9
1e stuk, 1-50
01-01-1835

|1|

Geschied- en oordeelkundige aanmerkingen betrekkelijk het Formulier van verbindtenis, vastgesteld door de Algemeene Synode van de Nederlandsche Hervormde kerk in den jare 1816.

 

Dit Formulier luidt als volgt:

„Wij ondergeschreven door het Provinciaal kerkbestuur van . . . . (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken) tot de openbare predikdienst in de Nederlandsche Hervormde kerk geadmitteerd, verklaren bij deze opregtelijk, dat wij de belangen, zoo van het Christendm in het algemeen, als van het Nederlandsch Hervormd kerkgenootschap in het bijzonder, door leer en wandel, zorgvuldig zullen behartigen; dat wij de leer, welke overeenkomstig Gods heilig woord, in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk is vervat, ter goeder trouw aannemen en hartelijk gelooven, dat wij dezelve naarstig zullen leeren en handhaven, en dat wij op de bevordering van godsdienstige kennis, christelijke zeden, orde en eendragt, ons met allen ijver zullen toeleggen: verbindende wij ons, bij deze onze handteekening, tot al het voorschrevene, en om, zoo wij bevonden worden tegen eenig gedeelte van deze verklaring en belofte gehandeld te hebben, deswege ons te zullen onderwerpen aan de uitspraken der bevoegde kerkelijke vergaderingen.”

In dit Formulier, heeft men vermeend, dubbelzinnigheid

|2|

te ontdekken, voor zoo verre betreft de woorden: „dat wij de leer, welke overeenkomstig Gods heilig woord, in de aangenomene Formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk is vervat, ter goeder trouw aannemen en hartelijk gelooven.”

De één meent, dat dit, in dezen zin, is optevatten, dat onze formulieren van eenigheid eene leer voordragen, welke overeenkomstig is met Gods woord, en daarom moet aangenomen worden.

De ander verstaat er door, dat men verklaart, ter goeder trouw aantenemen en hartelijk te gelooven de leer, welke in de bedoelde formulieren wordt voorgesteld, voor zoo veel die overeenkomt met Gods woord.

Wat is hier bedoeld? Dit schijnt eene moeijelijke uitvorsching. Men kan het der Synode van 1816 niet meer vragen: want het meerendeel van hare Leden is reeds gestorven (*). Het kleiner getal is nog in leven; en van dit kleiner getal kan elk, zoo hij dit verkiest,


(*) Reeds overleden zijn: 1. De drie Praeadviseurs J. van Voorst, H. Roijaards, H. Muntinghe. 2. De Leden W.L. Krieger, Anth. van Deinse, C. van der Leeuw, N. Lobrij, C. Fransen van Eck, J.J. Scholten, D.K. Harmsen, F. Taijspil Janse. Nog in leven zijn: J.J. Dermout, H.H. Donker Curtius, W. Broes, D. Hendriksz., G. Benthem Reddingius, D. Delprat, Mr. J. van Leeuwen.
Dus elf overleden, en zeven nog in leven: niet acht, zoo als wij onlangs ergens, bij vergissing, opgegeven vonden.

|3|

wel zeggen, wat hij er bij gedacht en er door gemeend heeft; maar niemand zal wel, met zekerheid, kunnen zeggen, hoe het ten deze gesteld was bij alle de reeds gestorvenen.

Nogtans moet men niet wanhopen, om de zaak, zoo al niet tot zekerheid, echter tot eenen hoogen trap van waarschijnlijkheid te brengen, die voor de zedelijke overtuiging van iemand, wien het enkel te doen is, om te weten, wat ten deze waarheid is, weinig plaats voor twijfel zal overlaten.

Hiertoe moeten dienen de geschiedkundige opmerkingen, aan het hoofd van dit opstel beloofd. Tot het mededeelen van dezelve zijn wij ten volle in staat. Wij geven dezelve, volgens onze wel gegronde wetenschap en met geen ander doel dan om de waarheid aan het licht te brengen.

1. Men heeft wél onder het oog te houden den toestand, in welken de Nederlandsche Hervormde kerk zich, vóór en in 1816, bevond met betrekking tot het Formulier van 1619.

Wij hebben, door ons vertoog over de werking van dit Formulier, dien toestand opengelegd. Het komt kortelijk hierop neder: Men vorderde nog steeds de onderteekening der Formulieren met de Dordtsche verbindtenis; doch niemand hield zich hieraan verder dan zijne eigene overtuiging hem voorschreef. De onderteekening der Formulieren en van het formulier van verbindtenis had alle kracht verloren. Of wil men andere woorden? De Hoogleeraren en Predikanten waren facto, in het bezit geraakt van eene vrijheid, welke hun nooit wettiglijk was toegekend; en zij gingen

|4|

voort, met deze vrijheid te genieten, in weerwil, dat zij verbonden waren, om dezelve niet te genieten.

Moest deze gesteldheid van zaken worden gehandhaafd? Of moest zij door eene nieuwe vervangen worden? Deze waren de moeijelijke vragen, welke zich dadelijk voordeden, toen men aan eene nieuwe kerkelijke organisatie begon te denken. Voor beide liet zich een en ander zeggen.

Voor het laten voortduren van het werkelijk bestaande, waren, onder anderen, de volgende redenen: Het was een oud gebruik en het is steeds bedenkelijk, in een oud gebruik verandering te maken. — Het veranderen van zulk een gebruik scheen, in het bijzonder, ongeraden voor de rust der kerk. Het werk der formulieren is een noli me tangere. Men kan daar niet aan tornen zonder gevaar van beweging. Reeds waren er velen, die er voor uitkwamen, dat vele Predikanten hun niet genoeg Dordtsch regtzinnig waren. Wat geschreeuw zal er kunnen opgaan, als eene Synode besluit, om die oude onderteekening afteschaffen en den Hoogleeraren en Predikanten wettiglijk de vrijheid toetekennen, in welker bezit zij zich gesteld hebben. — Deze redenen pleitteden te meer voor het laten bestaan van hetgene bestond, omdat toch het oude Formulier alle kracht had verloren; niets meer beteekende, en liet men het maar ongemoeid, gaande weg, al meer en meer, onbeduidend zoude worden, als of het in het geheel niet meer in de wereld was.

Voor het veranderen waren echter ook zeer gewigtige redenen. — In de Formulieren komt niet weinig voor, waaromtrent men, bij later inzigt, anders heeft leeren denken. Kon men nu nog blijven vorderen eene onderteekening, opgemaakt in dagen, toen men dat inzigt nog

|5|

niet had? — Het aanhouden der oude verbindtenis gedurende eenen tijd, dat men zich vrijheid van onderzoek en van spreken had toegekend, had, nu en dan, schrandere, geleerde, brave en vrijmoedige onderzoekers der waarheid in moeijelijk gedrang gebragt, uit hetwelk zij zich menigwerf niet dan bezwarelijk hadden kunnen redden. Mogt men de aanleiding tot het herhalen van zulke voorvallen laten voortduren? — Het was voor het zedelijk gevoel van elken nadenkende stuitend, dat men eene belofte afnam, van welke men wist, dat zij niet, in alle deelen, zoude worden nagekomen: en dat Predikanten, die het voorbeeld behooren te geven van de uitsterste naauwgezetheid in het nakomen van eenmaal gedane plegtige beloften en verklaringen, niet konden in de dienst der kerk treden zonder het afleggen van eene verklaring van alle de artikelen der leer van de formulieren te houden voor in alles met Gods woord overeenkomstig, om straks daarna te handelen als of zij hadden verklaard: niet in alles. Mogt men dit laten voortduren? Mogt men het nader bevestigen? Of was men verpligt, hieraan een einde te maken en, voortaan, de Predikanten te verpligten tot eene verbindtenis welke overeenkwam met den staat der godgeleerde wetenschappen en alzoo ongeveinsd, van goeder harte, kon worden aangegaan en getrouw kon worden nagekomen? — Hier kwam bij, dat men niet overal in de Nederlandsche Hervormde kerk aan evenveel verbonden was. In de geheele Provincie van Vriesland had men nooit de leerregelen van de Dordtsche Synode onderteekend: even min het formulier van verbindtenis. Als men nu het Dordtsche formulier wilde behouden, zoude men het dan algemeen hebben gemaakt? Zóó zoude het noodig zijn geweest, om der eenparigheid wille,

|6|

welke men wilde bevorderen. Maar zouden de zelfstandige Vriezen, zich in de XIX eeuw de Canones Synodi Dordracenae hebben laten opleggen, van welke zij in de XVII en XVIII eeuw waren bevrijd gebleven? Zouden zij nu gereed zijn, om de hand te zeggen onder het Dordtsche formulier van verbindtenis? En zoo zij dit weigerden, wat zou men dan beginnen? — Zoo men het bestaande maar wilde laten voortduren; hoe het dan gemaakt met de Walcherensche Artikelne, welker onderteekening van alle Predikanten onder het ressort dier Classis, op den duur, werd gevorderd? Moest men dit laten voortduren? Zoo ja: moest het dan ook niet algemeen worden gemaakt? Zoo neen! waarom niet?

Alle deze en dergelijke bedenkingen waren voor het daarstellen van verandering. Welke waren de gewigtigste?

2. Men heeft wél onder het oog te houden, dat de verandering, tot welke, in deze omstandigheden, besloten is, haren grond heeft in het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde kerk in het koningrijk der Nederlanden.

Dit Reglement, vastgesteld bij koninklijk besluit van den 7enJan. 1816, bepaalt in Art. 24, dat „de Synode bepalingen maakt omtrent de wijze van admissie en de examina van hen, die tot leeraar bestemd zijn.”

Wat onderstelt dit Artikel? Duidelijk: indien al niet, dat de oude wijze van admissie, door eene nieuwe behoort te worden vervangen; zeker, en voor het minst, dat dezelve kan vervangen worden.

Men houde hierbij onder het oog, dat dit Artikel herkomstig is van de consulerende Commissie, enkel uit predikanten bestaande, en men wete er bij, dat dit

|7|

Artikel, bij deze Commissie is aangenomen, met eenparige stemmen, en zonder dat bij iemand der leden de bedenking is gemaakt, dat de Synode niet noodig had, zich hiermede te bemoeijen, dewijl de wijze van admissie bepaald was, en, zoo als zij nu bestond, kon en behoorde gehandhaafd te worden.

Toont dit niet, dat alle de Leden van die Commissie zijn van oordeel geweest, dat de redenen, welke pleitten voor het veranderen, meer gewigt hadden, dan die, welke daar tegen konden worden aangevoerd? Geeft het ook grond, om te denken, dat de beschouwing van den toestand, in welken zich onze kerk ten opzigte van de oude wijze van verbindtenis bevond, bij de Leden van die Commissie de overtuiging heeft doen vestigen, dat de oude wijze van toelating niet langer kon blijven bestaan: en dat die zelfde overtuiging ook het bestaan bij den Commissaris-Generaal, die het ontwerp van dit Reglement aan den Koning heeft aangeboden, als ook bij de Commissie uit den Raad van State, die hetzelve heeft onderzocht en tot de aanneming van hetzelve heeft geraden? Geeft het, eindelijk, ook grond om te verwachten, dat zoo men thans een nieuw formulier van verbindtenis, ter vervanging van het oude, zal vervaardigen, dit geenszins, zakelijk, hetzelfde zal zijn als het oude; maar dat het eene andere en meer vrijgevige kleur zal hebben?

3. Tot eene juiste beoordeeling, is, in de derde plaats, wél onder het oog te houden, hoe de Commissie, tot het ontwerpen van het Reglement op het Examen en de toelating de zaak heeft begrepen.

De Commissaris-Generaal, die bij de consulerende Commissie voorzat, verzocht, bij den afloop der werkzaamheden, twee leden, om zich te belasten met het

|8|

ontwerpen van een Reglement op het Examen en de toelating tot het predikambt. Deze leden hebben zich van hunnen last gekweten. Hoe heben zij het stuk der toelating begrepen? Dit moge blijken uit hun ontwerp zelve. Het 25 Artikel van hetzelve luidde als volgt:

„Hij (de Kandidaat) zal zich, bij handteekening moeten verbinden tot de stipte nakoming van al hetgene bij Art. 9 van het Algemeen Reglement op het bestuur der Hervormde kerken in de Nederlanden, is vermeld, en plegtiglijk beloven, niets, daartegen strijdig, te ondernemen.”

Dit was alles, wat zij voorstelden, bij het toelaten van Kandidaten, te doen onderteekenen. Alzoo: 1º. geene onderteekening meer van het oude Formulier van verbindtenis; 2º. ook geene onderteekening der Formulieren van eenigheid meer.

Zij, die dit hebben voorgesteld, zijn vervolgens leden der Synode geweest en hebben, in de Synode, toegestemd in het Formulier van onderteekening, zoo als dat aan het hoofd van dit opstel staat en sedert 1816 is ingevoerd. Van hen zal men dan toch behooren vast te stellen, dat zij zeker er niets door konden verstaan dan de leer der Formulieren, voor zoo verre die met Gods woord overeenkomt.

Of de meerderheid der Synode zich ten deze met het ontwerp zoude hebben willen vereenigen; zou te bezien gestaan hebben. Dit laat zich nu niet meer met zekerheid zeggen. Zoo zij er toe had besloten, zoude de toelating voortaan zijn verleend geworden zonder dat van de Formulieren van eenigheid eenig het minste gewag werd gemaakt. Zeker intusschen is het, dat het ontwerp, alzoo gesteld, zoude zijn aangeboden aan de Synode, indien niet eene omstandigheid zich had

|9|

opgedaan, welke het raadzaam had doen oordeelen, in de onderteekening van de verbindtenis, gewag te maken van de Formulieren van eenigheid. Deze omstandigheid is

4, het vierde punt, hetwelk hier, ter rigtige beoordeeling, behoort te worden onder het oog gehouden. Het is de stap, gedaan door de Classis van Amsterdam.

Deze Classis wendde zich, den 4 Maart 1816, tot den Koning met een adres, in hetwelk zij hare bezwaren tegen het Algemeen Reglement van Bestuur openlegde: en hierbij deed zij hare bekommering blijken over de regtzinnigheid en de Formulieren van eenigheid, als welke, zoozij meende, door de Synode, zouden kunnen veranderd worden, en dat deze zoude kunnen voorschrijven „wat te gelooven of niet te gelooven; te leeren of niet te leeren.” Ook gaf zij niet onduidelijk te kennen hare vreeze, dat men plan kon hebben, om „eene andere eenheid in geloofs- en leerpunten daartestellen;” dat men van schrede tot schrede zou voortgaan „in het veranderen der meest gewichtige leerstukken en door eene ongeregelde zucht voor het nieuwe, den godsdienst in deszelfs hartader zou aantasten.”

Dit adres deed zien, dat men, tot voorkoming van onrust, noodig had, eenigszins te gemoete te komen aan de ergdenkendheid van sommigen: en gaf aanleiding, dat er met de ontwerpers van het Reglement werd onderhandeld over een afzonderlijk Formulier van verbindtenis, in hetwelk de Formulieren van eenigheid zouden worden vermeld. Zoodanig stuk is toen ook vervaardigd en opgenomen in het ontwerp, hetwelk vervolgens aan de Synode is aangeboden. In hetzelve werd hoofdzakelijk herhaald wat, in Art. 9 van het

|10|

Algemeen Reglement, als algemeene verpligting, ook van de Predikanten, wordt uitgedrukt; maar met bijvoeging, dat zij „den vasten wil verklaarden, om de leer, in de Formulieren overeenkomstig Gods woord vervat, te prediken.”

Alzoo is deze invoeging van dit Formulier, in de eerste plaats, geweest eene concessie, of inschikkelijkheid, gedaan ten behoeve der zwakken, door dezelfde personen, die eerst hadden voorgeslagen, toetelaten zonder eenige melding van de Formulieren te maken.

Is het niet te denken, dat de meest rekkelijke uitlegging der woorden die zal zijn, welke het naaste komt aan de bedoeling van hen, die de concessie deden?

5. Als een vijfde punt, op hetwelk hier te letten is, stellen wij het lot, hetwelk dit nieuw ontwerp van Formulier bij de Synode heeft gehad. Hier zijn verschillende bijzonderheden onder het oog te houden, welke wij achtereenvolgende moeten uiteenzetten.

a. De eerste bijzonderheid, op welke men hier te letten heeft is deze, dat niet één lid der Synode, zoo min als vroeger één eenig lid van de consulerende commissie, tot het behouden van het oude en tegen het invoeren van een nieuw formulier van onderteekening gesproken heeft.

Er waren niet minder dan acht leden in de Synode, die geene leden van de consulerende commissie waren geweest (*). Is het niet opmerkelijk, dat er onder


(*) Deze waren de Hoogleeraren J. van Voorst, H. Roijaards, H. Muntinghe; de Predikanten J.J. Dermout, J.J. Scholten, K. Harmsen; en de Heeren F. Taijspil, Jz. en Mr. J. van Leeuwen.

|11|

dezen, zoo min als onder de anderen, iemand gevonden is, die te kennen gaf, van oordeel te zijn, dat de oude wijze van toelating, bij onderteekening van het sedert 1619 gebruikelijke formulier, behoorde, of ook maar, des noods, zoude kunnen behouden worden; maar dat, integendeel allen, over het ontworpen nieuwe formulier hebben beraadslaagd zonder voor het oude te spreken, en dat alzoo alle toonden, beheerscht te zijn van dezelfde overtuiging, dat er een nieuw formulier komen moest? En geeft dit nu eenigen grond, om te denken, dat het nieuwe formulier, hetwelk zij, straks daarna, zullen vaststellen, wederom zakelijk hetzelfde zal behelzen, als het oude formulier, hetwelk zij afschaffen? waartoe zou dan de geheele verandering hebben gediend?

b. Eene tweede bijzonderheid is deze: de Synode het onderhavige formulier vaststellende, had voor zich liggen het oude formulier van 1619, hetwelk zij, door dit formulier, deed vervangen.

Nu heeft men deze beide formulieren te vergelijken, om een groot verschil waartenemen: en wel zoodanig verschil, hetwelk aanduidt overhelling tot rekkelijkheid en het verleenen van meerdere vrijheid, dan vroeger verleend werd.

Vroeger (*) hebben wij doen zien, dat de vergelijking van het formulier van 1619 met het Geldersche van 1612 deed kennen eenen voortgang tot meerdere gestrengheid en het sterker aanhalen der banden, daar men het enkel noemen der leer in het Formulier van


(*) Over den zin en de strekking van het Formulier van 1619. Bijdr. 1834. bl. 742.

|12|

1612 veranderde in alle de artikelen en stukken der leer.

Als men nu, op gelijke wijze, het formulier van 1816 in vergelijking brengt met dat van 1619, zoo neemt men juist het omgekeerde waar. Want, voor alle de artikelen en stukken der leer, leest men nu weder het minder bepaalde, de leer.

Waarom nu is deze verandering gemaakt? Is van dezelve reden te geven anders dan deze, dat men heeft ingezien, dat de andere uitdrukking te sterk was; dat men zulk eene verklaring niet langer ter goeder trouw kon vergen; en dat men eene andere, meer rekkelijke, uitdrukking in de plaats behoorde te stellen? En, zoo men geene andere reden voor dit verschil kan geven, bewijst dit dan niet den rekkelijken geest der vervaardigers? En welke opvatting van hun formulier wordt dan de aannemelijkste?

c. De derde bijzonderheid, op welke men hier te letten heeft, is het verschil, hetwelk men waarneemt, tusschen het Formulier, hetwelk de Commissie had ontworpen, en dat, hetwelk de Synode vervolgens vaststelde.

Dit verschil is zeer merkwaardig. In het ontwerp werd genoemd „de leer, overeenkomstig Gods H. Woord, vervat in de Formulieren van eenigheid.” Dit heeft de Synode veranderd in „de aangenomene Formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk.”

Waarom is dit geschied? Omdat er Formulieren van eenigheid in de Hervormde kerk van Nederland bestonden en onderteekend werden, welke echter geene Formulieren van eenigheid van de Nederlandsche Hervormde kerk waren. Dusdanige waren de Leerregelen

|13|

van de Synode van Dordrecht en de Walcherensche Artikelen. Geen van beiden waren door de Nederlandsche Hervormde kerk, als zoodanig, in gebruik gebragt. De eerste waren nooit in Vriesland onderteekend: en de laatste nergens dan in het Classikaal ressort van Walcheren. Daar men nu algemeene bepalingen maakte, welke zouden moeten dienen voor de geheele Hervormde kerk van Nederland, moest men of deze, niet door de gansche kerk aangenomene formulieren algemeen invoeren; of men moest deze van de algemeene bepaling uitsluiten. Men verkoos het laatste en men deed dit door te noemen niet de Formulieren; maar „de aangenomene Formulieren:” waardoor van zelf wierden uitgesloten de Dordtsche leerregelen, en de Walcherensche artikelen.

Als dus hier wordt gesproken van Formulieren, zoo worden hier alleen aangeduid de Belijdenis en de Katechismus.

Men moest niet vermoeden, dat dit zóó, als bij verrassing, zoude zijn gesteld; zoodanig, dat sommige leden van de Synode hieraan niet hadden gedacht. Het bewijs voor het tegendeel is voor de hand. Er is hier met alle rondheid en opregtheit gehandeld. Bij het ontwerp, toch, van het Reglement op het Examen en de Toelating, was gevoegd een brief, welke sterkte, om dat ontwerp toetelichten en redenen te geven van hetgene in hetzelve al en niet was opgenomen. Deze brief werd, even als het ontwerp, gedrukt en met hetzelve aan alle de leden van de Synode ter hand gesteld. En, in dien brief, kon men, onder anderen, lezen: „Wij hebben gezwegen van zoodanige punten, welke voorheen hoogst belangrijk geacht werden, doch zulks tegenwoordig niet meer zijn; zoo als

|14|

b.v. de bekende vijf artikelen tegen de Remonstranten: het examineren in welke ons te meer ondoelmatig voorkomt, nadat, in een tijdsverloop van twee eeuwen, de geschillen over deze punten geheel zijn te niet geloopen; de ijver ter verdediging van de eene of andere meening geheel is bekoeld en het genootschap der Remonstranten zelve heeft verklaard, zich noch aan die artikelen te houden, noch naar dezelve beoordeeld te willen worden. — Uit welken hoofde het langer voortgaan met examineren over deze geschilpunten ons zelfs ongerijmd voorkomen moet.”

Hierdoor was de aandacht der Synode op de Dordtsche leerregelen gevestigd: en, wanneer zij, na deze verklaring gelezen te hebben, het examen in die Leerregelen niet in het Reglement opnam, gelijk zij dit daarin niet opgenomen heeft; zoo bewees zij hierdoor hare instemming met het bovenstaande: en nu voorts, in het Formulier van verbindtenis, gewagende van aangenomene formulieren, zoo blijkt, dat hier geene verrassing heeft plaats gehad; maar dat de Synode, met goed overleg, alzoo gesteld en te kennen gegeven heeft, dat men, hier van formulieren sprekende, alleen bedoelde de door de geheele Nederlandsche Hervormde kerk aangenomene, zijnde de Belijdenis en de Katechismus: en geene anderen. Hieruit blijkt, ten minste, middagklaar, dat, zoo men ook al verneemt, te moeten staande houden, dat de Synode straks hierna zal hebben verklaard, dat de leer der Formulieren is overeenkomstig met Gods Woord, men toch nooit vrijheid heeft, om dit uittestrekken ook tot de Dordtsche leerregelen, en deze te tellen onder de formulieren, door haar bedoeld.

|15|

d. Het Formulier, zoodanig als hetzelve voorkomt in het Reglement op het examen, is door de Synode vastgesteld op eenparig advis van de drie praeadviserende Hoogleeraren. Deze is de vierde bijzonderheid in het lot, welk dit Formulier bij de Synode gehad heeft en welke alzins verdient, nader uitééngezet te worden.

Wie waren deze Praeadviseurs? De Hoogleeraren J. van Voorst van Leiden; H. Roijaards van Utrecht en H. Muntinghe van Groningen.

Wat den eersten betreft: zoo hebben wij, in het vertoog over de werking van het Formulier van verbindtenis, door de Synode van 1619 vastgesteld (*), doen zien, dat hij behoorde tot die onzer godgeleerden, die voor zich zelven de vrijheid gebruikten van zich alleen in zoo verre te houden aan de leer der Formulieren, als zij deze met de Heilige Schrift in overeenstemming vonden: en dat hij niet schroomde, ronduit te kennen te geven, wat hij in dezelve vond, hetwelk hij in het woord van God niet aantrof. Wie kan gelooven, dat deze, aan anderen, banden zoude hebben willen aanleggen, door welken hij toonde, zelf niet te willen gebonden zijn? Wie het voor waarschijnlijk kunnen houden, dat hij, tot het aannemen van een Formulier van verbindtenis radende, in dat Formulier meer vond dan eene verbindtenis aan de leer der Formulieren alleen voor zoo verre die met Gods woord overeenkomt?

Hetgene wij hier vragen met het oog op den Hooggeleerden van Voorst, herhalen wij, met dubbelen nadruk, ten aanzien van den Hooggeleerden H.


(*) Zie Bijdr. voor 1834. bl. 859-61.

|16|

Muntinghe. Dat deze mede zich de vrijheid toekende, om van de formulieren aftewijken, in zoo verre zij hem toeschenen, niet overeen te komen met het woord van God, hebben wij mede, vroeger, bewezen uit hetgene hij geschreven en in het licht gegeven heeft onder de werking van het Dordtsche Formulier. uit dezen hoofde, geldt, nopens hem, hetzelfde, hetwelk wij, zoo even, hebben in het midden gebragt nopens den Hooggeleerden van Voorst. Maar er komt hier nog meer bij. Juist in hetzelfde jaar 1816 gaf hij in het licht het negende deel van zijne Geschiedenis der Menschheid naar den Bijbel, in hetwelk hij zich over het verband tusschen Jezus lijden en sterven en de vergeving der zonden verklaart op eene wijze, welke geheel en al afwijkt van hetgene men hieromtrent in de Formulieren van eenigheid aantreft (*). Hij was, op dien tijd, verder, bezig met het vervaardigen der tweede uitgave van zijne Pars Theologiae Christianae theoretica, welke, twee jaren later, het licht zag: en in welke hij deze zelfde denkbeelden, bij herhaling, voorstelde. Hetzelfde zij gezegd van hetgene hij, in beide schriften, voordraagt tot matiging van de leer van de eeuwigheid der straf, als welke alleen zal gelegen zijn in „eene onophoudelijkdurende en gevoelige schade, die wel, aan den éénen kant, niet alle toenadering tot gelukzaligheid uitsluit; maar die desniettemin hem, dien zij treft, altijd zeer verre doet verwijderd blijven van dien hoogen trap van gelukzaligheid, welken zij genieten, die zich reeds in dit aardsche leven van hunne zonden bekeerd hebben” (✝). Wij


(*) IX D. bl. 140-154.
(✝) Ald. bl. 201, 202.

|17|

vragen, met vertrouwen, of de man, die, ten zelfden tijde, dat hij raadt, om een Formulier van verbindtenis aantenemen, in hetwelk gesproken wordt van erkentenis der leer, welke, „overeenkomstig Gods Heilig woord, in de aangenomene Formulieren van eenigheid begrepen is;” en, die ten zelfden tijde, bezig is met alzoo te bewijzen, dat hij, op den duur, zich alleen aan die formulieren houdt, in zoo verre, hij die met Gods woord overeenstemmend vindt, ooit eene andere bedoeling kan gehad hebben, dan anderen aan die zelfde formulieren te verbinden, alleen in zoo verre ook zij die met Gods woord overeenstemmend zouden bevinden: en verder niet?

De derde Praeadviseur had zeker niet diezelfde redenen, om tot een vrijgevig formulier te raden, welke, uit hoofde van het bijgebragte, ten aanzien van de beide anderen bestonden. Hij toch had nooit iets geschreven, hetwelk niet ten volle zijne kerkelijke regtzinnigheid in het licht stelde; veel min iets, hetwelk ten bewijze strekte, dat hij zichzelven de bedoelde vrijheid toekende. Maar dit heeft niet belet, dat Hij, bij gelegenheid van het vaststellen van het onderhavige formulier, van zijne echt protestantsche denkwijze heeft doen blijken; verklarende Hij zich zeer rond en duidelijk hier voor, dat de bewoordingen zoo gesteld moesten worden, dat men geene aanleiding gaf, om te denken, dat men de formulieren eenigermate als eene tweede kenbron der waarheid aanmerkte. Wij geven dit als eene daadzaak, welke wij gaarne, ter eere van ’s mans nagedachtenis, vermelden.

e. Nadat de Praeadviserende leden, eenparig tot de aanneming hadden geraden, is het Formulier, door de stemmende leden der Synode, aangenomen met eenparigheid

|18|

van stemmen. Deze is de vijfde bijzonderheid op welke wij hier de aandacht moeten vestigen.

Daar allen het hebben aangenomen, moeten ook allen er in gevonden hebben, wat, naar hunne overtuiging, in een Formulier van verbindtenis, behoorde voortekomen. Of zij allen er hetzelfde bij hebben gedacht, is niet meer uittemaken met volstrekte zekerheid. Als men het oog slaat op de lijst der leden, die de Synode hebben uitgemaakt, kan men niet nalaten, te denken, dat sommigen, meer dan anderen, rekkelijk waren ten opzigte van het stuk der formulier-regtzinnigheid. Maar, het schijnt als zeker te moeten worden aangenomen, dat allen, min of meer, waren in hetzelfde geval, in hetwelk wij zoo even zagen, dat de Hoogleeraren van Voorst en Muntinghe althans zeker verkeerden. Wij gelooven niet, dat er een eenig Predikant in de Synode zat, die niet reeds lange, zich de vrijheid had toegekend, van aftewijken van een of ander stuk, in de formulieren van eenigheid voorkomende, wanneer zijne gemoedelijke overtuiging hem, na behoorelijk onderzoek, zeide, dat dat stuk, bij misverstand der H. Schrift, in de formulieren was opgenomen en dat de opsteller derzelve zeker hetzelve anders zouden hebben gesteld, zoo zij beter inzigt in den zin der Heilige Schrift hadden gehad. Om van geene andere stukken te gewagen, willen wij alleen vragen, of het geloofbaar is, dat er één eenige onder hen wezen kon, die over de leer van den Doop en het Avondmaal nog juist zoo dacht als de opstellers van de Belijdenis en den Katechismus? En zoo deze onder hen niet wierdt gevonden; en zoo allen, wanneer men hun rekenschap had gevraagd van dit hun afwijken, zouden hebben geantwoord, dat zij zoo handelen, omdat zij

|19|

die leer niet in de H. Schrift vonden: gaven zij dan daardoor niet duidelijk te kennen, dat zij zich aan de leer, in de formulieren van eenigheid voorkomende, alleen zoo verre verbonden rekenden, als zij die met Gods woord overeenstemmende bevonden hadden?

En nu vragen wij weder: kon het in hen opkomen, anderen tot meer te verpligten, dan waartoe zij zich zelven verpligt rekenden? Zij waren immers zich zelven hunner denkwijze en daden bewust? Zij kenden immers de leer der Formulieren? Zij kenden desgelijks wat zij predikten: en daar zij allen het wisten, dat hetgene zij leerden, zeker niet in alles met die formulieren overeenkwam; en daar zij voorts zeker zich gezind moesten gevoelen, om voor het vervolg, dezelfde vrijheid te blijven gebruiken, welke zij, tot hiertoe, genoten; hoe konden zij dan anders dan alleen in zoo verre aan de formulieren verbinden, als deze met Gods woord overeenkwamen? Zoo zij meer dan dit hadden gevorderd, vervielen zij in eene groote en niet ligt te verschoonen inconsequentie.

Maar dit is nog niet alles. Wij moeten van hen onderstellen, dat zij niet alleen zich zelven kenden; maar ook den geest van de Predikanten in het algemeen. De Leden der Synode moeten geacht worden, geene vreemdelingen geweest te zijn in den stand der denkwijze in ons kerkgenootschap. Zij moeten geweten hebben, dat de liberaliteit hier burgerregt had verkregen; dat de Predikanten, in het algemeen, jaloersch waren van de vrijheid, welke zij, gaande weg, hadden verkregen en dat zij alzoo ook niet gediend zouden zijn met een formulier van verbindtenis, hetwelk, (tot meer verbindende dan voor zoo verre) deze hunne vrijheid zoude inkorten.

|20|

Wees niet deze beschouwing aan de Synode van zelve den weg, dien zij te bewandelen had?

6. De Synode heeft dit Formulier gesteld in plaats van de onderteekening der Formulieren zelven. Zie hier eene zesde geschiedkundige bijzonderheid, van het grootste gewigt voor elk, die onderzoek doet naar den zin van het Formulier.

De daadzaak is ontegensprekelijk. Het 38e Art. van het Reglement op het Examen en de Toelating zegt niet „de Kandidaat zal onderteekenen de aangenomene formulieren en de navolgende verklaring en belofte;” neen. Het zwijgt van de eersten, en gewaagt alleen van de verklaring en belofte, welke nu verder in dit Artikel worden uitgedrukt en in welke de woorden voorkomen „de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig woord, in de aangenomene formulieren van eenigheid is vervat.” Alzoo zou, van nu af aan, de onderteekening van dit Formulier vervangen die van de Formulieren zelven. Dit heeft dan sedert ook plaats gehad.

Waarvoor heeft men dit te houden? Voor iets, hetwelk de Synode zelve niet heeft ingezien? Dit laat zich toch wel allerminst denken: en vooral niet ten aanzien van alle de leden. Ja, de onderstelling, dat er één eenig van hare leden kon zijn, die dit niet inzag, is te onwaarschijnlijk, om eenigen ingang te kunnen vinden.

Wij moeten het dus daarvoor houden, dat dit bij de Synode zeer wel werd ingezien en dat zij, dezen onverminderd, heeft begrepen, hiertoe te moeten komen. En dit laat zich uit niets anders verklaren, dan uit de overtuiging, welke bij alle de leden der Synode

|21|

bestond, dat het min voegzaam was geworden, die Formulieren zelve langer te laten onderteekenen, daar in dezelve veel voorkomt, hetwelk men sedert anders heeft leeren begrijpen en waaraan men zich niet meer hield, omdat men meende, dat het niet, of niet zoo, in de H. Schrift werd gevonden. Alleen uit dit oogpunt beschouwd, laat zich deze daad der Synode, tegelijkertijd, verklaren en regtvaardigen.

Maar, wanneer nu dezelfde Synode, die dezen stap deed, straks daarop vordert eene verklaring „van hartelijk gelooven en ter goedertrouw aannemen” en eene belofte van „naarstig te zullen leeren en handhaven” de leer, welke overeenkomstig Gods H. woord, in die zelfde Formulieren vervat is; kan men dan wel anders dan onderstellen, dat de meest rekkelijke uitlegging dezer woorden het naaste komt aan de bedoeling? Er is consequentie in deze twee daden der Synode als dezelve aldus te zamenhangen: „Er is veel in die Formulieren, hetwelk men thans anders begrijpt; hierom kan de onderteekening derzelven, in haar geheel, niet voegzaam meer plaats hebben. — Er is tegelijkertijd zeer veel in, hetwelk de zuivere leer van het Evangelie uitdrukt, en voor zoo verre dit het geval is, en men dezen aangaande overtuiging heeft, zal men aan dezelven gehouden blijven.”

Maar er zou hier geene consequentie bestaan in geval men, tegelijker tijd, de onderteekening dier stukken zelven liet vervallen en dan eene verklaring liet volgen, dat de leer in dezelve vervat, is overeenkomstig met Gods woord. In dit geval toch, zoude het even eens zijn, als of men de onderteekening van instemming met de leer van Gods woord zelve verworpen had: hetwelk kennelijk in het ongerijmde loopt. En daar

|22|

men geen uitlegging als de ware aannemen kan, welke tot ongerijmdheden leidt; zoo schier hier niets anders over, dan het er voor te houden, dat de uitlegging „in zoo verre” de eenig aannemelijke is.

7. Als eene bijkomende bijzonderheid willen wij, in de zevende plaats, vermelden, dat niet lange na het vaststellen van dit Formulier, de betwiste woorden, door een ander Protestantsch kerkgenootschap, zijn overgenomen, kennelijk in geenen anderen zin, dan dien, welke door ons, zoo even, als alleen aannemelijk is aangeduid.

De Evangelisch Luthersche Synode heeft in het door haar vastgesteld Reglement op het Examen en de Toelating tot het Leeraarambt, mede vastgesteld eene verklaring en belofte, door den Kandidaat, die toegelaten wordt, te onderteekenen. Deze komt voor in Art. 23 van dat Reglement. Dezelve is genoegzaam gelijkluidend met het Formulier van onderteekening der Hervormden, en bevat, in het bijzonder, deze woorden: „dat ik de leer, welke, overeenkomstig Gods heilig woord, in de aangenomen Symbolische boeken der Evangelisch Luthersche kerk is vervat, ter goeder trouw aanneme en hartelijk geloove.”

Indien wij, hierboven, niet geheel zonder grond, hebben staande gehouden, dat de denkwijze in het Hervormd kerkgenootschap vóór en in 1816 zoodanig was, dat men geene andere verbindtenis wachten kon, dan welke verbindt voor zoo verre de leer der Formulieren overeenkomt met Gods woord; dit zal wel nog veel meer zijn staande te houden van het Evangelisch-Luthersch kerkgenootschap, welks Hoogleeraren en Leeraren men voorzeker noch beledigen, noch iets onwaarachtigs toedichten zal, door te verzekeren, dat zij een

|23|

nog ruimer gebruik maakten van de vrijheid, om zich alleen te houden aan de leer der Symbolische boeken, voor zoo verre zij die met Gods woord overeenstemmend vonden. Uit dezen hoofde, kon men vooral door hen wel geene belofte zien voorschrijven, welke meer dan dit uitdrukte: en als nu deze woordelijk overnemen het Formulier van verbindtenis, bij de Hervormde Synode vastgesteld, zoo blijkt hieruit ten duidelijkste, dat de Evangelisch-Luthersche Synode deze woorden zeer gepast heeft gevonden, om haar vrijgevig gevoelen uittedrukken, en dat zij dezelve hierom, zonder verandering, overgenomen heeft.

Dat deze Synode geenen anderen zin aan deze woorden heeft toegekend, is, sedert, ten duidelijkste gebleken uit de briefwisseling, welke er gevoerd is met de Herstelde Luthersche gemeente: welke briefwisseling eene hereeniging ten doel had. Dezelve werden den 21 Mei 1819 geopend door de Luthersche Synode, en eindigde, zonder vrucht, den 16 Mei 1821. In den brief van de vereenigde vergadering van Gedeputeerden der Herstelde Evangelisch Luthersche gemeente te Amsterdam van den 31 Julij 1820, gaf deze vergadering, onder anderen, aan de Luthersche Synode te kennen, dat het haar voorkwam, dat het Formulier van onderteekening in eenen tweevoudigen zin kon worden opgevat (in zoo verre of omdat) en alzoo, naar het oordeel van de vereenigde vergadering, geenen genoegzamen waarborg opleverde.

Hierdoor werd aan de Synode de gelegenheid gegeven, om, tot geruststelling der hoogst-formulier regtzinnige vergadering, te zegen: „uwe zwarigheid is geene. Het formulier wordt bij ons niet anders opgevat dan in den zin van omdat.” Hierdoor zoude

|24|

dan een der struikelblokken voor de hereeniging zijn opgeruimd geworden. Doch dit is niet alleen niet geschied; maar ook is, van de zijde der Evangelisch Luthersche Synode, bij besluit van den 16 Mei 1821, alle verdere onderhandeling tot hereeniging opgegeven.

Is niet dit terughouden van alle antwoord op dit punt, eene zakelijke verklaring, dat de Synode de verklaring verstond in dien liberalen zin, met welken zeker de Herstelde gemeente zich niet zoude te vrede houden?

Dit zoo zijnde, schijnt het niet meer twijfelachtig, welke meening, door het bedoelde formulier, bij de Broederen van het Luthersche kerkgenootschap, wordt uitgedrukt.

Alzoo laat dit ons Broedergenootschap naast ons Hervormden, met een, van ons woordelijk overgenomen, formulier van verbindtenis, welks zin, bij dat kerkgenootschap, na het zoo even aangeduide, niet meer twijfelachtig wezen kan. Is het te denken, dat die zelfde woorden, bij het daarneven staande Broedergenootschap, eenen geheel anderen zin zullen hebben?

Wat anderen, na het lezen en bezadigd doordenken van alle deze bijzonderheden, gevoelen zullen, weten wij niet. Eén dinge weten wij, dat het, op grond derzelven, bij ons, vaststaat, dat de eenig aannemelijke zin van het formulier deze is, dat men, volgens hetzelve, de leer, in de formulieren van eenigheid vervat, gelooft, voor zoo verre die met Gods woord overeenstemt.

Nadat wij hebben getracht, zoo veel mogelijk, geschiedkundig uittemaken, welke de zin is van het

|25|

onderhavige Formulier van verbindtenis, en wij tot het zoo even voorgestelde besluit zijn gekomen, wordt het onze taak, hetgene de Synode ten deze gedaan heeft te beoordeelen.

Wij moeten hier terugkomen op hetgene in het vertoog over de werking van het Formulier van 1619 en nog eens aan het begin van het tegenwoordige vertoog gezegd is van den toestand der godgeleerde denkwijze vóór en in 1816. Die toestand is eene daadzaak. Dezelve werd, door de Synode, niet geschapen. Hij bestond vóór de Synode. Deze vond denzelven. Zij vond de Predikanten in het bezit van eene vrijheid, welke hun wel nooit wettiglijk was toegekend; maar welke zij echter gebruikten, zoo dikwerf zij dit oorbaar keurden.

Het was niet in de magt der Synode, om deze omstandigheden te veranderen. Zij waren het gevolg van voortgang en ontwikkeling gedurende een tijdsverloop van twee eeuwen. Kon de Synode dien voortgang twee eeuwen terug dringen; die ontwikkeling weder opsluiten in den kiem, waaruit zij ontsproten was? Zoo kan ook de landman den graanhalm met zijnen stengel doen terug keeren in den zaadkorrel. Neen: in de zedelijke wereld, zoo wel als in het Rijk der Natuur, bestaan oppermagtige wetten, aan welken al wat leeft en denkt onderworpen is en boven welken niemand zich stellen kan. Derzelver werking is onwederstaanbaar en elke poging om dezelve te keeren of te beteugelen is vermetel in zich zelf en eindigt met eene proeve uitteleveren van menschelijke magteloosheid.

Er bleef dan ook voor de Synode niets anders over, dan die omstandigheden te nemen gelijk zij waren; zich naar dezelven te schikken; derzelver loop te volgen en

|26|

zich door dezen te laten leiden, daar zij niet bij magte was, hier zelve leidsvrouw te zijn.

Dit heeft zij gedaan, gelijk alle wijzen dit, ten allen tijde, deden en ten allen tijde zullen blijven doen, ten zij dat zij den naam van wijzen willen prijs geven. Zij heeft het gedaan, door die zelfde vrijheid, in welke bezit men facto was, en welke zij niet weder intrekken kon, wettiglijk te verzekeren, en alzoo een einde te maken aan deze ergernis, dat den Hoogleeraren en Predikanten kon verweten worden, dat zij gestadig deden, wat zij niet mogten doen. Zij heeft, door hare daad, gezegd: „Hoogleeraren! en Predikanten! gij zijt gewoon u te houden aan de, door u onderteekende Formulieren, zoo verre uwe gemoedelijke overtuiging u na behoorelijk onderzoek, zegt, dat die met Gods Heilig woord overeenkomen: en verder niet. Gijl. behoudt deze vrijheid en alle, die na dezen in dienst der kerk treden, zullen dezelve met u genieten. Zij zullen verklaren, de leer, welke overeenkomstig Gods heilig woord, in de aangenomene Formulieren van Eenigheid van de Nederlandsche Hervormde kerk begrepen is, hartelijk te gelooven; ter goeder trouw aantenemen en naarstig te zullen leeren en handhaven.”

Zóó spreekt hare daad, door welke zij het nieuwe formulier heeft gesteld in de plaats van het oude. Mogt zij anders spreken? kon zij dit? Zoo zij anders, en in strijdigen zin gesproken had, zou dat iets gebaat hebben? En zoo men tot deze vragen neen moet zeggen; dan erkenne men, dat de Synode wijs en goed handelde, door de Predikanten, bij een nieuw formulier, tot niets meer te verbinden, dan waartoe zij van zelven reeds genegen waren; van hetwelk men, redelijker

|27|

wijze, kon verwachten, dat het zoude worden nageleefd en van hetwelk men, billijker wijze, kon vorderen, dat het nageleefd zoude worden.

Men zegge zich zelven, ter goeder trouw, wat had toch de Nederlandsche Hervormde kerk langer aan het Formulier van 1619? wat waarborg leverde het uit? wat kracht van verbindtenis had het? was niet juist deszelfs bovenmatige gestrengheid een grond van verontschuldiging voor elk, die het verbrak? Moesten niet allen — de strengst formulier regtzinnige niet uitgezonderd — zeggen en erkennen, dat de vordering te streng was, en dat men zich aan alles niet houden kon? En was het dan niet beter, zoo men een formulier van verbindtenis wilde aanhouden, er zulk een vast te stellen, van hetwelk men gelooven moet, dat het onderhouden kan worden? Voorzeker: een formulier, welks gestrengheid doet zeggen: „dit kan niet nageleefd worden” levert geenerlei waarborg op. Het vernietigt zich zelven. Een formulier, daarentegen, dat de vrijheid, waarop de redelijke mensch en Christen, met regt, aanspraak heeft, eerbiedigt, dat kan nageleefd worden en zoo veel waarborg opleveren als de aard der zaak hier toelaat.

Men heeft dus geen regt, om te zeggen, dat de de Synode, alleen verbindende „voor zoo verre,” de banden zoude hebben losgemaakt. Zij heeft juist het tegendeel gedaan. Zij vond de oude banden losgemaakt en vernietigd: want wat is toch een verbindtenis-formulier, aan hetwelk men zich niet houdt en hetwelk ieder verbreekt, zonder deswegen gemoeid te worden? Zij vond dus het Hervormd kerkgenootschap, inderdaad, zonder formulier van verbindtenis. En, in dezen toestand heeft zij er een gegeven, van hetwelk zij

|28|

kon verwachten, dat het nagekomen zou worden en alzoo kracht zou behouden. Alzoo maakte zij voorzeker geene banden los.

Het formulier, dat zij, in deze gesteldheid van zaken, vaststelde, behelst al wat mne verlangen kan. De nadere beschouwing van hetzelve, doet dit overtuigend zien. Hetzelve drukt toch duidelijk uit:

1º. De erkentenis van Gods Heilig woord als de kenbron der waarheid. Het wil, dat men zal verklaren, dat men „ter goeder trouw, aanneemt en hartelijk gelooft, en dat men naarstig zal leeren en handhaven” de leer, welke „overeenkomt met Gods Heilig woord.” Deze leer geheel; maar ook deze alleen. Wat onderstelt dit? En wat neemt het aan? Duidelijk: dat de leer der waarheid is vervat in Gods woord en uit dit woord gekend moet worden. — Hierdoor staat deze verklaring over tegen het Rationalisme en sluit zij de Rationalisten buiten.

2º. De erkentenis van Gods Heilig woord als de eenige kenbron der waarheid. Het spreekt van niets anders dan van overeenkomst Gods woord; niet van „leer, welke overeenkomt met de Formulieren van eenigheid.” Had het hier van gesproken, zoo zoude het, even als de Roomsche kerk, eene tweede kenbron der waarheid gesteld hebben. Maar dit doet het niet. Het stelt als zoodanige kenbron Gods woord alleen. Het zegt, met andere woorden, wat, in het XIII Artikel der Geloofsbelijdenis, aldus wordt uitgedrukt: „wij houden ons te vrede, dat wij leerjongens van Christus zijn, om alleen te leeren hetgene Hij ons aanwijst in zijn woord, zonder deze palen te overtreden.” — Hierdoor staat de verklaring over tegen het Katholicisme.

|29|

3º. Het handhaaft, duidelijk, het echt-protestantsch beginsel, volgens hetwelk alle geloofsbelijdenissen en Formulieren aan het woord van God ondergeschikt zijn, naar hetzelve beoordeeld en alleen voor zoo verre zij hiermede overeenkomen, aangenomen mogen worden. Het is als of men Art. VII der Geloofsbelijdenis had herhaald: Men mag geene menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijken bij de Goddelijke Schriftuur, noch de gewoonte bij de waarheid Gods, noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de Concilien, Decreten of Besluiten. — Hierdoor staat de verklaring, andermaal, over tegen het Katholicisme.

4º.  Het handhaaft, desgelijks, het echt Protestantsch beginsel van vrijheid van onderzoek der Heilige Schrift. Het neemt niet aan, dat het uitgemaakt is, en dus niet meer behoeft onderzocht te worden, welke leer met het woord van God werkelijk overeenkomt, en dat bepaaldelijk de leer der formulieren in dit geval is; neen. Zoo het zegt: de leer, in zoo verre, die met Gods woord overeenkomt (welken zin wij vermeenen, hier voortekomen) zoo zegt het tevens duidelijk genoeg, dat elk de vrijheid heeft, om te onderzoeken, hoe verre hier overeenkomst bestaat. — Hierdoor verwerpt het den interpres authenticus; plaats zich nogmaals tegen over het Katholicisme en handhaaft het bezit van die vrijheid, welke de kerkhervormers, voor zich zelven, zoo uitdrukkelijk hebben begeerd.

Dit is, naar ons inzien, alles wat men, billijkerwijze, vervatten kan in een formulier van verbindtenis, hetwelk strooken zal met den stand der godgeleerde denkwijze en, uit dezen hoofde, ook kan worden nageleefd. Al wat men er meer in zoude willen bevatten,

|30|

zou een band worden, door welken niemand zich zoude laten binden, en, welke, even hierom, krachteloos zoude zijn.

Dat wij, zoo sprekende, niets te veel zeggen, zal toch wel geen uitvoerig betoog vorderen. Wie meer vraagt, dan de tijdgeest gezind is te geven, eindigt met niets te erlangen. De ondervinding van den loop van zaken gedurende een tijdsverloop van twee eeuwen, dat het Formulier van 1619 was in gebruik geweest, mogt voor de Synode van 1816 niet verloren zijn. Kan men niet ontkennen, dat, in de eerste jaren na de Dordtsche Synode, de onderteekening van haar Formulier, volgens zin en bedoeling, plaats kon hebben; men kan, even min loochenen, dat al spoedig de tijd aankwam, dat dit het geval niet meer was. De geschiedenis is getuige (*). Zoo lange het Dordrechtsche leerstelsel het algemeen gevoelen van onze Hoogleeraren en Predikanten was, kon men van de verklaring, alle de deelen van hetzelve te houden voor in alles overeenstemmend met Gods woord, iets verwachten, omdat zij was uitdrukking van den geest des tijds. Maar alles veranderde van gedaante, toen zij ophield, dit te zijn. En dat toen alles van gedaante veranderde, bleek uit veel en onder anderen, hieruit, dat men begon met te zeggen en te herhalen, dat men alleen de hoofdzaken had bedoeld, toen men de verklaring had onderteekend van alle de Artikelen en stukken te houden voor in alles overeenkomstig met Gods woord. Deze betuiging toch drukte, op zeer verstaanbare wijze, de erkentenis uit, dat er Artikelen en stukken der leer waren, welke


(*) Zie het Vertoog over de werking van het Formulier van 1619. Bijdr. V. 1834. bl. 840.

|31|

men hield niet, of niet in alles, met Gods woord overeentekomen. Zij leverde het bewijs, dat een formulier van verbindtenis, hetwelk te veel omvat, niet voor alle tijden wezen kan. De Synode van 1816 moest hieruit leeren, dat, zoo zij nu nog kon laten verklaren, dat de leer der formulieren, wat de daarin voorkomende hoofdzaken betreft, in alles overeenkomt met Gods woord; er een tijd komen kon, dat ook die evenzeer bedenking zoude baren, als het vroeger bedenking had gebaard ten aanzien van alle de Artikelen en stukken. Zij moest, door de ondervinding sedert de Dordtsche Synode voorgelicht, weten, dat een formulier van verbindtenis, dat stand zal houden, alleen moet uitdrukken de grondbeginselen, op welke de Hervormde kerk, als op zoo vele zuilen, rust en welke onveranderlijk zijn en blijven moeten, en dat ook wel onveranderlijk blijven zullen; maar dat zoodanig formulier niet moet bevatten bepalingen en verklaringen omtrent leerstellingen, nopens welken de denkwijze veranderen kan en steeds verandert. Het, door haar gestelde Formulier bewijst, dat zij de geschiedenis, met vrucht, geraadpleegd had en zich naar hare les wist te gedragen.

Het scheen dan ook, dat men in de Hervormde kerk inzag, dat de Synode wijs en goed had gehandeld. Velen waren er, die hunne goedkeuring niet terug hielden: en er verliepen verscheidene jaren, eer men van openlijke tegenspraak vernam. Deze is echter niet uitgebleven: en het is der moeite waardig geworden, nategaan, wat men, zoo ten aanzien van den inhoud, als van den vorm van het Formulier heeft afgekeurd.

Men heeft opgemerkt, dat men zich, volgens hetzelve, aan de leer der Formulieren verbond alleen,

|32|

voor zoo verre, die overeenkomt met Gods woord. Dit was, zoo men merkt, naar ons oordeel, juist gezien: (en wij oordeelen het verkeerd, den tegensprekeren op te dringen, dat hier iets meer zoude te lezen zijn.) Maar men handelde onjuist, door dit aftekeuren en te roepen, dat er wat meer moest staan.

Wat toch moest hier dan meer gegeven zijn? Duidelijke verklaring zegt men, dat de leer der Formulieren overeenkomt met het woord van God en dat die leer daarom aangenomen wordt. Laat ons beproeven of men, door deze vordering, niet het onmogelijke vergt.

Als men hier spreekt van de leer der Formulieren; wat verstaat men hier dan onder? De geheele leer, in alle hare deelen? Alzoo ook alle die Artikelen, welke wij in het vertoog over den zin en de strekking van het Dordtsche Formulier van verbindtenis, als deelen van die leer, hebben voor oogen gelegd? (*) Of verstaat men er alleen door de Hoofdstukken van die leer; die leer wat de hoofdzaken betreft; die leer en gros?

Wil men het eerste? Dan zegge men zich, wat houding het zoude gehad hebben, zoo de Synode deze vordering had gedaan, tegelijkertijd, dat zij wist, hoe Hoogleeraren en Predikanten zich veroorloofden, om op een of ander punt, het mogt dan meer of min belangrijk zijn, van de formulieren aftewijken? Wij zullen er niet meer van zeggen. Het zijn slechts eenige weinigen geweest, die voor den dag kwamen met deze vordering. De groote meerderheid zweeg er van en wist wel, dat dit ten minste te veel gevergd was en niet meer te pas kwam.

Wil men het laatste? Zoo zoude dan een formulier


(*) Bijdr. V. 1834. bl. 747-756.

|33|

van onderteekening moeten behelzen: „Wij nemen, ter goeder trouw aan (wat de hoofdzaken betreft) de leer, welke in de formulieren van eenigheid vervat is, omdat die leer (hoofdzakelijk) overeenkomst met Gods woord.”

Laat ons stellen, dat de Synode zulk een formulier had gegeven; zou men dan iets gewonnen hebben? Behoeft het als met den vinger aangewezen te worden, welk eene groote ruimte alsdan verleend ware? Daar toch nergens bepaald is, wat al en wat niet onder den titel van Hoofdstukken der leer behoort te worden gerangschikt; zoo blijft van zelf, aan elk het regt, om dit zelf te doen, en alzoo ook, om voor zich zelven, op de lijst der Hoofdstukken door te schrappen, elk zoodanig stuk, ten aanzien van hetwelk hij gevoelt, anders te moeten denken dan de opstellers der formulieren daarover dachten.

Als het dus iets zoude beteekenen, zoo zoude de Synode tevens hebben moeten aanduiden welke die hoofdzaken waren. En hier vragen wij of dit van de Synode kon gevergd worden? Zoo zoude zij 1º. zijn gegaan buiten haren last en gekomen zijn op een grondgebied, hetwelk zij niet betreden mogt. Zij was zamen geroepen, om de inrigting van het kerkbestuur, waarvan nog alleen de grondslagen gelegd waren in het Algemeen Reglement, te voltooijen; maar niet om geloofspunten vast te stellen. En dit echter zou zij gedaan hebben, zoo zij het punt der articuli fundamentales et non fundamentales had gaan beslissen. 2º. Wanneer ook haar lastbrief het haar had toegelaten, zou zij van dwaasheid niet zijn vrij te pleiten geweest, zoo zij er zich aan had gewaagd. Hoe toch kon zij van zoo iets eenig goed gevolg voorzien? Voor den

|34|

éénen had zij zeker te veel tot de hoofdzaken gebragt, en voor den anderen, veel te weinig. En, zoo de leden der Synode zelve zich onderling, op dit punt, al hadden kunnen verstaan; zij zouden echter niemand ten volle hebben voldaan. En 3º. wie zou zich verpligt hebben geacht, om zich aan die Synodale uitspraak ten deze, te onderwerpen? Wie zou afstand hebben gedaan van het regt, om de synode te dagvaarden voor de regtbank van zijn eigen gezond verstand en te onderzoeken, of de Synode te regt of te onregt, dit of dat leerstuk tot de hoofdzaken had gebragt? Wie zou er gevonden zijn, die gezegd zoude hebben: „Dit of dat stuk behoort tot de Hoofdstukken der leer, want de Synode van 1816 heeft het er toe gebragt”? En weder: „Dit en dat stuk behoort niet tot de Hoofdstukken; want de Synode van 1816 heeft het er niet toe gebragt.” En, zoo men dit wel van niemand verwachten kon: wat zou het dan al weder gebaat hebben, zoo de Synode de Hoofdstukken der leer had aangewezen?

Men meene niet, dat hier geene gebijzonderde (specifieke) opgave dier hoofdstukken noodig zoude zijn: en dat men kon volstaan met eene algemeene aanduiding: b.v. Hoofdstukken der leer zijn alle de kenmerkende leerstukken van het Hervormd kerkgenootschap, door welken het zich onderscheidt van „en overstaat tegen anderen, zoo Roomschen als Protestanten.” Hierdoor zou men tot Hoofdstukken der leer verheffen de stellingen, dat men de kinderen als erfgenamen van Gods verbond moet doopen; en dat men godzaliglijk bij den name Gods eenen eed mag zweeren. Grenst het niet aan het ongerijmde, dit tot de Hoofd-zaken te brengen?

|35|

De zaak is veel moeijelijker dan men schijnt te gelooven of te willen zeggen. Wij mogen er nog niet van afstappen. Men vrage zich zelven eens: niet wat wij nu hoofdzaken in de formulieren van eenigheid zouden verkiezen te noemen; want dit loopt uit op loutere willekeur; maar wat de opstellers van die formulieren, wat Guido de Bres en Zacharias Ursinus voor hoofdleer hielden; en als zoodanig, in hunne opstellen, hebben gegeven? Dit, dunkt ons, moet hoofdleer geacht worden. Maar nu slaan wij het oog op hetgene kennelijk bij hen hoofdleer is, en, sedert hunnen tijd, lange en door velen, is gebragt tot de articuli fundamentales primi ordinis: en wat bevinden wij dan? Wij willen het in een paar, sterk sprekende, voorbeelden voor oogen leggen, en kiezen hier de leer der Drieëenheid en de leer der Voldoening.

Niemand zal wel tegenspreken, dat de leer der Drieëenheid, bepaaldelijk en stiptelijk volgens de Formule van Athanasius, bij beide opstellers onzer formulieren, hoofdzaak was. Onze geloofsbelijdenis, welke, Art. IX, de geloofsformule van Athanasius „gaarne onderschrijft,” zegt dus ook met hem: „Dit is het algemeen geloof, hetwelk zoo wie niet trouwelijk en vast gelooft, die en zal niet zalig zijn.” Z. Ursinus niet anders: „Omnes salvandi unum Deum, aeternum patrem, coaeternum filium et coaeternum spiritum sanctum agnoscant necesse est. Nisi enim agnoscatur talis, qualem se patefecit, non communicat se nobis, neque vita aeterna ab eo sperari potest” (*) En op eene andere plaats: „Quicunque non agnoscit filium et spiritum sanctum a Patre


(*) Explic. Catech. Oper. Vol. I. p. 121.

|36|

distinctos et tamen unum et verum Deum cum Patre, nec beneficia ipsorum agnoscit ac celebrat; nec opera divina vere ipsis tribuere, quae scriptura praedicat, nec fiduciam, quam debet et fine qua servari nequit, in ipsis collocare potest: quandoquidem et Filii Mediatoris et spiritus sanctificatoris officium, ac proinde salus et consolatio nostra, utriusque personâ et Divinitate nititur.” (*)

Hoe vele Protestanten hebben dit zakelijk herhaald? Rivet (✝) zegt: „Credere, filium esse cum Patre eiusdem essentiae aut substantiae, necessarium est (ad salutem).” — Camp. Vitringa (§): „haud est dubium, quin illius (trinitatis) indagatio et aliqualis cognitio sit necessaria ad salutem.” P. van Mastricht (**) „Reformati, quod (trinitas) clarissime traditur in scripturis, omnino necessarium censent, saltem, qui prorsus negant, servari non posse.” Wil men er meer? Men raadplege dan de Schrijvers aangehaald door Mart. Vitringa op de aangehaalde plaats van Camp. Vitringa (✝✝). En, voor zoo verre protestantsche godgeleerden, van lateren tijd, deze meening aangaande de noodzakelijkheid van het geloof aan dit leerstuk tot de zaligheid ook niet rondelijk uitspraken, zorgden zij echter steeds, te doen uitkomen, hoe hooge gedachten zij hadden van het belang van dit leerstuk. Zakelijk zeiden zij Mosheim na: „Est hoc dogma articulus fidei purus et fundamentalis primi ordinis,


(*) De tribus personis in una Deitate. Oper. Vol. I. p. 546.
(✝) Oper. theol. Vol. III, p. 65.
(§) Doctr. Christ. Rel. p. 88.
(**) Theol. Theor. Pract. p. 242.
(✝✝) Vol. I. p. 263. Not. (1).

|37|

sine quo fundamentum fidei salvum esse nequit.” (*)

Indien het derhalve gekomen ware tot eene bepaalde aanwijzing van hetgene geacht moest worden, in den geest der Formulieren zelve, tot de Hoofdstukken der leer gebragt te moeten worden, zoo zoude wel eene eerste plaats erland moeten hebben het leerstuk van de Drieëenheid, volgens de Formule van Athanasius.

Maar nu bedenke men, wat men al geleerd en geschreven had over de woorden Drieheid; Drieëenheid; Drievuldigheid; Wezen; Persoon; Substantie. Men bedenke, hoe men, meer en meer, en vrij algemeen, hierin overeenstemde, dat alle deze termen ongepast en, als aanleiding gevende tot ongerijmde denkbeelden, te verwerpen waren. Men bedenke, wat er al geleerd, geschreven en aangenomen was nopens de generatie van den Zoon en de spiratie van den H. Geest en hoe men niet meer schroomde, het Athanasiaansche stelsel even zoo wel als, en tegelijk met het Ariaansche en Sabelliaansche te verwerpen, zoo als wij in het vertoog over de werking van het Formulier van 1619 deden zien (✝): en dan zegge men zich of in 1816 eene Synode nog voor den dag kon komen met de vordering, dat men de Athanasiaansche leer, die hoofdzaak in onze formulieren is, nog, zoo als zij daar staat, als hoofdleer des Christendoms zal aannemen?

Wij noemden, in de tweede plaats, de leer der voldoening. Met deze staat het eveneens geschapen. Dat dezelve in de beide Formulieren van eenigheid heerscht en tot de hoofdstukken in dezelve behoort, kan niet ontkend worden. Vraagt men, hoe men verlost wordt


(*) Elem. Theol. Dogm. Vol. I. p. 308.
(✝) Zie Bijdr. v. 1834, bl. 856.

|38|

door Christus? Beide geloofsbelijdenis en katechismus stellen ons, in antwoord, voor de genoegdoening aan de goddelijke strafvorderende geregtigheid. Christus nam de menschelijke natuur aan, om in dezelve te voldoen en te dragen de straffen der zonde door zijn bitter lijden en sterven (*). Gods geregtigheid eischt, dat de zonde gestraft worde. Hij wil, dat aan zijne geregtigheid genoeg geschiede: hierom moet aan dezelve volkomen worden betaald. Christus heeft dit gedaan. Hij heeft den last des toorns Gods gerdragen, en alzoo ons verlost (✝). Z. Ursinus drukt het elders (§) aldus uit: „horrendam Dei iram sensit ad compensationem peccatorum totius mundi et ad placandam Dei iram adversus peccatum.” En zoo moest het zijn, omdat, vanwege de geregtigheid en waarheid Gods niet anders voor de zonde kon worden betaald. (**)

Ware het dus gekomen tot het aanwijzen van hoofdpunten, zoo zoude weder, in den geest der formulieren, dit denkbeeld van voldoening hier onder hebben moeten gebragt worden.

Maar nu bedenke men weder, hoe men later heeft leeren inzien, dat zoo zeer in de H. Schrift geleerd wordt, dat Jezus ons met God heeft verzoend; even zoo weinig in dezelve, de leer der voldoening voorkomt. Men bedenke hier weder, wat wij vroeger hebben bewezen nopens de veranderde inzigten, welke men, ten aanzien van deze leer, heeft verkregen en openlijk uitgesproken (✝✝); en men zegge zich nog eens,


(*) Belijd. Art. XX. verg. XXI.
(✝) Katech. vr. 11, 12, 17, 37.
(§) Expl. Catech. Op. Vol. I. p. 169.
(**) Katech. vr. 40.
(✝✝) Z. Bijdr. 1834. bl. 859, 60.

|39|

of eene Synode in 1816 vorderen kon de erkentenis niet van de Bijbelsche leer der verzoening, welke niemand tegenspreekt, maar van de — eenmaal als hoofdzaak beschouwde; maar sedert onbijbelsch geoordeelde, leer der voldoening aan de strafvorderende geregtigheid van God?

Al dit beredeneerde brengt ons tot het volgende besluit:
1. Eene verklaring, dat de leer, vervat in de formulieren van eenigheid, in alles overeenkomt met Gods woord, en daarom moet aangenomen worden, kon niet meer gevorderd worden.
2. Eene verklaring, dat die leer, wat de hoofdzaken betreft, overeenkomt met Gods woord en daarom moet worden aangenomen; had niets te beduiden, zoo hierbij niet bepaaldelijk wierdt aangeduid, wat men onder hoofdzaken al of niet moet rangschikken. Maar
3. eene verklaring, welke tevens uitdrukte, welke die Hoofdzaken zijn, was, om de zoo even gegevene redenen, eene onmogelijkheid. Derhalve
4. bleef voor de Synode niets anders over, dan den staat van zaken te volgen, welken de loop des tijds had geschapen: en alzoo den Hoogleeraren en Predikanten wettiglijk te verzekeren de vrijheid, in welker bezit zij facto waren. Dit heeft zij gedaan: en wel zóó, dat zij daarbij tevens waakt, van den éénen kant, tegen het rationalisme; en, van den anderen kant, zorgt voor de bewaring der groote Protestantsche beginselen. Wat blijft hier te berispen?

Misschien de vorm der verklaring? Laat ons zien.

Men heeft beginnen te roepen over dubbelzinnigheid en deze afgekeurd.

Wij zullen het bestaan derzelve niet ontkennen, want

|40|

wij zien, dat het formulier tweezins wordt opgevat. Maar wij achten ons verpligt, staande te houden, en wij houden dit staande met volledige overtuiging, dat de opstellers van hetzelve deswegen niet te veroordeelen zijn.

Het is duidelijk, dat, zoo hier alle tweeduidigheid zoude vermeld zijn, het formulier zoude hebben moeten luiden als het Dordtsche; „Alle de artikelen en stukken der leer komen in alles overeen met Gods woord.” Dit is volkomen duidelijk en slechts voor ééne opvatting vatbaar. Dit is een accuraat formulier, hetwelk alle uitvlugt afsnijdt. Maar, dit formulier ter zijde gelegd zijnde, en een ander in de plaats gesteld wordende, zoo kon men zeggen: „wij gelooven van harte dat de leer in de formulieren van eenigheid vervat, overeenkomt met Gods woord, en dat wij dezelve daarom aannemen.” En zou dan, alle tweeduidigheid zijn ontweken? Men kon zich dan vragen: wat betekent hier de leer? En, als dan de één dit verklaarde van de geheele leer, en de ander van de hoofdstukken; was er dan geene onzekerheid en geene aanleiding om te zeggen, dat het formulier eenigermate tweeduidig was? Er zou dus wel niets anders, om alle dubbelzinnigheid te ontwijken, op geweest zijn, dan den liberalen geest van het formulier geheel bloot te leggen door deze woorden: „Wij gelooven de leer, welke in de Formulieren vervat is, voor zoo verre wij die met Gods woord overeenkomstig vinden.” Alzoo zoude volstrekt alle twijfel omtrent den zin der woorden wegvallen.

Zal het der Synode ten kwade te duiden zijn, zoo de voorzigtigheid haar hiervan heeft terug gehouden? Zal het getuigen ten nadeele van het doorzigt ook der

|41|

meest liberaal denkenden onder de leden der Synode, zoo zij dit ongeraden keurden? Zij beleefden allen eenen delicaten oogenblik. Ook hadden zij een delicaat werk ter hand, bij hetwelk een woord te veel of een woord te weinig ligt veel goeds kon bederven en de gansche kerk in twist kon brengen. Was het in hen te misprijzen, dat zij dit zochten voortekomen? Te misprijzen, dat zij, vermijdende hetgene sommiger ooren niet zouden kunnen verdragen, te vrede meenden te mogen en te moeten zijn met een: sapienti sat? Of is dit dan, ten allen tijde en in alle omstandigheden, aftekeuren?

Indien, van den éénen kant, de overgroote meerderheid van rekkelijk denkende Predikanten, alleen prijs stellende op Bijbelsche regtzinnigheid, begeerige oogen had gevestigd op de Synode, van dezelve eenen liberalen stap verwachtende; van den anderen kant, waren niet minder op dezelve gevestigd de oogen van de zeer kleine minderheid der Predikanten, die alleenlijk zorge voor Formulier-regtzinnigheid kenden. Deze, hunner zwakheid bewust, waren wel gezind, om wat toetegeven en inteschikken; maar als men, van den anderen kant, hen geheel niet spaarde en om hunnen wil niets schikte, waren zij sterk genoeg, om verdeeldheid te maken. Moest niet de Synode wenschen, zich zóó te kunnen uitdrukken, dat beiden er in konden berusten? Dit is haar gelukt. Is het hare schande, of hare eer?

Zij heeft in denzelfden volzin uitgedrukt hare achting voor de Formulieren; maar ondergeschikt aan Gods woord. Dit behoeft zij zich niet te schamen. Zij moest van de Formulieren gewag maken. Dit gebood de voorzigtigheid. Zij kon er gewag van maken, op

|42|

de wijze, waarop zij dit heeft gedaan, want, van den éénen kant, moest zij erkennen en erkende zij gaarne, dat in dezelve veel gevonden wordt ontwijfelbaar met Gods woord overeenkomende en alzoo alzins aantenemen en waaraan zich dan ook elk gaarne verbindt. Zij kon dus, behoudens de opregtheid, toonen, dat zij de formulieren niet verwierp. Dit toonde zij door dezelven te noemen. Maar zij wilde tevens uitdrukken, dat deze zijn ondergeschikt aan Gods woord en alleen te houden, in zoo verre, zij daarmede overeenkomstig bevonden worden, volgens het inzigt, dat men in Gods woord heeft.  Men herleze het formulier en zie, of beide niet juist in hetzelve uitgedrukt is.

Zoo de Nederlandsche Synode mogt noodig hebben, wegens deze voorzigtige inschikkelijkheid, opzettelijk verdedigd te worden, zoo zoude, onder anderen, ter harer verschooning in het midden te brengen zijn, dat steeds, in gelijke of gelijksoortige omstandigheden, christelijke kerkvergaderingen naar dezen zelfden regel hebben gehandeld, zonder dat haar dit ooit tot misdaad is aangerekend.

Wat gebeurde er op de eerste Christelijk kerkvergadering te Jeruzalem? Men leze Hand. XV. Was het geene loutere concessie om der zwakken wil, en een maatregel van voorzigtigheid, genomen om tegenspraak, twist en scheuring voortekomen, welke deze vergadering deed besluiten, om de gemeenten aanteschrijven, dat zij zich moesten onthouden van het verstikte en van het bloed? Hetgene de Hooggeleerde van der Palm, op deze plaats aanteekent, drukt te juist uit hetgeen wij hier willen te kennen geven, om het niet geheel over te schrijven. „Jakobus, ten einde de Christenen uit de Joden niet al te zeer voor het hoofd te

|43|

stooten, slaat eenen middelweg in, en wil, dat men den heidenen verbiede alle zoodanige dingen, waarvan zij zich, zonder groote moeijelijkheid onthouden konden, en die echter den Joden het meest tegenstonden. Er moest iets toegegeven worden, om geene scheuring te veroorzaken.” Wat niet het geval der Synode van 1816 hetzelfde? Moest ook zij niet, met voorzigtigheid, wat schikken en toegeven, om tegenspraak, twist en wellicht scheuring voortekomen? De gevallen staan gelijk genoeg: en wat voor de handelwijze, in het ééne geval gevolgd, steeds als geldige verschooning gold, zal ook wel in het andere behooren te gelden.

Wat had er plaats op de kerkvergadering van Nicea? Toen men, na veel haspelens, eindelijk voor den dag kwam met het woord ὁμοουσιος, als het Schibboleth ter onderkenning van Arianen en Orthodoxen, ontstond er tegen dit woord een groot geroep in de vergadering, niet slechts van den kant der Ariaanschgezinde leden; maar ook van de zijde van vele anderen, die hetzelve wilden verworpen hebben, omdat het onschriftuurlijk was en zij het voor gevaarlijk en ongeoorloofd hielden, ten aanzien van zoo onbegrijpelijke verborgenheid, onschriftuurlijk te spreken; terwijl zij voorts het woord voor ongepast hielden, als smakende naar het Sabellianismus, en een verkeerd denkbeeld gevende van de generatie, als of deze eene verdeeling van het goddelijke wezen aanduidde: wat deed men toen, ten einde het gekozen woord te behouden en tegelijk de tegensprekers te vrede te stellen en eene scheuring, welke hier had kunnen ontstaan, voortekomen? Men gaf de verzekering, dat het woord alleen dienen moest, om de gemeenschap en de mededeeling des Wezens aanteduiden;

|44|

maar geenszins, om eene verdeeling of afsnijding, of verandering van het Wezen des Vaders uittedrukken? Hiermede lieten de anderen zich te vrede stellen (*), en het woord ὁμοούσιος was gered. Kunnen de tegensprekers der Synode van 1816 deze voorzigtigheid van de kerkvergadering van 325 wel laken? En zoo zij dit niet kunnen; wat berispen zij dan de eerste, omdat zij zich, tot gelijk doel, door voorzigtigheid heeft laten besturen?

Wat viel er voor op de kerkvergadering van Trente? Toen bij het behandelen van den Artikel over de erfzonde, de Franciskanen voor den dag kwamen met hun gevoelen aangaande de onbevlekte ontvangenis der Moedermaagd, en, volgens hetzelve verlangden, dat bij het vaststellen der leer, eene uitzondering ten behoeve van de Maagd Maria zoude worden uitgedrukt, verzetteden zich hier tegen de Dominikanen, die wilden, dat men even algemeen zoude spreken als de Apostel Paulus gesproken had, en even zo min als hij eene uitzondering zoude maken. Het geschil had zoo hoog kunnen loopen, dat er eene scheuring uit ware ontstaan, even zoo goed als vroeger de groote scheuring was ontstaan over de vrage, of de H. Geest alleen uitging van den Vader of van dezen en van den Zoon? De scheuring ware tot stand gekomen, zoo de vergadering zich duidelijk of voor de Franciskanen of voor de Dominikanen had verklaard. Wat deed zij? Zij trachtte aan beide genoegen te geven en stiet niemand voor het hoofd. Zij stelde den artikel geheel algemeen, zoo als de Dominikanen het verlangden; doch zij voegde er als een notetur, bij „dat het Concilie


(*) Venema, Hist. Eccl. IV Vol. p. 284.

|45|

geen oogmerk had gehad, om de H. Maagd in dit besluit te bevatten. (*) Door deze voorzigtigheid bleef de twist zonder gevolg. Was deze voorzigtigheid te laken?

Misschien is men van oordeel, dat wij beter doen, zoo wij het voorbeeld van eene regtzinnige Hervormde Synode bijbrengen. Wij zijn bereid, en noemen de Dordtsche Synode. In deze Synode rees verschil over den zin, in welken zin men zeggen kon, dat Christus het fundament der verkiezing is. De één was van oordeel, dat God, eerst, de zaligheid van eenige bijzondere personen had besloten en daarna op Christus had gedacht, als een middel, om dat besluit te doen stand grijpen. Volgens deze meening was God de Vader alleen de auteur der verkiezing en Christus alleen de uitvoerder. De ander hield hiertegen staande, dat Christus te houden was voor het fundament der verkiezing, omdat hij niet alleen de uitvoerder; maar ook de auteur en bezorger der verkiezing was (✝). En wat leest men nu aangaande dit punt in de Canones? Niets anders dan hetgene men kan vinden Cap. I § VII en vervat is in deze woorden, dat God Christus „van eeuwigheid tot een fundament der zaligheid gesteld heeft.” Zij laat het voor anderen over, te gissen, in welken der twee opgegevene zinnen zij alzoo spreekt. — Heeft zij zoo mogen handelen, omdat zij het onvoorzigtig en ongeraden achtte, zich hier rondelijk te verklaren; waarom mogt dan de Synode van 1816 niet iets dergelijks doen?


(*) Sarpi, Hist. du Concile de Trente. Tom. I. p. 318-327.
(✝) G. Brandt, Hist. der Ref. III. bl. 408.

|46|

Men kent het verschil, hetwelk, in deze zelfde Dordtsche Synode, ontstond tusschen de supra lapsarii en de infra lapsarii. Gomarus, die aan het hoofd der boven-valdrijvers stond, zeide, dat „degenen, die eene verwerping dreven onder den val, God zijne wijsheid benamen, dewijl zij stelden, dat God eer op de middelen had gezien dan op het einde.” De onder-valdrijvers, daarentegen, zeiden, dat Gomarus en de zijnen „Gode zijne regvaardigheid benamen, stellende, dat hij den mensch had besloten te straffen, zonder hem aangemerkt te hebben als schuldig of gevallen.” De Remonstranten maakten hiervan een gebruik, hetwelk voorzeker hunner schranderheid tot eer verstrekt. Zij zeiden, dat zij reden vonden, om beide deze gevoelens te verwerpen: het eerste, omdat het, volgens Gomarus, eenen God stelde, die niet wijs was; het tweede, omdat het, naar het gevoelen van Sybrandus en de meeste leden der Synode, eenen God stelde die niet regtvaardig was. Zij meenden, dat de Synode hier noodwendig uitspraak behoorde te doen. Doch de Synode begreep het anders. Men zorgde, dat bij het stellen der Leerregels, geen van beide partijen werd in het ongelijk gesteld (*). En waarom? Bijna alle de leden der Synode waren, op dit punt, van ander gevoelen dan Gomarus. Zoo zij het stuk hadden beslist, zou Gomarus veroordeeld zijn geworden. Maar dit achtte men ongeraden. Wat houding zoude het gehad hebben, dat het eigen hoofd van de Contraremonstranten, uit wiens vroegere tegenspraak tegen Arminius alle deze beroerten haren oorsprong hadden genomen, dat dan dit hoofd zelf veroordeeld werd op


(*) Ald. III D. bl. 503, 504.

|47|

dezelfde Synode, op welke hij zelf de Remonstranten hielp veroordeelen? De Synode volgde hier weder den weg der voorzigtigheid. Wie heeft het haar als eene fout aangerekend? Meer kordaat zoude het intusschen geweest zijn, zoo zij ronduit zich tegen het gevoelen van Gomarus had verklaard. Maar wat gevolgen kon dit naar zich sleepen? En indien zij wél heeft gedaan, door, ten einde deze voortekomen, van beide gevoelens te zwijgen, en de leerregelen zoo te stellen, dat geene van beide partijen triomf konde blazen, verdiende zij dan, wegens deze voorzigtigheid, geenen lof? En, zoo zij dezen verdient, moet dan de Synode van 1816 berispt en veroordeeld worden, zoo haar de voorzigtigheid voorschreef, om het formulier van onderteekening te bevatten in zoodanige bewoordingen, door welke beide partijen (de meer en minder formulier-regtzinnigen) voldaan konden zijn?

Het is te breed, om het hier te verhalen en naar eisch uit één te zetten, hoe het ging met den tweeden Artikel tegen de Remonstranten. Uit het verbaal van Brandt (*), en uit de Epistolae Praestant. virorum (✝), kan men zien, hoe veel men heeft moeten doorhalen, veranderen en bijvoegen, om het zoo verre te brengen, dat de Engelsche Godgeleerden, ten laatste, den artikel goedkeuren konden: zijnde de laatste hand aan dezen artikel gelegd door de theologanten tot het ontwerpen van de Canones gecommitteerd, de hier voorkomende betwiste punten „zoo te stellen, dat zij


(*) Hist. der Reform. III D. bl. 429, 439, 507, 551, 552, 53.
(✝) Ep. 324, 341 en 347.

|48|

van een iegelijk „mogten aangenomen worden.” (*) Was deze toeleg, om in diervoegen te stellen, dat allen het konden aannemen, hoezeer zij verschillend bleven denken; was, vragen wij, deze toeleg goed of kwaad? En zoo hij goed was; wat heeft dan toch de Synode van 1816 kwaads gedaan?

Wij vertrouwen, dat het niet te onpas geacht zal worden, dat wij hier nog herinneren, hoe de Synode van Dordrecht, ten aanzien van het door haar vastgestelde Formulier, en wel straks na deszelfs vaststelling, in het geval is geweest van proeve van gelijksoortige voorzigtigheid te geven. Men weet toch uit de schriftelijke verzekering, door leden der Dordrechtsche Synode afgelegd, dat dadelijk na het vaststellen van het Formulier van verbindtenis, de bedenking is geopperd, dat, door de opgelegde verpligting, om allen twijfel tegen eenig stuk der leere te verzwijgen en aleer denzelven te prediken, dien aan het oordeel der kerken, Classis en Synode te onderwerpen, en zich ten allen tijde bereid te betoonen, om zich, des gevorderd, nader te verklaren; dat dan, door deze verklaring „alle conferentien over eenige dubia onder de Profeten wierden verboden, ter tijd toe, dat zij al zulke dubia, die iemand mogte krijgen, te voren met hunne respective kerken, Classen en Synoden hadden gecommuniceerd.” Tot opheffing van welk bezwaar, toen is aangemerkt, dat de meening geenszins ware, „den Apostolischen regel 1 Cor. XIV: 42 (32?) te breken of te besnijden; maar alleen om de weelige en kittelachtige geesten te breidelen, die onder het deksel van zulke conferenties zoeken aanhang te


(*) Brandt, III D. bl. 558.

|49|

maken; dat ook de woorden kerke, classis en synode niet waren te verstaan conjunctim, als of men met alle en elk van die collegien op die orde, zoo die daar staat, zoude moeten communiceren; maar divisim, dat is, met het eene of het andere collegie, daar zulk een Predikant de beste onderrigting over zijne dubia zoude mogen verwachten; ten ware, dat hij ondervraagd wiede over eenig stuk der leere, bij een van alle die collegien; want in zulk een geval, zoude hij schuldig zijn rekenschap van zijn geloof te geven.” (*)  Voorts is op dit laatste punt in de 164e zitting der Synode nog aangemerkt, dat „de woorden, bij welken de Predikanten beloofden, dat zij altijd bereid zouden zijn, om hun gevoelen van de leerstukken des geloofs, op het verzoek der broederen, nader te verklaren, zoo niet moesten verstaan worden, als of zij zulks altijd op een iegelijks believen, gehouden waren te doen, opdat de regtzinnige leeraars niet ligtvaardig verdacht gemaakt mogten worden; maar dan eerst, als zij regtvaardige oorzaak van nadenken zouden gegeven hebben, wes aangaande de kerkelijke vergaderingen zouden oordeelen.” (✝)

Men gelieve op dit punt de noodige aandacht te vestigen, opdat men zie, hoe veel men hier voorzigtigheidshalve, verzweeg. — Als men het Formulier leest, is alle, ook heimelijke, voorstelling van den twijfel verboden: en alzoo, gelijk het boven wordt uitgedrukt „alle conferentie over eenige dubia onder de Profeten.” Maar, naar hetgene, ter verklaring der meening gezegd werd, bedoelde men dit in geenen deele. Waarom nu


(*) Zie dit stuk bij Brandt, IV D. bl. 804.
(✝) Zie Brandt, III D. bl. 641.

|50|

gaf men dit niet ronduit te kennen? Waarom verbood men, met duidelijke woorden, openlijk, wat men elkander in het oor zeide, niet te willen verbieden? omdat men het ongeraden vond, dit openlijk te zeggen. De „weelige en kittelachtige geesten, die, onder het deksel van zulke conferentien, aanhang zoeken te maken, moesten gebreideld worden.” Zoude dit het geval worden, dan kon men niet zeggen, dat men hier de geesten der Profeten aan de Profeten onderworpen wilde hebben; en dat elk alzoo de vrijheid had, om zijne twijfelingen aan eenen anderen Profeet open te leggen en er met hem over te handelen. Neen. Dit ware geweest, den teugel vieren en men wilde breidelen. Alzoo, uit loutere voorzigtigheit, gaf men woorden, die de ware bedoeling volstrekt niet konden doen raden: en nopens deze bedoeling gaf men geene verklaring. Waarlijk! zóó verre dreef de Synode van 1816 hare voorzigtigheid niet.

Wij achten, genoeg gezegd te hebben: en leggen de pen neder, in het vertrouwen, dat, zoo er ook op den duur gevonden mogen worden, die de handelwijze der Synode, ook in het licht beschouwd, waarin wij die geplaatst hebben, veroordelen; toch ook hier de ondervinding wel leeren zal, dat de wijsheid geregtvaardigd wordt van hare kinderen: en dit moet genoeg zijn.