|20|

 

Hoofdstuk I.

De organisatie in haar goddelijken oorsprong.

 

Met opzet wordt in den titel van dit eerste hoofdstuk, waarin wij den oorsprong van de organisatie der N. Testamentische Kerk wenschen te onderzoeken, aanstonds die oorsprong aangeduid in zijn goddelijk karakter, om zoo pertinent mogelijk aan te geven het standpunt onzer beschouwing en alle misverstand af te snijden. Het zou te zwak wezen, te spreken van voorbereiding tot, of Ansätze voor of zelfs beginselen van de organisatie. Daarbij kon nog worden ondersteld, dat zij in haar verschijning vrucht was van menschelijke overwegingen of van natuurlijke ontwikkeling naar den aard van het wezen der Kerk, of product van allerlei invloeden. Van meet af moet het supranatureele van de Verfassung der Kirche op den voorgrond worden gesteld, geheel in overeenstemming met hetgeen beleden wordt van de Kerk zelve en van de H. Schrift. Daarmede is tegelijk het antwoord gegeven (en dit antwoord is onafscheidelijk van het geloofsstandpunt) op de dubbele vraag: was ze bedoeld of niet bedoeld, is ze naar menschelijken of goddelijken wil tot aanzijn gekomen? Namelijk: ze is wezenlijk bedoeld in den Raad Gods en tot stand gekomen naar goddelijken wil 1). In dit opzicht vindt de gereformeerde, de schriftuurlijke beschouwing een sterken bondgenoot in de belijdenis der Roomsche Kerk, hoe ver ook van dit gemeenschappelijk uitgangspunt voorts de lijnen uiteengaan.

Hierbij moet worden in het oog gehouden (wat reeds in de Inleiding werd gezegd), dat niet maar moet worden gedacht aan


1) Zie in verband met dit standpunt: Dr. A. Kuyper, Encycl. d. H. Godgeleerdheid2, Dl. III, bl. 468 v.v.

|21|

de Kerk als organisme, maar wel degelijk aan de Kerk als instituut, aan de Kerk gelijk zij onder haar Hoofd tot zichtbare, eigensoortige openbaring geroepen, van Hem de grond-ordinantiën voor haar bestaan heeft ontvangen, waardoor een rechtsorde in het leven geroepen wordt, rechten en bevoegdheden worden geboren, in den volsten zin des woords een kerkrecht ontstaat. En dit brengt ons in besliste tegenspraak met de richting, die in dezen tijd haar eminenten pleitbezorger vindt in Rudolph Sohm. Met een warmte en gloed van overtuiging, die eerbied afdwingt en geëvenaard wordt door een diep-wetenschappelijken blik, die tot principieele bestrijding dwingt, heeft Sohm in zijn reeds aangehaalde werken de theorie verdedigd: „das Wesen des Kirchenrechts steht im Widerspruch mit dem Wesen der Kirche.”

Zijn theorie, ontwikkeld in zijn Kirchenrecht I, een werk van hooge voornaamheid, heeft hij met groote scherpzinnigheid dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling eener oorspronkelijke hypothese betreffende het ontstaan van het Katholicisme, in zijn „Wesen und Ursprung des Katholizismus.” In onderscheidene hoofdstukken ontmoeten we Sohm dus vanzelf opnieuw, maar reeds nu moeten beide werken, om den nauwen samenhang, met elkander in verband worden beschouwd.

In korte trekken moge hier de ontwikkeling zijner gedachten worden weergegeven.

Het geestelijk wezen der Kerk sluit elke soort van kerkelijke rechtsorde uit, en in tegenstrijdigheid met het wezen der Kerk kon slechts een kerkrecht worden geboren, want het wezen der Kerk is geestelijk, het wezen van het recht is aardsch 1).

Sohm constateert voorts, wat volgens hem tot nu toe algemeen als waarheid wordt aangenomen: 1e. Het ambt in de Kerk was oorspronkelijk geen leerambt en dus geen geestelijk ambt, maar alleen bestuursambt. Het was dus in hoofdzaak een wereldlijk ambt, dat de organisatie dienen moest, terwijl het Woord door ieder gepredikt werd krachtens meegedeeld charisma. 2e. Er waren dus eigenlijk twee van elkander gescheiden organisaties, de eene charismatisch, betreffende de leer, de andere een


1) Kirchenrecht I, bl. X.

|22|

bestuursorganisatie, waarbij het ambt optrad. 3e. Die beide organisaties zijn saamgesmolten, omdat in verloop van tijd aan de bestuursorganen ook het leeren werd opgedragen.

Daarbij constateert Sohm, dat algemeen verlaten is het standpunt, dat de oudste organisatie synagogaal was (sedert E. Schürer’s onderzoekingen) en eveneens, dat ze ontleend was aan het heidensche vereenigingsleven: ,,es ist die Erkenntniss durchgedrungen, dasz die christliche Gemeindeverfassung ein ursprunglicher Erzeugniss des christlichen Geistes darstellt”; maar de meening blijft post vatten, dat ze naar haar wezen een „Vereinsverfassung” beteekende. Eveneens stelt hij als gangbare opinie, dat de organisatie locaal was, en dat uit die locale inrichting zich allengs het monarchisch episcopaat heeft ontwikkeld. Als georganiseerd verschijnt dus de locale, niet de organische kerk, die Einzelgemeinde, niet die Kirche, terwijl reeds in den apostolischen tijd de Kerk als rechtsvorm bestuursorganen had 1).

Wat nu Sohm’s eigen opvatting aangaat, is voor zijn gansche beschouwing normeerend zijn begrip van de ἐκκλησία des N. Testaments. Immer beduidt ἐκκλησία het heele volk van God, de gansche christenheid, en, wanneer er gesproken wordt schijnbaar van plaatselijke Kerken of zelfs huiskerken als organisaties, dan zijn dit echter nooit plaatselijke grootheden in empirischen zin, want die bestaan niet, maar dan vertegenwoordigen die ἐκκλησίαι slechts een dogmatisch „Werturteil”, want ze zijn niet anders dan verschijningsvormen van de heele Kerk. De idee eener locale Kerk bestaat ganschelijk niet voor de organisatie de Kerk. Gemeenten bestaan er niet, slechts verzamelingen, en die zijn als golven, op en nedergaande, komend en verdwijnend in den stroom van het kerkelijke leven. Alleen de Kerk bestaat, en derhalve ook alleen de Kerk is georganiseerd. Wat aan Verfassung te voorschijn treedt, moet in zich dragen het streven, Verfassung der geheele Kerk te zijn. Van corporatieve organisatie is geen sprake, en er zijn dan ook slechts oecumenische samenkomsten en organen. Wel heeft dus het organisme der Kerk organen, maar die behooren van nature niet tot een rechtsorde, want de organiseering van de ecclesia is een


1) Kirchenrecht, bl. 4-15.

|23|

organiseering van het Lichaam van Christus. In de plaats van alle wettelijke regeling staat de leer van het Woord des Heeren, waardoor alle organisatie charismatisch is. Door de charisma’s komt de διακονία op, als een van God opgelegde dienst, een ambt, maar dan voor heel de Kerk. De verdeeling dier charisma’s is de van God gegeven organisatie, en deze postuleert een vrije, geen wettelijke gehoorzaamheid, uit de liefde geboren: „es ist die Liebe das Höchste”. Nu heeft wel ieder christen charisma’s, maar sommigen munten uit boven anderen, en deze zijn πνευματικοί en heeten ἡγούμενοι, bovenaan de „Lehrbegabten”, de apostelen, profeten en leeraars. De kerkelijke tucht geschiedt alleen door de macht van het Woord, nl. door vermaning (νουθεσία); in allen tak van dienst beslist alleen de dienaar van het Woord, omdat het Woord alleen antwoord geeft op alle vragen 1).

Luther's diepe geest heeft het eerst die tegenstrijdigheid van alle rechtsverband met Christus’ Kerk gevat, want zijn uitgangspunt was het wezen der Kerk als religieuse grootheid 2).

Welnu, de onzichtbaarheid der Kerk ontrukt haar met noodwendigheid aan alle rechtsorde. 3) Daartegenover kenmerkte zich tot op Luther het Katholicisme hierdoor, dat het niet onderscheidde tusschen de Kerk in religieusen en geïnstitueerden zin (Rechtssin) 4); het kende maar één Kerk, de legitieme Kerk 5). Uit die gelijkstelling van de empirische Kerk met het door Gods Geest geregeerde Lichaam van Christus, is het recht opgekomen En dat kon nu eigenlijk ook niet anders, want het zit nu eenmaal in den mensch in, om het religieuse te willen veruitwendigen; het religieuse leven van de groote massa wil autoritair geregeerd zijn; de menschelijke ziel brandt van verlangen naar de zichtbaarheid van het onzichtbare. Maar, en dit verraadt de zwakheid in dat verlangen, daarmede is de geestelijke vrijheid prijsgegeven 6). Doch, zooveel is duidelijk, dit feit beduidt reeds in het oorspronkelijk christendom het punt, waaruit met noodwendigheid het Katholicisme resulteeren moest 7). Zeker, in den eersten tijd wist men van recht niets


1) Kirchenrecht I, bl. 16-38 en 66 v.v.
2) Wesen und Ursprung des Katholizismus, bl. 11.
3) idem, bl. 12.
4) idem, bl. 13.
5) idem, bl. 14.
6) idem, bl. 19, 20, 21.
7) idem, bl. 24.

|24|

af, maar alleen van de Christenheid als religieuse grootheid, maar men maakte aanstonds geen onderscheid tusschen de Christenheid in religieusen en in zichtbaren zin 1).

De eerste Kerk kende noch gemeenten noch rechtsorde; overal waar Gods Woord werd verkondigd, was de Kerk dezelfde ééne grootheid, alle functionarissen waren oecumenisch 2), ook de bisschoppen en diakenen 3); de organisatievorm was louter geestelijk, charismatisch, en het ambt was alleen geroepen tot religieus-zedelijk handelen 4). Evenwel, die charismatische organisatie leidde tot groote practische moeielijkheden, en levert het leven der Kerk aan pneumatisch anarchisme over. En, hoe wonderbaar het ook schijne, uit die anarchistische geestelijke inrichting is geboren het machtig kerkelijk lichaam, waarin het recht geheel domineert: de katholieke Kerk! En dat met ijzeren noodwendigheid. De kiemen lagen er in. Daarop te letten is de oplossing van het raadsel: reeds de eerste Kerk stelde de uitwendige zichtbare Kerk gelijk met de Kerk in religieusen zin. Zoo moest het tot wettelijkheid en formaliseering, ja tot vervalsching van het christendom komen 5).

Harnack’s bestrijding van Sohm is in den grond der zaak zwak, en kan niet anders dan zwak zijn, omdat Sohm’s standpunt te veel aan het zijne verwant is. Sohm dringt Harnack, hem bij zijn eigen uitspraken vasthoudende, waar hij niet wezen wil, omdat hij dan steen na steen ziet uitgebroken uit het gebouw, waaraan hij jaren heeft gearbeid. Met groote voldoening neemt Sohm er nota van, dat Harnack, onder den invloed van Sohm’s Kirchenrecht, zakelijk hem bijvalt 6), ja dat hij feitelijk zich op den bodem van zijn beschouwing heeft gesteld 7). Het valt aan Harnack uiteraard moeielijk dit geheel te logenstraffen, en zijn bestrijding van Sohm is eigenlijk dan het sterkst, wanneer deze hem in tegenspraak heeft zoeken te brengen met zichzelven 8).

Harnack wijst er eenerzijds op, en terecht, dat Sohm’s


1) Wesen und Ursprung des Katholizismus, bl. 25.
2) idem, bl. 26, 27.
3) idem, bl. 40.
4) idem, bl. 43.
5) idem, bl. 47, 48.
6) idem, bl. 7. Zie Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte3 I. bl. 304, Anm. 1.
7) idem, bl. 33. Zie Harnack in Hauck’s Real-Encycl. für protest. Theol. und Kirche, Bd. 20, S. 508 v.v.
8) Harnack, Verfassung und Recht, bl. 133, 134 e.a.pl.

|25|

opvatting van ἐκκλησία niet deugt, aangezien, met verwijzing naar Mtth. 18: 20, het begrip Kerk zelf op aarde vordert een aaneensluiting en eigen organisatie 1). Anderzijds betoogt hij, dat kerkrecht, mits niet in den zin van het „goddelijk kerkrecht” der Roomsche Kerk, niet met het wezen der Kerk in strijd is. Maar hoe zwak is zijn eigen begrip van kerkrecht als het heet: „ein Kirchenrecht, welches z.B. behauptet, es könne und dürfe Regeln aufstellen, nach welchen Jemand aus der Kirche Jesu Christi aus zu schlieszen sei, behauptet damit offenbar eine frivole Absurditat, und vernichtet, wo es sich durchsetzt, das Wesen der Kirche”. 2) Hoe zwak wederom als hij zegt, dat de geloovigen wel degelijk gehoorzaamheid eischen aan de ordeningen, die voor het gemeenschapsleven zijn vastgesteld, maar er ver van zijn, om de handhaving dier rechten te stellen onder de autoriteit Gods 3). Overigens houdt hij staande, dat de Kerk niet kan blijven bij een louter charismatische organisatie (die ook Sohm toegeeft), hoewel ook daar reeds een beginsel van recht ligt 4).

Het ligt in den aard der zaak, dat onze verhandeling, waarin de institutaire organisatie tot Gods Woord teruggeleid wordt, geheel in tegenspraak is met Sohm’s theorie en daarvan, bijzonder in de verklaring der betreffende Schriftuurpiaatsen, een bestrijding zal zijn. In het algemeen zij reeds aanstonds het volgende opgemerkt:

1e. Het kerkbegrip, dat aan Sohm’s beschouwing ten grondslag ligt, moet leiden tot vreemde conclusiën. Onmiskenbaar is daarbij de invloed van de Luthersche leer van de onzichtbare en zichtbare Kerk, namelijk dat de onzichtbare Kerk alleen zichtbaar voortbestaat in de bediening van Woord en Sacramenten 5). Er ligt


1) Harnack, bl. 150, „das Genossenschaftliche, Korporative, kann auch vom sublimsten Begriff der Kirche nicht getrennt werden.”
2) idem, bl. 151.
3) idem, bl. 153.
4) idem, bl. 153 „Jedenfalls erkennt Sohm selbst an, dasz das Gemeinleben einer sichtbaren Menschengemeinschaft ohne irgend welche Form nicht sein kann, und dasz die gemeingültige Ordnung, die sie bedarf, sich grundsätzlich auch ohne die innere Zustimming des Betroffenen durchsetzen musz. Das ist aberRecht”.
5) Conf. August., art. VII, „Item docent quod una sancta ecclesia perpetuo mensura sit. Est autem ecclesia congregatio sanctorum, in qua evangelium recte docetur et recte administrantur sacramenta.
Door de verkondiging van het Evangelie, door het predikambt, waarin ➝

|26|

zeker wel een machtige waarheid ten grondslag aan de gedachte, dat iedere verzameling van geloovigen naar de idee een verzameling van de gansche Christenheid was. Het is namelijk ontegenzeggelijk waar, dat in organischen zin, als geestelijk Lichaam van Christus genomen, er eerst de eenheid, het geheel, is, en daarna de deelen er zijn, en dat elk deel evenzeer het volk Gods is als het geheel, maar de conclusies daaruit getrokken worden valsch, wanneer de deelen feitelijk gespiritualiseerd worden en als zichtbare corporaties worden geloochend. Sohm schijnt (met de juiste gereformeerde onderscheiding tusschen de zichtbare Kerk in organischen en in institutairen zin niet rekenende), niet anders te kennen dan een zichtbare Kerk in organischen zin. Hij maakt geen logische gevolgtrekkingen uit het feit, dat Christus Hoofd is, ook van de zichtbare locale Kerk, en dat daaruit voortvloeit een werking van Christus uit den hemel door middel van organen, waardoor vanzelf een organisatie met ordinantiën en regelen wordt in het leven geroepen.

2e. Sohm legt een vrees aan den dag voor het recht in religieuse dingen, die wijst op een bedenkelijke scheiding van natuur en genade, wereld en Kerk, schepping en herschepping. Hij beziet de Kerk niet van de souvereiniteit Gods uit, die beide terreinen omvat.

3e. Sohm ziet slechts een louter charismatische organisatie in heel het N. Testament. Reeds hetgeen verhaald wordt in Hd. 6 leert wel anders. Maar dit daargelaten, gaat het niet aan, de organisatie in den vorm waarin die optrad in den apostolischen, extra-ordinairen tijd, toen het charisma bloeide, als exempel te stellen voor alle tijden. Veeleer vinden we reeds in het N. Testament (denk aan de Pastoraalbrieven) de overgangen van het extra-ordinaire naar het ordinaire, van het meer charismatische tot het meer ambtelijke.


➝ de zichtbare Kerk ligt, moet. volgens de Lutherschen, de onzichtbare Kerk tot aanzijn komen. Het geloof in het Woord vereenigt met Christus. Zie o.a. Wilh. Preger, Die Geschichte der Lehre vom geistlichen Amte auf Grund der Geschichte der Rechtfertigungslehre, Nördlingen 1857, bl. 31: „Mann kann nur von einer sichtbaren Kirche sprechen, wo man darunter die mit der Sichtbarkeit des Zeugnisses Jesu verbundenen Menschen, und von einer unsichtbaren Kirche, wo man darunter die durch das sichtbare Zeugniss mit dem unsichtbaren Leben Jesu verbundenen Menschen versteht.”

|27|

4e. Het spiritualiseerend standpunt zou ten laatste ook leiden in perfectionistische paden, door weg te doezelen het verschil tusschen de Kerk in den hemel en op de aarde. In een gemeenschap van heilige menschen zou men het kerkrecht kunnen missen (het hoort dan ook niet tot het wezen, maar tot het welwezen der Kerk), maar in de ecclesia viatrix kan het Woord alleen effectief doorwerken, wanneer de werking niet tot het geestelijk leven beperkt blijft, maar in zichtbare kerkelijke handelingen de kracht van het Woord gehandhaafd wordt. Niet het feit, dat de Kerk aan rechtsvormen gebonden is, is voor haar vernederend, maar wel, dat die rechtsvormen zóó moeten zijn als met haar nog zondig leven op aarde strookt.

5e. Sohm komt met zich zelf in tegenspraak, wanneer hij eenerzijds zegt, dat de Urkirche geen recht kende en daardoor nog geheel zuiver was en naar Jezus’ wil zich openbaarde, en anderzijds, dat in haar toch kiemen lagen, die met ijzeren noodwendigheid zelfs tot het katholicisme moesten leiden; wanneer hij zoowel betoogt, dat de eerste christenen geen plaatselijke Kerk kenden, maar slechts verschijningsvormen van het Lichaam van Christus, als dat juist identificeering van deel en geheel het katholicisme in den schoot droeg. Immers, waren de kiemen er, dan was in beginsel de zaak zelf er. Op die wijze is dan de „Verbildung des Christentums” er op hetzelfde oogenblik geweest met de „Bildung des Christentums.”

Sohm’s denkbeelden zijn echter niet nieuw, noch zeldzaam. Zoo o.a. bestreed K. Lechler reeds dergelijke gevoelens in Höfling 1). En Schmiedel gaat van dezelfde gewraakte grondgedachte uit in zijn breede verhandeling over ,,the Ministry” 2).


1) Zie K. Lechler, Die N. Testamentliche Lehre vom heiligen Amte in ihren Grundzüge dargestellt, Stuttgart 1857, bl. 79, waar hij de voorstelling van Höfling bestrijdt (in diens Grundzüge evangelisch-lutherischer Kirchenverfassung, Erlangen 1853), die leert, dat het ambt slechts een noodwendig gevolg is van de door Christus gestichte prediking en sacramentsbediening, welke oorspronkelijk aan alle geloovigen toekomt, maar op enkelen wordt overgedragen. Volgens Höfling is de onzichtbare kerk de oorspronkelijke bezitster van het heilig Ambt.
2) Zie in Encyclopaedia Biblica s. v. „Ministry” van P.W. Schmiedel: alle wettelijke regeling is vreemd aan de religie als bestaande in een betrekking van God tot den mensch; het zou een groote misvatting zijn te meenen, dat Jezus een godsdienstige gemeenschap had gesticht.

|28|

Onder de talrijke bestrijdingen, die Sohm’s sterk geprononceerde ideeën hebben uitgelokt, kenmerkt zich door diepte van opvatting de critiek van Dr. F.L. Rutgers in zijn rectorale oratie van 1894. Hij dringt daarin door tot den wortel der dwaling, die Sohm aankleeft, wanneer hij haar terugleidt tot het Anabaptisme; wanneer hij de grondgedachte van zijn stelsel een miskenning acht zoowel van het wezen der Kerk (die wordt opgevat als een organisme buiten en tegenover het bestaande organisme der menschheid, terwijl zij juist dat herschapen organisme zelf is), als van het wezen des rechts (dat, opgevat als in strijd met het wezen der Kerk, al naar gelang men het uit den mensch afleidt, van den Staat laat uitgaan, of tot een van het geestelijk leven afgescheiden kring voegt, wordt overgeleverd aan pantheïsme, positivisme en spiritualistisch dualisme); ja zijn beschouwing brandmerkt als een misvorming of terzijdestelling van de grondslagen zelf der christelijke belijdenis, daar zij niet wil weten van het natuurlijke leven, dat ook uit God is 1).

Men kan de bezwaren tegen het pneumatisch-charismatisch anarchisme, dat Sohm voor de Kerk opeischt, nog uit het oogpunt bezien van practische ongerijmdheid en onhoudbaarheid. De mensch is een sociaal wezen, maar ook een religieus wezen, en zoo ligt de stichting van een sociaal-religieusen dienst in de schepping zelve van den mensch. Eeredienst is niet mogelijk in de eenzaamheid, maar slechts met medemenschen. Maar hoe zouden dan


1) Dr. F.L. Rutgers, Het Kerkrecht in zoover het de Kerk met het Recht in verband brengt, Amsterdam 1894, bl. 27, 31-37.
Van Luthersche zijde is van bijzonder gewicht de waardeerende, maar principieele critiek van Dr. Wilhelm Kahl, Lehrsystem des Kirchen-rechts und der Kirchenpolitik, 1ste Hälfte, Freiburg i.B. und Leipzig 1894, zie vooral bl. 71-82. Hij schijnt echter niet met het bestaan van gereformeerde beginselen te rekenen, gelijk die door Dr. Rutgers tegen Sohm werden in oppositie gebracht, wanneer hij zegt (bl. 74), eenerzijds tegen het Katholicisme, anderzijds tegen Sohm: „Der Protestantismus lehrt, dasz Christus weder Rechtsordnung gegeben, noch Rechtsordnung entzogen habe. Christus hat das Reich Gottes auf Erden gebracht. Alle Menschen und Völker sollen ihm gewonnen werden. Als Mittel hierfür sind Wort und Sacrament gegeben. Das ist der einzige Inhalt des geoffenbarten göttlichen Stiftungswillens. Darüber hinaus besteht die unendliche Freiheit der menschlichen Organisation.” — Zoo toch spreekt wèl de Luthersche, maar niet de gereformeerde Protestant!

|29|

ooit rechtsverhoudingen zijn weg te denken1)? De Kerk, als gemeenschap van menschen, kan niet worden saamgehouden zonder ambten, instellingen, leiders, dienst. De ideale conceptie en de actueele realisatie zijn in zeker opzicht tegengesteld 2). Maar de organisatie der Kerk is niet overgelaten aan de conceptiën van den mensch zelven, maar gebaseerd op beginselen, die, in aansluiting aan de behoeften van de menschelijke gemeenschap, als grondslagen door God zelf zijn gelegd. Christus zelf heeft opzettelijk zijn Kerk georganiseerd met de bedoeling „om zijn zaak niet over te laten aan de natuurlijke werking van realiteiten en ideeën”. Ze vindt haar grondtype in de geestelijke associatie der belijders; haar strekking in de bediening van Woord en Sacrament en haar forma in de ingestelde ambten. Dit zijn de drie grondlijnen, waaruit een gezonde of ook wel een ongezonde ontwikkeling kan voortkomen 3).

 

De organisatie der Christelijke Kerk moet worden afgeleid uit den Christus. Hij is de Organisator van zijn Kerk op aarde. In deze grondgedachte is haar wortelbestaan aangegeven en haar karakter aangeduid èn als goddelijk-supranatureel èn als opzettelijk bedoeld

Deze grondgedachte nu vindt van alle mogelijke zijden bestrijding, en eigenlijk hangt die saam met een miskenning van het wezen des Christendoms: Jezus heeft religieuse ideeën uitgesproken en gepropageerd, en hoogstens daardoor een Koninkrijk der hemelen willen stichten (aan welk Koninkrijk dan echter alle realiteit wordt ontnomen, om in wazige beeldspraak te vervluchtigen), maar van een planmatig arbeiden tot kerkstichting en organiseering mag geen sprake zijn 4). Welke velerlei factoren dan wel buiten den


1) Volkomen juist wordt dit uitgewerkt door den nog wel congregationalistischen S. Davidson, The ecclesiastical Polity of the New Testament, London 1848, bl. 54.
2) J.B. Lightfoot, The christian Ministry in St. Pauls Epistle to the Philippians, London 1908, bl. 181, 182.
3) Dr. A. Kuyper, Encycl. III2, bl. 227, 228.
4) Slechts één greep uit vele.
Zoo reeds G.J. Planck in zijn „Geschichte der Entstehung und Ausbildung der christlich-kirchlichen Gesellschaftsverfassung im Römischen Staat, Hannover 1803, Dl. I. Planck gaat op de moeilijke problemen ternauwernood ➝

|30|

wil van Jezus op de Christelijke Kerk zouden hebben ingewerkt om haar die organisatie te geven, waarmede ze is opgetreden, zal


➝ in. Hij steekt niet hoog boven de Rationalisten uit, schoon zijn werk wel van wat dieper inzicht getuigt, en hij op het begin staat van den weg, die tot breeder onderzoekingen heeft geleid. Op bl. 13 stelt hij de vraag, of Jezus organisator was, en antwoordt dan, dat Christus zijn leer wilde verheffen boven het Jodendom, maar dat het onzeker is, of Hij wilde, dat de zijnen een zichtbare Kerk zouden formeeren. In elk geval (bl. 16) kan men niet zeggen dat de Kerk door Hem is gesticht.
J.H. Maronier, a.w. bl. 1: Jezus heeft geen Kerk gesticht, het eenig doel was de stichting van een Koninkrijk der hemelen op aarde. Blz. 132 „de latere verheffing van Christus tot Hoofd der gemeente was de weg tot het bisschoppelijk gezag.”
P. Wernle, Die Anfänge unser Religion, Tübingen u. Leipzig 1904. De hoofdgedachte van dit werk, dat zeer veel opgang heeft gemaakt en om zijn aanstootelijk cynische behandeling van wat tot het terrein der Openbaring behoort, het ultra der moderne richting doet kennen, wordt aldus aangegeven (bl. VIII): Jezus en Zijn Evangelie als maatstaf te nemen ten einde de geheele geschiedenis van het Urchristentum te keuren, terwijl hij de critiek der geschiedenis zal laten spreken in haar machtige objectiviteit (te voren wordt echter uitgemaakt welke schriften als echt of onecht zullen worden erkend). Van Jezus nu heet het (bl. 83) dat Hij de Kerk niet heeft gesticht, daar zich bij Hem niet de zin openbaarde tot het institutaire. Wel was er tijdens Jezus een christelijke gemeenschap in idealen zin, maar de aaneensluiting en organisatie ontbrak (bl. 89).
Jean Réville, Les origines de l’Episcopat, Paris 1894, bl. 24-26. Jesus de Nazareth a fondé une religion; il n’a pas créé d’Eglise nouvelle . . . . Les grands idéalistes comme Jésus ont confiance dans la puissance interne de la vérité qu’ils voient, lumineuse, dans leur esprit, et qui s’impose à leur conscience. Ils sèment le bon grain à pleines mains et laissent au Père céleste le soin de la faire germer. Qu’ importent à Jésus les formes extérieures du culte, qu’ importent les dispositions organiques de Ia société religieuse, pourvu que les coeurs soient remplis de l’amour pour Dieu et pour le prochain, pourvu que ses disciples aient faim et soif de justice, bref, pourvu qu’ils se pénètrent de son esprit?”
Harnack, Verfassung und Recht, bl. 10 v.v. H. ziet slechts een gradueel verschil tusschen de R. katholieke en de reformatorische beschouwing, wijl beide de organisatie tot Christus terugleiden. Hij stelt het principieele verschil. Beide beschouwingen staan of vallen volgens hem met enkele uitspraken van het N. Testament, vooral van Matth. 16 en 18, die naar het vonnis der critiek onwedersprekelijk onecht zijn! En daarmee is elke band tusschen Jezus en de Kerk met haar ordeningen doorgesneden! Blijft alleen de geestelijke band, ook wanneer Christus de Kerk noch gesticht noch gewild heeft. Blijft, dat het zijn jongeren als geloovigen zijn geweest, die de Kerk hebben gevormd; Hij heeft alleen de twaalf aangewezen als verbreiders van Zijn leer. Maar al wat geworden is, werd niet als gevolg van een plan, maar is ➝

|31|

bij de bespreking der ambten nader worden in het licht gesteld.

De erkenning van Christus als de Organisator zijner gemeente hangt op het innigst saam met twee dingen, waarvoor men alleen op de basis der H. Schrift oog kan hebben, n.l. de eenheid die er is tusschen zijn doen en den Raad Gods, en de eenheid tusschen de kerk des Ouden en des Nieuwen Verbonds.

Wat het eerste betreft, ligt die eenheid allerwege uitgedrukt, waar Christus zichzelf de Gezondene noemt. Want hiermede wordt gezegd, dat Hij door den Vader ambtelijk geroepen is, om voor een bepaald bestek op uitdrukkelijken last, met vaststaand doel een werk te werken. Gedurig noemt Hij den Vader ὁ ἀποστείλας με of ὁ πέμψας με (zoo b.v. Mk. 9: 37; Joh. 9: 4). En de strekking van dit zenden door den Vader is een zenden door Hem. Daarom noemt Hij de twaalven ἀπόστολοι (Lk. 6: 13). En de samenhang tusschen beide zendingen komt wel zeer duidelijk aan het licht, wanneer Hij zegt: καθὼς ἀπέσταλκέν με ὁ πατήρ, κἀγω πέμπω ὑμᾶς(Joh. 20: 21). Wanneer we nu bedenken, dat bepaaldelijk door de roeping tot het Apostolaat de Kerk de vastheid van haar organisatie heeft gekregen, dan gevoelen we, hoe, bij die correlatie der zending van Christus zelf en van de apostelen, de organisatie der Kerk langs de apostelen en Christus henen, in den Raad Gods haar eerste grondslagen vindt.

Wat het tweede aangaat, de eenheid tusschen de Kerk des Ouden en des Nieuwen Verbonds, is eenige nadere toelichting noodig. Bedoelde men met de bestrijding van Christus als Kerkstichter, dat Hij niet de Kerk als een nieuwe schepping heeft voortgebracht, er zou geen bezwaar zijn. De Kerk was er reeds en wel op zulk een wijze georganiseerd, als geschikt was, om zijn komst in het vleesch in alle opzichten te dienen. Maar ook in dit opzicht is met Hem al het oude voorbijgegaan en alles nieuw geworden. Hij staat op de scheidslijn der oude en der nieuwe bedeeling, en de Kerk ontvangt van Hem de grondlijnen


➝ vanzelf voortgekomen, onder invloed van de tijdsomstandigheden, uit een gemeenschap van broederen, die door Jezus God hadden gevonden en die stonden in de Joodsche Theocratie. In die beide lagen de beginselen voor een duale ontwikkeling, n.l. van een de menschheid omvattenden broederbond, maar ook van een Kerk, die zich tot het katholicisme heeft ontwikkeld.

|32|

eener inrichting, die aan het wezen der Kerk, als Lichaam onder haar Hoofd, beantwoorden moest. Daarom kon eenerzijds die inrichting niet vreemd zijn aan die van het Oude Testament, aangezien ook toen de Kerk er was en geen organisatie bezitten kon, met haar wezen in strijd, — dat is het oude. Maar toch moest die van Christus ontvangen organisatie een eigen, zelfstandig karakter dragen, omdat ze dienen moest voor de Kerk, gelijk nu haar centraal heiligdom niet meer op de aarde, maar in den hemel zou wezen, en niet meer als nationale maar als oecumenische Kerk zich openbaren zou, — dat is het nieuwe. Reeds vóór de formatie van Israël was de Kerk universeel geweest in haar patriarchale periode, maar miste toen nog elke zelfstandige organisatie. Met Israël’s formeering werd dit anders. Maar, al bezat toen de Kerk een wel belijnd instituut, zij miste een eigensoortig bestaan, omdat dit instituut was ingeweven in het nationale leven 1). Slechts op zekere hoogte kon er dus van een aansluiting sprake zijn van de N. Testamentische organisatie aan de Israëlietische. Maar dan van een aansluiting aan de institueering, gelijk die door God zelf opzettelijk in samenhang met heel Israël’s existentie was geschonken, terwijl daarbij moet worden in het oog gehouden, dat in nuce reeds de wereldkerk in Israël besloten lag. Niet aan de organiseering, zooals die zich in den na-exilischen tijd, toen Israël in de diaspora, het eigenlijke oude Israël, dat rondom Zion zich legerde, niet meer zijn kon, en in de synagogale inrichting in alle deelen der wereld een surrogaat zocht voor wat het had verloren. Christus deed zijn Kerk zijn een uitgroeiing van den qāhāl in Israël, niet een copie van de synagoge. Afgezien daarvan, dat ook in de synagoge een element school, dat voorbereidend heeft gewerkt met het oog op de nieuwe bedeeling, beteekende toch de organisatie door Christus gesticht, juist de losmaking van de synagoge en de voortzetting, nu oecumenisch, van den qāhāl. Ook in de taal heeft God dit willen vastleggen. Israëls gemeente werd genoemd met twee namen: ‘edāh en qāhāl. Soms werden beide saam gebruikt, zooals in Ex. 12: 6, in onze vertaling: „de gemeente der Vergadering in Israël.” Het


1) Zie o.a. Dr. A. Kuyper, Encycl. d. H. Godgl.2 III, bl. 226 v.v.

|33|

eerste duidt meer aan de vergadering der kinderen Israëls. Het tweede, Israël, gelijk het als gemeente des levenden Gods door Hem uit de twaalf stammen was opgebouwd, en geroepen was om als ‘edāh tot zijn God te naderen, en Hem te ontmoeten. In dat laatste woord was dus het karakteristieke van de Kerk des Heeren zeer duidelijk uitgedrukt. En nu is het eigenaardig, dat in de vertaling der LXX van Deutern. af, ἐκκλησία genomen is en niet συναγωγή als de gewone overzetting van qāhāl. (‘edāh wordt nooit anders vertaald dan door συναγωγή; qāhāl in Gen., Ex., Lev , Num. door συναγωγή, elders bijna altijd door ἐκκλησία). Waarschijnlijk om de gemeenschappelijke beteekenis in beide woorden van „oproepen” (Num. 10). En zoo was onder de Joden in de diaspora door de algemeen gebruikte Septuagint ἐκκλησία uitnemend bekend als de schriftuurlijke aanduiding van de Gemeente Gods. Wanneer dus straks Messias zou spreken van zijn ἐκκλησία, die Hij bouwen zou, dan werd aanstonds gevoeld, dat hier een continuïteit was. waarin de eenheid der Kerk door Hemzelf gewaarborgd was 1).


1) Van belang is wat hierover wordt verhandeld door F.J.A. Hort, The christian Ekklesia, London 1908, bl. 4 v.v.
Zie voorts: Dr. H. Bavinck, Geref. Dogm. IV, bl. 3 v.v.; Dr. A. Kuyper, Locus de Ecclesia, (college-dictaat) bl. 11, 12; E. Schürer, Geschichte des Jüdischen Volkes4 Dl. II, 498 v.v.
A. Harnack in Verfassung und Recht, bl. 12, acht het een gelukkige greep, dat de christenen zich ἐκκλησία noemden; evenwel later eerst, toen hun gemeenschap geen broederbond meer was, want aan Jezus is het woord niet ontleend, daar in Matth. 16 en 18 ἐκκλησία valschelijk Jezus in den mond is gelegd. Men had het woord door de Septuagint, waar wel „eeda” door συναγωγή was vertaald, maar het inniger woord „kahal”, waarin de betrekking tot God ligt uitgedrukt, door ἐκκλησία. De naam „λαός” hield geen stand, en omdat men eenmaal ἐκκλησία had, was het onnoodig zich συναγωγή te noemen. Men was ten aanzien van de Apostelen geen schola, ook geen synagoge, zooals die van de Libertijnen enz., maar de van God geroepen gemeente. Door zich ἐκκλησία te noemen onderscheidden zich de christenen scherp van het Jodendom in de diaspora. Paulus ging op dit thema dieper in en verbond er een Christus-Kerk-speculatie aan, op de basis van het oude Verbond met God, en daardoor werd de Kerk gemaakt tot een aardsch-hemelsch lichaam, waarvan alles kon gezegd worden wat van Christus kan gezegd, ja het werd Christus zelf.
Ons is het eerste meer dan een gelukkige greep; het laatste meer dan een speculatie!
Gousset, Lexic. ling, hebr. 1743 (bij Cremer, Biblisch-theologisches ➝

|34|

Voorbereidend tot dien overgang van het nationaal-symbolische instituut van Israël tot het oecumenisch-reëele van de Nieuw-Testamentische Kerk heeft in Israël gearbeid de wegbereider des Heeren, Johannes de Dooper, zelf nog hoorende tot de oude bedeeling, maar overleidende tot de nieuwe. Hij vergaderde rondom zich een kring, dien Jezus straks slechts had over te nemen uit zijn hand, en in dien eng gesloten kring van μαθηταὶ τοῦ Ἰωάννου, door den doop afgebakend, lagen reeds de elementen, in prediking, in sacrament, in gebed, die straks voor het nieuwe instituut constitueerende beteekenis zouden hebben 1). Johannes de Dooper deed vóór Christus, wat de apostelen deden ná Hem; hij trad organiseerend op tot Christus, om voor Hem den weg te effenen: zij traden organiseerend op van Christus uit, terwijl zij in den door Hem betreden weg den voet zetten. Tusschen Jezus en zijn wegbereider valt dit verschil in het oog, dat Johannes geen ambten instelt, maar Jezus wel, en dit ligt voor de hand, waar heel het optreden van Johannes slechts een voorbijgaand karakter droeg, terwijl al wat blijvend was zou worden ingesteld door zijn Heer, die na hem komen zou.

Wat Jezus deed als Organisator zijner gemeente, was niet het optrekken van het gansche gebouw zijner zichtbare Kerk. Dit behoorde tot zijn werk niet op aarde, maar uit den hemel door den Heiligen Geest, dien Hij als den Levensadem in zijne gemeente uitstorten zou. Maar wat Hij deed, was tot dien bouw de fundamenten leggen, de lijnen trekken, het kader leveren. Hij bereidde langzaam voor, wat met zijn dood en hemelvaart eerst kon worden voltooid: de breuk met het nationaal instituut, en waar deze, naar den aard van zijn werken, niet met één slag voldongen was, maar in een weg van geleidelijkheid werd voltrokken, kon het nieuwe instituut ook eerst langzaam, van stuk tot stuk, zijn


➝ Wörterbuch der Neutestamentlichen Gräcität s.v. ἐκκλησία) geeft aldus het verschil aan: qāhāl spectat compositionem coetus ex materia sua, quae consistit in hominibus prius distributive conceptis et nunc collectis; ‘edāh spectat formam conventus hominum tempore indicto ad locum indictum ex officio et ex voluntate ad rem aliquam agendam coeuntium, ac comitia legitima habentium”.
1) Zie mijn Johannnes de Dooper, Amsterdam 1908, bl. 171, 178.

|35|

gestalte vertoonen. Zijn institueerend werk begon met de verkiezing van de twaalf, van de zeventig, straks nog eens met de verbijzondering van een drietal uit de twaalf. Getallen, die (wat hier slechts wordt aangestipt) verband hielden met Israëls formatie en instellingen, en overduidelijk een organiseerende strekking hadden. Ook de doop, door Johannes bediend en aan de discipelen overgedragen, eerlang, na de opstanding verheven tot Nieuw-Testamentisch sacrament; ook het gebed, als bede der discipelen aan den kring verbonden; niet het minst de instelling van het tweede sacrament (weer in aansluiting aan Israël’s symbolische inzetting) in dien voor de organisatie der kerk zoo beteekenisvollen nacht van het laatste Paaschfeest met zijn jongeren; en eindelijk boven alles de instelling van het Apostolaat, voorbereid door de verkiezing en benoeming der twaalven (Luk. 6: 13), maar definitief bekrachtigd na de opstanding, mogen allen twijfel wegnemen, dat de Gezondene des Vaders, tot zenden, tot institueeren, tot scheppen van een levensforma zijner gemeente, zich van Godswege geroepen zag, en zoo zijn Kerk, door Hem vergaderd, heeft toebereid tot het ontvangen van den H. Geest, die zou voortbouwen, door zijn apostelen, op den door Hem gelegden grondslag.

Tot bewijs, dat Jezus heeft georganiseerd en geïnstitueerd is van buitengewoon gewicht, dat Hij Zelf tot tweemalen toe (alleen bij Matth. meegedeeld) het woord ἐκκλησία heeft gebezigd 1):


1) Hoe Harnack zich gedurig aan petitio principii schuldig maakt en lichtvaardig met de bronnen handelt, blijkt, waar hij door de volgens hem noodzakelijke verwerping dezer beide uitspraken als woorden van Jezus zelf allen band tusschen Jezus en Zijn Kerk met haar ordeningen ziet doorgesneden, Verfassung und Recht, bl. 3. Zoo er op los critiseerende kan men makkelijk gaan phantaseeren van een „Christus-Kirchen-Speculation” door Paulus (zie bl. 33, noot).
Vreemd, dat ook een Katholiek als A. Mertens (a.w. bl. 59) kan zeggen, dat hij over de vraag of Jezus het woord ἐκκλησία gebruikt heeft, niet zal twisten, maar zeker is alleen, dat Christus een gemeente heeft gesticht en die van den aanvang af heeft op het oog gehad. Ook hieruit blijkt weer hoe zwak Rome zich stellen kan tegenover de Schriftcritiek.
Deze beide plaatsen zijn der critiek een doorn in het oog. Maronier a.w. bl. 211-213 constateert, dat men hier vrijwel op den weg is van het kerkbegrip van later dagen, en stelt deze uitspraken in den tijd, toen men zich Jezus dacht als den Stichter der Kerk en Petrus als het fundament.

|36|

Mtth. 16: 18 κἀγὼ δέ σοι λέγω ὅτι σὺ εἶ Πέτρος, καὶ ἐπὶ ταύτῃ τῇ πέτρᾳ οἰκοδομήσω μου τὴν ἐκκλησίαν, en Matth. 18:17 ἐὰν δὲ παρακούσῃ αὐτῶν, εἰπὸν τῇ ἐκκλησίαᾳ ἐὰν δὲ καὶ τῆς ἐκκλησίας παρακούσῃ, ἔστω σοι ὥσπερ ὁ ἐθνικὸς καὶ ὁ τελώνης. (de eene maal sprekende van de Kerk als organisme onder haar Hoofd, de andere maal als locaal instituut.)

In Mtth. 16:18, „οἰκοδομήσω μου τὴν ἐκκλησίαν,” ligt het volgende, wat de aandacht verdient: 1°. het feit, dat Jezus het woord ἐκκλησία gebruikt, is, optredende in Israël, zeer natuurlijk, en verheft boven allen twijfel, dat, wat Hij stichten komt, niet is iets nieuws, maar de Nieuw-Testamentische voortzetting van den Oud-Testamentischen „kahal” (Am. 9: 11 cf. Hd. 15: 16); 2°. daarmede stelt Christus zijn Kerk tegenover de synagogen (cf. Hd. 2: 47); 3°. Hij spreekt van iets wat Hij in de toekomst doen zal, niet alsof niet reeds met Johannes den Dooper de bouw van de Nieuw-Testamentische gemeente was begonnen en door Hem aanvankelijk voortgezet, maar omdat eerst met den Pinksterdag het gebouw zijner Kerk zijn breeden grondslag in de wereld vinden zou; 4°. door te spreken van een οἰκοδομεῖν hecht Hij aan het organische begrip het institutaire; 5°. de wijze waarop Hij bouwen zal, ligt schoon uitgedrukt in ἐκκλησία (resp. „kahal”), nl. dooreen καλεῖν, een κηρύσσειν; 6°. Jezus brengt in innig verband met elkander de begrippen Kerk en Koninkrijk der hemelen, en het bouwen der gemeente met de sleutelen des Koninkrijks. De gemeente is de zichtbare representatie van het reëele, geestelijke Koninkrijk, waarin verondersteld worden wetten, gezag en gehoorzaamheid. Uit het oog te verliezen, dat Kerk en Koninkrijk der hemelen, hoezeer onderscheiden, innig saamhangen, leidt tot miskenning van het recht in de Kerk. Zonder Koninkrijk der hemelen als achtergrond, mist de Kerk de gegevens voor haar organisatie, en zonder de Kerk op aarde heeft het hemelsch Koninkrijk geen zichtbare realiseering. Vandaar de valsche tegenstelling in de huidige moderne Theologie tusschen beide: Jezus kwam een Koninkrijk stichten, niet een Kerk. 1)


1) Dit onderscheid kan hier niet breeder worden uitgewerkt. Zie hierover Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl. 27. Dr. A. Kuyper, E Voto Dordraceno II, bl. 113 v.v. en III, bl. 270, en mijn Johannes de Dooper, bl. 141 v.v.

|37|

Bij Mtth. 18: 17 valt op te merken: 1e. dat Jezus op het oog heeft de locale vergadering zijner geloovigen als instituut, blijkens de disciplinaire acte waarvan hier sprake is 1); 2e. dat van organen en ambten nog geen gewag wordt gemaakt, daar deze eerst in het vervolg zouden opkomen; 3e. dat hij wel de Nieuw-Testamentische Kerk, gelijk die straks allerwege tot openbaring zou komen, bedoelt, maar toch reeds nu in zijn discipelen de kern en aanvang zijner gemeente aanschouwt, en ongetwijfeld, mutatis mutandis, zich aansluit aan de toenmalige instelling in de Joodsche gemeente, waar door de oudsten de tucht werd geoefend 2); 4e. dat van een uitsluiting der geloovigen van de regeering en van de oefening der discipline in de Kerk geen sprake mag zijn, en zulk een uitsluiting derhalve met een beroep op Mtth. 16: 19, waar aan Petrus de sleutelmacht wordt toegekend, niet kan worden verdedigd.

Alles saamgenomen blijken deze beide plaatsen voor het institueerend werk van Christus classieke waarde te bezitten.

De onderscheidingen bij het naamsgebruik ἐκκλησία komen eerst later duidelijk op. En dan is op te merken, dat het allereerst steeds


1) Hoezeer Sohm geen gewrongen exegese ontziet, om zijn miskenning van de locale kerk te staven, zelfs tegenover deze plaats, blijkt uit Wesen und Ursprung des Katholizismus, bl. 37 (noot): „mit dem Schlusz: εἰπὸν τῇ ἐκκλησίᾳ etc ist von einer „Gemeinde” als einer geschlossenen Grösze überhaupt keine Rede, sondern nur von der ,,Christenheit” d.h. der Christenversammlung, zu welcher der Sünder sich tatsachlich halt, mag sie grosz, mag sie klein sein. Dann aber wird gerade durch diese Stelle klar, dasz die Versammlung (die Ekklesia) in der Urzeit keine Strafgewalt übt, sondern nur ermahnt. Bleibt die Ermahnung fruchtlos, so erfolgt keine Regierungshandlung, kein „Bann”, überhaupt kein Vorgehen der Versammlung (Ekklesia), sondern dem einzeln Christen („dir”) liegt es ob, den, welcher die Stimme Gottes nicht horen will, als ipso jure aus der Christengemeinschaft ausgeschieden zu behandeln.”
Terecht wordt deze zonderlinge exegese door Harnack ontzenuwd, in Verfassung und Recht bl. 169 (noot). Reeds uit het 2 of 3 getuigen blijkt, dat er van een empirische corporatieve grootheid sprake is, en het enkelv. σοι is uit den ganschen opzet van het betoog te verklaren, en de disciplinaire acte is eerst effectief, wanneer anderen zich aan dit individueele oordeel aansluiten.
2) Er is verschil over, of Jezus de bestaande Joodsche gemeente op het oog heeft, of de christelijke gemeente. P.W. Schmiedel o.a. (s.v. ➝

|38|

blijft gebezigd als aanduiding van de geheele Kerk als lichaam van Christus. Dien zin heeft het ook in Hd. 9: 31, waar van de ἐκκλησίαι καθ᾽ ὅλης τῆς Ἰουδαίας gezegd wordt: εἶχον εἰρήνην, οἰκοδομοὐμεναι 1), waar het meervoud niet ziet op een geïnstitueerde landskerk (want daarvan is nimmer sprake), maar van de geestelijke openbaring van Christus’ Lichaam in al die plaatselijke Kerken. Maar dan wordt het ook gebruikt van de geïnstitueerde Kerk, steeds plaatselijk, hetzij zij vergaderd is of niet. En eindelijk eveneens van de huisgemeenten 2).

Voor de fundeering van de Nieuw-Testamentische Kerk door Christus zelf, zijn van hooge beteekenis de veertig dagen tusschen opstanding en hemelvaart. Met het oog op zijn sterven was aan den Paaschdisch de breuke met het instituut van Israël voorbereid; door zijn dood en opstanding was ze tot een feit geworden. Zijn dood scheen de apostelen, reeds te voren tot apostelen verkoren, voorgoed te hebben uiteengedreven, maar zijn opstanding is het sein tot verzameling naar Jeruzalem (1 Cor. 15: 4 v.v.). Zijn opstanding was als het verrijzen van het Apostolaat tot zijn nieuwe, oecumenische roeping. Ze is de triumf van het nieuwe over het oude 3).


➝ „Ministry” in de Encycl. Biblica) meent, dat gemeente alleen op de Joodsche gemeenschap ziet, maar in verband met zijn voorstelling, dat Jezus geen godsdienstige gemeenschap heeft gesticht. W. Beyschlag, a.w. bl. 1, daarentegen wil met het futur. οἰκοδομήσω in Mtth. 16: 18 en met Mtth. 18: 20, waar Jezus spreekt van een vergaderd zijn in zijn naam bewijzen, dat alleen van de toekomstige gemeente sprake is. Maar beide staan niet los van elkander. Zoo reeds Calvijn i.l.: „Sed quia tune nulla adhuc Ecclesia erat quae Christo nomen dedisset, nec talis ratio constituta, ipse autem Dominus tamquam de more usitato receptoque loquitur: non dubio est quin ad veteris Ecclesiae ordinem alludat, sicuti et aliis locis ad consuetudinem notam accomodat sermonem”.
In denzelfden zin ook F.J.A. Hort a.w. bl. 9 „Here our Lord is speaking not of the future but the present. The actual precept is hardly intellegible if the ecclesia meant is not the Jewish local community. The principle holds good in a manner for all time.”
1) Alzoo in den T. Rec. Tisschendorf echter geeft op goede gronden de lezing in singulare. Dan vervalt van zelf alle moeielijkheid.
2) Cf. Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl. 6. Dr. A. Kuyper, Loc. de Eccl., bl. 169.
3) Treffend is het pleidooi, dat G.F. Heinrici in Das Urchristentum ➝

|39|

Tot het gewichtigste wat Jezus zich had voorgesteld te doen in die voor heel de Kerk onschatbare 40 dagen, behoort de bevestiging zijner discipelen in hun apostelschap, en wel, gelijk dit nu van een missie tot Israël tot een wereldmissie zich uitbreiden zou. Daarom, Joh. 20: 21 en 22, εἶπεν οὖν αὐτοῖς πάλιν˙ εἰρήνη ὑμῖν˙ καθὼς ἀπέσταλκέν με ὁ πατήρ, κἀγω πέμπω ὑμᾶς. καὶ τοῦτο εἰπὼν ἐνεφύσησεν καὶ λέγει αὐτοῖς˙ λάβετε πνεύμα ἁγιον. Het mededeelen van den H. Geest is niet een vooruitgrijpen naar het Pinksterwonder, hetgeen reeds blijkt uit het ontbreken van het artikel, maar een toerusting tot hun apostolisch beroep, blijkens vs. 21, en tot dit beroep, gelijk dit, na de opstanding, in Mtth. 28: 19 en Mtth. 16: 15 nader is omschreven. Hebben nu de apostelen Jezus naar den hemel zien varen, dan keeren ze, naar zijn aanwijzing (Hd. 1: 4, 8), van den Olijfberg naar Jeruzalem terug, en leven daar voort als een kleine gemeente, bestaande uit de apostelen, Maria, de moeder des Heeren, en andere vrouwen en uit de broederen des Heeren, in het geheel toen reeds een getal dat het tienvoud van de twaalven omvat, een getal, dat met het oog op de organisatie ongetwijfeld van symbolische beteekenis is. Blijkbaar treden de apostelen aanstonds, nu hun Heer weggenomen is, op met macht en autoriteit, en zijn zich zoozeer bewust van hun door den Heere geschonken ambtelijke positie, dat zij aanstonds op de bewaring van hun college, in het oorspronkelijk getal, bedacht zijn. Hierbij valt op te merken, dat van het eerste oogenblik af de Kerk niet zonder regeering is geweest; dat die regeering in het gemeenschappelijk optreden der apostelen reeds eenigermate de gestalte droeg van een Raad; dat evenwel aan de gemeente een groote mate van zelfstandigheid wordt toegekend in het kerkelijk handelen. Wat dit laatste


➝ houdt voor de waarheid der opstanding (hoewel hij toch aan het Pinksterfeit geen historische waarde toekent, bl. 45), bl. 36 v.v.: „die Tatsache wird nicht erschüttert, dasz ohne die Auferstehung Jesu das Evangelium Jesu ein Torso ist und das Christentum ein Räthsel bleibt. Das leere Grab Jesu ist durch geschichtliche Kritik nicht wegzudeuten . . . . Der Umschlag der Jünger aus Unglauben zum Glauben, aus Versagtheit zum unerschütterlichen Bekennermut, der auch das Leben einsetzt für den Glauben, bleibt eine Tatsache, die sich aus Illusionen nicht ableiten läszt. Und die Frucht dieses Glaubens ist das Christentum.”

|40|

aangaat, Petrus onderwerpt, niet zonder leiding aan de gedachten te geven, de aanvulling van de open plaats onder de apostelen aan het oordeel der vergaderden, en deze (vs. 23) stellen er twee, terwijl de beslissing uit dit tweetal in ’s Heeren hand wordt gelegd. Het instituut der Kerk is er; het ambt is er; het spreken in den naam des Heeren is er.

Reeds hier, vóór het Pinksterwonder, bestaat derhalve de gemeente georganiseerd, hetgeen ook blijkt uit Hd. 2: 41, waar van een προσετέθησαν wordt gesproken.

De uitstorting van den H. Geest op de ἅπαντες, die ὁμοῦ ἐπὶ τὸ αὐτό verzameld waren (de apostelen met de μαθηταί), raakt den achtergrond der organisatie in het innerlijke leven der gemeente. Eerst was, op aarde, Jezus middelpunt; thans ontvangen ze met den H. Geest het ware Levensbeginsel van Christus’ Kerk. En reeds aanstonds is dit voor de organisatie van gewicht, omdat in die geestelijke formeering tot tempel des Geestes de onvermijdelijke losmaking lag besloten van den zichtbaren tempel te Jeruzalem, terwijl de energie des Geestes in de apostelen, Petrus voorop, zich openbaart in een getuigen met het Woord (2: 14 v.v.), en nu door de prediking van het Woord tot de aanwezige volken, de Jeruzalemsche Kerk de mater wordt van de Katholieke Kerk.