§ 26.
Vroegere Synodale Commissiën.

Uit de werkzaamheden der Synode ontstonden allengs Synodale Commissiën, die met zoodanigen tak van beheer, zorg, uitvoering of raadpleging belast waren, welke niet gedurende de zittingen der synodale vergaderingen konden afgedaan worden, maar na het scheiden der Synode duurzamer werkzaamheid vereischten. Zij waren uitvloeisels der Synode.

Behalve die Commissiën, welke meer dan eens ter Synode benoemd werden, om in de vergadering des volgenden jaars te berigten, zijn er vroeger twee Commissiën benoemd, aan welke bestendige werkzaamheden werden opgedragen; doch als synodale Commissiën zijn zij naauwkeurig te onderscheiden van die Collegiën van bestuur, welke mede den naam van Commissiën dragen.

Zoo immers ontstond de synodale Commissie voor de binnenlandsche noodlijdende Kerken. — De ongunstige

|97|

toestand van vele Kerken en Pastorijen in Nederland deed reeds in 1821 een voorstel op de Synode inleveren ter vestiging van zulk een fonds. Hierover werd gehandeld en door de benoemde Commissiën op volgende Synoden rapport uitgebragt, tot dat in 1826 eene afzonderlijke Commissie werd ingesteld. — Ter vestiging van een bijzonder fonds daartoe werden jaarlijksche bijdragen verzameld. De Commissie deed jaarlijks ter Synode rekening en verantwoording van het besteden der gelden, door de Synode toegestaan en verordend. — Deze Commissie bestond van 1826 tot 1828, toen dezelve werd overgedragen aan de algemeene synodale Commissie (1).

Er bestond eveneens gedurende eenigen tijd eene Commissie van Correspondentie. — De klagten van het Provinciaal Kerkbestuur van Limburg, wegens de pogingen der Roomsch-Katholieken tot proselytenmakerij, vooral bij gelegenheid van ongelijke huwelijken tusschen Protestanten en Roomschen, gaven aanleiding tot bedachtzame, echt christelijke, waakzaamheid en zorg voor de belangen der Hervormde Kerk. Er werd eene Synodale Commissie van Correspondentie gevestigd en aangesteld, „welker hoofddoel zijn moest, zooveel mogelijk te zorgen, dat de algemeene belangen der Protestantsche Kerk niet benadeeld werden door den onmatigen godsdienstijver


(1) Zie Handel. der Synode, 1821, bl. 41, 63; — 1822, bl. 42; — 1826, bl. 44, 115, 116; — 1828, bl. 37, 58. De Rapporten der Commissie ter Synode ingebragt in 1827, in de Hand. der Synode, 1827, bl. 26 volg.; — 1828, bl. 21-37, vgl. met bl. 58.

|98|

der Roomschgezinden.” Uit deze Commissie, in 1824 gevormd, werd eene Centrale Commissie van Correspondentie benoemd, uit de in en bij ’s Hage wonende Leden der Synodale Commissie, en voor dezelve een Instructie gearresteerd (1).

De werkzaamheden bepaalden zich tot correspondentie met de Kerkbesturen of de Correspondenten; tot het houden van ten minste vier vergaderingen des jaars in ’s Hage; — tot assumtie van Leden der overige Protestantsche Kerkgenootschappen, die tot de Commissie van Correspondentie zouden benoemd worden, in welk geval deze zou werkzaam zijn als algemeene Protestantsche Commissie van toezigt, terwijl alsdan aan de centrale Commissie werd overgelaten de behoorlijke maatregelen voor haar Kerkgenootschap te nemen. — Zij zou de pogingen begunstigen der Protestantsche Maatschappij tot bevordering van welstand, of ook van andere gelijksoortige Maatschappijen. — Vooral werd haar opgedragen te letten op het getal der geloofsveranderingen van Roomsch-Katholieken en Protestanten wederkeerig (2).

Ook deze Commissie verrigtte hare werkzaamheden tot in 1827, toen dezelve werden overgedragen aan de vaste Synodale Commissie, en zij als afzonderlijke Commissie werd ontbonden (3).


(1) Handel. der Synode, 1824, bl. 76; — 1825, bl. 55.
(2) Instructie der centrale Commissie, te vinden in de Hand. der Synode, 1825, bl. 49-51, 55, vgl. met de Hand. 1824, bl. 76, 77; — en 1825, bl. 54. n. 2.
(3) Hand. der Synode, 1828, bl. 63, 69. — Zie de jaarlijksche Rapporten der Commisse aan de Synode in de Handel. t.a.p. ➝

|99|

De beide Commissiën voor de Waalsche Kerken en voor de Oost-Indische Kerkzaken, geene Synodale Commissiën zijnde, maar Collegiën van bestuur, behooren niet hier ter plaatse.


➝ 1825, bl. 47-56; — 1826, bl. 14-20; — 1827, bl. 50-64; — 1828, bl. 44-49.