Kerkorde NHK (1951) Ovb

Overgangsbepalingen

bij de

Kerkorde

der

Nederlandse Hervormde Kerk

Kerkorde NHK (1951) AOb

Algemene overgangsbepalingen

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 1

Algemene overgangsbepalingen.

A. Het in werking treden van de kerkorde.

No.
1

De kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk treedt — voorzover in deze overgangsbepalingen voor bepaalde onderdelen of in bepaalde gevallen niet een vroeger of later tijdstip is aangegeven — met de daarbij behorende ordinanties en overgangsbepalingen in werking op de eerste Mei van het jaar 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 2

Algemene overgangsbepalingen.

A. Het in werking treden van de kerkorde.

No.
2

De op 30 April 1951 van kracht zijnde reglementen der Nederlandse Hervormde Kerk met de daarop steunende verordeningen, regelingen, bepalingen en besluiten worden per 1 Mei 1951 vervangen door de bepalingen van kerkorde, ordinanties, overgangsbepalingen en generale regelingen, tenzij krachtens overgangsbepaling in een bepaald geval een of meer artikelen of regelingen uit die reglementen, verordeningen, regelingen, bepalingen of besluit voor een bepaalde tijd in werking worden gelaten.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 3

Algemene overgangsbepalingen.

A. Het in werking treden van de kerkorde.

No.
3

Indien in deze overgangsbepalingen sprake is van de kerkorde of de orde der Kerk, wordt daaronder verstaan en begrepen het geheel van de op 7 December 1950 vastgestelde kerkorde, ordinanties, overgangsbepalingen en — voorzover zij op of na 1 Mei 1951 in werking worden gesteld — de krachtens ordinantie vastgestelde generale regelingen der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 4

Algemene overgangsbepalingen.

A. Het in werking treden van de kerkorde.

No.
4

Indien in deze overgangsbepalingen sprake is van een reglement of de reglementen der Kerk, wordt daaronder verstaan en begrepen een deel of het geheel van de reglementen en de daarop steunende verdere bepalingen, zoals die op 30 April 1951 in de Nederlandse Hervormde Kerk van kracht zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 5

Algemene overgangsbepalingen.

A. Het in werking treden van de kerkorde.

No.
5

Ten behoeve van de verwijzingen in de overgangsbepalingen worden de ordinanties in de bestaande volgorde genummerd van 1-20 en worden ordinantie, artikel en lid aangegeven door het achter elkaar noemen van de cijfers van ordinantie, artikel en lid.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 6

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
6

De ambtelijke vergaderingen en de organen der Kerk treffen — binnen het kader van deze overgangsbepalingen — zelf de aanvullende maatregelen, die verder nodig zijn of gewenst blijken te zijn voor de aanpassing van hun werkzaamheden aan de bepalingen der kerkorde.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 7

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
7

Ingeval van twijfel over de juistheid daarvan vragen
een orgaan van bijstand de voorlichting van zijn ambtelijke vergadering;
een kerkeraad, die van het breed moderamen der classicale vergadering; en
de meerdere ambtelijke vergaderingen en haar brede moderamina, die van de commissie van overgang genoemd in overgangsbepaling no. 8.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 8

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
8

De generale synode, naar de gewijzigde kerkelijke indeling bijeen, benoemt uit de lidmaten der Kerk een commissie van overgang, welke bestaat uit twaalf leden, waaronder de scriba der generale synode ambtshalve en waaronder vier op enkelvoudige voordracht van de algemene kerkvoogdijraad, bedoeld in no. 22 van de invoeringsbepalingen behorend bij het algemeen reglement, met voor elk der leden een secundus, en bovendien ten hoogste drie adviseurs.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 9

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
9

Deze commissie is voor haar beleid verantwoording schuldig aan de generale synode en heeft tot taak:
a. de meerdere ambtelijke vergaderingen der Kerk van voorlichting te dienen, indien en voorzover deze zich bij de naleving van overgangsbepaling no. 6 voor bijzondere moeilijkheden gesteld zien;
b. ingeval van een geschil over uitleg of toepassing van een overgangsbepaling een eindbeslissing te geven;
c. een voorziening te geven in de gevallen, waarin deze overgangsbepalingen niet of onvoldoende mochten voorzien, met dien verstande nochtans dat de gevallen, die betrekking hebben op het belijden of het dienstboek der Kerk, worden voorgelegd aan de generale synode, die daarin een eindbeslissing geeft;
d. in bijzondere gevallen, waarin naar het oordeel van de commissie van overgang een overgangsbepaling voor een concreet geval van ondergeschikt belang voor een bepaald lichaam te belemmerend of niet toereikend zou zijn, ten behoeve van dat lichaam voor dat bepaalde geval een van de algemene overgangsbepalingen afwijkende bijzondere bepaling te stellen, met dien verstande, dat deze bepaling uiterlijk op 31 December 1955 automatisch vervalt;
e. voor, bij de practische toepassing van de ordinanties of generale regelingen aan de dag getreden, onduidelijkheden, oneffenheden en niet of onvoldoende geregelde gevallen een voorlopige correctie aan te brengen, die van kracht blijft tot 31 December 1955.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 10

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
10

De commissie van overgang zendt van haar beslissingen, bedoeld in overgangsbepaling no. 9 sub c, d en e, een afschrift aan het breed moderamen der generale synode, hetwelk bevoegd is binnen veertien dagen na ontvangst daarvan de betrokken beslissing buiten werking te stellen en de onderhavige zaak naar de commissie van overgang terug te verwijzen, om haar opnieuw te behandelen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 11

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
11

Tussen 1 Juli en 31 December van het jaar 1955 onderwerpt de generale synode, met inachtneming van het bepaalde in artikel XXVII van de kerkorde, ordinanties, overgangsbepalingen en generale regelingen aan een algemene, per 1 Januari 1956 in werking tredende, correctie.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 12

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
12

Voorzitter, vice-voorzitter en secretaris van de commissie van overgang worden door de generale synode aangewezen, terwijl de commissie van overgang uit haar midden subcommissies kan vormen, op welke het bepaalde in ordinantie 1-26-1 van overeenkomstige toepassing is, terwijl zij ook bevoegd is, daarvoor naar haar oordeel in aanmerking komende zaken ter afdoening — onverminderd het bepaalde in overgangsbepaling no. 10 — over te dragen aan de algemene diaconale raad, de algemene kerkvoogdijraad of het generaal college van toezicht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 13

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
13

De commissie van overgang wordt, behoudens mogelijke verlenging, door de generale synode, van dat tijdvak voor éénmaal met ten hoogste zes maanden, benoemd voor de tijd van 1 Mei 1951—30 April 1952 en komt zo nodig reeds vóór 1 Mei 1951 bijeen, ter regeling van haar toekomstige werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 14

Algemene overgangsbepalingen.

B. De commissie van overgang.

No.
14

Nadat de commissie van overgang haar werkzaamheden heeft beëindigd, gaan de haar in overgangsbepaling no. 9 sub b.-e. opgedragen taken tot 1 Juli 1955 over op de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, met dien verstande, dat ten aanzien van de taak bedoeld sub d. mede van toepassing is het bepaalde in overgangsbepaling no. 10.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 15

Algemene overgangsbepalingen.

C. Overgang van functies.

No.
15

Per 30 April 1951 eindigt het mandaat van allen, die krachtens enig kerkelijk reglement of daarop steunende regeling of bepaling
a. als primus, secundus of tertius naar een meerdere ambtelijke vergadering zijn afgevaardigd;
b. als primus, secundus of tertius zitting hebben in enig kerkelijk bestuur boven de kerkeraad;
c. zitting hebben als lid of plaatsvervangend lid in enige vaste of tijdelijke commissie uit of van zulk een kerkelijk bestuur;
d. zitting hebben als lid of plaatsvervangend lid in een orgaan van bijstand, curatorium, commissie van toezicht, college van deputaten of gedelegeerden of enig ander orgaan van dien aard van een kerkeraad, een kerkelijk bestuur of een meerdere
vergadering;
e. zitting hebben als lid of plaatsvervangend lid in andere, bij kerkelijk reglement geregelde, kerkelijke lichamen, met uitzondering van de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 16

Algemene overgangsbepalingen.

C. Overgang van functies.

No.
16

Noch bij het doen van aanbevelingen of voordrachten, noch bij het doen van de benoemingen voor de op 1 Mei 1951 te vervullen plaatsen is een kerkelijk lichaam — behoudens gehoorgeving aan de krachtens ordinantie ingediende voordrachten — op enigerlei wijze gebonden aan hen, die op 30 April 1951 in het betrokken of verwante lichaam zitting hadden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 17

Algemene overgangsbepalingen.

C. Overgang van functies.

No.
17

De generale synode, bijeengekomen naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 90, benoemt, met het oog op de benoeming per 1 Mei 1951 van de leden van haar vaste commissies en organen van bijstand en de bezetting — voorzover deze aan de synode staat — van andere in de orde der Kerk aangegeven functies, een commissie ad hoc uit haar midden, waarin naast praeses, assessor en scriba ten minste negen leden zitting hebben.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 18

Algemene overgangsbepalingen.

C. Overgang van functies.

No.
18

Deze commissie heeft tot taak de synode voor te lichten bij de benoeming — voor de eerste keer — van de leden
a. van de vaste commissies uit haar midden;
b. van de raden, curatoria, commissies van toezicht, gedelegeerden en andere in de ordinanties der Kerk aangewezen lichamen voorzover de benoeming daarvan aan de synode staat.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 19

Algemene overgangsbepalingen.

C. Overgang van functies.

No.
19

De scriba der synode maakt vóór 5 Maart 1951 ten behoeve van de leden der synode en van deze commissie een tableau op van alle benoemingen, die de synode op 27 Maart 1951 dan wel op 16 April 1951 heeft te doen, onder vermelding van de secundus- en tertiusplaatsen, van te benoemen plaatsvervangende leden en van het feit, of de benoeming geschiedt naar vrije keuze, dan wel op aanbeveling of (eventueel enkelvoudige) voordracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 20

Algemene overgangsbepalingen.

C. Overgang van functies.

No.
20

De commissie houdt bij het doen van haar aanbevelingen, behalve met de deskundigheid, zo mogelijk ook rekening met de geographische spreiding van de aanbevolenen en tracht, ook door een verdeling van deze functies over een groot aantal personen, een overbelasting van sommigen hunner met een veelheid van functies te voorkomen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 21

Algemene overgangsbepalingen.

C. Overgang van functies.

No.
21

De benoemingen in de organen van bijstand, die bij de invoering van de kerkorde moeten plaats hebben, worden geacht, behalve voor de acht maanden van het jaar 1951, mede te zijn geschied voor het jaar 1952.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 22

Algemene overgangsbepalingen.

D. Overgang van werkzaamheden.

No.
22

De op 30 April 1951 bestaande lichamen der Kerk, inzonderheid ook de kerkeraden, colleges van diakenen, colleges van kerkvoogden, classicale vergaderingen, de generale synode en de organen van bijstand van deze lichamen zetten, voorzover zij niet met name worden opgeheven of vervangen door een ander lichaam, per 1 Mei 1951 hun arbeid voort, behoudens de wijzigingen in hun benaming, samenstelling, bezetting, werkzaamheden of bevoegdheden uit de bepalingen der kerkorde voortvloeiende.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 23

Algemene overgangsbepalingen.

D. Overgang van werkzaamheden.

No.
23

De classicale besturen, provinciale kerkbesturen en algemene synodale commissie beëindigen hun werkzaamheden op 30 April 1951 en treffen met de betrokken brede moderamina een regeling betreffende de overgang per 1 Mei 1951 van hun werkzaamheden, administraties, kassen en archieven, met dien verstande, dat de classicale besturen, welker ressort per 1 Mei 1951 een belangrijke wijziging ondergaat, vóór die datum onder leiding van het provinciaal kerkbestuur, met de brede moderamina der betrokken nieuw gevormde classes terzake een onderlinge regeling treffen, met name ook inzake de bewaring en raadpleging van de classicale archieven uit de tijd vóór 1 Mei 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 24

Algemene overgangsbepalingen.

D. Overgang van werkzaamheden.

No.
24

In de eerste bijeenkomst der meerdere ambtelijke vergaderingen na 1 Mei 1951 vindt een plechtige overdracht door de leden van het betrokken afgetreden kerkelijk bestuur plaats van zijn bevoegdheden aan die meerdere vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 25

Algemene overgangsbepalingen.

D. Overgang van werkzaamheden.

No.
25

Ten aanzien van een kerkelijk lichaam, dat per 1 Mei 1951, al of niet met een gewijzigde naam of opdracht, zijn arbeid onder de bepalingen van de kerkorde voortzet, of de arbeid van een ander lichaam of orgaan overneemt, geldt voorts
a. dat de administratie, het archief, de kantoor-inventaris en andere bezittingen, de lopende huurcontracten, abonnementen en andere dergelijke verplichtingen bij dat lichaam blijven of door hetzelve worden overgenomen, behoudens latere wijziging rechtens;
b. dat de op 30 April 1951 ten name of ten behoeve van het betrokken lichaam bij derden gedeponeerde of opgenomen gelden, evenals op derden rustende andere rechten en verplichtingen — behoudens het in deze algemene bepalingen sub E bepaalde — van rechtswege strekken ten behoeve of ten laste van het na dien datum optredende lichaam waartoe dit lichaam aan die derden schriftelijk kennis geeft, ter wijziging, voor zoveel nodig, van de betrokken stukken.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 26

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
26

De gelden en bezittingen van Kerk, gemeenten en kerkelijke lichamen behouden de bestemming, die zij op 30 April 1951 hebben;
blijven geregeerd door de bepalingen, die op die datum voor hen gelden;
en worden bestuurd door hen, die als zodanig op 30 April 1951 in functie zijn;
een en ander tenzij terzake in de kerkorde of bij overgangsbepaling wijzigingen zijn voorgeschreven en behoudens latere wijziging rechtens.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 27

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
27

Voorzover bij overgangsbepaling voor bepaalde gevallen geen afwijkende regeling is gesteld, sluit de penningmeester of wie anders belast is met de zorg voor de financiën van op 30 April 1951 bestaande kerkelijke lichamen, op die datum de kas af en draagt hij deze met de daarbij behorende administratie, bescheiden, kasmiddelen en andere geldswaarden over aan de penningmeester of verzorger van de financiën van het lichaam dat die arbeid per 1 Mei 1951 voortzet of overneemt en van die datum af de nog lopende rechten en verplichtingen over 1951 overneemt, terwijl door de betrokkenen tevens wordt zorg gedragen, dat de rekening 1950 op 30 April 1951 zo mogelijk is gedaan, of anders mede in de overdracht begrepen wordt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 28

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
28

Een afschrift van deze afsluiting wordt toegezonden aan de generale financiële raad, die
a. toeziet, dat deze overdracht zo goed en zo snel mogelijk verloopt;
b. op verzoek een regeling treft, waar de werkzaamheden van een bepaald lichaam over meer dan één lichaam worden verdeeld; en
c. bevoegd is ter zake adviezen, bindende aanwijzingen en — in geval van geschil — een eindbeslissing te geven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 29

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
29

Met de navolgende synodale fondsen en kassen
1. het fonds voor het hoger onderwijs,
2. het fonds voor noodlijdende kerken en personen,
3. het fonds voor een synodaal gebouw,
4. het fonds voor geestelijke behoeften,
5. het studiefonds,
6. het pensioenfonds van de algemene kas,
7. de fondsen voor Litauen, de Waldenzen en Assweiler,
8. de generale kas,
9. de algemene kas,
10. het collecteplan,
11. de kas tot behartiging van de godsdienstige belangen van de Hervormde Nederlanders in het buitenland,
12. de kas der synodale gezangenbundels,
13. het fonds ter verbetering der schraalste predikantstraktementen
wordt gehandeld als hierna in de overgangsbepalingen no. 30-38 is aangegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 30

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
30

De fondsen en de kas genoemd in overgangsbepaling no. 29 sub 2, 4 en 11 blijven per 1 Mei 1951 bestaan met dien verstande
a. dat het kapitaal en de in 1951 ingekomen baten van deze fondsen, tot op een totaal bedrag van één honderd gulden na, per 1 Mei 1951, evenals vervolgens per 31 December van elk jaar de in dat jaar door rentebetaling, schenkingen, erfstellingen of anderszins verkregen baten, worden overgebracht — wat het sub 2 genoemde fonds betreft — naar de generale kerkvoogdijkas en naar de generale diaconale kas, bedoeld in ordinantie 16-18-6, naar een verdeling bij besluit van de generale financiële raad vast te stellen, waarbij door deze raad zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wijze, waarop de gelden tot 1 Mei 1951 werden besteed, en — wat het sub 4 genoemde fonds en de sub 11 genoemde kas betreft — naar de generale kas voor de geestelijke belangen, bedoeld in ordinantie 16-18-6 en daar, behoudens de ontvangen rente, worden gevoegd bij de als reserve belegde kasgelden;
b. dat de bepaling, bedoeld in art. 4 van het bestaande reglement fonds voor noodlijdende Kerken en personen, van kracht blijft;
c. dat zij bij besluit van de generale financiële raad met ingang van een door deze raad te stellen datum kunnen worden opgeheven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 31

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
31

De fondsen genoemd sub 1 en 5 blijven functionneren, naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 207, terwijl de fondsen genoemd sub 7 ongewijzigd in stand worden gehouden, behoudens latere wijziging rechtens.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 32

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
32

Het fonds genoemd sub 3 wordt in stand gehouden, totdat de generale financiële raad tot opheffing daarvan besluit, in welk geval het saldo wordt gestort in de kas voor de administratiekosten, bedoeld in ordinantie 16-23-1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 33

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
33

Het fonds genoemd sub 6 blijft per 1 Mei 1951 bestaan, terwijl de generale financiële raad bevoegd is tot opheffing daarvan, zodra geen enkele verplichting meer op het fonds rust, waarbij door die raad de bestemming wordt bepaald van een eventueel saldo.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 34

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
34

Het saldo van de sub 8 genoemde kas wordt per 1 Mei 1951 gestort in de generale kas voor de geestelijke belangen, bedoeld in ordinantie 16-18-6, terwijl de regeling van de bijdragen aan deze kas, aangegeven in het reglement op de generale kas ten behoeve van de Nederlandse Hervormde Kerk in art. 2 sub a., per 1 Mei 1951 van kracht blijft, behoudens beëindiging bij besluit van de generale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 35

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
35

De gelden van de kas genoemd sub 9 worden per 1 Mei 1951 gestort in de kas voor de administratiekosten bedoeld in ord. 16-23-1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 36

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
36

Het sub 10 genoemde collecteplan wordt per 1 Mei 1951 gecontinueerd, totdat de generale financiële raad terzake nadere voorzieningen zal hebben getroffen, terwijl de opbrengst van het collecteplan 1951 met de eventuele saldi van de collecte-plannen van vorige jaren, per 31 December 1951 redelijkerwijze verdeeld worden over de daarvoor in aanmerking komende kassen en fondsen der Kerk naar een regeling door de generale financiële raad vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 37

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
37

De kas, genoemd sub 12, blijft per 1 Mei 1951 bestaan, terwijl de generale financiële raad elk jaar beslist over de besteding van de gelden, die elk jaar uit deze kas beschikbaar komen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 38

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
38

De gelden van het fonds genoemd sub 13 worden, zolang de generale financiële raad niet tot opheffing van dit fonds besluit, op een bedrag van ƒ 100,— na, gestort in de kas voor de predikantstraktementen en daar gevoegd bij de als reserve belegde kasgelden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 39

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
39

De toelagen en subsidies uit de synodale fondsen en kassen voor het jaar 1951 worden in het jaar 1950 vastgesteld op de wijze, als in de dan geldende reglementen en bepalingen aangegeven, terwijl de vóór 1 Mei 1951 voor één of meer jaren na 1951 schriftelijk toegezegde toelagen en subsidies van kracht blijven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 40

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
40

De begroting voor het jaar 1951 wordt voor alle kerkelijke lichamen opgemaakt en vastgesteld naar de regelen en door de organen, die daarvoor in het jaar 1950 gelden en waren aangewezen, terwijl de rekeningen over het jaar 1950 van alle kerkelijke lichamen zoveel mogelijk worden gedaan vóór 1 Mei 1951 en anders naar de bepalingen van de kerkorde of de overgangsbepalingen door diegenen, die per 1 Mei 1951 de overeenkomstige arbeid hebben voortgezet of overgenomen; en voor de per 1 Mei 1951 geheel nieuw optredende lichamen de generale financiële raad vóór 1 September 1951 een regeling treft inzake de inkomsten en uitgaven 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 41

Algemene overgangsbepalingen.

E. Overgang van gelden en bezittingen.

No.
41

Voor die lichamen, wier arbeid na 30 April 1951 tengevolge van geographische of organisatorische veranderingen door verschillende lichamen is voortgezet of overgenomen, geeft, zo bij overgangsbepaling in bepaalde gevallen niet anders is aangegeven, de commissie van overgang, de generale financiële raad gehoord, voor elk geval afzonderlijk of voor bepaalde soortgelijke gevallen tezamen de nodige bindende aanwijzingen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 42

Algemene overgangsbepalingen.

F. Overgang van functionarissen.

No.
42

Ten aanzien van de plichten en rechten van hen, die op 30 April 1951 in dienst zijn van of bij een plaatselijke gemeente, kerkeraad, kerkvoogdij, diaconie of ander plaatselijk kerkelijk lichaam brengt de invoering van de kerkorde geen verandering; terwijl zij die op 30 April 1951 in dienst zijn van of bij een meerdere ambtelijke vergadering of een orgaan van bijstand van zulk een vergadering — tenzij die betrekking om andere redenen op die datum afloopt — in dienst blijven van of bij dat, al of niet van benaming veranderde, lichaam of van of bij het lichaam, dat naar de bepalingen der kerkorde dat lichaam vervangt of de werkzaamheden daarvan voortzet of overneemt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 43

Algemene overgangsbepalingen.

F. Overgang van functionarissen.

No.
43

Het in overgangsbepaling no. 42 bepaalde is niet van toepassing
a. op de scriba’s en quaestoren der classicale besturen,
b. op de secretarissen der provinciale kerkbesturen,
c. op anderen, die een zodanige werkzaamheid anders dan ten behoeve van een plaatselijke gemeente en slechts als nevenfunctie verrichten en daarvoor niet meer ontvangen dan ƒ 300,— per jaar.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 44

Algemene overgangsbepalingen.

F. Overgang van functionarissen.

No.
44

Hij, die krachtens overgangsbepaling no. 42 zijn werkzaamheden na 30 April 1951 voortzet, doet dat
a. met behoud van zijn op 30 April 1951 bestaande rechten en aanspraken inzake dienstjaren, salaris en pensioen;
b. met instandhouding van de andere bepalingen en voorwaarden, waarop hij is benoemd, welke — voorzoverre zij bepaalde verplichtingen of rechten geven aan de werk- of opdrachtgever — per 1 Mei 1951 toekomen aan of overgaan op het kerkelijk lichaam, ten behoeve waarvan hij van die datum af zijn arbeid verricht;
c. met inachtneming van de eventuele wijzigingen in zijn werkzaamheden en eventueel in zijn instructie, die uit de invoering van de kerkorde automatisch of redelijkerwijze voortvloeien of aan de hand van de bepalingen van kerkorde, overgangsbepalingen of generale regelingen daarin nader worden aangebracht;
d. met dien verstande, dat de op 30 April 1951 bestaande plichten en rechten van de betrokkene na die datum door het daarvoor in aanmerking komende lichaam rechtens kunnen worden gewijzigd of opgeheven, indien en voorzover enige bepaling van kerkorde of burgerlijk recht daartoe de vrijheid geeft.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 45

Algemene overgangsbepalingen.

G. Generale regelingen en modellen.

No.
45

Indien in de kerkorde is bepaald, dat de nadere uitwerking van een bepaald onderdeel geschiedt bij generale regeling en de vaststelling en invoering daarvan niet per 1 Mei 1951 plaats vindt, dragen zij, op wie de verplichting rust tot vaststelling daarvan over te gaan, zorg, dat die regelingen ten spoedigste worden ontworpen, behandeld en in werking gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 46

Algemene overgangsbepalingen.

G. Generale regelingen en modellen.

No.
46

Indien bij overgangsbepaling een per 30 April 1951 bestaand reglement of andere bestaande regeling verklaard wordt per 1 Mei 1951 of op een later tijdstip te gelden als generale regeling der synode, geschieden de daarin aan te brengen formele wijzigingen inzake naamgeving en aanwijzing van de daarmede volgens de kerkorde corresponderende lichamen bij besluit van het breed moderamen der generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 47

Algemene overgangsbepalingen.

G. Generale regelingen en modellen.

No.
47

Deze wijzigingen worden geacht op de datum van het in werking treden der generale regeling daarin te zijn geïncorporeerd, terwijl de bepalingen, die in strijd zijn met een bepaling uit de kerkorde, geacht worden te zijn vervallen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 48

Algemene overgangsbepalingen.

G. Generale regelingen en modellen.

No.
48

Indien in de kerkorde bepaalde modellen zijn voorgeschreven, dragen de met de vaststelling daarvan belaste organen zorg, dat deze modellen ten spoedigste worden vastgesteld en ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht, voor wie zo nodig tevens de gelegenheid wordt geopend om tegen de daarvoor vastgestelde prijs het verlangde aantal exemplaren te bestellen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 49

Algemene overgangsbepalingen.

G. Generale regelingen en modellen.

No.
49

Zolang de bij generale regeling vast te stellen modellen, bedoeld in de ordinanties 3 en 13, na 30 April 1951 nog niet gereed zijn, worden de op die datum terzake in gebruik zijnde modellen nog gevolgd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 50

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
50

Indien de kerkorde een groter getal ouderlingen of diakenen voorschrijft dan op 30 April 1951 ter plaatse bepaald is; of indien de kerkeraad besloten heeft om één of meer dier aantallen per 1 Mei 1951 te vergroten, worden de daardoor ontstaande vacatures per 1 Mei 1951 vervuld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 51

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
51

De verkiezing voor deze vacatures geschiedt alsdan in de maand Maart 1951 naar de regelen, die op het tijdstip, waarop de verkiezing plaats vindt, ter plaatse voor de benoeming van ouderlingen en diakenen, naar het reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen, van kracht zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 52

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
52

De verkiezing van kerkvoogden geschiedt voor de eerste maal volgens de bepalingen, neergelegd in de overgangsbepalingen no. 281-291.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 53

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
53

De verkiezing van de andere ouderlingen en van diakenen in vacatures, die mochten ontstaan in het tijdvak van 1 Mei 1951—1 November 1951 geschieden nog op de wijze als aangegeven in overgangsbepaling no. 51, terwijl nadien ontstaande vacatures worden vervuld langs de weg van ordinantie 3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 54

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
54

De kerkeraden stellen vóór 1 Juni 1951 voor de jaren 1951 en volgende een rooster van aftreding vast, als bedoeld in ordinantie 1-19-6.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 55

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
55

Tenzij ter plaatse reeds aan het in ordinantie 1-3-2 bepaalde inzake de benoeming van een scriba is voldaan, kiest de kerkeraad zich in zijn eerste vergadering na 1 Mei 1951 voor het resterende deel van het kalenderjaar 1951 een scriba.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 56

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
56

De kerkeraad gaat in de maand Mei van het jaar 1951 over tot de samenstelling van de organen van bijstand, waarvan de instelling bij ordinantie is voorgeschreven, te weten
a. een zendingscommissie (4-5-3),
b. een commissie voor het jeugdwerk (5-1-2),
c. een commissie van bijstand, indien ter plaatse iemand in een bediening is gesteld (b.v. 9-6-6).

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 57

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
57

Zij, die per 30 April 1951 in een plaatselijk orgaan van bijstand zitting hebben, blijven ook na 30 April 1951 aan, totdat zij naar plaatselijke regeling aan de beurt van aftreding zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 58

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
58

De kerkeraad roept per 1 Mei 1951 of op een latere datum, de niet bij ordinantie voorgeschreven organen van bijstand in het leven, waaraan behoefte blijkt te bestaan.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 59

Algemene overgangsbepalingen.

H. De kerkeraden.

No.
59

De kerkeraad draagt zorg, dat de bestaande plaatselijke reglementen voorzover, eventueel na wijziging of aanvulling, aan continuering daarvan behoefte bestaat, vóór 1 October 1951 zijn opgenomen of omgezet in een plaatselijke regeling, als bedoeld in ordinantie 1-3-5, voldoen aan de daar voorgeschreven eisen en opgezonden zijn aan het breed moderamen der classicale vergadering, dat, bij goedkeuring, het besluit daartoe vóór 1 Januari 1952 ter kennis van de kerkeraad brengt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 60

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
60

De classicale vergaderingen der Kerk zetten haar arbeid na 30 April 1951 voort, met inachtneming van de voor haar geldende bepalingen uit de kerkorde en deze overgangsbepalingen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 61

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
61

De kerkeraden benoemen naar de indeling, bedoeld in art. 32 van ordinantie 1, vóór 7 Februari 1951 als afgevaardigden ter classicale vergadering
a. de predikant(en) voor gewone en bijzondere werkzaamheden;
b. nevens elk dezer predikanten een ouderling, een kerkvoogd of een diaken, met voor deze een secundus en een tertius, naar de regeling opgenomen in overgangsbepaling no. 62.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 62

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
62

Ter beantwoording van de vraag, of een kerkeraad voor de eerste maal gedurende het tijdvak van 1 Mei 1951—31 December 1953 nevens de predikant (en) een ouderling afvaardigt, dan wel een kerkvoogd of een diaken, worden de predikantsplaatsen voor gewone of bijzondere werkzaamheden van elke classis naar de volgorde van de indeling bedoeld in art. 32 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen geacht doorlopend en met no. 1 te beginnen, genummerd te zijn en zenden de kerkeraden, welker predikantsplaats(en) genummerd zijn 1-5-9-13 en 17 nevens de betrokken predikant een kerkvoogd; en de kerkeraden welker predikantsplaats(en) genummerd zijn 3-7-11-15 en 19 nevens de betrokken predikant een diaken, terwijl overigens — met in achtneming ook van het bepaalde in 1-4-6 — een ouderling wordt afgevaardigd en na 1 December 1950 nieuw gevestigde predikantsplaatsen voor deze telling geacht worden in volgorde van tijd van vestiging achteraan te zijn geplaatst.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 63

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
63

Het breed moderamen der classicale vergadering stelt vóór 1 Juli 1953 een definitieve rooster op voor de jaren 1954 en volgende hetzij in aansluiting op de methode genoemd in overgangsbepaling no. 62, hetzij volgens een andere door dit moderamen daar voor gekozen methode.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 64

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
64

Mochten in een gemeente, die is aangewezen om een kerkvoogd af te vaardigen, alle plaatsen van ouderlingen, die als kerkvoogd fungeren, nog vacant zijn, dan wordt voor die plaats door de kerkeraad voorlopig een ouderling afgevaardigd naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 288.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 65

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
65

De aldus samengestelde classicale vergadering komt op Woensdag 14 Februari 1951 bijeen in de kerkelijke gemeente, aan welke de classis haar naam ontleent, des voormiddags om 10 uur ter plaatse door de kerkeraad dier gemeente tenminste 8 dagen tevoren aan de andere kerkeraden der classis bericht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 66

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
66

De classicale vergadering kiest zich — onder leiding van de in leeftijd oudste der aanwezige predikanten — nadat deze met twee door hem daartoe aangewezen aanwezigen de geloofsbrieven heeft nagezien, voor het tijdvak van 1 Mei 1951—31 December 1951
een moderamen,
een breed moderamen en
een quaestor,
terwijl het aldus gekozen moderamen tevens als zodanig fungeert in de vergadering(en) der classis, die krachtens overgangsbepaling no. 67 worden gehouden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 67

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
67

Deze classicale vergadering, haar moderamen en haar breed moderamen kunnen vóór 1 Mei 1951 naar behoefte bijeen komen, ter voorbereiding van hun werkzaamheden na die datum.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 68

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
68

De classicale vergadering wijst in haar vergadering van 14 Februari 1951 aan
a. de afgevaardigden ter provinciale kerkvergadering met hunne secundi en tertii, naar een der roosters, opgenomen in de overgangsbepalingen no. 73-78;
b. de afgevaardigde ter generale synode, met diens secundus en tertius, naar de rooster opgenomen in overgangsbepaling no. 89;
c. de leden van de bij ordinantie aangegeven vaste classicale commissies, zijnde
1e. de classicale zendingscommissie (4-7-1)
2e. de classicale commissie voor het jeugdwerk (5-2-1)
3e. de commissie voor het opzicht (11-5-3);
d. twee visitatoren-provinciaal (11-2-3).

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 69

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
69

Het breed moderamen der classicale vergadering bericht vóór 17 Februari 1951
a. aan de kerkeraad van de gemeente, ter plaatse waar de provinciale kerkvergadering op 28 Februari 1951 bijeenkomt (zie overgangsbepaling no. 80), ambt, namen en adressen van hen, die als primus, secundus of tertius zijn afgevaardigd ter provinciale kerkvergadering;
b. aan de scriba der generale synode ambt, naam en adres van hem, die als primus, secundus of tertius is afgevaardigd ter generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 70

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
70

De classicale vergadering gaat in het tijdvak van 1 Mei—31 Juli 1951 over tot de benoeming van de leden der door haar gewenste organen van bijstand, naar de daarvoor gestelde regelen in ordinantie 1-23-7, welke organen in hun eerste vergadering voor het resterende deel van het kalenderjaar 1951 een voorzitter, een vice-voorzitter en een secretaris (1-21-2) benoemen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 71

Algemene overgangsbepalingen.

I. De classicale vergaderingen.

No.
71

De classicale vergadering benoemt voor het resterende deel van het kalenderjaar 1951 haar adviseurs (1-4-8) nadat de leden van de organen van bijstand zijn benoemd en deze organen gedurende een tijdvak van 14 dagen de gelegenheid hebben gehad om bijeen te komen en hun arbeid aan te vangen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 72

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
72

De afvaardiging van predikanten, ouderlingen, kerkvoogden en diakenen ter provinciale kerkvergadering geschiedt voor de eerste maal in dier voege, dat de classes der kerkprovincie, naar de volgorde van de kerkelijke indeling bedoeld in art. 32 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen, geacht worden doorlopend en met no. 1 te beginnen genummerd te zijn, waarna de afvaardiging geschiedt naar een der schema’s uit de overgangsbepalingen no. 73-78.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 73

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
73

Als er 3 classes zijn, zendt in

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 74

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
74

Zijn er 4 classes, dan zendt in

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 75

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
75

Zijn er 5 classes, dan zendt in

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 76

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
76

Zijn er 6 classes, dan zendt in

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 77

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
77

Zijn er 8 classes, dan zendt in

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 78

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
78

Zijn er 10 classes, dan zendt in

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 79

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
79

Het breed moderamen der provinciale kerkvergadering stelt vóór 1 Juli 1954 een rooster op, als bedoeld in ordinantie 1-7-2 en 1-7-3, voor de jaren 1955 en volgende, hetzij in aansluiting op de methode gevolgd in de schema’s uit de overgangsbepalingen no. 73-78 hetzij volgens een andere methode.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 80

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
80

De provinciale kerkvergadering komt naar de indeling bedoeld in art. 32 van ordinantie 1 en samengesteld naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 68 letter a bijeen op Woensdag 28 Februari 1951 des voormiddags om 11 uur in de hoofdplaats der provincie (en die van Noord Brabant en Limburg te ’s-Hertogenbosch) op een, door de kerkeraad van de gemeente van die hoofdplaats daarvoor aangewezen en door hem tenminste 8 dagen te voren ter kennis van de afgevaardigde leden gebrachte, plaats.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 81

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
81

De provinciale kerkvergadering van 28 Februari 1951 wordt geopend door de in leeftijd oudste der aanwezige predikanten en kiest zich, nadat deze predikant met twee door hem daartoe aangewezen aanwezigen de geloofsbrieven heeft nagezien, onder zijn leiding voor het tijdvak van 1 Mei—31 December 1951 een praeses en een assessor, alsmede een, eventueel (1-9-5) eerst tijdelijke, scriba, die, zo hij voor tijdelijk is benoemd, zitting heeft uiterlijk tot 31 December 1951; welk moderamen ook in de vóór 1 Mei 1951 te houden bijeenkomsten der provinciale kerkvergadering als zodanig fungeert.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 82

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
82

Nadat dit moderamen vervolgens zitting heeft genomen, wijst de provinciale kerkvergadering de aan het moderamen voor de jaren 1951-1954 toe te voegen leden van het breed moderamen aan.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 83

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
83

De provinciale kerkvergadering, haar breed moderamen of haar moderamen, kunnen ook vóór 1 Mei 1951 bijeen komen, indien bij de voorbereiding van hun na die datum te verrichten werkzaamheden de behoefte daaraan zou blijken.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 84

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
84

De provinciale kerkvergadering benoemt vóór 1 Mei 1951
a. de leden van haar vaste commissies, zoals
voor het jeugdwerk (5-2-1)
voor het opzicht (11-5-3);
b. de leden van andere kerkelijke lichamen en commissies, haar ter benoeming opgedragen, voorzover bij overgangsbepaling niet anders is geregeld;
c. de praeses van kerkvisitatoren-provinciaal (11-2-4);
d. de gedelegeerden voor de toelating tot de Evangeliebediening (7-12-1).

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 85

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
85

De provinciale kerkvergadering gaat in het tijdvak van 1 Mei—31 Juli 1951 over tot de benoeming van de leden der door haar gewenste organen van bijstand naar de daarvoor in ordinantie 1-23-7 gestelde regelen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 86

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
86

De provinciale kerkvergadering benoemt na het in ordinantie 1-7-4 voorgeschreven overleg haar adviseurs voor het resterende deel van het kalenderjaar 1951, nadat de leden van de organen van bijstand gedurende een tijdvak van 14 dagen de gelegenheid hebben gehad om hun arbeid aan te vangen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 87

Algemene overgangsbepalingen.

J. De provinciale kerkvergaderingen.

No.
87

De organen van bijstand benoemen in hun eerste vergadering voor het overige deel van het kalenderjaar 1951 een voorzitter, een vice-voorzitter en een secretaris (1-21-2).

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 88

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
88

De afvaardiging van predikanten, ouderlingen, kerkvoogden en diakenen ter generale synode geschiedt voor de eerste maal in dier voege, dat de classes naar de volgorde der kerkprovincies en, naar haar volgorde in die provincies volgens de indeling, bedoeld in art. 32 van ordinantie 1, doorlopend — met 1 te beginnen — worden genummerd, waarna afgevaardigd wordt naar de rooster opgenomen in overgangsbepaling no. 89, terwijl het breed moderamen der generale synode vóór 1 Juli 1955 een rooster opstelt, als bedoeld in ord. 1-10-1, voor de jaren 1956 en volgende, hetzij in aansluiting op de methode genoemd in overgangsbepaling no. 89, hetzij volgens een andere methode.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 89

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
89

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 90

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
90

De generale synode komt naar de indeling, bedoeld in art. 32 van ordinantie 1 en samengesteld naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 68 letter b bijeen op 5 Maart 1951 des namiddags om 1 uur en zo nodig op de volgende dagen in het centrum des lands op een door het moderamen der huidige generale synode aangewezen plaats, door de scriba tenminste 8 dagen te voren ter kennis van de afgevaardigde leden gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 91

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
91

Deze vergadering der synode wordt geopend door de in leeftijd oudste aanwezige predikant en kiest zich — onder diens leiding — nadat hij met twee door hem daartoe aangewezen aanwezigen de geloofsbrieven heeft nagezien, een praeses en een assessor, met voor deze laatste een secundus en een tertius.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 92

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
92

Als scriba der synode fungeert ook in deze en in de volgende nog vóór 1 Mei 1951 te houden vergaderingen de secretaris van de algemene synodale commissie, welke secretaris per 1 Mei 1951 optreedt als scriba der generale synode en als secretarisgeneraal der Kerk en alsdan geacht wordt te zijn benoemd naar ordinantie 1-12-4.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 93

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
93

Nadat het moderamen zitting heeft genomen, wijst de generale synode de aan het moderamen toe te voegen leden met hunne secundi en tertii aan, die met het moderamen de — tevens als breed moderamen fungerende — synodus contracta zullen vormen (1-13-1).

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 94

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
94

De generale synode, haar breed moderamen of haar moderamen, kunnen vóór 1 Mei 1951 bijeenkomen, indien bij de voorbereiding van hun na die datum te verrichten werkzaamheden, de behoefte daaraan zou blijken of de afhandeling van de door haar krachtens deze overgangsbepalingen vóór 1 Mei 1951 te verrichten werkzaamheden dat gewenst doen zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 95

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
95

De generale synode benoemt, met inachtneming van de in deze overgangsbepalingen voor bepaalde organen gegeven nadere regelingen, en behoudens het bepaalde in overgangsbepaling no. 97, op 27 Maart 1951 en volgende dagen
a. de commissie voor het theologisch hoger onderwijs (7-2-1);
b. kerkvisitatoren-generaal (11-2-5);
c. de bij ordinantie voorgeschreven vaste commissies uit haar midden, met name de commissie voor het opzicht (11-8-2);
d. de leden van de overige in de ordinanties der kerk genoemde, door de synode te benoemen kerkelijke lichamen en commissies;
e. de leden van haar organen van bijstand;
f. de leden van de commissie van overgang, bedoeld in overgangsbepaling no. 8.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 96

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
96

Indien en voorzover bij de benoeming door de generale synode van leden van commissies, raden en andere organen zulk een benoeming geschieden moet op voordracht van andere lichamen, wordt met de vervulling van de betrokken vacatures gewacht, totdat deze voordrachten zijn ingekomen, waarvan de betrokken lichamen, onder leiding van het in leeftijd oudste aanwezige lid, vóór 7 April 1951 bijeengekomen, vóór 10 April 1951 kennis geven aan de scriba der generale synode, terwijl de synode voor dit doel bijeenkomt op 16 April 1951 en volgende dagen, in welke vergadering zij tevens de voorzitters en secretarissen van haar organen van bijstand aanwijst.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 97

Algemene overgangsbepalingen.

K. De generale synode.

No.
97

De benoeming van de adviserende leden der synode geschiedt voor de eerste maal, voor het tijdvak van 1 Mei—31 December 1951, door haar breed moderamen en wel vóór 1 Mei 1951, nadat terzake met de betrokken raden en commissies het in ordinantie 1-10-2 bedoelde overleg is gepleegd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 1

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 98

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
98

Tenzij in een bijzonder geval anders is bepaald, zijn op de krachtens de overgangsbepalingen vóór 1 Mei 1951 plaats vindende bijeenkomsten van ambtelijke vergaderingen en organen de bepalingen van toepassing opgenomen in de artikelen 15-31 van ordinantie 1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 99

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
99

De hier gestelde leeftijdsgrens kan voor hen, die op 30 April 1951 in de zin van ordinantie 1-16-4 verbonden zijn aan een kerkelijk lichaam, daarvoor een bezoldiging ontvangen en de leeftijd van 65 jaar bereiken, zo hun gezondheidstoestand dat toelaat, door het lichaam, dat hen benoemde, van kalenderjaar tot kalenderjaar verschoven worden, doch uiterlijk tot de 31ste December

van het jaar en wel voor hen, die in dat jaar de leeftijd bereikten van
1951
1952
1953
1954
1955
70 jaar
69 jaar
68 jaar
67 jaar
66 jaar

 

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 100

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
100

Het in overgangsbepaling no. 99 bepaalde is echter niet van toepassing op hen, voor wie reeds op 30 April 1951, hetzij bij of krachtens kerkelijk reglement, hetzij volgens aanstelling, bijzondere overeenkomst of regeling, een vroegere leeftijdsgrens bestond, in welk geval deze vroegere grens voor hen gehandhaafd blijft.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 101

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
101

Zij, die in ambt of bediening werkzaamheden verrichten waaraan geen bezoldiging verbonden is en op 30 April 1951 de leeftijd van 70 jaren reeds bereikten, of gedurende hun op die datum lopende zittingstijd die leeftijd bereiken, houden zitting of blijven aan tot de tijd, waarvoor zij benoemd zijn, verstreken is.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 102

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
102

Zij, die op 1 Mei 1951 lid zijn van dezelfde kerkeraad en elkander in de eerste of tweede graad van bloed- of aanverwantschap bestaan, blijven in de kerkeraad zitting houden, tot hun lopende zittingstijd is beëindigd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 103

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
103

De tweede secretaris der algemene synodale commissie treedt met ingang van 1 Mei 1951 op als secretaris van algemene zaken.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 104

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
104

Het breed moderamen der generale synode treft de nodige maatregelen ter formering van het secretariaat-generaal der Hervormde Kerk, met dien verstande, dat deze vorming op 31 December 1951 is tot stand gekomen, waarbij, indien vestiging ter zelfder plaatse als het secretariaat der synode nog onmogelijk is, tevens wordt bepaald, waar de verschillende onderdelen van het secretariaat-generaal voorlopig gevestigd zullen zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 105

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
105

Het sociologisch instituut van „Kerk en wereld” wordt per 1 Mei 1951 omgezet in een sociologisch instituut van de Nederlandse Hervormde Kerk, terwijl het breed moderamen der generale synode zorg draagt, dat ten aanzien van dit instituut vóór 31 December 1951 is voldaan aan de voorschriften, in de leden 6 en 7 van art. 27 van ordinantie 1 gegeven, met dien verstande, dat in het in te stellen curatorium van dit instituut de helft van de leden wordt benoemd op voordracht van het curatorium van het instituut „Kerk en wereld”.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 106

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
106

Behoudens latere wijziging geschieden de hier bedoelde mededelingen na 30 April 1951 in het Weekblad der Nederlandse Hervormde Kerk, staande onder een redactie, waarvan de secretaris-generaal ambtshalve als voorzitter fungeert.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 107

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
107

Voor het jaar 1951 worden deze opgaven gedaan per 1 Mei, terwijl de lijst bedoeld in ordinantie 1-31-3 vóór de 1ste Augustus van het jaar 1951 wordt uitgegeven en voor dat jaar geen aanvullingslijst behoeft te verschijnen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 108

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 1.

No.
108

De wijzigingen in de kerkelijke indeling in ringen, classes en kerkprovincies worden — onverminderd het daarvan krachtens deze overgangsbepalingen ten aanzien van bepaalde vóór dien datum plaats vindende handelingen, reeds gemaakte gebruik — op 1 Mei 1951 van kracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 2

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 109

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
109

De grenzen der gemeenten blijven, zoals zij op 30 April 1951 zijn, totdat daarin naar ord. 2-4-1 of 2-5-1 verandering wordt gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 110

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
110

Het breed moderamen der generale synode neemt in dit register de namen op van hen, die vóór 1 Mei 1951 naar het buitenland zijn vertrokken en alsnog een verzoek daartoe indienen en zo mogelijk ook de namen van anderen, die daarvoor in aanmerking komen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 111

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
111

Het college van kerkvoogden draagt zorg, dat dit register gereed is op een nader door het generaal college van toezicht te bepalen datum, nadat de modellen voor het kaartregister zijn vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 112

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
112

Het college van kerkvoogden is bevoegd het op 30 April 1951 bij de gemeente in gebruik zijnde kerkelijke bevolkingsregister nog gedurende de jaren 1951-1954 in, gebruik te houden, mits
a. dit register vóór 1 Januari 1952 geheel is bijgewerkt en nadien bijgehouden wordt;
b. voor nieuw daarin op te nemen leden en lidmaten — voorzover niet behorende tot een reeds op 30 April 1951 daarin voorkomend gezin — reeds van de datum af, bedoeld in overgangsbepaling no. 111, een kaart volgens een der aangewezen modellen wordt gebezigd;
c. zolang nog van kaarten van een oud model wordt gebruik gemaakt, niettemin de toezending van de gegevens bij verhuizing naar elders geregeld plaats vindt;
d. voor gemeenten die tot een centrale administratie zijn toegetreden, gelden de bepalingen, die voor deze centrale administratie zijn vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 113

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
113

Het bepaalde in art. 3 van ordinantie 2 treedt per 1 Mei 1951 voor alle gemeenten in werking en wordt — zolang er terplaatse nog geen ouderlingen zijn, die als kerkvoogd belast zijn met de zorg voor de stoffelijke belangen der gemeente — ten uitvoer gelegd door de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 114

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
114

Na het gereed komen van het doop-, lidmaten- en trouwboek, ingericht naar het overeenkomstig het bepaalde in 2-3-2 vastgestelde model, worden daarin de namen van hen, die van 1 Mei 1951 af zijn gedoopt, belijdenis hebben gedaan of wier huwelijk is bevestigd, ingeschreven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 115

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
115

Verzoeken tot vorming van een nieuwe gemeente, die op 30 April 1951 nog in behandeling zijn, worden nadien opnieuw behandeld op de wijze als aangegeven in 2-4-1, terwijl het volgens de oude orde tot behandeling van zulk een aanvrage aangewezen orgaan, bevoegd is de behandeling van zulk een verzoek na 1 Januari 1951 te verwijzen naar of over te dragen aan het daarvoor in de kerkorde aangewezen orgaan, ter behandeling van een en ander na 1 Mei 1951, met inachtneming van de terzake in ordinantie 2 gestelde bepalingen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 116

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
116

In de gevallen, waarin na 1 Mei 1951 wordt overgegaan tot grenswijziging, wordt in de daarvoor in aanmerking komende gevallen ook het oordeel gevraagd van het provinciaal college van toezicht op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 117

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
117

De brede moderamina der classicale vergaderingen dragen zorg, dat de hier bedoelde kaarten vóór 31 December 1952 gereed zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 118

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
118

Op verzoeken om grenswijziging, die op 30 April 1951 nog in behandeling zijn, is de overgangsbepaling no. 115 van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 119

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
119

Gedurende het jaar 1951 worden deze namen, zolang het register bedoeld in 3-3-6 nog niet van kracht is geworden, opgenomen op de lijst van stemgerechtigden, die in overgangsbepaling no. 139 tot 1 November 1951 van kracht is verklaard.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 120

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
120

Op verzoeken om samenvoeging, die op 30 April 1951 nog in behandeling zijn, is de overgangsbepaling no. 115 van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 121

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
121

Ten aanzien van de opneming in het register is de overgangsbepaling no. 119 van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 122

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
122

Op verzoeken om combinatie, die op 30 April 1951 nog in behandeling zijn, is de overgangsbepaling no. 115 van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 123

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
123

De op 30 April 1951 tussen twee of meer gemeenten bestaande regelen — ongeacht of deze al of niet in een overeenkomst zijn neergelegd — worden geacht te zijn tot stand gekomen naar het bepaalde in art. 7 van ordinantie 2, terwijl — zo een schriftelijke regeling ontbreekt of niet voldoet aan de voorschriften gegeven in ordinantie 2-7-2 — vóór 31 December 1952 alsnog aan die voorschriften moet worden voldaan.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 124

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
124

Op de wijze hier aangegeven, kan ook ontbinding plaats vinden van reeds op 30 April 1951 bestaande combinaties, evenals wijziging of aanvulling van de regelen, die op die datum krachtens overeenkomst of traditie in een bepaalde combinatie golden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 125

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
125

De kerkeraad van gemeenten met meer dan één gewone predikantsplaats, waar op 30 April 1951 nog geen wijkgemeenten in het leven geroepen waren, draagt zorg, dat daar, behoudens toepassing van het bepaalde in art. 4 van ordinantie 2, uiterlijk per 1 Januari 1953 evenzovele tot de centrale gemeente behorende wijkgemeenten zijn gevormd als er gewone predikantsplaatsen zijn, tenzij die kerkeraad de ontheffing of de toestemming verkregen heeft, bedoeld in 2-9-2 of 2-9-3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 126

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
126

In een gemeente met meer dan één gewone predikantsplaats, waar op 30 April 1951 reeds een indeling in wijkgemeenten of buurtgemeenten bestond, blijven de betrokken locale regelingen na dien datum van kracht, totdat de vergadering, bedoeld in 2-13-2, de — uiterlijk per 1 Januari 1953 in werking tredende — regelingen heeft getroffen, ter aanpassing van de betrokken bepalingen aan hoofdstuk II van ordinantie 2 en aan hetgeen elders in de ordinanties der Kerk voor gecentraliseerde gemeenten is bepaald.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 127

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
127

Wanneer bij de uitvoering van de in de ordinantie voor de vorming van gemeenten gestelde regelen inzake centrale gemeenten zich een feit of omstandigheid voordoet, waarom het gewenst zou zijn inzake een onderdeel van die regelen af te wijken, kan het breed moderamen der generale synode van geval tot geval een afwijkende bepaling vaststellen voor een tijdvak, dat uiterlijk 31 December 1955 ten einde loopt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 128

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
128

Het hier bepaalde is van overeenkomstige toepassing in gemeenten, waar krachtens overgangsbepaling no. 125 in de loop van de jaren 1951 en 1952 tot vorming van wijkgemeenten wordt overgegaan.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 129

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
129

Indien in een gemeente het verlangen leeft, om vooralsnog tot een gewijzigde verdeling van de werkzaamheden over te gaan, gaat hij — zo dat niet reeds op 30 April 1951 het geval was — uiterlijk per 1 Januari 1953 tot de vorming van de wijkgemeenten over en onderwerpt vóór 1 October 1952 de begeerde wijzigingen aan de goedkeuring van het breed moderamen van de betrokken provinciale kerkvergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 130

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
130

De op 30 April 1951 bestaande gestichtsgemeenten worden geacht naar het bepaalde van ord. 2-18-2 tot stand te zijn gekomen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 131

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
131

Het breed moderamen der classicale vergadering draagt zorg, dat vóór 31 December 1951 in de gestichtsgemeenten uit zijn ressort een kerkeraad is gevormd, regelt daarbij de afvaardiging ter classicale vergadering en doet in de gestichtsgemeente tot zolang zelf hetgeen des kerkeraads is.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 132

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
132

Het breed moderamen der generale synode treft vóór 31 December 1952 de maatregelen tot vorming van een schippersgemeente onder een centrale kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 133

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
133

De raad voor de varende gemeente en de schipperspredikanten in algemene of locale dienst zetten hun arbeid voort naar de daarvoor op 30 April 1951 geldende, waar nodig aan de kerkorde aangepaste, regelen, tot aan de vorming van de centrale schippersgemeente, waarbij tevens de overgang van de alsdan dienstdoende schipperspredikanten naar de schippersgemeente wordt geregeld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 134

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
134

Het breed moderamen der generale synode gaat, wanneer zich wenselijkheid en mogelijkheid daartoe voordoen, over tot de vorming van één of meer Hervormde gemeenten in het buitenland, dan wel tot opneming daarvan in de kerkelijke indeling.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 135

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 2.

No.
135

Het breed moderamen der generale synode treft vóór 31 December 1951 de maatregelen, die nodig zijn tot voortzetting en overschakeling van de arbeid — alsdan hetzij uitgaande van de brede moderamina der betrokken provinciale kerkvergaderingen, hetzij onder leiding van één of meer daartoe gevormde bijzondere commissies —
a. van de Commissie van Noord-Holland boven het Y met de ten behoeve van deze commissie werkzame predikant in algemene dienst,
b. van de regionale commissie voor het Zuiden,
c. van andere soortgelijke lichamen,
die tot aan de totstandkoming van deze maatregelen hun arbeid naar de op 30 April 1951 voor hen geldende bepalingen voortzetten.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 3

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 136

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
136

De verkiezing van ouderlingen en diakenen, die per 1 Mei 1951 of later moeten zitting nemen, hetzij ter vervulling van periodieke vacatures, hetzij wegens uitbreiding van het getal ouderlingen of diakenen, hetzij ter voorziening in om andere redenen opengevallen plaatsen, geschiedt tot 1 November 1951 nog op de wijze als ter plaatse op 30 April 1951 naar de bepalingen van het reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen gold.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 137

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
137

Geschiedde dit onder inschakeling van een kiescollege, dan blijft dit ook het geval gedurende het tijdvak van 1 Mei—31 October 1951, terwijl na 30 April 1951 om welke reden ook opengevallen en niet ambtshalve door een kerkeraadslid te bezetten plaatsen niet meer worden vervuld en in 1951 geen tienjaarlijkse stemming meer wordt gehouden, als bedoeld in art. 4 lid 2 van het reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 138

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
138

Zolang een gemeente na 1 November 1951 nog niet tot de vorming van wijkgemeenten is overgegaan, gelden voor de verkiezing van ouderlingen, kerkvoogden en diakenen de regelen, gesteld in art. 4-12 van ordinantie 3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 139

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
139

Van 1 Mei—31 October 1951 zijn alleen diegenen stemgerechtigd, die voorkomen op de lijst bedoeld in het derde lid van art. 2 van het reglement op de benoeming, opgemaakt per 31 October 1950, of daarop krachtens overgangsbepaling no. 119 of 121 (onder afvoering van de lijst in hun vroegere gemeente) zijn geplaatst, terwijl de verkiezing van ouderlingen en diakenen met ingang van 1 November 1951 geschiedt naar de bepalingen van ordinantie 3 met behulp van het register van tot stemming bevoegde lidmaten, zoals dit vóór 1 November 1951 is opgemaakt naar het bepaalde in art. 3 van ordinantie 3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 140

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
140

De verkiezing van predikanten geschiedt van 1 Mei 1951 af naar de bepalingen daarvoor in de kerkorde gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 141

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
141

De telling, of het register van tot stemming bevoegde lidmaten minder dan 200 namen bevat, geschiedt voor de eerste maal met behulp van het per 1 November 1951 van kracht geworden register, terwijl tot die datum de telling volgens de lijst en naar de stand van 1 November 1950 van kracht blijft.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 142

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
142

De artikelen 4-11 van ordinantie 3 vinden eerst toepassing na 31 October 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 143

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
143

De verkiezing — waar nodig — van een predikant wordt, zo de beroepsbrief niet vóór 8 April 1951 is verzonden, uitgesteld tot na 30 April 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 144

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
144

Deze bepaling behoeft in het tweede kwartaal van het jaar 1951 nog niet te worden nageleefd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 145

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
145

De vóór 30 April 1951 naar de bepalingen van het reglement op de predikantsplaatsen verleende autorisaties blijven na die datum nog gedurende zes maanden van kracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 146

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
146

De hier gestelde vereisten gelden nog niet voor een beroep, dat vóór 1 Mei 1951 is aangenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 147

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
147

Zij die de volledige theologische opleiding van de Ned. Zendingsschool te Oegstgeest hebben genoten, en op 30 April 1951 gedurende ten minste 10 jaren werkzaam zijn geweest als zendeling van een aan de Hervormde Kerk nauw verwant zendingslichaam, of als predikant, of Indisch predikant van de Prot. Kerk in Indonesië, of in een naar het oordeel van het breed moderamen der generale synode daaraan gelijkwaardige werkkring, kunnen door dat moderamen — de raad voor de zending gehoord — beroepbaar worden verklaard in de Nederlandse Hervormde Kerk, terwijl het genoemde moderamen bevoegd is om in bijzondere gevallen inzake de termijn van 10 jaren dispensatie te verlenen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 148

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
148

Een consent, afgegeven volgens artikel 22 van het reglement op de predikantsplaatsen, blijft, mits het gedateerd is na 1 januari 1948, nog geldig gedurende de jaren 1951, 1952 en 1953; in de overige gevallen dient na 1 Mei 1951 een nieuw consent volgens artikel 17 van ordinantie 3 te worden aangevraagd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 149

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
149

Indien een beroep is aangenomen vóór 1 Mei 1951 en vóór die datum nog niet is geapprobeerd, geschiedt de approbatie onder overeenkomstige toepassing van de bepalingen van de kerkorde.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 150

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
150

Op de bevestiging van een predikant plaatsvindende na 30 April 1951 zijn de bepalingen van de kerkorde van toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 151

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
151

Met de vervulling van predikantsvacatures in buitengewone gemeenten, wordt, zo daartoe geen beroep is uitgebracht op 8 April 1951, gewacht tot na 30 April van dat jaar onder toepassing alsdan van de bepalingen der kerkorde.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 152

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
152

De verkiezing van ambtsdragers in een nieuw gevormde gemeente, die redelijkerwijze niet vóór 30 April 1951 kan zijn voltooid, wordt tot na die datum uitgesteld en geschiedt alsdan naar het bepaalde in art. 23 van ordinantie 3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 153

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 3.

No.
153

Artikel 24 van ordinantie 3 geldt voor de na 30 April 1951 gehouden verkiezingen van ambtsdragers.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 4

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 154

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
154

De arbeid van de raad voor Kerk en Israël wordt per 1 Mei 1951 voortgezet door de raad voor de verhouding van Kerk en Israël.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 155

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
155

Zij, die benoemd door en in opdracht van de generale synode in het kader van het werk van de raad voor Kerk en Israël op 30 April 1951 als predikant of evangelist werkzaam waren, worden geacht met gelijke plichten en rechten volgens ordinantie 4-3-1 te zijn benoemd en zetten hun arbeid na 30 April 1951 voort onder leiding van de raad voor de verhouding van Kerk en Israël.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 156

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
156

Als generale regeling inzake de opleiding van, de examen-eisen aan en de testimona voor degenen, die begeren in deze bediening te worden gesteld, geldt — behoudens de daarin naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 46 aan te brengen formele wijzigingen — de beschikking van de generale synode van 16 Juni 1950 ter uitvoering van het bepaalde in art. 1 van het reglement op de kerkelijke medewerkers.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 157

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
157

Overgangsbepaling no. 156 is mede van toepassing op 4-25-2; 5-3-3; 9-9-4 en 15-5-2.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 158

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
158

De op 30 April 1951 ter beschikking van de raad voor Kerk en Israël staande gelden vormen per 1 Mei 1951 tezamen het begin-saldo van de kas voor de arbeid onder Israël, terwijl de aanpassing aan het derde lid van artikel 4 plaats heeft na overleg met de houding van Kerk en Israël.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 159

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
159

De arbeid van de raad voor de uitwendige zending wordt per 1 Mei 1951 voortgezet door de raad voor de zending.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 160

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
160

De raad voor de zending stelt zich vóór 1 Juli 1951 in verbinding met de Verenigde Nederlandse Zendingscorporaties om deze uit te nodigen tot het plegen van overleg over de vraag, op welke wijze de raad voor de zending de leiding en verzorging van de zendingsarbeid, tot dusverre aan hen gelaten, zal overnemen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 161

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
161

Gedurende de jaren 1951-1960 blijft de zorg voor de zendingsarbeid, zoals deze op 30 April 1951 gedragen werd door de Gereformeerde Zendingsbond, bij genoemde bond, met het oog waarop de generale synode in de raad voor de zending vijf leden van de Gereformeerde Zendingsbond benoemt, van welke ten minste drie leden van het hoofdbestuur van die bond, die daartoe een enkelvoudige voordracht indient.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 162

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
162

Degene, die gedurende dit tijdvak als zendingsarbeider in dienst is van de Gereformeerde Zendingsbond, kan bij besluit van het breed moderamen der generale synode worden beschouwd als zendingsarbeider van de Nederlandse Hervormde Kerk, onder gelijktijdige regeling van de daaraan verbonden financiële vraagstukken.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 163

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
163

Vóór 1 Januari 1961 treden de raad voor de zending en het hoofdbestuur van de Gereformeerde Zendingsbond met elkander in overleg omtrent de zorg voor het hierbovengenoemde deel van het zendingswerk na 31 December 1960.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 164

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
164

Vóór 1 Juli 1951 treedt de generale synode in overleg met de Verenigde Nederlandse Zendingscorporaties en de Gereformeerde Zendingsbond inzake de benoeming van de leden van het directorium, bedoeld in ordinantie 4-8-4.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 165

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
165

De raad voor de zending treft — onder goedkeuring van de generale financiële raad — vóór 31 December 1951, voor zoveel nodig met de V.N.Z. en de G.Z.B, een regeling inzake de outillering en organisatie van zijn arbeid, inzake de bureaux en instituten, die voortaan vallen onder de bepalingen van artikel 9 van ordinantie 4, en voorts met betrekking tot de zakelijke verhoudingen met en tot andere op het gebied van de zending werkende lichamen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 166

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
166

De op 30 April 1951 bestaande banden tussen één of meer gemeenten en een bepaald deel van het zendingswerk blijven bestaan, voorzover daarin na die datum langs de weg van ordinantie 4-10-1 geen wijziging wordt gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 167

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
167

De op 30 April 1951 bij een van de Hervormde Kerk uitgaand of aan haar nauw verbonden zendingslichaam in dienst zijnde mannelijke predikanten en zendelingen worden per 1 Mei 1951 geacht naar artikel 13 van ordinantie 4 zendingspredikanten te zijn, indien het breed moderamen der generale synode — de raad voor de zending gehoord — daartoe, in elk geval afzonderlijk, besluit.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 168

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
168

Zij, die op 30 April 1951 in dienst zijn bij een van de Hervormde Kerk uitgaand of aan haar nauw verbonden zendingslichaam, als hulpprediker, evangelist, arts, verpleegster of onderwijzer, kunnen bij besluit van de raad voor de zending geacht worden van 1 Mei 1951 af in een kerkelijke bediening te zijn gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 169

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
169

De bezoldiging van de zendingspredikanten en van hen die staan in een bediening in het zendingswerk blijft, zoals deze op 30 April 1951 was geregeld, tenzij daarin na die datum krachtens die regeling of naar de bepalingen der kerkorde rechtens wijziging wordt gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 170

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
170

Uit de gelden, kassen en fondsen, op 30 April 1951 staande ter beschikking van of toekomende aan de raad voor de uitwendige zending, worden — onder goedkeuring van de generale financiële raad — per 1 Mei 1951 een of meer generale kassen voor de zending gevormd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 171

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
171

De benoeming van een of meer thesauriers en van de leden der financiële commissie geschiedt zo spoedig mogelijk na 1 Mei 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 172

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
172

De gedeputeerde bij de overheid, op 30 April 1951 als zodanig werkzaam, wordt geacht per 1 Mei 1951 te zijn benoemd naar het bepaalde in ordinantie 4-21-1 en 4-21-2.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 173

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
173

De arbeid van de raad voor de inwendige zending (curatorium van Kerk en wereld) wordt per 1 Mei 1951 overgenomen en voortgezet door de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 174

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
174

De raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie kan — van geval tot geval en gelet op de ontwikkeling en praktische ervaring van de betrokkene — verklaren, dat hij, die op 30 April 1951 als kerkelijk medewerker naar het reglement op de kerkelijke medewerkers in dienst van één of meer gemeenten is, geacht wordt naar de bepalingen van de artikelen 27 en 28 van ordinantie 4 in een bediening te zijn gesteld, met dien verstande, dat deze verklaring in ieder geval wordt afgegeven aan die kerkelijke medewerkers, die aan het instituut „Kerk en wereld” de voor de betrokken bediening vereiste opleiding met goed resultaat hebben genoten.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 175

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
175

De regeling van de bezoldiging van hen, die naar overgangsbepaling no. 174 per 1 Mei 1951 geacht worden in een bediening te zijn gesteld als bedoeld in de artikelen 27 en 28 van ordinantie 4, blijft dezelfde, behoudens daarin na die datum rechtens aangebrachte wijziging.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 176

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
176

De op 30 April 1951 ter beschikking van de raad voor de inwendige zending (curatorium van Kerk en wereld) staande of komende activa vormen per 1 Mei 1951 het beginsaldo van de kas voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 177

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
177

De stichtingsacten, statuten en reglementen van de stichting „Kerk en wereld” en andere, op 30 April 1951 in het kader van de arbeid van de raad voor de inwendige zending (curatorium van Kerk en wereld) bestaande stichtingen worden vóór 31 December 1951 zodanig gewijzigd, dat het doel van deze stichtingen alleen beoogt haar ten behoeve van de betrokken raden genoemd in ordinantie 4 dienstbaar te doen zijn bij de deelneming aan het rechtsverkeer en bij het verwerven, houden of exploiteren van onroerende goederen en andere kapitalen, terwijl deze acten dan tevens moeten voldoen aan de eisen daaromtrent gesteld in ordinantie 1-27-7 letter d.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 178

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
178

De op 30 April 1951 aan deze stichtingen opgedragen taken van andere aard dan aangegeven aan het einde van overgangsbepaling no. 177, gaan per 1 Mei 1951 over op de raad voor de zaken van Kerk en samenleving, dan wel op de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 179

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
179

De leden van het curatorium van de stichting „Kerk en wereld” treden per 30 April 1951 af, waarna dit curatorium per 1 Mei 1951 opnieuw wordt samengesteld, naar de bepalingen van artikel 33 van ordinantie 4.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 180

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 4.

No.
180

Allen, die per 30 April 1951 in een bezoldigde betrekking tot het instituut of de stichting „Kerk en wereld” staan, zetten hun arbeid met behoud van ieders plichten en rechten voort, behoudens latere wijziging rechtens.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 5

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 5.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 181

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 5.

No.
181

Het werk, tot 30 April 1951 verricht door de Hervormde Jeugdraad, wordt met behoud, behoudens latere wijziging rechtens, van de door deze in het leven geroepen organisaties en instellingen na die datum voortgezet door de raad voor het jeugdwerk.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 182

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 5.

No.
182

De raad voor het jeugdwerk kan aan hen, die op 30 April 1951 als jeugdleider of in een overeenkomstige functie in een gemeente werkzaam zijn per 1 Mei 1951 de bevoegdheid geven van jeugdwerkleider in de zin van artikel 3 van ordinantie 5, indien hun ontwikkeling en kennis daartoe strekt, hetgeen steeds geacht wordt het geval te zijn met hen, die aan het instituut Kerk en wereld de opleiding tot jeugdleider geheel en met goed gevolg hebben genoten.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 183

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 5.

No.
183

Het moderamen der generale synode draagt, zo de per 30 April 1951 bestaande regeling niet krachtens overgangsbepaling no. 46 per 1 Mei 1951 is gecontinueerd, zorg, dat de hier bedoelde generale regeling uiterlijk op 1 Augustus 1951 in werking treedt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 184

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 5.

No.
184

Het werk, tot 30 April 1951 door de raad voor Kerk en school verricht ten behoeve van het bijzonder en openbaar onderwijs, wordt met behoud van de door deze in het leven geroepen organisaties en instellingen na die datum, behoudens latere wijziging rechtens, voortgezet door de raad voor de zaken van Kerk en school.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 185

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 5.

No.
185

De kerkeraden zijn bevoegd hen, die op 30 April 1951 krachtens een kerkeraadsopdracht werkzaam waren ten behoeve van het godsdienstonderwijs op de scholen bij de raad voor de zaken van Kerk en school, voor te dragen voor toekenning — op grond van gebleken geschiktheid en verkregen ervaring — van testimonium I of II.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 6

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 186

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
186

Ter voorbereiding van de vaststelling van het dienstboek der Kerk, bedoeld in het eerste lid van art. XIII der kerkorde, stelt de generale synode een ontwerp voor dat dienstboek vast, hetwelk zij, voorzover gereed, per 1 Mei 1951 overdraagt aan de alsdan functionnerende generale synode, die, nadat gedurende geruime tijd aan de gemeenten de gelegenheid is gegeven het ontwerp, nadat dit zal zijn voltooid, in het gebruik te toetsen, overgaat tot behandeling volgens het bepaalde in het tweede lid van art. XIII voornoemd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 187

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
187

Dit ontwerp wordt aan de kerkeraden toegezonden, terwijl — zolang de Kerk terzake van het dienstboek nog geen definitief besluit heeft genomen — de verschillende onderdelen van het ontwerp in de kerkdiensten der gemeente kunnen worden gebruikt, indien en voorzover de kerkeraad daarvoor de toestemming verleent.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 188

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
188

Zolang over het dienstboek en het psalm- en gezangboek en het gebruik daarvan door de Kerk, naar de daarvoor geldende bepalingen, geen nadere besluiten zijn genomen, wordt na 30 April 1951 de ter zake op dien datum bestaande regeling gecontinueerd, met dien verstande, dat het bepaalde in art. 39 van het reglement op het godsdienstonderwijs — behoudens toepassing van het bepaalde in overgangsbepaling no. 187 — van kracht blijft en de vaststelling van de orden van dienst, het gebruik van de Heidelbergse catechismus, van de formulieren, van de belijdenisvragen en van de vragen bij de voorbereiding tot het Avondmaal door de dienstdoende predikanten geschiedt in overleg met de kerkeraad der (wijk)gemeente, terwijl bij de vervulling van de vacature-beurten door het breed-ministerie de beslissing ter zake bij de dienstdoende predikant berust, na overleg met de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 189

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
189

Van deze bepaling kan, indien ter plaatse nog een contract terzake mocht bestaan tussen een kerkeraad, een kerkelijk orgaan of ambtsdragers en de drukker of uitgever van een plaatselijke of regionale kerkbode, door het breed moderamen der provinciale kerkvergadering nog tot uiterlijk 31 December 1951 ontheffing worden verleend.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 190

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
190

De werkgroep „Kerk en prediking” blijft in de samenstelling, zoals deze op 30 April 1951 is, haar taak nog tot het einde van het kerkelijk jaar 1950/1951 op 1 December 1951 vervullen, waarna haar werkzaamheden worden overgenomen en naar de bepalingen van de kerkorde voortgezet door de raad voor de zaken van Kerk en theologie.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 191

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
191

Deze goedkeuring is vereist voor alle projecten, die na 30 April 1951 ter uitvoering worden aanbesteed, of in eigen beheer worden ten uitvoer gelegd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 192

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
192

De op 30 April 1951 bij een gemeente in dienst zijnde kosters worden geacht met behoud van plichten en rechten — behoudens latere wijziging rechtens — per 1 Mei 1951 te zijn aangesteld naar het bepaalde in ordinantie 6-5-1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 193

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
193

De op 30 April bij een gemeente in dienst zijnde organisten worden geacht, met behoud van plichten en rechten — behoudens latere wijziging rechtens — per 1 Mei 1951 te zijn aangesteld naar het bepaalde in ordinantie 6-6-3, terwijl het bepaalde in ordinantie 6-6-3 eerst van kracht is voor de benoemingen van een organist, die plaats vinden na 30 April 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 194

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
194

Per 1 Mei 1951 gelden als voorwaarden voor het uitreiken van deze testimonia de voorwaarden vastgesteld door de raad voor Kerk en eredienst en opgenomen in het rapport van die raad over taak en positie van de cantor-organist, zoals dit op 17 Februari 1950 door de generale synode is aanvaard.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 195

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
195

Als model voor een aanstelling geldt dat, opgenomen in het rapport, genoemd in overgangsbepaling no. 194 terwijl ook de op 30 April 1951 reeds in dienst zijnde organisten, nadat over de inhoud daarvan overeenstemming is bereikt tussen het college van kerkvoogden en de organist, een aanstelling als hier bedoeld kunnen ontvangen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 196

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
196

De werkzaamheden van de raad voor Kerk en eredienst worden per 1 Mei 1951 voortgezet door de raad voor de eredienst, terwijl de bij eerstgenoemde raad op 30 April 1951 in functie zijnde secretarissen hun werkzaamheden per 1 Mei 1951 ten behoeve van laatstgenoemde raad voortzetten.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 197

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
197

Geen uitgaven van psalm- en gezangboek, dienstboek of kerkboek geschieden dan op last of met machtiging van de raad voor de eredienst, door tussenkomst van de desbetreffende vaste commissie van de raad, wier toestemming mede van node is bij het overnemen door derden van liederen of andere onderdelen uit die uitgaven der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 198

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
198

De raad voor de eredienst benoemt uit zijn midden of uit de commissie voor het dienstboek 3 leden, belast met het voor de eerste maal voor de druk gereedmaken van het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 199

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
199

De commissie voor het psalm- en gezangboek is mede belast met het doen van voorstellen inzake wijziging, verbetering, aanvulling of vervanging van de liederen, berijmingen en zangwijzen uit het psalm- en gezangboek op 1 November 1938 door de algemene synode aangeboden aan de Nederlandse Hervormde Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 200

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 6.

No.
200

De werkzaamheden van de commissie van toezicht op de druk en de uitgave der Evangelische gezangen worden per 1 Mei 1951 overgenomen en voortgezet door de daartoe aangewezen sectie van de commissie voor het psalm- en gezangboek uit de raad voor de eredienst.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 7

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 201

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
201

De op 30 April 1951 in functie zijnde kerkelijke hoogleraren worden geacht per 1 Mei 1951 naar ordinantie 7-3-1 te zijn benoemd en zetten hun werkzaamheden na die datum volgens de bepalingen van de kerkorde voort, terwijl een eventuele vacature, waarin niet vóór 30 April 1951 is voorzien, na die datum volgens de bepalingen der kerkorde wordt vervuld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 202

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
202

De op 30 April 1951 in functie zijnde docenten vanwege de Hervormde Kerk worden geacht per 1 Mei 1951 te zijn benoemd volgens ordinantie 7-3-3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 203

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
203

De door de kerkelijke hoogleraren krachtens art. 10* van het reglement op het hoger onderwijs op 30 April 1951 verkregen toestemmingen blijven tot 1 Januari 1955 van kracht, terwijl de op 30 April 1951 bestaande dispensaties volgens art. 3 lid 2 zinsnede 2 van het reglement op het hoger onderwijs nog gedurende de jaren 1951 en 1952 blijven bestaan, waarna zulk een dispensatie opnieuw moet worden aangevraagd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 204

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
204

De op 30 April 1951 bestaande inschrijvingen in het album bedoeld in art. 12 van het reglement op het hoger onderwijs gelden tot de aanvang van het academiejaar 1951/52.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 205

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
205

Het bepaalde in lid 1 en 2 van art. 5 van ordinantie 7 treedt in werking 1 October 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 206

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
206

Deze kas treedt in werking per 1 Mei 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 207

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
207

Als zodanig worden per 1 Mei 1951 aangewezen en gecontinueerd:
a. het op 30 April 1951 bestaande fonds bedoeld in art. 16 lid 3 van het reglement op het hoger onderwijs; en
b. het op 30 April 1951 bestaande Studiefonds der Nederlandse Hervormde Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 208

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
208

Met ingang van 1 Mei 1951 worden zij, die zich aan het kerkelijk examen onderwerpen, geëxamineerd naar de bepalingen van de ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 209

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
209

Totdat daarin naar ordinantie 7-11-1 zal zijn voorzien, blijven de regelingen van kracht die op 30 April 1951 vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk bestaan ten aanzien van de opleiding van zendingspredikanten aan de zendingshogeschool te Oegstgeest.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 210

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
210

De op 30 April 1951 volgens de dan geldende regeling lopende cursus van het seminarium, wordt volgens de bestaande regeling na 30 April 1951 voortgezet en beëindigd, terwijl de eerste volledige cursus volgens deze ordinantie begint op 15 September 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 211

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
211

Per 1 Mei 1951 wordt het proponentsexamen door het colloquium vervangen, met dien verstande, dat zij, wier seminariumopleiding op 1 Juli 1951 is voltooid, in de gelegenheid worden gesteld, deel te nemen aan een colloquium in de tweede helft van de maand Juli van het jaar 1951, terwijl zij, die in Juli of October 1951, dan wel in Februari 1952 aan het colloquium deelnemen, nog zijn vrijgesteld van de verplichte werkzaamheden in het practische pastorale werk, bedoeld in letter e. van artikel 15 van deze ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 212

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 7.

No.
212

Aan hen, wier voorbereiding op het seminarium op 1 Februari 1951 is voltooid, wordt door de provinciale kerkbesturen de gelegenheid geboden, het proponentsexamen af te leggen in de tweede helft van de maand April 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 8

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 8.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 213

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 8.

No.
213

Tot 1 Juni 1951 blijven nog van kracht de berichten, bedoeld in het reglement op de kerkeraden artikel 14 sub 1° letter d.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 214

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 8.

No.
214

Voor het gebruik van het formulier geldt het bepaalde in overgangsbepaling no. 188.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 215

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 8.

No.
215

Zolang de generale synode zich hierover na 1 Mei 1951 nog niet heeft uitgesproken, wordt de ter plaatse vóór die datum bestaande praktijk gevolgd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 9

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 216

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
216

Het catechetisch onderwijs wordt, wat indeling en methode betreft, in de gemeenten in de loop van het jaar 1951 aan de bepalingen van ordinantie 9 aangepast.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 217

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
217

Gedurende de jaren 1951-1955 geldt ten aanzien van deze bepaling, dat zij door het college van kerkvoogden naar vermogen en redelijkheid als richtlijn wordt betracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 218

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
218

De bepaling, inzake het verstrekken van de gegevens bij verhuizing van de catechisant, behoeft eerst met ingang van 1 Januari 1952 te worden nageleefd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 219

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
219

Voor het gebruik van het formulier geldt het bepaalde in overgangsbepaling no. 188.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 220

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
220

Deze verklaring is eerst van node met ingang van 1 October 1951 tot welke datum het getuigschrift uit art. 40 van het reglement op het godsdienstonderwijs van node blijft, terwijl in de gevallen, waarin voor een op 30 April 1951 bestaande groep of vereniging van gemeenteleden het kerkelijk onderricht niet van de kerkeraad ter plaatse uitgaat en de openbare belijdenis des geloofs in een andere gemeente pleegt te worden afgelegd, het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, op verzoek van visitatoren-provinciaal nog tot 1 Januari 1955 van het in het derde lid van artikel 8 bepaalde, ten behoeve van die gemeenteleden ontheffing kan verlenen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 221

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
221

Hij, die vóór 1 Mei 1951 met goed gevolg het examen heeft afgelegd, bedoeld in artikel 13 van het reglement op het godsdienstonderwijs, en met een aanstelling van de kerkeraad op 30 April 1951 sinds 1 Mei 1950 onafgebroken bij een of meer gemeenten in een bezoldigde hoofdbetrekking als godsdienstonderwijzer werkzaam was, wordt geacht per 1 Mei 1951 de bevoegdheden te bezitten als van een catecheet en als zodanig bij die gemeente in de bediening van catecheet te zijn gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 222

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
222

Zij, die op 30 April 1951 minder dan één jaar, naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 221 als godsdienstonderwijzer, werkzaam waren, kunnen op hun verzoek in de bediening van catecheet worden gesteld onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 223

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
223

Zij, die vóór 1 Mei 1951 met goed gevolg het examen hebben afgelegd, bedoeld in art. 13 van het reglement op het godsdienstonderwijs, en werkzaam waren in een — naar het oordeel van het breed moderamen der generale synode — aan den arbeid der Kerk verwante werkkring, kunnen op hun verzoek, door dat breed moderamen benoembaar worden verklaard tot catecheet.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 224

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
224

Degene, die na 1 Januari 1945 en vóór 1 Mei 1951 met goed gevolg het examen heeft afgelegd, bedoeld in art. 13 van het reglement op het godsdienstonderwijs, is gedurende de jaren 1951-1955 nog benoembaar tot catecheet.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 225

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
225

Het breed moderamen der provinciale kerkvergadering — het breed moderamen der classicale vergadering en de kerkeraad van de woonplaats van de betrokkene gehoord — kan van geval tot geval op verzoek van de betrokkene ten aanzien van hem, die vóór 1 Januari 1945 met goed gevolg het examen heeft afgelegd, bedoeld in artikel 13 van het reglement op het godsdienstonderwijs, verklaren, dat hij geacht wordt de bevoegdheden als van een catecheet te bezitten.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 226

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
226

Indien hij, die krachtens overgangsbepaling no. 221-223 de bevoegdheid als van een catecheet heeft ontvangen, op 30 April 1951 in dienst van een kerkeraad als godsdienstonderwijzer werkzaam is of na die datum bij een kerkeraad in dienst treedt, is op hem het bepaalde inzake de bijzondere banden met en de medewerking van de raad voor de catechese en de bezoldiging, als in artikel 10 en 11 van ordinantie 9 aangegeven, slechts dan van toepassing, indien daartoe in onderling overleg tussen de kerkeraad, de raad voor de catechese en de catecheet alsnog wordt besloten en blijft, tenzij over zijn bezoldiging later anders wordt overeengekomen, terzake de regeling van kracht, die voor hem op 30 April 1951 gold.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 227

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
227

Zij, die op 30 April 1951 in een gemeente werkzaam zijn ten behoeve van hetgeen artikel 2 van ordinantie 9 als voorbereidende catechese aanduidt, zetten — in overleg met de kerkeraad — die arbeid voort en kunnen in dat geval een testimonium als bedoeld in artikel 12 van ordinantie 9 ontvangen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 228

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 9.

No.
228

De werkzaamheden van de commissie voor de catechese worden per 1 Mei 1951 voortgezet door de raad voor de catechese, terwijl degene, die op 30 April 1951 als secretaris van die commissie fungeert, per 1 Mei 1951 optreedt als secretaris van de raad voor de catechese.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 10

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 10.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 229

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 10.

No.
229

Het breed moderamen der generale synode draagt zorg, dat dit model vóór 1 Juli 1951 is vastgesteld en daarvan een genoegzame voorraad exemplaren bestaat, teneinde tegen de daarvoor vast te stellen prijs de gemeenten daarmede op aanvraag te kunnen dienen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 230

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 10.

No.
230

Een kerkeraad kan tot 31 December 1951 nog gebruik maken van de bij hem in het jaar 1950 in gebruik zijnde gedrukte formulieren.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 231

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 10.

No.
231

De kerkeraden dragen zorg, dat zij, die van elders zijn overgekomen, doch geen attestatie hebben ingediend, zoveel mogelijk alsnog een attestatie of bewijs van lidmaatschap aan de kerkeraad hunner vroegere woonplaats vragen, en dat zij — met het oog op de in ordinantie 3-3-2 genoemde datum van 1 September — het betrokken stuk uiterlijk op 1 Juli 1951 bij de kerkeraad hunner woonplaats indienen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 232

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 10.

No.
232

Op verzoek van een lidmaat verlenen de kerkvoogden of de kerkeraad tot 1 Juli 1951 hun bemiddeling bij het opvragen van de attestatie of van het bewijs van lidmaatschap, waartoe het secretariaat-generaal der Kerk een formulier opstelt, waarvan op hun verzoek tegen de vastgestelde prijs het gevraagde getal exemplaren wordt toegezonden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 233

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 10.

No.
233

Zij, die vóór 1 Mei 1951 uit het buitenland zijn gekomen, kunnen door de kerkeraad, krachtens eigen opzicht, ook zonder overlegging van een attestatie, per 1 Juli 1951 in het lidmatenboek der gemeente worden ingeschreven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 234

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 10.

No.
234

Voor het gebruik van een formulier geldt het bepaalde in overgangsbepaling no. 188.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 11

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 235

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
235

Indien visitatoren-provinciaal bij hun onderzoek naar en het opzicht over het geestelijk leven der gemeenten komen te staan voor het feit, dat een aantal lidmaten verklaart binnen de grenzen van artikel X der kerkorde behoefte te hebben aan een andere modaliteit van prediking en catechese dan ter plaatse wordt gevonden, en de kerkeraad van oordeel is de verantwoordelijkheid daarvoor als zodanig niet alleen te kunnen dragen, kunnen visitatoren-provinciaal — na raadpleging van visitatoren-generaal — aan de provinciale kerkvergadering verzoeken met de kerkeraad in overleg te treden, teneinde met deze tot een regeling te komen, waarbij deze verantwoordelijkheid mede gedragen wordt door het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, hetwelk in dat geval bevoegd is, zo de betrokken lidmaten verklaren de daaraan verbonden lasten te zullen dragen, in de betrokken gemeente een neven-voorziening in het pastoraat te treffen, hetzij door de bijstand van een of meer pastorale medewerkers, van een hulpprediker, van een vicaris of van een predikant ener andere gemeente, hetzij door de vestiging van een predikantsplaats voor buitengewone werkzaamheden, verbonden aan de kerkprovincie.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 236

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
236

Wordt naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 235 een pastorale nevenvoorziening getroffen met gebruikmaking van hulpkrachten als bedoeld in hoofdstuk VIII van ordinantie 13, dan treft het breed moderamen der provinciale kerkvergadering in overleg met de kerkeraad voor elk geval afzonderlijk een regeling voor de plaats en de arbeid dezer hulpkrachten in de gemeente en hun verhouding tot de ambtelijke vergaderingen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 237

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
237

Indien naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 235 een predikantsplaats voor buitengewone werkzaamheden wordt gevestigd, geldt daarvoor het bepaalde in art. 3 van ordinantie 13 met dien verstande:
a. dat de daarop gevestigde predikant de bevoegdheden heeft, genoemd in art. 2 van ordinantie 13;
b. dat de predikant de kerkeraadsvergaderingen bijwoont met adviserende stem;
c. dat voor zijn werkzaamheden geen orgaan van bijstand behoeft te worden aangewezen;
d. dat hij ter classicale vergadering wordt afgevaardigd en daar een concluderende stem heeft;
e. dat het breed moderamen der provinciale kerkvergadering in overleg met de kerkeraad een of meer ouderlingen en diakenen aanwijst, die in de vergadering van de kerkeraad, de diaconie en het college van kerkvoogden een adviserende stem hebben;
f. dat nevens de predikant een der onder letter e. genoemde ambtsdragers afgevaardigd wordt naar de classicale vergadering, waar hij een concluderende stem heeft.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 238

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
238

De regeling tot het treffen van een nevenvoorziening, als bedoeld in overgangsbepaling no. 235, bevat tevens een regeling inzake tijd en plaats van de betrokken kerkdiensten en het gebruik van de benodigde kerkelijke gebouwen voor de catechese en voor het pastorale en gemeentelijke leven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 239

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
239

Het werk dat tot 30 April 1951 wordt verricht door de noodraad voor Kerk en evangelisatie, wordt per 1 Mei 1951 overgenomen door visitatoren-generaal met dien verstande, dat de leden van deze raad gedurende de eerstvolgende drie jaren zullen fungeren als commissie van advies ten dienste van het college van visitatoren-generaal.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 240

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
240

Deze termijn van vier jaren wordt voor de eerste maal verkort en duurt alsdan van 1 Mei 1951—31 December 1954.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 241

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
241

Dit verslag wordt voor de eerste maal samengesteld na afloop van het jaar 1954.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 242

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
242

Indien op iemand krachtens het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht voor een bepaalde tijd een tuchtmiddel is toegepast, waarvan de termijn op 30 April 1951 nog niet is geëindigd, blijft dat tuchtmiddel per 1 Mei 1951 van toepassing, totdat de vóór die datum aangewezen termijn geheel zal zijn verstreken, terwijl voor het gebruik van het formulier, bedoeld in dit artikel sub 6, het bepaalde geldt van overgangsbepaling no. 188.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 243

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
243

Indien in de maand April van het jaar 1951 tegen een lid(maat) der Kerk in eerste aanleg een zaak aanhangig is naar het bepaalde in de eerste afdeling van hoofdstuk III van het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht en de behandeling van deze zaak in eerste aanleg niet vóór 15 April 1951 is ten einde gebracht, wordt deze behandeling na 1 Mei 1951 overgenomen, voortgezet en afgehandeld door het kerkelijk lichaam, dat volgens de bepalingen van de kerkorde zou geroepen zijn zulk een zaak in eerste aanleg te behandelen, in welk geval voor de betrokkene en de generale synode de weg openstaat voor het gebruik van de middelen aangegeven in de artikelen 8-12 van ordinantie 11.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 244

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
244

Doet zich het in overgangsbepaling no. 243 gestelde geval voor ten aanzien van de behandeling van een zaak in hoger beroep, van een verzoek om herziening, of van een verzoek om vernietiging als bedoeld in de tweede en derde afdeling van hoofdstuk III van het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, dan wordt deze behandeling na 1 Mei 1951 overgenomen, voortgezet en afgehandeld door het kerkelijk lichaam, dat volgens de kerkorde zou geroepen zijn zulk een zaak in hoger beroep te behandelen, in welk geval voor de betrokkene en voor de generale synode de weg openstaat voor het gebruik van de middelen aangegeven in de artikelen 9-12 van ordinantie 11.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 245

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
245

Wordt de behandeling van een zaak op de wijze als aangegeven in de overgangsbepalingen no. 243 of no. 244 na 1 Mei 1951 voortgezet, dan gelden de, voor die datum bij de behandeling der zaak volgens het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht inzake termijnen, stukken, verklaringen en verhoren in acht genomen, handelingen en formaliteiten als naar de bepalingen der kerkorde te zijn geschied.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 246

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
246

Ingeval van twijfel of geschil over strekking of toepassing van de overgangsbepalingen no. 242-245 wordt een eindbeslissing gevraagd van de commissie van overgang.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 247

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
247

Het bepaalde in de artikelen 11 en 12 van ordinantie 11 is mede van toepassing op zaken, waarvan de behandeling naar de bepalingen van het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht plaats vond en uiteindelijk vóór 1 Mei 1951 werd afgehandeld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 248

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
248

Teneinde de Kerk de gelegenheid te geven zich op de rechte wijze in te stellen op de uitoefening van haar opzicht over de dienst des Woords en de catechese, treden art. 15 en de leden 1 tot 5 van art. 16 in werking op 1 Mei 1951, terwijl het zesde lid van art. 16 gedurende de tijd van 1 Mei 1951—1 Mei 1961 als volgt gelezen wordt:
„De synode beraadt zich vervolgens over de tegen verkondiging en onderricht van de predikant ingebrachte bezwaren en brengt haar bij dit beraad aan de dag getreden inzicht ter kennis van de Kerk”.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 249

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
249

Wanneer de generale synode als haar inzicht kenbaar maakt, dat de ingebrachte bezwaren tegen verkondiging en onderricht van de predikant inderdaad gegrond zijn, kan deze predikant aan de synode verzoeken van zijn ambt ontheven te worden, in welk geval overgangsbepaling no. 251 ook op hem van toepassing zal zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 250

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
250

De leden 6-10 van art. 16 en art. 17 treden in werking op 1 Mei 1961.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 251

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 11.

No.
251

Voor hem, die op 30 April 1951 dienstdoend predikant der Kerk en sindsdien onafgebroken als zodanig werkzaam was, geldt het bepaalde in art. 17 van ord. 11, met dien verstande, dat hem het totaal van de krachtens ordinantie voorgeschreven, aan zijn standplaats verbonden, inkomsten gewaarborgd blijft tot hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, onder aftrek van de inkomsten, welke hij uit arbeid geniet, welke uitkering echter niet plaats vindt, indien de betrokkene, met of zonder vergoeding, pastoraal werkzaam is en de belangen der Hervormde Kerk, naar het oordeel van het breed moderamen der generale synode, de visitatoren-generaal gehoord, daarvan nadeel ondervinden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 12

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 12.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 252

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 12.

No.
252

Ten aanzien van het gebruik van het formulier geldt het bepaalde in overgangsbepaling no. 188.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 13

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 253

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
253

Alle predikanten, op 30 April 1951 gevestigd op of een beroep aangenomen hebbende naar:
a. een gewone predikantsplaats;
b. een gewone predikantsplaats met een bijzondere opdracht;
c. een buitengewone predikantsplaats, zetten — met behoud van plichten en rechten, behoudens latere wijzigingen daarin rechtens aangebracht en met inachtneming van de uit de bepalingen van ordinantie 13 met betrekking tot hun kerkelijke status voortvloeiende wijzigingen — hun werkzaamheden per 1 Mei 1951 voort, met dien verstande:
1. dat de predikanten op een gewone predikantsplaats alsdan worden aangeduid als predikanten voor gewone werkzaamheden;
2. dat de bijzondere opdracht voortaan bepaalde opdracht wordt geheten;
3. dat de predikanten, bedoeld in het reglement op de predikantsplaatsen art. 7 lid 1 en 2 worden aangeduid als predikanten voor bijzondere werkzaamheden; en
4. dat de predikanten, bedoeld in het sub 3 genoemde artikel 7 lid 3 en 4 worden aangeduid als predikanten voor buitengewone werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 254

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
254

De per 30 April 1951 bestaande regelingen volgens art. 8 van het reglement op de predikantsplaatsen worden per 1 Mei 1951 geacht te zijn vastgesteld naar ordinantie 13-4-3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 255

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
255

De ter plaatse op 30 April 1951 bestaande regelingen voor en van de bijeenkomsten van de plaatselijke predikanten in een ministerievergadering gelden, zo het ministerie daartoe besluit, per 1 Mei 1951 voor het plaatselijk ministerie, met dien verstande, dat die bepalingen daaruit, welke in strijd mochten zijn met de bepalingen van de kerkorde, vóór 1 September 1951 worden gewijzigd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 256

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
256

Deze bepaling is, wat het overleg betreft, nog niet van kracht voor de predikbeurten in het tweede en derde kwartaal 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 257

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
257

De op 30 April 1951 bestaande ringen treffen een regeling met betrekking tot de afwikkeling van zaken voortvloeiende uit de op hen betrekking hebbende wijzigingen in de kerkelijke indeling en geven daarbij in het bijzonder ook acht
a. op de overgang of de bewaring van het archief;
b. op de afrekening met de leden van de ring van de vacaturegelden tot 1 Mei 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 258

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
258

De op 1 Mei 1951 nieuw gevormde brede ministeries kunnen reeds vóór die datum bijeen komen
a. ter regeling van de voorziening in de vacaturebeurten in het tweede kwartaal 1951;
b. ter regeling — in overleg met de bestaande ringvergaderingen — van de zaken genoemd in overgangsbepaling no. 257.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 259

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
259

Geschillen tussen ringen en brede ministeries over het archief of de afrekening van de vacaturegelden, die niet door onderling overleg kunnen worden opgeheven, worden ter eindbeslissing voorgelegd aan de provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 260

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
260

Zo na 1 Januari 1951 vestiging, opheffing of samenvoeging van predikantsplaatsen wordt gevraagd en te voorzien valt, dat de beslissing daarop niet vóór 30 April 1951 is te geven, wordt de behandeling van deze aanvrage opgeschort en overgebracht per 1 Mei 1951 bij het orgaan, dat daarvoor in de kerkorde is aangewezen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 261

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
261

De ter zake per 30 April 1951 bestaande dispensaties gelden ook voor de jaren 1951 en 1952.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 262

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
262

Deze regeling wordt opgesteld vóór en treedt in werking per 1 October 1951, terwijl van 1 Mei 1951 af het breed ministerie van geval tot geval een consulent aanwijst.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 263

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
263

Voor het tweede en derde kwartaal van 1951 is nog geen overleg met de kerkeraad vereist.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 264

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
264

Voor het tweede en derde kwartaal van het jaar 1951 wordt de termijn van drie weken tot één week ingekort.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 265

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
265

De op 30 April 1951 bestaande regelingen met betrekking tot de predikanten, die als leger- of vlootpredikant of ten behoeve van de Protestantse Kerken of het zendingswerk in Indonesië met de vereiste toestemmingen tijdelijk van hun standplaats afwezig zijn, worden geacht per 1 Mei 1951 voor de tijd in die regeling bepaald, doch ten hoogste tot 31 December 1952 van kracht te zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 266

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
266

Een in een bepaald geval vóór 30 April 1951 voor een geheel of ten dele na die datum vallend tijdvak getroffen regeling als hier bedoeld, wordt per 1 Mei 1951 geacht naar ordinantie 13-22-7 te zijn vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 267

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
267

De behandeling van een aanvrage om emeritaat, die op 30 April 1951 nog niet is afgedaan, wordt door het daarvoor in de kerkorde aangewezen orgaan naar de bepalingen der kerkorde ten einde gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 268

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
268

De in additioneel artikel IX (bij art. 48) van het reglement op de predikantsplaatsen ten aanzien van de verplichting tot het nemen van emeritaat wegens het bereiken van de vijf en zestigjarige leeftijd gemaakte uitzonderingen blijven ook na 30 April 1951 van kracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 269

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
269

Zij, die op 30 April 1951 in het bezit zijn van de emeritaatsrechten of van de rechten als van een emeritus, behouden deze rechten ook na die datum, behoudens het inzake het vervallen van deze rechten bepaalde in ordinantie 13-28-2 en 13-29-5.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 270

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
270

Het in overgangsbepaling no. 267 bepaalde is hier van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 271

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
271

Indien zich een geval voordoet van toepassing van art. 50 van het reglement op de predikantsplaatsen, zonder dat die zaak op 15 April 1951 in eerste aanleg is ten einde gebracht, wordt de behandeling daarvan overgenomen en naar de bepaling van art. 30 van ordinantie 13, onder gebruikmaking van de vóór 1 Mei 1951 bijeengebrachte stukken en gegevens, ten einde gebracht door het breed moderamen der betrokken provinciale kerkvergadering, met dien verstande, dat aan de betrokken predikant de keuze blijft tussen de beide financiële regelingen van art. 50 en van art. 30 voornoemd; terwijl een behandeling ter zake van hoger beroep, herziening of vernietiging aan de hand van art. 50 ingesteld, doch op 30 April 1951 nog niet afgedaan, wordt voortgezet en afgehandeld door de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, die alsdan een eindbeslissing geeft.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 272

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
272

Behoudens toepassing van het bepaalde in het vijfde lid van art. 33 van ordinantie 13 wordt de per 30 April 1951 bestaande, door of krachtens art. 59 van het reglement op de predikantsplaatsen aan een predikant verleende vrijheid tot het verrichten van één of meer nevenwerkzaamheden, met inachtneming van de daarbij gestelde voorwaarden, geacht door hem ten aanzien van de betrokken nevenwerkzaamheden ook te zijn verkregen voor de tijd na 30 April 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 273

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
273

Hij die krachtens de overgangsbepalingen no. 221-223 de bevoegdheden als van een catecheet heeft ontvangen of tot catecheet benoembaar is verklaard, wordt geacht tot 1 Mei 1955 tevens de bevoegdheid tot het bepaalde in het tweede lid van art. 36 van ordinantie 13 te hebben verkregen, met dien verstande, dat, voor hem die op 30 April 1951 de bevoegdheid bezat, bedoeld in het tweede lid van art. 10 van het reglement op het godsdienstonderwijs, daarbij niet gebonden is aan de grenzen van de kerkprovincie zijner woonplaats.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 274

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
274

Het breed moderamen ener classicale vergadering kan van geval tot geval, telkens voor een tijdvak van ten hoogste drie jaren, een lidmaat der Kerk, bedoeld in overgangsbepaling no. 225, de bevoegdheid verlenen, om binnen de grenzen der classis in de gevallen, genoemd in het tweede lid van art. 36 van de ordinantie voor het pastoraat, het Evangelie te prediken.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 275

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
275

Zij, die per 30 April 1951 werkzaam zijn naar het bepaalde in art. 11 van het reglement op het godsdienstonderwijs, behouden, tenzij overgangsbepaling no. 276 op hen wordt toegepast, zolang zij in die gemeente werkzaam zijn, de in dat artikel genoemde bevoegdheden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 276

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
276

Het breed mode. amen der generale synode is bevoegd hem, die krachtens het bepaalde in overgangsbepalingen no. 221-223 de bevoegdheden als van een catecheet heeft ontvangen, of tot catecheet benoembaar is verklaard, op grond van bijzondere begaafdheid, kennis of praktische ervaring, de eerste maal voor een tijdvak van niet langer dan vijf jaren en daarna voor onbepaalde tijd, benoembaar te verklaren tot hulpprediker als bedoeld in art. 37 van ordinantie 13.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 277

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
277

Zij, die op 30 April 1951 als hulpprediker werkzaam zijn, treden per 1 Mei 1951 op als vicaris, terwijl zij, die reeds op 30 April 1951 tot hulpprediker benoembaar waren, na die datum nog tot vicaris benoemd kunnen worden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 278

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
278

Emeriti-predikanten, die, krachtens het reglement ter voorziening in het tijdelijk gebrek aan predikanten, op 30 April 1951 als bijzonder hulpprediker in een gemeente zijn aangesteld, blijven deze arbeid met de daarvoor op die datum geldende bevoegdheden vervullen tot de termijn, voor welke zij benoemd waren, is verstreken.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 279

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
279

Zij, die de bevoegdheid ontvangen hebben, bedoeld in het vierde lid van art. 20 van het algemeen reglement, behouden deze bevoegdheid ook na 30 April 1951, terwijl het breed moderamen der generale synode bevoegd is, ook na die datum in overeenkomstige, bijzondere gevallen een bevoegdheid tot het bedienen van Woord en sacramenten toe te kennen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 280

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 13.

No.
280

Dienstdoende predikanten, die op 30 April 1951 tevens als hulpprediker in een andere gemeente werkzaam waren, worden per 1 Mei 1951 geacht voor de duur hunner benoeming te zijn aangesteld volgens en werkzaam te zijn naar de bepalingen van dit artikel.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 14

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 281

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
281

Per 1 Mei 1951 of op het tijdstip waarop nadien het plaatselijk reglement op het beheer gewijzigd en in overeenstemming gebracht is met de kerkorde, treden de zittende mannelijke kerkvoogden als ouderlingen, die als zodanig de naam kerkvoogd dragen, in de kerkeraad, tenzij zij daartoe niet bereid of geen lidmaat der gemeente mochten zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 282

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
282

Zij worden binnen drie weken na het tijdstip bedoeld in overgangsbepaling no. 281 in het midden der gemeente in hun ambt bevestigd, met gebruikmaking van een daarvoor door de generale synode aan te bieden formulier.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 283

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
283

In deze overgangsbepalingen worden onder kerkvoogden mede begrepen, degenen, die onder een andere naam in een bepaalde gemeente het werk verrichten dat elders in de regel door kerkvoogden pleegt te worden gedaan.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 284

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
284

Is vóór 1 Februari 1951 door kerkvoogden aan de kerkeraad schriftelijk medegedeeld, dat in beginsel besloten is tot aanpassing van het plaatselijk reglement op het beheer aan de bepalingen der nieuwe kerkorde, dan zijn de kerkvoogden, die bereid zijn als ouderling in de zin van ordinantie 14-4-1 op te treden, als zodanig benoembaar tot afgevaardigde naar de meerdere ambtelijke vergaderingen of tot lid van een kerkelijk orgaan, indien voor dat lidmaatschap de hoedanigheid van kerkvoogd vereist is.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 285

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
285

Indien een krachtens overgangsbepaling no. 284 benoemde kerkvoogd op 15 Mei 1951 nog niet als ouderling in de zin van ord. 14-4-1 bevestigd mocht zijn, dan heeft hij, zolang dit nog niet is geschied, in de betrokken meerdere vergadering slechts een adviserende stem, terwijl — zo de bevestiging, door bijzondere omstandigheden, op 31 December 1951 nog niet mocht hebben plaats gevonden — zijn mandaat op die datum eindigt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 286

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
286

De niet als ouderling in de zin van ord. 14-4-1 zitting nemende kerkvoogden treden — zo zij dat wensen — gedurende hun verdere zittingstijd op als boventallig lid van het college van kerkvoogden met concluderende stem.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 287

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
287

In de plaatselijke regeling bedoeld in ord. 16-2-2 kan worden bepaald, dat en op welke wijze de vrouwelijke kerkvoogd, die naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 286 als boventallig lid van de kerkvoogdij is opgetreden, bij haar periodieke aftreding herbenoembaar is.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 288

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
288

Wordt het besluit, bedoeld in overgangsbepaling no. 284 eerst na 1 Februari 1951 genomen, dan wordt de naar de orde der Kerk door een ouderling in de zin van ord. 14-4-1 uit de betrokken gemeente te bezetten plaats in een classicale vergadering voorlopig door een der ouderlingen der gemeente ingenomen, met dien verstande, dat deze aftreedt, zodra tot benoeming van een ouderling in de zin van ord. 14-4-1 kan worden overgegaan.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 289

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
289

Zolang de aanpassing van de plaatselijke reglementen aan de kerkorde nog niet heeft plaats gehad, verricht de kerkeraad de in de kerkorde aangewezen werkzaamheden van het college van kerkvoogden, die vóór 1 Mei 1951 naar de algemene of plaatselijke bepalingen nog niet tot het arbeidsveld van dat college behoorden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 290

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
290

In de gemeenten, waarin de aanpassing van het plaatselijk reglement aan de kerkorde op 1 Januari 1953 nog niet heeft plaats gehad, tracht de provinciale kerkvoogdij-commissie, in overleg met de algemene kerkvoogdij raad en het generaal college van toezicht, zo mogelijk in samenwerking met de vereniging van kerkvoogdijen en het betrokken provinciaal college van toezicht op het beheer van de kerkelijke goederen en fondsen, door voorlichting en overleg, die aanpassing te bevorderen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 291

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
291

Heeft deze voorlichting op 1 Januari 1954 niet tot een gunstig resultaat geleid, dan wordt dit ter kennis gebracht van de algemene kerkvoogdijraad en van de generale synode, die zich met elkander over elk geval in het bijzonder beraden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 292

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 14.

No.
292

De arbeid van de raad voor de varende gemeente, voorzover deze betrekking heeft op de zeevarenden, wordt overgenomen en voortgezet door de raad voor de herderlijke zorg, of door een commissie van deze raad, in welke commissie de synode ook niet-leden van de raad kan benoemen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 15

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 293

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
293

Op verzoek van de betrokkene en na overleg met de kerkeraad kan de daarvoor in ordinantie 15-5-4 aangewezen raad van geval tot geval verklaren, dat degene, die vóór 1 Mei 1951 in een werkkring stond, die het karakter van een bediening had, gezien zijn opleiding of ervaring geacht wordt aan de voorwaarden bedoeld in ordinantie 15-5-2 te voldoen, waarna hij bij kerkeraadsbesluit kan worden geacht in een diaconale bediening te zijn gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 294

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
294

Zij, die op 30 April 1951 bij een diaconie als gezinsverzorgster in dienst zijn, worden geacht, met behoud van de bij haar aanstelling toegekende financiële aanspraken, naar ordinantie 15-6-1 te zijn aangesteld en ontvangen, voorzover zij niet tijdelijk of op proef zijn benoemd, alsdan een aanstelling als bedoeld in ordinantie 15-6-2.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 295

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
295

Deze benoeming geschiedt voor de eerste maal voor de jaren 1951-1954 en vindt voor dit geval plaats in de maand April van het jaar 1951, waarbij de op 30 April 1951 als voorzitter, secretaris of administrerend diaken fungerende diakenen aftreden, doch als zodanig terstond herbenoembaar zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 296

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
296

Zijn in een gemeente vóór 1 Mei 1951 reeds wijkgemeenten gevormd, dan worden de door artikel 9 van ordinantie 15 in de bestaande regeling nodig geworden wijzigingen vóór 1 November 1951 aangebracht; vindt zulk een vorming eerst na 1 Mei 1951 plaats, dan treedt artikel 9 van ordinantie 15 voor die gemeente in werking op de dag, waarop daar tot vorming van wijkgemeenten wordt overgegaan.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 297

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
297

Zolang in een gemeente met meer dan één predikantsplaats voor gewone werkzaamheden nog geen wijkgemeenten of buurtgemeenten zijn gevormd, wordt die gemeente voor de toepassing van de op het diaconaat of op de diaconie betrekking hebbende bepalingen van de kerkorde beschouwd als een gemeente met één predikantsplaats, terwijl de verdeling van de werkzaamheden tussen de kerkeraad en de diaconie gehandhaafd blijft, gelijk deze op 30 April 1951 bestond, doch uiterlijk tot 1 Januari 1953.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 298

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
298

Ten aanzien van rechtsgedingen, aangespannen vóór doch nog hangende na 1 Mei 1951, geldt het hier bepaalde nog niet, doch blijft de vóór 1 Mei 1951 bestaande regeling of praktijk nog van kracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 299

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
299

De in een gemeente of bij een diaconie op 30 April 1951 bestaande of in oprichting zijnde locale diaconale instellingen worden geacht naar de bepalingen van dit artikel te zijn tot stand gekomen, mits vóór 31 December 1951 ter zake een besluit tot stand komt als in dit artikel is bedoeld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 300

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
300

De per 30 April 1951 bestaande of in oprichting zijnde regionale diaconale organen en instellingen zijn gehouden zich vóór 31 December 1951 op te geven aan de algemene diaconale raad, onder overlegging van de door deze raad eventueel te vragen nadere gegevens, naar aanleiding waarvan die raad bevoegd is met zulk een orgaan of instelling in overleg te treden, teneinde te geraken tot door hem wenselijk geoordeelde aanvullingen of wijzigingen van de betrokken regeling.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 301

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
301

Mocht het overleg, bedoeld in overgangsbepaling no. 300, niet tot overeenstemming leiden, dan is er beroep op de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, die terzake een eindbeslissing geeft.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 302

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
302

Is overeenstemming bereikt, of is gebleken, in geval van beroep, dat het betrokken orgaan of de betrokken instelling voldaan heeft aan de eindbeslissing van de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, dan wordt het orgaan of de instelling geacht naar de bepalingen van art. 16 van ordinantie 15 te zijn tot stand gekomen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 303

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
303

Ten aanzien van de op 30 April 1951 bestaande kassen, die niet aan de hier gestelde voorschriften beantwoorden, worden de maatregelen genomen om daartoe vóór 31 December 1951 te geraken.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 304

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
304

Deze bepaling geldt niet voor tot 1 Mei 1951 ontvangen giften, schenkingen, legaten en erfstellingen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 305

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
305

De provinciale diaconale commissie is bevoegd ten behoeve van gemeenten, die vóór 1 Mei 1951 regelmatig gebruik maakten van het bepaalde in artikel 28 van het reglement op de diaconieën, doch niet meer vallen onder het bepaalde van ordinantie 15-20-1, bij wijze van overgang toe te staan van deze bepaling nog gedurende de jaren 1951-1955 gebruik te maken.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 306

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
306

Het hier bepaalde geldt eerst voor de begroting voor het dienstjaar 1952.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 307

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
307

Het in artikel 22 van ordinantie 15 bepaalde geldt, zo de rekening over het dienstjaar 1950 op 30 April 1951 nog niet is vastgesteld, ook voor deze rekening, terwijl in dat geval daarvoor nog mag worden gebruik gemaakt van het ter plaatse vóór 1 Mei 1951 gangbare model.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 308

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
308

Voor de eerste maal wordt de provinciale diaconale commissie voor de jaren 1951-1954 door de provinciale kerkvergadering vóór 15 April 1951 aldus samengesteld:
één lid uit de predikanten der kerkprovincie;
drie leden uit de diakenen der kerkprovincie, waarvoor het bestuur van de federatie van diaconieën in overleg met de regionale diaconale verbanden, vóór 15 Februari 1951 aanbevelingen doet;
één lid uit de lidmaten der kerkprovincie op enkelvoudige voordracht van de fungerende algemene diaconale raad; en
de overige leden naar vrije keuze.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 309

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
309

Voor de eerste maal wordt de algemene diaconale raad voor de jaren 1951-1955 door de generale synode in haar vergadering van 27 Maart 1951 aldus samengesteld:
vijf leden uit de diakenen der Kerk, op een enkelvoudige voordracht, opgesteld en vóór 15 Maart 1951 ingediend in gemeen overleg tussen de fungerende algemene diaconale raad en het bestuur van de federatie van diaconieën;
vijf leden naar vrije keuze, waarvoor het bestuur van de federatie van diaconieën, eveneens vóór 15 Maart 1951, een aanbeveling kan indienen; en voorts:
één lid uit een vóór 15 Maart 1951 in te dienen voordracht van de fungerende raad voor Kerk en ziekenzorg;
één lid uit een vóór 15 Maart 1951 in te dienen voordracht van de fungerende sectie kinderbescherming en reclassering van de algemene diaconale raad; en
één lid uit een vóór 15 Maart 1951 in te dienen voordracht van de fungerende sectie gezinszorg en gezinsverzorging van de algemene diaconale raad.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 310

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
310

De algemene diaconale raad zet per 1 Mei 1951 de werkzaamheden voort van de tot dien datum gefungeerd hebbende gelijknamige raad.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 311

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
311

Als secretaris van de algemene diaconale raad treedt op de op 30 April 1951 bij de gelijknamige raad in functie zijnde secretaris, terwijl zij, die in andere functies ten behoeve van die raad werkzaam zijn met behoud van plichten en rechten — en onverminderd latere wijzigingen daarin rechtens — per 1 Mei 1951 in dienst van de algemene diaconale raad overgaan, welke raad tevens onder goedkeuring van de generale financiële raad met het bestuur van de federatie van diaconieën een regeling treft inzake een eventueel wenselijk geachte overneming van werkzaamheden, personeel, kantoorruimten of wat daarvoor verder in aanmerking komt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 312

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
312

De werkzaamheden van de fungerende raad voor Kerk en ziekenzorg worden per 1 Mei 1951 voorgezet door de bijzondere raad voor de zaken van Kerk en ziekenzorg, die van de fungerende sectie voor kinderbescherming en reclassering van de algemene diaconale raad door de sectie voor kinderbescherming en reclassering, en die van de fungerende sectie voor gezinszorg en gezinsverzorging van de algemene diaconale raad door de sectie van gezinszorg en gezinsverzorging.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 313

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 15.

No.
313

De op 30 April 1951 bij de in overgangsbepaling no. 312 genoemde raad en secties fungerende secretarissen treden per 1 Mei 1951 als zodanig op bij de bijzondere raad of secties, in die overgangsbepaling genoemd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 16

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 314

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
314

De datum waarop de artikelen 1-13 van deze ordinantie voor een bepaalde gemeente in werking treden, is — met uitzondering van de in deze overgangsbepalingen genoemde bepalingen, die op het daarbij bepaalde tijdstip in werking treden — de datum waarop de daartoe strekkende wijziging van het plaatselijk reglement op het beheer van kracht wordt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 315

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
315

In die gemeenten, waar het aantal zittende kerkvoogden groter is dan het aantal zittende ouderlingen, treden — tenzij de kerkeraad anders besluit — niet meer kerkvoogden als tot kerkvoogd aangewezen ouderling op, dan er reeds ouderlingen in de kerkeraad zitting nebben, terwijl in dat geval de kerkvoogden, wier plaatselijk reglement aan de nieuwe kerkorde is aangepast, — zo nodig in een gecombineerde vergadering — bepalen, wie van hen als ouderling optreden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 316

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
316

In de plaatselijke regeling, bedoeld in ordinantie 16-2-2, kan worden bepaald dat en op welke wijze kerkvoogden, die op het tijdstip bedoeld in overgangsbepaling no. 281 verklaard hebben, bereid te zijn als zodanig ouderling te worden, doch in verband met het bepaalde in overgangsbepaling no. 315 niet als zodanig kunnen optreden, als boventallig lid van de kerkvoogdij bij hun periodieke aftreding herbenoembaar zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 317

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
317

Nadat het aan de kerkorde aangepaste reglement van kracht is geworden, wordt het binnen een maand ter kennis gebracht van de provinciale kerkvoogdijcommissie en geldt het, zodra deze een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven, als plaatselijke regeling, bedoeld in ordinantie 16, art. 2 lid 2.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 318

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
318

Zijn in een gemeente op de datum, bedoeld in overgangsbepaling no. 314 reeds wijkgemeenten gevormd, dan worden de door art. 4 van ordinantie 16 in de bestaande regeling nodig geworden wijzigingen binnen zes maanden na die datum aangebracht, terwijl de op die datum zitting hebbende kerkvoogden tevens als college van kerkvoogden fungeren.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 319

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
319

Vindt de vorming van wijkgemeenten plaats op een tijdstip na 1 Mei 1951, dan treedt, behoudens het bepaalde in overgangsbepaling no. 314, artikel 4 van ordinantie 16 voor die gemeente op dat zelfde tijdstip in werking.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 320

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
320

Zolang in een gemeente met meer dan één predikantsplaats voor gewone werkzaamheden nog geen wijk-gemeenten zijn gevormd, wordt die gemeente voor de toepassing van de op het college van kerkvoogden betrekking hebbende bepalingen van de kerkorde beschouwd als een gemeente met één predikantsplaats.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 321

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
321

Waar het beheer van de pastoriegoederen op 1 Mei 1951 nog niet mocht zijn overgedragen aan het college van kerkvoogden, wordt — uiterlijk tot de dag, waarop de predikantsplaats na 30 April 1951 vacant wordt — het beheer nog door de predikant gevoerd, onder toezicht van het provinciaal college, naar de regelen in de ordinantie voor het toezicht gegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 322

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
322

De op 30 April 1951 bestaande regelingen inzake de overdracht van het beheer van pastoriegoederen aan het college van kerkvoogden blijven na die datum van kracht, totdat daarin krachtens ordinantie 16-9-1 is voorzien.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 323

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
323

De kerkeraad en het college van kerkvoogden treffen binnen zes maanden na de datum bedoeld in overgangsbepaling no. 314, een regeling tot het aanbrengen van een verband als bedoeld in dit artikel tussen de eventueel ter plaatse bestaande afzonderlijke kassen en fondsen en het college van kerkvoogden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 324

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
324

Indien op de datum, waarop de artikelen 1-13 van deze ordinantie voor een bepaalde gemeente in werking treden, reeds een begroting is vastgesteld, behoudt deze haar gelding voor het kalenderjaar, waarop zij betrekking heeft.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 325

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
325

De leden van de provinciale kerkvoogdijcommissies worden voor het tijdvak van 1951-1954 vóór 15 April 1951 door de provinciale kerkvergadering benoemd en wel
twee leden naar vrije keuze;
vier leden op een enkelvoudige voordracht, opgesteld in gemeen overleg tussen het provinciale college van toezicht en het provinciale afdelingsbestuur van de vereniging van kerkvoogdijen;
één lid op een enkelvoudige voordracht, opgesteld in gemeen overleg tussen het algemeen college van toezicht en het hoofdbestuur van de vereniging van kerkvoogdijen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 326

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
326

De leden van de algemene kerkvoogdijraad worden voor het tijdvak van 1951-1955 benoemd door de generale synode in haar vergadering van 27 Maart 1951 en wel
drie leden naar vrije keuze, waarvan één uit de dienstdoende predikanten der Kerk; en
zes leden op een enkelvoudige voordracht, opgesteld en vóór 1 Maart 1951 ingediend in gemeen overleg tussen het algemeen college van toezicht en het hoofdbestuur van de vereniging van kerkvoogdijen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 327

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
327

De generale financiële raad wordt, nadat de hier bedoelde voordrachten vóór 10 April 1951 zijn ingediend door de betrokken, volgens overgangsbepaling no. 326 en no. 309, samengestelde raden, door de generale synode voor de eerste maal benoemd in haar vergadering van 16 April 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 328

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
328

De op 30 April 1951 aftredende quaestor-generaal zet, per 1 Mei 1951 onder toezicht van de generale financiële raad, zijn werkzaamheden voort tot 31 December 1951, terwijl naar het bepaalde in ordinantie 16-16-3 per 1 Januari 1952 in de bezetting van het quaestoraat-generaal wordt voorzien.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 329

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
329

De generale financiële raad stelt voor de eerste maal een centraal budget op voor het kalenderjaar 1952.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 330

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
330

De generale kas voor de geestelijke belangen wordt per 1 Mei 1951 gevormd op de wijze aangegeven in overgangsbepalingen no. 30, 34 en 36.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 331

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
331

De generale kerkvoogdijkas wordt per 1 Mei 1951 gevormd op de wijze aangegeven in overgangsbepalingen no. 30, 34 en 36.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 332

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
332

De generale diaconale kas wordt per 1 Mei 1951 gevormd uit de kas tot onderlinge hulpverlening en uit de gelden, die krachtens overgangsbepaling no. 36 voor deze kas beschikbaar worden gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 333

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
333

Deze regeling wordt voor alle lichamen en organen door de generale financiële raad vóór 1 November 1951 voor het dienstjaar 1952 en volgende jaren vastgesteld, terwijl voor het resterende deel van het jaar 1951 nog het op 30 April 1951 in werking zijnde besluit van de algemene synodale commissie van 19 November 1947 betreffende de vergoeding van reis- en verblijfkosten blijft gelden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 334

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
334

De kas voor de administratiekosten wordt per 1 Mei 1951 gevormd op de wijze aangegeven in de overgangsbepalingen no. 32, 35 en 36, terwijl het quotum, bedoeld in ordinantie 16-23-2 voor de eerste maal wordt vastgesteld voor en geheven in het jaar 1952 en voor het jaar 1951 de dekking van de administratiekosten nog geschiedt met behulp van de daarvoor in 1950 volgens de toen geldende bepalingen aangewezen middelen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 335

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 16.

No.
335

Wijzigingen in de ordinantie voor de kerkelijke financiën en in deze overgangsbepaling no. 335 worden gedurende de jaren 1951-1975 niet aangebracht, dan nadat daarover overeenstemming is verkregen tussen het breed moderamen van de generale synode en de algemene kerkvoogdijraad.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 17

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 336

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
336

De raad voor de traktementen wordt voor het tijdvak van 1951-1955 benoemd door de generale synode in haar vergadering van 16 April 1951, en wel
twee leden op voordracht van de algemene kerkvoogdijraad;
twee leden op voordracht van de generale financiële raad;
één lid op voordracht van tenminste veertig predikanten;
één lid op voordracht van tenminste veertig personen, die in een bediening zijn gesteld;
twee leden naar vrije keuze.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 337

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
337

De op 30 April 1951 fungerende directeur van de centrale kas voor de predikantstraktementen zet per 1 Mei 1951 zijn werkzaamheden voort ten behoeve van de raad voor de traktementen, als directeur met adviserende stem.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 338

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
338

Met inachtneming van het bepaalde in overgangsbepaling no. 46 vormen de op 30 April 1951 bestaande bepalingen uit de regeling voor de beroeping en bevestiging van predikanten in algemene dienst, die op hun traktementen en pensioenen betrekking hebben, per 1 Mei 1951 het onderdeel, dat geldt voor de predikanten voor buitengewone werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 339

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
339

Met inachtneming van het bepaalde in overgangsbepaling no. 46 vormt het op 30 April 1951 bestaande reglement op de predikantstraktementen, per 1 Mei 1951 het op de predikanten betrekking hebbende deel van de generale regeling bedoeld in ordinantie 17-4-1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 340

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
340

Met inachtneming van het bepaalde in overgangsbepaling no. 46 vormt de op 30 April 1951 bestaande regeling op de bezoldiging der kerkelijke medewerkers, per 1 Mei 1951 het op de kerkelijke medewerkers betrekking hebbende deel van de generale regeling, bedoeld in ordinantie 17-4-1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 341

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
341

De in 1950 vastgestelde aanslagen van de kas voor de predikantstraktementen voor het jaar 1951 blijven per 1 Mei 1951 van kracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 342

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
342

De op 30 April 1951 fungerende secretaris van de pensioenraad zet op 1 Mei 1951 zijn werkzaamheden voort ten behoeve van de raad voor de predikantspensioenen, zolang hij daarin zitting heeft als secretaris met concluderende stem, doch na zijn aftreden als zodanig als directeur met adviserende stem.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 343

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
343

Met inachtneming van het bepaalde in overgangsbepaling no. 46 vormt het op 30 April 1951 bestaande reglement op de predikantspensioenen, per 1 Mei 1951 het op de predikanten betrekking hebbende deel van de generale regeling, bedoeld in ordinantie 17-7-1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 344

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
344

Inzake de aanpassing van de regionale beurzen voor de predikantspensioenen treden de bestuurders daarvan zo spoedig mogelijk na 1 Mei 1951 in overleg met elkander en met de quaestoren-vergadering teneinde, onder goedkeuring van de raad voor de predikantspensioenen, te komen tot de door de wijziging van de kerkelijke indeling nodig geworden veranderingen van de betrokken reglementen en bepalingen alsmede in de bezetting van de bestuursfuncties, welke wijzigingen op 1 Mei 1952 moeten zijn voltooid.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 345

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
345

De raad voor de pensioenen van kerkelijke medewerkers wordt met ingang van 1 Mei 1951 gevormd door de leden van het bestuur van de stichting „Pensioenfonds voor kerkelijke medewerkers”.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 346

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 17.

No.
346

Met inachtneming van het bepaalde in overgangsbepaling no. 46 vormt de op 30 April 1951 bestaande regeling op de pensionnering der kerkelijke medewerkers, per 1 Mei 1951 het op de kerkelijke medewerkers betrekking hebbende deel van de generale regeling, bedoeld in ordinantie 17-10-1.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 18

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 347

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
347

Voor de eerste maal per 1 Mei 1951 worden de zeven leden, te benoemen op voordracht van de algemene kerkvoogdijraad, aangewezen op enkelvoudige voordracht, vóór 15 Maart 1951 opgemaakt in gemeen overleg tussen het algemeen college van toezicht en het hoofdbestuur van de vereniging van kerkvoogdijen, terwijl de zeven leden, aan te wijzen door de algemene diaconale raad, voor de eerste maal worden aangewezen op een enkelvoudige voordracht, vóór 15 Maart 1951 opgemaakt in gemeen overleg tussen de dan fungerende algemene diaconale raad en het bestuur van de federatie van diaconieën.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 348

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
348

Per 1 Mei 1951 gelden de bepalingen van ordinantie 18 voor:
1. alle organen en administraties van diaconale aard, als bedoeld in artikel 3 van ordinantie 18;
2. alle overige organen en administraties der Kerk, behoudens de colleges van kerkvoogden, welker plaatselijk reglement op het beheer nog niet aan de bepalingen der kerkorde is aangepast.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 349

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
349

De in overgangsbepaling no. 348 sub 2 bedoelde colleges van kerkvoogden vallen onder de bepalingen van ordinantie 18 met ingang van de dag, waarop het plaatselijk reglement op het beheer aan de bepalingen der kerkorde is aangepast.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 350

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
350

Deze verslagen en dit overzicht worden voor de eerste maal opgesteld over het tijdvak van 1 Mei 1951—31 December 1951.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 351

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
351

De bouw- en restauratiecommissie en de orgelcommissie zetten per 1 Mei 1951 de werkzaamheden voort van de gelijknamige, op 30 April 1951 functionnerende, organen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 352

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
352

De voordracht van de algemene kerkvoogdijraad bedoeld in de leden 3 en 4 van artikel 9 van ordinantie 18 wordt voor de eerste maal opgemaakt en vóór 15 Maart 1951 ingediend in gemeen overleg tussen het algemeen college van toezicht en het hoofdbestuur van de vereniging van kerkvoogdijen.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 353

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
353

De deskundigen, per 30 April 1951 in dienst bij de bouw- en restauratiecommissie of de orgelcommissie gaan, met behoud van hun plichten en rechten — behoudens latere wijziging rechtens — per 1 Mei 1951 over in dienst bij de gelijknamige commissies bedoeld in artikel 10 en 11 van ordinantie 18.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 354

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
354

De arbeid van de commissie tot behartiging van de belangen van de kerkelijke archieven wordt per 1 Mei 1951 voortgezet door de commissie voor de archieven.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 355

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
355

Zij, die op 30 April 1951 als archivaris of archiefambtenaar in bezoldigde dienst der Kerk staan, zetten hun arbeid voort onder leiding van de commissie voor de archieven, bedoeld in ordinantie 18-14-1 en met inachtneming van de bepalingen uit de generale regeling, bedoeld in ordinantie 18-14-3.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 356

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 18.

No.
356

De op 30 April 1951 bij het diaconale advies- en verificatiebureau (advebu) in dienst zijnde ambtenaren gaan op hun verzoek per 1 Mei 1951 — met behoud van hun plichten en rechten, behoudens latere wijziging rechtens en met inachtneming van de bepalingen voor hun werkzaamheden bij of krachtens ordinantie gegeven — over in dienst van het centrale controle bureau.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 19

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 19.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 357

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 19.

No.
357

Zaken, bij enig orgaan der Kerk vóór de invoering van de kerkorde in eerste aanleg in behandeling volgens de hoofdstukken IV en V van het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, worden, zo enigszins mogelijk, door dat orgaan vóór 15 April 1951 afgehandeld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 358

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 19.

No.
358

Van de in overgangsbepaling no. 357 bedoelde en op 15 April 1951 nog niet afgedane zaken en van zaken bij een in overgangsbepaling no. 357 bedoeld orgaan na 15 Maart 1951 in eerste aanleg aangebracht, wordt de behandeling per 1 Mei 1951 voortgezet of aangevangen door het lichaam, dat volgens de kerkorde aangewezen is van zulk een zaak in eerste aanleg kennis te nemen en door dat lichaam naar de regelen der kerkorde ten einde gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 359

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 19.

No.
359

Zaken bij enig orgaan der Kerk vóór de invoering van de kerkorde volgens de hoofdstukken IV en V van het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht in hoger beroep, ter herziening of ter vernietiging in behandeling, worden zo mogelijk vóór 15 April 1951 afgehandeld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 360

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 19.

No.
360

Van de in overgangsbepaling no. 359 bedoelde en op 15 April 1951 nog niet afgedane zaken en van dergelijke zaken, na 15 Maart 1951 aangebracht, wordt de behandeling voortgezet of aangevangen door het lichaam, dat volgens de kerkorde bevoegd is van zulk een zaak in beroep kennis te nemen en door dat lichaam naar de regelen der kerkorde ten einde gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 361

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 19.

No.
361

Indien de behandeling van een zaak, naar het in overgangsbepaling no. 358 of 360 bepaalde, tot 1 Mei 1951 is opgeschort, gelden de vóór die datum bij de behandeling der zaak volgens het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht in zake termijnen, stukken, verklaringen en verhoren in acht genomen handelingen en formaliteiten, als naar de bepalingen der kerkorde te zijn geschied, terwijl daarbij na 1 Mei 1951, in afwijking van het bepaalde in ordinantie 19-4-10, niet meer kosten in rekening kunnen worden gebracht, dan vóór die datum mogelijk was.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 362

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 19.

No.
362

In geval van twijfel of geschil over strekking of toepassing van de overgangsbepalingen no. 358-361 wordt een eindbeslissing van de commissie van overgang gevraagd.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 363

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 19.

No.
363

Deze bepalingen hebben nog geen kracht zolang de commissie van overgang haar werkzaamheden verricht.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Ord. 20

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 20.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 364

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Ordinantie 20.

No.
364

Ook zij, die zich reeds vóór 1 Mei 1951 in Nederland gevestigd hadden, kunnen zich naar het bepaalde in ordinantie 20-3-1 en 20-4-1 laten inschrijven, terwijl gedurende het verdere deel van het jaar 1951 zulk een inschrijving ook kan geschieden indien de betrokkene aantoont, dat de daarvoor benodigde attestaties of bewijzen door bijzondere omstandigheden in het ongerede zijn geraakt.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. Slot

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Slotbepalingen.

Artikel

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 365

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Slotbepalingen.

No.
365

Met het oog op de afwikkeling van zaken en de overdracht van werkzaamheden blijft, in afwijking van de in de reglementen der Kerk gestelde regelen inzake de periodieke aftreding per 31 December 1950, de samenstelling van
de classicale besturen
de provinciale kerkbesturen
de generale synode en
de algemene synodale commissie nog gedurende de eerste vier maanden van het jaar 1951 zoals deze op 31 December 1950 was en worden nadien ontstaande tussentijdse vacatures niet meer vervuld.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 366

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Slotbepalingen.

No.
366

Het zittingsjaar van de leden der meerdere ambtelijke vergaderingen en haar organen wordt in 1951 ingekort tot een tijdvak van 8 maanden (1 Mei—31 December 1951).

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 367

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Slotbepalingen.

No.
367

Behoudens tussentijdse en tijdelijke wijziging of aanvulling naar het bepaalde in de overgangsbepalingen no. 6-14 blijven deze overgangsbepalingen, voorzover zij niet door het voorbijgaan van een datum zijn teniet gegaan, van kracht totdat zij door de generale synode langs de weg van artikel XXVII der kerkorde gewijzigd of buiten werking gesteld worden.

Kerkorde NHK (1951) Ovb. 368

Bijzondere overgangsbepalingen.

 

Slotbepalingen.

No.
368

De commissie voor de kerkorde wordt ontbonden met ingang van de dag waarop het besluit tot invoering van de kerkorde door de verdubbelde generale synode is genomen.