nr. 948
23-02-1896

|3b|

De bepaling van den diensttijd der ouderlingen historisch eenigszins toegelicht

IV (Slot).

 

Op de Generale Synoden zelve, die de Nederlandsche Gereformeerde Kerken in de 16e eeuw gehouden hebben, schijnt er tegen de telkens herhaalde bepaling van

|3c|

periodieke aftreding niet veel bedenking te zijn ingebracht. Alleen heeft nu en dan eene ingekomen vraag de aandacht der Synoden op dit punt gevestigd, en ook wel aanleiding gegeven om de bepaling te verdedigen. Uit hare Acta blijkt te dien aanzien het volgende.

In de Acta van de Nationale Dordtsche Synode van 1578 komt onder de „Particuliere Vragen”, die beantwoord zijn, dit besluit voor (art. 13; „Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw”, blz. 266): „Of een Ouderlinck die synen tyt wtghedient heeft ende bereyt is noch langher te dienen der ghemeynte wederom magh voorghestelt worden om hem te moghen verkiesen? Antw. Ia. Want de tweeiarighe veranderinghe der ouderlinghen is daerom in sonderheyt inghesett op datse van den laste hares dienstes mochten verlichtet werden”.

Op de volgende Nationale Synode, te Middelburg in 1851, was uit Oost-Vlaanderen de vraag ingekomen (Verzamelstaat der ingekomen gravamina, punt 17; a.w. blz. 417): „Te disquireren, oft beter ware, dat de Ouderlingen ende Diakenen geduerich [d.i. voortdurend] dienen ende onderhouden worden, oft dat sy omgewisselt worden”. Die vraag was, met andere vragen, in handen gesteld van den Leidschen hoogleeraar L. Danaeus, die op uitnoodiging der Synode hare zittingen als adviseur bijwoonde. En deze heeft er toen het volgende advies over opgesteld (a.w., blz. 459 vgg.; van welk advies het tweede gedeelte, over de bezoldiging, als betreffende eene andere en geheel op zichzelf staande quaestie, hier wordt weggelaten):

„Vande selve persoonen, die tott hett Ouderlingschap ofte Diaackenschap verkooren sijnde eenmaal, om doorghaans altijdt te continueeren.
Hoewel datt inde Dordrechtsche Synode, ende inde Middelburgsche daar naa, bevestichdt es, eenen seeckeren tijdt den Ouderlingen ende Diaackenen te dienen, naamelijck twee jaaren: dewijle nochtans deese exceptie daar bij ghevoughdt es, datt de Kercken naa de gheleeghenheijt der stichtinge ende der persoonen sich mooghen voorsien,
Antwoorde ick, datt uut de H. Schriftuere niet en kan ghedefinieerdt werden, datt de Ouderlingen ende Diaackenen eenmaal van den Apostelen verkooren, altijdt in datt beroup, ofte in een ander de Kercke aanghaande, ghebleeven sijn; dewijle datt in deese saacke verscheijden plaetsen ende verscheijden arghumenten kunnen voortghebracht werden; soo schijnt hett nochtans raadsaamer, omm te schouwen alle weeghen der Kerckelijker tijrannije te ghebruucken, soodaanige daar naa in ’t Paausdom es inghekroopen, datt de selve persoonen eenmaal tott dien dienst verkooren, niet altijdt ghecontinueerdt en werden; hoewell datt wellicht andere bequaame persoonen naauwelijcks kunnen ghevonden werden. De reeden es, datt lichtelijck (hoedaanich daar es de verkeerdtheijt der menschen) de menschen tott andere dingen, meer dan tott Ghodts Woordt gheneeghen (hoedaanich sijn de Ouderlingen ende Diaackenen die wij ghebruucken, ende die uutt Kooplieden, Medecijns, Advocaaten, ende andere vocaatiën van ons verkooren werden) dattse tott tirannije ende eerghierichheijt aankeeren, all ’t gheene datt henn voor anderen als een voordeel ende uuttneemenheijt toeghelaaten werdt. Uutt deesen es ’t gheschiedt datt de Cleresije in ’t Paausdom sick alder eerst de Privileegien, Vrijheeden, Digniteijten, ende dierghelijcke heben toegheeijgent, die voormaals waaren Ouderlingen ende Diaackenen in de Kercke, ende hebben ghewijdt daarnaa sick sulcks van den Princen bevestighdt te werden. Daar beneffens soo sijnder meer van de reeden ende ’t regiment der Kercke t’onderwijsen, die bij ghebreck van andere in hunn plaatse mooghen ghesteldt werden; ende indien datt de selve persoonen die eenmaal verkooren, inden dienst altijdt ghecontinueerdt werden, sullen die alleen verstandt hebben de Kercke te regieren. Daaromme schijnt hett wel, datt veele bij tijdts tott deesen dienst sijn van te vooren bereidt ghemaackt te werden. Ten laatsten, dewijle datt deese vraaghe meede behoordt tott een deel der Kerckelijcke disciplijne, dewelcke naa ’t profijt van een ijghelijcke Kercke kan veranderdt werden met wijsheijt; soo en will ick daaromme niet  twisten. Maar datt van den Dienaaren kann voorgheworpen werden, indiense de selve inde selve Kercke altijdt in hunnen dienst ghecontinueerdt werden, dattmen als dann de selve perijckelen van tirannije ende weijnichheijt hebbe te bevreesen: Antwoorde ick, hoewell datt soo veel de Dienaaren menschen sijn, ’t selve van henn kan ghepresumeerdt werden; nochtans dewijle datt weijnighe onder hen sijn die gheroupen werden tott hett regiment der Kercke, ende in ’t woordt Ghodts  te handelen, leesen, ende ooverleghghen sij sick ouffenen altijdt, dattmen de selve perijckelen soo lichtelijck in henn, uutt de Christelijcke liefde, niet en heeft te bevreesen. Daarbeneffens soo verre veranderdt werden de Ouderlingen ende Diaakenen, sall de selve veranderinge den Dienaaren beneemen allen toehang, dat sij hunn eijghen tirannije oover de Kercke ghebruuckan: dewijle datt indien sij daar van eenige raadtslaaghen bij sick ofte mett den anderen Ouderlingen ende diaackenen mochten ghecommuniceerdt hebben, daar meede needervallen als de parsoonen verandert werden; want alle tesaamen rottinge ende verbindinge lichtelijck uutt de veranderinge der persoonen ofte bemerckt werdt, ofte affghehouden werdt. Maar indien datt eenighe sijn te continueeren, die sullen weederomme op een nieuw de Kercke voorghesteldt werden mett andere, die nieuw verkooren werden tott den selven dienst, opdatt van henn hett oordeel ende de wille der Kercke vereijscht ende verwacht werde,

|3d|

niet anders dann offse nooijt van te vooren in dien dienst gheweest en hadden.”

Dit advies is toen, evenals eenige andere adviezen, „de Synode niet voorgheleesen gheweest” (a.w., blz. 455), daar de Middelburgsche Synode, die met vele gewichtige zaken als het ware overstelpt was, en die toch niet langer dan ruim drie weken kon bijeenblijven, haar agendum niet geheel heeft kunnen afdoen. Maar dat zij het met Danaeus eens was, blijkt wel uit het feit, dat zij bij de herziening der Kerkenordening de bepaling van aftreding heeft gehandhaafd, en zelfs hare redactie nog wat heeft verduidelijkt.

En hetzelfde kan ook gezegd worden van de daarop volgende Nationale Haagsche Synode van 1586; waar ook eene vraag was (Verzamelstaat van de instructiën van de gecommitteerden der Kerken, punt 18; a.w., blz. 547): „Item vande selfde [n.l. de Ouderlingen] te mogen continueeren”; en waar toen het daarop betrekking hebbende artikel van de Kerkenordening onveranderd behouden bleef.

 

Afkeuring van de bepalingen van periodieke aftreding vindt men in de 17de eeuw met name bij de Arminianen.

Reeds in de 16de eeuw is daar iets van te merken in den kring hunner voorloopers, bepaaldelijk te Leiden; waar de groote strijd van dien tijd tusschen de „Politieken” of „Libertijnen” en de „Kerkelijken” of „Gereformeerden” reeds sedert 1574 bijzonder heftig was, en waar de Regeering, meer nog dan elders, aanvallend te werk ging, onder medewerking van den, later door de Kerken afgezetten, Leidschen predikant Caspar Janszoon Coolhaes, en van den bekwamen schrijver, die toen de voornaamste tegenstander was van de Gereformeerde leer en kerkinrichting, Dirk Volkertszoon Coornhert 1). Om te beter over de kerk te kunnen regeeren, besloot die magistraat o.a., in Februari 1579, de benoeming van ouderlingen en diakenen voortaan zelf te doen, „auctoriserende de tegenwoordige Dienaren des woorts” hen daarna te bevestigen, bij welke benoeming voor 9 plaatsen een dubbel getal door den Kerkeraad mocht worden voorgedragen, maar tevens werd bepaald, dat de magistraat zelf aan het aldus benoemde negental ouderlingen nog drie zou toevoegen, „die tselve Ampt volghende, de instellinghe inde woorde Godes vervatet, eyghentlijcker ende naerder souden hebben waer te nemen ende te bedienen”. En ten aanzien van deze drie ouderlingen werd nu voorts niet alleen goedgevonden, dat zij gezamenlijk een predikantstractement zouden hebben, maar „met eenen oock verklaert, dat soodanighen haren dienst, niet van Jare te Jaer veranderlijcken maer bestendich ende gheduerich sal zijn, soo langhe ende ter tijdt toe elck van hem of in levende lijve of elders, naer voorghaende wettighe beroepinghe totten dienst des woordts, met behoorlijck bewillighen gheghaen, of door quade bedieninghe (t’ welck Godt afkeere) daer van afghesteldt ende verlaten sal wesen” (Bijlagen P. en Q. bij de „Justificatie des magistraets” van 1579). Eene bepaling, die toen, ondanks den tegenstand der Kerk, toch is ten uitvoer gelegd; maar die anderhalf jaar later vervallen is, toen, vooral door tusschenkomst van Prins Willem I, zij het ook na lang volgehouden verzet van Burgemeester Van der Werf en de zijnen, in den Leidschen strijd eene transactie tot stand kwam.

Geestverwant van die Leidsche Overheid was in de 17e eeuw de meest beroemde woordvoerder van de Remonstranten, Hugo de Groot. Eigenlijk was hij, evenals bijna alle Remonstranten, tegen de Gereformeerde kerkinrichting in het algemeen, en met name tegen de Gereformeerde instelling van ouderlingen; die voor hem eene nieuwe vinding was van de 16e eeuw, een bloot menschelijk bedenksel; als zoodanig alleen toe te laten, wanneer dit erkend werd; wanneer dienovereenkomstig de ouderlingen, als niet door God maar alleen door menschen en dus door de macht der Overheid tot hun ambt geroepen, zich geheel aan die Overheid onderwierpen; en wanneer zij in geen geval zich aanmatigden, kerkelijke tucht te willen oefenen 2). En voorts kwam hij bij dit punt dan ook telkens op tegen de bepaling van geregelde aftreding; meest door van de ouderlingen, die daaraan onderworpen waren, op eene eenigszins spottende wijze te spreken 3).

Natuurlijk heeft op die beschouwing invloed gehad, dat de Arminianen in den aanvang van de 17e eeuw heel wat last gehad hebben van het Gereformeerde ouderlingschap, dat in vele kerken trouw en ijverig werd waargenomen, en dat, in de gemeente wortelend, juist daardoor op de gemeente ook grooten invloed had.

Voorts moet, om billijk te zijn, ook erkend worden, dat er desgelijks onder de Gereformeerden waren, die een voortdurend ouderlingschap wel niet wilden invoeren, maar er in beginsel toch geen bezwaar tegen hadden.

En eindelijk is ook buiten twijfel, dat een hoofdbezwaar tegen zulke een ouderlingschap bij het stelsel der Arminianen niet aanwezig was; evenmin als b.v. in de Nederlandsche vluchtelingenkerk te Londen. Bij die alle toch werd overheersching van predikanten of clericalisme van kerkeraden nog op afdoende wijze beteugeld, door de boven hen staande macht van de overheden of van de bisschoppen. Die veiligheidsklep was natuurlijk slechts een middel, dat veel erger was dan de kwaal. Maar de zaak op zichzelve kon bij zulke stelsels toch niet zoo schadelijk zijn, als zij in zuiver Gereformeerde kerken op den duur wel zou moeten worden.

 

Aan het einde van deze artikelenreeks moge nogmaals opgemerkt worden, dat de quaestie zelve daarin niet volledig behandeld is; ook niet eens hare geschiedenis.

|3e|

Het doel was alleen, haar historisch eenigszins toe te lichten. En daartoe worde hier ten slotte nog vermeld, wat het oordeel was van een paar mannen, die in onze Kerken altijd hoog geacht zijn, en die ook over dit punt zich met wijsheid en bezadigdheid hebben uitgelaten.

Bij den Leidschen hoogleeraar Johannes Polyander was in 1625 de slotsom zijner beschouwing („Synopsis purioris Theologiae”, Disp. XLII, § LXXII): „admittitur potius, quam culpatur hodie a nobis continuae presbyterorum ac  diaconorum functionis in biennem mutatio”; d.i.: „de verandering van den [oudtijds bestaanden] voortdurenden dienst der ouderlingen en diakenen in eenen tweejarigen moet naar ons oordeel thans eerder goedgekeurd dan afgekeurd worden.”

En Gijsbertus Voetius, die zelf toch geen tegenstander was van voortdurenden dienst, schreef in 1669, in zijne polemiek op dit punt tegen Hugo de Groot e.a. („Politica Ecclesiastica”, Tom. III, pag. 466): „Ut nunc consuetudine illâ  introductâ, admodum de ejus mutatione laboremus, ego sane rationem non video. Mihi videretur sufficere, si biennium (quod plerisque apud nos assignatur) in triennium, aut quadriennium, aut quinquennium (ubi commode id fieri posset) mutaretur, pro libertate et commoditate et ecclesiarum et seniorum”. D.i. „Nu die gewoonte [nl. van periodieke aftreding] ingevoerd is, zie ik voor mij waarlijk geene reden, waarom we ons veel moeite zouden geven om haar te veranderen. Het zou mij voldoende voorkomen, wanneer de tijd van twee jaren (die bij ons voor de meesten gesteld wordt) veranderd werd in eenen tijd van drie, of vier, of vijf jaren (waar dit goed zou kunnen geschieden), in overeenstemming met de vrijheid en met de gelegenheid zoowel van de kerk als van de ouderlingen”.

Zulk een eenigszins langere duur, die toen ook wel voorkwam, had, juist door die gewoonte, reeds toen ook zijn recht van bestaan. Iets, dat uit den aard der zaak thans nog meer geldt, en dat thans ook blijkbaar zoo beschouwd wordt door de Kerken zelve. Misschien zou zelfs kunnen gezegd worden, dat, bij alle handhaving van de periodieke aftreding, feitelijke continuatie, vaak zelfs levenslang, thans wel wat al te gewoon is.

F.L. Rutgers.


1) Dat in den strijd, dien de Gereformeerde Kerken tot handhaving van hare zelfstandigheid, vooral in Holland, te voeren hadden, de Leidsche Magistraat onder hare tegenstanders vooraan stond, blijkt b.v. uit den krassen inhoud van de in 1579 door haar uitgegevene en aan alle stedelijke overheden toegezondene „Justificatie des magistraets tot Leyden in Hollant” enz. (door Coornhert voor haar opgesteld, en daarom ook opgenomen in de Folio-uitgave van diens werken, Dl. II, foll. 189-204). Kenschetsend voor de verhouding tusschen beide partijen is ook de bekende bijzonderheid, die reeds met betrekking tot den tijd van het beleg in 1574 door den, zelf Remonstrantschen, geschiedschrijver G. Brandt, uit alleszins betrouwbare mondelinge overlevering van den destijds beroemden Petrus Scriverius, eveneens Remonstrant, aldus is opgeteekend („Historie der Reformatie”, Dl. I, blzz. 553 vg.): „Men bleef aen de Staetsche zijde bestendig bij ’t voornemen, om ’t uiterste voor de vrijheit uit te staen, insonderheit te Leyden, daer men geduirende het beleg, bij gebrek van silver, papiere penningen sloeg, tot de waerde van achtenttwintig en veertien stuivers, de kleenste voerden aan d’eene sijde een Leeuw met een swaerdt en schilt, en dit opschrift: „pugno pro patria”, ik strijde voor ’t vaderlandt; de grootste een Leeuw, houdende een hoedt op een speer, met dit omschrift: „haec liberatis ergo”, dit ’s voor de vrijheit, willende seggen, dat se leden en streeden om de vrijheit; doch de Predikanten der stadt ontsaegen zich niet de Wethouders op den predikstoel daer over te bestraffen, en Libertijnen of Vrijgeesten te noemen, meenende dat men behoorde te schrijven: „haec religionis ergo”, dit ’s om de Religie; als of de vrijheit van de Religie niet mede onder het woordt vrijheidt waer begreepen; en alsof ook niet anderen, uit haet van de Inquisitie en Spaensche regeeringe, sich trouwelik voor het vaderlandt hadden gequeeten, niet sijnde nochtans van de Gereformeerde Religie. Een der Predikanten voer te deser tijdt op den predikstoel over ’t opschrift van ’t papiere gelt soo hevig uit, dat seker Amptenaer der stadt [de secretaris Jan van Hout], een man van strengen inborst, sittende nevens den Burgermeester van der Werf, in ’s Heeren gestoelte, een geladen pistool uit den sak trok, seggende tot sijn’ bijsitter: „Wil ik ‘er hem aflichten?” meenende van den predikstoel; ’t geen de Burgermeester wijsselijck afriedt en stuitte.”
2) B.v. in zijne geschriften „de Imperio Summarum Potestatum circa sacra”, Cap. XI, § 14, 15, 17, 21; „Ordinum Hollandiae ac Westfrisiae Pietas, blzz. 19, 63, 88, 112; en in zijn anonym geschrift „Goede trouwe Sibrandi Lubberti”, blzz. 22, 24).
3) Op vele der in de vorige noot aangehaalde plaatsen; en in zijn „Votum pro pace Ecclesiastica”; ook afgedrukt in de Folio-uitgave der Werken van Andreas Rivet, Dl. III, blzz. 1017 vg.; in de paragraaf „de potestate Ecclesiastica”.