|14|

 

Hoofdstuk III.

Het hedendaagsche Kerkregt der Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo als het bij voortgaande regelmatige ontwikkeling worden moet.

 

§ 1.
Beoordeeling van de beginselen, die bij ons hedendaagsche Kerkregt ten grondslag liggen.

Zij zijn drieërlei:

a. Het beginsel van vrijheid der Kerk, met betrekking tot den Staat.
b. Het beginsel van de zelfstandigheid der kerk, met opzigt tot haar bestuur.
c. Het beginsel van Presbyteriaal-Synodaal kerkbebestuur, met handhaving van de gelijkheid der kerkedienaren onderling.

 

§ 2.
Onderzoek naar de bestaande (werkelijke of vermeende) gebreken en leemten, vooral met opzigt tot de toepassing der beschreven beginselen.

a. Met opzigt tot de erkende vrijheid der kerk komt hier in aanmerking:

1. De afhankelijke toestand, waarin de Oost-en West-Indische kerken nog verkeeren.

|15|

2. De betrekking, waarin de godgeleerde Faculteiten aan de drie hoogescholen staan tot de kerk.
3. De verhouding, die er is tusschen de kerkelijke armenzorg, door middel van diakenen, en de burgerlijke, zooals zij bij de wet op het Armbestuur geregeld is.
4. De administratie der kerkelijke gebouwen en fondsen, in betrekking tot het bestuur der kerk.

b. Met opzigt tot het kerkbestuur verdient hier overwogen te worden:

1. De regtstreeksche benoeming van de leden des kerkeraads door de gemeente, volgens Alg. Regl. art. 23.
2. Het getal van ouderlingen (en diakenen?), zitting hebbende in de collegiën van kerkbestuur.
3. De benoeming van de leden der collegiën van kerkbestuur door de klassikale vergaderingen.
4. Het examineren van de kandidaten tot de h. dienst door de respectieve Provinciale kerkbesturen.
5. De zamenstelling der Algemeene Synode.
6. De algemeene Synodale Commissie.

c. Met opzigt tot allerlei andere belangen moet hier gelet worden op:

1. De bestaande behoefte aan vermeerdering van het getal der leeraars en godsdienstonderwijzers in de gemeente en aan verhooging van hunne bezoldigingen.
2. Het al of niet verbindend gezag der kerkleer, uitgedrukt in hare aangenomen formulieren van eenigheid.
3. Den staat van het schoolonderwijs, in verband met de uitvoering der wet op het lager onderwijs.
4. De middelen tot opwekking van het kerkelijk leven in de gemeente.

|16|

5. Het bestaan en de werking van verschillende genootschappen en vereenigingen tot bevordering van Christelijke belangen.
6. De betrekking der Nederlandsche Hervormde kerk met buitenlandsche kerken.

 

§ 3.
De weg, die tot verbetering en volmaking leidt.

 

BESLUIT.