Kerkorde NHK (1951) Ord. 18

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.
1. Het doel van het toezicht.
2. Door wie het toezicht gehouden wordt.
3. Over wie het toezicht zich uitstrekt.
4. Het verstrekken van inlichtingen.
5. Bezwaren.
6. Maatregelen bij nalatigheid.
7. Het jaaroverzicht.

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.
8. Wat het toezicht omvat.
9. Hoe het toezicht gehouden wordt.
10. De bouw- en restauratiecommissie.
11. De orgelcommissie.

III. Het toezicht op de administraties en archieven.
12. Wat het toezicht omvat.
13. Hoe het toezicht gehouden wordt.
14. Het toezicht op de archieven.

IV. Het toezicht op de financiën.
15. Wat het toezicht omvat.
16. Hoe het toezicht gehouden wordt.
17. Voorafgaande goedkeuring van beheersdaden.
18. Beperkingen bij beheersdaden.
19. Aansprakelijkheid van de beheerders.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18.I.

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel
1-7

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-1-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 1.

Het doel van het toezicht.

Lid
1

Het toezicht heeft ten doel te waken over de stoffelijke belangen van gemeenten en Kerk, het betreft de kerkelijke bezittingen, administraties, archieven en financiën en wordt mede dienstbaar gemaakt aan het bijeenbrengen van gegevens ten behoeve van de kerkelijke statistiek en het sociologisch onderzoek.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-2-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 2.

Door wie het toezicht gehouden wordt.

Lid
1

Het toezicht wordt uitgeoefend door provinciale colleges van toezicht en een generaal college van toezicht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-2-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 2.

Door wie het toezicht gehouden wordt.

Lid
2

De provinciale colleges van toezicht bestaan uit twee kamers, een kerkvoogdijkamer en een diaconale kamer.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-2-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 2.

Door wie het toezicht gehouden wordt.

Lid
3

Als kerkvoogdijkamer fungeert de provinciale kerkvoogdijcommissie, als diaconiale kamer de provinciale diaconale commissie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-2-4

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 2.

Door wie het toezicht gehouden wordt.

Lid
4

Het generaal college van toezicht bestaat uit achttien leden, door de generale synode benoemd uit de lidmaten der Kerk en wel
zeven leden op voordracht van de algemene kerkvoogdijraad,
zeven leden op voordracht van de algemene diaconale raad,
twee leden op voordracht van de generale financiële raad, en
twee leden naar vrije keuze.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-2-5

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 2.

Door wie het toezicht gehouden wordt.

Lid
5

Het generaal college van toezicht splitst zich ter vervulling van zijn werkzaamheden in kamers, waaronder in elk geval een kerkvoogdijkamer en een diaconale kamer, aan welke bepaalde onderdelen van zijn arbeid worden opgedragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-2-6

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 2.

Door wie het toezicht gehouden wordt.

Lid
6

De kerkvoogdijkamer en de diaconale kamer van toezicht in een provincie kunnen ten dienste van hun secretariaten gemeenschappelijk een bureau in het leven roepen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-2-7

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 2.

Door wie het toezicht gehouden wordt.

Lid
7

Leden van de colleges van toezicht oordelen niet over zaken, waarin of hun echtgenoten of personen, die hun in de eerste drie graden van bloed- of aanverwantschap bestaan, persoonlijk betrokken zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-3-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 3.

Over wie het toezicht zich uitstrekt.

Lid
1

Het toezicht van de provinciale diaconale kamer strekt zich uit over
alle organen en administraties van diaconale aard, binnen het gebied van de kerkprovincie;
het toezicht van de provinciale kerkvoogdijkamer over alle overige organen en administraties, binnen het gebied van de kerkprovincie; en
het toezicht van het generaal college van toezicht over alle andere organen en administraties der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-3-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 3.

Over wie het toezicht zich uitstrekt.

Lid
2

Onder organen en administraties worden voor de toepassing van deze ordinantie mede verstaan kassen, fondsen, beurzen, stichtingen, verenigingen en afzonderlijk beheerde erfenissen en legaten, welke zijn ingesteld of geregeld bij of krachtens ordinantie, of waarvan het beheer ambtshalve wordt gevoerd door ambtsdragers of functionarissen der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-4-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 4.

Het verstrekken van inlichtingen.

Lid
1

De kerkelijke organen verschaffen aan de colleges van toezicht op hun verzoek alle inlichtingen en gegevens en geven inzage in alle boeken en bescheiden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-4-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 4.

Het verstrekken van inlichtingen.

Lid
2

Naar een regeling, te treffen tussen het generaal college van toezicht en visitatoren-generaal, verschaffen de colleges van toezicht aan kerkvisitatoren de gegevens omtrent de stoffelijke omstandigheden der gemeenten, welke zij voor een goede uitoefening van het opzicht nodig hebben.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-4-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 4.

Het verstrekken van inlichtingen.

Lid
3

Het generaal college van toezicht treft een regeling inzake het verstrekken van te harer beschikking staande gegevens, die het instituut, bedoeld in het achtste lid van art. 27 der ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen, nodig heeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-5-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 5.

Bezwaren.

Lid
1

Het kerkelijk orgaan, dat zich bezwaard gevoelt door een besluit van een provinciaal college van toezicht, kan binnen dertig dagen, nadat dit besluit tot zijn kennis is gebracht, zijn bezwaren daartegen kenbaar maken aan het generaal college van toezicht met het verzoek, een nadere voorziening te treffen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-5-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 5.

Bezwaren.

Lid
2

Het generaal college kan het besluit vernietigen en een beslissing geven, zoals het meent, dat genomen had moeten zijn, in welk geval het van zijn beslissing een afschrift zendt aan het orgaan, dat een nadere voorziening vroeg en aan het provinciaal college, welks besluit werd vernietigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-5-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 5.

Bezwaren.

Lid
3

In het tegenovergestelde geval bericht het generaal college geen aanleiding te hebben kunnen vinden om aan het verzoek te voldoen, met opgave van redenen, die het daartoe gebracht hebben en zendt het een afschrift van dit bericht aan het provinciaal college van toezicht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-5-4

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 5.

Bezwaren.

Lid
4

Van beslissingen van het generaal college, waarvan de kennisneming naar zijn oordeel van algemeen belang is, publiceert het een samenvatting in het daarvoor in aanmerking komend orgaan van de kerkelijke pers.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-5-5

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 5.

Bezwaren.

Lid
5

Het generaal college van toezicht verwijst alle kerkvoogdijzaken ter afdoening naar de kerkvoogdijkamer en alle diaconale zaken naar de diaconale kamer.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-6-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 6.

Maatregelen bij nalatigheid.

Lid
1

Indien een kerkelijk orgaan of een lid daarvan nalatig is ter zake van een verplichting op de naleving waarvan het toezicht betrekking heeft, tracht het college van toezicht door raadgeving en overleg daarin verandering te brengen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-6-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 6.

Maatregelen bij nalatigheid.

Lid
2

In ernstige gevallen van nalatigheid alsmede bij ontrouw of wanbeheer kan het college de betrokkene voorlopig schorsen in de uitoefening van zijn functie en voordragen tot ontslag bij het generaal college of — zo het een ambtsdrager betreft — bij de ambtelijke vergadering onder welker opzicht hij is gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-6-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 6.

Maatregelen bij nalatigheid.

Lid
3

Indien door de toepassing van dit artikel het aantal tot handelen bevoegde leden van een orgaan tijdelijk tot beneden twee derde van het voorgeschreven aantal leden is gedaald, treft het college van toezicht, zo ter zake niet reeds voor bepaalde gevallen bij ordinantie is voorzien, voor elk geval afzonderlijk een regeling.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-7-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

I. De regeling van het toezicht.

Artikel 7.

Het jaaroverzicht.

Lid
1

Het generaal college van toezicht stelt ieder jaar vóór 1 Mei ten behoeve van de generale synode een overzicht op van het werk der Kerk op het aan dit college toebedeelde arbeidsveld in het afgelopen kalenderjaar en ontvangt daartoe van de provinciale colleges en van de organen, door welke de colleges van toezicht worden bijgestaan, vóór 1 April een gelijksoortig verslag.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18.II.

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel
8-11

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-8-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 8.

Wat het toezicht omvat.

Lid
1

Het toezicht op de kerkelijke bezittingen omvat het toezicht op de staat en het onderhoud van alle eigendommen ressorterende onder de organen en de administraties genoemd in artikel 3 van deze ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-9-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 9.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
1

De wijze, waarop de colleges dit toezicht uitoefenen, wordt vastgesteld bij generale regeling der synode, ontworpen door het generaal college van toezicht, nadat dit daarover de provinciale colleges van toezicht heeft gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-9-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 9.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
2

De colleges van toezicht worden bij dit toezicht bijgestaan door een bouw- en restauratiecommissie en een orgelcommissie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-9-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 9.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
3

De bouw- en restauratiecommissie telt tenminste vijf leden, benoemd door de generale synode, waarvan bij benadering twee vijfde van het aantal op voordracht van de algemene kerkvoogdijraad, een vijfde op voordracht van de algemene diaconale raad, een, vijfde op voordracht van de raad voor de eredienst en de overige leden naar vrije keuze.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-9-4

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 9.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
4

De orgelcommissie telt vijf leden, benoemd door de generale synode waarvan drie op voordracht van de algemene kerkvoogdijraad, een op voordracht van de raad voor de eredienst en een ter vrije keuze.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-10-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 10.

De bouw- en restauratiecommissie.

Lid
1

De bouw- en restauratiecommissie wordt bijgestaan in haar arbeid door een of meer deskundigen, te benoemen door de generale synode, op aanbeveling van de bouw- en restauratiecommissie, nadat de synode het generaal college van toezicht daarover heeft gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-10-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 10.

De bouw- en restauratiecommissie.

Lid
2

Indien in een gemeente het voornemen bestaat, over te gaan tot de bouw van enig kerkelijk gebouw, stelt het betrokken college het college van toezicht van zijn provincie daarvan op de hoogte.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-10-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 10.

De bouw- en restauratiecommissie.

Lid
3

Plannen tot bouw, restauratie, verbouwing of uitbreiding van gebouwen, toebehorende aan gemeenten of Kerk, en plannen tot inrichting van een kerkgebouw worden niet ten uitvoer gelegd dan nadat daarop de goedkeuring van het college van toezicht is verkregen, de bouw- en restauratiecommissie gehoord, een en ander met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van art. 4 van de ordinantie voor de kerkdienst.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-10-4

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 10.

De bouw- en restauratiecommissie.

Lid
4

De bouw- en restauratiecommissie heeft mede tot taak desgevraagd voorlichting te geven aan alle kerkelijke organen en bemiddeling te verlenen bij de behandeling van zaken tussen de kerkelijke organen en de overheidsdiensten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-10-5

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 10.

De bouw- en restauratiecommissie.

Lid
5

De bouw- en restauratiecommissie kan onder goedkeuring van het generaal college van toezicht die subcommissies instellen, waaraan zij bij de uitoefening van haar taak behoefte heeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-11-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 11.

De orgelcommissie.

Lid
1

De orgelcommissie wordt bijgestaan in haar arbeid door een of meer deskundigen, te benoemen door de generale synode op aanbeveling van de orgelcommissie, nadat de synode het generaal college van toezicht daarover heeft gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-11-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 11.

De orgelcommissie.

Lid
2

Plannen tot bouw, restauratie, verbouwing of vergroting van orgels, behorende aan gemeenten of Kerk worden: niet ten uitvoer gelegd dan nadat de goedkeuring van het college van toezicht is verkregen, de orgelcommissie gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-11-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

II. Het toezicht op de kerkelijke bezittingen.

Artikel 11.

De orgelcommissie.

Lid
3

De orgelcommissie heeft mede tot taak desgevraagd voorlichting te geven aan alle kerkelijke organen en bemiddeling te verlenen bij de behandeling van zaken tussen de kerkelijke organen en de overheidsdiensten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18.III.

Ordinantie voor het toezicht.

 

III. Het toezicht op de administraties en archieven.

Artikel
12-14

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-12-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

III. Het toezicht op de administraties en archieven.

Artikel 12.

Wat het toezicht omvat.

Lid
1

Het administratieve toezicht omvat
het toezicht op het bijhouden van de boeken en registers der gemeenten en op het uitwisselen van gegevens bij verhuizing van de leden der Kerk;
het toezicht op andere bij ordinantie aan de organen der Kerk voorgeschreven administratieve handelingen; en
het toezicht op de kekelijke archieven en op kerkelijke verzamelingen van kunst- of historische waarde.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-13-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

III. Het toezicht op de administraties en archieven.

Artikel 13.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
1

Het administratieve toezicht geschiedt volgens de bepalingen vastgesteld bij de generale regeling, genoemd in het eerste lid van art. 9 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-14-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

III. Het toezicht op de administraties en archieven.

Artikel 14.

Het toezicht op de archieven.

Lid
1

Het toezicht op de archieven der kerkelijke lichamen wordt voor en in naam van de colleges van toezicht uitgeoefend door een commissie voor de archieven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-14-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

III. Het toezicht op de administraties en archieven.

Artikel 14.

Het toezicht op de archieven.

Lid
2

Deze commissie telt ten minste drie leden, benoemd door de generale synode op aanbeveling van het generaal college van toezicht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-14-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

III. Het toezicht op de administraties en archieven.

Artikel 14.

Het toezicht op de archieven.

Lid
3

De taak en de werkwijze van deze commissie worden vastgesteld bij de generale regeling der synode, genoemd in het eerste lid van art. 9 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-14-4

Ordinantie voor het toezicht.

 

III. Het toezicht op de administraties en archieven.

Artikel 14.

Het toezicht op de archieven.

Lid
4

De commissie wordt in haar arbeid bijgestaan door een of meer archivarissen, te benoemen door de generale synode op aanbeveling van de commissie voor de archieven, nadat de synode het generaal college van toezicht daarover heeft gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18.IV.

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel
15-19

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-15-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 15.

Wat het toezicht omvat.

Lid
1

Het toezicht op de financiën omvat
het controleren van de financiële administraties;
het goedkeuren van de rekening en verantwoording;
het waken over de belegging van kapitalen en de uitzetting van kasgelden; en
het goedkeuren van daarvoor aangewezen daden van beheer.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-16-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 16.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
1

De wijze, waarop de colleges dit toezicht uitoefenen, wordt vastgesteld in de generale regeling, bedoeld in het eerste lid van art. 9 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-16-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 16.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
2

Deze generale regeling bevat tevens voorschriften betreffende de inrichting der administraties en der rekeningen, betreffende belegging der gelden, en betreffende bewaring van waardepapieren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-16-3

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 16.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
3

De colleges van toezicht worden bij het uitoefenen van het toezicht bijgestaan door een beleggingsraad en een centraal controlebureau.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-16-4

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 16.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
4

De beleggingsraad telt vijf leden, benoemd door de generale synode op aanbeveling van het generaal college van toezicht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-16-5

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 16.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
5

Het centrale controlebureau, met een afdeling voor de controle van niet-diaconale en een afdeling voor de controle van diaconale zaken, staat onder leiding van het generaal college van toezicht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-16-6

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 16.

Hoe het toezicht gehouden wordt.

Lid
6

De directie van het bureau wordt op aanbeveling van het generaal college van toezicht door de generale synode benoemd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-17-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 17.

Voorafgaande goedkeuring van beheersdaden.

Lid
1

Voorafgaande goedkeuring van het college van toezicht is vereist voor besluiten, betreffende
a. het, anders dan publiek of volgens wettelijk voorschrift, verhuren of verpachten van eigendommen;
b. het vervreemden of bezwaren van onroerende goederen, schepen, of effecten;
c. het vervreemden of bezwaren van voorwerpen van oudheidkundige, historische of kunstwaarde;
d. het verkrijgen van onroerende goederen, schepen, of effecten;
e. het aangaan van geldleningen;
f. het verwerpen van erfenissen en legaten en het niet aanvaarden van schenkingen;
g. het aanvaarden van schenkingen, erfenissen of legaten, waaraan een last of voorwaarde is verbonden; erfenissen mogen in elk geval slechts worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving;
h. het verstrekken van persoonlijke of zakelijke zekerheden;
i. het voeren of beëindigen, als eiser of gedaagde, van rechtsgedingen voor de burgerlijke rechter, behalve die, welke strekken tot verhaal krachtens wettelijke bepaling inzake alimentatieplicht, en de inning van verplichte bijdragen; en
j. het aangaan van dadingen en het zich onderwerpen aan scheidsrechterlijke uitspraken of bindende adviezen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-17-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 17.

Voorafgaande goedkeuring van beheersdaden.

Lid
2

De beheerders zijn bevoegd tot het treffen van conservatoire of spoedeisende maatregelen, mits daarvan terstond ter nadere goedkeuring aan het college van toezicht wordt kennis gegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-18-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 18.

Beperkingen bij beheersdaden.

Lid
1

Beheerders — waaronder worden verstaan allen die deelhebben of medewerken aan enig beheer, waarop krachtens deze ordinantie toezicht wordt gehouden — mogen noch onmiddellijk noch middellijk
a. eigendommen, goederen of rechten, waarover het beheer zich uitstrekt, onderhands huren of pachten; deze in eigendom verwerven of daarop krachtens bijzondere titel zakelijke of persoonlijke rechten verkrijgen;
b. eigendommen, goederen of rechten aam de betrokken instelling onderhands verhuren of verpachten; of deze daaraan anders dan om niet overdragen;
c. overgaan tot of deelhebben aan leveringen of aannemingen ten behoeve van de beheerde instelling, dan wel tegen bezoldiging diensten of werkzaamheden daarvoor verrichten; en
d. krachtens bijzondere titel schuldvorderingen ten laste van de betrokken instelling verkrijgen, tenzij het betreft obligaties aan toonder in een door of voor die instelling uitgegeven obligatie-lening.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-18-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 18.

Beperkingen bij beheersdaden.

Lid
2

Het college van toezicht kan — doch uitsluitend in het belang van de betrokken instelling — van het in het eerste lid van dit artikel bepaalde, zo nodig onder door dat college te stellen voorwaarden, ontheffing verlenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-19-1

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 19.

Aansprakelijkheid van de beheerders.

Lid
1

De beheerders zijn — behoudens persoonlijke disculpatie — gezamenlijk verantwoordelijk voor schade, voortvloeiende uit achteloosheid, verzuim, of kwade trouw.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 18-19-2

Ordinantie voor het toezicht.

 

IV. Het toezicht op de financiën.

Artikel 19.

Aansprakelijkheid van de beheerders.

Lid
2

Het generaal college van toezicht kan de financiële administraties de verplichting opleggen deel te nemen aan een regeling tot verzekering tegen financiële onregelmatigheden.