformeerde scholen heeft de synode van Leeuwarden, 1920, zich uitvoerig verklaard en met nadruk uitgesproken „dat de kerkeraden... moeten trachten toezicht te verkrijgen en op de geschiktheid van de onderwijzers èn op het religieus gehalte van hun onderwijs”, zie Acta van Leeuwarden, 1920, blz. 248.

4. Het doel der tucht is volgens het slot van het artikel tweeledig: 1e „om den zondaar met de kerk en zijnen naaste te verzoenen,” en 2e „om de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen.” Calvijn had nog één bedoeling meer, nl.: „om den Naam des Heeren heilig te houden.” Er zijn nog wel meer omschrijvingen. Voetius noemt zelfs wel zeven punten op. Maar de drie doeleinden van Calvijn zijn het duidelijkst en het juist.

Jansen, Joh. (1976) Art. 72

|314|

Art. LXXII. Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt: zooverre als het heimelijk is, en geene openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welke Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

 

De oorzaken der tucht en de heimelijke zonden.

In dit artikel worden twee dingen behandeld nl. de oorzaken (redenen of motieven) der tucht, en de regel, die volgens Matth. 18 bij heimelijke afwijking moet gevolgd worden.

1. De oorzaken der tucht. Deze liggen in het zondigen „tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels”, dus in afwijking ten opzichte van leer of leven. Van den beginne aan, was men het hierover eens. Het convent te Wezel, 1568, noemde reeds „de leer of religie en den levenswandel” (VIII: 3). De synode van Embden, 1571, bepaalde in art. 26: „Daerom indien yemant in der reynigbeyt der leer ghedwaelt, ofte in de oprechticheyt des levens ghesondicht zal hebben”. De synode van Dordrecht, 1578, redigeerde reeds in art. 93: „Soo dan yemant in de suyuerheyt der leer dwaelde, ofte in den wandel sondichde”, enz.; en deze omschrijving is zoo gebleven tot nu toe.

Deze omschrijving rust op de Schrift. Bepaaldelijk op die teksten, waarin zij waarschuwt tegen afwijking in leer en leven; en vermaant, degenen, die ergernis geven, te straffen. Er zijn een reeks van teksten, die de leertucht eischen, bijv. Matth. 7: 15; 24: 11; Hand. 20: 28-31; 1 Cor. 12: 3; 16: 22; Gal. 1: 8-9; 1 Joh. 2: 18; 4: 1-6; 2 Joh. vs. 10. Evenzoo is er ook een reeks van teksten voor de tucht over het leven, bijv. 1 Cor. 5: 6-8; Openb. 2: 3-6, 14-16, 20, enz.

Wat is het karakter van een tuchtwaardige dwaling? Niet iedere zonde of dwaling in leer of leven is voorwerp der tucht. Wij struikelen allen in vele van Gods geboden. Wij dwalen en zondigen in woord en wandel, in leer en leven. Deze zijn wel aanleiding dat de kerken in prediking, catechisatie en huisbezoek telkens weer tot zelfonderzoek (zelftucht) moeten aansporen. Maar tuchtwaardige zonden in leer of leven worden zij dan eerst, als zij een bepaald karakter dragen, en, zooals Voetius terecht onderscheidt, aan drie kenmerken beantwoorden. Het moeten 1ezonden zijn; zij moeten 2eergernis geven, en

|315|

3e moet er nog verwerping van de vermaning en hardnekkige volharding mee gepaard gaan.

2. De regel van Matth. 18: zoo verre als het heimelijk is, en geen openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welke Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18. Deze bepaling is van den aanvang af in de K.O. opgenomen. Het convent te Wezel, 1568, paste ze aanvankelijk alleen nog toe op de dwalingen in het leven en niet op die in de leer. Het oordeelde blijkbaar, dat de woorden uit Matth. 18:15: „Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft” alleen doelt op een zonde in het leven. Zoo iemand moest eerst particulier vermaand worden. Maar strooide hij in het geheim of publiek „vreemde leerstellingen en ketterijen” rond, dan moest zijn naam aanstonds aan den kerkeraad bekend gemaakt worden. Maar reeds drie jaar daarna bepaalden de kerken te Embden, 1571, dat beide, zoowel de dwaling in de leer als de zonde in het leven, zoolang ze nog heimelijk waren, niet tot den kerkeraad gebracht mochten worden, art. 26. Daar reeds werd het artikel geredigeerd, zooals het nu nog luidt.

De kerken dachten toen, dat de woorden: „Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft” niet slechts op een persoonlijke beleediging, maar op allerlei heimelijke of verborgen zonden in leer en leven doelden. Zij volgden de opvatting van Calvijn, die „zondigde tegen u” opvatte in den zin van: „met uw medeweten, zoodat niemand anders er kennis van heeft.” Wij betwijfelen echter, of de opvatting van Calvijn wel de juiste is. Het komt ons voor, dat „zondigen tegen u” hier beteekent, een persoonlijke beleediging, een onrecht den broeder persoonlijk aangedaan. Zoo bijv. Meyer en Zahn. Maar ook dan kan men de onderscheiding tusschen verborgen en openbare zonden evengoed vasthouden. Want Christus zegt hier uitdrukkelijk, dat een persoonlijke beleediging ook persoonlijk behandeld moet worden: „ga heen bestraf hem tusschen u en hem alleen”; haal er in eerster instantie geen derde bij; maak ze niet publiek; en ook al wordt deze eerste vermaning verworpen, moet ze in tweeder instantie nog onder getuigen herhaald en nog niet publiek gemaakt worden. En voorts eischt de broederliefde in het algemeen, dat een zaak, die niet publiek is, maar slechts aan enkelen bekend, niet publiek gemaakt moet worden. „De liefde bedekt alle dingen,” 1 Cor. 13: 7; Jak. 5: 19-20. Al doelde Christus dus in Matth. 18: 15 alleen op persoonlijke beleediging, op de

|316|

beide bovengenoemde gronden geldt de regel voor alle gevallen: zoolang een zonde in leer of leven verborgen is en nog geen openbare ergernis gegeven heeft, mag zij niet openbaar gemaakt worden. De woorden: „zooverre als het heimelijk is en geen openbare ergernis gegeven heeft,” beteekenen dus: ingeval de zonde in leer of leven nog „heimelijk” d.i. nog slechts aan één of aan enkele personen bekend is, en nog „geen openbare ergernis” d.i. nog slechts aan één of aan enkele personen, maar nog geen publieke ergernis gegeven heeft.

In zulke gevallen moet de regel onderhouden worden van Matth. 18: (15-17). Deze regel valt in drie vermaningen uiteen:

De eerste moet onder vier oogen plaats hebben: „ga heen, bestraf hem tusschen u en hem alleen,” d.i. wacht niet totdat hij komt, zeg niet: hij is schuldig en moet eerst tot mij komen, maar ga gij, die onschuldig zijt, heen en bestraf hem tusschen u en hem alleen; doe het tusschen uw tweeën af; betrek er geen derde in; overtuig hem, dat hij u beleedigd, breng hem tot inzicht, dat hij u onrecht aangedaan heeft. Wel is ook de schuldige van zijn zijde verplicht tot den onschuldige te komen om zijn zonde te belijden en om vergeving te vragen, maar als hij dat hardnekkig weigert, moet gij tot hem gaan en toonen dat het u om het heil van den broeder te doen is. Wij komen ook niet het eerst tot God, maar God komt het eerst tot ons. „Indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen,” voor het Koninkrijk der hemelen; gij moet hem dan vergeven en, wijl de zaak afgedaan is, er verder over zwijgen. Maar indien hij u niet hoort. volgt er een tweede vermaning.

Deze tweede vermaning moet onder getuigen geschieden „Maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u, opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta”, vs. 16. Gij kunt die getuigen zelf kiezen, maar zij moeten natuurlijk achtbare en vertrouwde leden der gemeente zijn. Eén of twee wordt in het midden gelaten. Zij zijn noodig, „opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta” d.w.z. opdat elke verklaring, die de zondaar op uw gemeenschappelijke bestraffing aflegt, bewezen kan worden, zoodat hij ze later niet kan ontkennen. Indien hij u hoort en op deze tweede bestraffing zijn schuld erkent, geldt het ook hier, dat gij uwen broeder gewonnen hebt voor het hemelrijk, hem van harte moet vergeven, en gij, zoowel als de getuigen over de zaak moet zwijgen. Maar indien hij u niet hoort, volgt er een derde vermaning.

|317|

Deze derde vermaning is echter een kerkelijke vermaning, want er volgt: „en indien hij hun geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar,” vs. 17. Christus doelt hier niet op de Joodsche, maar op de Christelijke gemeente, die in den kleinen kring zijner discipelen zich om hem heen schaarde en het beginsel der Nieuwtestamentische gemeente vormde. De tucht is volgens de bedoeling van Christus een zaak der gemeente als plaatselijk instituut. Zij moet verder de tucht oefenen, natuurlijk onder leiding van de in haar midden in te stellen ambten. En eerst als de bestraffing der gemeente niet baat, mag de beleedigde hem beschouwen als de heiden en de tollenaar d.i. als iemand, die buiten de gemeente staat; bij heeft dan alles aan hem beproefd, wat mogelijk is, en is vrij van zijn bloed, Gal. 6: 1; Jak. 5: 19, 20.

Jansen, Joh. (1976) Art. 73

 

Art. LXXIII. De heimelijke zonden, waarvan de zondaar door één, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor den Kerkeraad niet gebracht worden.

 

De heimelijke zonden.

Dit artikel dagteekent reeds van de synode te Embden, 1571, art. 27. Maar het was toen wat breeder en maakte onderscheid tusschen tweeërlei soort van heimelijke zonden; nl. heimelijke zonden, waarvan de zondaar na persoonlijke vermaning onder vier oogen of in tegenwoordigheid van twee of drie getuigen vermaand zijnde, „leetschap” bewees, d.i. berouw had, en niet voor den kerkeraad gebracht mochten worden; en verborgen zonden, die voor staat en kerk gevaarlijk waren, zooals landverraad, of verleiding der zielen, en wel aan den kerkedienaar aangegeven moesten worden, niet om den zondaar openbaar te maken en openlijk tucht te oefenen, maar om hem te kunnen vermanen en het gevaar af te wenden. De synode van Dordrecht, 1578, nam in art. 94 alleen het eerste deel over, nl. dat men heimelijke zonden, waarvan de zondaar in ’t bijzonder van een, twee of drie getuigen vermaand zijnde, zich bekeert, niet tot den kerkeraad zal brengen. Deze redactie is tot nu toe gehandhaafd. Ter toelichting wijzen wij op de volgende drie hoofdzaken:

|318|

1. Dat de tucht in de gemeente moet wortelen. Het is veel gemakkelijker, dat de leden het opzicht der gemeente aan den kerkeraad overlaten. Maar de Schrift eischt, dat de gemeente zelf tucht oefent. Dit ligt in het ambt der geloovigen. De kerkelijke tucht begint met de broederlijke vermaning in ruimeren zin. Deze is reeds vanwege de algemeene zondigheid noodzakelijk. De geloovigen „zijn machtig elkander te vermanen”, Rom. 15: 14; moeten „de een den ander stichten”, 1 Thess. 5: 11; en „dagelijks voor elkander waken”, Hebr. 3: 13. Deze broederlijke vermaning neemt het karakter van een broederlijke bestraffing aan, in een concreet geval, bij een persoonlijke beleediging of bij een verborgen zonde, die nog slechts aan een enkele bekend is. Dan geldt de regel van Christus in Matth. 18: 15-17 : „Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft” enz.; en de vermaning van Paulus, Gal. 6: 1: „Broeders, indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zoodanige terecht met den geest der zachtmoedigheid, ziende op uzelven” enz.; zie ook Jak. 5: 19-20. Zelfs moeten de ouderlingen er op toezien, dat de gemeente haar roeping vervulle. Komt een lid der gemeente over een ander lid klagen bij den predikant of bij een ouderling, dan moeten zij eerst vragen of de klager naar Matth. 18 gehandeld heeft, en zoo niet, daartoe aansporen. Zoolang de zonde nog verborgen is, moet de regel van Christus worden gehandhaafd. Weigert iemand beslist, dan moet hij ernstig bestraft en, zoo hij voortdurend blijft weigeren, kan hij in het uiterste geval zelfs onder de censuur gesteld worden.

2. Dat er onderscheid is tusschen heimelijke en openbare zonden. Bij de toepassing van dit artikel rees al spoedig de vraag, waarin het onderscheid tusschen een heimelijke en openbare zonde bestaat. Reeds te Embden, 1571, was er van uit Gent een vraag, of in het geheim pardon halen bij de overheid, bijv. van personen, die in 1566 aan den beeldenstorm deelnamen en in 1567, toen Alva kwam, daarvan berouw toonden en nu pardon gingen halen; en of het in het geheim de huwelijksbevestiging of den doop bij Rome te zoeken, enz., tot de heimelijke of tot de openbare zonden behoort; dus of ze naar Matth. 18 moeten behandeld, of tot den kerkeraad gebracht moeten worden. De synode kon er geen belijnd antwoord op geven. Er werd wel over gediscussieerd, maar de meeningen waren verschillend. De synode van Dordrecht, 1578, stond weer

|319|

voor de vraag: „welke zonden openbaar” zijn. Zij gaf althans eenig belijnd antwoord: een zonde is openbaar als zij a. in het openbaar voor een iegelijk begaan is; b. op een plaats, die van nature publiek is, bedreven is, en door hardnekkigheid des zondaars tot openbaarheid komt; en c. door hare gruwelijkheid der openbare bestraffing waardig is. De zonde van David tegen Uria en van Ananias en Saffira waren eerst wel verborgen, maar werden spoedig openbaar en zijn als openbare zonden bestraft. Dit antwoord loste in elk bepaald geval de moeilijkheid nog wel niet op, maar gaf toch eenige lijnen. Toch bevredigde het niet aan allen. Op de synode van ’s-Gravenhage, 1586, drong men er op aan: „Eene distincte beschrijving te maeken van de heymelicke ende openbare sonden”, d.w.z. een lijst te maken met twee rubrieken, nl. van heimelijke en van openbare zonden, die maar nagezien behoefde te worden. Natuurlijk weigerde de synode daaraan te voldoen. De K.O. is geen burgerlijk wetboek, dat de strafbare zonden artikelsgewijze opsomt. Bovendien zou het onmogelijk zijn, want bij elk nieuw geval moest dan toch eerst weer uitgemaakt worden waartoe de zonde behoorde. Het is ook niet van te voren onder een regel te brengen. Er is slechts in het algemeen iets van te zeggen nl. 1e het woord „geheim” wil niet zeggen, dat ze in ’t geheim bedreven is, want vele „openbare zonden” zijn eerst verborgen geweest, maar beteekent dat ze verborgen bleef en dus nog niet aan velen bekend werd; en 2e er is geen grens aan te wijzen, die voor alle gevallen geldt; bijv. dat een zonde, die één of twee personen weten, niet, maar die drie of vier personen weten, wel publiek zou zijn; dat hangt zooveel van plaatsen als van omstandigheden af; als in een kleine gemeente een zonde aan vijf personen bekend is, kan ze publiek wezen, terwijl ze in een groote gemeente dan nog verborgen kan zijn; elk concreet geval moet op zich zelf beoordeeld worden.

3. Dat heimelijke zonden, waarvan de zondaar berouw heeft, niet tot den kerkeraad gebracht zullen worden. Er staat uitdrukkelijk, dat heimelijke zonden, waarvan de zondaar, ’t zij dan na een vermaning onder vier oogen, ’t zij dan na een vermaning onder twee of drie getuigen, berouw heeft, niet voor den kerkeraad zullen gebracht worden. Het vorige artikel hield in, dat heimelijke zonden naar den regel van Matth. 18 behandeld en dus heimelijk verzoend zullen worden. Dit artikel voegt er aan toe, dat heimelijke zonden, die heimelijk verzoend zijn, niet tot den kerkeraad zullen

|320|

gebracht worden. Niet alleen te voren, maar ook als de verzoening getroffen is, moet men er over zwijgen.

Jansen, Joh. (1976) Art. 74

 

Art. LXXIV. Zoo iemand, van eene heimelijke zonde door twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins eene openbare zonde bedreven heeft, zal zulks den Kerkeraad aangegeven worden.

 

Aangifte bij den kerkeraad.

Dit artikel is reeds door de synode te Embden, 1571, in de K.O. opgenomen en tot nu toe gehandhaafd. Het handelt over de aangifte van een zonde bij den kerkeraad. Wij wijzen aan:

1. In welke gevallen de zonde bij den kerkeraad aangegeven moet worden? Het convent te Wezel, 1568, sprak reeds uit, dat een heimelijke zonde, die geen openbare ergernis geeft, eerst na verwerping der „dikwijls herhaalde vermaningen,” en een openbare zonde, die met openlijke ergernis vergezeld gaat, aanstonds aan den kerkeraad moeten worden meegedeeld. Deze beide gevallen werden te Embden, 1571, aanstonds in één artikel vastgelegd. De synode van ’s Gravenhage, 1586, voegde er echter de woorden „in liefde” tusschen: „zoo iemand van eene heimelijke zonde door twee of drie personen „in liefde” vermaand zijnde,” enz. De ervaring had geleerd, dat de vermaning soms wel formeel plaats had, maar toch niet in liefde geschiedde, en dat was toch de bedoeling der bepaling. Deze twee gevallen worden dus onder denzelfden regel gebracht, dat zij den kerkeraad aangegeven moeten worden. Wat het eerste geval betreft, door het mislukken van de particuliere vermaning krijgt de heimelijke zonde noodwendig het karakter van een openbare zonde. En wat een openbare zonde aangaat, hier behoeft niet eerst een particuliere vermaning vooraf te gaan; zij moet aanstonds den kerkeraad aangegeven worden, omdat zij publieke ergernis geeft.

Er staat hier, dat ze „den kerkeraad aangegeven zal worden.” Dit steunt op Matth. 18: 17. Maar daar staat niet: „zeg het den kerkeraad,” doch: ,,zeg het der gemeente.” Dit is echter geen tegenstrijdigheid. Jezus draagt hier de tucht op aan de gemeente, die aanvankelijk nog wel zonder kerkeraad was,

|321|

maar later onder de leiding van den kerkeraad werd gesteld. De gemeente oefent de tucht uit door het orgaan en onder leiding der ambtsdragers.

2. Op welke wijze de kerkeraad kennis krijgt van de zonde. Dit kan op verschillende wijze plaats hebben nl. door bekendmaking (aangifte) bij den kerkeraad, want èn in het geval, dat de private vermaningen geen doel treffen, èn in het geval van een openbare zonde, geldt het bevel van Jezus: „zeg het der gemeente,” Matth. 18: 17; door evidentie, d.i. als de zonde van haar natuur openbaar is, bijv. openlijke dwaalleer in woord of geschrift, publieke dronkenschap enz.; door bekentenis van den zondaar zelf, ’t zij dan alleen om zijn consciëntie te ontlasten, ’t zij dan om verzoening te vinden; door aanklacht van iemand, die buiten de gemeente staat tegen een lid der gemeente, als zoo iemand uitdrukkelijk aan deze drie voorwaarden voldoet, dat hij den tijd, de plaats en den aard der zonde aanwijst, en de kerkeraad daarin reden vindt om te onderzoeken of de klacht gegrond is; en door anonieme brieven en losse geruchten, die echter in den regel gewantrouwd moeten worden, en alleen dan aanleiding voor nader onderzoek kunnen geven, wanneer tijd, plaats en aard der zonde klaarblijkelijk in het licht gesteld worden.

3. Wat het doel van deze kennisgeving aan den kerkeraad is. In hoofdzaak tweeërlei: Vooreerst, opdat de kerkeraad een onderzoek instelle. Dit onderzoek moet onpartijdig geschieden. Hij moet den aangeklaagde zelf ook gelegenheid geven zich te verdedigen en hem dus mondeling hooren, of, indien hij afwezig is, schriftelijk zijn toelichting vragen. In de 16e en 17e eeuw liet men het zelfs toe, dat de beklaagde, mits deze zich aan de orde en leiding van den kerkeraad (classe, synode) onderwierp, zich door een woordvoerder liet bijstaan. De kerkeraad mag daarbij alleen betrouwbare getuigen hooren; vooreerst de leden der gemeente, die niet wegens onbetrouwbaarheid onder de tucht staan; en voorts ook alle eerbare en betrouwbare personen buiten de kerk; maar geen personen, die als leugenaars en kwaadsprekers bekend staan. En na het verhoor moet hij oordeelen, welke waarde aan de mededeelingen der getuigen te hechten zij. Hij stelle dit met voorzichtigheid vast en gronde zijn oordeel niet licht op een getuigenis alleen van menschen, die buiten de kerk staan, tenzij deze zulke evidente bewijzen bijbrengen, dat alle twijfel is buitengesloten (Heraut, 25 April, 1897). Hierbij wake de kerkeraad ook voor het lichtvaardig

|322|

zweren, dat zoo vaak voorkomt. In de kerken gelde als regel: uw woord zij ja ja, en neen neen! Het onderzoek moet ook in stilte, voorzichtig, bescheiden, waardig en vooral onpartijdig geschieden. De kerkeraad spreke er niet over tegen derden; deele aan den een niet mee wat de ander gezegd heeft; en ga vooral niet op losse geruchten en vermoedens af. Het doel van dit onderzoek mag nooit zijn, om een verborgen zonde aan de overheid bekend te maken, al ware het ook een zonde van diefstal, moord of doodslag, maar alleen, dat de waarheid aan het licht trede en blijke of de aangeklaagde aan een tuchtwaardige zonde schuldig staat of niet. Is het resultaat, dat de klacht ongegrond blijkt, dan vermane de kerkeraad, dat de aanklager zijn aanklacht terug neme en, zoo deze tot het uiterste toe mocht weigeren, stelle hij hem ten slotte zelf onder de tucht. Blijft het ook na ernstig en nauwkeurig onderzoek zuiver onzeker of de aangeklaagde schuldig is of niet, dan geldt voor den kerkeraad de regel: In dubiis abstine, d.i. in twijfelachtige gevallen moet men zich onthouden. Blijft in een zeer ernstig geval het ja van den aanklager staan tegenover het neen van den aangeklaagde, dan kan bij uitdrukkelijk en met smart constateeren, dat de verklaringen lijnrecht tegen elkander ingaan, zoodat aan een van beide zijden de consciëntie met leugen bezwaard moet zijn en beide partijen ten ernstigste vermanen zich van hun getuigenis rekenschap te geven, opdat de schuldige toch niet tot verharding overga, maar op zijn verklaring terugkome en van God vergeving erlange. Is de schuld wel waarschijnlijk, maar niet voldoende bewezen, dan schorte de kerkeraad zijn oordeel op, geve het aan den Heere over en wachte af, of er met verloop van tijd ook eenige klaarheid komt. In geval de schuld wel bewezen is, neemt de kerkelijke vermaning een aanvang.

Voorts dus, opdat de kerkeraad den schuldige vermane. Er is ook een broederlijke vermaning, krachtens het ambt der geloovigen, Matth. 18: 15-17. Maar de vermaning van den kerkeraad draagt een ambtelijk karakter. In ruimeren zin kan ze geheel onbepaald in de prediking des Woords en bij de voorbereiding tot het Avondmaal, maar ook om een bepaalde reden, bijv. bij gevaar voor afdwaling en voor besmetting met de dwaalleer enz. 2 Cor. 10: 9, 10; 2 Kron. 21: 12; Hand. 14: 22; 20: 31; Rom. 12: 1; 2 Cor. 5: 20, 21, geschieden. In eregeren zin heeft ze plaats in een bepaald tuchtgeval, na gebleken schuld, en draagt ze een bestraffend karakter. Zoo bestraft Paulus zijn

|323|

mede-apostel Petrus, Gal. 2: 11 - 14; en de gemeente van Corinthe, omdat zij den bloedschender in haar midden dulde, 1 Cor. 5: 1, 2, enz. Ze kan mondeling, maar, bij onwilligheid om op den kerkeraad te komen of een deputatie uit zijn midden te ontvangen, ook schriftelijk geschieden, 2 Cor. 10: 9, 10. Doel van de vermaning is den zondaar te behouden, de kerk voor besmetting te bewaren, en te waken, dat Gods naam om onzentwille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde, 2 Cor. 7: 7-9; 2 Cor. 12: 20, 21; 13: 2. Het gevolg kan wezen, dat de zondaar niet alleen het feit, maar ook de schuld der zonde erkent. Het kan dan in sommige gevallen, bijv. bij dronken menschen, die in nuchteren toestand schier altijd berouw hebben, noodig zijn hen nog een tijdlang van het Avondmaal af te honden, om hen een proeftijd te geven. Maar als die schuldbelijdenis na korter of langer tijd van proef echt blijkt te zijn, moet er verzoening plaats hebben, Spr. 28: 13. Het kan echter ook wezen, dat de zondaar na de teederste vermaningen weigert zijn schuld te erkennen en hardnekkig in zijn zonde volhardt. In dat geval gaat de vermaning tot de censure (afhouding van het Avondmaal, art. 76) over. In de notulen moet dan duidelijk a. het punt van beschuldiging; b. de gebleken schuld: c. de klaarblijkelijke onboetvaardigheid; en d. het besluit van de afhouding des Avondmaals opgeteekend worden. Zoo noodig moet hem van het besluit afschrift worden gegeven.

Jansen, Joh. (1976) Art. 75

 

Art. LXXV. Van al zulke zonden, die van haar nature wege openbaar, of door verachting der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn, zal de verzoening (wanneer men genoegzame teekenen van boetvaardigheid ziet) in zulken vorm en manier geschieden als tot stichting van iedere Kerk door den Kerkeraad bekwaam zal geoordeeld worden. Of zij in bepaalde gevallen openbaarlijk geschieden zal, wordt, wanneer daarover in den Kerkeraad verschil is, in Kerken, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde Kerken beoordeeld.

 

De verzoening.

Dit artikel handelt over de verzoening van openbare zonden, waarvan de zondaar tot inkeer komt, zoolang hij nog niet

|324|

afgesneden is. Ook na de excommunicatie (afsnijding, ban) is er nog verzoening mogelijk, maar ze moet dan geschieden op de wijze van het Formulier van wederopneming. Hier gaat het over de kerkelijke verzoening van openbare zonden, eer de afsnijding heeft plaats gehad. Da voornaamste vragen zijn deze:

1. In welke gevallen de kerkelijke verzoening moet plaats hebben. Alleen in geval van openbare zonden, ’t zij dan, dat ze „van haar nature wege openbaar, of door verachting der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn”. De K.O, houdt dus streng aan den regel vast, dat heimelijke zonden door private of broederlijke vermaning tot verzoening moeten gebracht worden. Jezus zelf eischt dat nadrukkelijk in Matth. 5: 23-24 en 18: 15. Maar anders staat deze zaak, wanneer wij met openbare zonden te doen hebben, die òf van haar nature wege openbaar zijn, òf door verachting der kerkelijke vermaning in het openbaar gekomen zijn. Wanneer nu zulk een zondaar, die eerst de private vermaning verworpen heeft of een openbare zonde bedreef, door den kerkeraad vermaand wordt, en die vermaning aanvaardt en tot berouw komt, moet er verzoening plaats hebben en mag de kerkelijke tucht niet voortgaan. Bij de burgerlijke straf is het zoo, en terecht, dat een zondaar, als hij zijn misdaad belijdt, veroordeeld wordt, want het recht eischt, dat de overtreding, zoodra ze bewezen of erkend is, gestraft wordt. Straf is immers herstel van geschonden recht. Bij de tucht is het juist andersom; daar wordt de zonde vergeven als ze beleden wordt. De genade schenkt kwijtschelding na ootmoedige belijdenis, want zij verzoent het geschonden recht. Deze bepaling gold van den beginne aan. De synode van Embden, 1571, nam ze al in de K.O. op als art. 29, en sinds is ze gebleven.

2. Op welk vereischte de verzoening moet geschieden. De synode van Middelburg, 1581, voegde dit vereischte opzettelijk in het artikel in, nl. wanneer men sekere teyckenen der boetueerdicheijt siet (Latijn: Ubi de verae poenitentiae signis constiterit d.i. waar over de kenteekenen der ware boetvaardigheid overeenstemming is). Men bedoelde hetzelfde natuurlijk eerder ook. Geen verzoening dus zonder „waar berouw” (vera poenitentia). Van dat waar berouw moeten de kenteekenen (signa), of, zooals het convent te Wezel, 1568, in hoofdstuk VIII: 10 het reeds uitdrukte, „een duidelijke proeve en bewijs van boetvaardigheid” (Latijn: resipiscentiae specimen ac testimonium) aanwezig

|325|

zijn. Bij zware zonden, die voor de kerk schandelijk waren of van de overheid behoorden gestraft te worden, was men met een mondelinge schuldbelijdenis niet altijd te vreden, maar hield men ze nog wel een- of meermalen van het Avondmaal af, om de ergernis weg te nemen en voor de echtheid der boetvaardigheid een proeftijd te geven, Acta van Dordrecht, 1578, art. 99. De kerkeraad moet uit de belijdenis en den wandel van den gevallene opmaken of de ware boetvaardigheid aanwezig is. Rijst er twijfel of de belijdenis wel oprecht is, dan moet de verzoening nog uitgesteld worden. In sommige gevallen, bijv. van dronkenschap, waarin de zondaar ook na berouw zoo licht weer terug valt, is een proeftijd, aleer hij tot het Avondmaal toegelaten wordt, zeer aan te raden. De verzoening mag hem niet opgedrongen, maar moet door hem zelf begeerd worden.

3. Of de verzoening openbaar voor de gemeente of alleen voor den kerkeraad moet geschieden. In de oorspronkelijke redactie van dit artikel, van de synode van Embden, 1571, art. 29, stond: „die salmen opentlijck versoenen, niet nae het oordeel van een ofte twee persoonen, maar nae het ghevoelen der gantscher Consistorie”. Eerst staat er: „men sal ze opentlijck versoenen”. Dit geeft den schijn, dat de verzoening openbaar voor de gemeente moet geschieden. Maar er staat nog meer, waarvan men deze woorden heeft losgemaakt. Er staat verder, dat de verzoening openlijk zal geschieden niet naar het oordeel van een paar kerkeraadsleden, maar van den geheelen kerkeraad. De bedoeling van dit artikel is dus: of de verzoening openbaar zal geschieden, mag niet beslist worden door een predikant of ouderling, maar door den geheelen kerkeraad (Latijn: Sed totius consistorie arbitrio d.i. maar volgens het oordeel van den geheelen kerkeraad). Al was het aanvankelijk misschien wel de gewoonte, openbare zonden ook openbaar te verzoenen, toch moest aan ieder geval een arbitrium d.i. een oordeel van den kerkeraad voorafgaan. De kerkeraad moest voor elk geval beslissen of de verzoening publiek zou zijn, ja dan neen.

In dezelfde lijn hebben ook de volgende synoden besloten en zelfs de bepaling van Embden nog verscherpt. De synode van Middelburg, 1581, voegde er zelfs het advies der classe aan toe: de verzoening zou openbaarlijk geschieden door het oordeel en advies der classe, d.w.z. als de kerkeraad, na het advies der classe ingewonnen te hebben, dit noodig oordeelde. De synode van ’s Gravenhage, 1586, wijzigde deze bepaling aldus,

|326|

dat de verzoening, „openbaarlijk gheschieden zal door het oordeel des Kercken-Raets. Ende ten platten Lande of in mindere Steden, daar maar eenen Dienaer en is, met advijs van twee ghenae-buerde Kercken”, d.w.z. in grootere steden met meer dienaren mocht de kerkeraad het beslissen, maar in gemeenten met slechts één dienaar moest het advies van twee genabuurde kerken gevraagd worden, omdat het te lang kon duren eer de classe vergaderde en het veel gemakkelijker was twee kerken dan een volle classe samen te roepen.

De synode van Utrecht, 1905, heeft de bedoeling zóó duidelijk uitgedrukt dat alle misvatting is uitgesloten. Zij bepaalde nu: Of zij in bepaalde gevallen openbaarlijk geschieden zal, wordt, wanneer daarover in den Kerkeraad verschil is, in Kerken, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde kerken beoordeeld. De kerkeraad beoordeelt in elk voorkomend geval of ze openbaar voor de gemeente of alleen voor den kerkeraad zal plaats hebben. Is er verschil over, dan kan in groote steden met meer dan een dienaar de kerkeraad het met meerderheid van stemmen uitmaken, maar moet in kerken met slechts één dienaar, eer de beslissing valt, het advies van twee genabuurde kerken gevraagd worden. De woorden „met advies” beteekenen niet „met toestemming”, want dan zou de beslissing bij de naburige kerken liggen; ook niet „na advies”, zoodat het aan den kerkeraad staat, of hij er zich aan storen wil, ja dan neen! maar „in overeenstemming met het advies of oordeel” van de twee kerken. De bedoeling zal wel wezen, dat de twee genabuurde kerken met den kerkeraad vergaderen, en dat zij samen tot een gemeenschappelijk oordeel komen.

Wat is nu de norm om te beoordeelen of de verzoening openbaar voor de gemeente of alleen voor den kerkeraad moet plaats hebben? Het artikel spreekt er niet van. Nog veel minder geeft het een opsomming van alle denkbare gevallen, die openbaar of die geheim verzoend moeten worden. De K.O, is geen wetboek van strafrecht, dat een lijst van zonden opsomt, en daarvoor de straf bepaalt. Er is ook geen vaststaanden regel te geven. Elk geval moet op zich zelf beoordeeld worden. De kerkeraad kan dan als norm laten gelden: a. wat ’t meest is tot Gods eere; b. wat ’t meest dient tot stichting der kerk; en c. wat ’t meest bevorderlijk is tot heil van den zondaar. Wanneer in een gemeente veel ongeloovigen en spotters ter kerk komen en de openbare verzoening aanleiding zou geven, dat Gods naam

|327|

gelasterd, en de gemeente van Christus in het openbaar gesmaad zou worden; of wanneer in een gemeente een geest van Farizeïsme heerscht en de openbare verzoening hare eigengerechtigheid nog meer zou sterken; of wanneer de openbare verzoening de zonde ook aan velen, die er nog niet van wisten zou bekend maken, en de naam van den zondaar nog meer zou geschaad worden, moet de verzoening alleen voor den kerkeraad geschieden. Openbare verzoening daarentegen is wenschelijk als zij meer tot Gods eere en meer tot de stichting der kerk en tot rehabilitatie van den berouwhebbenden zondaar dient.

4. De vorm en manier der verzoening. Daarvan staat, dat ze zal geschieden in zulken vorm en manier als tot stichting van iedere Kerk door den Kerkeraad bekwaam zal geoordeeld worden. Een vast formulier hebben we hiervoor niet. Heeft de verzoening alleen voor den kerkeraad plaats, dan kunnen enkele vragen gesteld worden, en moet van de getroffen verzoening aan de gemeente van den kansel mededeeling gedaan worden. Dit laatste is noodzakelijk om de gegeven ergernis geheel weg te nemen. Zoo geschiedde vroeger ook. De belijdenis en verzoening hadden dan plaats voor den kerkeraad, maar er werd een korte mededeeling van gedaan „op den stoel”. En het beste is dan, dat alleen zijn misdaad en boetvaardigheid aan de gemeente worde meegedeeld, zonder zijn naam te noemen. Heeft de verzoening echter in het openbaar voor de gemeente plaats, dan kan de kerkeraad een kort formulier opstellen, waarin het karakter der zonde wordt omschreven, en voorts op het berouw en de verzoening nadruk wordt gelegd. De bedoeling is niet, den zondaar nog een laatste publieke afstraffing te geven, maar om hem met de gemeente te verzoenen, opdat door ootmoedigheid de een den ander uitnemender achte dan zich zelven, Fil. 2: 3.

Jansen, Joh. (1976) Art. 76

 

Art. LXXVI. Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie eene openbare of anderszins een grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden. En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe.

|328|

De afhouding van het Avondmaal.

De afhouding van het Avondmaal is aanstonds bij de reformatie door Calvijn zelf te Genève ingesteld. In de K.O. van Genéve werd dan ook bepaald, dat allen, die onchristelijk wandelden en weigerden naar de vermaning te luisteren, van het Avondmaal geweerd en, bij volbarding en onboetvaardigheid, afgesneden zouden worden. Zijn voorbeeld vond schier overal in de Gereformeerde kerken navolging; a Lasco nam ze op als tuchtmiddel in de vluchtelingen-kerk te Londen; de Fransche kerken in de artikelen van de synode te Parijs in 1565; en de Gereformeerde kerken in Nederland op de eerste synode nl. te Embden, 1571, in art. 30: „Soo wie hartneckelijck die vermaninghen der Consistorie verwerpen sal, dien salmen vander ghemeynschap des Nachtmaels afhouden, ende afghehouden zijnde, ist dat hy nae vele vermaninghen geen teecken van berou en bewijst, soo sal dit den voortgangh zijn tot der uytsluytinghe.” Dit artikel is door de synoden van Middelburg, 1581, en van ’s-Gravenhage, 1586, wel uitgebreid, maar in wezen tot nu toe gehandhaafd. De hoofdzaken zijn de volgende:

1. In welke gevallen de afhouding van het Avondmaal plaats heeft. De synode van Embden, 1571, noemde slechts één geval: „zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des kerkeraads verwerpt.” Maar de synode van Middelburg, 1581, voegde er nog een tweede geval aan toe: „en evenzoo wie een openbare of anderszins een grove zonde gedaan heeft.” Dus in twee gevallen, die sinds onveranderd gebleven zijn.

Het eerste geval doelt op een heimelijke zonde, waarbij eerst de broederlijke, en, nadat deze vruchteloos bleek, ook de kerkelijke vermaning te vergeefs werd beproefd. Indien eerst de broederlijke vermaning in eerster en daarna ook in tweeder instantie, volgens Matth. 18: 15, 16, mislukt is, en mededeeling van deze mislukking aan den kerkeraad gedaan is, mag deze niet aanstonds met de afhouding van het Avondmaal beginnen! De kerkeraad moet dan eerst een onderzoek instellen of de aanklacht gegrond is; en zoo ja, den aangeklaagde vermanen, niet éénmaal, maar herhaalde malen, dat hij zijn schuld belijde. Treft de vermaning van den kerkeraad doel, dan is de kerkelijke tucht voorkomen en de zondaar naar Matth. 18: 17 gewonnen. Maar in geval hij „hardnekkiglijk de vermaning des

|329|

Kerkeraads verwerpt” zal hij van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden. Eerst bij hardnekkigheid, d.i. bij volhardende onboetvaardigheid en onbekeerlijkheid, treedt de eerste acte van de tucht in eigenlijken en engeren zin in, nl. de disciplinaire afhouding van het Avondmaal. Deze hardnekkigheid kan een meer negatieve wederstand wezen, als hij wel niet tegenspreekt, maar stilzwijgend doorgaat, of een meer positief verzet zijn, als hij in woord en daad zich onbekeerlijk betoont, maar op die hardnekkigheid komt het hier aan. Wie zijn overtreding bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. Voor de zwaarste zonde is er vergeving, mits er oprecht berouw is. Een zondaar gaat niet om zijn zonde, maar om zijn ongeloof, zijn onbekeerlijkheid, zijn hardnekkigheid, verloren. Daarom wordt hij van het Avondmaal geschorst.

Het tweede geval is, dat iemand een openbare of anderszins een grove zonde bedreven heeft. Staat dit na onderzoek voor den kerkeraad vast, dan stelt hij den zondaar aanstonds onder censuur. Er waren er zelfs wel, die nog verder wilden gaan en op zulke grove zondaren aanstonds den ban wilden toepassen. Maar de kerkelijke vergaderingen wilden er niets van weten. Zulke grove zondaars moesten wel aanstonds van het Avondmaal afgehouden, maar niet geëxcommuniceerd worden. In bijzondere moeilijke gevallen kan een kerkeraad des noods aan de classe om advies vragen.

De vraag is wel eens gesteld, of de Avondmaalsviering voor een tijd mag uitgesteld worden wegens een beroering in de gemeente. Een kerkeraad ga er niet spoedig toe over, maar het kan toch gebeuren, dat een gemeente zoodanig in beroering is over een of andere zaak, dat het raadzaam is het Avondmaal te verschuiven of uit te stellen. Men bracht er wel tegen in, wat ook tegen het Roomsche interdict geldt, dat dan de onschuldigen met de schuldigen worden gestraft. Maar dit gaat toch niet op, want zulk een uitstel van het Avondmaal is in strikten zin geen tucht, maar een voorzorgsmaatregel, om te waken, dat de tafel des Heeren niet ontheiligd en Gods naam niet gelasterd worde.

2. Welk karakter deze afhouding draagt. Deze afhouding van het Avondmaal is de eerste acte van de tucht in engeren zin. Ze wordt ook wel de voorloopige excommunicatie of „kleine ban” genoemd. De tweede acte van de tucht in engeren zin is dan de definitieve excommunicatie of de „groote ban”,

|330|

nl. de volstrekte uitsluiting uit de gemeente. De afhouding van het Avondmaal hier draagt dus een disciplinair (tuchtigend) karakter.

Er is ook wel een afhouding van het Avondmaal, die in eigenlijken zin geen tuchtmiddel is en toch dikwijls voorkwam, bijv. ingeval iemand, die een openbare, ergerlijke zonde bedreef, maar oprecht berouw toont, toch om de ergernis weg te nemen, nog één- of meermalen van het Avondmaal wordt afgehouden; of wanneer een ernstig en ingewikkeld tuchtgeval in beginsel wel tot oplossing kwam, maar zóó dicht voor het Avondmaal, dat het niet meer afgewikkeld kan worden; of wanneer vlak voor het Avondmaal een ernstig tuchtgeval zich voordoet, en wel een aanvankelijke overtuiging van schuld gevestigd wordt, maar het afdoend bewijs daarvoor nog niet te krijgen is; dan moet ook in zulke gevallen afhouding van het Avondmaal plaats hebben. Dit is dan een „eenvoudige of voorloopige afhouding”, die geen disciplinair karakter draagt. Het kan wezen dat iemand uit eigen beweging zich van het Avondmaal onthoudt. Maar het kan ook noodig zijn, dat de kerkeraad zoo iemand het Avondmaal ernstig ontraadt, waarbij dan de beslissing aan den persoon wordt overgelaten; ja zelfs, dat de kerkeraad het gebruik van het Avondmaal beslist ontzegt of verbiedt, zoodat de betrokken persoon zich dan te onderwerpen heeft. De rechtsgrond ligt dan niet in de hardnekkigheid van den zandaar, maar in de roeping om voor de heiligheid van de tafel en den naam des Heeren te waken.

Maar de afhouding van het Avondmaal volgens art. 76 draagt een disciplinair (tuchtigend) karakter en wordt ook wel de excommunicatio minor d.i. de mindere excommunicatie of kleine ban genoemd. Ze is een mindere excommunicatie om twee redenen: 1e Omdat zij alleen het gebruik, en niet het recht op en het bezit van het lidmaatschap ontneemt. Een gecensureerde verliest niet het bezit (κτησις), maar alleen het gebruik (χρησις) van het lidmaatschap. 2e Omdat zij wel het gebruik van de voornaamste rechten van het lidmaatschap ontneemt, bijv. het deelnemen aan het Avondmaal, en het passief en actief kerkelijk stemrecht, d.i. zij mogen niet tot het ambt van ouderling of diaken verkozen worden en ook niet aan de stemming deelnemen; maar toch niet het gebruik en genot van alle rechten, bijv. het recht op verblijf in een armenhuis, of op een zitplaats in de kerk. Men heeft nog wel eens uitzondering gemaakt inzake

|331|

het stemrecht voor het kerkelijk beheer en liet hen dan meestemmen om kerkelijke administrateurs te benoemen. Maar dat is verkeerd. Een gecensureerde verliest het gebruik èn van het Avondmaal en van het medezeggenschap in de regeering der kerk nl. van het passief en actief kiesrecht. Zij geschiedt door den kerkeraad alleen, zonder er de gemeente kennis van te geven, en wordt daarom wel de „stille censuur” genoemd. Zij gaat immers aan de „drie trappen,” waarvan het volgende artikel spreekt, vooraf.

3. Wat er geschieden moet in geval van onboetvaardigheid na de afhouding: En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe. In dit artikel wordt alleen het geval besproken dat de afgehoudene onboetvaardig blijft. Het geval kan zich ook voordoen, dat de gecensureerde door de afhouding en de daarmee gepaard gaande vermaningen wèl tot berouw komt en genoegzame teekenen van boetvaardigheid toont. Dan moet hij volgens art. 75 „weer met de gemeente verzoend worden,” zooals men vroeger zei; ’t zij dan door openbare verzoening voor heel de gemeente, of door geheime verzoening voor den kerkeraad of voor een commissie uit den kerkeraad, met mededeeling van den kansel. Maar hier is er alleen sprake van het negatief gevolg, nl. dat hij geen boetvaardigheid bewijst.

Na de afhouding moeten er dus weer vermaningen plaats hebben. De daad van de afhouding wordt door vermaningen gedragen en omgeven. Er moeten vermaningen aan voorafgaan, zij moet van vermaningen vergezeld gaan, en er moeten, zoo er niet spoedig verootmoediging plaats heeft, vermaningen op volgen. Hoeveel vermaningen dan nog volgen moeten staat er niet. De synode van Embden, 1571, zei: „vele vermaninghen.” Hier staat: „verscheidene vermaningen.” Een algemeene uitdrukking. De toepassing in elk concreet geval wordt aan de kerkeraden overgelaten. Maar wel ligt er in, dat er niet licht te veel vermaningen geschieden. De zondaar moet tot het uiterste vermaand worden. Het is om het behoud van den zondaar te doen.

Baten echter al deze vermaningen niet, „zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie komen.” Ten laatste d.w.z. nadat

|332|

al deze vermaningen vruchteloos zijn gebleven. De „uiterste remedie” d.i. het laatste middel om hem nog tot inkeer te brengen is de excommunicatio major of de meerdere excommunicatie nl. niet maar een sluiten ex communione coenae d.i. een uitsluiten van het Avondmaal alleen, meer een sluiten ex communione ecclesiae d.i. een sluiten buiten de gemeenschap der kerk zelf; ook wel „de ban” genoemd.

De afsnijding moet geschieden „volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld”; dus volgens het Formulier van den Ban. Aanvankelijk was er geen formulier voor de afsnijding. Het werd aan den kerkedienaar overgelaten. Alleen bepaalde de synode van Embden, 1571, aan het slot van art. 31, dat de kerkedienaar het gebruik en het doel van den ban in den breede moest verklaren en de geloovigen moest vermanen geen al te gemeenzame en onnoodige conversatie met den gebannene te onderhouden, om hem tot verootmoediging te brengen. De synode van Middelburg, 1581, stelde een kort formulier op van één bladzijde groot, dat niet verplichtend gesteld werd, maar als model kon dienen. Maar de volgende synode, te ’s-Gravenhage, 1586, heeft het tegenwoordige formulier ingevoerd. Het omschrijft den ban aldus: „dat N., om de voorzeide oorzaken, uitgesloten is en wordt uitgesloten, mits dezen buiten de gemeente des Heeren, en vreemd is aan de gemeenschap met Christus, van de Heilige Sacramenten, en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan Zijne Gemeente belooft en bewijst, zoolang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijne zonden”.

Ten slotte staat er nog: „Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe”. Hier wordt alvast het beginsel uitgesproken, dat voor de afsnijding advies gevraagd moet worden. In art. 77 wordt er aan toegevoegd, wanneer dit advies gevraagd moet worden. Elke plaatselijke kerk heeft formeel volkomen het recht iemand af te snijden zonder advies der Classe. Maar uit voorzichtigheid zijn zij onderling overeengekomen om elkaar te controleeren. Het kon toch gebeuren, dat een kerkeraad door overdrijving en overhaasting de tucht zou schaden. En nu beperken zij vooraf hun macht en vrijheid en leggen zich zelf den plicht op vóór de afsnijding het advies der Classe te vragen. Niet alsof deze, evenals in een geval van hooger beroep, de personen zelf moet hooren en de zaak zelf moet onderzoeken, om een uitspraak

|333|

te doen! Dit advies vragen is geen hooger beroep, maar dient om de handeling van den kerkeraad na te gaan en te controleeren, opdat hij meer zekerheid hebbe, dat de tuchthandeling langs het goede spoor loopt. De classe bindt zich daardoor niet voor het geval van appèl. Het advies is geen praejudicie op het appèl. Komt er hooger beroep dan kan de classe de zaak grondig onderzoeken en een beslissend oordeel uitspreken.

Jansen, Joh. (1976) Art. 77

 

Art. LXXVII. Aleer men, na de afhouding van het Avondmaal en de daarop nog gevolgde onderscheidene vermaningen, tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven, de zonde verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen, in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal, en menigvuldige vermaningen, en zal de gemeente vermaand worden hem aan te spreken, en voor hem te bidden. Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde. In de tweede zal met advies der Classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de gemeente te kennen geven, dat men hem (tenzij dat hij zich bekeere) van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaningen zal aan het oordeel des Kerkeraads staan.

 

De afsnijding.

Art. 76 handelt over de „eerste acte” der tucht. Art. 77 leidt heen naar de „tweede acte”. Wanneer toch de afhouding van het Avondmaal en de daarop gevolgde vermaningen, volgens art. 76, geen vrucht afwerpen, dan gaat de tucht voort. Vandaar dat art. 77 handelt over het verloop der tucht (ook wel de „drie trappen van censuur” genoemd) van de eerste tot de tweede acte, d.i. van de afhouding des Avondmaals tot de afsnijding; en eindelijk over de afsnijding zelf. Dit artikel is vaak misverstaan. Men dacht dan, dat de afhouding van het Avondmaal volgens art. 76 hetzelfde was als de „eerste trap” van censuur in art. 77. Om dit onderscheid nu duidelijk te doen uitkomen, voegde de synode van Utrecht, 1905, de oude redactie met de volgende cursief gedrukte woorden aan: „Aleer men, na de afhouding van het Avondmaal en de daarop nog gevolgde

|334|

onderscheidene vermaningen, tot de afsnijding komt zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven” enz. Eerst moet dus de afhouding van het Avondmaal zonder daarvan aan de gemeente kennis te geven (daarom wel „stille censuur” genoemd) met de onderscheidene vermaningen voorafgaan. Daarop volgen eerst de drie vermaningen (de z.g.n. drie trappen van censuur), en, zoo die niet baten, ten slotte de afsnijding zelf, van art. 77. Wij handelen hier dus over twee dingen:

1. Het verloop der tucht van de censuur tot de afsnijding; of de z.g.n. drie trappen van censuur. Het artikel vangt aan met een korte omschrijving van het verloop der tucht na de afhouding van het Avondmaal. Deze omschrijving houdt drie dingen in:

Vooreerst een openlijke kennisgeving van de reden, waarom de tucht moet voortgaan: „Aleer men, na de afhouding enz. tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven”. Niet de zonde op zich zelf, maar de hardnekkigheid van den zondaar, zijn onwil om met de zonde te breken en zijn onbekeerlijkheid, zijn oorzaak, dat de tucht moet voortgaan. In de kennisgeving aan de gemeente moet dan ook niet op de zonde als zoodanig, maar op die hardnekkigheid om die zonde te belijden de nadruk worden gelegd.

Voorts een verklaring van het recht om met de tucht voort te gaan: „de zonde verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal en menigvuldige vermaningen”. Die verklaring mag niet in het bijzonder, maar moet in algemeene termen geschieden, bijv. dat N.N. tegen het eerste, tweede, derde gebod, enz. gezondigd heeft; niet de wijze waarop zij heeft plaats gehad, maar de aard der zonde moet verklaard worden (Voetius). Voorts geeft de kerkeraad kortelijk verklaring van de naarstigheid aan den zondaar bewezen: a. in het bestraffen reeds eer het Avondmaal hem ontzegd werd; b. in het afhouden van het Avondmaal zelf; en c. in de menigvuldige vermaningen, die na de schorsing aan hem bewezen zijn. Deze verklaringen dienen om de gemeente van het goed recht der voortgaande tucht te verzekeren.

En eindelijk een vermaning aan het adres der gemeente om „hem aan te spreken, en voor hem te bidden”. Dit aanspreken kan nog niet na den eersten trap geschieden, omdat de naam van den zondaar nog wordt verzwegen. Daarom moet deze

|335|

vermaning om den zondaar aan te spreken eerst in de afkondiging van den tweeden trap worden ingevoegd. Wel kan de gemeente voor hem bidden, al weet zij den naam des zondaars nog niet. Bedoeld is hier, dat de leden der gemeente afzonderlijk voor hem bidden. Maar al te vaak vergeten wij dit. De gemeente moet dus met den kerkeraad medewerken. Zij mag de tucht niet aan den kerkeraad overlaten. Het is een lid van haar lichaam, dat gezondigd heeft. En de hand mag niet zeggen tot de voet: ik heb u niet van noode! Op de vraag, of men de woorden, dat men „de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk zal te kennen geven” moet verstaan van de belijdende leden alleen, of van het gansche gehoor, antwoordde reeds de synode van Middelburg, 1581, „dat het verstaen wordt van alle deghenen, die tot den ghehoore commen”.

Daarna volgen nu de drie trappen afzonderlijk: Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde. In de tweede zal met advies der classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de Gemeente te kennen geven, dat men hem, — tenzij dat hij zich bekeere — van de gemeenschap der kerk uitsluiten zal, enz. Wij spreken van de drie trappen van censuur. Maar het artikel spreekt van drie vermaningen. We moeten dus bij die „trappen” van censuur niet denken aan een zekere opklimming van beneden naar boven of van het mindere tot het meerdere, maar aan drie gelijksoortige vermaningen, die alleen in graad onderscheiden zijn; en mogen onder die voorwaarde van „de drie trappen van censuur” blijven spreken.

De eerste trap is de vermaning zonder naam. Reeds op de synode te Embden, 1571, is de redactie van dezen trap vastgelegd, zooals zij nu nog in de K.O. staat: „In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde”. Het eigenaardige van dezen trap is, dat alleen de zonde wordt verklaard en de gemeente wordt vermaand voor hem te bidden. Deze vermaning moet vooraf schriftelijk opgesteld, door den kerkeraad goedgekeurd en alzoo afgelezen worden. Zij moet bevatten: a. de aard der zonde; b. de hardnekkigheid van den zondaar; c. de naarstigheid van den kerkeraad in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal en daarop nog gevolgde onderscheidene vermaningen; en d. de vermaning aan de gemeente, voor hem te bidden.

|336|

De tweede trap is de vermaning met uitdrukking van den naam des zondaars. Dezelfde vermaning wordt nu herhaald, naar nu komen er twee dingen bij, nl. het advies der classe en de uitdrukking van den naam des zondaars. In de eerste redactie van de synode te Embden, 1571, stond alleen: „In de tweede sal men hem noemen”. De kerken werden toen pas in classen ingedeeld, maar het zou de vraag zijn of deze konden samenkomen vanwege de vervolging. Eerst nadat de vrijheid kwam heeft de synode van Middelburg, 1581, er ingevoegd „In die tweede sal met het advies der Classe zynen naam uitgedruct worden”. Zij achtte dit noodig: a. om partijdigheid te voorkomen; b. tot waarborg van de rechtvaardigheid der tucht; en c. ter voorlichting van kerkeraden, die met het verloop der tucht minder op de hoogte waren. Met advies der classis (ex classis judicio = overeenkomstig het oordeel der classe) beteekent niet: met verlof of met toestemming der classe, zoodat deze beslist, want dan zou de classe de zelfstandigheid der plaatselijke kerk opheffen; het beteekent ook niet: na advies, zoodat het voldoende zou zijn als de kerkeraad alleen formeel advies vroeg, zonder er zich verder aan te storen; maar het beteekent overeenkomstig of in overeenstemming met het oordeel der classe, zoodat de kerkeraad zich bij het advies der classe aansluit, naar den ouden regel, dat de minderheid zich aan het besluit der meerderheid conformeert. De classe moet er zich door navraag bij den kerkeraad van overtuigen a. dat de zonde censurabel is; b. dat de afhouding van het Avondmaal met de vermaningen, volgens art. 76, hebben plaats gehad; en c. dat de zondaar ook na den eersten trap in zijn onboetvaardigheid volhardt. Adviseert de classe met den tweeden trap door te gaan, dan geve de kerkeraad er kennis van aan den betrokken persoon. De formule der woorden moet voorzichtig worden opgesteld, en door den kerkeraad goedgekeurd. Zij mag geen beleediging inhouden, want dan is zij strafbaar voor de wet. Zij moet bevatten: a. den naam van den zondaar en den aard zijner zonde; b. de hardnekkige onboetvaardigheid sedert den eersten trap; c. de vermaning aan de gemeente om hem aan te spreken en voor hem te bidden.

De derde trap is een herhaling van den tweeden met mededeeling van het besluit der voorgenomen afsnijding: „In de derde zal men de gemeente te kennen geven, dat men hem, (tenzij dat hij zich bekeere) van de gemeenschap der kerk uitsluiten zal”. Deze derde vermaning is nog niet de afsnijding zelf,

|337|

maar een laatste publieke vermaning en tevens de mededeeling, dat de afsnijding over drie of vier weken volgen zal, zoo er intusschen geen bekeering mocht plaats hebben. De tijd moet zoolang zijn, dat de beklaagde zich ernstig bedenken kan om zich te bekeeren of ook in hooger beroep te gaan. Ook voor dezen derden trap is advies der classe zoo niet noodzakelijk, dan toch gewenscht, want aan het slot van art. 76 staat dat „niemand afgesneden zal worden, dan met voorgaand advies der Classe”. Art. 77 zegt nu nader, dat dit advies reeds bij den tweeden trap moet gevraagd worden, maar dit maakt het bij den derden trap niet overbodig, omdat de omstandigheden tusschen den tweeden en derden trap zóó gewijzigd kunnen zijn, dat de classe tot eenig uitstel adviseeren moet.

2. Eindelijk volgt dan de afsnijding zelve: ,,opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede”. De bedoeling der mededeeling is dus, dat zijn afsnijding met stilzwijgende bewilliging (Latijn: tacitis ecclesiae suffragiis d.i. met zwijgende stemming) der gemeente geschiede. De kerkeraad heeft de leiding, maar de gemeente geeft stilzwijgend hare toestemming, naar den regel: die zwijgt, stemt toe. Komt er een klacht, dan moet de kerkeraad deze onderzoeken. Zoo ze gegrond is, moet de kerkeraad ze trachten weg te nemen, maar zoo ze ongegrond is, met de tucht voortgaan tot en met de afsnijding toe.
Het woord „afsnijden” wil zeggen: een lid van het lichaam afsnijden. De duidelijkste uitspraak vinden wij in 1 Cor. 5: 2: „uit het midden van u wegdoen”, en vs. 13: „den booze uit ulieden wegdoen”. Het Latijnsche woord is: excommunicatio d.i. ex communione ecclesiae cludere, mittere nl. uit de gemeenschap der kerk sluiten, zenden. Het Hollandsche woord ban beteekent: iemand uit de gemeente bannen.

Het Formulier van den Ban omschrijft het karakter der afsnijding aldus: dat N. om de voorzeide oorzaken uitgesloten is en wordt uitgesloten mits dezen buiten de Gemeente des Heeren en vreemd is aan de gemeenschap van Christus, van de Heilige Sacramenten, en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan zijne Gemeente belooft en bewijst, zoolang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijne zonden, en is daarom door ulieden te houden als de heiden en de tollenaar naar het bevel van Christus, die zegt, in den hemel gebonden te zijn, al wat zijne Dienaren binden op aarde.

|338|

De Heid. Cat. omschrijft den ban als een uit de Christelijke gemeente en van God zelven uit het Rijk van Christus gesloten worden.

De excommunicatie is dus een ernstige zaak. Zij is wel geen overgave aan den Satan, want deze was slechts een apostolische tuchtoefening; en ook geen anathema of vervloeking, want dat woord duidt geen daad van kerkelijke tucht aan; maar zij is een opzeggen van de broederlijke gemeenschap, en een zich onttrekken der gemeente aan den gebannene; een plechtige verklaring in den naam van Christus, dat hij openbaar geworden is, als geen broeder te zijn; een uitsluiting uit de gemeente, en uit al hare weldaden en gaven, welke God aan haar gegeven heeft; welke uitsluiting, zoo zij overeenkomstig de opdracht van Christus plaats heeft, eens gevolgd zal worden door de uitsluiting uit het koninkrijk der hemelen door God zelf, tenzij de zondaar zich bekeere en het toekomend oordeel afgewend worde.

Ten slotte staat er nog: „De tijd tusschen de vermaningen zal aan het oordeel des Kerkeraads staan”. Een vaste bepaling kan er niet voor gemaakt worden, want alle gevallen zijn niet gelijk. Maar wel kan men zeggen, dat er in den regel enkele maanden tusschen de verschillende trappen of openbare vermaningen verliepen. De geheele tuchtactie duurde wel twee à drie jaar. Als ze in een jaar afliep was al heel vlug. Eerst wanneer alle vermaningen uitgeput waren en de zondaar tot het uiterste toe volhardde in zijn onbekeerlijkheid, mocht de ban worden toegepast.

Jansen, Joh. (1976) Art. 78

 

Art. LXXVIII. Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de gemeente door boetvaardigheid, zoo zal hetzelve vóór de handeling des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, tevoren der gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomenden Avondmale (zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie) openbaarlijk met professie zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het Formulier daarvan zijnde.

 

Wederopneming van den afgesnedene.

De afsnijding met den ban bedoelt niet den zondaar voor altijd uit de gemeente te stooten, maar is een laatste remedie

|339|

om hem tot bekeering te brengen. God neemt den berouwvollen zondaar weer in genade aan; evenzoo ook de kerk. Salomo leerde reeds: „Die zijn overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn, maar die ze bekent en laat zal barmhartigheid verkrijgen”, Spr. 28: 13. Reeds op de synode van Dordrecht, 1578, art. 97. spraken de kerken dan ook uit, dat de afsnijding moest geschieden met het doel, „opdat de afghesneden door schaemte verslaghen synde, aernstiglick bedencken magh, hem te bekeeren”. Aanvankelijk was er echter voor de wederopneming nog geen vaste bepaling. De kerkeraden en classen stelden de manier bij elk voorkomend geval vast. Toch bleek het al spoedig, dat eenvormigheid noodig was. Daarom nam de synode van ’s-Gravenhage, 1586, in art. 71 het boven afgedrukte artikel over de wederopneming in de K.O. op, dat tot nu toe zoo gebleven is. Het artikel bepaalt de hoofdbeginselen, die bij de wederopneming ter sprake komen.

1. Op welke voorwaarde ze plaats heeft: Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen door boetvaardigheid, enz. Op twee voorwaarden dus. De eerste is dat de verzoening met en de wederopneming door de kerk door den geëxcommuniceerde zelf begeerd wordt. De begeerte tot verzoening moet van hem zelf uitgaan. De kerk begeert het ook wel en vermaant hem wel tot berouw, maar zelf moet hij ook de begeerte openbaren om weer opgenomen te worden. De tweede is, dat de oprechtheid van die begeerte moet blijken uit zijn „boetvaardigheid”. Het zou kunnen wezen, dat iemand met nevenbedoelingen terugkwam, bijv. om op den ouden dag de diaconale verzorging niet te missen. De kerkeraad moet er dus van overtuigd wezen, dat hij door oprecht berouw gedreven wordt. Niet de zonde op zich zelf, maar de onboetvaardigheid was grond voor zijn afsnijding. En die „onboetvaardigheid” kan alleen door „boetvaardigheid” opgeheven worden. Is de kerkeraad daarvan niet overtuigd, dan kan hij een proeftijd stellen om hem gelegenheid te geven, zijn boetvaardigheid met woord en daad te toonen.

2. Dat ze met medewerking der gemeente moet geschieden: zoo zal hetzelve vóór de handeling des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, te voren der gemeente aangezegd worden. De bedoeling is niet slechts een formeele mededeeling aan de gemeente te doen, maar om hare approbatie, d.i. hare stilzwijgende toestemming te verkrijgen, en, „zoo iemand iets weet voor te brengen ter contrarie”, deze bezwaren te onderzoeken en uit den

|340|

weg te ruimen. Deze „aanzegging” of mededeeling aan de gemeente is in het begin van het Formulier opgenomen en moet dus minstens drie Zondagen te voren worden voorgelezen.

Welke gemeente is hier bedoeld? De gemeente, waar hij geëxcommuniceerd is, of de gemeente waar hij na eventueele verhuizing nu woont? Antwoord: de gemeente, waar hij nu woont. Hij kan alleen lid worden van de gemeente, waar hij nu woont, omdat elke plaatselijke gemeente een zelfstandige kerk is en haar eigen grenzen heeft, en de kerkeraad daar ook alleen kan oordeelen over zijn levenswandel. Wel zal de kerkeraad te dezer plaatse naar den eisch van het kerkverband met den kerkeraad, die hem excommuniceerde correspondeeren; en wel kan hij in sommige gevallen van hem eischen, dat bij zich met zijn vorigen kerkeraad en gemeente verzoene; maar de formeele daad der wederopneming moet door den kerkeraad, waar hij nu woont geschieden. Deze heeft er over te beslissen. Kan de vorige kerkeraad er niet in toestemmen, dan kan hij appèl aanteekenen hij de classe, waaronder de kerk, die hem wil opnemen, ressorteert. Hangende het appèl moet de wederopneming wachten.

3. De manier, waarop zij moet geschieden: ten einde hij ten naastkomenden Avondmale (zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie) openbaarlijk, met professie zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het Formulier daarvan zijnde. De wederopneming wordt hier rechtstreeks met het Avondmaal in verband gebracht. Dit ligt in den aard der zaak. In het Avondmaal ligt de hoogste uiting der kerkelijke en geestelijke gemeenschap. De excommunicatie was in de eerste plaats ook een uitsluiting van het Avondmaal en voorts van heel de gemeente. „Gelijk het nu het meest indruk maakt, zoo men den Ban pleegt te leggen bij het Avondmaal, zoo zal het ook het meest plechtig zijn, indien de wederopneming plaats heeft in den dienst zelven, wanneer de Avondmaalsdisch staat aangericht. Terstond na zijn wederopneming kan de eerst afgesnedene dan met de Gemeente communiceeren” (Dr. A. Kuyper). Alleen wanneer er dringende redenen voor zijn, bijv. wanneer een doop, een huwelijk of een verhuizing er op zou moeten wachten, en het te lang zou duren, kan men ze ook op een gewonen rustdag laten geschieden.

De wederopneming zelf moet „openbaarlijk, met professie zijner bekeering, volgens het Formulier daarvan zijnde” geschieden. Dit Formulier valt in twee deelen uiteen:

|341|

I. Een vorm van bekendmaking, die minstens drie Zondagen te voren aan de gemeente voorgelezen moet worden en inhoudt a. dat de zondaar berouw heeft; b. dat de kerkeraad de approbatie der gemeente vraagt; en c. de opwekking tot dankbaarheid voor de aanvankelijke bekeering.

II. Het eigenlijke formulier, dat in tweeën uiteenvalt:

Een leerstellig deel, dat a. de mededeeling inhoudt, dat er geen wettige bezwaren zijn ingekomen en de wederopneming nu plaats heeft; en b. de gronden bevat, waarop de wederopneming rust, nl. op de sleutelmacht, Matth. 18: 18.

Een ritueel gedeelte, waarin a. de schuldbelijdenis van den afgesnedene; b. de handeling van de wederopneming; c. de vermaning aan den wederopgenomene en aan de gemeente; en d. het dankgebed worden ontwikkeld.

Jansen, Joh. (1976) Art. 79

 

Art. LXXIX. Wanneer Dienaars des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente in hunnen dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden. Of deze geheel van den dienst af te zetten zijn. zal aan het oordeel der Classe staan, met advies van de in Art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode.

 

Censuur over Kerkedienaren.

Nu volgen nog twee artikelen van censuur over de ambtsdragers. Als leden der gemeente zijn zij van zelf ook aan de gewone tuchtmiddelen, nl. aan de schorsing van het Avondmaal en aan de excommunicatie of den ban, onderworpen. Maar de gewone censuur heeft bij hen ook gevolgen voor hun ambt. Een dienaar des Woords, die wegens dronkenschap onder censuur werd gesteld, zou toch, zoolang de censuur duurde, niet mogen preeken en de sacramenten bedienen. Daarom kwamen er voor de ambtsdragers nog een tweetal speciale tuchtmiddelen bij, nl. de schorsing van en de ontzetting uit het ambt.

Dit wil echter niet zeggen, dat de gewone tuchtmiddelen bij

|342|

hen moeten voorafgaan aan de tucht over de ambtsdragers. Want dit zou tot groote onbillijkheid aanleiding kunnen geven. Een kerkeraad zou een of ander ambtsdrager kunnen censureeren om van hem af te komen. Voetius oordeelde daarom terecht, dat de tucht over de ambtsdragers bij hen moet voorafgaan aan de gewone tucht, zoodat een dienaar, die van zijn ambt geschorst is, maar berouw heeft en schuldbelijdenis doet, niet steeds van het Avondmaal behoeft afgehouden te worden, en een dienaar, die uit zijn ambt ontzet wordt, daarom nog niet behoeft afgesneden te worden van de gemeente. Art. 79 handelt nu over de noodzakelijkheid en de manier dezer tucht.

1. De noodzakelijkheid: Wanneer de Dienaars des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is, enz. De tucht over de ambtsdragers is niet minder noodzakelijk dan die over de gewone leden. Paulus beval reeds aan Timotheus: „Neem tegen eenen ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen. Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreeze mogen hebben” 1 Tim. 5: 19, 20. De kerken hebben deze bepaling dan ook reeds in de eerste redactie der K.O. van de synode te Embden, 1571, opgenomen. De ouderlingen en diakenen, die zich aan openbare, lasterlijke zonden hadden schuldig gemaakt, konden door den kerkeraad aanstonds uit hun ambt ontzet, maar de dienaar alleen geschorst worden, terwijl de classe moest oordeelen of er ontzetting moest plaats hebben. Niet omdat de synode oordeelde, dat de dienaren een hoogeren rang hebben, dus op Roomsche manier in de kerkelijke hiërarchie een hoogeren rang bekleeden, maar omdat zij zich geheel en voor altijd aan het ambt verbonden hebben en hun afzetting grooten gevolgen heeft. In 1581 werd er door de synode van Middelburg aan toegevoegd, dat bij de afzetting van ouderlingen en diakenen ook het oordeel van den kerkeraad „der naastgelegene Gemeente” moest gevraagd worden. En in 1905 heeft de synode van Utrecht er ingevoegd, dat de ouderlingen en diakenen ook in hun ambt geschorst kunnen worden en dat de afzetting der dienaren voortaan zal staan „aan de classe met advies van de in art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode” om meerderen waarborg te geven, dat de tucht over de ambtsdragers rechtvaardig geschiede.

De tucht is noodzakelijk, wanneer zij „eene openbare grove

|343|

zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is”. Dus wegens een „openbare grove zonde”, niet wegens een „heimelijke en kleine fout”. Reeds het convent te Wezel, 1568, oordeelde, dat de ambtsdragers niet lichtvaardiglijk aan lasteringen (mogen) blootstaan; en dat zij wegens heimelijke lichtere zonden wel vermaand, bestraft, en desnoods met woorden gekastijd, maar toch niet geschorst of afgezet mogen worden. Voorwerpen van de tucht worden zij dan eerst, wanneer zij ,,eene openbare grove zonde bedrijven”. Openbaar zijn de zonden, naar art. 75, wanneer zij van haar nature wege openbaar of door verachting der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn. Wanneer een dienaar een grove zonde in het geheim bedreven heeft; daarover naar Matth. 18: 15 vv, in het geheim vermaand wordt, maar geen berouw toont; en ook na de tweede vermaning geen gehoor geeft, dan moet het der gemeente (den kerkeraad) aangezegd worden, zoodat hij dan zelf de oorzaak is, dat zijn heimelijke zonde openbaar en hij deswege voorwerp van tucht wordt. Wanneer hij dan later over zulk een van nature wege openbare, of een openbaar geworden zonde oprecht berouw toont en schuldbelijdenis doet, kan hij wel van de gewone tucht ontheven worden (al kan ook dan nog een tijdlang censuur noodig zijn om de echtheid van zijn berouw te doen blijken), maar daaruit volgt niet, dat hij ongehinderd in het ambt kan blijven. De uitdrukking ,,openbare grove zonde” wordt nader omschreven in den bijvoegelijken bijzin: „die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is”. Openbare zonden, „die der kerk schandelijk zijn” d.w.z.. waarover zij zich schamen moet, zijn bijv. de buikzonden als brasserij en dronkenschap; en de vleeschelijke zonden van onkuischheid, ontucht, hoererij en overspel; en die „bij de Overheid strafwaardig zijn”, d.i. die volgens de wetten des lands gestraft moeten worden, zijn bijv. meineed, landverraad, diefstal enz. Doch daarover nader bij art. 80, waarin deze zonden nader omschreven worden.

2. De manier der tucht over de ambtsdragers: „zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads derzelver en der naastgelegen Gemeente in hunnen dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden. Of deze geheel van den dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel der Classe staan, met advies van de in Art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere

|344|

Synode”. De uitdrukking „terstond” wil niet zeggen „zonder voorafgaand onderzoek” of „op staanden voet”, maar „zonder vooraf de classe te raadplegen”. En de woorden „door voorgaand oordeel des kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente”, beteekenen niet, dat de eigen kerkeraad beslist na het advies van een naburigen kerkeraad gehoord te hebben, maar dat beider oordeel moet overeenstemmen. Beide kerkeraden houden een gecombineerde vergadering onder leiding van den dienaar der eigen of der naburige gemeente. In die vergadering wordt de zaak eerst onderzocht en besproken en ten slotte naar het eindoordeel der beide kerkeraden afzonderlijk gevraagd. Stemt beider oordeel overeen, dan wordt beider oordeel in één gemeenschappelijk besluit samengevat, waarmee dan de zaak beslist is. Is er echter tusschen beider eindoordeel ernstig verschil, dan poge men alsnog tot overeenstemming te komen, maar blijkt dit onmogelijk, dan moet de zaak voor de classe gebracht worden en die moet dan beslissen.

Er worden vier gevallen duidelijk onderscheiden:

1eDe schorsing van Ouderlingen en Diakenen. De eigen kerkeraad kan na nauwkeurig onderzoek wel een voorloopige schorsing uitspreken, maar moet dan zoo spoedig mogelijk een naburigen kerkeraad samenroepen om de voorloopige schorsing in een disciplinaire schorsing te doen overgaan. Gewoonlijk heeft ze voor drie of zes maanden plaats en moet er bij schriftelijke verklaring aan de gemeente kennis gegeven worden, tenzij dat zulk een kennisgeving gevaarlijk zou kunnen worden. In den regel zal er op de schorsing in het ambt ook schorsing van het gebruik des Avondmaals moeten plaats hebben. Maar dit is toch niet in elk geval noodzakelijk. Als een geschorst ambtsdrager aanstonds oprecht berouw heeft, kan het wezen dat hij wel aan het Avondmaal deel mag nemen. Dit moet echter in elk concreet geval door de gecombineerde vergadering beoordeeld worden.

2eDe afzetting van Ouderlingen en Diakenen. Het geval kan zich ook voordoen, dat de gecombineerde kerkeraad aanstonds tot afzetting over gaat. Er behoeft niet altijd schorsing aan de afzetting vooraf te gaan, want er staat, dat zij door voorgaand oordeel van de gecombineerde kerkeraden „in hunnen dienst geschorst of (niet: en) daarvan afgezet worden”. De schorsing is een tijdelijke opschorting van de bediening van het ambt. De afzetting is een ontzetting van het ambt zelf. Bij schorsing wordt de bediening van, bij afzetting het recht op het

|345|

ambt ontnomen. Met een korte schriftelijke verklaring wordt er aan de gemeente kennis van gegeven. Op zulk een afzetting volgt niet altijd de excommunicatie. In geval van boetvaardigbeid kan het wenschelijk zijn hem nog enkele malen van het Avondmaal af te houden, maar mag hij niet met den ban worden uitgesloten.

3eDe schorsing van Dienaren des Woords. Deze mag ook door de gecombineerde kerkeraden geschieden. Zij kan volgens Voetius op alle, maar bij minder ernstige feiten ook alleen op sommige werkzaamheden betrekking hebben, zoodat hij bijv. nog wel mag catechiseeren en kranken bezoeken, maar niet mag preeken. Van zulk een schorsing moet aan alle Classen in gesloten enveloppe kennis gegeven worden, om te voorkomen dat de geschorste in andere kerken zou kunnen optreden. Gewoonlijk heeft ze voor drie of zes maanden plaats. Na verloop van den termijn moet er geoordeeld worden of de schorsing opgeheven of alsnog verlengd moet worden, dan wel of afzetting noodig is. In dit laatste geval moet aan den scriba of correspondent der classe verzocht worden de deputaten der part. synode aan te schrijven en den geschorste dag en uur der classe mede te deelen.

4eDe afzetting van Dienaren des Woords: „Of deze geheel van den dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel der Classe staan, met advies van de in Art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode”. De ouderlingen en diakenen kunnen wel, maar de dienaren niet door twee gecombineerde kerkeraden afgezet worden. De afzetting staat aan de classe met advies van de Deputaten der Provincie. De classe beslist hier en de Deputaten der Provincie geven alleen advies. Maar bij ernstig verschil en na vergeefsche poging om alsnog tot overeenstemming te komen, moet een beroep op de particuliere synode gedaan worden. Aan het oordeel der classe moet men zich dan onderwerpen, of eventueel in appèl gaan bij de synoden. Voetius maakte nog onderscheid tusschen een afzetting wegens minder ergerlijke zonden (depositio minor) en meerder ergerlijke zonden (depositio major). In het eerste geval was er na oprechte boetvaardigheid en verzoening en een korter of langer proeftijd, weer herstelling mogelijk, maar dan in een andere kerk, waar zijn zonde niet zoo bekend werd. Maar bij meer ergerlijke zonden, die een dienaar burgerlijk oneerbaar of der doodstraf waardig maakte, als overspel, meineed, moord, staatsroof, landverraad enz., had de depositio major d.i. de volstrekte afzetting

|346|

van allen dienst en voor altijd plaats; dus een volkomen degradatie (ontnemen van het ambt met alle titels en waardigheden), terwijl in het afzettingsvonnis alsdan wordt uitgesproken, dat hij wegens voornoemde zonden voor altijd van zijn ambt is uitgesloten. Het afzettingsbesluit der classe moet van den kansel, of, zoo er meer kerkgebouwen zijn, van alle kansels aan de gemeente worden voorgelezen. Uit die afzetting volgt echter niet de excommunicatie. Heeft een afgezet dienaar berouw, dan moet er naar art. 75 K.O. verzoening geschieden, welke echter niet het herstel in het ambt insluit. Bij schorsing blijft het traktement doorloopen, zoolang de schorsing duurt, omdat zij niet het recht op en de voordeelen van het ambt ontneemt, maar alleen de bediening van het ambt een tijdlang opschort. Maar bij ontzetting uit het ambt vervalt ook de financieele verplichting inzake traktement en pensioenen, omdat zij het ambt met zijn inkomsten ontneemt. Bij wijze van barmhartigheid kan men hem een zekere toelage geven, totdat bij een anderen werkkring gevonden heeft, maar wettelijke verplichting is dat niet.

Jansen, Joh. (1976) Art. 80

 

Art. LXXX. Voorts onder de grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van den dienst gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: valsche leer of ketterij, openbare scheurmaking, openlijke blasphemie, simonie, trouwelooze verlating zijns dienstes of indringing in eens anderen dienst, meineedigheid, echtbreuk, hoererij, dieverij, geweld, gewoonlijke dronkenschap, vechterij, vuil gewin: kortelijk, alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.

 

Openbare grove zonden.

Nu volgt een opsomming van de voornaamste tuchtwaardige zonden bij de ambtsdragers. Niet als in een artikel van een strafwet, waarin alle strafbare feiten achter elkander worden opgesomd, maar alleen bij wijze van voorbeeld, om de voornaamste grove zonden op te noemen. Ter verduidelijking wijzen wij op de volgende punten.

1. Op den oorsprong van dit artikel. De omschrijving van

|347|

dit artikel is bijna woordelijk overgenomen uit de Wezelsche artikelen (VIII: 14) van 1568. Alleen noemden zij nog een paar zonden meer, nl. „openlijke verachting der kerkelijke orde; de misdaad van vervalsching; ongeoorloofde woeker (dat later in vuil gewin werd veranderd); dobbelspel en de overige onbetamelijke en door de wetten verboden spelen; het klaarblijkelijk jacht maken op heerschappij over de kerk en zijn ambtgenooten”. Met deze weglating is het artikel, zooals het boven is afgedrukt, voor het eerst door de synode van Middelburg, 1581, in de K.O. opgenomen en tot nu toe onveranderd zoo gebleven. Natuurlijk zijn hier niet alle tuchtwaardige zonden aangewezen, zoodat een dienaar, die een ergerlijke zonde bedreef, maar die hier niet genoemd wordt, daarom vrij zou uitgaan. Dit blijkt wel duidelijk uit het slot van het artikel: „kortelijk alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden”. Alleen zijn de voornaamste zonden opgenoemd om te voorkomen, dat de zonden der ambtsdragers al te zeer vergoelijkt zouden worden.

2. Op het karakter dezer grove zonden. Valsche leer of ketterij is, wanneer een ambtsdrager welbewust en met opzet in de fundamenteele leerstukken van de kerk afwijkt. Geen vitterij wegens een ongelukkig gekozen uitdrukking, geen afwijking in de ondergeschikte punten, waarover Schrift en belijdenis zich niet uitlaten, maar opzettelijke en bewuste afwijking van de belijdenis der kerken.

Openbare scheurmaking wil zeggen: dat men om ondergeschikte punten van eeredienst of kerkregeering scheuring in de kerken veroorzaakt. Ketters dwalen in de fundamenteele leerstukken, maar scheurmakers (schismatici) verbreken om ondergeschikte punten de gemeenschap der kerk.

Openlijke blasphemie of openbare Godslastering, is het lasteren van God zelf en Zijn deugden. Zoolang de Godslastering nog in het hart verborgen is, heeft de tucht er geen vat op, maar geschiedt zij in ’t openbaar, dan moet de tucht aanstonds met schorsing en, zoo hij niet met diep berouw terugkeert, met afzetting ingrijpen.

Simonie is, gelijk uit het voorbeeld van Simon den toovenaar blijkt, Hand. 8: 18-25, het aanbieden van geld om geestelijke gaven te verkrijgen en omgekeerd ook het aannemen van geld om daarvoor geestelijke gaven weg te geven, dus beide, niet

|348|

alleen het koopen maar ook het verkoopen van het geestelijke voor geld.

Trouwelooze verlating zijns dienstes, of het indringen in eens anderen dienst, is dezelfde zonde van beide kanten bezien nl. trouweloos en eigenmachtig, zonder overleg met kerkeraad en classe, den band met zijn kerk verbreken; en omgekeerd, zonder wettelijke roeping zich in een andere gemeente indringen.

Meineed is valsche eed (het eerste lid mein is een bijv. naamwoord en beteekent: valsch); een meineedige is iemand, die voor God als waarheid verzekert, wat men weet valsch te zijn; echtbreuk is verbreking van het huwelijk, waarbij dan de aanleidende oorzaak van den ambtsdrager uitgaat; hoererij is ontucht met iemand buiten het huwelijk: dieverij is in het geheim iemand bestelen, waarbij bijzonder aan het bestelen der armenkas door een diaken gedacht wordt; geweld is, als iemand zijn tegenpartij slagen toedient; gewoonlijke dronkenschap als een ambtsdrager zich niet maar eens een enkelen keer bedrinkt, maar aan den drank verslaafd is; vechterij, als een ambtsdrager zich in een vechtpartij wikkelt; en vuil gewin, als een ambtsdrager op oneerlijke wijze zijn inkomen zoekt te vermeerderen. Van al dergelijke zonden moet een ambtsdrager vrij zijn, zooals Paulus zegt „Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil gewin zoeker, maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig”. En verder „alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken”, d.w.z. die hem zijn goeden naam, zijn eere en zijn achting bij de wereld doen verliezen, „en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden”.

3. Op de vraag of herstelling in het ambt mogelijk is. Bij wijze van aanhangsel voegen wij deze vraag hier aan toe, omdat de K.O. er over zwijgt. In de oude redactie was er wel een artikel over de herstelling van geschorste en afgezette ambtsdragers, nl. in die van de synode te Embden, 1571, art. 34: „Maer of die Dienaren des Woorts, ende die Ouderlinghen, ende Diaconen afgheset zijnde, nae dat sy de Kercke doorhare boete voldaen hebben, wederom tot den dienst behooren toeghelaeten te werden, waert datse wederom vercoren wierden: Soo veel d’ Ouderlingen ende Diaconen aengaet, sal het in der Consistorie discretie ofte oordeel staen: maer soo veel als de Dienaren des Woorts belangt, sal die Classicale vergaderinghe oordeelen”. Dit artikel werd door de beide volgende synoden, nl. die van Dordrecht, 1578, (art. 101) en die van Middelburg,

|349|

1581, particuliere vraag 41, overgenomen, maar door de synode van ’s-Gravenhage, 1586, weggelaten. De reden daarvan is niet duidelijk. Misschien heeft zij het vergeten het artikel uit de particuliere vragen weer in de K.O. op te nemen. In elk geval hebben de kerken later op hare classen en synoden in denzelfden zin geantwoord. Bij een eventueele herziening mag het er wel weer in opgenomen worden. Na oprechte boetvaardigheid over de bedreven zonde, belijdenis van schuld en verzoening met de kerk, werd in het algemeen herstelling in het ambt mogelijk geacht.

Inzake de vraag: door wie en op welke wijze moet ze geschieden, zijn vier gevallen wel te onderscheiden: 1e De opheffing der schorsing van ouderlingen en diakenen moet door de gecombineerde kerkeraden geschieden, omdat de schorsing zelve ook door beide kerkeraden plaats heeft, zie art. 79. 2e De herstelling in het ambt van afgezette ouderlingen en diakenen kan alleen plaats hebben als zij naar de artt. 22 en 24 K.O. weer opnieuw gekozen worden en daarvoor is de hulp van den naburigen kerkeraad niet noodig, omdat de eigen kerkeraad in dit geval niet meer onvolledig is. 3e De opheffing van de schorsing van dienaren des Woords moet naar art. 79 K.O. geschieden door den gecombineerden kerkeraad. Hij die de schorsing oplegt heeft alleen het recht, haar ook weer op te heffen. Bij verschil tusschen de beide kerkeraden moet ten slotte de classe beslissen. 4e De herstelling in het ambt van afgezette dienaren staat echter „aan het oordeel der Classe met advies van de in art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode”. De afgezette dienaar richt zich met het verzoek om beroepbaarverklaring tot de classe, waar hij woont. In geval deze een andere is dan die hem heeft afgezet, treedt zij met de classe, die hem afzette en met den kerkeraad, waar hij nu woont in overleg. Valt dit goed uit, dan kan hij opnieuw beroepbaar verklaard worden, ’t zij dan zonder of na vernieuwd onderzoek, wat in elk geval bij onzuiverheid in de leer noodig is. Bij verschil van gevoelen is er beroep op de synoden mogelijk.

Toch waren de kerken bij de herstelling van afgezette dienaren zeer voorzichtig. Bij minder ergerlijke zonden had ze, mits na oprecht berouw, openlijke verzoening en een zekeren proeftijd, wel telkens plaats. Maar bij grove en meer ergerlijke zonden, als overspel, meineed, moord, landverraad enz., die den bedrijver burgerlijk oneerbaar maakten, weigerden zij het veelal. Trouwens

|350|

voorzichtigheid is vooral bij onzedelijkheid, drankzucht, enz., die de wilskracht verslappen, het gevoel van eerbaarheid afstompen, en zoo licht weer terugkeeren, zeer aan te bevelen.

Ook de beroepbaarverklaring van een proponent kan op advies van, en in elk geval in overleg met de classe, die hem beroepbaar verklaarde, door de classe, waar hij woont ontnomen en weer teruggegeven worden. Evenzoo zijn ook emeriti-dienaren aan de schorsing en afzetting onderworpen; aan de schorsing alleen voorzoover zij nog eenigen arbeid verrichten (krankenbezoeken, catechiseeren, uit-preeken-gaan); en aan de afzetting, waardoor zij dan het ambt zelf met zijn waardigheid en voorrechten, nl. de verzorging, verliezen, al zal een classe niet licht een behoeftigen dienaar aan zijn lot overlaten.

Jansen, Joh. (1976) Art. 81

 

Art. LXXXI. De Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen zullen onder elkander de Christelijke censuur oefenen, en malkander van de bediening huns ambts vriendelijk vermanen.

 

Christelijke censuur.

Dit artikel moet wel onderscheiden worden van art. 43, waar het gaat over de censuur, die aan het einde der classicale en synodale vergaderingen geoefend wordt over degenen, die zich onbehoorlijk gedragen. Hier gaat het over de z.g.n. censura morum, d.i. het onderzoek naar de zeden, of „de Christelijke censuur” op den kerkeraad. Ter toelichting beantwoorden wij de volgende vragen:

1. Hoe ze in gebruik kwam. In navolging van Calvijn en a Lasco werd ze door het convent te Wezel, 1568, VIII: 13. aanvankelijk eerst op de classe ingevoerd. Er waren toen overal nog geen kerkeraden. Maar in 1578, toen er op de meeste plaatsen reeds kerkeraden waren, heeft de synode van Dordrecht in art. 66 bepaald, dat ze voor het Avondmaal in elken kerkeraad moest plaats hebben en „soo wel ouer de leere als ouer den wandel” zou gaan, met de vermaning er bij: „ende sullen de christelicke vermaninghen in der liefde opnemen”, om te voorkomen, dat men ze niet verkeerd opvatte. De volgende synode, te Middelburg, 1581, nam dit artikel met weglating van die

|351|

slotvermaning onveranderd over, art. 66. Maar de synode van ’s-Gravenhage, 1586, wijzigde het geheel. Zij liet de bepaling, dat ze voor het Avondmaal en ook dat ze over leer en leven zou gaan, geheel weg en stelde er de redactie voor in de plaats, die nu nog steeds geldt, nl. dat de ambtsdragers „onder hen de Christelijcke Censure oeffenen, ende malcanderen vande bedieninghe hares Ampts vriendelijck vermanen”, art. 74.

2. Wanneer moet ze plaats hebben. In de oude redactie stond: „voor het houden des Avondmaals”. Kerken, die in plaats van vier maal zes maal Avondmaal hielden, hadden dus ook zes maal censuur. Waarschijnlijk heeft de synode van ’s-Gravenhage, 1586, ze daarom veranderd en de kerkeraden geheel vrijgelaten. Vier maal ’s jaars is algemeene regel en ook voldoende. In een dringend geval kan men op elke vergadering een zonde ter sprake brengen.

3. Waarover de censuur gaan moet. Vroeger stond er „soo van der leere als van het leven”. De synode van 's-Gravenhage, 1586, stelde er voor in de plaats: „malkander van de bediening huns ambts vriendelijk vermanen”. Niet om nu voortaan het onderzoek naar leer en leven uit te sluiten, want alle censuur zoowel over leden als ambtsdragers gaat steeds over leer en leven. Maar omdat er bij deze censuur nog een punt bij komt, nl. de trouw in de ambtsbediening. Daarop moet bijzonder nadruk vallen. Dit is iets speciaal Gereformeerds. Bij Rome geschiedt het toezicht op hiërarchische wijze, van den aartsbisschop op den bisschop, van den bisschop op den pastoor en van den pastoor op den kapelaan. Bij de Gereformeerden is het een onderling toezicht om er op te letten, dat niemand zijn ambtelijke roeping verwaarloost.

4. Op welke manier ze moet geschieden. Deze werd steeds aan den kerkeraad overgelaten. Vandaar dat het artikel er niets van bepaalde. Vroeger was het wel gewoonte, dat de ambtsdragers beurtelings buiten stonden. Had iemand een gegronde klacht, dan werd bij binnengeroepen en de zaak met hem besproken. Deze manier is zeer aan te bevelen. Een tweede manier is, dat ze in tegenwoordigheid der personen plaats heeft, maar dan zoo dat elke naam afzonderlijk genoemd wordt en dan bij rondvraag aan ieder lid wordt gevraagd of hij ook op leer, leven of ambtsbediening van genoemd persoon iets heeft op te merken. Hoofdbezwaar tegen beide manieren is, dat ze zeer tijdroovend, en vooral voor groote kerkeraden zoo goed

|352|

als onmogelijk zijn. Daarom geschiedt ze dan wel meer in het algemeen: is er iemand, die een aanmerking heeft te maken op de ambtsbediening van een zijner ambtsbroeders, en dan ieder persoonlijk even rondvraagt; of dat men dienaren, ouderlingen en diakenen als groep afzonderlijk neemt en vraagt: heeft iemand op een der dienaren ook een aanmerking en dan alle broeders even persoonlijk rondvraagt; en zoo ook de ouderlingen en diakenen.

5. Wat de bedoeling moet wezen. Antwoord: Om „malkander van de bediening des ambts vriendelijk (te) vermanen”. Niet om elkander onaangenaam te zijn, wegens allerlei kleinigheden te bevitten, of wegens vermeende grieven aan te vallen. Maar om elkander op te scherpen en aan te sporen tot meerder ijver in de uitoefening van het ambt, tot welzijn der kerk en tot eere Gods. Ieder ambtsdrager bedenke op zijn beurt, dat hij dan alleen het recht heeft om in liefde over een mede-ambtsdrager te klagen, indien hij wederkeerig rechtmatige klachten van zijn mede-ambtsdragers in liefde aanvaardt. Alleen zulk een heilige bedoeling zal deze censuur tot zegen doen zijn.

Jansen, Joh. (1976) Art. 82

 

Art. LXXXII. Dengenen, die uit de gemeente vertrekken, zal eene attestatie of getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel door den Kerkeraad medegegeven worden, door twee onderteekend, of bij attestatiën, die onder het zegel der Kerk gegeven worden, met ééne onderteekening.

 

De Attestatiën.

In art. 61 is er ook van attestaties sprake. Maar van uit het standpunt der gemeente, die iemand-van-buiten-af ontvangt. Zulke leden, die uit andere kerken komen, mogen zonder getuigenis eens vromen wandels niet tot het Avondmaal toegelaten worden. In art. 82 wordt er nu nog nader over gehandeld, maar van uit het standpunt der gemeente, waaruit iemand naar elders vertrekt; aan zulke vertrekkende leden moet een attestatie meegegeven worden. Ter verklaring antwoorden wij op de volgende vragen:

1. Aan wie ze afgegeven moet worden. Het artikel luidt:

|353|

Dengenen, die uit de gemeente vertrekken, zal eene attestatie ... medegegeven worden. Bedoeld zijn zij, die door den doop alleen of ook door belijdenis en verbintenis leden der kerk zijn. De inhoud der attestaties is bij doop- en belijdende leden naar den aard van beider lidmaatschap onderscheiden. Inzake de z.g.n. „doopleden” besloot de synode van Leeuwarden, 1920, art. 120, „dat aan de betrokken Kerkeraden, waarheen doopleden verhuizen, bericht van deze verhuizing geschiede en te verzoeken, dat men toezicht houde op deze bedoelde onmondige leden.”

De attestaties moeten aan de leden zelf worden medegegeven. Want de aansluiting bij een andere kerk is altijd een vrijwillige daad. Verzuimt iemand zijn attestatie op te vragen, dan moet de kerkeraad hem op dat verzuim attent maken; weigert hij ze op te vragen, dan mag de kerkeraad ze hem niet opdringen en ze ook niet zonder zijn verzoek overzenden aan den anderen kerkeraad. Door zijn vertrek houdt hij ipso facto op lid der plaatselijke kerk te zijn, ook al vraagt hij zijn attestatie niet op. Vraagt hij ze wel op, maar verzuimt hij ze in te leveren, dan blijft hij daardoor van zijn lidmaatschap verstoken. De kerkeraad kan hem op de gevolgen daarvan wijzen, maar hem niet dwingen ze in te leveren. De aansluiting aan de kerk waar hij gaat wonen, is ook een vrijwillige daad. (Heraut no. 1999). Zijn doop en belijdenis worden daarmede niet teniet gedaan, maar wel verliest hij er de rechten door, die aan zijn doop en belijdenis verbonden zijn.

2. Door wien ze geschreven moet worden. In de redactie van 1578 stond, dat ze „met ghemeynen aduyse inden Kerckenraet alsoo gheschreuen worden”; die van 1581: „by aduyse des Kerckenraedts”; en sinds 1905: „door den Kerkeraad”. Dus niet door den predikant alleen. Daarom moeten de attesten vroegtijdig worden aangevraagd, opdat, ook al moet in kleinere gemeenten de predikant de attestaties schrijven of invullen, er tijd genoeg zij, dat de kerkeraad ze leze en goedkeure. Bovendien moet ook de naam voor de gemeente afgekondigd worden, al staat het niet in het artikel, om te vernemen of er ook bezwaren zijn bij de gemeente; en zoo niet, om met stilzwijgende bewilliging der gemeente de attestaties af te geven; ook daarvoor is een zekere tijd na de afkondiging noodig. Heeft de kerkeraad bezwaar of komen er bezwaren van de gemeente in, dan moeten die eerst behandeld worden; en zoo ze niet uit den weg

|354|

geruimd worden of ook bij ernstige tuchtgevallen, moet er rapport van gedaan worden aan den anderen kerkeraad. Het attest kan dan uit den aard der zaak niet gunstig luiden.

3. Wat er op de attestatie moet voorkomen. In de redactie van 1578 stond een soort kort formulier: „Datse in der Kercke Godes Christelick sonder opsprake ende erghernisse gbewandelt hebben.” De synode van Middelburg, 1581, sprak alleen van eene „attestatie of ghetuigenisse hares wandels.” In beide bepalingen was er dus alleen sprake van den wandel. Niet om de leer of belijdenis uit te sluiten, want „wandel” bedoelde zooveel als gedrag in leer en leven beide. Daarom heeft dan ook de synode van Utrecht, 1905, om alle misverstand af te snijden, de redactie aldus gewijzigd: „aangaande hun belijdenis en wandel.” In een volledige attestatie moest dus staan, dat „aangaande hun belijdenis en wandel” geen ergernis of opspraak gegeven was. Deze omschrijving is zeer algemeen en kan van alle onbesproken gemeenteleden gegeven worden. Het getuigenis moet echter waar zijn. Vertrekt iemand, die onder censuur staat, of op wien de censuur wel geen vat heeft, maar van wien men toch geen „schoon attest” kan geven, dan moet er óf een aanteekening op óf een begeleidende brief bij het attest geschreven worden, overeenkomstig de waarheid. Zoowel een gunstige als een ongunstige attestatie moet naar waarheid zijn.

4. Hoe ze gewaarmerkt moet zijn. In de redactie van 1586 stond, dat zij moest afgegeven worden „onder den zegel der Kercken, ofte daer geen zegel en is, van tween onderteeckent.” De tweede naamval „der Kercken" is geen meervoud, maar enkelvoud: der kerk. Het zegel was in de 15e-17e eeuw het officieele en eenige waarmerk. Niet omdat de menschen niet schrijven konden. Maar omdat een zegel veel echter en officieeler was dan een handteekening. Het werd in lak of was afgedrukt en zóó aangehecht, dat het niet afgescheurd kon worden of het stuk was geschonden. Later kwam de onderteekening naast en in de plaats van het zegel. Dit liet de oude redactie vrij. Waar geen zegel was, moest ze van twee onderteekend worden. Tegenwoordig gebruiken groote kerken wel een stempelafdruk met inkt. Maar dan moet er één onderteekening bij geschieden. Met het oog daarop wijzigde de synode van Utrecht, 1905, de redactie aldus: „door twee onderteekend, of bij attestatiën, die onder het zegel der Kerk gegeven worden, met één onderteekening.” De onderteekening moet door

|355|

den praeses en scriba of door den scriba alleen geschieden.

5. Enkele belangrijke vragen: Moet er ook bij vertrek naar een plaats, waar geen Gereformeerde kerk bestaat, een attestatie afgegeven worden? Ja. Men dient dan zijn attestatie in bij de genabuurde kerk onder wier ressort deze plaats ligt; of indien ze niet ondergebracht is bij een naburige kerk, vrage men aan de classe of deze alsnog een kerk wil aanwijzen. Men deelt dan na indiening van zijn attest in de volle rechten van het lidmaatschap. Vertrekt een lid der kerk naar een ander land, waar in den ganschen omtrek geen Gereformeerde kerk bestaat, dan verzoekt bij bij de meest-na-verwante kerk tijdelijk aansluiting.

Mag een kerkeraad een attestatie afgeven aan iemand, die naar een Herv. kerk, een Christelijk Gereformeerde kerk, of een Gereformeerde gemeente wil overgaan? Neen; attestaties gelden alleen tusschen kerken, die met elkander in kerkverband staan; en bovendien zou het afgeven van een attestatie in zulk een geval een zekere goedkeuring en wettiging van haar standpunt inhouden. Heeft iemand, die naar een andere kerk wil overgaan, een bewijs noodig, dat hij gedoopt is, dan kan bij een extract uit het doopregister vragen en kan de kerkeraad hem dit geven. Maar een attestatie kan hem niet gegeven worden.

Jansen, Joh. (1976) Art. 83

 

Art. LXXXIII. Voorts zal den armen, om genoegzame oorzaken vertrekkende, door de Diakenen reisgeld gegeven worden, naar hetgeen zij oordeelen behoorlijk te zijn. De Kerkeraad en de Diakenen zullen echter toezien, dat zij niet te zeer genegen zijn om hunne Kerken van de armen te ontlasten, met welke zij andere Kerken zonder eenigen nood zouden bezwaren.

 

Vertrekkende armen.

Deze bepaling werd uit den nood geboren en moet van de voorgaande wel onderscheiden worden. In art. 82 gaat het over attestaties aan vertrekkende leden in het algemeen. In art. 83 gaat het in verband daarmee over hulp aan vertrekkende armen. Ter verklaring antwoorden wij op de volgende vragen:

1. Hoe de bepaling ontstaan is. Ze is al aanstonds, in den tijd der vervolging, ontstaan. Arme vluchtelingen, die met

|356|

achterlating van alles om des geloofswille verdreven werden, moesten op hun doortocht wel om ondersteuning vragen. Maar landloopers en zwervers maakten van die barmhartigheid op grove wijze misbruik. Zij deden zich voor als arme vervolgden en wisten onder vromen schijn de harten in te nemen. Om nu dat misbruik tegen te gaan, besloot de synode van Embden, 1571, „datse attestatie ofte ghetuygenisse” moesten meebrengen, hoe zij zich te voren gedragen hadden. Onnoodig vertrek moest worden tegengegaan. Waren er geen genoegzame redenen voor vertrek, dan moest attestatie worden geweigerd. En vooral mocht het er niet om te doen zijn, de armen tot vertrek aan te sporen en andere gemeenten met hen te bezwaren. Daarom moesten hun namen en toenamen, de plaats en datum van vertrek enz., op de attestatie aangeteekend worden, en moesten zij bovendien van de eene plaats tot de andere met reisgeld voortgeholpen worden, enz. artt. 43-46. Nadat de vrijheid kwam in 1572, en de vervolging langzamerhand ophield, bleef echter de bepaling in verkorten vorm voor de gewone armen in de K.O. staan. De synode van Dordrecht, 1578, bepaalde in art. 25, dat op de attestatie der armen met discretie zou aangeteekend worden, hoeveel reisgeld de diakenen hen meegegeven hadden, en wanneer en vanwaar zij vertrokken waren. En ook de volgende synoden, nl. te Middelburg, 1581, art. 67, te ’s-Gravenhage, 1586, art. 76, en te Dordrecht, 1618-’19, art. 63, namen deze verkorte bepaling over.

2. Welke verplichting de kerken hebben jegens de armen, die om genoegzame oorzaken vertrekken. In de redactie van 1571 stond, dat de diakenen aan de vertrekkende armen reisgeld moesten meegeven, en dat de kerken ter plaatse, waar de arme passanten doortrokken, hen met reisgeld moesten voorthelpen. Elke kerkeraad (of diaconie) moest het bedrag en de datum van vertrek op de attestatie aanteekenen; en als zij op de bestemde plaats aankwamen, werd de attestatie, nadat zij ingebracht was, verscheurd, omdat zij haar dienst gedaan had. Later bepaalde de K.O. dat hen „van den dyakenen bystandt sal ghedaen worden nae discretie” en dat het bedrag, benevens de plaats, waar zij heen reisden, op den rug der attestatie aangeteekend moest worden. Zie redactie van 1578, art. 25; van 1581, art. 67; van 1586, art. 76; en van 1618-’19, art. 83. De synode van Utrecht, 1905, bepaalde echter, dat „door de Diakenen reisgeld zal gegeven worden naar hetgeen zij oordeelen

|357|

behoorlijk te zijn” (in plaats van „nae discretie”). Diakenen moeten dus aan vertrekkende armen zooveel reisgeld geven, dat zij op de plaats van bestemming kunnen komen. Het bedrag moeten ze in elk voorkomend geval afzonderlijk bepalen.

3. Wie deze armen verzorgen moet. In geval er „genoegzame oorzaken” voor hun vertrek zijn, komt de zorg voor rekening van de kerk, waar zij heentrekken. „Genoegzame oorzaken” zijn toch, wanneer ze op een andere plaats meer kunnen verdienen, in betere conditie komen, door familieleden verzorgd worden enz. De bepaling zou overbodig wezen, als de zorg dan bleef rusten op de kerk, vanwaar zij vertrekken. Dan was het voldoende, dat naar het vorige artikel een gewone attestatie medegegeven werd. Juist om duidelijk te doen uitkomen, dat de zorg in geval er gegronde redenen voor vertrek aanwezig zijn, komt voor rekening van de kerk, waar zij heentrekken, is deze bepaling gemaakt. Het spreekt ook van zelf. Door het indienen der attestatie bij en het aanvaarden der attestatie door de kerk van aankomst, worden zij lid van haar. En wijl elke kerk haar eigen armen verzorgen moet, komt de zorg voor de armen, die van buiten komen, ook voor haar rekening. Anders zou de kerk, vanwaar zij vertrekken, met de lasten blijven zitten, en de kerk, waar zij aankomen, alleen de voordeelen ontvangen. De regel is dus, dat de zorg voor de armen, die om genoegzame oorzaken vertrekken, komt voor rekening van de kerk van aankomst. Uitzonderingen op dezen regel zijn, wanneer het vertrek wel om genoegzame redenen plaats heeft en toch de zorg blijft voor de kerk van vertrek, bijv. wanneer de diaconie een arme of wees in een stichting of particuliere woning laat verplegen of opvoeden; of wanneer een arme, die ondersteund wordt, op een andere plaats bij zijn kinderen of familie of bij particulieren beter en goedkooper verzorgd kan worden en daarom vertrekt; of wanneer de woningnood oorzaak is, dat de diaconie voor een arme binnen het ressort van een andere gemeente een woning huurt. Het beste is, dat de ondersteuning alsdan toch door de hand der diakenen van de plaats, waar zij komen te wonen, wordt uitgekeerd, omdat daar ook het geestelijke toezicht berust. Eén- of tweemaal ’s jaars kan er dan een financieele afrekening plaats hebben.

In geval er echter geen „genoegzame oorzaken” voor het vertrek aanwezig zijn, bijv. wanneer zij zonder eenig vooruitzicht op een betere levenspositie, of om in een andere gemeente

|358|

meer ondersteuning te verkrijgen, vertrekken, komt de zorg niet voor rekening der andere gemeente. Het mag er dan ook vooral niet om te doen zijn, zelf van de armen af te komen en andere gemeenten met hen te bezwaren. De synode van Utrecht, 1905, voegde daarom aan de oude redactie toe: „De Kerkeraad en de Diakenen zullen echter toezien, dat zij niet te zeer genegen zijn, om hunne Kerken van de armen te ontlasten, met welke zij andere Kerken zonder eenigen nood bezwaren.” Diakenen moeten in zulk een geval eerder de ondersteuning verhoogen en het vertrek trachten te verhinderen; of, in geval de armen des niettegenstaande toch gaan vertrekken, daarvan aan den anderen kerkeraad mededeeling doen en het vertrek voor hun eigen rekening laten. Het gebeurt dat armen ondanks alle vermaan, het weinige dat zij hebben, verkoopen om reisgeld te verkrijgen en dan naar een of andere stad verhuizen, waar zij aanstonds aan alles gebrek hebben. De diaconie van vertrek treft hier geen schuld, zoodat de andere diaconie ten slotte wel moet ondersteunen.

Voor een reeks van moeilijke gevallen kan men dan nog mandeelig zorgen. Dit zijn dan de z.g,n. „mandeelige huishoudingen.”

Jansen, Joh. (1976) Art. 84

 

Art. LXXXIV. Geene Kerk zal over andere Kerken, geen Dienaar over andere Dienaren, geen Ouderling of Diaken over andere Ouderlingen of Diakenen eenige heerschappij voeren.

 

Geen heerschappij.

Art. 17 heeft reeds positief bepaald, dat er „onder de Dienaren des Woords gelijkheid zal gehouden worden, aangaande de lasten huns dienstes, mitsgaders ook in andere dingen, zooveel mogelijk is”. Art. 84 voegt er de negatieve bepaling aan toe, dat de eene kerk over de andere, en evenmin de eene ambtsdrager over den anderen, geen heerschappij mag voeren. Ter verklaring wijzen wij op het ontstaan en de bedoeling van deze bepaling.

1. Het ontstaan van deze bepaling. Deze bepaling bevat een der grondbeginselen voor de Gereformeerde kerkinrichting.

|359|

Ze is dan ook aanstonds bij de instelling van het kerkverband gemaakt. Reeds te Wezel, 1568, spraken de woordvoerders uit, dat de ambtsdragers geen heerschappij mochten voeren over elkaar en dat de classe niet als een soort hooger bestuur over de kerken mocht heerschen, Artikelen IV: 7, 9; V: 19; VIII: 14, 20. De eerste synode, te Embden, 1571, bepaalde dan ook als eerste artikel in hare Acta: „Gheen Kercke sal over een ander Kercke, gheen Dienaer des Woorts, gheen Ouderlinck, noch Diaken aal d’een over d’ander heerschappie voeren, maar een yeghelijck sal hen voor alle auspicien, ende aenlockinge om te heerschappen wachten”. Zij sprak dit aanstonds uit om het karakter eener Gereformeerde synode aan te geven. De Hollandsche kerken hadden tegen het samenkomen eener synode nog al wat bezwaren geopperd. Ze kon de vrijheid der plaatselijke kerken eens te na komen. Daarom sprak ze aanstonds in art. 1 uit, dat het niet om heerschappij en hiërarchie te doen was, maar om onderling verband te oefenen. De volgende synode te Dordrecht, 1578, nam het over, maar plaatste het aan het einde als laatste artikel (102). De synode te Middelburg, 1581, plaatste het op een na achteraan (art. 68), wijzigde de redactie en bepaalde bijna woordelijk zooals het nu nog luidt. Zoo bleef het gelden tot nu toe.

2. De bedoeling van deze bepaling. De bedoeling is, volgens J. Trigland (Kerckelijcke Geschiedenissen, blz. 162), te bepalen, dat de eene kerk niet over de andere en de eene ambtsdrager niet over de anderen heerschen mag; dus dat alle kerken en alle ambtsdragers gelijk zijn. G. Brandt voegt er in zijn: „Historie der Reformatie” I blz. 524 aan toe, dat ze niet alleen tegen de bisschoppelijke hiërarchie der Roomsche kerk, maar ook tegen het superintendentschap van de Gereformeerden in Duitschland en Engeland zich keerde.

De Gereformeerde kerken spraken uit, dat iedere plaatselijke kerk een zelfstandige openbaring van het lichaam van Christus is. In elke plaatselijke kerk is het wezen van een zelfstandige, geïnstitueerde kerk aanwezig. Daarom zijn alle plaatselijke kerken in wezen gelijk en mag de eene niet over de andere heerschen. En wat van de kerken geldt, geldt ook van de ambtsdragers; de eene dienaar heeft geen heerschappij over den anderen dienaar; de eene ouderling niet over den anderen ouderling; en de eene diaken niet over den anderen diaken. Zij staan onderling gecoördineerd naast elkander, maar zijn gelijkelijk gesubordineerd onder Christus.

|360|

De bedoeling is voorts, met nadruk uit te spreken, dat het Gereformeerde kerkverband de zelfstandigheid der plaatselijke kerken niet opheft. De plaatselijke kerken hebben zich vrijwillig tot het kerkverband, in Classen en synoden werkend, verbonden. En wel, om elkander bij te staan en samen te besluiten in deze twee dingen: 1e in zaken, die de plaatselijke kerk zelf niet af kan; en 2e in alle zaken, die alle plaatselijke kerken aangaan. Elke plaatselijke kerk, die tot het kerkverband toetreedt, laat het zeggenschap in beide genoemde punten aan de gezamenlijke kerken in Classen en synoden over. In zoover hebben de plaatselijke kerken afstand gedaan van haar vrijheid. Zij hebben vooraf zich vrijwillig verbonden, aan de beslissing der meerdere vergaderingen zich te zullen onderwerpen, tenzij deze in strijd is met een uitgedrukt Woord van God. Maar behoudens deze vrijwillige beperking heft het kerkverband nimmer de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerken op.

Maar is het ambt der dienaren niet hooger dan dat der ouderlingen en der diakenen? Als een diaken tot ouderling en een ouderling tot predikant wordt gekozen, klimt hij dan niet op tot een hooger ambt? Neen! Er is wel verschil in werkzaamheid, belang en invloed, doch niet in hiërarchischen zin. Elk ambt heeft zijn eigen werkkring en werkzaamheid. De taak van den dienaar is de bediening des Woords; die van den ouderling de regeering der kerk, en die van den diaken de verzorging der armen. Maar de dienaar is in hiërarchischen zin geen bisschop over de ouderlingen; en de ouderling niet over de diakenen. De ambten worden wel onderscheiden, maar dan slechts in geestelijken, niet in hiërarchischen zin.

Jansen, Joh. (1976) Art. 85

 

Art. LXXXV. In middelmatige dingen zal men de buitenlandsche Kerken niet verwerpen, die een ander gebruik hebben dan wij.

 

Buitenlandsche kerken.

Ter toelichting wijzen wij op de volgende punten:

1. Dat deze bepaling oorspronkelijk bij de artikelen over Doop en Avondmaal stond. De bedoeling was, dat dingen, die Gods Woord uitdrukkelijk voorschrijft, of berusten op het

|361|

uitdrukkelijk voorbeeld der apostelen, of met noodzakelijke redenen uit de Schrift worden afgeleid, bij de kerken vast moesten staan, maar dat men in middelmatige dingen (quae sint adiaphorae d.i. die onverschillig, middelmatig zijn), die niet op de leer en het voorbeeld der apostelen steunden, noch bij rechtmatige deductie uit de Schrift volgden, elkander vrij zou laten. Bijv. één of driemaal besprengen, en getuigen bij den doop, en voorts of men bij het Avondmaal staan of zitten of rondgaan zou, uit de Schrift zou lezen of Psalmen zingen, werd vrijgelaten, Artikelen van Wezel 1568, 1: 9-11; VIII: 22; Acta van Embden, 1571, art. 21; van Dordrecht, 1578, artt. 69, 72; en van Middelburg, 1581, art. 45; waar het artikel geredigeerd is zooals het nu nog luidt. De synode van ’s-Gravenhage, 1586, nam het letterlijk over, maar verplaatste het als art. 78 op één na achter aan. Blijkbaar om te doen uitkomen, dat dit artikel niet alleen op het Avondmaal, maar ook op de kerkelijke diensten en kerkelijke vergaderingen kan worden toegepast. In den tijd der hervorming kwam het verschil in ritus en ceremoniën voornamelijk bij het Avondmaal uit. Het kwam daarbij dus het eerst aan de orde. Maar het heeft een ruimere strekking en is daarom als algemeen beginsel aan het slot geplaatst.

2. Wat zijn in kerkelijken zin middelmatige dingen? Het artikel bepaalt geheel in het algemeen: „In middelmatige dingen” enz., maar bedoelt niet alle philosophische, theologische en ethische, doch alleen kerkelijke middelmatige dingen. Dit blijkt uit den oorspronkelijken tekst. Daarin is sprake van „ritus” (quae alits ritibus quam nostris utuntur = die andere gebruiken hebben dan wij). Het ziet dus niet op de belijdenis en de kerkinrichting, maar alleen op den ritus (ceremoniën en kerkelijke gebruiken). Zulke adiaphora indifferentia of middelmatige dingen zijn dan, nader bepaald, dingen, die volgens Gods Woord en de apostolische gewoonte aan de kerken zelve ter bepaling zijn overgelaten (Rutgers). De kerken kunnen er in het algemeen geen regelen of bepalingen voor maken. Maar voor elke kerk afzonderlijk zijn ze niet onverschillig. Bij de toepassing in elke kerk is geen enkel ding, geen enkel gebruik of handeling zuiver adiaphoron d.i. onverschillig. Bijv. of de dienst des Zondags om drie uur of zes uur zal plaats hebben is in het algemeen onverschillig, maar plaatselijk volstrekt niet, want de dienst moet gehouden worden op een uur, dat de gemeente het best

|362|

kan komen. Dingen zijn adiophora, wanneer er dus geen algemeene regel voor te geven is, die voor alle tijden, plaatsen en personen gelden. Het beteekent volstrekt niet, dat ieder persoon of elke kerk in een bepaald geval naar eigen willekeur kan handelen, maar dat het aan de plaatselijke kerken overgelaten is in elk bepaald geval en lettende op de plaatselijke omstandigheden er een regeling voor te treffen.

3. Dat wij buitenlandsche kerken met andere gebruiken in middelmatige dingen niet verwerpen. Er staat in het Latijn in adiaphoris damnandae non erunt ecclesiae exterae d.i. in middelmatige dingen mogen de buitenlandsche kerken niet veroordeeld worden. De Gereformeerde kerken waren niet bekrompen en kerkistisch, maar mild in het erkennen van de gebruiken der andere kerken. Echter op ééne voorwaarde, nl. dat er in de belijdenis en in de grondslagen der kerkinrichting overeenstemming ware, want deze zijn nooit adiaphora, nooit middelmatig of onverschillig. Zij onderhielden in den regel alleen correspondentie met die buitenlandsche kerken, die in de belijdenis en in de kerkinrichting één met haar waren.

Jansen, Joh. (1976) Art. 86

 

Art. LXXXVI. Deze Artikelen, de wettelijke ordening der kerk aangaande, zijn alzoo gesteld en aangenomen met gemeen accoord, dat zij (zoo het profijt der Kerken anders vereischte) veranderd, vermeerderd of verminderd mogen en behooren te worden. Het zal nochtans geene bijzondere Gemeente, Classe of Synode vrijstaan zulks te doen, maar zij zullen naarstigheid doen om die te onderhouden, totdat anders van de Generale of Nationale Synode verordend worde.

 

Wijziging der Kerkenordening.

Deze bepaling stond van den aanvang af aan het slot der K.O. Ze bevat drie dingen.

1. Dat de K.O. met gemeen accoord is aanvaard: Deze Artikelen, de wettelijke ordening der kerk aangaande, zijn alzoo gesteld en aangenomen met gemeen accoord enz. Van de 85 voorafgaande artikelen wordt hier tweeërlei gezegd. Vooreerst, dat zij op de wettelijke ordening der kerk (oude redactie: der Kercken d.i. zwakke 2e naamv. enkelv., geen 2e naamv.

|363|

meerv., gelijk uit den Lat. tekst: ecclesiae ordinem; en uit de Fransche vertaling: l’ordre legitime de l’Eglise duidelijk blijkt) d.i. op de ordening en institueering van de nog ongeordende Kerke Gods of de vergadering der geloovigen hier te lande tot plaatselijke kerken, betrekking heeft. De artikelen bedoelen geen staatkundige of maatschappelijke, maar een kerkelijke ordening te zijn. „Kerk” heeft dus hier adjectieve of bijvoegelijke heteekenis. Voorts, dat zij met „gemeen accoord” (Latijn: mutuo consensu = met wederzijdsch goedvinden) zijn gesteld en aangenomen. Dit wil niet zeggen, dat allen het steeds met alle artikelen eens waren. Maar de minderheid onderwierp zich aan de meerderheid. Zelfs stemde men in de 16e eeuw wel tweemaal. Eerst om te weten wat het gevoelen der meerderheid was. En daarna om het gevoelen der meerderheid met algemeene stemmen tot besluit te verheffen, De meerderheid overheerschte daarbij de minderheid niet, want alle kerken aanvaardden vrijwillig de artikelen der K.O., die door de meerderheid was vastgesteld. Zij werd dus met „gemeen accoord” aanvaard.

2. Dat de K.O. veranderd mag worden. Er staat toch verder uitdrukkelijk: dat zij (zoo het profijt der Kerken anders vereischte) veranderd, vermeerderd of verminderd mogen en behooren te worden. Uitgezonderd zijn de bepalingen, die rechtstreeks aan Gods Woord ontleend zijn, want die zijn onveranderlijk. Overigens mogen de bepalingen der K.O., zoo het profijt der kerken anders vereischt, veranderd, vermeerderd of verminderd worden. Maar door wie? Door geen „bijzondere Gemeente, Classe of (particuliere) Syode”. Alleen alle kerken samen, in de ,,Generale of Nationale Synode” vereenigd, mogen de K.O. wijzigen. En zelfs ook de generale synode moet niet te spoedig tot wijziging overgaan, niet te veel willen regelen en niet alle kleinigheden willen bepalen. Een K.O. moet slechts de hoofdlijnen aangeven. Anders vervalt men in de fout van Rome en krijgt men een soort corpus juris canonici, of kerkelijk wetboek.

3. Dat de K.O. naarstig onderhouden moet worden: maar zij zullen naarstigheid doen om die te onderhouden, totdat anders van de Generale of Nationale Synode verordend worde. Wil dit dan zeggen, dat een kerk in geen enkele kleinigheid mag afwijken? Neen, niet alle afwijking is ordeloosheid, maar dan moet de afwijking door het profijt van die kerk geëischt, als afwijking erkend, en aan het oordeel der meerdere vergadering onderworpen worden.