VII-XXXIX

|VII|

De confessioneele praktijk in de Nederlandsche Hervormde Kerk 1561-1619

|VIII||IX|

 

De belijdenis der Evangelie-waarheid is de harteslag van het kerkelijk leven en blijft voor de Kerk ten einde toe de voorwaarde van haar bestaan. De stonde van de stichting der Hervormde Kerk in Nederland valt dan ook samen met het ontstaan van hare Symbolen of Geloofsleuzen, die in wél verstaanbare schrift de uitdrukking bevatten van het gemeenschappelijk geloof, waarin men zich tot ééne Kerkgemeenschap verbond. Die Symbolische Schriften of Formulieren van eenigheid, gelijk men ze later naar het voorbeeld der Luthersche zusterkerk noemde, moeten nog altijd uitwijzen of wij kinderen van het kerkelijk huisgezin zijn. Nooit heeft men nog die eerwaardige oorkonden kunnen ter zijde stellen, waar het deze vraag gold. Immers de kunst, waarmede men menigmaal óf haar zin heeft getracht te verwringen, óf zich tegen haar wettig gebruik te verbergen of te verweeren, is wel het klaarste bewijs, dat zij op dit punt eene stem hebben, die niet te smoren is.

Men heeft evenwel, zelfs niet enkel van den tegenstander, zoo dikwijls de exceptie van niet-ontvankelijkheid hooren opwerpen tegen den eisch tot het gebruiken van de Symbolische Schriften, op grond van hare onbruikbaarheid wegens het tijd- en tijverloop sedert hare opstelling en invoering, dat de vraag bij elke poging tot kerkelijke werkzaamheid op den grondslag der Belijdenis pleegt gedaan te worden: hoe zijn de oorkonden van ons kerkelijk bestaan nu nog te gebruiken?

Wanneer ik tot de beantwoording van die vraag eene behulpzame hand bied, dan bedoel ik niet in de eerste plaats hetgeen men gewoonlijk onder de „handhaving der Formulieren” verstaat. Het kan mijn doel niet zijn, lessen

|X|

te geven voor eene kerkelijke rechtspraak, of het mocht misschien de herinnering wezen aan het eerste en het laatste artikel van de wet des geestes des levens van Christus, die in de Kerk heerschappij voeren moet, waarbij bepaald is dat ’s Heeren discipelen zich niet mogen laten brengen onder de heerschappij der letter van Formulier of Reglement. De vraag, tot welker beantwoording ik eene historische bijdrage lever, is deze: hoe hebben wij de Belijdenisschriften onzer Kerk te gebruiken als leuzen van samenwerking ook voor dezen tijd, en tot aanwijzing van hetgeen in de Kerk nog altijd gehandhaafd worden moet? Het antwoord op deze vraag wordt met recht gevorderd van hen, die genoegzaam den moed van hunne overtuiging hadden, om voor vriend en vijand uit te spreken, dat niet de geheele Symbolische Schrift als zoodanig de blijvende belijdenis der Kerk kan zijn, en die niet minder beslist, met die oorkonden van het aanzijn en het wezen der Kerk in de hand, aandrongen op de handhaving van hetgeen de Kerk niet verzaken kan zonder zich zelve te dooden, en de geloovige niet verzaken mag, omdat het leven der ziel daaraan hangt. Geven de Symbolische Schriften der Gereformeerde Kerk tot deze onderscheiding recht en zijn zij daarop ingericht? Daarvan hangt het af, of zij nog bruikbaar zijn te achten in het leven en den strijd der Kerk. Want die ons de Belijdenisschriften zou willen voorleggen als den Codex, naar welks letter de geloofsrechter heeft te oordeelen, hij zou een onzinnig werk doen, dat vooraf geslagen zou wezen met den ban van eene volstrekte onmogelijkheid en „onprofijtelijkheid” (Hebr. VII: 18). Wel nu, hij zou zich ook niet kunnen streelen met den reuk der rechtzinnigheid. Onze Gereformeerde Symbolen zijn met die bestemming niet geboren. Dit vooral wenschen wij aan te toonen, door eene korte uiteenzetting van hetgeen de geschiedenis van het ontstaan en de vroegste bewaring en handhaving van onze Formulieren leert omtrent hun wettig en naar de echte kerkelijke beginselen ingericht gebruik.

|XI|

Drie punten wensch ik in het licht te stellen:
1. het ontstaan van de Symbolische Schriften;
2. de wijze hoe men met den tekst dier Schriften heeft gehandeld gedurende het eerste tijdperk van het bestaan der Kerk;
3. wat oorspronkelijk als het eigenlijk verbindende in die Schriften werd aangemerkt.

*

1. Langs anderen weg dan in de Luthersche Kerk zijn de meeste Geloofsbelijdenissen van de Gereformeerde Kerk ontstaan. De Augustana en de Formula Concordiae, die ginds als de hoofdsymbolen gelden, zijn op vorstelijk bevel door de Theologanten vervaardigd en aanstonds met het gezag der Wet bekleed. De opperste Bisschop, de Landheer, wiens godsdienst ook de godsdienst van het land moest zijn, heeft ze ingevoerd, en de handhaving van die oorkonden der dus aangenomen kerkleer geschiedde als van de Kerkwet des Lands met vorstelijk gezag 1). De onderdanen mochten de Wet niet veranderen. Aan de Gereformeerde Kerk heeft het vooral ten goede medegewerkt, dat zij òf door hare geboorte in den schoot eener republikeinsche staatsinrichting bij vrijwillige volkskeuze haar geloof belijden mocht, òf ook dat, zoo als in Frankrijk en in Nederlanden, de machthebbers dezer eeuw haar de belijdenis van haar geloof niet oplegden, maar ontpersten met het zwaard der vervolging. Daardoor zijn hare Confessiën en Symbolische Schriften oorspronkelijk bovenal professiën of persoonlijke verklaringen van de geloofsovertuiging der belijders, of waar zij, als in Zwitserland, met medewerking van de


1) Zie W. Broes, Kerk en Staat, III, bl. 40, vgg. — Dit was ook het leidend beginsel van de kerkvisitatie van 1527 in Keur-Saksen. Het beginsel, daarbij gevolgd, was ook de leer van de Remonstranten (H. Grotius, De imperio summarum potestatum circa sacra), van Hobbes (Elementa philos. de Cive; — Leviathan) en ook van Spinoza (Tract. Theol. polit.)

|XII|

overheid tot stand kwamen, daar was het toch de macht des volks, door de stem der gemeente geleid, die zich dus deed gelden. Er was geen hooger lastgeving en geen andere band dan die gelegen was in de gehoorzaamheid aan God en zijn Woord.

In de gemeente, die zich in de zestiende eeuw in Nederland van Rome scheidde, was een machtige invloed van buiten van groote beteekenis, te weten van de Geneefsche Kerk door middel van de leerlingen van Kalvijn en Beza, die, gelijk in Frankrijk, zoo ook in de zuidelijke Nederlanden als leeraren optraden, nadat zij te Genève hunne opleiding hadden ontvangen. 1) Op de oude Synoden was vaak het geval wat van de te Tournay (à la Palme) in 1563 vergaderde staat opgeteekend, dat zij besloot „qu’on suivrait le conseil de ceux de Genève.” Bij het opstellen van hare Belijdenis volgden de voorgangers der gemeente het voorbeeld van de Gereformeerde Kerk in Frankrijk, met het kennelijk streven om een weerklank te geven op hetgeen dáár beleden werd. Doch wanneer men den raad en het voorbeeld van elders volgde, dan was het naar eigen overtuiging, gelijk in de wijze te zien is waarop men het deed. Men gaf toch inderdaad eene eigene, eene Nederlandsche Belijdenis. Waarom? Blijkbaar omdat in de Fransche Belijdenis, die in het jaar 1559 op de Parijsche Synode was aangenomen, niet genoeg de wangevoelens der Wederdoopers werden wederlegd, waaraan hier meer dan in Frankrijk behoefte bestond. Het was een zelfstandig volgen bij deze belijders, een voldoen allereerst en allermeest aan den drang des harten en ook aan den nooddwang der behoefte aan zelfverdediging tegen de bestrijding van hun geloof.

Ziedaar de oorsprong van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Zij was eene professie en eene apologie, „faicte d’un


1) Hoevelen uit de Nederlanden te Genève theologisch onderwijs genoten hebben kan door ieder worden nagezien, sedert in 1860 werd uitgegeven: Le livre du Recteur. Catalogue des Étudiants de l’Acad. de Genève de 1559-1859. Genève, J.G. Fick.

|XIII|

commun accord par les fidèles qui conversent ès pays bas, lesquels desirent vivre selon la pureté de l’Evangile de nostre Seigneur Jésus Christ” 1).

Hetzelfde karakter vertoont de alleroudste belijdenis onzer Nederlandsche Gereformeerden, welke door à Lasco in 1550 of 51 aan Koning Eduard VI, in Engeland, waar zij als vreemdelingen vertoefden, was aangeboden. „Het moet,” schreef Lasky aan den Koning, „aan allen openbaar worden, en geen der vijanden zelfs zal het kunnen ontkennen, dat de ware Kerk van Christus hier door ons op uw gezag wordt ingericht, omdat het blijkt, dat wij haar op geen anderen grond verzamelen, in stand houden en besturen, dan op die geloofsleer en hare openlijke belijdenis (professione), die de Heere Christus zelf als den eenigen grondslag van geheel zijne Kerk voor alle tijden heeft toegezegd.” Op den dus beleden geloofsgrond wilde men zich met gelijk gezinde broeders vrijwillig vereenigen. Aan het slot toch der oude Londensche belijdenis lezen wij: „Dit kort begryp deser leeringhe hebben wij willen laten uitgaen, opdat alle deghene, die haer willen voeghen tot der ghemeynten, versekert wesen, datse niet door eenighe menschelicke leeringhe, maar bij de stemme Gods, door de Enghelen, Propheten en Apostelen voortghebracht, tot der warachtigher kennisse Gods ende Christi, ende oock tot den eeuwigen leven verghadert en wtgheroepen werden” 2).

Het was ook in Nederland de samenvloeiende gemeente, die haar geloof vond uitgedrukt in de Geloofsbelijdenis, welke door Guido de Bray aan den Koning van Spanje en de Overheden in de Nederlanden werd voorgehouden. Daarvoor erkend en aangenomen, werd zij als een algemeen gevolgde standaart, als het Symbolum, het Parool der strijdende en lijdende gemeente, waaraan men elkander en bepaaldelijk de leidslieden der gemeente herkennen zou, in de eerste Synoden gebracht, waar, bv. reeds te Armentières


1) Titel van 1561.
2) Joh. a Lasco, Opera; ed. A. Kuyper, II, p. 290, 333.

|XIV|

in 1563 werd bepaald, „que les Anciens et Diacres signeront la Confession de Foy,” hetwelk van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis moet verstaan worden 1).

Opmerkelijk is vooral de betrekking van de Nederlandsche en de Fransche Geloofsbelijdenis 2) onderling, die immers in


1) Hare oudste geschiedenis is uit de bronnen nu eerst goed beschreven geworden door Dr. L.A. van Langeraad in zijn akademisch proefschrift: Guido de Bray, zijn leven en werken (1884). Daar verneemt men o.a. hoe de Bray voor de Belijdenis en het beroep daarmede op den Koning audientie zocht door het werpen over den buitenmuur van het kasteel te Doornik van een pakket, waarin het kleine boeksken geborgen was, met een bezwaarschrift naar aanleiding van scherpe vervolging van „de ketters” in de stad. Wat men van bepaalde voorafgaande medewerking aan, en goedkeuring van de Confessie door Godgeleerden en Edelen heeft verhaald, berust meestal op een verhaal van Mart. Schoock in de Voorrede voor zijn boek: De bonis ecclesiasticis. Wat hij opgaf, als ontleend aan zekere (certa) maar ongenoemde documenten, is door Dr. van Langeraad op den keper beschouwd en daarbij is gebleken, „dat de berichten van Schoock en Thysius hieraan hun ontstaan te danken hebben, dat men op de eerste verschijning van de Confessie verhalen heeft toegepast, die er in geen verband mede staan.” Voorts „dat de woorden” (op den titel): „faicte d’un commun accord par les fideles, qui conversent ès pays-bas” geen betrekking hebben op de „voorafgaande goedkeuring van een groot aantal predikanten, wier instemming zou kunnen beschouwd worden als door hen voor het volk gedaan, maar dat zij alleen beteekenen, dat de Bray wist in de 37 Artikelen de geloofsovertuiging uit te spreken van zijne aanhangers te Doornik en elders in deze landen.”
2) Zie omtrent den oorsprong der Fransche Geloofsbelijdenis: Joh. Calvini Opera, Tom. IX, in Corp. Reformatorum, Tom. XXXVII (Brunsv. 1870), in de Prolegomena, p. LX, seq., conf. p. LV seq., en voorts p. 721, seq., en p. 739, seq. — Hierop wees Dr. J.I. Doedes in de Stemmen voor Waarh. en Vrede, 1880, bl. 615, vgg. — Het heeft tot op de verschijning van het hier aangehaalde deel van de Opera Calvini in het Corpus Reformatorum als ontwijfelbaar gegolden dat de Confessio Gallicana uit den boezem der Parijsche Synode van 1559 — hoe dan ook — is voortgekomen. Maar nu is gebleken dat door die Synode slechts „een en ander is toegevoegd en zeer weinig veranderd” aan een Concept, door Kalvijn aan haar gezonden, uit XXXV artikelen bestaande, dat op zijne beurt ene uitbreidende bewerking was van eene Geloofsbelijdenis, door de gemeente te Parijs in 1557 aan Koning Hendrik II aangeboden, naar aanleiding van de vervolging, die zij in dit laatstgenoemde jaar te lijden had. Deze Parijsche belijdenis, waaraan Kalvijn reeds dadelijk toen zij hem werd medegedeeld de hand gelegd had tot hare vervollediging, vindt men in de Lettres de Calvin (T. II, p. 151), uitgegeven door Jules Bonnet in 1854. — In de dus tot stand gekomen Confessio Gallicana moet niet voorbijgezien worden de in de Opera Calvini (Corp. Ref. ➝

|XV|

den gemeenschappelijken inhoud, waar het de hoofdzaken t.w. den inhoud van het Evangelie geldt gelegen is. Blijkbaar heeft de Bray de Fransche Confessie op den voet gevolgd en nagevolgd, en naar het schijnt is zijn opstel later wederkeerig ter uitbreiding van zijn model ten voorbeeld genomen. Wegens die innerlijke betrekking mochten de beide Confessiën als eene en dezelfde worden aangemerkt. Dit is in het Convent te Wesel werkelijk geschied. De oude Gereformeerden reikten elkander op den inhoud der gezamenlijke belijdenis de hand, terwijl men het gemeenschappelijk geloof uitsprak. Niet om het uitwerken van dogmatische stellingen, maar om het Credo, de substantie der leer die men beleed, was het te doen. De gemeente, op den Nederlandschen grond geboren, had in Engeland getuigd van haar geloof naar de behoefte van tijd en plaats, kennelijk met de zucht, waarmede à Lasco haar bezielde, om geen partij te kiezen in den strijd tusschen Luther en Kalvijn. Tien jaren later getuigde zij in de Nederlanden, onder den invloed van Kalvijn, met het doel om wèl onderscheiden te worden van de opkomende sekten en ook van de volgers van Luther. Hare belijdenis is geen wet, die haar gesteld, maar integendeel eene overtuiging, die door haar uitgesproken werd, en deze belijdenis vormde welhaast de banier voor de gelijkgezinden, die zij handhaafden ten bloede toe. Zij was inderdaad een Formulier van eendracht bij haar ontstaan, vóórdat zij Formulier van eenigheid in de Kerkorde werd.


➝ l.l. p. 739-751) aangewezen overeenkomst met de Confession des Escholiers (d.i. Belijdenis der Akademieburgers, t.w. in den ruimsten zin: Professores, Magistri et auditores publici), door Kalvijn opgesteld bij de stichting der Akademie van Geneve in 1559. — Opmerkelijk is het streven van Kalvijn naar eenheid in de Belijdenis der Kerken, hetwelk onder de redenen mag gerekend worden, waarom hij zoo weinig ingenomen was met den ijver om eigen Geloofsbelijdenissen openbaar te maken. Hoe het gekomen is dat als auteur van de Gallicana heeft kunnen genoemd worden de edelman en prediker Antoine de Chandieu, wordt verklaard uit het aandeel dat deze gehad heeft én aan de Parijsche Geloofsbelijdenis van 1557 én aan het tot stand komen van de Synode der Fransche gemeenten in 1559. Zie de Histoire des Eglises réformées de France (aan Beza toegeschreven) T. I, p. 172, suiv.

|XVI|

Het was een kritieke tijd, en dus ging men zeer critisch te werk bij de onderteekening van de Belijdenis. Ja, wij kunnen wel zeker zijn, dat men haren tekst goed verstond vóór en aleer men er den hals voor wagen ging. Jac. Trigland heeft dit aan Uytenbogaert eens doen opmerken, toen hij schreef: „Meent de historieschrijver dat die alle dage gaen in ’t peryckel van haer leven, en dat om hares gelooves wille, haer soo souden laten blinthocken, of soo los over hare belijdenisse henen loopen, ende haer geloof, na de Paepsche wijse, op het goed credyt van anderen aannemen?” 1) Later tijd, toen men met den naam van confessioneel-rechtzinnig lof en voordeel behalen kon, was voor de critiek niet half zoo gunstig.

 

Doch ik mag nog niet van de confessioneele critiek der vaderen spreken. Eerst slaan wij een blik op het ontstaan van den Heidelbergschen Catechismus.

Dit kleinood onzer Kerk leeft in alle harten, die „gereformeerd zijn naar Joh. 3,” zoo als Frederik de Vrome placht te spreken, en het leefde vóór dat het geschreven was in het hart van den Vorst, die het aan zijn land en aan de Gereformeerde Kerk van alle landen schonk. Dit is het wat aan onze Symbolische Schriften nog altijd kracht en gezag geeft, dat zij leven in de harten vóór en na. Bestond er geene Gereformeerde gezindheid meer, dan hadden die Symbolen geen ander gezag of beteekenis meer, dan dat zij getuigden tegen den naam, dien eene ontaarde gemeenschap er van mocht willen ontleenen.

Algemeen is de mannelijke belijdenis bekend, welke de Keurvorst van de Paltz in 1566 op den Rijksdag te Augsburg heeft afgelegd met zijnen Catechismus vóór zich, maar minder bekend is zeker een pas aan het licht gekomen brief van zijne hand aan zijnen schoonzoon Johan Frederik van Saksen-Gotha, den Lutherschen ijveraar uit de dagen


1) J. Trigland, Kerkel. Geschiedenissen, fº 102.

|XVII|

toen men nog pas bezig was den Catechismus in schrift te brengen (10 Juni 1562). Daarin schreef de Keurvorst, nadat hij zich had verdedigd wegens zijne toegefelijkheid in een geschil over eene erfenis met Hertog Wolfgang van Tweebrugge: „Wat nu het eeuwige en alzoo het heil mijner ziel belangt, ik dank mijnen lieven God, die mij heeft leeren bidden, en wel het heilige Onze Vader. Welnu, wanneer ik spreek: Vader onze, of Onze Vader, die in de hemelen zijt! dan geloof en weet ik zeker, dat ik zijn kind ben. Omdat ik dan zijn kind ben, zoo ben ik ook een broeder van Gods Zoon, onzen Heer en Heiland Jezus Christus, en alzoo zijn medeërfgenaam van alle die geestelijke goederen, die Hij allen zijnen geloovigen door zijne menschwording, lijden, sterven, opstaan en hemelvaart in zijn Koninkrijk, dat geestelijk is met alles wat daartoe behoort, verworven heeft. Deze kan mij geen duivel, hel, wereld of eenig mensch ontnemen; ik ben er zoo zeker van door het geloof, als had ik ze in mijne hand. Laat mij dit zijn tot een recht fondament, gelegd op den hoeksteen Jezus Christus, waarvan Paulus zegt 1 Kor. 3: „Niemand kan een ander fondament leggen dan hetgeen gelegd is, Jezus Christus.”
„Nu mag U. L. laten aankomen duivel, dood, hel en wereld met hun aanhang; ofschoon zij de tanden laten zien, mij zuur aanzien, woeden, razen en pochen, zij hebben niets aan mij, zoo min als aan mijn Heer en Hoofd Christus, wiens arm lid ik ben. Ja zij kunnen mij allen te zamen zonder den wil mijns Vaders het kleinste haar niet krenken, zij mogen doen wat zij willen, al nemen zij mij het tijdelijk goed, waar ik toch niet veel om geef, en het tijdelijk leven, voor zoo ver hun dit door mijnen lieven Vader mocht worden toegelaten. Zij helpen mij zoo toch tegen hun wil en dank in het Vaderland, waar ik, sedert ik van nieuws geboren ben, naar Joh. 3, dagelijks naar verlang, daar ook mijne ziel dan zal rusten, tot op den dag, dat het lichaam weder opstaan zal en ziel en lichaam

|XVIII|

weder vereenigd worden, om met al de uitverkorenen eeuwig te leven en te bezitten die goederen, waarvan ik zoo even sprak. Dit is mijn geloof, troost en vreugde, waarbij ik met blijdschap het Te Deum laudamus kan zingen. Ontbreekt mij nu nog iets, zoo vaar ik in het gebed voort en bidde God den Vader om zijnen Heiligen Geest, en dat van wege zijnen lieven Zoon onzen Heer Jezus Christus, en ik ben in het geloof volkomen verzekerd en gewis, zoo als mij mijn Heiland beloofd heeft, dat wanneer ik den Vader in zijnen naam, en inzonderheid wanneer ik om den H. Geest bid, ik zal verhoord worden. — Nu zegge mij U. L. of ik hierin verkeerd geloof en of ik dit geloof van eenen mijner raden of predikers heb geleerd, dan wel van mijnen lieven Vader in den hemel, en of ik niet een fondament heb, tegen hetwelk de poorten der hel niets vermogen.
„Dat U. L. echter in uw schrijven over Joh. 6 met mij disputeert, in de meening mijn argument, in mijn vorig schrijven aangevoerd, om te stooten, en dat gij mij beschuldigt als maakte ik God tot een leugenaar (waarvoor God mij behoede), omdat ik niet wil toegeven, dat men het lichaam en het bloed van Christus lichamelijk met den mond, maar geestelijk ontvangt: — ik weet wel, dat die de woorden van Christus niet voor zeker en recht en waarachtig houden wil God tot een leugenaar maakt. Maar dat ik dit doe, daarvan ben ik God dank! nog niet overtuigd. — Ik vind bij het vlijtig nalezen van de vier evangelisten en den Apostel Paulus, waar zij van dezen handel schrijven niets van een lichamelijk eten of drinken van het lichaam en het bloed van Christus met den mond.1).

Is het niet, als hooren wij hier uit den mond van den


1) A. Kluckhohn, Briefe Friedrich des Frommen, Kurfürsten von der Pfalz, mit verwandten Schriftstücken, I, S. 310, fgg. — Dat de Keurvorst in den inhoud en de inrichting van den Catechismus te huis was blijkt o.a. uit een brief, door diezelfde hand medegedeeld als bijlage in eene verhandeling tot beantwoording van de vraag: Wie ist Kurfürst Friedrich III von der Pfalz Calvinist geworden. In Jahrb. der hist. classe der K. (Bayerschen) Akad. der Wissenschaften. 1866.

|XIX|

Keurvorst den Catechismus spreken? Inderdaad hij spreekt, want zijn inhoud leefde in den kring, waarin hij ontstond, toen die geloofsinhoud ontwikkeld en uitgedrukt werd in de Vragen en Antwoorden, om „des christens eenige troost in leven en sterven” te ontvouwen. Dit is de voorwaarde, waarop een Catechismus alleen een symbolisch karakter verkrijgt, dat hij eerst van binnen geleerd zij vóór dat men hem aan een opkomend geslacht van buiten laat leeren.

De oorsprong van het voortreffelijk Heidelbergsch leerboek is in den laatsten tijd met nauwkeurigheid in het licht gesteld 1). De Keurvorst Frederik III had „bevonden,” zoo schrijft hij, „dat in zijn vorstendom eene groote ongelijkheid en onrichtigheid in catechetische geschriften plaats had en dat er aan menige plaats in het geheel geen gebruikt werd,” en dit deed hem aan Zacharias Ursinus, Hoogleeraar te Heidelberg, en aan Caspar Olevianus, Predikant aldaar, de taak opdragen een leerboek te vervaardigen, „dat zoowel voor de jeugd, als voor de kerkdienaren” dienen moest. Ursinus leverde in de latijnsche taal een opstel, dat de grondstof voor het leerboek bevatte, en een ander, dat als voorbeeld dienen kon. Olevianus arbeidde met het oog op deze opstellen en leverde in de Hoogduitsche taal het voortreffelijk werk, dat de eer heeft het algemeene symbool der Gereformeerde Kerk te zijn, bekend en gebruikt zoowel in de hooglanden van Schotland, als in de dalen van Rhetië 2). Het blijkt niet slechts uit de andere


1) Zie vooral K. Sudhoff, C. Olevianus und Z. Ursinus Leben und ausgewählte Schriften, 1857, S. 88, ffg.; J.I. Doedes, de Heidelb. Catech. in zijne eerste levensjaren, 1867, bl. 17, vgg. Later verschenen de reeds aangehaalde Briefe Friedrich d. Fr., in 1868, die veel belangrijks bevatten voor de geschiedenis van den Catechismus. Maar inzonderheid moet vermeld worden voor zijne „wordingsgeschiedenis” het in 1890 verschenen werk van Dr. M.A. Gooszen: De Heidelbergsche Catechismus, Textus receptus met toelichtende teksten, en niet minder het in 1892 uitgegeven vervolg daarop: De Heidelbergsche Catechismus en het boekje van de Breking des broods in het jaar 1563-64 bestreden en verdedigd.
2) Zie de belangrijke mededeeling van Dr. Doedes in zijne Merkwaardigheden

|XX|

werken van Olevianus, maar ook uit de groote overeenstemming tusschen de zegswijze van den Catechismus en die van den Keurvorst zelven, dat deze leeraar, aan wien Frederik zoo nauw verbonden was, de eigenlijke redactor van den Catechismus geweest is. Het opstel, door den Keurvorst met instemming ontvangen, werd door hem in het begin van 1563, aan „eene vergadering van al de Superintendenten, voornaamste Kerkedienaren en Theologanten van de Paltz” medegedeeld, die het met de andere opstellen „vergeleken” en daarna onderschreven 1). Zoo verscheen de Catechismus in Februari 1563 in druk en werd aanstonds in des Keurvorsten landen ingevoerd, zoo als blijkt uit de Kerkorde en uit de Nederlandsche vertaling van den Catechismus, in dat jaar te Heidelberg gepubliceerd. In hetzelfde jaar werd hij, blijkens de oudste Emdensche uitgave, reeds naar Nederland gebracht in de Nederlandsche taal.

Wij behoeven dus in de geschiedenis der wording van den Catechismus het gezag van den Keurvorst niet te miskennen als een hoofd-factor van zijn ontstaan, om te doen uitkomen hoe dat leerboek, als uit den schoot der Paltzische Kerk geboren is en uit haren ijver in het belijden der geloofsovertuiging, die in de Paltz, in Zwitserland en in Nederland leefde, en dat zij dus het karakter der Gereformeerde belijdenisschriften duidelijk vertoont.

Vooral is het der moeite waardig na te gaan, hoe dat leerboek Belijdenisschrift geworden is in onze Nederlandsche Kerk.

Het was door de overeenstemming, die bestond tusschen de Hervormden hier te landen en die van de Paltz. Dit wordt geheel miskend door Ypey en Dermout, als zij ons


➝ uit den oude-boeken-schat, in de Godgel. Bijdr. van 1869, 6e stuk. (De Engadijnsche vertaling van den Heid. Cat.).
1) Keurv. Frederik aan Johan Frederik den Middelste, bij Kluckhohn, S. 390. Verg. eene M.S. aanteekning bij O. Thelemann, Handreichung zum Heid. Katechismus, S. 570, aangehaald door Dr. Gooszen, I, bl. 23.

|XXI|

verhalen 1): „Door het landsheerlijk bevel werd hij dadelijk door Datheen vertaald en te Embden uitgegeven. En toen nu in 1566 in de Nederlanden de Hervormde Kerk gesticht werd, werd de psalmberijming van Datheen hier ingevoerd, en dus ook de Catechismus.” Men wist toen niet beter. De vertaling van den Catechismus, te Embden in 1563 verschenen, is niet van Datheen. De Paltzische Kerkorde, in het Nederlandsch eerst in 1566 uitgegeven, bevat mede eene vertaling van den Catechismus, die insgelijks niet door Datheen is vervaardigd 2). En, wat het voornaamste is, de Hervormde Kerk is hier te lande niet gesticht in 1566. Neen, de Hervormde Kerk is hier te lande gesticht, wanneer meent gij? in 1523, toen het eerste martelaarsbloed stroomde? of in 1561, toen de Geloofsbelijdenis in het licht verscheen? of in 1568, toen het Convent te Wesel samenkwam? of in 1578, toen de eerste Nationale Synode op den Nederlandschen grond werd gehouden? — het was niet in 1566. De Psalmberijming van Datheen is zeker een krachtig middel geweest tot bevordering van het gebruik van den Catechismus, maar deze is niet met de Psalmberijming ingevoerd. Hij is hier veeleer ingehaald.

Te Heidelberg en Emden werd hij in het Nederlandsch uitgegeven in het jaar van zijne invoering in de Paltz. De tweede Emder uitgave is schier te gelijk met de Psalmen van Datheen verschenen, en reeds in het volgend jaar (1567) werd hij te Deventer gedrukt: ook deze uitgave is geene bloote reproductie van het werk van Datheen. De Hoogleeraar Doedes leidt uit deze door hem aan het licht gebrachte oudste geschiedenis van onzen Catechismus dit gevolg af, „dat hij met eenige graagte ontvangen werd” 3): ik zou liever zeggen: met honger. Ja, met honger en dorst naar „den eenigen Troost.” Ziedaar de grondslag van het gezag, dat de Catechismus heeft in onze Kerk. Als kerkelijke


1) Geschiedenis der Ned. Herv. Kerk, I, bl. 459.
2) Zie Doedes, t.a.p.
3) T.a.p. bl. 115.

|XXII|

Belijdenisschrift is hij eerst aangenomen nadat hij jaren lang als leerboek was gebruikt (op aanbeveling van de vergadering te Wesel (1568) en van de Synode te Embden (1571)), en wel van provincie tot provincie 1), en voor de geheele Kerk eerst op de Synode van Dordrecht in 1619. Dus is de Catechismus evenmin als de Geloofsbelijdenis van boven opgelegd, maar in de vaderlandsche gemeenten ingehaald, „niet met dwang, maar gewilliglijk.”


De Leerregelen der Synode van Dordrecht hebben uit den aard der zaak eene geheel andere geschiedenis. Zij kunnen niet op eenen zoo ouden en zoo echten confessioneelen adel bogen; zij staan ook naar hun aart en oorsprong niet op dezelfde lijn met de Confessie en den Catechismus, maar behooren tot eene tweede klasse van Formulieren, die wij van de eerste, de eigenlijk symbolische reeks moeten onderscheiden 2). De oude kerkelijke praktijk leert ons dit reeds, volgens welke zij niet in de gewone kerkbijbels als geloofsleuze der gemeente aan vriend en vijand werden uitgereikt. Die merkwaardige leerregelen hebben niet slechts een tijdelijk, maar ook een zeer schoolsch karakter. Daarom behooren zij tot de Symbolische ἀπόκρυφα, en moeten als een bijzonder deel van het Corpus doctrinae worden aangemerkt. Als wapen tegen sommige vijanden gekeerd, kan het niet voor alle vrienden even goed als band van gemeenschap dienen. De Dordrechtsche Synode zelve heeft deze leerbepalingen blijkbaar niet anders willen beschouwd hebben dan als eene „breede verklaring van de leer der Kerk over de vijf verschilpunten, die in de 17e eeuw tusschen haar en de toenmalige Remonstranten aan


1) In Groningen en Ommelanden in 1595; in Z. Holland 1601; in Drenthe 1602; in N. Holland 1608; in Zeeland 1610; in Gelderland 1610; in Friesland 1610.
2) In deze klasse behooren bij ons, wederom naar hun aart en oorsprong op hun eigene ondergeschikte plaats, de Vijf Artikelen, opgesteld door de Classis van Walcheren (1693), aangemerkt te worden. Bij de Zwitsersche kerken: de Consensus Tigurinus (1549-1554) en de Consensus Genevensis (1552).

|XXIII|

de orde waren” 1). Het is daarom met de bedoeling van de vaderen weinig strookende, wanneer sommige moderne orthodoxisten de tegenstellingen, in de Canones voorkomende, nu nog voetstoots willen gebruiken tegen hetgeen buiten verband met de Arminiaansche grondstelling van den vrijen wil geleerd wordt. Toen de Gereformeerde Vaderen in 1619 de Remonstranten naar behooren hebben wedersproken uit het van weêrskanten gekozen gezichtspunt aan de bovennatuurlijke zijde van de strijdvraag omtrent den diepsten grond van des zondaars behoudenis, hebben zij zich niet ingebeeld, daarmede het laatste woord over het verband tusschen ’s menschen zedelijke vrijheid en Gods souvereiniteit te hebben gezegd 2).

Het moet erkend worden, dat het gebruik, van onze Symbolen gemaakt, allengs tot misbruik is overgegaan.

*

2. De bewaring van den tekst der Symbolische Schriften gedurende het tijdperk van hun ontstaan, dat is van 1561-1619, verdient in de tweede plaats al onze aandacht. Wij hebben hierbij — het spreekt van zelf — alleen het oog op de Geloofsbelijdenis en den Catechismus.

De tekst der Symbolische boeken moest met zorg bewaard worden. Onnut is de leus, die onduidelijk is, even


1) Zie het Request der Synode aan de Staten-Generaal, vastgesteld in de 177e Sessie (in de Post-acta). Omtrent de Leerregelen is het oordeel van Ypey en Dermout juist en billijk: „Die nader opgehelderde punten der leer werden in de algemeene Synode te Dordrecht vastgesteld, niet als een nieuw, afzonderlijk, symbolisch geschrift, maar als een aanhangsel van de Geloofsbelijdenis en van den Catechismus, hetwelk alleen geschikt ware om sommige artikelen, in die beiden wel vervat, maar niet duidelijk genoeg voorgesteld, breeder te verklaren en daaromtrent eene meer duidelijke bepaling te maken” (I, 464).
2) Dit is terecht onderscheiden door wijlen Dr. D. Chantepie de la Saussaye, in zijn Openbaren brief aan den Hoogl. Scholten, Ernst en Vrede, I, bl. 264.

|XXIV|

als de bazuin, die een onzeker geluid geeft. Onze Kerk heeft dan ook van ouds den tekst der Geloofsbelijdenis, die het eerst en het meest in aanmerking kwam, in wezen gehouden, niet door hem te kristalliseeren, maar door hem behoorlijk te hanteeren. De vaderen hebben wél begrepen, dat het kristal springt, terwijl het woord, dat leeft, onverdelgbaar is als de geest, die er in woont. Hoe de oudste Synoden, tot die van het jaar 1618 toe, met den tekst der Geloofsbelijdenis hebben gehandeld, is in deze uitgave nauwkeurig aangewezen. Men kan zich nu overtuigen dat de varianten der oudste uitgaven iets meer dan typographische fouten en verbeteringen zijn. Daarbij zal men moeten erkennen, dat de Geloofsbelijdenis sedert 1565 in de oude Synoden meermalen is herzien; dat zij in 1566 eene nieuwe bewerking heeft ondergaan, en dat ook de Dordrechtsche Synode van 1618-19 ten bewijs strekt, hoe ver de oude Kerk geweest is van de meening, dat de letter der Belijdenis anders dan in ondergeschiktheid aan haren inhoud zou moeten worden gehandhaafd.

Men heeft het elkander steeds nagezegd, dat die revisiën niets beteekenend waren en zich tot een enkel woord hier en daar bepaalden. Welnu, het zij voor het vervolg uitgemaakt, dat men zoo alleen spreken kon, omdat men de moeite niet nam de waarheid van het beweerde naar eisch te onderzoeken.

Het herzien van den tekst der Belijdenis behoorde naar de meening van de grondleggers onzer Kerk evenzeer tot hare handhaving als het ongeschonden bewaren van den inhoud der Evangelieleer. Toen de gedelegeerden der Staten Generaal te Dordrecht in 1619 de Synode opwekten om de Geloofsbelijdenis te herzien, beriepen zij zich op „hetgeen in eene Nationale Synode gebruikelijk was” 1). Met het


1) Sess. 144. — In de „Synode tenu à la Vigne a la Pentecote, 1565” werd bepaald (Art. 1), „qu’au commencement de chaque Synode on ait à faire lecture de la Confession de Foy des Eglises de ce païs; tant pour protester de notre union, que pour adviser s’il ny’ a rien à changer ou amender.”

|XXV|

oog op dezen aangewezen weg weigerden de Synode aan den eisch der Remonstranten toe te geven. Zij betwistten de ontvankelijkheid van den eisch tot herziening niet, maar wel het voorop stellen van de bepaling, dat er in den inhoud verandering zou gemaakt worden. Trigland heeft het onderscheid tusschen der Remonstranten eisch en de praktijk der Gereformeerde Kerk duidelijk en puntig dus aangewezen: „Hoewel wy de Nederlandsche Belijdenisse des gheloofs houden den Woorde Godts conform, nochtans, omdat ze een menschelijk schrift is, houden wy die niet voor den Reghel van ons gheloof, maar alleen de H. Prophetische ende Apostolische schriften, aan dewelcke wij deselve Confessie houden altijdt te zijn examinabel. Kan yemandt ons overtuyghen datse in eenigh poinct afwijckt van Godes Woordt, wy sullen dat poinct laten varen; meer en mach men ons niet afeyschen. Dat wij die, sonder reden uyt Godts Woort gehoort te hebben, souden moeten laten varen om eene libertijnschen loskop, houden wij onbillyck te wesen” 1).

De achtbare stem van Ursinus voegt zich hierbij op eene wijs, die menigen handhaver der rechtzinnigheid in onzen tijd verbazen kan. Hij zegt, sprekende van de Symbolische Schriften: „Zoodanige schriften zijn te houden, niet als schriften, die geloof meriteeren uit haar zelven, gelijk de heilige Schriften, noch als schriften, die een onbewegelijke en algemeene regel des geloofs en der waarheid zijn, gelijk de Symbola der algemeene Kerk; maar zij zijn alleen een norma, regel, uit welke men verstaan kan wat met het gevoelen van de Kerk overeenkomt, die zoodanige Confessie heeft uitgegeven. Doch zij zijn geen norma of regel, naar welken men behoort te oordeelen, of te vonnissen, wat men moet gelooven en toestaan; wat verwerpen en condemneeren; wat waarheid of leugen, wat rechtzinnig of kettersch is; naardien het niet altijd waarachtig is, dat


1) Kerkel. Geschiedenissen, fº. 169.

|XXVI|

met de Confessie van eene Kerk accordeert; ook is het niet altijd onwaar, dat juist daarmede niet overeenkomt. Zoo behoort men dan niet alleen niet te begeeren, dat alle Kerken het formulier van eene particuliere Kerk zouden onderschrijven, maar daar is zelfs niet ééne Kerk, ja niet een particulier persoon, die aan zoodanige Formulieren verbonden, of daarbij te blijven gehouden is, anders dan met deze conditie: voor zooveel zij met de H. Schrift en de algemeene Symbolen overeenkomen. En daarom zijn dezelve Formulieren onderworpen aan het oordeel en de censure niet alleen van andere Kerken, maar ook van die Kerken, die de Formulieren hebben uitgegeven, mitsgaders van diegenen, die in dezelve Kerken leven en leeren; om, indien dezelve eenige foute mocht bevonden worden, zelve te hooren, kennis daarvan te nemen en te examineeren. En, indien iets verbetering van doen te hebben bevonden wierd, dat het met gemeene toestemming en met dezelfde autoriteit der Kerk, waarmede het gesteld is, verbeterd of verklaard worde” 1).

Nooit hebben de oudste Gereformeerden aan eene onbewegelijke letter van de Belijdenis gedacht. Dit is eerst opgekomen in later tijd. Het onderscheid tusschen de nieuwe en de oude praktijk is groot; gene riekt naar de hoflucht, deze naar den mutsaard! Hieraan herkennen wij de ware rechtzinnigheid.

 

De oudste geschiedenis van den tekst van den Catechismus levert natuurlijkerwijs niet dezelfde verschijnselen op. Maar zij levert dit merkwaardig resultaat, waarop in onze aanteekeningen gewezen wordt, dat er geen door de Kerk gearresteerde officiëele Nederduitsche tekst van dat leerboek bestaat. Onze Kerk heeft zich bepaald bij de overneming


1) Ursini Opera (1612) fº 542. (De libro Concordiae quem vocant admonitio christiana. Deze Admonitio is „scripta et approbata a Theologis et Ministris Ecclesiarum in ditione Ill. Principis Joh. Casimiri Palatini ad Rhenum, Edita 1581).

|XXVII|

van de vertaling van Datheen en het aan de opzieners van de gemeenten overgelaten voor de zuiverheid van den tekst die gebruikt werd te zorgen 1). De Dordrechtsche Synode heeft den Catechismus slechts herlezen 2), om over den inhoud, in verband met zijne opneming onder de Symbolische Schriften, te oordeelen, maar aan eene revisie is niet gedacht. Hij is en bloc aangenomen. Dit doende, heeft de Kerk dan ook geen officiëelen tekst vastgesteld. Alleen op den inhoud is gelet, en die alleen is aangenomen. Op de letter van het Symbool wordt in onze Gereformeerde Kerk alleen gehecht bij de opstelling en bij de herziening. Die letter te willen handhaven omdat zij Symbolische schrift is, is ongereformeerd.

Merkwaardig is met betrekking tot den Catechismus de bekende bijzonderheid, dat hem in zijn eerste levensjaar reeds eene merkelijke vermeerdering en verbetering is aangebracht, door de toevoeging van de 80. Vraag en Antwoord (De Paapsche Mis) 3). Hoe men ook over de


1) Dat daarvoor niet genoegzaam gezorgd is, zal uit onze aanteekeningen blijken, evenzeer als het duidelijk worden zal, dat de tekst van Datheen zelf behoort te worden verbeterd.
2) Sess. 147, 148.
3) Het zij mij verbund te dezer plaatse iets in het midden te brengen over de geschiedenis van Vr. en Antw. 80. Door tusschenkomst van den Directeur der Kon. Bibliotheek te ’s Hage is mij de bezichtiging vergund geworden van het exemplaar der eerste uitgave, dat te Weenen in de K.K. Hof-bibliotheek bewaard wordt, en ik meen daardoor zoo gelukkig te zijn eenig licht over die geschiedenis te kunnen verspreiden. — Dr. Doedes heeft de onderlinge verhouding van den tekst der oudste uitgaven nauwkeurig opgegeven in het aangehaalde werk, waarheen ik dus mag verwijzen. Het eenige, waarin ik van mijn hooggeschatten vriend verschil, is de beoordeeling van het gedrag van den Keurvorst in het laten invoegen van de genoemde Vraag en Antwoord in de tweede uitgave als iets, dat in de eerste uitgave „übersehen” was, zoo als het bericht aan den lezer zegt. Door Dr. Doedes (a.w. bl. 28) is eenigermate voedsel gegeven aan twijfel aangaande de eerlijkheid van Keurvorst Frederik. Het komt mij voor, dat Dr. Kohlbrügge, die daarover aan Dr. D. schreef (zie Godgel. Bijdragen, 1869, 6e St.), juist heeft gezien, ofschoon ik mij den loop der zaak eenigszins anders voorstel. Er is, gelijk men uit de mededeeling van Dr. K. weet, in het present exemplaar, door Frederik aan Maximiliaan gezonden (want dát is het door mij bezichtigde zonder twijfel), ➝

|XXVIII|

geschiedenis dezer bijvoeging denke, het feit zelf doet zien, dat men niet alleen in Nederland, maar ook in Paltz


➝ een ingeplakt blad, waarop Vr. en Antw. 80 staan, overeenkomstig met de eerste redactie, zoo als die voorkomt in de tweede uitgave. Nu schijnt het mij toe, dat eene nauwkeurige waarneming van het blad duidelijk aanwijst, dat wij daarop vóór ons hebben eene redactie van de genoemde Vr. en Antw., die ouder is dan die van den tweeden druk, en in ieder geval, een afschrift niet van den in de tweede uitgaaf gedrukten, maar van een geschreven tekst. Men leest er twee maal Nachtmal voor Abendmaldi voor die; ook de interpunctie is verkeerd. Daaruit leid ik af, dat Vr. en Antw. 80 bestaan hebben vóór het tijdpunt van de tweede uitgave, en dat toen dus kon gesproken worden van eene uitlating door „übersehen.” Het ingeplakte blad draagt ook al de kenmerken van aan het boekje te zijn toegevoegd vóór de afzending; — dat het door Maximiliaan daarin zou zijn gehecht na het ontvangen van dit toevoegsel uit Heidelberg, zoo als Dr. K. gist, is zeer onwaarschijnlijk. Schrift uit dien tijd, is het met een duidelijk teeken van verwijzing naar den gedrukten tekst in het boekje bevestigd en zonder dat eenig blijk van invoeging op den rand der bladzijden zichtbaar is. Het is een afschrift, dat in eene kanselary schijnt gemaakt te zijn: zóó weinig correct is het, ja, het is alsof de afschrijver nauwelijks heeft verstaan wat hij schreef — more cancellario. Dit in verband beschouwd met de vroege afzending van het exemplaar, t.w. waarschijnlijk reeds vóór de maand April (den 25en dier maand berichtte de R. Koning de ontvangst, en den 31en Maart zijn andere exemplaren door den Keurvorst verzonden), waardoor het bijna onmogelijk was, dat de tweede uitgave toen reeds bestond, toont ons dat de 80. Vraag en Antw. in hunne oorspronkelijke redactie zoo oud zijn als de Catechismus zelf. Tot opheldering vergelijke men het antwoord zooals het in de 2e uitgave gedrukt is met het H.S. in het Exemplaar, dat te Weenen bewaard wordt:

Tweede uitgave (in druk): Geschreven bijvoegsel in het Weener-exemplaar:
Frag. Frag.
Was ist für ein unterscheid zwischen dem Abendmal des Herrn und der Babstlichen Mess? Was ist für ein unterscheidt zwischen dem Nachtmal desz Hern und der Bäbstlichen Mäsz?
Antwort. Antwort.
Das Abendmal bezeuget uns dass wir volkomne vergebung aller unser sünden haben durch das einige opffer Jesu Christi, so er selbst ein mal am creutz volbracht hat. Die Mess aber lehret dass die lebendigen und die todten nit durch das leiden Christi Das Nachtmal bezeuget uns das wir volkhommene vergebung aller unser sünden haben durch das einige opffer Jesu Christi so er selbst einmal am creutz volbracht hat. Di Mesz aber lehren, das die lebendigen und die todten, nit durch das leiden

|XXIX|

onder de oude Gereformeerden van den aanvang af het oog gericht had op de herziening van het geschrift, waaraan men in den strijd der meeningen wilde gekend en erkend zijn.

*


vergebung der sünden haben, es sey dan, dass Christus noch teglich für sie von den Messpriestren geopffert werde: Und ist also die Mess im grund ein abgöttische verleugnung dess eingen opffers und leidens Jesu Christi. Christi vergebung der sünden haben, es sei dedaChristus noch teglich für sie von den Meszpriesteren geopfferd werde. Und ist also die Mesz im grund ein abgöttische verleugnung des einigen opffers und leidens Jesu Christi.

Maar maakt niet het feit, dat de tweede redactie (Doedes, bl. 30, 31), met nog zooveel meer opzet in den derden druk is ingewerkt (bl. 32, vgg.), het oordeel over het „Woord aan den Chr. lezer” (waarbij de uitlating aan een „übersehen” wordt toegeschreven) ongunstig zijn moet? Neen, want ook na den derden druk, daar de exemplaren van den eersten reeds verspreid waren, bleef de behoefte bestaan eene aanwijzing, dat men hier den verbeterden, den compleeten tekst ontving. Aan dien tekst was zeker nu nog iets meer toegevoegd, te weten eene uitbreiding van het vroeger gestelde, maar niet eene nieuwe bestanddeel van het catechetisch onderwijs, zoo als de bestrijding van de mis was bij de verschijning van de tweede uitgave. Dat men nu trachtte de gelijkheid van den tweeden en den derden druk te doen uitkomen, of liever, dat men trachtte het verschil te verbergen voor de Roomschgezinden en het nog weinig onderwezen volk, hetwelk den Catechismus gebruiken moest, was geen wonder en — geen bedrog. Van het laatste zou alleen sprake kunnen zijn bij den tweeden druk. — Men heeft dikwijls gegist naar den oorsprong van Vr. en Antw. 80, en men zegt gewoonlijk met Dr. Wolters (Der Heid. Cat. in seiner urspr. Gestalt, S. 126 fg.), dat die gelegen is in het bekend worden (in 1563) van de uitspraken van het Concilie van Trente. Wij zullen niet ontkennen, dat dit van invloed kan geweest zijn op de nadere bearbeiding van het antwoord vóór de laatste redactie, maar het is duidelijk, dat dit voor den oorsprong van die vraag en antw. niets verklaart, wanneer deze ouder zijn dan 1563. Fabricius en Alting (aangeh. bij Le Long, Kort Hist. Verhaal, bl. 111) weten daarvan ook niet, maar spreken slechts van de begeerte van den Keurvorst om van eenstemmigheid met de andere Protestanten te doen blijken. Het komt mij waarschijnlijker voor, dat de Vraag en het Antw. over „de Paapsche Mis” aan de „Superintendenten, Kerkedienaren en Theologi” op uitdrukkelijk verlangen van den Keurvorst afzonderlijk ter overweging gegeven is, en dat zij eene nadere bearbeiding van het oorspronkelijke, zeker niet volledige antwoord, hebben noodig geacht; daardoor is er achtereenvolgens drieërlei redactie van den Catechismus ontstaan: ééne zonder de 80. Vr.; ééne met de door of van wege den Keurvorst voorgestelde redactie; ééne met de latere uitbreiding. Zoo is het alleszins verklaarbar, dat eerst, bij ➝

|XXX|

3. Toch bedoelden de grondleggers van de Gereformeerde Kerk de instandhouding van het gebouw, dat zij tot den duren prijs van goed en bloed hadden gesticht. Zij verlangden daartoe zeer bepaaldelijk de bevestiging voor de Kerk van den eenmaal gelegden grondslag, m.a.w. zij verlangden de handhaving van hunne Belijdenis. Dit was evenwel in hunne oogen iets anders dan een zweren bij al de deelen van het Formulier. Zij onderscheidden in de Symbolische Schriften eene onvergankelijke kern, die den grondslag der kerkelijke gemeenschap uitmaakt.

Het teekent evenzeer dat reeds de oudste Gereformeerde Kerk, d.i. de Kerk vóór 1618, hier en elders getoond heeft zooveel waarde te hechten aan de overeenstemming tusschen al de Gereformeerde belijdenissen in het wezen der zaak. Hiervan getuigt de uitgave van een werk als de Harmonia Confessionum in 1581 te Genève, in de Moederkerk, toen het er op aankwam de belijdenis der Gereformeerden te doen kennen bij dogmatisch verschil met de Luthersche Zuster-Kerk 1). In het gemeenschappelijke, t.w. in het gemeenschappelijk Credo, achtte men de Gereformeerde belijdenis gelegen. Geen wonder, want hierin is de levenskracht voor de Kerk, zoowel als voor iederen geloovige, het ééne noodige. Het heeft een goeden grond, dat de Gereformeerde Kerk niet spreekt — gelijk de Luthersche wanneer zij de Augsburgsche Belijdenis noemt — van eene „onveranderde” Confessio Belgica, of Helvetica of Gallicana, of Scotica. Zij heeft iets anders, dat „onveranderd”


➝ vergissing of althans voorbarig, naar de oorspronkelijke kopij is gedrukt, dat daarna op bevel van den Keurvorst zijne redactie is opgenomen, en eindelijk op het verlangen zijner kerkelijke raadslieden de redactie, zoo als die was vastgesteld in de vergadering der „Superintendenten, voornaamste Kerkedienaren en Theologi.” Deze gang der zaak is zeer verklaarbaar bij de eigenaardige verhouding tusschen de kerkelijke redacteuren en den Vorstelijken auteur. Verg. de op bl. XVIII aangehaalde verhandeling van Dr. Kluckhohn, S. 500, fgg.
1) Zie bl. 4 in het Hist. Overzicht van de officiëele uitgaven der Geloofsbelijdenis, waar in regel 16 v.b. gelezen worde: „te Geneve” in plaats van „te Bern.”

|XXXI|

blijft in hare schatting, het is „de substantie van hare leer” 1).

Een treffend bewijs daarvan levert het Convent van Wesel (1568), wanneer in haar Ontwerp van Kerkorde (Cap. II, Art. 8) op de ondubbelzinnigste wijs de Nederlandsche Geloofsbelijdenis met de Fransche vereenzelvigd wordt. Stellig waren het twee onderscheidene Confessiën, gelijk ons bleek bij de herinnering van beider ontstaan 2), en toch heeft die Kerkvergadering ze als ééne Belijdenis beschouwd. Immers wij lezen t.a.p.: „Men zal den beroepene afvragen, of hij in alles overeenkomt met die leere, welke in de Kerke openbaarlijk wordt onderhouden, en vervat is in de Belijdenisse (welke eerst van de Kerkendienaren in Vrankrijk aan den Franschen Koning is overgelevert, ende daarna in het Nederduitsch overgezet zijnde aan den Koning van Hispaniën ende andere Overheden van Nederduitschland is toegeschreven en behandigd), gelijk ook in den Catechismus3). Ypey en Dermout hebben hier eene fout van de afschrijvers willen vinden, doch zij hadden zich in de Kloosterkerk te ’s Hage kunnen overtuigen, dat het alzo in het Latijnsche origineel der Acta geschreven staat 4). Misschien hebben wij te denken aan eene vergissing van de leden der Synode, die niet zullen geweten hebben hoe het met de zaak der Geloofsbelijdenis stond! Dit geloove wie het kan van Datheen, Moded, van Zuylen van Nyevelt, de Rijcke, Ph. van Marnix . . . Voorwaar, deze „wakkere geleerde en statelijke” mannen hebben wel geweten dat men in de Nederlanden zelfstandig was te werk gegaan in het wijzigen van de Fransche Belijdenis, maar zij hebben geacht dat beide belijdenissen in oorsprong en inhoud, wat de Evangelie-waarheid betreft, één waren.


1) Zie Acta Synodi Nat. Dordrecht habita, Sess. 145.
2) Blz. XII.
3) Er wordt voor het gebruik geen onderscheid gemaakt tusschen den „Catechismus van Geneven” en „den Heydelbergsen.” Zie Cap. III, Art. 2.
4) Trigland en ’s Gravesande hadden de aanwezigheid der Latijnsche Acta te vergeefs vermeld.

|XXXII|

Zóó is het: de wijzigingen door de Bray in de Fransche Geloofsbelijdenis aangebracht, hebben geen verandering gemaakt in het Credo; hierop wijzen ons de Weselsche Acten met al de eenvoudigheid, die aan de oude Kerk onder het kruis eigen was, en zij wijzen alzoo tevens op hetgeen in de Symbolische Schriften der Kerk als de hoofdzaak geldt voor ieder, die deze hare eenvoudigheid niet verzaakt.

Dat dit in de Symbolen der Hervorming duidelijk uitkomt, is niet eerst door ons en ook niet alleen in de Gereformeerde Kerk erkend. Met juistheid en klaarheid is hetgeen hier door ons als de oorspronkelijke beschouwing van de grondleggers onzer Kerk langs historischen weg is in het licht gesteld, uit den inhoud der Symbolische Schriften afgeleid door een der uitstekendste leeraren in de Luthersche Kerk van onzen tijd, Dr. E. Sartorius. In een zijner geschriften, die onder ons niet onbekend gebleven zijn, laat hij zich dus hooren: „Deze symbolen zijn groot van omvang in vergelijking met de kortheid der oecumenische, omdat zij niet, als dezen, slechts de eenvoudige stellingen der belijdenis uitspreken, maar tevens eene ontwikkeling, bevestiging en verdediging van haar geven en meestal ook de leer van de tegenstanders uitdrukkelijk verwerpen. Daarbij komen dan nog voor- en naredenen van historischen inhoud, die slechts eene inleidende, occasioneele beteekenis hebben en niet tot het Symbool zelf behooren. Daartoe behooren wel de dogmatische, argumenteerende, apologetische en polemische bestanddeelen, zonder dat zij evenwel daarom de eigenlijke, verbindende substantie der Symbolen vormen. Zij betreffen deels ook alleen historische bijzonderheden, deels geven zij voorbeelden van dogmatisch betoog, die voor de Theologie vruchtbaar en niet zelden voorbeeldig zijn, maar zij zijn niet in dien zin leidend en verbindend, dat het dogma niet ook op andere wijs zou kunnen en moeten betoogd en bewezen worden, deels eindelijk staan zij tegen stellingen, die in dezen vorm uitsluitend behooren tot den tijd van hun ontstaan, en in anderen

|XXXIII|

vorm eene geheel andere wederlegging eischen. De substantie der Symbolen, die de Confessie uitmaakt, te midden van de accidenteele omschrijving, is en blijft het eigenlijke Credo, het: wij gelooven en belijden, de geloofswaarheden, de artikelen des geloofs. Als artikelen van het geloof vormen zij echter niet maar eene som van leerstukken, van welke men naar believen het eene of andere kan afnemen of er aan toevoegen, maar het zijn geledingen, organische bestanddeelen van de ééne waarheid van het Hoofd, onder hetwelk alles vereenigd is (Efez. I: 10), hetwelk is Christus de Heer, in de heerlijkheid van zijn persoon en in de heerlijkheid van zijn werk beide. Zij mogen van goddelijken (theologischen) of menschelijken (anthropologischen) inhoud zijn, de oorspronkelijke gemeenschap van de menschen met God, of hunne scheiding door de zonde, of (theanthropologisch) de hereeniging met God in en door Christus en de toeëigening van zijne gerechtigheid in het geloof betreffen, alles loopt uit op het ééne middenpunt: „Christus alles en in allen” (Kol. III). Dit is de analogie des geloofs, die regel en maatstaf is voor de afzonderlijke artikelen, in dien zin, dat zij allen aan dit hoofdartikel moeten worden getoetst en daarnaar geregeld. Vandaar dat iedere afdwaling van een theologisch of anthropologisch artikel steeds ook van nabij of van verre eene christologische afdwaling zijn zal, en evenzoo omgekeerd. De kennis van God rust evenzeer op den grond der kennis van ons zelven, als de kennis van den mensch rust op de kennis van God, en beiden, God en mensch, worden eerst volkomen en in hun gemeenschap gekend in den God-mensch, en deze wederom wordt, als de Verzoener, eerst daar in het rechte geloof erkend en aangenomen, waar de tot al het menschelijke doorgedrongen vijandschap der zonde vooraf goed gekend en ervaren is” 1).

Het wezenlijke, het hoofdzakelijke van de belijdenis der


1) E. Sartorius, Ueber die Nothwendigkeit u. Verbindlichkeit der kirchl. Glaubensbekenntnisse. S. 39-41.

|XXXIV|

Kerk treedt alzoo van zelf op den voorgrond, wanneer wij de schriften, waarin zij nedergelegd is, raadplegen. Al ware het echter, dat er omtrent den zin en de bedoeling van de kerkelijke oorkonden verschil bestond, wij hebben eene onbedriegelijke aanwijzing van den Heer der gemeente wat de hoofdzaak van het Evangelie en dus van onze belijdenis is, daar Hij zelf ons in Doop en Avondmaal, de Symbolen heeft verordend, waarin Hij ons met de handen doet tasten wat voor de gemeente van alle tijden verbindend is te achten, wat voor alle volgende verbintenissen regel en norma moet zijn, en welke de voorwaarde is van de gemeenschap met de door Hem gestichte en door zijnen Geest bestuurde Kerk. Bij de erkentenis van dezen maatstaf is de vraag naar hetgeen der Kerke als het wezen des Christendoms en dus als hoofdzaak in hare belijdenis gelden moet, niet moeielijk te beantwoorden. Het is de leer der dingen, die onmiddellijk met onze behoudenis in verband staan, de leer van God den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest, tot wiens erkentenis wij allen werden gedoopt; van den eenigen Middelaar, in wiens dood wij gedoopt zijn, en van den weg der behoudenis in de offerande zijns lichaams en in het bloed der verzoening, dien wij verkondigen aan het Avondmaal, totdat Hij komt. Met de belijdenis van die waarheid staat of valt de Kerk; het is het pand haar toebetrouwd, dat zij tegen elk ongoddelijk en ijdel geroep van wetenschap heeft te verdedigen, naar het licht aan haar geschonken. Haar belijden moet de weerklank zijn en het Amen op het Evangelie, naar de heilige Schriften, en uitdrukking geven aan het inzicht daarin, waartoe de gemeente door den Heiligen Geest werd geleid. Dus mag in de Hervormde Kerk niet worden afgelaten van de leer der souvereine genade, tot welker belijdenis zij geroepen is geworden.

Zoo heeft de Heer der gemeente haar niet onkundig

|XXXV|

gelaten hoe zij zal stand houden, onafhankelijk van de gunst of ongunst der tijden en omstandigheden. Menigmaal — de geschiedenis onzer Kerk heeft het geleerd — is de gemeente niet bij machte, ten gevolge van uit- of inwendige oorzaken, hare belijdenis uit te spreken en in den weg der kerkelijke orde te doen gelden naar de behoefte van het oogenblik. In zulke tijden haar het voorvaderlijk dogmatische kleed te willen omhangen, zou een streven vertoonen tot het houden van eene kerkelijke parade, meer dan de zucht om getrouw te zijn aan ’s Heeren Woord en Geest. In zulke tijden, als die wij beleven, tijden van afval en gisting te gelijk, heeft de geloovige in de Symbolische Schriften aanwijzing van het fondament, waarop de Kerk is gesticht, en tevens van het kenmerk, waaraan de kinderen des huizes gekend worden, terwijl hij daaraan zijn recht ontleent om in de Kerk te arbeiden aan het herbouwen op het gelegde fondament en het hereenigen van het daarvan afgedrevene. Hoe de belijder te handelen heeft, wat hem steunpunt en richting geeft, daarin heeft de Heer voorzien, want Hij heeft aan zijne belijders voor alle tijden aangewezen, wat hen in den strijd voor zijnen Naam vereenigen en leiden moet; Hij heeft het aan geen twijfel onderhevig gelaten wat het Evangelie is, waarop de gemeente uit den aard van haar geloof haar Amen spreekt, en de Gereformeerde Kerk heeft, door de genade aan haar geschonken, eene belijdenis, die op dit hoofdpunt geen „onzeker geluid” geeft. Zij wijst ons den „eenigen troost” bij de erkentenis van de ellende der zonde, in de volkomenheid der verlossing en de dankbaarheid voor haar bezit met klaarheid aan. Daarin ligt hetgeen in de Confessie niet veranderen mag, omdat het Evangelie eeuwig is. Dit staat altijd vast, altijd helder, altijd bruikbaar, altijd onmisbaar voor het oog, dat voor de behoefte aan dien eenigen troost niet gesloten is. Het is voor alle tijden en voor alle omstandigheden geschikt, en juist omdat het zich zamentrekt in de beteekenis van het Kruis van Golgotha, geeft het met meer dan hoorbare

|XXXVI|

stem en in helderder dan middaglicht de zekerheid aan het geloof van met die belijdenis — teeken dat wedersproken, maar niet weggenomen kan worden — te zullen overwinnen!

Meent iemand, dat wij door deze onderscheiding in de belijdenis der Kerk iets verrichten, wat alleen de geheele Kerk zelve, wettig vertegenwoordigd, doen mag? Het antwoord is gereed. Wij doen hier niets. Wij merken alleen op en doen opmerken wat door den Heer zelven is gedaan en wat de aard van ons evangelisch geloof medebrengt. Het is de roeping van ieder evangelisch Christen in de Kerk wèl te onderscheiden wat de Kerk te belijden heeft als het pand, dat aan haar en aan een iegelijk geloovige is toebetrouwd.

Onze Gereformeerde Kerk heeft dit gedaan, wanneer zij daartoe bij machte was, in hare Synoden. Daar verplichtte zij met name hare leeraren om de leer harer belijdenis te prediken, als voorwaarde waarop zij hen als zoodanig erkende. Men miskenne hare oude strenge bepaling niet, die de verklaring eischte, „dat alle de Artikelen en stukken der leer — — in alles met Gods Woord overeenkomen” 1). Die bepaling werd gemaakt met de bewustheid, dat de aangenomen belijdenisschriften de geloofsovertuiging van de gevestigde Kerk in overeenstemming met de leer der H. Schrift uitdrukten, en evenzeer in de onderstelling, dat „de Nationale Synode ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden zou, ten ware dat er eenige dringende nood ware om den tijd korter te nemen” 2). Men bedenke, dat het aangehaalde oude onderteekeningsformulier in dezelfde kerkordening staat, waarin deze bepaling omtrent de algemeene Synode voorkomt, en dat daarbij de gewoonte van kracht bleef om in elke zoodanige Synode de belijdenis te


1) Onderteekenings-formulier van de Dordrechtsche Synode, vastgesteld Sess. 162, in overeenstemming met vroegere provinciale Synoden. Zie Hooyer, t.a.p. bl. 414, vg.
2) Kerkordening van Dordrecht (1619) Art. 50.

|XXXVII|

herzien 1). Het zal niet kunnen ontkend worden, dat bij dergelijken regel en praktijk de eisch tot trouw aan de aangenomen kerkleer geheel iets anders was dan hetgeen sommigen in onzen tijd als het kenmerk van getrouwheid hebben willen doen voorkomen, te weten het zweren bij de dogmatische nalatenschap van vroegere tijden, zonder de erkenning van de natuurlijke verhouding, waarin de Hervormde belijder van onzen tijd tot de Dogmatiek der vaderen staat.

Nu de herziening en verversching van de belijdenis der Kerk sedert eeuwen is achtergebleven, nu hangt de bruikbaarheid van hare oude oorkonden van de wettigheid en de juistheid der onderscheiding tusschen het blijvende Credo en het aan verandering onderworpen dogmatisch zamenstel af.

De waarheid is boven al,” zoo roept de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in een opmerkelijken tusschenzin in Art. VII haren tegenstanders en haren hardhoorigen kinderen in de ooren.

Niet slechts de oprechtheid, die de voorgangers der Gemeente schuldig zijn, eischt het uitkomen voor dezen stand der zaak: het is ook de eisch der bedachtzaamheid tegenover den tegenstander, die ons de achtbaarste oorkonde uit de hand slaat met de vraag, of wij ons zouden willen verplichten tot hetgeen waartoe wij hem mochten willen verbinden met betrekking tot al de dogmatische formuleering, die de Symbolische Schriften, zoo als zij daar liggen, ons hebben overgeleverd.


Ik laat opzettelijk de aanwijzing achterwege, dat er oorzaak is tot herinnering aan deze dingen. Vóór vijftig jaren, in de eerste frischheid van den réveil, werd dit alles erkend door de voornaamste woordvoerders in den kerkelijken strijd. Later is het gevoel voor de behoefte aan


1) Dat ook te Dordrecht in 1618-19 die Synodale revisie der leer geen ijdele klank is geweest, zal naar wij hopen in de volgende bladzijden blijken.

|XXXVIII|

zóóveel oprechtheid zoek geraakt. Was het de invloed van politiek overleg 1), of een overmoedige ijver die tot uitersten dreef, of de vrees voor den afval der menigte, die voor geene zoogenoemde theologische onderscheidingen oog of oor heeft, of de zwakheid van het geloof ook bij de voorgangers, die zich veiliger waande in het rusten bij der vaderen werk, dan in de kritiek van de vaderlijke erfenis? Misschien wel dit alles te zamen. Zeker is het, dat wij eene confessioneele paktijk hebben zien opkomen, welke een onoverkomelijk bezwaar vinden moet bij hen, die de practische belijdenis van het evangelisch beginsel der Kerk en van hare voortdurende leiding door den H. Geest even onmisbaar achten als het blijven bij de Evangelieleer. Indien het irenisch doel van den arbeid, waarmede ik in deze bladen de Hervormde Kerk heb willen dienen, het niet verbood, er zou dan overvloedig aanleiding zijn tot aanhaling van menig verschijnsel op kerkelijk gebied, dat tot deze klacht aanleiding geeft. Men kan ze gemakkelijk genoeg waarnemen, ook zonder eene opzettelijke aanwijzing, en het is buitendien wenschelijk, dat deze inleiding tot den ernstigen inhoud van de volgende bladen niet het karakter van een vlugschrift vertoone.

Mocht deze arbeid eenige vrucht dragen tot vereeniging vooral van de voorgangers der gemeente op een standpunt, voor zamenwerking geschikt in deze ernstige dagen, waarin onze Nederlandsche Hervormde Kerk eene krisis heeft door te staan, als in geen vroeger tijdperk van hare geschiedenis. Het zij onze troost, dat de gemeente van Christus, op het fondament, dat eenmaal gelegd is, zal blijven staan en bestaan. Dit zij niet minder de overtuiging, die ons bij onze werkzaamheid in haren dienst leide: de gemeente kan


1) „En politique, il s’agit d’obtenir certains résultats; on fait volontiers flèche de tout bois. Mais qui sert sa cause de mauvaises raisons, la trahit; parceque les mauvaises raisons sont comme des brèches dans une enceinte |XXXIX| fortifiée; elles donnent passage à l’ennemi.” Ern. Naville, Les adversaires de la philosophie. Revue Chrét. Janv. 1869, p. 14.

|XXXIX|

niet stil staan, want haar Heer heeft het zelfs haren vijanden opgedragen haar voort te drijven tot steeds dieper onderzoek van het Woord der openbaring. Zij kan niet stilstaan, al konden wij ook staan luisteren naar de sirenen van partijbelang of menschengunst. Hiertoe zijn wij met haar geroepen, dat wij in woord en daad belijden den naam des Vaders, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn, en des Zoons, die ons tot de dienst der waarheid heeft vrijgemaakt, en des Heiligen Geestes, die ons in al de waarheid leidt!