66
3,129-138
01-09-1966

|129|

De ambtsopvatting der Reformatie onder kritiek

 

I

Onlangs heeft Dr. R. Boon een werk gepubliceerd1), waarin de ambtsopvatting van de Reformatie, met name van die beïnvloed door Bucer en Calvijn, in geding wordt gebracht. Dit werk heeft recht op meer dan gewone belangstelling. Aan de auteur komt de verdienste toe een uiterst gewichtig onderwerp aan de orde te hebben gesteld; een onderwerp, dat gerekend mag worden tot de actuele oecumenische kwesties, die dringend om een oplossing vragen; een onderwerp ook, dat in Nederland tot dusver in de theologische discussie al te zeer werd veronachtzaamd.

Door aan het boek hier een artikel te wijden, dat zich niet wil beperken tot een blote weergave van zijn inhoud en al evenmin opgaat in een betuiging van onverdeelde instemming er mede, loop ik de kans te vallen onder een bij voorbaat door de auteur uitgesproken oordeelvelling. Deze komt voor in een zinsnede, die te merkwaardig is om niet even letterlijk te worden aangehaald. Zij luidt als volgt: „Ik ben mij ervan bewust, dat de conclusie van deze studie een steen des aanstoots zal zijn voor velen in het kamp der Reformatie. Ik verwacht dan ook, dat er in dat kamp zullen zijn die op mijn conclusie slechts affectief en negatief vermogen te reageren. Want door hun vooringenomenheden kunnen zij in de resultaten van dit onderzoek alleen maar een poging zien om het voor hen sacrosancte geheel van de presbyteriale kerkstructuur te ondergraven ... Anderen zullen minder openlijk hun onbehagen ventileren. Zij zullen echter onmiddellijk trachten met het dynamiet van hun kritiek de gevolgtrekkingen van ons onderzoek weg te blazen ... Na hun kritiek op een bepaald detail te hebben gespuid, zullen zij menen de resultaten van dit onderzoek met een gerust gemoed naast zich neer te kunnen leggen” (207). Een auteur, die over eigen werk meent te


1) Dr. Rudolf Boon, Apostolisch ambt en Reformatie. Primair probleem der Oecumene. Nijkerk, G.F. Callenbach N.V., 1965 (227 blz.). Cijfers in de tekst van mijn artikel verwijzen naar de bladzijden van dit boek.

|130|

moeten spreken in dergelijke termen, maakt het zijn eventuele critici niet gemakkelijk. Slechts door aan te nemen dat verschillende woorden in de geciteerde uitlating niet zo stringent bedoeld zijn als zij in feite luiden, kan iemand het wagen tegenover hem in het krijt te treden.

In een „Inleiding” geeft de schrijver een nadere begrenzing van het door hem behandelde onderwerp. Hij wil niet bieden „een proeve van een ambtstheologie van oecumenische allure”; hij bepaalt zich tot „een theologisch-historisch onderzoek naar de oorsprong en de ontwikkeling van het apostolisch ambt in de kerk” (16). Afgezien heeft hij van een opzettelijke weergave van de diverse standpunten, welke ter zake worden aangetroffen. Aan de hand van de bronnen heeft hij evenwel zich een zelfstandig oordeel trachten te vormen. Daarbij is door hem, gelijk hij constateert, Calvijns werkmethode gevolgd. Dit wil zeggen dat uitgegaan wordt van de gegevens, die de Heilige Schrift en de vroege kerk opleveren inzake ambt, apostelschap, traditie en successie. Het zo verkregen materiaal wordt vervolgens gebruikt om het door de Reformatie gehuldigde standpunt aan een kritische beschouwing te onderwerpen. Daarbij ontvangen vooral aandacht de ambtsopvatting van Bucer en die van Calvijn alsmede de ambtenleer in de gereformeerde symbolische geschriften. Dit onderzoek heeft de auteur geleid tot „de overtuiging van de onhoudbaarheid van de presbyteriaal-synodale positie, een overtuiging welke nog werd versterkt door ervaringen die doen vermoeden, dat met een presbyteriaal-synodale structuur de kerk onmachtig zal blijken te beantwoorden aan haar opdracht op de juiste wijze het ‘tradere Christum’ te volbrengen in de maatschappij van vandaag en morgen” (222).

De stof in het boek is over twee hoofdstukken verdeeld. Het eerste is getiteld: Apostolische traditie, het tweede: Episcopaat en reformatorische ambtsbeschouwing. Daarna volgt nog een Besluit, van ruim tien bladzijden, dat zich aandient als: Reformatorische bijdrage aan het oecumenisch beraad, en in feite neerkomt op een samenvatting van het ingestelde onderzoek. Het register aan het eind heeft alleen betrekking op de namen van personen, met inbegrip van de name van auteurs wier geschriften in het boek worden vermeld, dit met uitzondering van Dr. Boon zelf2).


2) Waarom in het register alle personen uit de vroege kerk een nadere ➝

|131|

De titel van het boek doet reeds enigermate het standpunt van de auteur uitkomen. Met het apostolisch ambt is voor hem geheel annex het apostolisch episcopaat. Deze laatste term keert telkens terug. Hij geeft de kernvraag aan, welke niet enkel de kerken met een episcopale structuur, maar evenzeer die van presbyteriale of congregationalistische orde zich hebben te stellen. Want haar eigen wezen is onmiddellijk betrokken bij de apostoliciteit der kerk (9). Het zal geen nader betoog behoeven, dat het hier ingenomen standpunt nauwe verwantschap vertoont met dat van J.M. Gerritsen3), naar wie de auteur dan ook niet nalaat te verwijzen.

 

II

Over het geheel getuigt het werk van een uitvoerig en grondig onderzoek, door de schrijver ingesteld op de gebieden, die hij moest betreden voor het verkrijgen van zijn resultaten. Met de constructie er van heeft hij echter blijkbaar enige moeite gehad. De sporen van dat tastend werken laten zich hier en daar nog bemerken. Reeds in het eerste hoofdstuk over apostolische traditie treffen wij een paragraaf aan met het opschrift: Episcopaat en successie in de kritiek der Reformatie (76). Terwijl in deze paragraaf vooral aandacht wordt geschonken aan Calvijn, komt in het tweede hoofdstuk, dat opzettelijk het episcopaat tot thema heeft, in het bijzonder Bucer aan de orde. Dit gebeurt dan in een paragraaf, die tot titel heeft: Het apostolisch ambt en de Reformatie (157), welke titel, afgezien van het bepalend lidwoord, overeenstemt met die van het gehele boek. Ten onrechte zegt de auteur in het tweede hoofdstuk dat hij een aanvang wil maken met zijn onderzoek naar de gegevens over het apostolisch ambt bij de vroege patres (117). Want reeds in het eerste hoofdstuk heeft dat onderzoek hem beziggehouden, toen hij een afzonderlijke paragraaf wijdde aan de apostolische successie (66).


➝ aanduiding krijgen, ook Augustinus, bisschop van Hippo, en Origenes en Chrysostomus niet, ontgaat mij. Er zijn meer van dergelijke onevenredigheden. Ook vinden wij afzonderlijk Silas en Silvanus, beiden als apostel, genoemd, trouwens ook in de tekst van het boek zelf (61), waar in de noot de opgave van de Bijbelplaats ook niet correct is.
3) J.M. Gerritsen, Het apostolisch ambt. Amsterdam, Holland, 1953. In de serie: Hervorming en Catholiciteit II.

|132|

Correcter drukt hij zich dan ook uit,  wanneer het tweede hoofdstuk begint met deze zinsnede: „In onze uiteenzetting van het apostolisch ambt binnen het kader van de apostolische traditie — in het eerste hoofdstuk — zijn ons reeds belangrijke facetten van het episcopaat onder ogen gekomen. Wij willen dit hoofdstuk reserveren voor een verder gaand onderzoek naar de oorspronkelijk(e) betekenis van het bisschopsambt” (102).

Om de genoemde redenen kan ik de verdeling en de opbouw van de stof niet bewonderen. Ook lijkt mij de gevolgde methode om aan de litteratuuropgaven, zij het dan gezet met kleinere letter, een plaats te bieden in de tekst (41-46, 102-104, 158-163), waardoor deze dus wordt onderbroken, geen navolging te verdienen.

Voor die opgaven zelf kan men de auteur niet anders dan erkentelijk zijn. Hem in dit opzicht gebrek aan volledigheid te gaan verwijten, zou stellig niet juist zijn. Wel is er reden tot de opmerking dat verwijzing naar goede bibliografische opgaven elders hem ruimte zou hebben bespaard. Hij zou zich dan hebben kunnen beperken tot het vermelden van het voornaamste en het recente materiaal, waarbij ik ook denk aan artikelen in diverse tijdschriften, die anders gemakkelijk aan de aandacht ontsnappen. Maar nu hij op een andere wijze is te werk gegaan, mag hem terecht worden verweten een bepaalde eenzijdigheid en onvolledigheid in de bedoelde opgaven. Terwijl het boek van J.A. Cramer over de Schrift bij Calvijn wel wordt genoemd (44), ontbreekt dat van D. de Groot. Naast Hooyers werk over de oude kerkordeningen (158) had de uitgave van F.L. Rutgers, die een betere tekst biedt, niet mogen ontbreken. Onder de boeken over bucer (161) missen wij dat van G.J. van de Poll over diens liturgische opvattingen. Ook de nieuwe uitgave van Bucers werken blijft ongenoemd, evenals de voortzetting van de uitgave der kerkordeningen door E. Sehling (158). Het belangrijk werk van W. Koehler over de kerkorde van Genève ontbreekt. En het boek van Bohatec staat gerubriceerd onder de werken, handelende over de verhouding van kerk en staat (159). In werkelijkheid behandelt het niet minder Calvijns kerkbeschouwing, en wel op zodanige wijze dat er geen overtuigende grond meer is voor het geven van voorkeur, gelijk Dr. Boon doet, aan het geschrift van K. Rieker.

Zo zou er nog meer zijn te noemen. Ook in ander opzicht is het de auteur niet gelukt oneffenheden en onnauwkeurigheden

|133|

te vermijden4). Ireneaus wordt gesteld na Hippolytus (21), die als zijn leerling bekend staat. De Confessio Tetrapolitana, in Straatsburg gaarne als Augsburgse confessie betiteld, ontvangt als jaartal niet 1530, maar 1534 (170). De brief aan Evagrius wordt op naam van Cyprianus gesteld (79), terwijl de auteur toch elders blijkt te weten dat het Hieronymus moet zijn (195). Terzelfder plaatse maakt hij in de aanhaling uit Calvijns Institutie niet voldoende onderscheid tussen wat op rekening komt van Cyprianus (juister Hieronymus) en van Calvijn  zelf. Ten onrechte wordt Straatsburg nog in de periode, waarin zich aldaar gemeenschappen vormen in de geest van Bucers ideeën, een centrum van sektariërs genoemd (183); die situatie uit de jaren dertig was toen afgelopen. Wanneer enkele passages aangehaald worden uit de Ziegenhainer Zuchtordnung (187, 188), had deze naar de beste editie van Uckeley geciteerd moeten zijn of had althans ook daarnaar verwezen moeten zijn5).

Fouten van dergelijke aard komen in een te groot aantal voor dan acceptabel geacht mag worden in een werk gelijk dit, dat met steun van de Nederlandse organisatie voor zuiver-wetenschappelijk onderzoek werd uitgegeven.

 

III

In het betoog van Dr. Boon komt een belangrijke, ja beslissende factor toe aan zijn opvatting omtrent het apostolisch ambt. Het is derhalve de vraag, of deze opvatting voldoende gefundeerd geacht kan worden en de door hem er uit getrokken conclusies een min of meer dwingend karakter vertonen, gelijk hij, blijkens de boven aangehaalde uitspraak, geneigd is aan te nemen.

Veel aandacht heeft hij besteed aan de ontwikkeling, die zich ter zake van het ambt in de vroege kerk heeft voltrokken. In dat verband houdt hij zich omstandig bezig met de betekenis, die aan de traditie moet worden toegekend. De mening als zou de Reformatie zich hebben gebaseerd op de Heilige Schrift als


4) Aan drukfouten ga ik voorbij. Soms is er een herhalen, zo wanneer gesproken wordt over de eenheid in het episcopaat bij Cyprianus (128 en 126 noot). Bij het formuleren van de stelregel: Reformatio locuta, causa finita (12), is er niet gelet op het gebruiken van de juiste naamval.
5) Die Kirchenordnungen von Ziegenhain und Kassel 1539. In ursprünglicher Form dargeboten und erläutert von D. Alfred Uckeley. Marburg, 1939.

|134|

enige en afdoende norm voor geloof en leven, wordt afgewezen. Naast de Schrift heeft voor haar in niet mindere mate de traditie meegeteld. Het is deze overweging, welke Dr. Boon doet zeggen dat hij bij zijn eigen onderzoek geheel naar Calvijns methode is te werk gegaan.

De betekenis van de traditie in deze zin wil ik niet ontkennen. Aan het beroep op de situatie en de ontwikkeling in de vroege kerk zullen wij een bepaalde waarde moeten hechten. Maar met deze erkenning is nog geen beslissing gevallen over de verhouding, die wij ons hebben te denken tussen Schrift en traditie. Het is de vraag, of het beroep op de Bijbel en dat op de traditie als gelijkwaardig moeten worden beschouwd, dan wel of het een aan het ander ondergeschikt behoort gemaakt te worden. Op deze kwestie wordt in het onderhavige boek niet opzettelijk ingegaan. Ook ik wil haar hier slechts terloops memoreren. Verder kan zij hier zonder overwegend bezwaar in het midden worden gelaten, omdat toch op dit punt niet de beslissing blijkt te vallen. Want de auteur heeft zijn opvatting omtrent het ambt, althans wat de wezenlijke trekken er van betreft, onmiddellijk op de Heilige Schrift zelf gebaseerd.

Wel stemt hij toe, dat in bepaalde opzichten de nieuwtestamentische gegevens uiterst fragmentarisch en weinig omlijnd zijn, zodat het ons nooit gelukken zal dienomtrent een duidelijk beeld ons te vormen (101). Maar hetzelfde geldt niet met betrekking tot het apostolisch ambt, gelijk dit door hem wordt geschetst en verstaan niet alleen van de apostelen zelf, maar eveneer van degenen die de aan de apostelen verleende opdracht in en voor de kerk moeten overnemen en voortzetten. Over het apostolisch karakter van het ambt bestaat voor hem geen twijfel: „Het moet ons duidelijk zijn geworden, dat zowel van de schriftgegevens uit bezien alsmede volgens het gevoelen der vroege christenheid door de opvolging der bisschoppen en zo door het blijvend fungeren der apostelen in de kerk de vertegenwoordiging van Christus door zijn apostelen bestendigd blijft” (130).

De stelligheid waarmee deze opvatting wordt voorgedragen, ontmoet bij mij bedenking. Het is er ver vandaan, dat zij de algemene instemming zou hebben van de geleerden, die zich op het desbetreffende gebied bewegen. Een goed voorbeeld levert in dit opzicht het bekende boek van Eduard Schweizer6).


6) Eduard Schweizer, Gemeinde und Gemeindeordnung im Neuen Testament. Zürich, 1959.

|135|

Merkwaardigerwijze komt dit boek niet voor in de bibliografische opgaven bij Dr. Boon en heeft deze ook nergens eigen opvatting tegenover diens standpunt trachten te rechtvaardigen. Het mag dan zo zijn, dat hij er van heeft afgezien een overzicht te bieden van de diverse opvattingen over het ambt. Hij kon zich daarom evenwel niet ontheven achten van de taak, rekening te houden met anderer opvattingen, voorzover deze een serieus-wetenschappelijk karakter dragen, en daartegenover het goed recht van eigen opvatting in het licht stellen.

Schweizer nu is, op grond van het door hem ingestelde onderzoek, van oordeel, dat men niet met recht van een apostolische successie kan spreken; dat er niet is geweest een overdragen van de apostolische volmacht; en dat het apostolaat niet „in einer besonderen, von anderen Diensten abgehobenen Weise” bij opvolgers van de apostelen voortgang heeft gekregen7). Het behoeft geen nader betoog, dat deze conclusies lijnrecht staan tegenover die van Dr. Boon.

Voorts zou ik mij willen beroepen op het recente werk van J. Roloff. Deze heeft een diepgaand onderzoek ondernomen naar de betekenis van het apostelschap in het Nieuwe Testament8). Natuurlijk kan het aan Dr. Boon niet euvel worden geduid, dat hij er niet kennis van heeft genomen noch het vermeld heeft. Het boek is ongeveer tegelijk met dat van hemzelf gepubliceerd. Toch kan ik het niet nalaten er op te attenderen, omdat de schrijver met hetzelfde materiaal heeft gewerkt en blijkt tot minder ver gaande en meer genuanceerde conclusies te zijn gekomen. Dat men in de wordende kerk de sjaliach als vaststaande grootheid zou hebben gekend, gelijk Dr. Boon aanneemt, wordt hier tegengesproken. Ook zouden de apostelen eerst in een later stadium dan waarover het Nieuwe Testament loopt, tot „Garanten der hierarchischen Ordnung der Kirche” zijn geworden9).

Ik moet met deze weinige opmerkingen volstaan. Naar mijn mening bieden de nieuwtestamentische gegeven geen voldoende grond voor een zo gesloten ambtsopvatting als door Dr. Boon en anderen wordt voorgestaan. Zij laten een bepaalde ruimte en vrijheid bij de inrichting en organisatie van de kerk alsook voor


7) a.a.O., S. 192-200.
8) Jürgen Roloff, Apostolat-Verkündigung-Kirche. Ursprung, Inhalt und Funktion des kirchlichen Apostelamtes nach Paulus, Lukas und den Pastoralbriefen. Gütersloh, 1965.
9) a.a.O., S. 272-275.

|136|

de wijze van functionering van het ambt in de kerk10). Op dit standpunt behoeft ook de ontwikkeling, welke ten opzichte van het ambt in de vroege kerk heeft plaats gehad, niet zonder meer legitiem geacht te worden en kan zij zeker niet aangemerkt worden als een vaste norm voor alle volgende perioden.

 

IV

Gelijk reeds werd aangestipt, meent Dr. Boon te moeten spreken van de onhoudbaarheid van de presbyteriaal-synodale positie. Volgens hem ontbreekt zowel bij ouderlingen (199) als bij diakenen (136) het kenmerk der apostoliciteit. Een ambt in de oorspronkelijke zin van apostolisch ministerium zouden zij niet vervullen. Vandaar dat elke apostolische volmacht hun vreemd geacht moet worden. De ambten van ouderling en diaken zouden de schriftuurlijke basis missen en opgekomen zijn uit het algemeen priesterschap der gelovigen. En wat Calvijn betreft, deze zou geheel ten onrechte als de vader van de presbyteriale kerkstructuur zijn voorgesteld (201). Hij zou juist het tegendeel van zo iets hebben beoogd: „Zijn ambtsopvatting is veeleer diametraal tegenovergesteld aan een presbyteriale structuur, daar zij een uitgesproken episcopaal karakter draagt”. „Zijn visie op het ambt van herder en leraar — vooral in verhouding tot de zeer secundaire functies welke hij de ‘anciens’ toemeet — wijst onmiskenbaar eerder in de richting van een episcopale kerkstructuur, dan naar die van het presbyterianisme. De Verbi divini minister is bij Calvijn een uitgesproken episcopale figuur; hij is de bisschop van de lokale kerk” (82) 11).


10) Zie ook H. Ridderbos, Paulus. Ontwerp van zijn theologie. Kampen, 1966, blz. 532 vlg.
11) In dit verband is het interessant te wijzen op het boek van Leopold Schummer, Le ministère pastoral dans l’Institution chrétienne de Calvin à la lumière du troisième sacrement. Wiesbaden, 1965. Volgens hem heeft Calvijn eigenlijk het sacrament van de ordinatio bestendigd. Zijn stelling luidt: „La consécration-ordination est un sacrement, qui dédie le ministre à Dieu et l’introduit dans l’office apostolique. Seuls les successeurs des Apôtres reçoivent ce sacrement”. Deze opvatting ligt geheel in de lijn van het door Dr. Boon gevoerde betoog; vgl. blz. 92: „Ondanks het betoog, dat de successie doctrinae een successio personarum niet vereist, bleef in de praktijk binnen de Reformatie de band tussen beide gehandhaafd in het hardnekkig voortbestaan van de oplegging der handen bij de ordinatie van een dienaar. De ontkenning van een sacramentum ordinis, de afwijzing van ‘rooms mechanisme’ in de ambtsopvolging en de nadruk op het charismatisch karakter van deze opvolging tegenover juridische en formele ➝

|137|

Wat in dit verband door Dr. Boon naar voren wordt gebracht, is ongetwijfeld belangwekkend. Ook valt uit de door hem geoefende kritiek veel te leren. Met heel wat daarvan zullen wij zelfs niet anders dan onze instemming kunnen betuigen. Het is mij evenwel niet mogelijk de hoofdteneur er van tot de mijne te maken, met name voor wat betreft de beoordeling van Calvijn. En tot het maken van enkele opmerkingen op dit zeer aangelegen punt wil ik mij voor het ogenblik bepalen.

Ik stem toe dat het niet aangaat Calvijn verantwoordelijk te stellen voor alle elementen, die als kenmerkend worden beschouwd voor een presbyteriaal-synodale inrichting van de kerk. De historische ontwikkeling heeft daartoe het hare bijgedragen. Nog minder mag men op zijn rekening brengen allerlei vervormingen en afwijkende constructies, welke onder invloed van congregationalistische denkbeelden in de eeuwen sedert de Reformatie ingang hebben gevonden. Maar hem om deze redenen het vaderschap van de bedoelde ambtsopvatting te ontzeggen, gaat mij te ver. En het lijkt mij helemaal niet gerechtvaardigd hem te willen voorstellen als een overtuigd voorstander van een kerk met episcopale structuur.

Men kan zich ter verdediging van die opvatting ongetwijfeld beroepen op bepaalde uitspraken bij Calvijn. Het is echter de vraag, of met een dergelijke interpretatie wel recht wordt gedaan aan zijn standpunt als geheel genomen. In dit verband acht ik het zeer te betreuren, dat Dr. Boon, gelijk al werd opgemerkt, vooral Rieker heeft geraadpleegd en blijkbaar niet de moeite heeft genomen zich te verdiepen in het werk van Bohatec. Het is juist de verdienste van Bohatec, dat de bovenbedoelde uitspraken van Calvijn die niet schijnen te passen in het patroon van de presbyteriale structuur, hem niet zijn ontgaan en hij nu gepoogd heeft daarvoor een plausibele oplossing aan de hand te doen12).

Hij heeft zich daarbij gewacht voor de fout om de gegevens bij Calvijn, welke men steeds in presbyteriale zin heeft menen te moeten verstaan, ten gunste van die andere uitspraken min of meer te elimineren of buiten beschouwing te laten. Hij heeft


➝ ambtspretenties doen niets af aan het feit, dat ook in de Reformatie de traditie van het evangelie niet zonder de geregelde voortzetting van het apostolisch ambt kon worden verwezenlijkt”, zie ook blz. 186.
12) J. Bohatec, Calvins Lehre von Staat und Kirche mit besonderer Berücksichtigung des Organismusgedankens. Breslau, 1937, S. 470ff., vooral 495-500.

|138|

integendeel de aanwezigheid van twee groepen van gegevens naast elkander geconstateerd en elk van beide in haar volle waarde gelaten. De noodzaak van een keuze tussen een standpunt „unten in der Gemeinde” en een standpunt „oben über der Gemeinde” — hetzelfde verschil als tussen het afleiden van de ambten uit het algemeen priesterschap der gelovigen en dat uit het apostolisch episcopaat — wordt door hem afgewezen. Beide aspecten vinden hun eenheid in de opvatting van de kerk volgens Calvijn als „eine organisch-mystische Persönlichkeit”. Wij ontmoeten hier de „Organismusgedanke”, die volgens Bohatec aan heel het denken van Calvijn over kerk en staat ten grondslag ligt.

Deze interpretatie bevredigt veel meer dan de opvatting van Dr. Boon, die van grote eenzijdigheid getuigt. Het materiaal ten gunste van een presbyteriale opvatting bij Calvijn is overvloediger en krachtiger van strekking en inhoud dan hij het laat voorkomen. De traditionele voorstelling die hem het vaderschap daarvan toekent, is niet zo verwerpelijk. Ik herinner alleen nog aan de kerkorde, die de Gereformeerde kerk in Frankrijk in 1559 zich heeft gegeven en die in overeenstemming met Calvijn tot stand is gekomen. Het lijkt mij niet wel doenlijk haar een presbyteriale structuur te ontzeggen. Het moet opvallen dat Dr. Boon haar in zijn onderzoek niet heeft betrokken.