33
5,182-212
01-09-1932

|182|

Geen „napleiten”, maar een tijdig waarschuwen

 

 

Het verheugt mij in de discussie over mijn artikelen welke tevoren in dit tijdschrift verschenen, ook de stemmen van De Heraut en De Bazuin te hooren. Men schijnt wel liever blijkens sommige uitlatingen niet tot bespreking over te willen gaan en men neemt het dit Tijdschrift zelfs kwalijk, dat het mijn artikelen opnam (ik dacht altijd, dat het een eisch van ware wetenschap was om een zaak van alle kanten te bezien), maar men deed het dan toch. Daarvoor ben ik dankbaar.

Echter doet het mij leed, dat inzonderheid De Heraut, door de manier waarop de redacteur de zaak bespreekt, een vruchtbare discussie vrij wel onmogelijk maakt. Zal ik hem op den degen nemen, gelijk hij mij doet? Hij geeft er overvloedige gelegenheid toe. Zal ik iemand die meent met mij van meening te moeten verschillen met hoon en smaad overladen? In genoemde artikelen ware daarvoor verontschuldiging te vinden. Zal ik door handigheden en verkeerde voorstellingen mijn zaak zoeken te sterken? Ik vind er hier, helaas, onderscheidene voorbeelden voor1).


1) Behalve tal van verkeerde voorstellingen die ik later zal aanwijzen, moet ik er reeds hier op wijzen, dat de inhoud van de weinige regels om welker opname ik De Heraut verzocht en die door dat blad geweigerd werden, niet juist werd weergegeven in zijn „Naschrift” van 12 Juni. Ik klaagde niet over den scherpen toon van De Heraut (scherp zal ook ik soms zijn), maar ik schreef dat „de toon niet beantwoordde aan wat de Zaligmaker ons geleerd heeft”, waarmee vanzelf bedoeld werd de gulden regel, dat ik met een ander alzoo handele als ik wil dat men met mij zou handelen. En ik schreef ook niet van „citaten die niet juist zijn” (Heraut t.a.p.), maar dat „U citaten aanhaalt die de zaak niet raken, of dat U ze iets anders laat zeggen, dan zij zeggen” d.i. er meer uithaalt, of iets anders uithaalt dan er in ligt. Zie het bewijs verder op. Waarom niet de beleefdheid om de paar regels te plaatsen?

|183|

Ik zal dit alles echter niet doen. Ik laat de wijze van bestrijding van De Heraut aan het oordeel van anderen over. Men kan zoo in de oogen van het eenvoudige volk wel iemand „afmaken”, maar wetenschappelijk wint men er geen zier bij. En juist op wetenschappelijk terrein moet de zaak uitgemaakt worden. Kan het, of kan het niet? Heeft een meerdere vergadering naar ons kerkrecht tot zulk een methode van tuchtoefening (afzetten van een kerkeraad) bevoegdheid, of niet? Dat is de vraag. Het is mij ook hierin om waarheid2) te doen. En deze ligt ergens op den bodem van ons geschil. We zullen deze alleen vinden als we naar elkander zoeken te luisteren met zelfverloochening (en ze wordt hier van mij vanwege de grievende persoonlijkheden3) in tamelijk groote mate geëischt) en elkanders argumenten met eerlijkheid wegen. Ik heb veel respect voor de dialectische gaven van den hoofdredacteur van De Heraut. Maar hij mag zich door die gaven niet laten verleiden, en wij mogen er ons niet door laten misleiden. Ieder onzer heeft advocaten hooren redeneeren en schermen met uitspraken en wetsartikelen, of vooral met gedeelten daarvan, of ook met z.g.n. beginselen, zoodat men op het eerste hooren zou zeggen: hij heeft gelijk.


2) Heb ik ten bewijze, dat het mij om waarheid te doen is niet herhaaldelijk mijn tegenstanders aan argumenten geholpen? Nog pas op twee nieuwe gevallen van zulk een afzetting gewezen? En hier is een derde: dat te Poortvliet door classis Tholen in de zaak van het „trouwdelict” van Ds. Paneel. Zie Kerkbode voor Schouwen en Duiveland, 25 Juni en 2 Juli 1932. Over de waarde er van zal ik in dit artikel nog spreken, behalve wat ik daarvan vroeger zeide.
3) Een voorbeeld uit vele. De Heraut heeft op de 5 of 6 bladzijden welke ik uit het Latijn van Hoornbeek en Voetius vertaalde een woord ontdekt dat ik verkeerd overzette. En zegt met meesterachtigheid en groote zekerheid: in de uitdrukking „una cum solo suo” beteekent solum hier „gebouw”. Het zou dan moeten zijn dat ze: „tegelijk met hun kerk gebouw de vergadering verlieten”. (Voetius spreekt van menschen die geëxcommuniceerd moesten worden en die dan „una cum solo suo coetum illum deserunt”). Hier „solum”, dat zooals men weet in classiek Latijn „bodem” of „grond” beteekent, met „kerkgebouw” te vertalen, heeft aanmerkelijke bezwaren. Ten eerste zou de uitdrukking al een zeer ➝

|184|

En dat men toch gevoelde: het is niet zoo! Laat ons ridderlijk en fair strijden.

Daarom dient reeds aanstonds uitgesloten te worden de voorstelling alsof ik onze kerken ging „bezwadderen”, al wil De Heraut zich dan ook genadiglijk niet zóó sterk uitlaten. (Heraut 12 Juni Naschrift). In een uitvoerige bespreking van de zaak in geding wees Rev. K. Fortuin uit Amerika, die mijn standpunt geheel blijkt te deelen, in Onze Toekomst4) er nog onlangs op, dat ik reeds in 1923 streed tegen deze methode van tuchtoefening. En toen deed ik het met instemming en steun der beide broeders die mij nu bestrijden. Kan ik het helpen, dat een Nederlandsche synode, onjuist geadviseerd, ter kwader ure in de vuurlijn ging staan? En moet ik veranderen, omdat zij veranderd zijn? En mij geen goede gronden bieden voor hun verandering? En is een synode onfeilbaar? Wijst niet dezelfde Petrus van Mastricht (op


➝ zonderlinge manier zijn om te zeggen dat ze ook tegelijk de Kerk uitgingen. Ten andere: wat doet dat „suo” er dan bij? Ten derde is het vrij duidelijk, dat als ze de kerk uitgaan ze de vergadering verlaten en omgekeerd. Bovendien komt het woord maar één of twee keer voor in een Charta uit de 11e en uit de 13e eeuw (welke Voetius wellicht nooit gezien heeft) waar het de opstal (gebouwen) op den grond beteekent. Ik stem toe, dat het een moeilijke uitdrukking is. Latinisten van reputatie in Amerika zoowel als hier te lande, aan wie ik vroeger en nu de uitdrukking toonde, zaten er mee. Niet du Cange maar Reinhold Klotz’ Handwörterbuch (2 dln) geeft hier licht. Daaruit blijkt, dat het woord herhaaldelijk in goed Latijn voorkomt voor „bepaalde plaats”, dus plaats. Zij verlieten niet alleen de plaats maar ook de vergadering.
Zoo dit — gelijk De Heraut (6 Mei 1932) schijnt te willen zeggen — tot toetssteen van iemands kennis van het Latijn moet dienen, dan geldt de conclusie beide partijen.
De taktiek van De Heraut niet alleen hier maar gedurig herhaald is duidelijk: ik weet het en hij weet er niets van! Zoo wordt de opponent reeds aan het begin van het debat den lezers bespottelijk voorgesteld en afgemaakt.
Het bekende woord „privative” vertaalde ik immers herhaaldelijk juist, zie E.E.F. p. 27, 48, 56 e.a. Een correctiefout die wel te verklaren is.
4) Onze Toekomst 13 Jan. 1932.
Juist voor het afdrukken ontving ik het Zuid-Afrikaansche Tijdschrift ➝

|185|

wien zij zich in deze zaak ten onrechte beroepen als ik zal aantoonen) op de bekende waarheid dat het recht eener synode is „niet onbepaald, onafhankelijk en onfeilbaar; derhalve moeten alle en allerlei besluiten vergeleken worden met de H. Schrift”. — Dat is het wat ik ten aanzien van dit besluit (voor wat deze methode betreft) in de bespreking bezig ben te doen. Roept niet juist liefde voor onze kerken daartoe, daar zij immers alleen in den weg der waarheid begeeren te wandelen, en daarin wandelende op Gods gunst hebben te hopen? En hier ligt tevens het antwoord op de vraag: “Waarom de strijd heropend? Het scheen alles voorbij en nu brengt gij weer onrust, waarom?” Hierom. 1e. Als ik ernstige afdwalingen zie mag ik niet zwijgen. Dan spreek ik. Opdat geen verkeerd beginsel ongemerkt binnensluipe. Dan heb ik tenminste gewaarschuwd. 2e. Door bespreking kan de waarheid aan den dag komen. Als eerlijk man wil ik de waarheid zien en wil ik overtuigd worden, maar als ik zie dat de voorgebrachte argumenten ijdel en spitsvondig zijn — dan weet ik te meer dat ik de waarheid aan mijn zijde heb. En dan mag ik te minder zwijgen. 3e. Men schept door stilzwijgen en door de consciënties niet wakker te schudden of wakker te houden een toestand waarbij een precedent als norm


➝ „vir bevordering van die Kalvinisme” Die Wagtoring, Junie 1932, Redaksie Prof. Dr. J.D. du Toit, Prof. J.A. du Plessis, Prof. Dr. C.J.H. de Wet, met vele vaste medewerkers. Dat is klare, gezonde en besliste taal, die de broeders bij de recensie van mijn brochures schrijven. Ik betreur het met hen deze duidelijke Geref. kerkrechtelijke lijnen tegenover Geref. broeders te moeten verdedigen. Lijnen zóó duidelijk, dat een verdediging voor de Zuid-Afr. Calvinisten bijna een poging is „om een open deur in te slaan”. En het smart mij met hen, dat de omstandigheden dit verdedigen der zuivere kerkrechtelijke beginselen noodig maken. Onze Geref. broeders in Nederland gelieven op dit getuigenis te letten.
Tegelijk ontving ik ook Nieuwe Theol. Studiën, Mei 1932. Red. Dr. A. van Veldhuizen. „Ik geloof dat hij gelijk heeft”, zegt de recensent mijner brochure.
Beide tijdschriften zien in mijn schrijven allerminst een „bezwadderen” onzer Kerken. De verdedigers van Assen’s kerkrecht mogen toezien. De waarheid overwint toch.

|186|

aanvaard wordt. Een precedent is met name voor het recht, en ook voor het kerkrecht een zeer ernstig ding. En hier gold het een zeer gewichtig precedent. De synode in kwestie besloot als gedragslijn aan te nemen de afzetting van kerkeraden. „Dan zullen de classes de kerkeraden terstond afzetten!”5) Door te zwijgen stemt men toe. 4e. Als er besluiten genomen worden die geen grond vinden in K.O., Belijdenis of Schrift of in den aard van ons foederatief kerkverband (laat staan tegen die allen in gaan) dan weet niemand meer waar we aan toe zijn. Dan zijn we onder de leuze van het „heil der kerken” of van „de Gereformeerde beginselen” op weg naar willekeur. Als ik breeder zal aantoonen. Het heil der kerken ligt in het zich houden aan de saam gemaakte bepalingen. En de Geref. beginselen liggen voor ons kerkelijk leven in onze K.O. en Belijdenis en in den aard van ons kerkverband en daarachter in Gods Woord. En niet daarbuiten. Zoo niet, dan weet ik niet meer, en dan weet geen kerk meer, wat te gebeuren staat. Dan staan we voor allerlei overrompelingen bloot. 5e. De door mij gewraakte methode van tuchtoefening leidt tot allerlei gevaarlijk inquisitoriaal onderzoek. Het ééne moet het andere met zich brengen, als het ééne kan dan moet het andere ook. Hoe moet men uitvinden welke leden in een besloten kerkeraadsvergadering vóór een voorstel b.v. om een besluit eener meerdere vergadering niet uit te voeren, stemden? Hoe, als de vergadering in comité ging? Hoe, als men besloot schriftelijk te stemmen? Toch maar afgaan op hetgeen deze of gene persoon verklapt? Op onofficieele mededeelingen toch maar een actie tegen iemand of tegen een college beginnen? Het eene moet volgen uit het andere. Dat gaat niet alleen in tegen mijn besef van


5) Acta Assen 1926, art. 246.
Hoe wij vóór 1926 in zulke gevallen handelden zie men in Prof. Bouwman’s brief, afgedrukt in E.E.F.
In rechts- of tucht-praktijk in eens voor onvoorbereiden kring of kerk van koers te veranderen is ook niet zonder bedenking. Behalve dan nog dat men een verkeerden koers insloeg.

|187|

de autonomie der plaatselijke kerk, maar ook tegen mijn Protestantsch rechtsgevoel. We landen op die wijze bij een moderne inquisitie, en haar methoden. Bij den weg door mij voorgestaan loopt de zaak heel anders. Dan reformeert de kerk zichzelve.

Wat ik dan wensch? Een schuldbelijdenis van een synode? Ik denk er niet aan. Elke synode staat voor zichzelf en als ze naar huis gaat is ze niet meer. Maar ik begeer een inzien van ons volk en van onze predikanten, dat het den ingeslagen weg niet uit moet. Opdat we door dit inzien waarborg hebben, dat we dien weg niet weer opgaan. Dan zal de wonde van gekrenkt rechtsbesef (ik spreek niet over de rechtmatigheid van de straf, maar over de methode van tuchtoefening, over het beginsel dat in zulk een methode van tuchtoefening zich uitspreekt), uitslijten. En weten we tegenover elkander waar we aan toe zijn. En krijgen we de rechte lijnen weer vóór ons.

Ik ga nu over tot een bespreking van de argumenten welke men voorgebracht heeft om de gewraakte methode van tuchtoefening te verdedigen. De Bazuin spreekt den wensch uit dat ik overtuigd moge zijn (Bazuin 8 Juli j.l.). Ik waardeer dien wensch en zeg er den redacteur dank voor. Als ook voor den toon van dat artikel; een toon die, zoo hij volgehouden wordt, ons verder kan brengen. Maar als ik overtuigd zal zijn dan zal dat toch moeten afhangen van de voorgebrachte argumenten. Men mag toch niet vragen, dat ik zal zeggen overtuigd te zijn, omdat zij het begeeren. Welnu dan, laat ons — ik noodig ieder er toe uit — met elkander de argumenten nagaan. Onderzoeken en niet napraten! Door dit laatste — door iemand van gezag na te praten — slopen in den regel de dwalingen in.

Ik ga de argumenten na aan de hand van de artikelen van De Heraut en zal die van De Bazuin daarbij invlechten.

In het eerste artikel van De Heraut ontmoet ik het verwijt van Independentisme aan mijn adres. Dit wordt bij tijd en wijze levendig gehouden door uitdrukkingen als „overhellend

|188|

naar”, „met beide voeten staand op”, „zich aandienend als Geref. kerkrecht, maar in waarheid enz.”.

Dit verwijt raakt mij weinig. Ten eerste wordt het door de broeders zelve gedurig weersproken als zij mij verwijten zoo strikt te staan op de K. O.6) Iemand die onze K.O. met art. 31 daarin van goeder harte onderteekent zal zich niet warm voor een verwijt van Independentisme behoeven te maken. Maar bovendien hangt er bij zulk een verwijt alles van van af wie het zegt. De communist zal den radicaal-socialist conservatief schelden; en deze weer op zijn beurt den gewonen S.D.A.P.-er, en deze weer den Vrijzinnig-Democraat, enz. Zoo zal de Roomsche den Anglicaan een Independent noemen, en deze weer de heeren van de Haagsche synode en deze weer ons. Dat zijn maar groote woorden en zeggen over de zaak zelf niets. De mogelijkheid bestaat (of is dat onmogelijk?) dat de heeren zelf afgedreven zijn. Zeker, het schijnt dan voor hen zoo, dat iemand op het land wegging, maar in waarheid dreven zij af. Zij stonden toch eenmaal waar ik nog sta.

En het argument: „heel de kerkengroep met ons en gij alleen, of met weinigen” geldt evenmin. Dat is meer gebeurd, dat de waarheid niet bij de meeste menschen lag. En daar ook is bij velen vaak ook te goed vertrouwen in de leiding van anderen. Terwijl de zaak toch misgaat. De geschiedenis — ook die der kerk — spreekt er van. (1816!)

In zijn tweede artikel brengt De Heraut mijn Hoornbeek-argument ter sprake en voegt daaraan zijn Petrus van Mastricht argument aan toe7).

Om met dit laatste te beginnen.


6) De Bazuin 3 Juni, De Heraut 29 Mei j.l.
7) De Heraut is zoo vriendelijk zijn lezers mee te deelen dat ik deze auteurs (Mastricht en Hoornbeek) „zelf niet bezit of bestudeer” (Heraut 24 April). Of „Hoornbeek niet in handen heb gehad” (t.a.p.) Hoornbeek moesten we reeds bij prof. Rutgers voor ons doctoraal examen bestudeeren, en Mastricht bezit ik reeds meer dan 20 jaren. En zag het er duchtig op na, aleer ik begon over dit onderwerp te schrijven.

|189|

Dit laatste argument moet zeggen — want daartoe wordt het immers genoemd, dat is de zaak waarover het gaat — dat de meerdere vergaderingen een Kerkeraad of meerderheid van ouderlingen en diakenen in een kerkeraad, kunnen afzetten. Petrus van Mastricht, zoo kondigt De Heraut dan met nadruk aan, verklaart in zijn Dogmatiek dat de macht der synodes bij de Gereformeerden niet is zooals de Independenten willen om slechts aan te raden, maar ook om met autoriteit op te treden. Natuurlijk, niemand onder ons die het tegen spreekt. Ook ik niet. En dan komt het woord dat het dan zeggen moet: „En wat Mastricht nu onder deze met autoriteit optredende macht der synode verstaat, verklaart hij daarna als hij zegt, dat ze ook „een oordeelende macht is, voorzoover ze met geestelijke straffen, vermaningen, excommunicaties en afzettingen uit het ambt handelt tegen ketters, diegenen die ergernis geven en die hardnekkig zijn”. Zeker! Maar — dit alles zegt niets voor het geval in geding. Deze plaats raakt de kwestie niet. Ten eerste zegt Mastricht hier nergens, dat hij spreekt over afzetting van ouderlingen en diakenen. Nog veel minder over de afzetting van een kerkeraad, of de meerderheid van de ambtsdragers. Petrus van Mastricht spreekt hier in het algemeen over wat een synode zooal doen kan. Dat blijkt uit de woorden zelve, dat blijkt verder uit het verband, en dat blijkt uit de 2 teksten (Matth. 18: 15-20; I Cor. 15: 4, 5) die hij hierbij aanhaalt en die De Heraut bij dit citaat weglaat. Zonder eenig bezwaar onderschrijf ik dan ook deze uitspraak van Mastricht. Zeker, synoden kunnen vermanen, ze kunnen ook afzetten (predikanten), en ze kunnen ook excommuniceeren (halsstarrige, kettersche gemeenten). Niets verplicht mij hier bij deze uitspraak van Mastricht aan iets anders te denken. Als afdoend bewijs is de plaats dus niet het minste waard. Ik ga verder. Hoewel Mastricht geheel niet van ouderlingen en diakenen spreekt en niemand mij dus verplichten kan hier aan hen te denken, toch wil ik veronderstellender wijze eens aannemen dat Mastricht bij dit „afzetten” ook gedacht heeft

|190|

aan ouderlingen en diakenen. Ook dan nog onderschrijf ik zijn woorden. Zeker, een meerdere vergadering kan (in sommige gevallen!) ook ouderlingen en diakenen afzetten. Namelijk als deze zaken in den wettigen weg voor haar gebracht worden. En dat kan alleen als appèl tegen een beslissing naar art. 79 der K.O. genomen. Onze Kerkenorde kent maar één weg — men houde dit toch in zijn gedachten — om ouderlingen en diakenen af te zetten. Dat is met een genabuurde kerk, zooals in genoemd artikel bepaald wordt. En aangezien er van alle kerkelijke besluiten appèl op een meerdere vergadering mogelijk is (Art. 31 K.O.) — zoo kan de zaak langs dezen weg op de classis komen. En we zouden er geen bezwaar in hebben als zulk een classis, of bij verder appèl zulk een synode, dan c. q. zulk een ouderling of diaken afzette. Al zijn we het met De Heraut uit zijn vroegere periode (6 Mei 1923) eens, dat het correcter ware dat de classis of synode alleen uitsprak dat zulk een ouderling of diaken behoorde afgezet te worden, en aan den kerkeraad opdroeg hem aftezetten. Maar. aangezien de kerkeraad zelf ter classis of synode tegenwoordig is — en dus zelf die zaak meeverricht — zoo zou men toch — al acht ik den evengenoemden weg juister — van geen principieel verschil kunnen spreken. De kerkeraad kan er zijn afgevaardigden opdracht voor geven, of ook niet, in elk geval de kerkeraad doet zelf ter classis mee, In plaats van met de genabuurde kerk doet hij het nu met de classis8). Maar ook zoo verondersteld raakt dit de zaak in geding niet. De kwestie waar het hier om gaat is niet die van een kerkeraad die een ouderling of diaken afzetten wil, maar die zelf afgezet moet worden. Een gansch andere kwestie, waar gansch andere beginselen in geding komen. Want zulk een kerkeraad noodigt geen


8) Zoo kan ook zeer wel verstaan worden een uitdrukking van het Convent van Wezel dat ambtsdragers in de vergadering der classis afgezet zullen worden, waarop de Heraut wijst. (Heraut 19 Juni noot). De kerkeraad doet daar zelf aan mede.

|191|

genabuurde kerk uit, om zichzelf te doen vonnissen en dat vonnis te doen executeeren. En hij werkt daartoe ook — zoo de zaak langs anderen weg ter classis mocht komen — niet aan mee. Maar hij zal protesteeren. En ten slotte den band verbreken. En hij mag wel voorzichtig zijn met zijn beroep op de synode. Ter classis kan hij nog als hij ziet, dat het kwaad ten volle is besloten en als hij in zijn consciëntie meent zich niet te moeten onderwerpen, het kerkverband verbreken, maar van de synode, waar hij alleen indirect tegenwoordig is, krijgt hij zijn vonnis thuis. Hij mag ook wel voorzichtig zijn met mede te werken aan de afvaardiging naar de synode, want dan geeft hij zich gevangen. Door de nu aangenomen methode wordt appelleeren op de synode op zijn minst zeer gevaarlijk.

Verder. Men kan ook niet zeggen, de zaak kan ter classis gebracht worden door de minderheid van den kerkeraad of door een protesteerend deel der gemeente. Ook dit verandert aan de zaak geen zier. Dan komt de classis wel voor de vraag te staan, wat te doen met den recalcitranten kerkeraad, maar daarin ligt nog niet uitgesproken, dat zij dan den weg van afzetting op moet. Men kan ook een anderen weg bewandelen. Bv. dien ik voorsta. Maar uw methode — zoo zegt men — wordt ook niet in de K.O. genoemd. Neen, maar de mijne volgt uit den aard van het kerkverband, van de Belijdenis en de H.S., de andere ligt er niet alleen niet in, maar is daartegen — art. 84 K.O., art. 28 Belijdenis. (Zie verder ,,In eigen rechte lijn”).

Petrus van Mastricht spreekt van de zaak in geding niet. Ja, als het er op aankomt, zegt Petrus van Mastricht in het verband van deze door De Heraut aangehaalde doch voor ons geschil niets zeggende woorden meer ten voordeele van mijn standpunt dan voor dat van mijn tegenstanders. Want wat zegt hij aan het slot van de pagina voorafgaande aan die door De Heraut geciteerd? Dit: „Ook neemt het recht van een grootere vergadering niet weg of vermindert niet de vrijheid en het gezag der kleinere vergaderingen; bijvoorbeeld

|192|

het recht van een synode neemt niet weg of vermindert niet de vrijheid en het gezag van een classis, noch een classis dat der kerkeraden (cursiveering van mij v. L.), maar het bestiert alleen of volmaakt het” (a.w. p. 345). Let er op : de vrijheid en het recht, d.i. het gezag van een kerkeraad, kan niet door een classis worden vernietigd! Juist het omgekeerde van wat mijn opponenten zeggen. En verder zeide ik reeds, dat Mastricht er aan herinnert, dat een synodaal besluit altijd met Gods Woord vergeleken moet worden. Ziedaar wat hij aan de broeders oplegt. Het recht voor het geïncrimineerde besluit met K.O., Belijdenis en H. Schrift en de beginselen daar uitgedrukt te bewijzen. En er zich niet aftemaken met te zeggen: Het apostelconvent leert bindend gezag der meerdere vergadering. Dat stemmen we allen toe, maar gij moet bewijzen dat het DEZE METHODE van gezag over elkander leert. En dan daar aftrekken het sinds verdwenen apostolisch gezag, en bewijzen dat de kerken als gelijken naast elkaar zulk een methode van tucht met zulk een beginsel over elkander mogen uitoefenen.

Dat is het bewijs waar ik naar uitzie.

 

Met het Hoornbeek-citaat maakt De Heraut het nog erger. Om niet te zeggen ergerlijk. Het spijt mij dat ik dat zeggen moet. Maar oordeel zelf. Allereerst wordt mij verweten (Heraut 24 April), dat ik Hoornbeek uit een citaat in een ander kerkrechtelijk werk aanhaal. Mag dat niet? Mag ik niet citeeren uit een citaat en zeggen b.v. dat zegt blijkens De Visser’s ,,Kerk en Staat” Rivet of Ryssenius of Utenbogert of wien ge noemen wilt? Doen we dat niet elken dag? De Heraut doet het nog in hetzelfde artikel inzake de confessie, en in een andere rubriek ettelijke malen. Dan zou alle wetenschap ophouden. Het komt er maar op aan of het citaat juist is of ook dat het uit zijn verband gerukt is. Hier was het uit een zeer lang citaat (een paar bladzijden) uit een werk, dat het Presbyteriaansche kerkrecht behandelt en juist dit citaat aanhaalt om een voornaam punt van verschil

|193|

te laten zien tusschen de Presbyterianen met hun subordinatie, hun ,,higher and lower courts”, en de Gereformeerden in Nederland, alsook met de Independenten hier.

Ik heb erger gezien dan dit. Ziehier. De Heraut verklaarde in een artikel van 6 Mei 1923 (waarin hij ongeveer gelijk standpunt in deze kwestie inneemt als schrijver dezes) „dat Voetius klaarlijk zegt, (Pol. Ecc. t. I p. 225), dat de bestuursmacht aan een kerkeraad onttrokken kan worden maar, dat dit kan geschieden moet door de gemeente of haar trouw gebleven gedeelte” enz. Nu zegt diezelfde Herautschrijver dat hij dit zeide op grond van Rutgers’ citaat van Voetius en nu zegt hij dat Rutgers verkeerd vertaald heeft. Toen (in 1923) deed De Heraut dus precies hetzelfde als het blad mij nu verwijt, hij citeerde Voetius uit Rutgers’ citaat, echter zonder dit er bij te zeggen. Ik zeide het er nog bij van waar ik het citeerde. De Heraut deed het voorkomen alsof hij Voetius zelf aanhaalde, wat nu (Heraut 15 Mei 1932) — naar zijn zeggen — een valsch citaat van Voetius is!

Maar nu het Hoornbeek citaat. Hier is aan de zijde van De Heraut een voor mij geheel onbegrijpelijk onjuist lezen, èn van wat Hoornbeek zegt èn van wat ik zeg. Ook begrijp ik niet hoe een wetenschappelijk man zoo handelen kan.

Men ga het slechts na. De Heraut (24 April) deelt zijn lezers mee, dat ik zeg, dat ook Hoornbeek leert dat naar Geref. kerkrecht een synode „een kerkeraad niet mag ex-communiceeren”, „maar alleen hen uit het verband uitsluiten”. Nu zijn hier in deze verkeerde voorstelling twee verwarringen. Het woord kerk wordt verwisseld met dat van kerkeraad. En een tegenstelling wordt gemaakt tusschen excommuniceeren en buiten het verband zetten, welke tegenstelling noch voor Hoornbeek noch voor mij bestaat. De Gereformeerden sluiten ook uit het kerkverband uit, zegt Hoornbeek. Alleen zij doen wat sterker, met autoriteit, en noemen dat: excommuniceeren 9).


9) Men leze het citaat in E.E.F. p. 55-57. Of het slot in De Bazuin van 10 Juni. Met de slotzin er bij. De Bazuin vindt het ➝

|194|

En Hoornbeek wijst er op, dat in het geval van den onwilligen Rotterdamschen kerkeraad — DE KERK geëxcommuniceerd wordt. Niet de kerkeraad afgezet. Inderdaad, dit citaat van Hoornbeek blijft een locus classicus voor mijn gevoelen. — Er blijkt uit, dat Hoornbeek dit uitsluiten, noem het zoo ge wilt excommuniceeren (al staat die excommunicatie in onzen tijd wel wat anders dan toen,) van een kerk wier kerkeraad een predikant, die afgezet behoorde te worden, niet afzetten wilde, wel kent en juist acht.

In Hoornbeek’s betoog zit veel meer dan een enkel aantoonen, dat een synode excommunicatie-recht heeft. Dat ook. En dan nog alleen maar gaat het hier over de excommunicatie van een kerk (niet van een kerkeraad). Maar Hoornbeek zegt niet (en daar lette men op): Wij zouden naar ons kerkrecht zulk een halstarrigen kerkeraad die weigerde zulk een predikant aftezetten (den Rotterdamschen kerkeraad) eenvoudig zelf afgezet hebben. Het was zijn plicht geweest dat te zeggen, als zoo iets naar ons Geref. kerkrecht (ik zeg niet naar de praktijk, maar naar ons Geref. kerkrecht, want daar heeft hij het over) bestond. Anders had hij ze misleid. Dan had hij tegen de Independenten hier gezegd moeten hebben: ook kennen wij aan onze synoden de macht toe om kerkeraden aftezetten. Daar ging het hier immers juist over; hij spreekt van een onjuiste voorstelling die zij zich maken van onze synoden en die zij met hun term „independent” willen uitdrukken.

Merkwaardig is, dat, naar de verklaring van De Heraut (t.a.p.), Hoornbeek in zijn voorstelling van ons kerkverband „misschien wel wat te eenzijdig de zaken behandelt”. Dat zal wel zoo zijn in de oogen van De Heraut van nu! En dàt teekent het standpunt van De Heraut van nu!


➝ merkwaardig dat ik dien laatsten zin niet noemde. Geheel niet merkwaardig, ik heb er niets op tegen. Evenmin als tegen Hoornbeek’s geheele hoofdstuk over de Independenten. Daar zit de knoop niet.

|195|

En nu Voetius.

Voetius, die al meer een sphinx schijnt te worden in wiens aangezicht een ieder het zijne leest. En dat niet zonder reden, als ik straks zal aantoonen.

Mijn geachte opponenten komen, hoe getrouwelijk zij elkander ter zijde staan, ook met Voetius geen stap verder. En zullen, na het vlijtig onderzoek dat ze ingesteld hebben en het resultaat dat ze van dat onderzoek aan den dag brengen, dit waarschijnlijk nimmer doen. Om onderscheidene redenen. Zie hier.

Bijna alles wat ze uit Voetius ons voorleggen is dat de synodes gezag hebben. Dàt is niet ontkend! Evenmin is ontkend, dat dit gezag zich ook uitstrekken kan tot de particuliere huishouding van een plaatselijke kerk. Het komt er maar op aan wat soort gezag, en wat soort bemoeiing. Ook het vierde boek van Voetius Pol. Eccl. dat volgens een der vriendelijke onderstellingen van De Heraut voor mij gesloten bleef, daar ik maar in het eerste boek bleef zitten, en dat dan wonderbare bewijzen zou voorbrengen, geeft ze niet. Want als De Heraut het daaruit bewijzen zal, valt hij toch weer terug op dat eene zinnetje van het eerste boek (zie Heraut 15 Mei). En dat eene zinnetje uit het eerste boek dat zoo iets als mijne tegenstanders beweren, schijnt te bevatten — geeft hun evenmin grond. Om deze redenen.

Ten eerste. Toegegeven, dat Voetius in dat zinnetje10) toestemt dat een kerkeraad geëxcommuniceerd kan worden en


10) Dat zinnetje wordt gevonden in een breed antwoord op de vraag: „Of een deel van de kerkelijke macht, ook zelfs de excommunicatie, ingeval van wanbeheer of van ongeneeselijk bederf aan de synodale vereeniging van kerken toegekend kan worden en door haar kan worden uitgeoefend. (Voetius a.w, I, p. 228). De algeheele zin waarin het zinnetje voorkomt luidt: „Verder moet dan geantwoord worden, dat de geheele kerkeraad met en voor het grootere deel van het volk, als dit weder tot bezinning mocht komen, formeel geëxcommuniceerd worden kan, waaraan voorafgaat de regelende macht der synode, die tevens door hare afgevaardigden bij die plaatselijke kerk (die namelijk in dit geval van hare voorgangers is beroofd) het ontbrekende zal aanvullen.”

|196|

dus nog veel meer afgezet kan worden. Maar vergeet dan niet, dat hij er in één adem bijvoegt — en waarom loopt De Heraut daarover heen? — „met en voor het grootere deel van het volk als dit weder tot bezinning komt”. Voetius heeft even tevoren reeds toegestemd, sprekende over de excommunicatie van een enkelen persoon over den kerkeraad heen, dat de synode regeling en praeformatie van zulk een vonnis tot excommunicatie kan maken „maar dat niet de excommunicatie zelve aan de synode toe komt, maar dat de excommunicatie in formeelen zin aan de plaatselijke kerk toekomt, en haar gelaten moet”. (Cursiveering van mij v. L.) „Zooals blijkt uit I Cor. 5 en Matth. 18”. Dan geldt nog veel meer dezelfde redeneering hier bij de excommunicatie van den kerkeraad. Het „voor en met de gemeente” is dus volstrekt niet maar een kennisgeving (Heraut 8 Mei), maar zij doet het eigenlijke, de formeele daad, zegt Voetius. Hoezeer daar hulp en directie van de synode aan moge voorafgaan. Juist wat wij steeds gezegd hebben.

Ten tweede. Daar staat bij Voetius zooveel tegenover om het op te vatten alsof de synode een kerkeraad afzetten kon. Lees heel het verband, hetzij in Voetius zelf of in vertaling E.E.F. p. 48-52. Doorlezen! zeide dan ook Prof. Rutgers tot Dr. Kleyn die daar eveneens bij bleef staan. En in dat verband gaat Voetius er nader op in waarom dat dit voor de gemeente geschieden moet. Omdat: wie aanstelt de macht heeft weer aftezetten. Zoo is zijn antwoord. Het is duidelijk, zegt hij, dat naar onzen Catechismus (vr. 85: „degenen die van de gemeente daartoe verordend zijn”) de kerkeraad door de gemeente gekozen wordt, zij heeft het recht weer aftezetten11). Het is niet noodig hier nader in te gaan op de


11) Behalve de bovengeciteerde plaats even later nog eens over het excommuniceeren over een kerkeraad heen sprekende, zegt hij: „Niemand twijfelt er aan of het recht en de uitoefening van het gezag moeten aan de plaatselijke kerk onder de distincties genoemd ongeschonden worden gewaarborgd. (Voetius a.w. I p. 227, 228). De synoden mogen alleen ➝

|197|

spotopmerkingen van De Heraut alsof daarmee art. 79 K.O. buiten werking gesteld wordt. Voetius, en dies ik sprekende over zijn citaat, handelde hier van het noodgeval dat algeheel bederf of wanbeheer in een gemeente gekomen waren. Waar die weg van art. 79 dus afgesneden was. Daar gaat het immers in heel het debat over.

Ten derde. Voetius heeft waar hij van zoo iets spreekt altijd de gemeente op het oog. Ook in het formulier dat hij


➝ het directieve en formatieve van zulk een uitspraak maken, maar de zaak zelf geschiedt door de gemeente, d.i. de plaatselijke kerk. Hoeveel te meer moet dit dan gelden van een excommuniceeren van den kerkeraad! En hoor dan ook Voetius over het afzetten van een kerkeraad. Na onder qu. XXIII eerst gezegd te hebben dat het ambt geen inklevend goed is, maar weer kan ontnomen worden, zegt hij dan dat de gemeente die macht ontving om aan te stellen (Catech. vr. 85), dat zij deze weer kan ontnemen. En vervolgt: „De reden hiervoor is omdat door denzelfden door wien iets op wettige wijze in een kerk wordt opgedragen, t.w. door gezag te leggen op dezen of genen persoon, dat gezag op wettige wijze weer wordt ontnomen.
Nu is het de kerkelijke gemeente door wien wettelijke verkiezing van dezen of genen persoon de macht werd toegekend. Bijaldien de helpende macht der kerken die door den synodalen band met haar verbonden zijn hier niet te hulp wil of kan komen, moet de kerk zelve in geval van noodzakelijkheid dit alleen doen (dus zonder directie en praeformatie van een uitspraak van de synode v. L.) Indien dit zelfs niet kan (dat afzetten door de gemeente van haar kerkeraad met hulp van het kerkverband v. L.) dan scheide zij zich af van dien kerkeraad, of van die ouderlingen, zooals ten tijd der eerste reformatie en vooral ten tijde der oproerige Remonstrantsche partij in ons Nederland geschied is en wettig geschieden kon, als we aangetoond hebben in Desparata Causa Papatus.” (a.w. I p. 228).
Dus immer: de synode leidt, regelt, de kerk of gemeente doet het. Mogelijk een geval van oproer als de gemeente niet kon handelen daargelaten, maar dat is dan ook gelijkstaand met uitzetten uit het verband, opzeggen van de vrede en de broederschap met volk en kerk.
Dat Rutgers in zijn vertaling van Voetius het woord „alleen” (alleen de gemeente heeft het recht) invoegt is nog niet zoo mis als De Heraut (15 Mei 1932) dit voorstelt. Het drukt precies den geest en hoofdzaak van Voetius’ betoog uit, door Rutgers wel gevat.

|198|

mede maakte12) tot afzetting van de Remonstrantsche kerkeraden. De gemeente moet er bij zijn. Want zij doet de formeele daad. Ook hier ga ik niet breedvoerig in op de andere spotopmerking van De Heraut: Remonstrantsche kerken moesten dan Remonstrantsche kerkeraden afzetten! roept hij uit. Maar hij weet, dat na de Dordtsche synode geen Remonstrantsche gemeenten officieel meer bestonden. De afgedwaalden werden geacht weer Gereformeerd geworden te zijn en tot het verband der Geref. kerken teruggekeerd te zijn. Deze dus weer Geref. beschouwde gemeenten deden het. Het „mits desen” in dat formulier is dan ook meer dan „kanselarijstijl” (Heraut 8 Mei) van een vonnis. Het hangt er maar van af hoe ge het opvat. Als een hiërarchisch vonnis (half politiek-half kerkelijk), of als een formulier om in de kerken gebruikt te worden. Het is immer weer dezelfde kwestie vanwaar ge uitgaat. Neemt ge aan dat een Geref. synode hiërarchische vonnissen maakt — dan eenvoudig voorlezen aan de veroordeelden13). Maar acht ge het een kerkelijk formulier om in de kerken gebruikt te worden, en dat is het blijkbaar naar het opschrift, dan gebeurt de daad daar in de gemeente, evenals bij huwelijksbevestiging, doop, enz.

De hoofdvraag in het geding blijft immer: wie doet het eigenlijke? De synode òf de gemeente? Men zal zeggen: ze doen het samen. En daar heb ik ten deele geen bezwaar in.


12) De Heraut stelt het voor alsof ik aan de wereld meedeelde, dat Voetius de auteur van dit formulier was. (Heraut 8 Mei). En noemt dit dan een „pure gissing”. Maar ik zeide, dat hij het mede opstelde, als lid van de synode, welke het opstelde.
13) Al zegt Voetius dan ook tegen den Goudschen magistraat, dat de Rem. kerkeraden bij vonnis der synode afgezet waren en dit vonnis „van den predikstoel zoude moeten afgelezen worden”, gelijk De Heraut opmerkt (8 Mei), zoo ligt hier toch naar zijn eigen verklaring meer in dan een kennisgeving aan de gemeente; al komt de zaak zelf neer op een aflezen, en al kan hij uiteraard met den Goudschen magistraat geen kerkrechterlijk dispuut gaan houden en al gebruikt hij dus den gewonen dagelijkschen term van: aflezen. Hoe vaak heeft ons ➝

|199|

Een gemeente mag het niet willekeurig doen, zij heeft hier de oordeelende en regelende macht der synode noodig. Maar de synode mag het ook niet alleen doen. Zij heeft de gemeente noodig, en deze doet de eigenlijke formeele daad. De gemeente alleen — zou Independentisch zijn; de synode alleen — zou hiërarchisch zijn; saam is Gereformeerd. Maar in dat saam ieder naar eigen taak, de synode leidend, oordeelend, bestierend, gelastend zoo noodig, maar de gemeente de daad doende. Zij heeft aangesteld, zij heeft recht die macht weer te ontnemen (onder oordeel, leiding enz.), maar bij haar berust de macht. EN NIET DAARBUITEN. EN DIT IS HET PUNT. Hier is „des Messers Scheide”.

Ten vierde. Wanneer Voetius dat gaan-naar-of-in-de-gemeente bespreekt en dat afzetten van den kerkeraad door de gemeente (onder directie enz. van de synode) heeft hij steeds de overheidshulp op het oog. Hij riep ze zelf te Gouda in. Daardoor kon dat destijds geschieden. Die weg is voor ons toegesloten. Bij ons kan geen kerkelijke commissie meer met overheidshulp in een gemeente komen om met haar den kerkeraad aftezetten. Wij moeten uitsluiten om het ambt der geloovigen zijn werking te laten doen. En eindelijk: Door dat leunen op de overheid en dat zien naar de overheidshulp beziet Voetius de zaak niet geheel zuiver kerkelijk. En dat komt ook wel uit in zijn spreken over deze „vonnissen”. Dr. De Visser zegt van hem dan ook in zijn bekend werk: „Hier ligt het zwakke punt van Voetius’ betoog . . . .  Ten


➝ „aflezen” wel degelijk de bedoeling om de stilzwijgende toestemming en medewerking der gemeente te verkrijgen. Voorts waren deze afzettingsvonnissen der Remonstrantsche kerkeraden en predikanten half-kerkelijk en half politiek. En zie over Voetius standpunt daarom hier verder op. En eindelijk verontschuldigt Voetius zelf het feit dat niet altijd alles met toestemming van het volk (de gemeente) geordend kan worden. Dat waren dus naar zijn eigen gevoelen uitzonderingsgevallen. Waarvan hij zelf erkent dat het eigenlijk anders moest. Ten slotte moet men niet vergeten dat de Rem. kerken niet zelden scheurkerken waren, die zich van de wettige kerk hadden afgescheiden. Zij behoefden dus niet als kerken erkend te worden.

|200|

gevolge hiervan voldeed het stelsel van Voetius noch aan de voorstanders der volstrekte zelfstandigheid der kerk tegenover de overheid noch aan hen die aan de christelijke overheid eene roeping tegenover de kerk wilden toegekend zien.”14) Voetius’ stelsel, zoo laat de Visser ons zien, is van dwang in de kerk niet geheel vrij te pleiten.

En toch trots dit alles hoe zeer neemt hij het voor de gemeenten en haar rechten op!

Laat ons Voetius eeren door zijn zuiver kerkelijke lijn vast te houden. Nu geen overheid meer die in de kerk kan komen en de gemeente helpen of dwingen om mee een kerkeraad aftezetten. Naar onze vaste overtuiging is zijn lijn die we nu kunnen toepassen: de gemeente doe het onder directie van het kerkverband. Pas na bestraffing de tucht op een gedeformeerde Kerk toe, d.i. sluit haar uit en laat het ambt der geloovigen zijn taak vervullen in die gemeente. Zij heeft zichzelve te reformeeren. Zij ontving daartoe van Christus de macht. Deze macht rust uit Christus in de gemeente. Dies geen bestuur of hiërarchie over haar. Hoe goed bedoeld. Hoe effectief ook. Maar de macht der Geref. synoden is een andere. Haar macht is de saamgebrachte macht der kerken zelve, maar geen macht boven de kerken. Ook niet van alle boven één. Art. 84!

Geen macht tusschen Christus en zijn ambtsdragers.

Dan neemt ge de eer en de verantwoordelijkheid der kerkeraden weg.

Dan komt ge Christus’ koningschap te na.

Dan tast ge de openbaring van het lichaam van Christus aan.

 

En nu het Rutgers-argument.

Prof. Bouwman zegt, dat hij vroeger er ook zoo over gedacht heeft als ik, maar dat hij vooral door het lezen van Rutgers’ „Kerkelijke Adviezen” tot andere gedachten gekomen


14) Dr. J. Th. de Visser, Kerk en Staat II p. 402.

|201|

is. Hij zou mij een genoegen doen die plaatsen uit de „Kerkelijke Adviezen” op te noemen die hem tot andere gedachten gebracht hebben. Want de plaats door De Heraut genoemd kan het moeilijk geweest zijn. Die gaat juist tegen die koersverandering in, al haalt De Heraut ze er ook voor aan.15) In De Heraut (9 Mei 1932) laat de schrijver Dr. Rutgers heel wat zeggen waar over tusschen ons, zoover ik weet, geen verschil bestaat. Ook daarover niet dat een kerk — als vroeger door mij gezegd is — het besluit der meerdere vergadering behoort op te volgen ook al zou de kerke-raad het er niet mee eens zijn. Natuurlijk altoos met de bekende clausule uit onze credentiebrieven „tenzij” enz. Dan komt de „zeer merkwaardige uitspraak”. Een predikant had met een deel van den kerkeraad bezwaar gemaakt tegen de benoeming van 2 nieuw gekozen ouderlingen. De classis vond dit bezwaar ongegrond en oordeelde dat de beide gekozen ouderlingen bevestigd moesten worden. De predikant met de 2 andere ouderlingen (De Heraut zegt „dus de meerderheid van den kerkeraad”) wilden zich niet aan die uitspraak onderwerpen, en appeleerde op de synode (prov.) Maar als de predikant met de 2 andere ouderlingen dan nog bleef weigeren, wat dan? Dan, zegt Rutgers, een buitengewone classicale vergadering die den predikant tijdelijk schorst wegens onwilligheid, en besluit de bevestiging van de 2 gekozen ouderlingen op den volgenden Zondag te doen plaats hebben door den Dienaar des Woords die de classis daarvoor aanwijst. Daarna behoeft de schorsing van den predikant niet voort te duren, tenzij de predikant weigeren zou de beide bevestigden in hun dienst te erkennen. Tot zoover de aanhaling van De Heraut. Maar let er nu eens op, het alles waar het in deze zaak op aankomt, dat Rutgers niet zegt: ook de 2 ouderlingen moeten door de classis geschorst.


15) Waarschuwingen tegen Independentisme en hiërarchisme vindt men bij Rutgers overal gelijkelijk. Op de synode te Zwolle in 1911 waarschuwde hij nog zeer tegen alle hiërarchische inkruipsels. De ouderen weten dat nog wel.

|202|

Die worden als kerkeraad erkend. Hoewel ze toch met den predikant evengelijke recalcitrante positie innamen. Daar zou men toch bij Rutgers hier een vingerwijzing voor verwacht hebben, als ook zij eens weigerden, als de predikant, wat dan? DAN KWAM EERST DE KWESTIE WAAR HET HIER OM GAAT TER SPRAKE. Ook dit citaat, raakt heel de zaak niet. Prof. Rutgers gaat in dit advies uit van de gedachte dat de kerkeraad (de 2 ouderlingen) zich bij het besluit der classis neer zouden leggen en het mee zou helpen uitvoeren. En dit citaat, dat heel de kwestie niet raakt, wordt als „het sterkst sprekende antwoord” op de vraag: hoe als de kerkeraad weigert aan het besluit der classis te voldoen, betiteld! Dit moet dan HET bewijs van Rutgers zijn! Juist in dat advies van niet afzetten van den kerkeraad ligt meer voor mij dan voor mijn tegenstanders. Had Rutgers zoo iets in zijn gedachten gehad: hier was de gelegenheid op een pertinente vraag hem gedaan om het te zeggen. En hij laat zich er niet over uit. Men zou het hier verwacht hebben. — Hier is al een inleggen, om het dan als bewijs te willen uitleggen.

Evenmin ligt bewijs in de door De Bazuin vroeger aangehaalde uitspraak van Rutgers uit zijn bekende brochure (De Rechtsbevoegdheid blz. 179)16). „Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt zoolang de kerk in verband staat, maar als de kerk dat vonnis niet erkent, verblijft aan de gezamenlijke kerken geen ander verweermiddel dan om deze kerk van het verband af te snijden”. Ik heb er reeds vroeger op gewezen dat deze plaats uit de Resumptie is en er bovendien een noot (een noot waar zij maar niet aan willen) bij staat, die terugwijst waar dit deel der resumptie op slaat. En ik meen evenzeer het recht te hebben om als De Heraut zegt: „Wanneer dit (de afzetting door de gemeente waarheen de noot verwijst v. L.) werkelijk de


16) Een strijdschrift zeggen Heraut en Bazuin; maar ook daarin mogen geen onware dingen gezegd worden.

|203|

meening van Prof. Rutgers was dan zou het toch al te zonderling wezen, dat hij dan in een resumptie aan het slot desniettegenstaande verklaren kwam, dat de classis of synode wel de kerkeraadsleden (N.B. het woordje „de” dat hier groot verschil maakt staat er bij Rutgers niet bij, maar wordt door De Heraut eigenmachtig ingevoegd! v. L.) mag ontzetten van hun ambt zoolang de kerk in het verband staat” — ik zeg, ik heb evenveel recht om daar tegenover te stellen: Wanneer dit (afzetten van een kerkeraad) werkelijk de meening van Prof. Rutgers ware, dan zou het toch al te zonderling zijn dat in een duister zinnetje in een resumptie, nog wel met een noot die heel niet naar zoo iets heen wijst, dit neer te schrijven zonder eerst in het voorafgaande de zaak zelf besproken te hebben. Neen, ik kan deze uitspraak van Prof. Rutgers zeer wel verklaren evenals die van Mastricht, n.l. dat bij appèl van een besluit der vergadering van een kerkeraad met een genabuurden kerkeraad, waardoor een classis een ouderling — aangenomen dat Rutgers spreekt van ouderlingen en niet van predikanten — kan afzetten. De kerkeraad doet daar zelf aan mee! Maar wil de kerk, d.i. de gemeente die afzetting niet erkennen, kiest zij dus partij tegen den kerkeraad, dan blijft er niets anders over dan deze opstandige gemeente van het kerkverband aftesnijden. Zoo kan het gebeuren. Voetius verwijst naar de Remonstrantsche kerken. Denk ook aan de dagen der Doleantie! En zoo krijgt ook de bijgevoegde noot in Rutgers uitspraak zin. Want dan wil die noot en hetgeen waarheen die noot wijst zeggen, de „opstandige” gemeente (die zich, terecht of te onrecht, tegen kerkeraad en kerkverband keert) verloochent dien kerkeraad, zet dien kerkeraad af. Anders blijft mij die noot een raadsel. Doch zóó niet. Zóó loopt heel de plaats, en heel het verband, en heel de noot en heel het boek goed. — Zóó is het één lijn. Anders niet! Maar zóó prachtig!

Nu nog iets over die zoo herhaaldelijk voorgebrachte redeneering: afzetten van een kerkeraad mag niet tenzij deze zich in het kerkverband wil handhaven. Dan mag het wel,

|204|

zegt men. Wat logische redeneering is deze? Iemand dringt mijn huis in, als hij er uitgaat mag ik hem niet doodslaan, als hij zich in mijn huis wil handhaven dàn wel! De logische redeneering is: dan laat ik hem er uitzetten. Hier: uitzetten uit het verband. Men kan ze er toch uitzetten. De redeneering der broeders is een metabasis eis allo genos!

En hoe weinig reëel is ze! Welke kerkeraad zal zich wetende, dat hem dat te wachten staat in het kerkverband willen handhaven! En indien de kerkeraad dat van te voren niet weet, dan dient hem dat toch eerst bij wijze van waarschuwing gezegd te worden. Hij mag toch niet overrompeld worden.

Dan de uitspraak uit het dictaat van prof. Rutgers. Zij kan op het eerste gezicht inderdaad doen meenen dat prof. Rutgers zoo iets als mijn tegenstanders zeggen, leerde. Maar het zou dan heel vreemd zijn, dat prof. Rutgers er alleen in zulk een zinnetje, en eigenlijk nog maar in het voorbijgaan, van gesproken had. En nooit, indien zoo iets volgens hem bestond, daar waar het aan de orde was, er over gesproken had. Maar zie die laatste woorden nu eens nuchter onder de oogen. „Dan (als de kerkeraad niet toegaf) zou hijzelf in behandeling komen. En dit niet toegeven zou leiden „tot conflict, ja, tot zijn afzetting en tot aanstelling van een nieuwen kerkeraad.” Staat hier nu met zoovele woorden dat het kerkverband dat moet doen? Stelt het kerkverband een nieuwen kerkeraad aan? Neen, de gemeente onder leiding van het kerkverband. Zóó de afzetting. Staat er dat de classis dit moet doen? Neen, de gemeente onder leiding van de classis. Zóó kan ik het zeer wel verstaan. Niemand ontkent dat een kerkeraad afgezet kan worden. Maar de vraag is hoe ? En daar vind ik hier geen uitsluitsel over. Rutgers laat zich daar niet over uit.

 

Hiermede heb ik de argumenten voor het verweer en den tegenaanval saamgebracht besproken. Met ziet wat er van overblijft. Kan men het mij kwalijk nemen dat ik volhoud:

|205|

Zulk een afzetting kan alleen plaats hebben in en met de gemeente?

En zij doet dan, onder leiding van deputaten, de formeele daad van afzetting. En hier is waar we mogelijk elkander vinden kunnen in deze kwestie. In en met de gemeente! Of haar trouw gebleven gedeelte. En niet op ruim 100 Kilometer afstand daarvan. Had men — om in Voetius termen te spreken — in Assen alleen het directieve en formatieve van het vonnis gemaakt en dan in de gemeente welke het gold, of in het midden van haar trouw gebleven deel, in de vergadering de afzetting doen plaats hebben, de formeele daad — ik zou geen bezwaar gemaakt hebben. Maar om zoo iets te kunnen doen dient m.i. een vonnis van uitsluiting of uitzetting, of in Hoornbeek en Voetius’s term van excommunicatie, der kerk vooraf te gaan. Als boven gezegd.17)

Mijn hoofdstelling werd niet aangetast. Ik zeide immers: Hier (bij K.O., Belijdenis, aard van ons kerkverband en H.S.) kies ik mijn hoofdstelling, de rest gaat mij minder aan.

We kunnen elkander trachten dood te slaan met Voetius en Rutgers — de hoofdstrijd moet toch elders gestreden.

Om de hoofdvesting. Om de K.O. met het bekende art. 84 daarin. Om de Belijdenis (art. 28). Om den aard van het Kerkverband. Om wat de Schrift hierover leert. Zeker, ik stem toe dat niet alles in de K.O. kan of behoeft vermeld te worden. Daar zijn ook tal van zaken die rechtstreeks uit den aard van het kerkverband vloeien. En ik stem ook toe, dat niet altijd elke letter van de K.O. even strikt kan toegepast worden. Er kunnen metterdaad gevallen zijn dat men moet zeggen: hier zou een letterlijke en strikte toepassing


17) Tegen een besluit der synode zou ik geen bezwaar hebben als het ongeveer aldus was: De synode verklaart de kerk te X. schismatiek, sluit haar uit het verband der Geref. kerken in Nederland uit, en draagt de classis Y. op door haar deputaten het getrouwe deel in genoemde kerk te helpen in de verkiezing van nieuwe ambtsdragers. M.i. is zoo het beginsel bewaard.

|206|

der K.O. schade werken. Maar ik bestrijd met alle macht het streven om de K.O. op zijde te zetten onder de leuze van „het heil der kerk” of „de Geref. beginselen”. En om in te voeren beginselen die niet in de K.O. of in den aard van ons kerkverband of in onze Belijdenis liggen, ja, daar lijnrecht tegen ingaan. Ik heb inderdaad onder die leuze „het heil der kerk” of „het belang der kerk eischt het” ongerechtige dingen zien gebeuren. En wie maakt uit wat dat heil der kerk is? Nog eens, het heil der kerk is, dat men leert zich aan gemaakte bepalingen te houden. En als we de K.O. onder de leuze der „Geref. beginselen” gaan ter zijde stellen dan zijn we ook op het pad van willekeur. Want wie maakt dan uit als we de vastigheden hebben verlaten welke de Geref. beginselen in zeker geval zijn? De Hongaarsche bisschoppelijke kunt ge aanhalen, de Presbyteriaansche of de Nederlandsche Geref.? Dan zijt ge uw norm kwijt en ontvangt ge als norm wat iemand voor Gereformeerd op een synode weet te doen doorgaan.

En nog eens, we mogen wel gaan tot wat duidelijk in en achter K.O. en Belijdenis in den aard van ons kerkverband ligt, maar niet tot wat daar niet in ligt, ja rechtstreeks daartegen in gaat. En dat wij hier in ons Geref. kerkrecht een eigen lijn hebben, de meest zuivere lijn der Reformatie, die immers terug wilde naar de oorspronkelijke kerkformatie, gelijk in de Schrift geteekend, en haar zuivere ontwikkeling, blijkt steeds meer en meer.18)


18) Wat de eerste Christenkerken betreft blijft het boek van Dr. Jacobs van belang. Of hij Independent is of vereerder van de Haagsche synode — doet er geen zier toe. Ik zeide immers, dat ik het niet met al zijn conclusies eens ben, met name niet met die over het Jeruzalemsche Convent (hetwelk alles door De Heraut verzwegen wordt), maar dit vermindert niet de waarde van het rijke materiaal dat hij voor ons uitstalt. En daar kan iemand ook De Heraut niet de oogen voor sluiten, tenminste zoo wij wetenschappelijk willen onderzoeken welke de verhouding was tusschen de plaatselijke kerk en de algemeene kerk gedurende de eerste eeuwen.

|207|

Nergens waren in de dagen der Reformatie de burgerlijke vrijheden zoo groot als hier. In geen der kerken kwam het ambt aller geloovigen tot zulk een ontwikkeling als hier. In geen land leidden aanvankelijk de omstandigheden tot die ontwikkeling meer dan hier. Een Reformatie van het volk door het volk. Niet de invloed van een monarchale volksgeest, maar van een republikeinsche, tuk op haar rechten en vrijheden. Hier werden dan ook de ambtsdragers naar de eerste kerkenordeningen bij den voortduur door het volk gekozen, onder leiding van den kerkeraad. Wat nergens elders geschiedde. En hier kwamen de kerken vrijwillig saam in een foederatie welke de naam droeg van de Gereformeerde kerken. Zonder aanhalingsteekens!

Wat De Heraut van het Presbyteriaansche kerkrecht meedeelt was mij geen nieuws. Men kan dat alles vinden in het werk door mij aangehaald, aan De Heraut blijkbaar onbekend. Daar in dat Schotsche en vooral in het Engelsche kerkrecht loopt een draad van kwalijk te loochenen hiërarchische overblijfsels. Ik wees er op, maar ging er niet nader op in, omdat men zich daar niet op beriep in dit geding en dit kerkrecht veel verder van ons afstaat dan dat van de Fransche Geref. kerken.

Wat het Schotsche kerkrecht betreft zoo deelt De Heraut mede dat het „een eigenaardigheid van dit kerkrecht is, dat hier aan de presbyteries het volle recht wordt toegekend om zelf kerkelijke ambtsdragers te kiezen en wanneer deze ambtsdragers zich misgaan, hen zelf aftezetten. Van een approbatie der beroeping door de classes of een afzetting van predikanten door de classis is hier geen sprake”. (Heraut 10 Juli). Mag ik den redacteur van De Heraut meedeelen — want hij is daar blijkbaar onkundig van — dat de Presbyterianen geen classes hebben. Of liever, hun presbyteries zijn classes, de kerkeraden daaraan onderworpen hebben den naam van „sessions”. Dat zijn vergaderingen van de

|208|

predikanten met de ouderlingen19). Van een approbatie door de classes van wat de presbyteries (of classes) doen is dus geen sprake. Mag ik hierbij het advies van Groen aan Bronsveld dat de Heraut zoo vriendelijk is mij aan te bieden (Heraut 10 Juli) retourneeren voor wat De Heraut en zijn kennis van het Presbyteriaansch kerkrecht blijkens dezen lapsus betreft. Tevens zal de Heraut verstaan als hij kennis van het Presbyteriaansch kerkrecht krijgt, wat ik bedoelde toen ik zeide, dat ons Geref. kerkrecht tusschen dat van de Presbyteriaansche en Independentistische kerken inlag. Gelijk ook blijkt uit de tuchtmacht welke die kerken zich over de mindere vergaderingen toeëigenden.

Nu nog iets over het kerkrecht der Fransche kerken, al moet ik wegens de ruimte beperkt zijn. Maar ook hier valt eerst nog al wat recht te zetten. De Heraut maakt er aanmerking op, dat ik de Engelsche uitgave van Quick gebruikt heb, hoewel ik daar de redenen voor opgegeven heb. Deze uitgave schijnt tot mijn verwondering den redacteur van De Heraut onbekend te zijn. Want hij kan de plaatsen niet controleeren zegt hij. En verder heet het: „Indien Dr. v. L. de acta dezer synodes gekend had en niet was afgegaan op Rev. Quick zou hij voor zulk een onjuiste en dwaze voorstelling bewaard zijn gebleven” (Heraut 3 Juli). Ja, Quick of schrijver dezes zouden zoo maar een heel besluit „gefantaseerd” hebben (Heraut 10 Juli noot). „Hoeverre deze uitgave (van Quick) betrouwbaar is weet ik niet” (Heraut 19 Juni), want „Dr. v. L. haalt besluiten uit deze uitgave aan „die in de officieele acte dezer synoden niet te vinden zijn”. En zoo meer. Maar nu wil het geval, dat Aymon in zijn voorrede voor de Fransche uitgave verwijst naar Quick en juist van hem zegt dat deze toegang had tot de origineele officieele Acta en deze verdienstelijk vertaald heeft. En


19) De redacteur van De Heraut kan het in elk werk over Presbyteriaansch kerkrecht vinden. Ook in Schaff-Herzog Enc. onder „Presbyterians”.

|209|

meer dan dat. „De authentieke Acta der synoden geteekend door de praeses, assessors en scribae der synoden — zoo deelt Aymon mede — zijn geborgen in de bibliotheek van den hertog van Bedford in Engeland. Mr. Quick, predikant te Londen, heeft daar een Engelsche vertaling van gemaakt, welke kan dienen om den waren zin van al de verjaarde en twijfelachtige uitdrukkingen van deze oude copieën te kennen!20) Quick gaf dus een vertaling van de officieele authentieke Acta, bewaard in Bedford. En het is als ik vroeger zeide, door zijn omgang met de vele naar Londen gevluchte Fransche predikanten, dat hij den zin der besluiten uitnemend kon overzetten. Had ik ongelijk, als ik zien wilde wat deze synodes besloten en naar de meening van onzen tijd bedoelden te besluiten over de tucht hunner meerdere vergaderingen over de mindere, deze uitgave te volgen? Die van de authentieke Acta! Indien de redacteur van De Heraut Aymon’s werk — dat hij bezit — bestudeerd had was hij voor bovengenoemde blunders bewaard gebleven.

Een andere blunder maakt De Heraut omtrent wat ik in dit verband schreef over de Fransche kerken. Al heeft hij in een volgend artikel deze eenigszins, en zij het op weinig ridderlijke wijze, zoeken te herstellen. Had hij ze geheel hersteld, ik had er vanzelf niet op terug gekomen. Als een punt van verschil tusschen onze kerken en de Fransche noemde ik dat de laatste in elke synode een revisie hadden ook van de Belijdenis. Ik zeide niet dat als resultaat van deze revisie er gedurig veranderingen in de Belijdenis aangebracht waren. Dat kon ik zien, dat dit niet het geval was. Maar wel stond als een der eerste punten op het agenda van elke synode een bespreking en zoo noodig verandering van de Belijdenis. In een uitvoerig schrijven bestraften Calvijn en Beza de Fransche kerken over die methode. Nu, eerst heet het dan in De Heraut dat zulk een revisie door de Fransche kerken niet geschiedde. Alleen betuiging van instemming! (Heraut 3 Juli 1932). In een volgend artikel wordt dan gezegd, dat


20) Aymon, Tous les Synodes Nationaux p. 2.

|210|

ik gelijk had, maar zooals ik het schreef maakte „het toch den indruk dat op elke synode de Belijdenis gewijzigd of verbeterd was. En tegen die voorstelling kwamen we op, omdat ze onjuist en met de feiten in strijd is”. In plaats van ridderlijk te zeggen: we hebben verkeerd gelezen, want er staat niet dat ze veranderd werden; of ook: we hebben nu de Fransche Acta beter gelezen en gezien, dat hij gelijk had, dat elke synode de Belijdenis herzag en besprak of er mogelijk veranderingen in aangebracht moesten worden en niet maar alleen instemming vroeg — wil De Heraut per sé gelijk hebben. Wat de eigenlijke tuchtgevallen der meerdere vergaderingen over de mindere aangaat laat De Heraut die liggen. Hij laat alleen zien, waarom dit in een geval zoo geschiedde. Best, maar het geschiedde. Ik kom er dus ook niet op terug. Nog eens ik heb grooten lof voor de Fransche kerken, maar haar volksaard was anders, haar omgeving was anders21), haar strijd was anders, de verkiezing van den kerkeraad was anders. En zelfs daar werden de Geref. kerken eerst langzamerhand door de vijanden van buiten tot sterker handhaven der eenheid gedrongen. Uitzetten uit het kerkverband was daar een onmogelijkheid. Men kon en mocht de unie niet meer verlaten. Tot veel krasser maatregelen in de unie werden zij daarom gedrongen. En toch ook zij begonnen als wij (met art. 84) en het duurt dan ook ruim 50 jaren na de eerste synode dat de zaak van de „submissie” aan de synode met kracht ter synode behandeld wordt.

Wij zijn gelukkig in andere omstandigheden. Wij zullen daarom ook in die oorspronkelijke lijn welke ook de Fransche kerken, trots het verschil met de onze, bedoelden, en die door ons overgenomen en nader uitgestippeld werden op het convent te Wezel en de synode te Embden voortgaan. In Dordrecht, waar de overheid mee vooraanzat op de synode,


21) Ik zeide niet, dat de kerken van een monarchalen geest doordrongen waren (Heraut 26 Juni 1932), maar dat de monarchale nationale regeering invloed op den geest der kerkregeering uitoefende. Ik toonde den invloed van de nationale regeeringsvorm op de kerk in onderscheiden landen aan, gelijk trouwens voor de hand ligt.

|211|

kwam dat fundamenteele artikel uit de Belijdenis dat aan het hoofd der K.O. stond reeds achteraan te staan (werd het art. 84). Dat kon kwalijk anders. De overheid voor wie de Geref. kerk een instrumentum regni was zag een foederaal kerkverband, waarin alle kerken gelijk naast elkaar stonden met leede oogen aan. Ze zocht eenheid. Dit foederaal verbond verhinderde haar invloed. En deed de tucht der foe-deratie daarvoor gevaarlijk zijn. Want afsnijden van het verband werd door haar niet geduld. Zie wat ik hieromtrent vroeger uit Dr. De Visser’s werk meedeelde.

Ook de vaderen waren kinderen huns tijds. En zoo goed als zij in art. 36 der Geloofsbel. zaken neerschreven welke wij thans niet meer belijden, evenzeer was hun praktijk inzake de regeering der kerk niet vrij van overheidsdwang en overheidsmethoden.

Zij waren zelve niet vrij.

Noch de praktijk der overheid, noch de beginselen van art. 36 der Geloofsbelijdenis gaven hun de vrijheid welke wij thans hebben. Laat ons deze gebruiken tot ontwikkeling van het Geref. kerkrecht in zuivere kerkelijke lijnen.

Calvijn legde zeer den nadruk op de ontwikkeling van het kerkelijk instituut uit de synagoge22). Zooals deze lagen om den tempel, en geregeerd werden van uit den tempel zoo liggen onze kerken ieder onder het eenige door Christus ingestelde bestuur (kerkeraden) op aarde gekeerd naar het heiligdom in den hemel. Daar is haar offer, maar ook daar is haar Koning. De Heere onze Wetgever, onze Koning. Niets tusschen haar en dien Koning. Geen hoogere vergaderingen.


22) Zie P.A.E. Sillevis Smit, De organisatie van de Chr. Kerk in den apostolischen tijd, Rotterdam 1910, p. 70, 72 (aangehaald E.E.F. p. 9). Een dissertatie aan de V.U. waarin ook herhaaldelijk het woord „autonomie” voorkomt. En waarin van de autonomie der eerste Christenkerken gesproken wordt, zie E.E.F. p. 8-11. Een dissertatie waarbij Rutgers zijn raadsman was en prof. H.H. Kuyper zijn promotor (zie inleiding). En nu wordt er bezwaar tegen dat woord gemaakt! En dat ik het woord „autonomie” niet in absoluten zin los van Christus en Zijn Woord opvatte zeide ik immers (E.E.F. p. 10). Dit bezwaar tegen het woord toont aan uit welken hoek de wind waait.

|212|

Het is de zonde van het pausdom, hoe decimaal in verdunning. Maar alleen meerdere vergaderingen, vergaderingen waarin de autonome kerken saamkomen en besluiten, elkander iets gelasten, opdragen, voorschrijven zoo noodig weerspannigen excommuniceeren en gehouden zijn die besluiten met elkander gemaakt na te komen, al zouden ze het niet in alles er mee eens zijn, „tenzij” enz. Dan hebben ze van den Koning zelf verlof er zich niet aan te houden. Anders is het revolutie. Een bij volharding weigerende kerkeraad (deze vertegenwoordigt naar onzen catechismus (vr. 85) de gemeente) breekt de facto den band, en dan blijft er voor de kerken niets anders over dan haar na vermaan en bestraffing ook formeel uit te sluiten, te excommuniceeren, totdat het ambt der geloovigen in zulk een kerk zijn plicht gedaan heeft en de kerk gezuiverd heeft. Zij het met directieve en formatieve hulp van de zusterkerken maar zij zegt wie haar vertegenwoordiging zijn zal. Dan wordt die gezuiverde kerk weer opgenomen, zoo ze gewillig is zich aan de saam gemaakte besluiten te houden. En dat kan zonder lang tijdsverloop, zelfs in dezelfde classicale vergadering, geschieden. En voorkomt ook heel wat inquisitoriale wegen. De ecclesia universalis gaat wel vooraf aan de ecclesia particularis, maar nooit mag zij de rechten welke de Koning der Kerk aan de ecclesia particularis schonk, schenden.

En de kerken hebben vrijwillig de foederatie aangegaan en blijven daarin vrijwillig. Deze hoofdbeginsels houde men in het oog.

Ziedaar, wat ik meen als ons zuiver Geref. kerkrecht te moeten verdedigen.

En „opgeworpen” of niet „opgeworpen” (van wie moet ik verlof hebben? misschien van De Heraut?), verdediger, ik meen dat we in die eigen rechte lijn moeten voortgaan nu we een kans hebben zóó als de Geref. kerken nimmer en nergens hadden, en moeten uitbouwen en niet weer tot dwaasheid keeren.

Daartegen gaat mijn waarschuwing.

Zij ze in tijds!