2
5,169-178
01-05-1876

|169|

Iets over Kerk, Lidmaatschap en Avondmaal.

 

De Vrije Kerk — een schoone naam — en dit maandschrift, aan hare belangen gewijd, draagt hem, zoo ik hoop niet ten onrechte, op zijn titelblad. Vrij — maar niet ontslagen van elken band, ook daaronder begrepen die, welke aan God en Zijnen Christus vastmaakt; neen, in dien zin zijn ze vrij, die de Kerk vroeger of later een kwaad hart toedroegen, kluisters om de leden wilden werpen en zoo dit niet ging, poogden te vervolgen. Hare vrijheid daarentegen wortelt in en openbaart zich door onderwerping aan haar Heere en Koning. Vrij van zonde en onvolkomenheden in haar eigen boezem dan? O! ware het zoo, maar dusver bereikte zij die hoogte niet. Wel streeft ze naar die vrijheid, en als ’t wel is met hoofd en hart, uit al haar vermogen; als ’t wel is dan gedoogt ze geen van die kwade gasten op haar gebied, poogt ze tot die volmaaktheid door te dringen en tracht, bij de vrijheid ook tot eenheid der gedachten, in alle gedeelten harer leer te geraken. Ook dit opstel wordt met geen ander doel de wereld ingezonden, en geeft een drietal opmerkingen aangaande de Kerk, het Lidmaatschap en het Avondmaal des Heeren.

 

De Kerk.

Minder is het echter mijn doel te onderzoeken wat de Kerk is, als wel wie en hoedanige leden het zijn, die haar uitmaken. Ik weet het, zeer velen hebben aan de

|170|

beantwoording dezer vraag geen behoefte. Dat zij voortbladeren, of dit opstel overslaan. Anderen zijn er echter, die nog steeds aangaande deze zaak in het onklare verkeeren, en voor hen zijn deze regelen bijzonder bestemd.

De Kerk bestaat uit ware Christenen, uit oprecht geloovigen, en wel uit geloovigen alleen. Het is waar, velen zoowel uit vroeger als later tijd, denken anders. Zij oordeelen dat ze bestaat uit geloovigen en ongeloovigen, uit levende en doode leden, en ook de laatsten, die men in de Kerk meent te ontdekken, behooren mede tot haar. Hoe veel krediet men ook moge hebben voor de kunde van zulke mannen, onze gidsen kunnen ze in dezen toch niet zijn. Hier dient alleen gevraagd te worden naar de uitspraken van het Gods getuigenis; wat de artikelen des geloofs er over hebben, en hoe meer bepaald de Geref. Kerk zelve er over denkt. Zegt Gods Woord niet, dat Christus haar heeft lief gehad en zichzelve voor haar heeft overgegeven? Noemt het niet de leden der Kerk schapen, die zijne stem hooren? Gewis, en nog sterker is zijn taal diengaande. Zij zijn niet minder dan een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdm, een heilig volk, een verkregen volk. Volgens Paulus bestond de gemeente te Rome uit „geheiligden Gods en geroepen heiligen;” gelijk ze ook te Korinthe „geheiligden in Christus Jezus en geroepen heiligen” worden genoemd. De Ned. Geloofsbelijdenis heeft dit juist begrepen en noemt haar daarom: „een heilige vergadering van ware Christelijke geloovigen, die al hunne zaligheid verwachten van Christus Jezus, gewasschen zijnde door zijn bloed en geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest.” En wederom is het: „een verzameling dergenen, die zalig worden.” Van dezelfde gedachte gaat de Heidelbergsche Catechismus uit. Daar zijn het: „uitverkorenen ten eeuwigen leven — die door Woord en Geest vergaderd zijn — en in

|171|

de eenheid des waren geloofs staan.” Dit alles inziende, staat het dunkt mij genoegzaam vast: de Kerk bestaat, gelijk ook reeds is gezegd, alleen uit ware geloovigen.

Desniettemin moet toegegeven worden, dat zich in die Kerk, volgens de geschiedenis harer openbaarwording, ook ongeloovigen bevinden. Zij is echter niet in staat en wordt evenmin geroepen, die aan te wijzen, wijl ze niet over het inwendige oordeelt. Eerst dan, als de ongeloovige zich door leer of leven als zoodanig kenbaar maakt, wordt hij door de Kerk uit hare gemeenschap verwijderd. Evenals de voorgaande, vindt ook deze gedachte haar grond in de uitspraken en geschiedenis der Waarheid. Immers Judas, die zich onder de apostelen bevond, was toch blijkbaar een ongeloovige; ook herinnert ons de gelijkenis van het vischnet (des Evangelies,) dat het zoowel kwade als goede visschen bijeenbrengt, en onder de tien maagden, allen evenzeer den bruidegom te gemoet gaande, waren vijf dwaze, die daarom ook veroordeeld werden buiten te blijven; en Paulus getuigt van Demas, ergens zijn medearbeider genoemd, „dat hij hem verlaten en de tegenwoordige wereld lief gekregen heeft;” terwijl Judas menschen vermeldt, die in de Kerk waren ingeslopen, met haar in de liefdemaaltijden aanzaten en toch zichzelve weidden, en noemt ze daarom: „waterlooze wolken, wilde baren der zee.” Hierom maakt ook de Ned. Geloofsbelijdenis gewag van „een gezelschap der hypocriten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, en toch daarom van de Kerk niet zijn, hoewel ze naar het lichaam in dezelve zijn;” gelijk ook de Catechismus spreekt van hypocriten en zulken, die zich niet met hun gansche hart tot God bekeeren,” en toch in de gelegenheid waren aan het Avondmaal te verschijnen, derhalve uitwendig tot de Kerk behoorden.

|172|

Het Lidmaatschap.

Omtrent deze Kerk mag niemand onverschillig verkeeren; ook is het niet genoeg dat men haar eenige hoogachting toedraagt, of aan haar eeredienst deelneemt; maar men moet zich bij haar voegen, of zoo men zich door geboorte en doop in haar schoot bevindt, is men verplicht, in haar optetreden door het doen van belijdenis des geloofs. ’t Kan echter niet ontkend worden, dat zich, vooral in eenige streken des lands, of in sommige gemeenten, hieraan velen onttrekken; er bestaan daarvoor, zoo meent men, voldoende redenen. Ons is het echter steeds voorgekomen, dat de diepste grond van die nalatigheid, op zeer kleine uitzonderingen na, gelegen is in onkunde of onverschilligheid, en denkelijk meer nog, in die beide vereenigd. Dat men hierin niet naar goedvinden of willekeur mag te werk gaan, blijkt genoegzaam uit Gods woord. Of is het van zoo geringe beteekenis, als de Heere ergens betuigt: „Die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen is?” Wie durft het denken? Ook zegt een ander Schriftwoord: „Alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God; en alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is niet uit God.” Te meer wordt dit aangedrongen door het rechte begrip van den Christelijken Doop. Steeds worden bij zijne voltrekking de hoofdstukken der heilsleer voorgehouden. Plechtig belooven de ouden, het bedoelde kind in die waarheden te onderwijzen, of te doen en te helpen onderwijzen. Zoo ras een gedoopte dit onderricht kan ontvangen, is hij daartoe gehouden, en zelve verstaan hebbende, wat de ouders bij den Doop beloofden, is het zijne roeping, de doopbelofte door eigen belijdenis op zichzelven over te nemen. Hij, evenwel die zich aan deze belijdenis onttrekt, om welke reden dan ook,

|173|

zondigt; hij maakt zich feitelijk los van het Christelijk geloof, en vernietigt, zooveel in hem is, zijn eenmaal ontvangen Doop. Nog wordt dit versterkt door het bestaan der geloofsbelijdenis zelve. Deze is toch niet om als monument of gedenkstuk te figureeren, of om ons te doen weten wat men toen dacht en wat men wist. Integendeel, zij is vervaardigd om te doen zien hoe de Kerk de waarheden des Bijbels opvat. Zij is als de banier, waaraan het legercorps kan gekend worden, en zoo men dit als het zijne erkent, zoo men zich door zulk een opvatting der waarheid voelt aangetrokken, zoo die Belijdenis onze instemming heeft verworven, is het roeping, haar te aanvaarden, d.i. door het doen van belijdenis tot de gemeenschap der Kerk toe te treden.

Men versta mij wel. Geenszins ben ik de meening toegedaan, dat het doen van belijdenis als zoodanig genoeg zou zijn, om in den boven omschreven zin een lidmaat van de Kerk te worden. Dat toch moet niet alleen een werk des verstands zijn, neen, ook het hart, de gansche ziel moet er in deelen. Verstand en hart, — helaas te vaak gescheiden — moeten hier samen gaan. En het bewijs? Herinnert u, dat Paulus ze samenvoegt en slechts aan beiden vereenigd, de zaligheid verbindt. Indien gij — zoo is zijn woord — met uwen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart gelooven, dat God Hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden; want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid. Vergete men ook niet, dat de aard van allen waren godsdienst dit gebiedt. Of kan eenig werk den Heere welgevallig zijn, wanneer de inwendige overtuiging des harten daaraan ontbreekt? Waarlijk niet! En gelijk zij, die God aanbidden, dit doen moeten in geest en waarheid, alzoo ook zij, die

|174|

Hem belijden voor de menschen. Of zal niet ten genen dage tegen velen, die in Zijnen naam geprofeteerd, in Zijne tegenwoordigheid gegeten en gedronken, ja zelfs duivelen uitgeworpen hebben, gezegd worden: „Ik ken u niet van waar gij zijt?”

Beide staat dus vast, en is, onzes bedunkens, genoegzaam bewezen: belijdenis is roeping, en belijdenis moet in waarheid des harten geschieden. Maar nu de werkelijkheid. Worden die beide steeds vereenigd gevonden in hen, die door belijdenis tot de Kerk toetreden? Jammer, dat hier het bevestigend ja moet teruggehouden worden; dat er moet gezegd worden: velen, misschien zeer velen, doen belijdenis, niet zooals het behoort, doen het alleen met het verstand, zoo niet op nog minder edele manier. Zelfs de gewijde geschiedenis doet dit uitkomen. Wie denkt niet aanstonds aan Simon, den tovenaar? Deze deed ook belijdenis, wijl van hem bericht wordt, dat hij geloofde en gedoopt werd; maar ook is het: uw hart is niet recht voor God, gij zijt een gansch bittere gal en samenknooping der ongerechtigheid. Ook Ananias en Saphira strekken tot bewijs van deze droeve waarheid. Men houde echter in gedachten, dat de Kerk hierover niet kan noch behoeft te oordeelen. Zij neemt aan op belijdenis. Zoowel bovengenoemde Simon, die uit onheilige oogmerken, als de kamerling van Candacé, die uit zuivere beginselen toetrad, werd als lidmaat opgenomen, niet op onderzoek naar hun geestelijk leven, maar op hunne belijdenis. Filippus toch sprak: indien gij met uw gansche hart gelooft, zoo is het geoorloofd. De kamerling zeide: ik geloof en — hij doopte hem.

 

Het Avondmaal des Heeren.

De oprechte kerkleden, met Christus hun hoofd en onderling vereenigd, zijn deelgenooten van de uitnemendste

|175|

heilsweldaden. Zij komen echter tot kennis daarvan door de beloften Gods, in het Evangelie vervat, en door het geloof aanvaard. Aan den inhoud dier beloften herinnert, en van hare zekerheid vergewist hen daarenboven het Heilig Avondmaal, waaraan wij evenzeer eenige gedachten wijden. Than willen wij er voornamelijk op wijzen, dat de leden der gemeente niet alleen mogen, maar ook ten duurste verplicht zijn daaraan deel te nemen. Bekend is het echter, dat de gedachten, en vooral de practijk, hier machtig uiteenloopen. Er zijn er, die toestemmen, dat de geloovigen ten Avondmaal mogen gaan, doch dat het niet zoozeer schaadt, als ze het telkens nalaten, of misschien er zeer zelden gebruik van maken. ’t Avondmaal brengt ons niet in den hemel, en men kan, ook zonder aan die tafel te zitten, met den Heere Avondmaal houden. Dit is nagenoeg, zou ik zeggen, wijzer te willen zijn dan God, en zich opwerpen tot keurmeester zijner instellingen, die men het waagt onnoodig te noemen. Er zijn er, die het bewezen achten, dat onbekeerde lidmaten er niet alleen moeten afblijven, maar dat ze ook een soort van goed werk verrichten, als zij er zich van onthouden. Men kent gemeenten — en zij zijn niet weinige — waarvan slechts een klein getal der leden aan den disch des Heeren verschijnt, schoon er naar het oordeel der liefde veel meer zijn, die Christus hebben aangenomen. En wederom worden er gevonden, waar het gewoonte schijnt, dat alles wat lidmaat is, zonder zich te bekommeren over inwendige toestanden, steeds aanzit. De afwijkingen zijn hier dus vele, en zoo ingeworteld ook, dat men aan de genezing der kwaal schier wanhoopt. Wij veroorloven ons evenwel eenige opmerkingen. Vooreerst moet gezegd worden: ieder Christen belijder is verbonden het Avondmaal des Heeren te onderhouden. Immers Christus en zijne apostelen bevelen het nadrukkelijk. Zij zeggen:

|176|

Neemt, eet — drink allen daaruit — doet dat tot mijne gedachtenis — verkondigt den dood des Heeren tot dat Hij komt enz. Is dit slechts vergunning? neen, het is beslist bevel. Nalaten wordt hier bepaald ongehoorzaam zijn. Daarom behooren zij, de zich, schoon hun dit bekend is, evenwel bestendig onttrekken, niet alleen ernstig op die zonde gewezen, maar ook als ongehoorzamen aan ’s Heeren bevel behandeld te worden. Vervolgens houde men in ’t oog: de christelijke godsdienst met al zijne instellingen is eigenlijk één geheel. Men mag hier, wat God samenvoegde, niet scheiden. Beide Doop en Avondmaal dienen tot toelichting en verzegeling van de beloften des Evangelies. Hoe onhoudbaar derhalve, dat men den Doop wél, maar het Avondmaal niet houdt; voor zijn kind wèl, maar voor zichzelve de belofte niet aanvaardt; als kleine aan den Heere gewijd en verbonden werd, maar groot geworden, zich zoo ver mogelijk van Hem afkeert. Wat zou men doen, als onze lidmaten hunne kinderen ongedoopt lieten blijven; zou men ze ook aannemen zonder gedoopt te zijn of zich te laten doopen? Of is mogelijk het eene bondzegel meer geboden dan het ander, de Doop gewichtiger dan het Avondmaal? Och dat ook hier gewenschte gelijkheid kwame!

Men zal mij mogelijk te gemoet voeren: Bijbel en Avondmaalsformulier beide gewagen van „onwaardig eten en drinken,” en tevens verklaren ze, dat zij die dit doen, „hun gericht en verdoemenis des te zwaarder maken.” Houde men echter in gedachten, dat hun oordeel niet verzwaart omdat ze Avondmaal houden, maar wijl ze het niet op de rechte wijs doen, „onwaardig” eten en drinken. Bovendien, als wij het Evangelie hooren zonder geloof te oefenen, of ook ongeloovig blijven aangaande onzen Doop, zou dat ons oordeel niet evenzeer verzwaren? Maar daarover

|177|

is men zeldzaam bekommerd, daar glijdt men, naar het schijnt, ongemerkt overheen. Daarna zou nog de vraag kunnen zijn, wat beter is, zoolang men het ware geloof mist: er af te blijven of er aan te gaan? Zulk een vraag, zou ik haast zeggen, is voor geen antwoord vatbaar. Van beter kan hier tenminste geen sprake zijn, wijl zoowel het een als het ander zonde is. Evengoed zou dan kunnen gevraagd worden, wat beter is: in ongeloof een uitdrukkelijk bevel geheel na te laten, en dus practikaal te verwerpen, of in ongeloof zijnde, het op een verkeerde wijs te volbrengen? wat beter is: de prediking te verwaarlooze, of ze te hooren en in ongeloof te verwerpen? ’t Ongeloof is onze groote krankheid. Konden we dat recht inzien ’t zou ons vooruitbrengen. Maar dat kan men zoo moeielijk vatten, en daarover hoort men zoo uiterst zeldzaam klagen. Het schijnt of ’t ons geen zonde is, en nu onze gedoopte belijders daarover heenstappen, veroorloven zij zich op die eerste een tweede, een derde zonde, ontslaan zich ook van des Heeren instellingen, van hetgeen Hij hun bepaald heeft bevolen, om daarna heel bedaard te gaan vragen: Welke is nu onze grootste zonde? neen: wat is beter: doen of laten; het bevel Gods nalaten of onoprecht volbrengen!! Eindelijk — want anders zou mijn opstel te veel ruimte wegnemen — die in de Christelijke kerk geboren is, dient gedoopt te worden; die gedoopt is, moet leeren, zijn Doop te verstaan; die geleerd heeft, behoort belijdenis te doen, en die beleed, wordt geroepen den dood des Heeren te verkondigen. Die een van deze of die allen te gelijk verwaarloost, zondigt tegen God en zichzelven — maar ook: die ze niet in waarheid vervult, niet op de rechte wijs waarneemt, verzwaart evenzeer zijn oordeel. God doe ons dit gevoelen. Hij doe het tot diep in onze ziel doordringen, opdat

|178|

wij in den weg des geloofs ervaren, dat Gods verordeningen geen ledige vormen zijn, maar Hij een rijke belooner is dergenen die Hem zoeken.

Over hen, die vaak aan de oprechtheid hunner boete en aan de waarheid van hun geloof twijfelen en deswege van de tafel des Heeren terugblijven — indien de Redacteur ons daarvoor nog eenige ruimte wil afstaan — nog een woord in een volgend nommer.

Pernis.

J.H. Vos.