63
2,68-71
01-05-2015

|68|

Kan ik lid worden?

Over het eigenaardige van kerklidmaatschap

 

Hij is een regelmatige gast in de zondagse diensten. De boodschap spreekt hem aan, zegt hij. Van huis uit had hij er ook wel iets van meegekregen, was zelfs gedoopt, maar had zich er nooit zo in verdiept. Tot nu toe. Want in deze kerk voelt hij zich thuis. Dus: ‘Kan ik lid worden? Nee, belijdenis heb ik nooit gedaan, ben ik ook nog niet aan toe. Maar jullie hebben toch zoiets als doopleden? Kan ik niet als dooplid worden toegelaten?’

We zijn in de publieke samenleving gewend aan verenigingen, waarvan iedereen lid kan worden die dat wil. Een bepaalde betrokkenheid met het doel van de vereniging is voldoende. De enige harde eis is meestal dat je contributie betaalt. Heb je die voldaan dan krijg je daar stemrecht voor terug: de gezamenlijke leden bepalen het beleid van de vereniging.
In de kerk is dat allemaal anders. Dat wekt nog wel eens bevreemding of zelfs irritatie: waarom moet de kerk zich zo afwijkend opstellen? Totdat je ontdekt dat het spreken over ‘leden’ afkomstig is uit de bijbel en daar wordt toegepast op de kerk. De kerk is hier het origineel; de diverse vormen van verenigingen zijn slechts een afgeleide, een kopie. Het is aardig wanneer die kopieën niet te veel afwijken van het origineel; maar het origineel hoeft zich niet te schamen wanneer het verschilt van de kopie.

 

Lichaam van Christus

Het beeld van ‘het lichaam en de leden’ heeft zijn oorsprong bij Paulus. Of eigenlijk bij Jezus Christus. Toen hij bij zijn laatste avondmaal het brood uitdeelde, zei hij: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie’ (1 Kor. 11: 24). Paulus concludeert daaruit dat de deelnemers één lichaam gaan vormen (1 Kor. 10: 16, 17). Dat is dan het lichaam van Christus, waarvan wij allen de leden zijn (1 Kor. 12: 12). Ook verbindt Paulus dit met de doop: de doop als teken van de inlijving in Christus (1 Kor. 12: 13, Rom. 6: 3).
Het lidmaatschap van de kerk is dus allereerst een innige relatie met Christus. De Geest van God bewerkt de relatie door middel van het geloof. Je bent lid van Christus.
Vervolgens wordt deze relatie zichtbaar gemaakt door middel van de sacramenten. De doop dompelt je onder in Christus. Het avondmaal laat je proeven van die verbondenheid met Christus en met allen die bij hem horen. Samen vorm je aan het avondmaal zijn lichaam.
Pas als laatste komt de ledenadministratie van de kerk. Daarin wordt genoteerd wie de doop hebben ontvangen en wie door middel van openbare geloofsbelijdenis bekend zijn als de vaste deelnemers aan het avondmaal. Samen vormen zij de christelijke gemeente.

 

De juiste volgorde

Deze rangorde helpt ons de weg te vinden in de gecompliceerde werkelijkheid van alledag.

|69|

Daarin kan het gebeuren dat iemand wel met Christus verbonden is, maar om bepaalde redenen niet is gedoopt, geen avondmaal viert en ook niet is opgenomen in een kerkelijke ledenadministratie. Of het kan gebeuren dat iemand wel is gedoopt en misschien zelfs deelneemt aan het avondmaal, maar geen geloofsrelatie met Christus heeft. Of het kan gebeuren dat iemand wel in de ledenadministratie staat vermeld, maar nooit deelneemt aan het avondmaal. Zeg dan niet dat het allemaal niet uitmaakt ‘als je maar een levende relatie met Jezus hebt’. Want Christus Jezus zelf was het die opdracht gaf tot doop en avondmaal. En hij was het ook die daarmee een zichtbare gemeenschap wilde opbouwen. Sacramenten en administratie, ze doen ertoe. Maar wel in de juiste volgorde: eerst Christus, dan doop en avondaal en in aansluiting daarop de kerkelijke administratie.

 

Een nieuwe dopeling

Duidelijk is deze volgorde te herkennen wanneer iemand die nooit eerder was gedoopt, zich wil aansluiten bij de kerk. De ouderlingen zullen zich er dan eerst van vergewissen dat de betrokkene weet wat hij van Christus gelooft en dat hij werkelijk gelooft wat hij van Christus heeft geleerd. Zo nodig regelen ze aanvullend onderwijs. Maar wanneer de uitkomst positief is, delen ze dat verheugd mee aan de gemeente. Wanneer op die manier de instemming van de gemeente is verkregen, wordt de betrokkene gedoopt. Daarbij moet hij beloven voortaan het avondmaal te gebruiken. Tot slot wordt hij ingeschreven in de ledenadministratie.
Keer dat niet om: dat je een belangstellende bezoeker gretig noteert als lid, hem vervolgens zo snel mogelijk doopt en uitnodigt aan het avondmaal. En dan maar hoopt dat hij daardoor een band met Christus opbouwt. Dat lijkt misschien gastvrij, maar het miskent de ereplaats van Christus. De geloofsband met hem als het Hoofd is fundament voor het hele kerkelijk gebeuren.
Concreet: het is prima wanneer u een contact dat op weg is naar doop of openbare geloofsbelijdenis, alvast noteert als ‘catechumeen’ of iets dergelijks. Maar hang daar geen bijzondere status aan. Wanneer zo iemand na verloop van tijd afhaakt, heeft de kerk niet het recht om hem of haar nog tijden te achtervolgen via de eigen adressenlijst.

 

Volgorde bij tuchtoefening

De genoemde volgorde is ook maatgevend bij de kerkelijke tucht. Die wordt actief wanneer we merken dat iemand wel christen heet, maar zich daar niet naar gedraagt. Hoe zit het met jouw verhouding tot Christus? Als die relatie door betrokkene wordt miskend, wordt hem de deelname aan het avondaal ontzegd. Blijft hij terugkeer naar Christus als Heer hardnekkig afwijzen, dan neemt de kerk afstand en wordt de naam van dit kerklid uit de administratie verwijderd.
Die volgorde is van belang omdat het door betrokkene nog wel eens omgekeerd wordt beleefd: ‘Ze wilden me kwijt! Ik mocht niet meer aan het avondmaal. In zo’n kerk kan ik niet meer geloven.’ De kerk moet erop letten dat ze voor zo’n omkering geen aanleiding geeft.

 

Doopleden en belijdende leden

De genoemde volgorde is eveneens noodzakelijk om iets te begrijpen van het onderscheid tussen ‘doopleden’ en ‘belijdende leden’. Opnieuw moet je dan starten bij de relatie met Christus. God vertelt dat hij die relatie bij voorbaat legt met onze kinderen. Ze worden geboren binnen de christelijke gemeente en zijn daarmee leden

|70|

van het lichaam van Christus. Dat wordt bezegeld met de doop.
Vanaf dat moment klinkt ook de uitnodiging om het avondmaal te gebruiken. Tieners krijgen catechetisch onderwijs om hen daarop voor te bereiden. Want bij het volwassen worden mag de relatie met Christus niet eenzijdig blijven: hij vraagt ons gelovig antwoord. Dat antwoord geven we mondeling bij de openbare geloofsbelijdenis en vervolgens geven we er uitvoering aan door deelname aan het avondmaal.
Er zijn zodoende (jongere) leden die alleen nog maar gedoopt zijn en er zijn leden die bovendien het avondmaal gebruiken. De laatsten noemen we ‘belijdende leden’; de eersten ‘doopleden’.
Beide termen zijn niet helemaal passend. Want ook de belijdende leden zijn ooit gedoopt. In die zin blijven ze ‘dooplid’. En het wezenlijke van belijdende leden is niet dat ze ooit belijdenis hebben gedaan, maar dat ze dit telkens blijven doen door deel te nemen aan het avondmaal. Tegelijk hebben beide termen wel zin. Doopleden ontlenen hun lidmaatschap van de kerk aan hun doop; belijdende leden zijn als zodanig kenbaar sinds hun openbare geloofsbelijdenis.

 

Scheef beeld

Nu zijn er doopleden die bij het volwassen worden niet de stap maken naar belijdenis en avondmaal. Om de een of andere reden maken zij pas op de plaats. Wanneer hun aantal toeneemt, geeft dat een misleidende kleur aan het onderscheid tussen doopleden en belijdende leden. De ‘belijdende leden’ zijn dan de mensen die actief betrokken zijn bij de kerk, terwijl de ‘doopleden’ de personen zijn die zich vooralsnog op enige afstand houden. Als je met die visie meegaat, is het niet vreemd om nieuwkomers de gelegenheid te bieden om eerst voorzichtig te beginnen als ‘dooplid’, voordat ze zich het serieuzere werk van ‘belijdend lid’ eigen gaan maken.
Maar belast nieuwkomers niet met dit scheve beeld. De kerk kent geen onderscheid tussen eerste- en tweederangs kerkleden. Allen zijn geroepen, allen mogen in Christus hun redding ontvangen. Als iemand zich bij de kerk wil voegen, kan dat alleen als keuze van het geloof, als keuze voor Christus. Dat willen we dus graag van de betrokkene horen (openbare geloofsbelijdenis) en zien (avondmaal). Het is vreemd wanneer iemand wel bij de kerk zou willen horen, maar niet bij Christus. Dat gaan we als kerk niet faciliteren door iemand wel te accepteren als kerklid, maar niet van hem te verlangen dat hij zich laat zien bij de tafel van Christus. Het één hoort bij het ander: het lidmaatschap van de kerk is volgend ten opzichte van de relatie met Christus, niet andersom.

 

Geduld

Ondertussen mogen we zeker geduld hebben met mensen die ergens naar toe moeten groeien.
We hebben geduld als kinderen niet kort na de geboorte in de kerk worden gebracht om te worden gedoopt. We rekenen ze al bij de kerk als lichaam van Christus; daarbinnen hebben ze immers het levenslicht gezien. Maar we zijn bereid met de doop te wachten tot beide ouders eraan toe zijn. Tegelijk dringen we er bij hen wel op aan om het niet te lang uit te stellen. Ouders ide

|71|

hierin nalatig blijven, houden hun kinderen onnodig op afstand van de kerk.
We hebben eveneens geduld met jongvolwassenen die het moeilijk vinden om zich ergens aan te binden en daarom terugschrikken voor het doen van openbare geloofsbelijdenis. We zullen ze niet gemakkelijk schrappen als lid. Wel blijven we hen in naam van Christus oproepen om zich te melden aan zijn tafel en voluit te belijden dat ze alleen kunnen leven van zijn genade. Wanneer ze zich daar afkerig van tonen, zullen we hen uiteindelijk toch buiten de gemeente moeten sluiten.
Zo hebben we ook geduld met nieuwkomers die eerst wat willen rondkijken in de kerk, voor ze zich er helemaal aan willen verbinden. We laten hen kennismaken met de gemeenschap en blijven hen vertellen over de wonderlijke daden van onze God. Zo nodigen we hen uit om voluit lid te worden: laat je dopen en vier met ons het avondmaal. Wanneer ze daar niet toe kunnen komen, worden ze dus geen lid. Want de doop vraagt om geloof: overgave aan Christus als Heer.