32
10,401-425
01-02-1932

|401|

Een belangrijk boek, een nieuw geval en een reeks onhoudbare argumenten, benevens een inleiding

I.

 

Inleiding.

De ouderen onder onze predikanten, die het voorrecht hebben gehad in de beide laatste decennia van de vorige eeuw en in het begin van deze aan de Vrije Universiteit te Amsterdam te hebben gestudeerd, herinneren zich die onvergetelijke namiddagen waarop Dr A. Kuyper zijn colleges in Dogmatiek gaf. Wat een bezieling ging er van het woord van die massieve gestalte in die lage katheder op de studenten uit! De studenten vulden schier elke plaats in de bekende bovenzaal op de Keizersgracht uitziende. Als het in de najaar- en wintermaanden tegen vier uur donker begon te worden — legden we onze pennen neer en lieten het schrijven over aan de daarvoor aangewezenen, maar wij gaven ons zonder restrictie over aan de weelde om alleen te luisteren. Met open mond en open hart te luisteren naar dien machtigen stroom van woorden die daar van de half in schemering wegschuilende katheder tot ons kwam. Neen, het waren geen doode leerstellingen die ons verkondigd werden, de waarheid leefde bij dien man, dat hoorden we, dat zagen we. En hij deed de waarheid voor ons leven, nu in het Hebreeuwsch dan in het Grieksch ze uit de Schrift opdiepende, en haar ons

|402|

toonende en haar werking ons latende zien. En met dien mystieken toon uit zijn hart bezield leefde ze ook voor ons en leefden wij in de waarheid. En het was stil in de zaal zelfs na het gebed — dat gebed, het was aanbidding! — En gesterkt in den geest gingen we huiswaarts en — zoo meenden we — kon een eenige onzer er duizenden verslaan! Al waren het reuzen en al heetten ze Schleiermacher, Ritschl, of hoe ook. Wat een bezieling!

Anders, maar niet veel minder, was het op het college in Kerkrecht bij Rutgers. Ah, die fijnbelijnde kop, dat gearticuleerde, gelijkmatige woord! En zoo recht als de zinnen, waren ook de lijnen van het kerkrecht dat hij ons leerde. Opdiepende uit de Schrift en de oude kerkenordeningen en Voetius — en we zagen het, dat was ons kerkrecht, ons GEREF. kerkrecht! Zóó was het en niet anders! En ook van dat college gingen we gesterkt in den geest heen en we verwonderden ons, dat Klein c.s. nog kerkrechtelijk durfden bestaan. En ik weet, dat er studenten naar huis gegaan zijn die thuis hun knie gebogen en God gedankt hebben, dat ze studenten van Kuyper en Rutgers mochten zijn en zóó klaar de waarheid mochten inzien!

En wat een belangstelling voor de besproken vraagstukken. Als ze straks vóór den maaltijd nog in groepjes hier of daar saamkwamen of ook bij de maaltijden, dan zetten de ouderen de geestelijke schotels van de namiddagcolleges nog eens op. De jongeren luisterden vol ontzag en de ouderen trokken de lijnen nog eens diep en klaar en scherp. Ze konden slingeren op een haar — die ouderen — en ze misten niet! Wee u zoo ge ook kerkrechtelijk, ja vooral daar, maar in één woord mocht struikelen — ge werdt bijkans zaal of kamer uit gejouwd wegens uw „ongereformeerdheid”.

Zoo gingt ge het pastorale leven in.

Met bezieling voor beide, voor de Geref. waarheid en voor Geref. kerkrecht.

Is die bezieling er nog?

Ik twijfel soms voor wat de bezieling voor Geref. kerkrecht

|403|

aangaat. Ik had na langen en moeitevollen strijd ons Geref. kerkrecht zooals Rutgers het ons geleerd had in de Chr. Geref. Kerk van Amerika ingang trachten te doen vinden. Een groot deel was aan mijn zijde1). Ik had de beginselen naar de leer van Rutgers verkondigd en zelf aangestuurd op een principieele beslissing in zake de bevoegdheid der meerdere vergaderingen jegens de kerkeraden. Dat zou één van de beslissende kerkelijke veldslagen zijn. Ik had volgehouden: zóó leert de Schrift, de Belijdenis, de Kerkenorde. Daarbij aangehaald Voetius, Rutgers, H.H. Kuyper, Bouwman. Triumphantelijk kon ik uitroepen: hier hebt ge hun getuigenissen! Ik had in de „Chr. Geref. Kerk” (let op het enkelvoud


1) In het Avondblad (A) van de „N. Rott Cour.” van 28 November 1931 wordt in een artikel mijn strijd in Amerika over dit onderwerp beschreven. Het artikel is, gelijk trouwens ook uit den inhoud blijkt, niet van mij afkomstig. De schrijver heeft blijkbaar geput uit de brochure Heyns-Hoeksema „Can a classis depose a consistory”. Onjuist is het echter wanneer de schrijver zegt, dat mijn tegenstanders vóór dat de synode van Assen besloot in de meerderheid waren. Dat zou hebben moeten blijken. In de commissie door de synode van 1924 aangesteld, die de zaak moest bestudeeren en rapport moest uitbrengen op de synode van 1926, in welke commissie met opzet noch prof. Heyns noch schrijver dezes zitting hadden, stond het na de studie blijkens het rapport der comm. half tegen half. De classis Grand Rapids East koos in 1924 in de zaak van de groote Aestern Ave. gemeente jegens die gemeente, haar kerkeraad en leeraar (Ds H. Hoeksema), den weg door mij voorgesteld (van het verband afsnijden, de getrouwen een nieuwen kerkeraad laten kiezen en zóó de gemeente weer opnemen.) Classis Grand-Rapids West echter ging spoedig daarop, in de zaak van Ds Hoeksema’s medestander (in den strijd over de algemeene genade en het wel gemeende aanbod der genade,) Ds H. Danhof en zijn kerkeraad en gemeente te Kalemazoo den weg dien de Asser synode in 1926 insloeg, den weg van afzetten van den kerkeraad. Dus ook naar deze voorbeelden te oordeelen stonden de partijen in de Chr. Geref. Kerk van Amerika juist vóór Assen’s synode vrij wel gelijk. De eene classis volgde dit voorbeeld, de andere het andere. Nu zal het wel anders zijn. Door Assen’s beslissing. We mogen bedenken, dat de kerkrechtelijke methoden hier gevolgd internationale beteekenis hebben.

|404|

van dien naam) de autonomie van de plaatselijke kerk verdedigd, zeker zelfbeperkte maar toch autonomie; hoe een synode van zulke kerken wel een weerbarstigen kerkeraad kon uitsluiten met zijn kerk, totdat die kerk zich gereformeerd zou hebben, maar niet den kerkeraad mocht afzetten en het lid der foederatie in haar autonomie mocht aantasten; hoe die reformatie door haar zelve geschieden moest. En juist terwijl de strijd op het heetst was en de slag zou geschieden, — daar komt de synode van Assen en doet het toch! De ontroering van beide zijden van het kamp was groot. De tegenstanders juichten (zie Heyns Hoeksema: Can a Classis depose a consistory, Inleiding, en p. 1-28): Het Doleantie kerkrecht is gevallen! Nederland heeft zich bekeerd van een onhoudbaar kerkrecht! Zoo riepen ze. Aan de andere zijde was groote droefenis, ja verslagenheid. Ik schreef tot handhaving van eigen stelling en als antwoord op veler twijfelmoedige vraag.

Men zou toch in Nederland zijn dwaling inzien? Ik kreeg daarna „De Reformatie” van 25 Juni 1926. Met in de ,,Persschouw” een paar recensies van mijn brochure „Een ernstige Fout”. We verbaasden ons. Men scheen het punt in geding niet eens te zien. Althans niet klaar te zien1). In de bladen


1) Ook K.S. niet, blijkens het onderschrift onder de daar overgenomen Kerkbode-recensies. Hij oordeelt, dat de door ons voorgestane weg en die van de synode van Assen „lood om oud ijzer” zou zijn. Eilieve! Was het maar zoo! Ziet K.S. het nu? Zie verder op in dit artikel.
Dan ziet de recensent van mijn brochure „In eigen rechte lijn” (onlangs als artikel in dit tijdschrift verschenen) in „De Nederlander” van 9 Januari 1932 het helderder in, al staat hij, gelijk hij zegt, geheel op het standpunt van Hoedemaker en Kleyn. Al geeft hij ons standpunt niet in alles geheel juist weer, hij ziet toch het onderscheid, en, dat het gaat om het „foederatieve” karakter van het kerkverband der Geref. Kerken, welk foederatief verband hij „Kuyper’s constructie” noemt. Zie ook Rev. K. Fortuin in zijn uitvoerig artikel in „Onze Toekomst” (Chicago) van 13 Januari 1932.

|405|

die ons bereikten kwam wel het dogmatische maar niet het kerkrechtelijke, waar het . . . . in onzen strijd vooral om te doen was, weinig naar voren. En wat er van verscheen kon ons geenszins overtuigen. We kenden de argumenten reeds lang uit eigen strijd. Ook de „Open Brief” der Asser synode voldeed ons in het kerkrechtelijke ganschelijk niet. Zie verder op in dit artikel. Maar men zou dan toch u met uw aanklacht tegen Assen van een kerkrechtelijke afwijking van de beginselen door de H. Schrift geleerd en door Belijdenis en K.O. vastgelegd duchtig bestrijden, u trappen en stooten? Zoo goed als geen stem en geen antwoord!

Heb ik geen reden te vreezen dat de belangstelling voor kerkrechtelijke vraagstukken onder ons minder is geworden? Ja, maar, dat kwam misschien door al het rumoer over het dogmatische. Maar dat is nu toch voorbij. Is er nu belangstelling? Zeg niet: Het scheelt niet zooveel. Dat hebben bijna altoos allen die afdwaalden gezegd. Om hun afdwaling te verkleinen. Dat zeggen ook nu nog anderen van hun afdwaling. Maar gij zegt — en ik met u —: dat zeggen van U beslist niet, de dwaling blijft er even groot om. Zóó hier. Zóó zeg ik dat in deze kerkrechtelijke methode van de synode van Assen, helaas, een principieele afdwaling op kerkrechtelijk terrein ligt. En anderen die er buitenstaan — zelfs de tegenstanders (zie Heyns-Hoeksema a.w.) zeggen het met mij. Op een afstand kan men soms de zaak meer objectief beoordeelen dan wanneer men er in is. Maar ook onderscheidenen van die hier in den strijd waren zeggen het met mij. Gij kent de namen van sommigen. Maar ik weet dat er meer zijn.1)


1) In de „Kralingsche Kerkbode”, onder redactie van Ds J.D. v.d. Velden (een der oudste leerlingen van de V.U.) van 19 December 1931 lees ik bij een recensie van mijn ,„In eigen rechte lijn”:
„Deze brochure is een overdruk uit het Geref. Tijdschrift. Grootendeels lazen we met instemming het krachtig opkomen voor de autonomie der plaatselijke kerk zonder te vervallen in de fout van het independentisme.
We dachten bij het lezen aan de pracht-colleges van Prof. Rutgers in „Kerkrecht”. Wat kon hij krachtig opkomen voor het recht en de plicht ➝

|406|

Sommige predikanten op de Zeeuwsche predikanten conferentie van verleden zomer toonden het mij ook!

Wat ik nu vraag is: Verdoezel niet, maar zoo ge het met mij niet eens zijt, bestrijd mij. Bestrijd mij zakelijk. Bestrijd mij eerlijk, mij niet latende zeggen wat ik niet zeg. Maar laat ons ernstig de zaak onder de oogen zien.

Bijzonder de professoren Dr H.H. Kuyper en Dr Bouwman mag ik tot bespreking uitnoodigen. Ik heb, meen ik, met hun eigen stukken aangetoond èn hoe gewichtig zij deze kwestie vroeger achtten, èn hoe anders zij er toen in oordeelden. Als wetenschappelijke mannen behooren zij rekenschap van hun veranderde gevoelens te geven. Ze hebben jaren lang de K.O. zóó onderwezen als ik deze versta, zij hebben mede te deelen waarom zij nu in eens te Assen tot een gewijzigd inzicht kwamen.

Men make er zich niet af met te zeggen: de zaak is al zooveel besproken. Ik bied U tal van argumenten die niet besproken zijn. En die eerlijkheidshalve besproken behooren te worden.

Het „malum bene positum non movere” was nimmer een Geref. stelregel.

 

Een belangrijk boek.

Sinds ik mijn vorig artikel schreef kwam mij in handen „De Verhouding tusschen de Plaatselijke en de Algemeene Kerk in de eerste drie eeuwen” door Dr D. Jacobs, Ned. Herv. Pred. te Hoogmade. Ik had er van gehoord, doch het duurde eenigen tijd aleer een boekhandelaar een exemplaar voor mij kon machtig worden. Ik heb genoten in deze van enorme studie getuigende dissertatie. Wat een schat van aanhalingen


➝ der plaatselijke kerk, terwijl hij in de tweede plaats wees op het noodzakelijke van het Kerkverband. En nu heeft een paar jaar geleden wel een Professor durven schrijven, dat we toen bij de oprichting van de Vrije Universiteit nog maar een „halve Rutgers” hadden; toch houden we ons liever bij den „halven” dan bij den gefingeerden heelen”.
We bevelen de lezing van deze brochure ook voor onzen tijd zeer aan.”

|407|

uit de oude christelijke literatuur om de verhouding tusschen de plaatselijke kerk en de algemeene te teekenen! En zonder nu met elke conclusie van den schrijver mede te gaan, heeft het aangehaalde materiaal mij krachtig in mijn overtuiging bevestigd aangaande de bedoelde verhouding zooals deze in dien, tijd moet hebben bestaan.

Ik kende haar uit de Schrift en uit andere bronnen, maar hier wordt nog eens opzettelijk het materiaal saamgebracht — en voor een belangrijk deel nieuw materiaal — over de verhouding van de autonome plaatselijke kerk tot de algemeene christelijke kerk in de eerste eeuwen. Daar gelaten of des schrijvers opvatting van het apostel-convent juist is — wat ik nog niet aanstonds toestem — en dies de voorstelling van de organisatie der Palestijnsche en Egyptische Kerk, waarin dan volgens hem de moederkerken (Jeruzalem en Alexandrië) de lakens zouden uitdeelen, zoo is het uit het aangevoerde rijke materiaal klaar als de dag dat over het algemeen in den aanvang der christelijke tijdrekening de plaatselijke kerken in haar regeering autonoom waren. „Een tusschenschakel tusschen de gemeente en Christus in den vorm van een verantwoordelijk lichaam boven de plaatselijke gemeente is er niet” (a.w. p. 83). „De locale gemeente is rechtstreeks verantwoordelijk aan Hem, staat onmiddellijk onder Hem” (a.w. p. 84). Er staat ook in het N.T. „geen kerkelijke autoriteit boven de plaatselijke gemeente” (a.w. p. 86). De kerkeraad (opzieners) is „rechtstreeks aan Hem verantwoording schuldig” (a.w. p. 68). „Geen macht is er boven hem dan die van den H. Geest of Christus” (o.p.)

Toch is er saamwerking. Er is een eenheid in den wortel waaruit een rijke saamwerking der autonome kerken opbloeit. Er is een voortdurend besef van saamhoorigheid. Maar het gezag der vergaderingen is meer raadplegend en overtuigend dan dwingend. Zoo is het zoo nog tot 2 eeuwen na Christus.

De gemeente kiest haar eigen ambtsdragers, zij zet die ook zelf af. „Naast het recht haar eigen voorgangers te kiezen staat het recht onwaardige ambtsdragers af te zetten, waarvan

|408|

de gemeenten meermalen gebruik gemaakt hebben” (p. 126, en verv. p. 169, 198.) Niet alleen bisschoppen, maar ook presbyters en diakenen worden door de gemeente afgezet. Zie de aangehaalde voorbeelden.

De plaatselijke gemeente werd ook beschouwd als eigenares van de gebouwen voor eeredienst en dergelijke (a.w. p. 133).

De tucht jegens afwijkende gemeente was: verbreking van het kerkverband (p. 138 en verv.) Of verdragen van den halstarrige na vermaan (p. 144). Daar was een excommunicatie uit het kerkverband (a.w. p. 144 en verv.).

Dat de eenheid nog niet aanstonds georganiseerd was, hoewel ze organisch van aard was en zich uitte in velerlei onderlinge correspondentie, en onderling verkeer, in milddadigheid en hulpbetoon aan elkander, in samenkomsten van kerken en van ambtsdragers tot overleg en raadpleging, is duidelijk. Ook is duidelijk, dat deze eenheid zich allengs meer consolideeren zou in een georganiseerde eenheid. Met Constantijns bekeering als de Chr. Kerk staatskerk wordt, wordt het een eenheid met dwingende macht, waarin de plaatselijke kerken, die reeds tegenover het opkomend episcopaat veel van haar autonomie ingeboet hadden, geheel haar zelfstandigheid verliezen. Het wordt één groote rijks-kerk met haar onderscheidene plaatselijke of gewestelijke afdeelingen. Maar het is evenzeer, duidelijk, dat door de leering der apostelen en onder de leiding des H. Geestes de beginselen gegeven werden en aanvankelijk in praktijk gebracht werden, welke bij zuivere en volkomene ontwikkeling geleid zouden hebben tot een georganiseerde eenheid, waarbij de plaatselijke kerken een gezamenlijk verband of foederatie zouden hebben aangegaan, waarin zij vrijwillig saamwerkten en toch elkanders autonomie respecteerden. Zóó liep de duidelijke lijn in de eerste paar eeuwen der Chr. jaartelling. En het is de onvergankelijke eer van Caivijn en de Gereformeerden der 16e eeuw dat zij die lijn gezien en weer gegrepen hebben.

Wie het genoemde boek leest en de saamwerking der eerste

|409|

kerken gadeslaat kan niet ontkomen aan de gedachte dat een tuchtoefening als van een afzetten van een kerkeraad door de saamwerkende kerken in een gemeente vierkant ingaat tegen geheel den geest en de beginselen dier samenwerking. Met het beeld voor oogen dat dit boek ons met de feiten teekent is het niet in te denken, dat b.v. de kerken den kerkeraad van Antiochië of van Ephese, of welke ge wilt, zouden zijn gaan afzetten. Wel dat de gemeente dit deed. En ook dat de kerken zulk een dwalende kerk zoolang uit haar gemeenschap uitsluiten zouden. Men zie de plaatsen in het boek boven genoemd. Waarom wordt dit leerzame boek van Dr Jacobs zoo weinig onder ons genoemd! Maak bezwaar tegen sommige conclusies, maar de feiten liggen daar rijk en veel voor u uitgestald.

Waarom ze niet gezien?

„Gereformeerd” wil immers zeggen terug gaan ook in het kerkelijke tot de oorspronkelijke Schriftuurlijke kerkorganisatie en haar rechte ontwikkeling. Welnu, hier kunnen we ze klaar en duidelijk zien. Waarom zwijgen we daarvan? Laat mij een keer scherp zijn en vragen: Kunnen we de waarheid niet zien, of willen we haar niet zien? Zijn ook wij bezig de graven der profeten te bouwen en de waarheid (let op de kleine w) der profeten aan het kruis te slaan? Het schijnt zoo. Ik spreek over het kerkrechtelijke. En ga daar nu niet om heen en vlucht uit dit concrete nu niet weg, zeg ik met K.S. van „De Reformatie”, en eenigermate hier ook tot K.S.1)

 

Een nieuw geval.

Men beroept zich op de vaderen.

Welnu, ik zal doen als de vaderen gezegd worden somtijds


1) Ook tot K. S. Indien zijn antwoord op de vragen door een inzender in het mij toegezonden nummer van „Woord en Geest” van 4 Dec. 1931 juist is weergegeven. Mag ik vragen: Welke „vergissing” heeft bedoelde „Zeeuwsche predikant” begaan? Over de argumentatie van K. S. in dat antwoord zie verder op in dit artikel.

|410|

gedaan te hebben n.l. ammunitie leveren aan mijn tegenstanders.

Ik heb dit in dezen strijd, meen ik, meer gedaan. Mag ik er op wijzen om te doen zien hoe het soms gaat in onze debatten? In de „Open Brief van de buitengewone generale synode gehouden te Assen” wordt van prof. Rutgers alleen aangehaald de uitspraak welke in het dictaat van Dr De Jong vermeld wordt („Open Brief” p. 29). Zóó deed Dr Bouwman in De Bazuin van 28 Maart 1926 en Dr H.H. Kuyper in De Heraut van 4 April 1926. Ik heb in E.E.F. („Een ernstige Fout” p. 62-64) captie gemaakt op deze uitdrukking en haar gebruik. Ten eerste: ze is onzeker (zie E.E.F. l.l.) Ten tweede: Kuyper wilde niet eens verantwoordelijk gehouden worden voor zijn collegedictaten, die door studenten door hem zelven aangesteld geschreven waren en wier dictaten daarna nog door hem nagelezen waren — hoe kunt ge dan op Rutgers’ naam schrijven wat nimmer door hemzelven werd gepubliceerd, van welks publicatie hij niets kon weten. Ten derde, kan ze ook anders verstaan worden. (E.E.F. l.l.) Maar ik schreef toen (E.E.F. p. 64): Wilt ge een echte uitspraak van Rutgers, hier hebt ge er een: die uit de „De Rechtsbevoegdheid” p. 179. Zoo Assen ze kende, waarom dan niet gebruikt? Ik zag die uitspraak sinds dien tijd vermeld maar hetgeen waarop ik vooral wees (de noot er bij) werd weggelaten 1). Waarom mij op dat wijzen op die noot van Rutgers niet geantwoord?

Ook wees ik op een uitspraak van Hoornbeek (E.E.F. p. 54-57). Ook die zag ik aangehaald, maar de punt was van de pijl afgesneden. Uit Hoornbeek’s citaat werd alleen aangehaald wat den tegenstanders goed voorkwam, de rest, het meeste — werd niet vermeld2). Waarom mij ten minste niet de voldoening gegeven van een antwoord op mijn Hoornbeekargument? 3)


1) Zie Jansen, „De Beginselen” etc. p. 50.
2) Zie Jansen, „Tuchtrecht”, p. 39, 48.
3) Het Hoornbeek-citaat is anders wel de moeite van een antwoord ➝

|411|

De vaderen kregen nog wat voor hun ammunitie-leverantie. Ik kreeg nog niet eens een antwoord. Desniettegenstaande doe ik het een derde maal.

Nu zal ik de tegenpartij het duidelijkste voorbeeld geven dat ik nog tegenkwam, daarvan, dat bij de vaderen soms, zoo het schijnt, een meerdere vergadering een kerkeraad afzette. Een voorbeeld waarbij het heel niet ging over Remonstrantsche tegenkerkeraden, of een formulier dat in de gemeente moest voorgelezen worden, of iets dat als accomodatie verklaard kan worden. Maar een eenvoudige afzetting van een recalcitranten kerkeraad door een classis.


➝ waard. Zie hier. Hoornbeek, de vriend en medestrijder van Voetius zegt in het door mij aangehaalde citaat merkwaardige dingen, die geheel op Voetius lijn liggen, alleen wat duidelijker zijn en niet zoo scholastiek, met allerlei onderscheidingen, etc. Hij zegt, dat een kerk met andere in synode saamkomende „niet van haar macht afstand doet of hare macht aan de synode overdraagt”.
Hij voegt daarbij „de praktijk of macht der synoden kan of mag niets in den weg leggen aan de vrijheid der plaatselijke kerk”. Immers de „macht der synode is niet beroovend, maar saambrengend”. „De plaatselijke kerk houdt hare zelfstandigheid en blijft gerechtigd tot de volle kerkelijke macht”. Dan dit: „Noch mogen de synoden jegens andere onder haar begrepen kerken een gebiedende macht aanmatigen, als die van heeren en superieuren is tegen minderen, die aan hen onderworpen zijn”. Wat is dit anders dan hetgeen ik zeide omtrent het „supra”? Hoornbeek vervolgt: „Maar uit gemeenschappelijke en vrije toestemming der kerken in synode vergaderd heeft deze een afgeleide macht welke tevens dienende en helpende is”. Let op dat „gemeenschappelijke en vrije toestemming”. Terwijl zoo ook de kerken terwille van de orde zich „door vrijwillige toestemming aan de synode onderwerpen." Dan volgt bij Hoornbeek de foederatie-idee van het kerkverband. Het kerkverband is te vergelijken met „een vereeniging van gelijk gerechtigden”. Zooals dat ook wel in aardsche republieken of confoederaties plaats heeft. „Om gemeenschappelijke zaken te behandelen”. „En die geen andere macht heeft dan voor zooveel door vrijwillige en wederkeerige toestemming daarin is overeengekomen”. Ook kent Hoornbeek als censuur: het afsnijden van het kerkverband, maar van afzetten van een kerkeraad weet hij net zoo min iets als de Independenten tegen wie hij schreef. Men verzuime niet het geheele citaat te lezen in „Een Ernstige Fout” te verkrijgen bij Ten Have Amsterdam, p. 55-57.

|412|

Het geval heeft zich voorgedaan in de classis Goes op de classicale vergadering van 15 Maart 1712. Daar heeft de classis Goes den kerkeraad van Schore en Vlake afgezet.

Ik had er ergens van gelezen en ging op onderzoek uit. Het Goessche classicaal bestuur der Herv. Kerk was zoo welwillend mij verlof te geven tot inzage der oude Acta. Welk bestuur ik hierbij daarvoor dankzeg. En de even vriendelijke als kundige archivaris van dat bestuur, de heer De Kruyter liet in een zijkamer van de schoone Goessche kathedraal de Acta van de classicale vergaderingen van de 18e eeuw voor mijn onderzoek gereed leggen. Ook hem mijn dank. Als ook voor zijn latere hulp mij bij dit onderzoek geschonken. Daar lagen dan de oude Acta, soms met zwierige hand geschreven, in keurigen wit perkamenten band gebonden met groene linten versierd. En ja, daar stond het. De afzetting van een kerkeraad door de classis. De kerkeraad van Schore en Vlake was betrokken geweest in den strijd van Ds Gosuinus Buytendijk, predikant aldaar. Deze was wegens aankleving van de gevoelens van Pontiaan van Hattem1) na lagen strijd eindelijk door de Gecom. Raden van de Staten van Zeeland afgezet. De resolutie staat ook in extenso in deze Acta vermeld. De prov. synode schijnt die overgenomen of goedgekeurd te hebben en heeft ze den afgevaardigden mee gegeven. Maar, hetzij de Staten daar ook achter zaten, zooals mij waarschijnlijk voorkomt, of dat het alleen de prov. synode was die zekerheid wilde hebben dat de rust in Schore en Vlake hersteld werd, de afgevaardigden der classe kregen ook opdracht den kerkeraad van Schore en Vlake voor de classis te dagen en hem aangaande zijn houding te onderzoeken. Zoo gebeurde. Het besluit den kerkeraad te dagen voor de classis „vanwegende precautie door den Ed. coetus (prov. synode) vermelt”, vinden we in de Acta van de classicale vergadering van 7 Maart 1712. Dan volgen de Acta van de „Classis extraordinariia gehouden tot Goes den 15 Maart 1712”. De kerkeraad is gekomen. Na gebed wordt hij binnengeroepen en begint het onderzoek. De Acta vermelden het volgende:

|413|

„Art. 2. Sijn binnengestaan de vier Leden des K.Kenraads van Schoore en Vlaake, aan welke door den praeses der E. classis sijn voor(ge)stelt dese volgende voorstellingen ten Einde het E. classis volgens de Resolutie des E. coetus gerust gestelt mogt worden voor.
1o is hun gesaamentlijk afgevraagt off sy geen berouw hadden van haar handelingen tegen het E. classis. In de Saake van Gosuinus van Buytendijk, gedaan: Namentlijk dat sij na de E. classis En de Gedeputeerde gelijk ook de coetus niet hebben willen Luysteren of hooren; hierop is geantwoordt: A (er staat een Hebreeuwsch Aleph) Van den Schoolmeester Sijnke, daar sijn eenige dingen gebeurt, die we wel mogten gelaaten hebben, wanneer van den praeses geinsteerdt wierde of hij daarvan geen berouw hadde? en heeft Hierop geantwoordt: of hij berouw (hadde) off niet, wat sal het helpen; als hem verder gevraagt wierdt welke dingen het waaren, die moesten gelaaten geweest sijn, heeft hij geantwoordt In het collegium qualificatum, dog eyndelijk sij de hij daarop niet te sullen antwoorden, tensij het hem schriftelijk worde voorgesteld B. (Er staat iets dat op een Hebreeuwsche Beth gelijkt) Pieter Jacobse Sandijk seyde, niet te sullen antwoorden als op een schriftelijk voorstel, hetselfde antwoorde Simon de Rijke; maar Marinus Raakwel seyde dat gewesen is prijs ik.
2o. Is door den praesis aan haar vieren gevraagt En voorgestelt of sij niet de Leere En Stellingen van Gosuinus van Buytendijk verfoeyden?
Marinus Raakwel heeft geantwoordt dat niet te sullen doen van hetgeene hij gehoort heeft Tot Schoor en Vlaake en offer yets buiten geschied is, wist hij niet.
Simon de Rijke seyde ik sal daarop niet antwoorden.
Pieter Jacobse Sandijk seyde bij hem waarheyt te sijn al het geene hij van Gosuinus Buytendijk gehoordt hadde.
Meester Sijncke Antwoorde hierop niet te sullen antwoorden; of die Leerstukken souden schriftelijk moeten voorgestelt worden, en dan sou (hij) het sien
.
3o. Is van den E. Praeses aan de voorn. persoonen

|414|

voorgedraagen off de sententie tegen G. Van Buytendijk van de E. coetus gevelt niet wettelijk is, en off sij die niet regtveerdigh oordeelden? is geantwoordt van Meester Sijncke niet te sullen antwoorden alsop schriftelijke voorstellingen, hetselve seyden ook Sandijck, Rijke en Raakwel.
Haar gelast sijnde van buyten te staan is geresolveert haar ieder Int bysonder Eenige vraagstukken te doen Aangaande De Leere hierop is van den praeses gevraagt
1. Aan Meester Cyncke off God sig vertoornt over de sonde der geloovigen? ik sal niet Een woord antwoorden. En als hem tegemoete gevoert wierde dat hij sulks gesegt hadde te doen antwoorde hij het is waar, maar gisteren ben ik veranderd om alhier te antwoorden maar alleen voor syn competenten regter het Colleg: qualif:
2 De Rijke. Sandijk en Raakwel seyden niet daarop te willen antwoorden het sij schriftelijk.
Sij sijn nog eens op nieuw gesaamelijk van den praeses vermaant en gesommeert off sij nu antwoorden willen of niet. En dat het naderhand te Laat sal sijn, hebben geantwoordt Absoluyt niet te Antwoorden.
Art. 3. De praeses omgevraagt hebbende hoe men nu met haar verder handelen soude, so heeft de E. vergaderinge geoordeelt, dat sij den Kkedienst onweerdigh waaren, en moesten gedeporteert sijn, omdat sij de E. classis volgens de Resolutie des E. coetus in geenen deelen hebben willen gerust stellen En de dat in haar plaatse Een Nieuwen Kkenraadt sal moeten worden verkooren.
Art. 4. Is naader omgevraagt, aangaande den persoon meester Nicolaas Sijncke, wat met hem te doen sal sijn, aangesien hij ook schoolm. en voorsanger is, hierop is geresolveert het Coll: Qualif: van Schoor en Vlaake van advijs te dienen tot deportement van de voorsz Sijncke, want de vergaderinge oordeelt dat hij den dienst van voorleser En voorsinger van nu aan met geen stigtinge meer sal kunnen waarnemen En stigten.

|415|

Art. 5. Tot de verkiesinge van een anderen Kerkeraad En verdere besorginge der KKe tot Schoor en Vlaake, tot aan de bevestinge van den nieuwen Kkenraadt sijn gedeputeert Ds Harinck, Haymans, de Kuyser en Ds Reynink.
Art. 6 hiermede na alvorens God gedankt te hebben is de vergadering gescheiden.”

Men ziet dus een afzetting van den kerkeraad door de classis, het zij dan al of niet op instigatie van de Staten.

En een commissie door de classis aangewezen om te Schore en Vlake „te doen wat des kerkeraads is”. Pracht voorbeeld voor mijn tegenstanders! Al schrikken zij misschien een weinig van dat laatste.

Wat deed de classicale commissie in Schore en Vlake?

Er is geen rapport van in de Acta der Classis zoover ik zag.

De heer De Kruyter deelt mij mede, dat de notulen van de deze jaren van de kerk van Schore en Vlake trots zijn ijverige nasporingen en die van den consulent Ds B. Ter Haar Romeny niet te vinden zijn, noch ter plaatse, noch in het archief van een andere gemeente waar zij geacht werden te zijn. Ik dank beide heeren voor hun voor mij gegeven moeite.

 

Wel deelt de heer De Kruyter, die bijzonder thuis is in de archieven der classis Goes (classis Zuid Beveland) mij mede, dat hij nog een geval uit de acta dier classis opgediept heeft waarin een halve kerkeraad (de predikant bij den kerkeraad geteld) afgezet werd. Ik deel uit de meer dan drie folio-vellen welke hij zoo vriendelijk was voor mij af te schrijven het volgende mede.

Op de buitengewone vergadering van de classis Zuid-Beveland van 27 October 1722 kwam een „remonstrantie” in van den kerkeraad van Nisse. In dit merkwaardige stuk deelen de ouderlingen en diakenen (3 oud. en 2 diak.) mede dat hun predikant Ds Lamotte op een vorige vergadering „de stoutigheid” heeft gehad een instructie tot censureering van den ambachtsheer van Nisse met hun namen onderteekend in te

|416|

brengen. Zij verklaren in dit stuk die instructie; voor een „seer vuyle en godloose” instructie. En dat „sonder eenige de minste kennisse veel minder toestemminge” van den kerkeraad opgesteld en verzonden. Het doen van den predikant wordt „een groote onbeschaamdheit” genoemd. De kerkeraad weet er niets van en heeft er nooit toe besloten. Dat zou hij „met eede” kunnen bevestigen. Die censuur is „vals verciert” en „laster”. De kerkeraadsleden getuigen nooit „zulk een instrument” geteekend te hebben, zooals de predikant zegt. Alleen die aangaande Gilliam Willems hebben ze geteekend, zeggen ze, maar deze nooit. Als hun namen daaronder voorkomen dan heeft de predikant dat gedaan of iemand anders maar zij niet. Die valsche onderteekening heeft voor hen kwade gevolgen. Het stuk is onderteekend door Jan Paulusse, Cornelis Swemer, Antony Cornelis Potter en Bartelemeus de Vroe, Wilem Cangi.

Drie hunner brachten het stuk ter classis.

Op 17 November 1722 hebben ze alle 5 voor de classis „gecompareerd”. Over 14 dagen zou de classis op alles antwoorden. Op 1 Dec. 1722 wordt de buitengewone classicale vergadering te Goes gehouden. Art. 6 der Acta luidt: „Den Kerkeraad van Nisse is een voor een gevraagt of hetgeen men haar in drij stukken voorlij de, namelijk, de censure van den heer (van Nisse en van) Gilliam Willemse, en de remonstrantie door haar ingelevert niet haar eygen handschriften waaren, of door haar handen onderteekend. Jan Paulusse en Bartholomeus de Vroe erkenden haar handschriften in dese stukken. Cornelis Swemer erkende alleen sijn handschrift in de remonstrantie, maar weet van de 2 andere stukken niet wat hij voor sijn hand sal houden, persisteerende dat hij sijn hand onder de censure van dhr. (van den heer v. L.) niet geset heeft. Antony Cornelis Potter erkende sijn hand scrift op de remonstrantie en seyde ook eer hij wist of hij de censure van den heer of van Gilliam Willemse voorhield dat het sijn handschrift ook was, hetgene onder de censure van den Heer stond, hoewel schijnende te meenen dat sijn

|417|

handschrift maar stond onder de censure van Gilliam Willemse en niet onder die van den Heer. Willem Cangi seyde ook dat het sijn handschrift scheen hetgeen onder de censure van den Heer stond maar God weet hoe het der onderkomt, seyde hij. Barthelemeus de Vroe erkende dat die perioden voorgevallen was in den kerkeraad op de voorbereyding en is bij de voorige resolutie gepersisteert.

Swemer, Cangi en Potter belijden dat van den Heer gedreygt was hoe se haar woord hielden de een meer den andere minder. Ook dat de gevangenis haar is voorgehouden en de deur van het Hof van den Heer. Dit seyde Jan Paulusse en Barthelemeus de Vroe.

Op 6 Jan. 1723 wordt de gewone classicale vergadering gehouden te Capelle. De procedure wordt vermeld in art. XI.

„Is vanwege de procedure van en over de saak van Ds La motte en den Kkeraad van Nisse geresolveert dat Ds Lamotte ten vollen is gefestificeert in die handteekeningen van censure en de 3 leden van den Kkeraad nam. C. Swemer, W. Cangi en A. Potter te condemneeren en executeeren (? v. L.) tot censura van ’t H. avondmaal totdat de E. Classis nader ordinere en deportement van haren kerkdienst, omdat sij niet alleen contrarie handteekeninge gaven, maar selfs met ede beloven te bevestigen hare laatste handteekening. Maar de 2 anderen t.w. Jan Paulussen en Bart. de Vroe om hare exceptie van ignorantie (? v. L.) en nadrukkelijk berouw over dit hun doen in onkunde en door bedreiginge geschied, te laten continueeren in de Kerkendienst alleen voor dese reise te censureren van ’t H. Avondm. en dat daar (door? v. L.) onse gedeputeerden Ds De Loos en Ds Brand een nieuwe kerkeraad te maken, met den predikant Ds Lamotte, en volgens bevind te handelen, en zoo als noodig is en dienstig is van haar sal bevonden worden.”

Dan volgt de „Continuatie der classis gehouden tot Goes den 12en Januari 1723”.

De gedeputeerden van de classis hebben mondeling en schriftelijk rapport gedaan van hare commissie tot Nisse, het

|418|

rapport luidt als volgt „7 Jan. 1723 Art. 1. De gedeputeerden gekomen tot Nisse hebben daar den coster de sleutels en al wat de vorige kerkeraad in handen had afgeeischt tewelke sij overgegeven hebben en nu in handen van Ds Lamotte is.
ar. 2. Hebben de Gedeputeerden met Ds Lamotte en met den ouderling J. Pauwlusen (niet als een stemhebbende) maar als een om de gedeputeerden van goede raad te bedienen, een rijp overleg gemaakt.
art. 3 Sijn de gedeputeerden in de consistorie vergaderd in aandagt.
art. 4. De Naam des Heeren is aangeroepen.
art. 5 Is omvraag gedaan en sijn opgesteld als ouderlingen en tot diakenen (volgen 8 namen. v. L.)
art. 6 Sijn met eenparige stemmen beroepen (uit deze dubbeltallen v. L.) Pieter Hoeymaker en Marinus Sijnke als ouderlingen en Adriaan van Noorden en Jacob Geeraarts als diaconen.
art. 7. Is order gegeven om van den predikstoel de afgezette af te lesen en bekent te maken: om haar ergerlijke misgedrag. en dat Ds Lamotte gerechtvaardigd is in dit geval. Jan Paulussen en Barthelemeus de Vroe sijn gebleven om haar leetwesen in den kerkedienst.
art. 8 Is orde gesteld om agt dagen na de bevestiging v.d. Kkeraad het Avondmaal des Heeren te houden.

De gedeputeerden

Petrus Brandt
Fred: Henr: de Loos.”

Tot zoover de classicale acta. Met dank aan den heer de Kruyter voor het breede afschrift.

Indien het argument „de vaderen deden het ook” ons zou kunnen overtuigen zoo zouden we bijkans voor de argumenten hier genoemd zwichten. Aan een reformatie van binnen uit wordt hier metterdaad al heel weinig gedacht. MAAR:

|419|

Ten eerste: let op de jaartallen 1712 en 1723! Zoo aanstonds iets daarover.

Ten tweede: Hoe kon er een afsnijden van het verband zijn bij de toenmalige opvatting van de Geref. Kerk als de publieke kerk, de eenig wettige?

Ten derde: Er is als bij de gevallen met de remonstrant-sche kerkeraden nog een medewerken der gemeente doordat men met den sterken arm in de gemeente komen kan en daar voorlezing van het besluit kan doen. En zoo haar medewerking inroepend. Een weg voor ons nu toegesloten.

Ten vierde: Wie zal b.v. dit laatste als een voorbeeld van censuur naar geref. kerkrecht durven noemen? Afgezien van de „debatable question” van de bewezen schuld van de veroordeelden.

Ten vijfde: Wat blijft er in zoo’n geval van de autonomie van de plaatselijke kerk over?

Ten zesde: De twee niet-afgezette kerkeraadsleden mogen niet eens meestemmen terwijl de Zeeuwsche K.O. voorschreef dat kerkeraadsleden zouden afgezet worden door den kerkeraad met advies der classis (art. 61 Reitsma en v. Veen VI p. 27). En dat ouderlingen en diakenen uit dubbeltallen zullen verkoren worden door de gemeente (art. 19 a.w. p. 19), of naar den wil der staten door kerkeraad en magistraat, en der gemeente voorgesteld worden. De vaderen schijnen zich weinig om een K.O. bekommerd te hebben. Want ik kan niet anders zien dan dat, ook volgens de instructie der classis, de „een parige stemmen” zijn die van Ds Lamotte en de twee classicale deputaten. Zij kiezen den kerkeraad!

Ten zevende. Twee broeders worden wel als gemeentelid gecensureerd d.i. in de uitoefening hunner lidmaatsrechten geschorst, maar niet als ambtsdrager!

Inderdaad, een wonderlijke praktijk.

Doch zien we verder.

Hier voor mij liggen in een dikke kwartijn de extracten van de „Resolutien van de Staten van Zeeland omtrent de kerkelijke zaken van 1577 tot 1751”. Men weet niet waarover

|420|

men meer verwonderd moet staan, of over de schier niet te tellen menigte dezer resolutiën (en, teekenend voor den gang van zaken, ze worden hoe langer hoe menigvuldiger en minitieuser), of over de velerlei materie waarover zij gaan. Ziehier enkele grepen. Classis Walcheren mag geen besluit nemen tot bestrijding van de sabbathsontheiligng, dat is de zaak der Staten, de classes moet haar besluit terug nemen en „obedientie” betoonen aan de Staten en deze om een besluit der Staten verzoeken. Hetwelk Walcheren na eenige protesten doet. De Staten dienen zich aan als „voedsterheeren van Gods kerk” (1 Febr. 1620) en zorgen als zoodanig voor schier alles, maar beslissen ook over schier alles. Geen prov. synode mag samenkomen zonder goedkeuring der Staten, deze moeten eerst het agendum zien en goedkeuren en over de zaken advies geven. De Staten besluiten of ergens een kerk mag geïnstitueerd worden, bevelen hoe de kerkeraad zal gekozen worden, geven al of niet verlof tot het beroepen van een predikant, veranderen de Kerkenorde, zetten predikanten af. De classes moeten hare acta inleveren aan de Staten. De Staten beslissen over de leer, („aan Christus geen onvolmaaktheid toe te schrijven”); zelfs over de exegese, de predikanten mogen „geen allegorische uitlegging buiten nood doen”, „de plaatsen in de H. Schrift voor doop en avondmaal aangehaald niet krachteloos maken”. Het is een kwestie in de deliberatie der Staten of een predikant mag leeren dat de martelaren 1000 jaren voor de andere menschen zullen opstaan. Resolutie daarover 7 Sept. 1623. Zij mogen geen theol. boeken schrijven over sommige onderwerpen (Cocceiaansche twisten.) De prins moet aan een strijd over een predikant (Ds. Momma te Middelburg) te pas komen, komt over in 1676 en breekt de oppositie door 7 regenten te Middelburg te „licentieeren” en 7 anderen in hun plaats te stellen. De prins zet een predikant af en „ordonneert desen sich buiten stad en provincie te absenteeren, als sijnde de grootste oorzaak van al de disorders”. Zelfs een voorzanger mag niet door den kerkeraad alleen naar resolutie der Staten gekozen worden,

|421|

maar de magistraat moet er zeggenschap in hebben. Oneenigheid in een plaatselijke kerk wordt door de Staten beslecht en de predikant moet van zijn ambt afstand doen. Ambachtsheeren en „hals-heeren” „vermaken den kerkeraad” (d.i. veranderen dien), enz.

Wie verwondert zich, dat bij deze mentaliteit de classes op advies of met goedvinden van de Staten een kerkeraad afzetten? „De wet verzetten” scheen den vaderen de eenige methode toe om oppositie te breken (zie boven en zie het geval Utrecht in mijn vorig artikel).

Niet veel anders was het in andere provincies.

Wilt ge meer weten sla dan behalve Fruin (vroeger door mij aangehaald) op het tweede deel van „Kerk en Staat” van Dr J. Th. De Visser (p. 154 en verv.) Wat al niet deden de vaders? Wat een willekeur! Wat een overheidsbemoeiing! De overheid stelde predikanten aan en zette ze af, ze nomineerde de kerkeraden (p. 182), benoemde ouderlingen en diakenen (p. 183). De ouderlingen en diakenen schijnen in sommige plaatsen zelfs geregeld door de magistraten te zijn benoemd (p. 184). In Zeeland als men weet door een collegium qualificatum, een kiescollege waarin èn de magistraat èn eenige gemeenteleden of kerkeraad zitting hadden. De Overheids-afgevaardigden zitten mede in de kerkeraadsvergaderingen of andere kerkelijke vergaderingen, roepen saam of verbieden zulke vergaderingen, discusseeren mede (p. 230.) Ze maken een kerkenorde (p. 231). Weigerde de approbatie van de K.O. door de kerken gemaakt (p. 232). Ieder kent de strijd daarover. Niet alleen dwong de magistraat menigmaal den kerkeraad (denk aan den strijd tegen Brakel in Rotterdam a.w. p. 328), maar greep menigmaal zelf in om de kerkelijke zaken te doen (a.w. p. 237), zette predikanten af en verbood prediking (p. 328, 250). Of liet de kerkeraden in naam beroepen maar inderdaad deed de overheid het (a.w. p. 250). De overheid schorste of zette kerkeraadsleden af (p. 265). De predikatie en de gebeden moesten geheel naar den wil der overheid worden ingericht (p. 279). De overheid

|422|

bepaalde vaak wanneer en waar er moest gepreekt worden, stelde zelfs den duur der predikatie vast, ja, verbood den predikanten een tijd uit zeker Bijbelboek (Jozua) te preeken (p. 279). „Letterlijk in alles wat de kerk deed had de overheid de hand” (l.l.). Zelfs in haar woord was de kerk niet vrij (p. 320). De kerk moest den staat of de staatkunde van sommige leiders dienen (l.l.) En ’t ergste — dit waren geen incidenteele gevallen. Dit was beginsel, leer. Had niet prins Willem reeds vermaand „bijtijds orde te stellen op kerkelijke personen en zaken” (p. 366). Had niet De Groot de staats-almacht in de kerk geleerd? En hadden niet Utenbogeart en Oldenbarnevelt dit practisch zoeken toe te passen (p. 336-374). De kerk heeft dank zij de hulp van prins Maurits de doorwerking dezer theoriën wel geknot, maar de kerk bleef toch in menig opzicht dienares van den staat en aldoor staken deze theoriën met meer of minder kracht weer den kop op, of bleven regelmatig gelden.

Zelfs Voetius met al de scherpte van inzicht en redeneering hem gegeven, en hoezeer hij ook de vrijheid en zelfstandigheid der kerk tegenover de overheid zoekt te verdedigen, gaat toch hierin niet vrij uit. Maar heeft een zwakke plek in zijn redeneering (a.w. p. 402). En Rivet steunde een bekenden voorvechter voor het recht der overheid in kerkelijke zaken (a.w. p. 375).

Dit alles poneert met klem de vraag: wie zou de praktijk der vaderen zonder meer tot leidraad durven nemen? Tenzij eerst aangetoond is, dat die praktijk berustte op de beginselen gegeven in Gods Woord, de Geloofsbelijdenis en de Dordtsche K.O.? Deze beslissen. Ik heb vroeger reeds uitvoerig aangetoond (E.E.F. p. 33-47 en In eigen rechte lijn p. 16) hoe èn door overheidsbemoeiing èn door willekeur der regenten èn door de slapheid der kerken er een groote verwarring heerscht in de praktijk der vaderen, zoodat deze zeker niet normatief voor ons geacht kan worden.

Uit het door Dr De Visser meegedeelde (a.w. II p. 117 en v.v.) is duidelijk te zien hoe het de bepaalde politiek der

|423|

Staten (zoowel provinciale als generale) was om een sterke Gereformeerde eenheid te hebben tegenover Roomschen, Dooperschen enz. Een eenheid waarop zij in hun regeeringsbeleid steunen konden. Vandaar dat de methode van een afsnijden van het geref. kerkverband door hen nimmer zou zijn toegestaan. Dat ging lijnrecht tegen hun politiek in. Oppositie in kerk en staat werd daarom onderdrukt door „de wet te verzetten”. Om de autonomie der plaatselijke kerk bekommerde men zich evenmin als om de K.O. Vandaar dat de beginselen van Belijdenis, K.O. en de theorie van mannen als Voetius en Hoornbeek zoo hemelsbreed verschillen van de praktijk die dagen. En het is duidelijk, dat niet de praktijk, maar wel de theorie de rechte lijn had. De zuivere theorie hebben zij nimmer kunnen toepassen.

Wie zal, de zaken zóó staande, de praktijk der vaderen tot richtsnoer voor onze kerkelijke actie of methoden durven aanbevelen? Laat ons blijde zijn dat we dien tijd voorbij zijn en hem stil laten rusten. En toch schijnt dat „de vaders deden het ook” nog bij sommigen het hoofdargument te zijn (Heraut, 18 Oct. 1931). Neen, noch uit wat de vaderen deden waarmee schier alles goed gepraat kan worden, noch ook uit de praktijk der Fransche kerken, ik wees er uitvoerig op in mijn vorig artikel, en dat niet zonder reden1), moet ons


1) Men deelt mij mede. dat in het onderwijs in het kerkrecht aan de V.U. het Fransche kerkrecht ook in deze zaak ten voorbeeld gesteld wordt. Maar het Fransche kerkrecht is immers op een ander stramien gezet. Ik wees er op in mijn vorige artikelen. De Franschen konden ook in dit stuk niet handelen zooals wij.
De Fransche kerkeraadsleden werden anders gekozen. De eerste maal door predikant en gemeente, daarna door adoptie door den kerkeraad. Ze werden dan twee Zondagen aan de gemeente voorgesteld „zoodat haar toestemming mag verkregen worden”. In geval van bezwaren zoo moesten deze door den kerkeraad behandeld worden, zoo noodig door classis en prov. synode. (The Discipline of the Ref. Churches of France Ch. III canon 1, in Quick, Synodicum p. XXXVII). Daar was dus niet die medewerking van het ambt der geloovigen als bij ons. De reformatie was bij ons meer democratisch als we vroeger zeiden, en als ook hier weer blijkt.

|424|

kerkrecht opgebouwd worden maar uit de beginselen zelve, uit Schrift, Belijdenis en uit onze K.O. Uit de beginselen daarin gegeven. En dan hebben zelfs zij die nu mijn tegenstanders zijn het eenmaal zoo geheel anders geleerd dan zij nu leeren. Ik wijs hier b.v. nog, behalve op wat ik vroeger van Dr H.H. Kuyper en Dr H. Bouwman aanhaalde, op wat Ds Joh. Jansen zegt in zijn „De Kerkelijke Tucht” (p. 80-88). Christus, de Koning der Kerk, oefent Zijn macht onmiddellijk maar ook middellijk uit. Middelijk „gebruikt hij daartoe allereerst het ambt der geloovigen. De gemeente heeft immers de zalving van den Heilige en weet alle dingen 1 Joh. 2: 20, is een koninklijk priesterdom 1 Petri 2: 9 en heeft een gewone en buitengewone roeping te vervullen”. „Hare buitengewone taak is, desnoodig, zich van de ambtsdragers af te scheiden en tot reformatie der kerk over te gaan, nieuwe ambten in te stellen enz.” (Ik cursiveer v. L.)

De gemeente heeft in onderworpenheid aan het Woord ook „een controleerende macht” over de ambtsdragers en den kerkeraad. Zoo dat, naar het hier door Jansen aangehaalde woord van Dr Rutgers uit „De beteekenis der gemeenteleden als zoodanig” (bl. 25, 26), het gebeuren kan, dat er botsing komen kan „dat den kerkeraad tegenover de gemeente, of eene gemeente tegenover den kerkeraad heeft vast te houden en dit kan zelfs naar den eisch des Woords het verbreken van het kerkverband tengevolge hebben”.

Ook hier komt het dus — zoo meen ik te mogen concludeeren — bij Rutgers op neer, dat er kan komen een botsing van de gemeente tegenover den kerkeraad en een breken met hem.

En op blz. 150 wordt door Jansen Voetius aangehaald, die met beroep op Paulus voorbeeld in Hand. 19: 9 (die zich met de discipelen afscheiden van de synagoge) zegt, dat het bij groot bederf voorkomen kan dat dan geraden moet worden „dat het gezonde deel zich afscheidt en zijn zaken op zichzelf behandelt”.

Dit wordt dan eerder (a.w. p. 152) uitgewerkt. Dus immer: zich afscheiden, reformeeren, maar nergens dat van

|425|

buiten een macht komen moet om den kerkeraad af te zetten, En evenmin hoort men in de geheele redeneering één woord daar over, dat men zulk een macht om dat te doen zou moeten inroepen.

En als bekend is werd door Jansen in „De bevoegdheid der meerdere vergaderingen” (p. 53) zulk een afzetten beslist ontkend. „Zulk een ingrijpende en dwingende macht heeft een meerdere vergadering niet”. En terecht wordt gezegd, dat, naar analogie van de tuchtmiddelen over de gewone leden en over de ambtsdragers, niet anders overblijft, in zulk een geval van halsstarrigheid van een kerk, dan het kerkverband eerst tijdelijk en gedeeltelijk en zoo dat niet baat ten slotte volstrekt en voor goed met haar te verbreken". En ook hier wordt de hardnekkigheid van den kerkeraad blijkbaar beschouwd als deformatie der kerk. Inderdaad niet tot de praktijk der vaderen maar tot de beginselen terug!

En wat kerkrechtelijke waarde heeft het beroep op de praktijk der vaderen daar deze praktijk toch vaak klaarlijk inging tegen de kerkenorde door al de kerken in generale synode te Dordrecht in den jare 1618/19 vastgesteld?

En waarom zou ik moeten aannemen, dat er wel in den loop der eeuwen (b.v. 18e eeuw) verslapping in de leer plaats had maar dat het kerkrecht, de kerkrechtelijke praktijk der vaderen, ongeschonden bleef?

En waarom zou ik moeten aannemen, dat waar zelfs bij een canonicus en dogmaticus als Voetius er kerkrechtelijke vlekken te bespeuren zijn (zie boven) de in dit stuk twijfelachtige kerkrechtelijke inzichten b.v. van Petrus van Mastricht, hoe dogmatisch zuiver ook, autoritatief zijn? Waren zij daarin niet allen kinderen huns tijds? En heeft — als we vroeger in dit tijdschrift aantoonden — de nationale regeeringsvorm niet invloed op de kerkrechtelijke zienswijze? Waarom zou dat ook hier niet het geval geweest zijn sinds de Staten en regenten meer aan het hoofd der republiek kwamen te staan? Juist die praktijk der vaderen moet ons in haar hiërarchisch verloop een waarschuwend voorbeeld zijn. Terug, mijne broeders, via Dordrecht naar Embden en Wezel. (Slot volgt.)