§ 51.
Uitvoering der Staatsregten op de Kerk. — Ministeriëel Departement.

De Staatsregten op de Kerk zijn natuurlijker wijze den Koning opgedragen, die dezelve doet uitvoeren door een tak der Staats-Administratie of door een Staats-Departement.

Eene Commissie uit den Raad van State, uit drie Leden bestaande, is gevestigd, ten einde den Koning te adviseren op alle zaken der Hervormde Eerdienst, en alle voorstellen, door het Ministerie gedaan, of door de Synode ter verkrijging der koninklijke sanctie ingezonden; en voorts op andere kerkelijke aangelegenheden. Doch derzelver bestaan en instructie is geheel van den Koning afhankelijk.

Vooral echter bestaat er sints de regeling onzer zaken na de omwenteling (1814) een afzonderlijke tak van Staats-Administratie voor de Hervormde en andere Eerdiensten, buiten de Roomsch-Katholieke; gelijk eene afzonderlijke voor de Roomsch-Katholieke Eerdienst. — De Commissaris-Generaal of later Directeur-Generaal voor de zaken der Hervormde en andere

|241|

Eerdiensten, vormt een Ministeriëel Departement, dat op gelijken voet is ingerigt, als de overige Staats-Departementen, en welks bureaux zijn georganiseerd. Den Directeur-Generaal is een Secretaris-Adviseur toegevoegd, die bij den Commissaris-Generaal Commissaris was voor kerkelijke zaken (1).

De Directeur-Generaal dus, of het Ministeriëel Departement, is de Uitvoerder van ’s Konings invloed op de Kerk. Daarom moet toezigt, bescherming, handhaving, uitvoering door hetzelve worden verleend, wijl het als het middenpunt vormt tusschen Staat en Kerk. Doch alzoo het geen tak van Kerkbestuur, maar van Staatsbestuur, uitmaakt, wordt het ook alleen dáár ingeroepen, waar men den Staat inroept (2). — Het is daarom niet wel mogelijk, noch ook hier ter plaatse noodig, den geheelen omvang der attributen en werkzaamheden van dit Departement op te geven. Eenigen derzelver zijn reeds boven opgegeven; anderen zijn afwisselend en hangen af van de Staatsinrigting. Maar voor het Kerkregt is het genoegzaam die meer voorname bepalingen, welke in onze kerkelijke wetgeving voorkomen, te doen kennen.

Het Ministerieel Departement van de Hervormde Eerdienst staat in onmiddellijk verband met de Kerkbesturen, — vooral met de Synode (3). Het kan alle


(1) Zie Ypey en Dermout, Gesch. der Nederl. Herv. Kerk, IV. 603, 663.
(2) Zie Broes, Kerk en Staat, IV. 1., bl. 90, 139.
(3) Alg. Regl., Art. 21.

|242|

voorstellen inleveren aan de Synode; ontvangt alle voordragten voor den Koning en alle Reglementen ter sanctie, en voert alle koninklijke verordeningen en bepalingen bij de Kerk uit. De Directeur-Generaal, of het Hoofd van het Ministeriëel Departement, geassisteerd, zoo hij wil, door zijn Secretaris, woont de Synodale Vergadering bij; niet om daarin te praesideren, of als Lid zitting te hebben, noch om eenigerlei gezag op de Synode uit te oefenen, noch om over leerstellige zaken te oordeelen, of veranderingen te provoceren, maar alleen om te waken voor de belangen van den Staat, en de waardigheid dier Vergadering (1).

Door hetzelve worden alle Staats-kerkelijke en administrative werkzaamheden geregeld. Gelijk alle Synodale Reglementen door den Koning gesanctioneerd worden, zoo verleent het Ministerie visa aan alle overige belangrijke Synodale, naar buiten werkende, Verordeningen en Besluiten. Maar dit visa is van de koninklijke sanctie geheel onderscheiden, daar hetzelve niet dient om de Staatsgoedkeuring over die bepalingen in te roepen, maar alleen ten bewijze, dat daarvan wordt kennis genomen bij het Ministerie. Doch deze kennisneming kan zich nimmer tot het veto uitstrekken (2). — Het Ministerie verdeelt en regelt


(1) Alg. Regl., Art. 23, en zie voorts boven bl. 88, en Antwoord van den Comm.-Gener. aan de Klasse van Amsterdam, b.a. bij v.d. Tuuk, II. 148, 149.
(2) Zie Koninkl. Besl. omtrent de naar buiten werkende Synodale Resolutiën, d.d. 4 Junij 1818, n. 8, bij v.d. Tuuk, Handb. t.a.p. bl. 155.

|243|

ook de van ’s landswege uitbetaalde gelden, de grensscheidingen der Klassen en derzelver verdeeling der Ringen (1). — Het verleent in ’s Konings naam dispensatie der Artikelen 35b, 53, 55 van het Reglement op de Vacaturen en Beroepingen, en der aanvragen om voortduring of verlenging van theologische en overige akademie-gelden (2).

Uitgestrekt is daardoor de correspondentie van het Ministeriëel Departement met de onderscheidene Collegien van Kerkbestuur. — Het ontvangt van dezelven Rapporten, Verslagen, Voorstellen, Copijen, Berigten en Opgaven omtrent het meest belangrijke, dat of in het personeel, of in geldelijke aangelegenheden plaats heeft. Het approbeert daar, waar zulks door den Koning aan het Ministerie is opgedragen, en beslist vaak daar, waar de Staat moet beslissen; zoowel als bij beklag over uitspraken van kerkelijke Collegiën (3).

Zoo ontvangt hetzelve van de Provinciale Kerkbesturen jaarlijks verslag der tot de Synode benoemde


(1) Alg. Regl., Art. 30 en 36, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 12, 14, nevens de afzonderlijke Besluiten ter uitvoering dezer Artikelen, te zijner plaatse te vermelden — Alg. Regl., Art. 52, 54.
(2) Koninkl. Besl. nopens de beschikking over eenige punten door de Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk, d.d. 22 Nov. 1829, n. 99, en dito 17 Dec. 1831, n. 29, nevens Minister. Aanschr. omtrent het laatste, d.d. 31 Dec. 1831.
(3) De meeste dezer bepalingen komen voor in het Algem. Reglement. Andere zullen bij de behandeling der onderwerpen zelve: als Kerkvisitatie, examen, enz. nader vermeld worden.

|244|

Leden, en ook der benoemde Leden, die niet tegenwoordig zijn kunnen, — en van de werkzaamheden der Ringsvergaderingen (1) — en een gebijzonderd verslag van den afloop der Examina van Candidaten; — het ontvangt de Provinciale Reglementen, om die den Koning ter sanctie aan te bieden. Het onderscheidt de Provinciale Kerkbesturen in derzelver werkzaamheden, en staat daardoor in velerlei betrekking met dezelve (2).

Onmiddellijk correspondeert het Ministeriëel Departement met de Klassikale Besturen, en komt met dezelven in velerlei aanraking, vooral in de zaak van beroepingen en vakaturen; waarin de Klassikale Besturen berigt geven der ontstaande vakaturen, handopening vragen, die, twijfelachtige gevallen uitgezonderd, door het Ministerie verleend wordt, en berigten omtrent de vertraging van beroeping, zoowel als der bevestiging. Het adviseert den Koning over de mogelijkheid der combinatie of suppressie van Gemeenten en de vervulling der vakaturen (3). — Maar niet minder correspondeert het in geldelijke aangelegenheden, zoowel der kinder-, school- en akademiegelden en weduwenbeurzen,


(1) Zie Provision. Regl. van Orde voor de Synode, 8 Julij, 1816, bij v.d. Tuuk, I. 29. — Alg. Regl., Art. 83.
(2) Regl. op het Examen, 1831, Art. 36. — Zie de Hand. der Synode, 1831, bl. 181. — Alg. Regl., Art 42. — Instructie voor de Provinc. Bestur., 31 Oct. 1816, bij v.d. Tuuk, I. 35.
(3) Circulaire omtrent de Correspondentie, 9 Aug. 1816, bij v.d. Tuuk, I. 176. — Regl. op de Vakaturen, — en b.a. Besluit omtrent de Combinatien, bij v.d. Tuuk, I. 360.

|245|

als der klassikale quota’s en klassikale kas; in welker verdeeling, inning, regeling, wanbetaling de betrekking van beider werkzaamheid vereischt wordt (1).

Daarenboven zenden de Klassikale Besturen aan het Ministerie jaarlijks verslag in van de werkzaamheden der Ringsvergaderingen, — kopij van het verslag omtrent de Kerkvisitatie, — en aanvrage om goedkeuring op de provisioneele aanstelling van klassikale Scriba’s en op de veranderingen in de grensscheidingen der Klassen in Ringen, — en berigt van de veranderingen in het personeel van de Bestuurders der Ringsvergaderingen (2).

In gelijke betrekking, als met de Provinciae en Klassikale Besturen staat het Ministeriëel Departement met de Waalsche Commissie, die de plaats der Provinciale en Klassikale Besturen vervangt. — Maar naauwer is de betrekking met de Provinciale Collegiën van Toezigt op de kerkelijke administratie der goederen en fondsen, gelijk zulks afzonderlijk is aangewezen (3).


(1) Zie het Regl. op de klassikale kosten, nevens de daarop gevolgde Dispositiën, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 273, 314; II. 71; III. 256. — Regl. op de Weduwenbeurs, b.a.
(2) Alg. Regl., Art. 83. — Reglem. op de Kerkvisitatie, Art. 22, bij v.d. Tuuk, III. 142. — Besluit omtrent de benoem. van Leden voor kerkel. Bestur., 6 Jan. 1818, Art. 8, bij v.d. Tuuk, I. 217. — Alg. Regl., Art. 54. — Circulaire omtrent de opgave van de veranderingen in het Personeel van de Bestuurders der Ringsvergader., 7 Sept. 1822, bij v.d. Tuuk, II. 129.
(3) Zie b.a. Bepaling. omtrent de Waalsche Kerken — en de Reglem. op de kerkel. administratie, b.a.

|246|

Ook met de Kerkeraden correspondeert het Ministeriëel Departement onmiddellijk in de bijzondere gevallen, die tot beider beheer behooren, of wel tot den Staatsinvloed op de bijzondere Gemeenten (1).


(1) Circulaire, b.a. bij v.d. Tuuk, I. 176.