506,2
04-09-1887
(I) « » (III)

 

 

Van het Kerkelijk ambt.

II.

 

Wie over het kerkelijk ambt meê wil spreken, behoort vooraf duidelijk te verklaren, wat hij onder het woord „ambt” verstaat. Verzuimt men dit, dan spreekt men in den wilde en is buiten staat om in het kruisvuur van woord en tegen woord, de klem van zijn betoog voelbaar te maken; ja, ten leste zelfs buiten staat, om den draad van zijn eigen betoog weer te vinden.

Er zijn er, die het begrip van „ambt” beperken willen tot de hoogere staatsbetrekkingen. Dit echter gaat niet op.

Onze oude Gouverneur-Generaals te Batavia waren niet in eenig staatsambt ingezet, maar aangesteld door de Oost-Indische Compagnie; en toch zal niemand aarzelen, om te erkennen, dat ze metterdaad een „ambt” bekleedden, en een veel gewichtiger ambt zelfs dan een „gecommitteerde te velde” onder de Staten.

Oorspronkelijk waren de oude Universiteiten vrije stichtingen, wier hoogleeraren niet door den Staat benoemd werden, en toch is er nooit aan getwijfeld, of hun professoraat was een ambt.

En nog heden ten dage zijn in Amerika alle kerken vrije kerken en brengt toch het spraakgebruik mede, dat deze alle, voor zoover ze niet independentistisch zijn, het ambt op heur erve eeren.

Aan het Staatsgezag op zichzelf hangt het ambt dus niet.

Toch kan ook omgekeerd weer niet gezegd, dat alle betrekking of alle beroep een ambt is.

Immers, wie sprak ooit van het „ambt” van bakker, of ook van het „ambt” van klerk op een kantoor.

In het denkbeeld van „gezag over anderen” zonder meer ligt het begrip van ambt evenmin; want een schuitenvoerder op een pink heeft zeer zeker zeggenschap, autoritair zeggenschap zelfs, over de bemanning, zoo visschers als matrozen, en toch wie vereerde zijn stuurmanschap ooit met den eeretitel van het ambt?

Een directeur op een kostschool, en zelfs tot op zekere hoogte, een gouverneur, en een kinderjuffrouw, hebben zeker zeggenschap over de hun toevertrouwde jeugd, zonder dat daarom iemand van het ambt van een kostschoolhouder of kinderjuffrouw zal gewagen.

En nog minder mag een ,,ambt” met het gewone beroep van ambacht, nering of bedrijf verward.

„Ambacht” en „ambt”, hoewel in oorsprong verwant, hebben in hoogeren zin niets met elkaar gemeen.

Noch de opperman noch de smidsknecht, zal ooit iemand zeggen dat een ambt bekleeden.

Wil men daarom tusschen de begrippen van beroep, ambacht, bedrijf en dienst eenerzijds, en dat van ambt anderzijds een soort grenslijn trekken, dan dient veel dieper in het wezen van het ambt ingedrongen.

En dan meenen we, als karakteristiek voor het wezen van het ambt te moeten wijzen op de navolgende kenteekenen.

Ten eerste geldt dit als kenmerk:

Het ambt worde geboren uit de noodzakelijkheid, om voor de uitoefening van Godswege over anderen ingestelde macht, de hulp van menschen aan te wenden.

Op het van Godswege valt hier de nadruk. Er is geen ambt of er moet een macht over menschen van Godswege uitgaan.

Toch is deze bepaling op zichzelve niet voldoende.

In het paradijs, waar God zelf rechtstreeks de menschheid regeerde, is nog geen spraak van een ambt.

Denkt ge u een kleinen staat, waar de vorst heel het volksbelang in eigen persoon verzorgde, dan zou er buiten den vorst ook geen ambt in zulk een miniatuurstaat ontstaan.

Wel komt daarentegen het ambt op, zoodra de regent van een land niet bij machte is, om zelf in eigen persoon overal bij te zijn en elk belang te verzorgen. Dan toch behoeft hij organen, door wie hij zich verveelvuldigen kan. En zoodra deze deeling van taak, niet maar bij stukwerk losweg toegaat, maar vaste regeling ontvangt en tot vaste verdeeling van de regeertaak leidt, begint elk zulk deel van de regeertaak den oorsprong te geven aan een ambt.

Het is dan welbezien altoos de bij Godes gratie regeerende vorst, die het zelf moest doen in eigen persoon, maar om zijn beperktheid het niet zelf doen kan, en nu, opdat het toch gedaan of beter gedaan worde, vaste organen schept door wie hij dit werk, als deed hij het zelf, volbrengen laat.

Naarmate nu of het land of in dat land de regeertaak zich uitbreidt, zal ook de behoefte ontstaan aan meerdere organen. Zoo zal het getal ambten, en het getal van bekleeders van die ambten zich gestadig uitbreiden. Maar hoe breed het ook in zijn vertakkingen uitgroeie, nooit werkt in al deze ambten iets anders dan de ééne en ondeelbare vorstelijke macht, die hem van Godswege is opgelegd.

Wel doet zich soortgelijk geval ook voor op een fabriek of in een groot magazijn, of een uitgebreid kantoor; maar bij deze takken van menschelijke werkzaamheid komt daarom nooit van een ambt sprake, omdat noch die fabriek, noch dat kantoor in het leven traden met een macht hun door God over anderen gegeven.

Op die fabriek, op dat kantoor heerscht eigenbelang. Ze traden op om geld te verdienen. Niet voor het land, maar voor eigen firma of aandeelhouders. En alle gezag op deze fabriek of dat kantoor door opzichters uitgeoefend, ontstaat alleen uit contract. Wie weg wil, gaat weg. Wie komt, onderwerpt zich vrijwillig.

Dat de Universiteiten hierop van oudsher eene uitzondering maakten, is omdat de Universiteiten wel wezenlijk bekleed zijn met een van God uitgaande macht. Ze treden op met de pretentie van het rijk der waarheid te dienen. In dat rijk heerschen van God gegeven wetten der logica enz. En het is in dien zin, dat men zeer terecht spreekt van een „priester der wetenschap.” Want al geven we grif toe, dat menig man van wetenschap tegen de waarheid ingaat, dit is ook het geval met menig vorst die tegen het gezag van God ingaat. Maar de roeping en pretentie blijven niettemin, dat er uitoefening plaats heeft van een macht over het menschelijk denken aan de Universiteit, gelijk over de menschelijke personen in den Staat, en dat de uitoefening van deze macht gebonden is aan de goddelijke ordonnantiën en niet het eigenbelang of eenig particulier belang, maar Hem dient.

Zoo moet ook ten opzichte van onze oude Oost-Indische Compagnie opgemerkt, dat zij metterdaad in de plaats van het Staatsgezag trad, en bij octrooi bekleed was met een macht over de Indische volkeren, die slechts een gewijzigden vorm aanbood van verdeeling van de regeertaak.

Een tweede hiermeê saamhangend kenmerk voor het ambt is, dat het niet strekt om eigen wil door te zetten, maar om zich dienstbaar te stellen aan een hoogeren en algemeenen wil.

Hierbij echter moet gelet op het onderscheid tusschen ambt en dienst in lageren zin, dat men het zuiverst uiteen houdt door te onderscheiden tusschen het orgaan en het instrument.

Een instrument wordt geacht willoos te zijn en eenvoudig gebruikt te worden. In een orgaan daarentegen werkt een eigen leven, maar een eigen leven, dat zich dienstbaar stelt aan een gemeenschappelijk en onderwerpt aan een hooger leven.

Een aannemer die polderwerkers voor het heien der palen en opperlieden voor het metselen der muren huurt, rekent met hun kracht en hun arbeidsvermogen, maar toch slechts als door hem gebruikte instrumenten die eenvoudig op bevel uitvoeren wat hij hun gelast.

Een vorst daarentegen, die zich in allerlei ambtsdragers verveelvuldigt, heeft iets heel anders noodig. Wat hij behoeft zijn geen instrumenten, maar organen.

Hij neemt ze dus als personen, die in zijn plaats treden, die hem vervangen, en in wie hij zelf geacht wil worden tegenwoordig te zijn.

Hier is dus noodig een eigen leven, met eigen denken, eigen beleid en eigen wil. En hoever ook zijn gebod en bevel gaat, toch is de eigenlijke uitoefening van hun ambt, hun daad, die in hun spontaneïteit oorsprong vindt.

Bij elk ambt zijn dus deze twee geëischt:

Ten eerste, dat de persoon, die het ambt aanvaardt, met bewustheid zijn eigen persoon en wil ten dienste stelle van de hooger macht die hem met dat ambt bekleedt, om, zoo dikwijls hij in zijn ambt optreedt, niet uit eigen naam te handelen, maar wilsuitvoerder te zijn van de macht die hem aanstelde.

Er is geen ambt denkbaar zonder dit kenmerk, en slechts in zooverre wordt een ambt als ambt waargenomen, als de drager er van steeds handelt in het bewustzijn van dien hoogeren, hem opgelegden wil uit te dienen.

Mits, ten andere, steeds onder het zooeven reeds genoemde beding, dat hij dit zelf wil, en zich in zedelijken zin, zonder verloochening van zijn karakter, hiertoe gerechtigd acht.

Het doel door die hoogere macht beoogd, moet ook zijn levensideaal zijn. Hij moet in deze onderwerping aan dien hoogeren wil zelf, zonder krenking van zijn persoonlijkheid, kunnen inleven. Geen machine mag hij zijn, maar zelfbewust orgaan moet hij blijven.

Ten derde, elk ambtsdrager moet diensvolgens aangesteld zijn, tot zijn ambt zijn benoemd.

Een ambt kan niet ontstaan uit overeenkomst of contract; ook al zij het dat de aangestelde, schijnbaar in den vorm van contract, zekere voorwaarden laat vaststellen.

Elk ambt is altoos overdraging van een u persoonlijk vreemde macht, die van Godswege op u gelegd wordt. Zelfs dan, als gelijk vroeger veeltijds gebeurde, een ambt gekocht wierd, is het nooit de koopsom die het ambt aanbrengt, maar wordt door dit koopcontract alleen de persoon vastgesteld en aangewezen, op wien nu daarna eerst het ambt en de macht van het ambt gelegd wordt.

Als een volk het recht heeft zelf zijn ambtenaren te benoemen, gelijk dit in Amerika, en deels in Engeland het geval is, dan is het daar nog volstrekt niet het volk, dat door zijn keuze die macht oplegt, maar zelf alleen den persoon aanwijst, op wien nu voorts daarna eerst door zijn installatie de macht gelegd wordt.

Ten vierde, de opgelegde macht, waarmeê de drager van het ambt bekleed wordt, moet altoos macht van Godswege zijn, al is die ook nog zoo afgeleid, en door nog zoo veel kanalen hem toegevloeid.

Een vereeniging op zichzelve kan geen ambt scheppen. De directeuren van een assurantie- of gas- of waterleiding-maatschappij bekleeden geen ambt.

Er is nooit een ambt of er moet een rechte lijn van dat ambt naar Gods souvereiniteit loopen.

Immers er is bij het ambt altoos sprake van gezag door den éénen mensch over den anderen uitgeoefend. En dat gezag bezit niemand krachtens zijn menschelijk bestaan. Zelfs de vader of moeder niet over hun kinderen.

Alleen God heeft van nature gezag over al zijn schepselen en dus ook over ons menschen.

En langs welk kanaal of orgaan Hij, de Heere, nu ook dat gezag doe afvloeien, daar is gehoorzaamheid plicht en is hij die ze afeischen mag en moet, ambtsdrager.

Ook een vereeniging kan dus ambten scheppen, mits die vereeniging geen toevallige, maar een noodzakelijke zij, en krachtens haar souvereiniteit in eigen kring, metterdaad zelve orgaan van eenig deel van de mogendheid des Heeren zij.

Ten vijfde, zij opgemerkt, dat het karakter van ambt bij deze organen dáár ophoudt, waar de persoonlijke verantwoordelijkheid voor het beleid der zaak een einde neemt.

Een portier aan het ministerieel bureau bekleedt geen ambt en evenmin een kopiïst op het parket.

Want wel hebben deze persoonlijke verantwoordelijkheid voor het hun opgedragen werk, maar deze verantwoordelijkheid raakt niet den gang en het beleid op het ministerieel bureau noch den gang van hetgeen het parket beslist als zoodanig.

Ten zesde voegen we hier aan toe, dat het ambt den persoon en niet een deel van zijn tijd vraagt.

Het is zoo, sommige ambtsdragers, b.v. de President van menige republiek worden voor een bepaald aantal jaren aangesteld, maar dat zijn uitzonderingen, en de regel is, dat wie een ambt aanvaardt, als persoon wordt opgeëischt, en geacht wordt zijn levensexistentie voor dit ambt beschikbaar te stellen.

Hij mag daarom wel andere dingen ook doen, maar toch slechts als bijzaak. Zijn ambt is zijn werkkring, waar hij aan toebehoort en dat recht op hem heeft.

Het lidmaatschap zelfs van een Staatscommissie is daarom geen ambt, wijl het slechts tijdelijk en voorbijgaande is.

In het ambt ligt het duurzame, het blijvende. Het is een heilige dienst in het machtig raderwerk, waarmee de Heere onze God een volk drijft in al zijn levensuitingen.

Waar ten zevende, en hiermeê zal de onderscheiding van ambt en niet-ambt genoegzaam voltooid zijn, nog bij komt, dat het ambt niet om loon maar uit toewijding moet bediend worden.

Bij het ambt is niemand er van af met om loon te werken. Hij dient uit toewijding, en het traktement of salaris is geen loon, maar slechts middel tot levensexistentie; wijl het billijk is dat de hoogere macht die zijn leven in dienst neemt, dat leven ook verzorge.

Vandaar het onbezoldigd ambt, wat eigenlijk het hoogste en ware ambt is.

En alle bezoldiging in het ambt mag dan ook nooit andere strekking hebben, dan om te zorgen, dat de waarneming van het ambt uit gebrek en nooddruft niet lijde.

Nu zijn deze eischen natuurlijk bij hoogere en lagere ambten zeer verschillend; maar maatstaf mag hierbij nooit vraag en aanbod zijn.

De eischen van het ambt zelf geven den eenig juisten maatstaf aan.

En ook.

Wie om loon dient, ontving, zoo hij zijn loon heeft, al wat hem toekwam. De ruil van dienst en geld is voleind.

Maar zoo is het in het ambt niet.

Als de drager van het ambt van zijn salaris of traktement geleefd, en met dat leven zich aan zijn ambt gewijd heeft, is hem nog niets vergoed voor wat hij presteerde.

De ware ambtsdrager wacht zijn loon van zijn God.