§ 31.
Ringsvergaderingen.

Is elke Klasse in Ringen ingedeeld (1), er zijn bij de organisatie onzer Kerk ook Ringsvergaderingen of bijeenkomsten van de Predikanten der Ringen ingesteld (2). Deze liggen wel buiten de grenzen van ons Kerkbestuur, daar zij geen collegie van Bestuur uitmaken (3), maar zij zijn toch opgenomen in het Algemeen Reglement op het bestuur onzer Kerk, en aan dezelven zijn tevens bepaalde werkzaamheden opgedragen, welke voor het bestuur der Gemeenten, vooral van vacaturen, van belang zijn.

Zij bestaan uit al de Predikanten van den Ring, die door het Algemeen Reglement „opgewekt worden,


(1) Zie boven, bl. 71.
(2) Alg. Regl., VI Afd., Art. 80-83.
(3) Ald. Art. 80.

|117|

om bepaalde zamenkomsten te houden,” naar verkiezing geregeld, zoo wel wat het getal derzelver, als den tijd en de plaats der bijeenkomst betreft (1). Zij kiezen bijmeerderheid uit hun midden een Praetor en Scriba (2).

Het hoofddoel dier bijeenkomsten is grootendeels zedelijk-godsdienstig. Zij strekken ter onderlinge opscherping der Predikanten en ter versterking van den band der broederlijke liefde. Daartoe verbinden zij de naburige Predikanten, en kunnen bij hen een gepast hulpmiddel zijn tot aankweeking niet alleen van die broederliefde, maar ook van ambtsijver, wetenschappelijke vorming en godsdienstigen zin, zoowel onder de Leeraren zelve, als ter bevordering van denzelven in de Gemeenten, aan hunne zorg toevertrouwd (3). Hierdoor kan deze instelling zeer weldadig werken. Worden zij wél ingerigt, geregeld gehouden en verbonden met wetenschappelijke of herderlijke werkzaamheden, dan zijn zij in staat het gemis van onderlinge vereeniging te vergoeden, beter dan talrijke vergaderingen doen kunnen.

Behalve deze vrijwillige werkzaamheden zijn aan dezelven door onze kerkelijke wetgeving eenige bepaalde werkzaamheden opgedragen: als de zorg voor de


(1) Art. 81 en Dispositie op de eerste Ringsvergaderingen, 15 Maart 1816, Art. 13, bij v.d. Tuuk, Handb. I. 112, alwaar men de eerste Installatie der Ringsvergaderingen vermeld vindt.
(2) Alg. Regl., Art. 81. — Circulaire over de Opgave der Praetoren en Scriba’s, bij v.d. Tuuk, t.a.p. II. 129.
(3) Ald. Art. 82.

|118|

vervulling der vacaturen (1), vooral ook in het jaar van gratie (2), — het geven van „mededeelingen en beraadslagingen over den toestand van het godsdienstig onderwijs in hunne Gemeenten, ten einde dit belangrijke vak van hunne dienst op de beste wijs te bevorderen (3)”, — de verdeeling der Ringsgelden en bepalingen daaromtrent (4), — de uitbetaling der jaarlijksche contributie voor het weduwenfonds in vacaturen van Gemeenten, alwaar geen tractement uit ’s lands kas wordt genoten (5), — de behartiging van de onderlinge belangen der Gemeenten, ook door voorstellen aan het klassikaal Bestuur in te leveren (6), — het houden van Notulen en inleveren van een jaarlijksch verslag van derzelver verrigtingen aan klassikale Moderatoren, door welken hetzelve aan het Provinciaal Kerkbestuur en Ministeriëel Departement verzonden wordt (7).


(1) Reglem. op de Vacaturen, Art. 6, 8, 17, 18, 21, 22.
(2) Koninkl. Besl. op het jaar van gratie, 9 Julij 1814, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 387.
(3) Regl. op het Godsd. Onderwijs, Art. 34, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 323.
(4) Regl. op de Vacaturen, Art. 19, 23, b.a. — Circulaire over de verdeeling der Ringsgelden, 29 Julij 1822, bij v.d. Tuuk, II. 120. — Bepal. omtrent de administratie der Pastorie Goederen van vacante Gemeenten, 13 Oct. 1824, bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 169-171.
(5) Regl. voor het algemeene Weduwenfonds, Art. 15, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 485.
(6) Synodaal Besluit, 25 Julij 1816, in de Hand. der Synode, 1816, bl. 74. — Circulaire omtrent de kerkel. Correspondentie, 9 Aug. 1816, bij v.d. Tuuk, I. 173.
(7) Alg. Regl., Art. 83.

|119|

Aldus kunnen ook deze Ringsvergaderingen, inzonderheid ten platten lande, alwaar de ontmoeting der Leeraars van verschillende Gemeenten anders dikwerf minder zou plaats hebben, een bewijs opleveren voor de zedelijke strekking van het kerkelijk genootschap.