510,3
02-10-1887
(V) « » (VII)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

VI.

 

Een tweede punt, waarop lang niet genoeg gelet is, schuilt in de bijzondere gelegenheid van onzen Koning.

God de Heere alleen is souverein over Staat, Maatschappij en Kerk. Diensvolgens regeeren de koningen op aarde niet als waren ze zelven souverein uit eigen hoofde, maar alleen „bij de gratie Gods.” Ook zij zijn aangestelde ambtenaren. Dragers van op hen gelegde Souvereiniteit. Zoo staan ze steeds onder den Souverein van alle koningen en keizers.

En in zooverre staat onze koning Jezus met hen op één lijn.

Ook Hij is geen oorspronkelijk Souverein over de kerk, geen Souverein uit eigen hoofde. Ook Hij staat onder den Heere der heirscharen. Ook Hij is aangesteld. Ook Hij regeert bij de gratie Gods. Ook Hij is ingezet in zijn ambt, en voor dat ambt gezalfd.

Dit gaat zelfs zoover door, dat er eens een tijd komt, dat Hij het Koninkrijk aan den eigenlijken en oorspronkelijken Souverein zal overgeven, opdat God zij alles in allen.

Maar terwijl nu de Koningen op aarde in dit opzicht met Koning Jezus op één lijn staan en van ééne conditie zijn, bestaat er een onmetelijk verschil in beider natuur, wezensaard en gestalte.

Niet alsof niet beiden menschen zouden zijn. Mensch is elke Koning op aarde, en mensch is ook Koning Jezus. De Heere der heirscharen regeert over zijn kerk door den dienst van menschen. En Koning Jezus maakt daar geen uitzondering op.

Maar al zijn nu de Koningen op aarde en de Koning der kerk die in den hemel zetelt, beiden mensch, toch bestaat er tusschen beiden een zeer ver reikend onderscheid.

In tweeërlei opzicht: Ten eerste toch zijn Koningen op aarde enkel mensch, terwijl de mensch Christus Jezus tevens Gods Zoon en de Tweede Persoon der Drieëenheid is. En ten andere zijn de Koningen op aarde zondige menschen in den staat van zwakheid en sterfelijkheid, terwijl Koning Jezus mensch is in den staat der verheerlijking en der vlekkelooze reinheid.

Vandaar op aarde de dynastieën, de opeenvolging van koning na koning, de omverwerping en weeroprichting van tronen, terwijl in den hemel Koning Jezus altoos Koning blijft. Hij alleen. Hij alle eeuwen door.

Vandaar in de tweede plaats, dat op aarde, om de zonden en feilen en afdwalingen der vorsten allerlei instellingen in het leven moesten treden, om hun heerschzucht en domheid te breidelen; terwijl bij dezen Koning in het Jeruzalem daarboven van zonde of feil geen sprake kan zijn, en dus al zulke instellingen in zijn rijk en kerk ondenkbaar zijn.

En vandaar eindelijk in de derde plaats, dat de Koningen op aarde zeer beperkt en gebonden zijn, en buiten hun paleis noch zien noch werken kunnen dan door tusschenkomst van andere organen, terwijl Koning Jezus uit den hemel met zijn majesteit, genade en Geest overal in zijn kerk tegenwoordig is, zelf alle ding ziet en opmerkt, en zelf rechtstreeks in aller nood kan voorzien.

De invloed nu van dat drieërlei onderscheid is metterdaad onmetelijk.

Geen successie van Koningen, maar alle eeuwen door dezelfde Koning. En uit dien hoofde één wil, één beleid, altoos de ééne zelfde gedachte. Dus ook alle eeuwen door en onder alle natiën éénzelfde wet. Zijn Woord voor eens en voor altijd. Geen veranderlijkheid in de wetgeving door altoos nieuwe wetten, maar eenzelfde wet, regel en richtsnoer voor de kerk aller eeuwen, aller toestanden en aller volken.

Bij dezen Koning nooit vrees voor overheersching noch voor heerschzucht noch voor onderdrukking. Hij, die zijn leven voor zijn volk gaf, is de ideale Koning de eenig goede Herder onder de herders der volkeren. Een Koning die zijn troon niet in het bloed zijner landzaten, maar in zijn eigen dierbaar bloed gesticht heeft. Geen Vorst die op onderdrukking uit is, maar uit is op de vrijmaking zijner onderzaten. En die, waar men onder en over hen gedurig hierarchiën en heerschappijen poogt op te richten, die telkens omstoot en hun vrijheid hergeeft.

Geen sprake dus ook van een Staten Generaal of Parlement om den Koning voor te lichten: want hij kent en doorziet zelf met eigen oogen den toestand van heel zijn volk. En ook geen Staten-Generaal of Parlement om den Koning in toom te houden of te controleeren, want feil noch zonde is in Hem denkbaar.

En wat hier vooral in aanmerking komt, geen Koning wien belet wordt uit eigen oogen te zien, en die deswege verlengarmen noodig heeft, om de afgelegen deelen van zijn rijk te beheerschen, maar een Vorst, groot in macht, voor wien alle koperen deuren zich opheffen, en die, hoewel plaatselijk in zijn residentie in den hemel blijvend, toch door zijn genade, majesteit en Geest, zelf persoonlijk heel zijn rijk doorschouwt, al zijn kerken, en de opzieners en personen in die kerken, bij name kent, kent beter dan zij zichzelven kennen, en die in staat, bekwaam en machtig is, om uit den hemel zelf persoonlijk aller leven te voeden.

Hieruit nu vloeit voort, dat de ambtsdragers van dezen Koning in een geheel andere verhouding tot Hem staan, dan de ambtenaren van den aardschen koning tot hun vorst.

Deze laatsten toch komen bijna niet persoonlijk met hem in aanraking. Alleen aan de zeer hooge ambtenaren is dit vergund. Niet aan de minderen, die in steden en dorpen zijn organen bij het volk zijn.

Verreweg de meeste dezer ambtenaren werken dus in dienst van hun koning, zonder persoonlijk door hem te zijn ingelicht. Ze hebben een instructie of order, en daar werken ze naar. Maar ze arbeiden en dienen hun koning buiten den koning om. En de onderdanen van dezen aardschen koning komen bijna nooit anders met zijn macht in aanraking dan door de ambtenaren, ’t zij van den belastingheffer, betaalmeester, rechter, politieagent enz., hiërarchisch in allerlei graden en rangen getrapt optredend. Hoogere Rijksambtenaren, provinciale ambtenaren, gemeentelijke ambtenaren. Heel een kader, vertakt naar de grootere of kleinere deelen van het land zijn.

Maar bij den Koning der Kerk is dit alles van geheel andere natuur. Hij heeft in zijn rijk geen indeeling in provinciën of diocesen, in kantons of arrondissementen noodig. Al die getrapte rangen van een opklimmend kader vervallen bij Hem geheel.

En dit is natuurlijk.

Immers al deze getrapte rangen en opklimmende besturen, zijn door de koningen op aarde alleen daarom ingesteld, omdat zij geen kans zagen, om rechtstreeks met elk dorp en elke stad in gemeenschap te staan. En vooral vroeger, toen de post nog slecht en de telegraaf nog niet uitgevonden was, moest een koning zijn land wel in groote stukken indeelen; over elk van deze deelen een gouverneur zetten; en deze deelen weer zoo in onderdeelen splitsen, dat er evenals bij de militairen, hoogere en lagere commando’s waren.

Alleen op die manier toch is voor beperkte menschen beheersching van een groot terrein denkbaar.

Was derhalve Jezus onze Koning een beperkte Koning, gelijk onze vorsten op aarde zijn, dan zou dat evenzoo moeten.

Hij zou dan zijn kerk op aarde moeten indeelen en splitsen. Een hoofdindeeling naar de landen, en voor elk land een vicaris-generaal. In elk land splitsing naar de provinciën en voor elke provincie een Bisschop. Voorts die provinciën in onderdeelen gedeeld, elk met een Deken of Classicaal Bestuur aan het hoofd; en zoo eindelijk in elke stad of dorp een soort kerkelijk Burgemeester.

Zoo heeft dan ook elke Hiërarchie het met een getrapt kader ingedeeld en ingericht.

Zoo de Paus.

Zoo de Anglicaansche kerk.

Zoo het Synodaal genootschap.

Dit alles echter is één doorloopende loochening en miskenning van wat onze Catechismus belijdt, dat Christus onze Koning met zijn majesteit, genade en Geest steeds aan elke plaats en aan elk oord werkzaam is.

Stel u toch voor een aardsch koning, die de ongemeene en ondenkbare werkkracht bezat, om, door middel van telegraaf of telefoon, en voorts voorzien van een middel om zijn kracht tot aan de grenzen van zijn rijk te laten werken, en op elk oogenblik van den dag, elk zijner ambtenaren in elke stad en op elk dorp te leiden, en immers al die tusschenpersonen van gouverneurs enz. zouden overtollig zijn en wegvallen.

Een veldheer, die op hetzelfde oogenblik al de compagnieën van zijn leger kon com-mandeeren, zou geen majoors en kolonels en generaals noodig hebben.

En zoo nu is het feitelijk met Koning Jezus.

Of het rijk zijner kerk in duizend of tien duizend steden en dorpen optreedt, maakt voor Hem geen verschil. Hij is en blijft die allen even na.

Indeelingen en onderdeelen en veelheid van ambtenaren heeft hij dus niet noodig.

Hij kent dientengevolge geen andere dan plaatselijke kerken in elke stad en elk dorp, en heel de beperkte menschelijke indeeling in provinciale en landskerken en werelddeelkerken bestaat voor hem niet.

De kerken in Amerika zijn hem even na als de kerken in Europa.

Ze zijn van den hemel niet verder af.

En zoo ook, of ge de kerk van Jezus in Emden of Amsterdam, in Edinburg of Leeuwarden neemt, dit maakt voor Hem geen onderscheid.

De hemel, waar Hij resideert, is van alle deze steden even ver, en zijn genade, majesteit en Geest overal even nabij.

En vandaar eveneens dat Hij slechts één soort van ambtsdragers kent, t.w. hen die verbonden zijn aan de plaatselijke kerken.

Ambtenaren voor een land of een provincie of een classis kent de Heere niet.

Hij kan ze niet kennen.

Het zou een weerspreken en opheffen zijn van de goddelijke majesteit van zijn Geest.

Zoo ziet men dus, hoe de onware voorstellingen der Hiërarchie volstrekt niet enkel het Kerkrecht, maar wel terdege de Belijdenis van den Christus en zijn Eere raken.

Onder de Hiërarchie stompt men de geestelijke werkzaamheid van den Christus af, en maakt hem tot een roi fainéant, een stilzittend Koning in zijn geducht paleis daarboven.