|94|

De huwelijkssluiting onder het Kanonieke recht.

 

Wetgeving en rechtspraak inzake de huwelijkssluiting.

De Kerk had vanouds wel regelen vastgesteld betreffende het huwelijk, vooral aangaande de huwelijksbeletselen (verwantschap e.a.) en de ontbinding van het huwelijk. 1) Die regelen gingen voor een goed deel lijnrecht in tegen de volksovertuiging en de zeden bij de oude Germanen, zoodat het natuurlijk uitgesloten was daaraan aanstonds gelding te verschaffen. Waar de geestelijkheid dit somtijds voorbijzag en met al te veel ijver te werk ging, stuitte zij op hevig verzet bij de bevolking. 2) Kerkelijk-disciplinaire straffen waren niet voldoende om de naleving der regelen af te dwingen. Vandaar dat de Kerk al spoedig begon om te zien naar hulp van den Staat. Zij trachtte invloed uit te oefenen op den wereldlijken wetgever teneinde hare beginselen door hem te zien erkend en gesanctionneerd. En langzamerhand is haar dat ook in vele opzichten gelukt, hoewel geenszins ten volle. 3) Op den duur was zij hiermede niet tevreden. Zij had er geen vrede mede, dat de doorvoering van hare beginselen afhankelijk was van den goeden wil van den wereldlijken wetgever en den wereldlijken rechter. Zouden die beginselen in de practijk waarlijk tot hun recht komen, dan was noodig, dat zij zelve en niemand anders deze materie regelde en de gestelde regelen door hare eigen rechtspraak handhaafde. Daarop richtte zich


1) De Frankische Kerk stond ontbinding van het huwelijk nog in verschillende gevallen toe, gelijk algemeen bekend is, maar toch geenszins in zoo ruime mate als de volksrechten.
2) Verg. E. Loening, Geschichte des deutschen Kirchenrechts II, bl. 562.
3) Dit komt vooral duidelijk uit bij de regeling der verboden graden. De Kerk breidde deze in den loop des tijds steeds meer uit, totdat zij tenslotte het huwelijk tusschen bloedverwanten in den zevenden graad (de uiterste grens van bloedverwantschap naar kerkelijke opvatting) naar Germaanschrechtelijke berekening, verbood. De capitularien der Frankische koningen sloten zich aanvankelijk aan bij de kerkelijke voorschriften en zetten daaraan kracht bij door zware strafbedreigingen (bijv. Decret. Childeberti II, 596, c 2, Boretius 1,15; Cap Liptin. 743, c. 3, Boretius I, 28: incesta matrimonia, quae non sint legitima, prohibeantur et emendentur episcoporum iudicio; Capit. Suessionense 744, c. 9, ald. I, 30), maar zij zijn de Kerk niet ten einde toe gevolgd op den door haar ingeslagen weg. Zij gingen niet verder dan tot een verbod van huwelijken tusschen verwanten in den derden of vierden graad (Germaanschr. berekening): Pipp. Capit. 754-55, c. 1, Boretius I, 31; Decr. Compendiense, 757. c. 1-4, ald. 37 volg; Decr. Vermeriense, 758-68, c. 1, ald. 40.

|95|

dan ook het streven der Kerk. En voor dat streven vond zij krachtigen steun in de sedert de 12de eeuw door de theologen verdedigde leer, dat het huwelijk een sacrament is, d.w.z. een middel, waardoor goddelijke genade aan den mensch wordt medegedeeld en steunend op de instelling door Christus. 1) Want daaruit trok zij de conclusie, dat het huwelijk niet was eene wereldlijke doch eene zuiver geestelijke zaak (causa mere spiritualis), welke uitsluitend behoorde tot het terrein van den geestelijken wetgever en den geestelijken rechter. 2) De Kerk vergenoegde zich er nu niet meer mede invloed uit te oefenen op den wereldlijken wetgever en den wereldlijken rechter, maar was er op uit haar recht en hare rechtspraak te stellen in de plaats van het wereldlijke recht en de wereldlijke rechtspraak.

Welke houding heeft de wereldlijke overheid hiertegenover aangenomen? Ten aanzien van de vereischten voor de huwelijkssluiting, welke ons hier alleen bezig houden, heeft zij in ons land in de 13de eeuw en later zonder twijfel de wetgevende bevoegdheid van de Kerk erkend en dus de door deze gestelde regelen als bindend beschouwd. Hieruit volgt, dat zij zich zelve van regeling van deze materie onthield. Wel schijnt hiermede prima facie in strijd, dat ook door de wereldlijke overheid, hooge en lage, niet zelden voorschriften zijn uitgevaardigd, welke betrekking


1) Dat het dogma van het sacramenteele karakter des huwelijks eerst in de 12de eeuw door de theologen is uitgesproken, wordt algemeen erkend, ook van Katholieke zijde. Zie bijv. J. Freisen, Geschichte des Canonischen Eherechts (1893), bl. 29 volg., die een overzicht geeft van de ontwikkeling van het dogma, en ook: Dr. N. Gihr, Die heiligen Sacramente der katholischen Kirche II (1899), bl. 471.
In de Synodale Statuten van Jan van Zyrik, bisschop van Utrecht, van 2 Dec. 1294 vinden wij het huwelijk genoemd onder de zeven sacramenten (Mr. J.G.C. Joosting, Bronnen voor de geschied, der kerk. rechtspraak in de middeleeuwen V, 1914, bl. 72).
2) Zie bijv. de Provinc. Statuten van Adolphus, aartsbisschop van Keulen, 6 April 1549, art. 45 : Quum matrimonii sacramentum ut sacramenta reliqua in thesauris ecclesiae numeretur nec sit civilis quidam contractus, ut olim putarunt ethnici, ad solius ecclesiae judicium, praesertim ubi quaestio juris versatur, eius discussio pertinet. Idcirco statuimus cum praesenti concilio et sub excommunicationis poena prohibemus, ne magistratus aut judices seculares in matrimonialibus aut aliis spiritualibus quibuscunque causis, ad cognitionem solius ecclesiastici judicis spectantibus, inter suos subditos aut alienos judicent nec dispensandi aut transigendi potestatem in matrimonio ac gradibus prohibitis sibi usurpent, sed eiusmodi causas omnes ad judicis ecclesiastici cognitionem et definitionem remittant. (Joosting, t.a.p. bl. 308). Zie ook de memorie van grieven, van kerkelijke zijde, tegen inbreuken op de uitoefening der kerk. rechtspraak enz. 1538/9, art. 8 (Joosting, t.a.p. III, bl. 667).

|96|

hadden op de huwelijkssluiting. Maar bij nadere beschouwing blijkt, althans voorzoover ik kon nagaan, dat deze voorschriften geenszins bedoelden nieuwe normen te stellen naast, veel min in de plaats van de kerkelijke, doch alleen de uitvoering daarvan raakten. De door den kerkelijken wetgever vastgestelde normen aanvaardde de wereldlijke overheid als ieder en dus ook haar zelve bindend. Maar ten aanzien van de uitvoering ervan sprak zij soms een woord mede. In den regel liet zij ook de uitvoering van de regelen betreffende de huwelijkssluiting aan de Kerk over. 1) Maar wanneer die uitvoering naar hare meening te wenschen overliet door te groote gestrengheid of door te veel slapheid of in andere opzichten, dan achtte zij zich blijkbaar gerechtigd en verplicht zich te doen gelden. Een voorbeeld dat zij zich keerde tegen te strenge uitvoering der kerkelijke voorschriften, vinden wij in het concordaat van 28 Febr. 1434 tusschen den graaf van Holland en den bisschop van Utrecht, waarbij o.m. eene maximumboete werd vastgesteld voor overtreding van de bepalingen tegen heimelijke huwelijken. 2) Later heeft de wereldlijke overheid juist omgekeerd veelal voorschriften uitgevaardigd, welke bedoelden de naleving der kerkelijke normen op krachtiger wijze te verzekeren dan toen, door de veel te slappe practijk der kerkelijke rechters, geschiedde. Zij deed dit door harerzijds aan de overtreding dier


1) Zie bijv. het concordaat tusschen de graven van Holland en Zeeland eener- en den bisschop met den domproost andererzijds, van 3 Juli 1508, art. 7 (Joosting, t.a.p. III, bl. 351): Item in clandestinis (sc. matrimoniis), quando aliqui contraxerunt non precedentibus proclamationibus, poterunt corrigi ad discretionem dictorum provisorum et decanorum, quoniam hoc est contra interdictum ecclesie.
2) Art. 11 (Joosting, t.a.p. III, bl. 188): die boete zou in Holland, Zeeland en Friesland niet meer mogen bedragen „dan enen Engelschen nobel ende dairbeneden voert besceydeliken na den staten van den personen.” Door deze ordonnantie zouden „niet bezwaert wesen die ondersaten van Hollant, van Zeelant ende van Vrieslant, die sekere ordinancie ende costumen hebben, dat sy min hierof te gheven pleghen.” Zie hierbij de ordonnantie van Philips den Schoone van 12 Aug. 1504 (Joosting, bl. 287 volg.), waarbij hij maatregelen gelast tegen de provisoren en dekens in Zeeland, die het concordaat overtreden door o.m. „van clamdestinen (nl. huwelijken), daeraf zy maer en behoiren te hebbene eenen nobel ende daeronder”, te nemen „vier oft vijf ponden groten.” Voorts het proces-verbaal van een getuigenverhoor, van wereldlijke zijde gehouden over de niet-naleving van het concordaat door de kerkelijke rechters in Zeeland, van ’t jaar 1505 (Joosting, bl. 298 volg., 315, 318, 320, 323) Zie ook Priv. van Hoorn van 31 Aug. 1424 (Joosting, VII bl. 92) art. 2; Enkhuizen, 17 Sept. 1433, art. 2, (ald. bl. 931; Enkhuizen, Grootebroek en Westwoud, 30 Oct. 1433, art. 1 (ald. bl. 95).

|97|

normen straf of eenig vermogensrechtelijk nadeel te verbinden. Zoo hebben schout, burgemeesters en schepenen van Amsterdam in het jaar 1524 „op seekere boeten, tot hun gebruyk en ten voordeele van de stadt te besteeden, geordonneert, belast en aan alle hunne onderdaanen bevolen, dat se in het aanvaarden en in het aangaan van het houwelijk de ordonnantie van het geestelijk recht, de kerkvergaderlyke decreeten en de goedtgekeurde gebruyken en gewoonten sullen hebben te volgen.” Aanleiding tot deze ordonnantie was, zooals het gerecht zelf verklaarde, dat de „dekens en opsienders” overtreding van de kerkelijke voorschriften betreffende het huwelijk toestonden aan degenen, die hun „een seekeren penning, ieder na sijn vermogen, in de handt gestooken hadden.” 1)

De goede bedoeling van de wereldlijke overheid met het uitvaardigen van dergelijke ordonnanties vond bij de Kerk niet de waardeering, waarop zij aanspraak scheen te kunnen maken. De Kerk zag daarin eene ongeoorloofde inmenging van wereldlijke zijde op een terrein, dat zij uitsluitend als het hare beschouwde. 2) Sterk schijnt dit standpunt niet, wanneer men bedenkt, dat de wereldlijke overheid hier niet anders deed dan medewerken tot de uitvoering van kerkelijke voorschriften. Ten aanzien van andere aangelegenheden, bijv. de bestrijding der ketterij, hebben de kerkelijke autoriteiten geenszins de hulp versmaad, haar door de placaten der wereldlijke overheid bij de uitvoering van den wil der Kerk verleend.

Ook de rechtspraak in zaken betreffende de huwelijkssluiting eischte de Kerk voor zich alleen op, en in het algemeen met succes. Regel was in de latere Middeleeuwen, dat die zaken door


1) Joosting, t.a.p. III, bl. 468). Zie ook eene ordonnantie van het gerecht van Amsterdam, betreffende dezelfde materie, van 3 Nov. 1525 (Joosting, bl. 536): „Tot sterekenisse ende onderhoudenisse der gheestelycke rechten, ordonnantiën, statuten ende looflycke ghewoenten der heiliger kercken ende overste gheestelicheyt ordonneren ende willekeuren myne heeren van de gerechte” enz. Meerdere ordonnanties van wereldlijke overheden betreffende dit onderwerp zullen later ter sprake komen. Verg. ook de voorschriften tegen het huwen zonder toestemming der ouders, bijv. edict van Karel V van 4 October 1540, art. 17 (Groot Placaet-boeck I, 319), Priv. van Enkhuizen 3 Maart 1452, art. 1 (Joosting, VII, bl. 99).
2) Zie de instructie voor gecommitteerden van den elect van Utrecht (ter bespreking met ’s keizers gecommitteerden) betreffende de kerkelijke jurisdictie, van ± 1525, art. 13 (Joosting, t.a.p. III, bl. 533): Item curia Hollandie et rectores opidorum passim publicant nova statuta in enervationem totius jurisdictionis et libertatis ecclesiastice, presertim super contractibus matrimonialibus et bannis sive dispensationibus; per que multa perjuria et alia infinita pericula emergent ac subsequentur.

|98|

de kerkelijke rechters werden berecht. 1) Hunne bevoegdheid werd van wereldlijke zijde herhaalde malen uitdrukkelijk erkend. 2)

Volgens de Statuten van bisschop Jan van Zyrik 3) mochten de dekens en provisoren zich niet inlaten met de berechting van huwelijkszaken, maar moesten deze overbrengen naar hun principaal te Utrecht, ,,ubi est copia peritorum.” In lateren tijd echter werden zij veelal gemachtigd tot de berechting, met deze restrictie, dat zij niet op eigen gezag het eindvonnis konden


1) Bekendmaking door den bisschop van Utrecht van het concordaat door hem gesloten met den graaf van Holland, 17 Dec. 1319, art. 1 (Joosting, III, bl. 46): Quod per totam terram suam officiales nostri, tam Trajectenses quam etiam foranei, quicunque de ecclesiasticis tantum causis, videlicet .... matrimoniis .... ad ecclesiasticum forum pertinentibus, cognitionem habere debent in hiis jurisdictionem nostram libere exercere. Verg. ook het a.g. concordaat van 1434. Voorts het advies van ’t Hof van Utrecht van 17 Mei 1536 op de klachten van den bisschop over inbreuken op de kerk. rechtspraak, art. 5: „dat den biscob ende den synen alleenlicken gereserveert is (nl. bij de overdracht van de temporaliteit van het Sticht aan den keizer) die geestelicke jurisdictie, die de clagers poseren in huere VIIIe articule, daerin himlieden gheen letsel gedaen werdt” (Joosting III, bl. 650). Dat 8ste artikel noemde onder de „causae mere spirituales” o.m. de „matrimonia” (ald. bl. 643). Ook concordaat van 3 Juli 1508, art. 30 (ald. bl. 356). Zie verder Westerl. Seendr, § 16 (v. Richthofen, Rechtsq., bl. 405): Ief een wyf her aefte man aeschetan da banda synde, soe aegh him di decken mit laynghen toe andert to bringane, iefhy mey; ief hy biseka wil, soe is hyoe nyer mitta aefta tiugh, ief hyo et habbe, hine toe winnen, dan hi se dera aeftenga toe ontghaen.
Stadb. van Groningen (uitgeg. door Mr. A. Telting) bk. VIII, art. 243 „Van den zeende”: „Saken, die ant echtscap roeren, de plaghen wy to richten tot allen tyden.”
Drentsche seendbrief van 1332, art. 5 (Mr. S. Gratama, Dr. rechtsbr., bl. 12): De matrimonialium causis emergentibus tribuimus audientiam quandocunque.
Melchior Winhoff, Landtrecht van Auerissel (1559), deel IV, art. 3: „Geystlick gericht hefft synen loep voer den officialen, bischoppen vnnde pawest, daerunder gehoeren .... geestlike saken vnnd die den seluen syn ankleuende, als daer synt de saken belangende echtschap”, enz.
Stadb. van Steenwijk (midden 16e eeuw, uitgeg. door Mr. A. Telting), dl. I, art. 18: „Item in hylyckes saecken, daer moettmen voer den geesthlyckenn richter pleyten ende richten.” Ordonn. van den hertog van Gelre van 31 Mei 1441 (Joosting III, bl. 196), verbiedende o.m. den onderdanen elkaar te dagvaarden voor den geestelijken rechter, „uitgenomen drije puncten als geistliken leenen ende pravenden, hijlixsaken ende geistliken testament anruerende, die men mit geistliken recht vur-deren mach, soe men des van aldts hier in den lande gewoinlich is geweest.”
2) Zie vorige noot.
3) Van 21 April 1293, art. 21 (Joosting, t.a.p. V, bl. 64).

|99|

vellen. Zij moesten de processtukken opzenden naar den officiaal van den bisschop of aartsdiaken te Utrecht, waarna deze het vonnis vaststelde. De deken of provisor sprak dan het vonnis uit zooals ’t hem was toegezonden. 1)

Was dus de berechting van huwelijkszaken in het algemeen bij den kerkdijken rechter, zoo trad in sommige gevallen toch ook de wereldlijke rechter op. In die gevallen n.l., waarin de wereldlijke overheid straf had bedreigd tegen overtreding van door de Kerk gestelde normen, berechtte zij uit den aard der zaak ook zelve die overtreding, al bleef daarnaast de kerkelijke rechter vrij om ook zijnerzijds met kerkelijke straffen tegen de schuldigen op te treden. Hier betrof het dus strafzaken. Die geschillen inzake de huwelijkssluiting daarentegen, welke wij „burgerlijke” zouden noemen, werden, voorzoover ik weet, niet dan bij hooge uitzondering door wereldlijke rechters behandeld. Zoo’n uitzondering vormden, althans nog in de 15de eeuw, de rechters der stad Utrecht. Niet alleen berechtten zij huwelijkszaken en andere aangelegenheden, welke als van geestelijken aard plachten te worden beschouwd, maar zij onttrokken zelfs dergelijke zaken aan den geestelijken rechter, wanneer deze reeds bij hem aanhangig waren. 2) Dit werd echter algemeen,


1) Concordaat van 3 Juli 1508 (Joosting III, bL 356): Item in causis matrimonialibus provisor et decanus non poterunt diffinire, nisi de consilio dominorum officialium curie et archidiaconi Traiectensium; qui visis actis mittent sententiam diffinitivam in scriptis provisori et decano, qui pronunciabunt prout eis mittetur per officiales.
Zie ook volmacht van ± 1400 (Joosting IV, bl. 347), 6 Mei 1561 (ald. bl. 409), 26 Maart 1483 (ald. bl. 450).
2) Scepene boeck, XIX (Mr. S. Muller Fz., De middeleeuwsche rechtsbr. der stad Utrecht, II, bl. 19): In ’t jaar 1368 kwam Wernaer Braem „int gherechte” en sprak aan jonkvr. Beerten, „ende toech hoor aen als een recht gheboren mombaer van Braems kinderen ..., dat sy enen truwen man hadde ende dat sy hem daeroff seghen soude neen off ja.” Zij antwoordde: „dat sy hem ter scepen antworde daerof niet antwoorden en soude; wanttet van trouwen roerde ende dattet gheestelike saken waren”. Schepenen wijzen: „Dat sy ja off neen soude seggen.”
Memorie van grieven van bisschop Frederik v. Blankenheim tegen de stad Utrecht, 1411, I, art. 5 (Joosting, t.a.p. III, bl. 141): „Item alle dese voerseyde punten (het onttrekken van de berechting aan den geestelijken rechter) doet die rait oeck in geesteliken saken, als echtschap ende testament ende echte man ende wijff te scheiden ende anders geestelike saken, daer nyemant aff kennen en mach dan geesteliken recht.”
Memorie van grieven van bisschop Rudolf v. Diepholt, ± 1450, art. 12: wanneer „saken van echtscip, van schedinge van echtscop, .... ende van anderen saken, die van hoirs selfs natueren behoeren te staen tot kenninge ende slitinge des geesteliken gerechts, gebracht versocht off begunnen ➝

|100|

ook door hen zelven, gevoeld als eene overschrijding van hunne bevoegdheid, welke zoo al niet hare rechtvaardiging dan toch hare verklaring vond in de aanmatigingen van den geestelijken rechter, die zijnerzijds de berechting van zuiver wereldlijke zaken aan zich getrokken had. 1)

 

Het terugdringen van het wereldlijke door het geestelijke recht beteekende niet, dat nu ook materieel het recht omtrent de huwelijkssluiting geheel veranderde. Verre van dien! Sinds eeuwen reeds was het wereldlijke recht beïnvloed geworden door de Kerk, gelijk wij zagen, terwijl omgekeerd het Kanonieke recht den invloed van Germaansche rechtsbeschouwingen had ondergaan. Wereldlijk en geestelijk recht waren dus naar elkander toe gegroeid, als ik ’t zoo mag uitdrukken. Dit maakte natuurlijk de vervanging van het eerste door het laatste veel gemakkelijker.

Hoe weinig verandering die vervanging bracht in de wijze van huwelijkssluiting, blijkt uit eene kerkelijke rechtsbron, het Westerlauwersche Seendrecht, 2) dat ons beschrijft hoe in de 13de eeuw een huwelijk gesloten werd. „Wanneer men eene rechtsvordering wil instellen wegens echtbreuk,” zoo bepaalt het, „dan zal men aldus spreken voor het gerecht: dat de vrije Friezin kwam in des vrijen Friezen macht met hoorngeschal en met burengejuich, met brandende bakenen en met vriendengezang en als eene bruid zijn bed gesteeg en op het bed haar lichaam gebruikte met den man, en des morgens opstond, ter kerke ging, den kerkdienst bijwoonde, het altaar begiftigde, den priester offerde, en het huwelijk aldus aanging als een vrije Fries met eene vrije Friezin behoort te doen. Zoo zal men ’t huwelijk bewijzen met zeven buren en met den priester, die de mis zong en het offer ontving dat zij in de kerk lieten, en met den koster, die de klok luidde.” Vergelijkt men hiermede de beschrijving van de huwelijkssluiting in het Nibellungenlied, 3) dan ziet men eene opmerkelijke overeenstemming.


➝ worden in geesteliken rechten, dan en sullen die raet noch oudermans der stat van Utrecht dat nyet verbieden noch hijnder in doen” enz. (Joosting, bl. 226). Antwoord van de stad: „des is men tevreden, behoudene ons onser ouder wilcoren, van ouden haircomen ende ondachtelicken jaeren .... onverbreclick gehouden is geweest ende noch gehouden wert.”
1) Zie Mr. S. Muller Fz., De middeleeuwsche rechtsbr. der stad Utrecht, Inleiding, bl. 92 volg.
2) v. Richthofen, Rechtsq. bl. 409, § 22.
3) Boven, bl. 85 volg.

|101|

Niet alles wat het Seendrecht in de even meegedeelde bepaling vermeldt, was vereischt voor de geldigheid van een huwelijk. Men bedenke wel dat die bepaling handelt over het bewijs van de totstandkoming van een huwelijk en niet over de geldigheidsvereischten daarvoor. In den tijd, toen de Kerk de wetgeving in huwelijkszaken veroverde, met uitsluiting van de wereldlijke overheid, kwam het naar Kanoniek recht voor de totstandkoming van een huwelijk aan op de wederzijdsche toestemming der echtgenooten en bijslaap. En zoo was het ook geweest volgens het wereldlijke recht, gelijk zich dit al in den tijd der volksrechten ontwikkeld had. De feestelijke optocht en de kerkgang, waarvan het Seendrecht gewaagt, waren wel reeds sinds eeuwen bij de huwelijkssluiting gebruikelijk, maar zij waren naar Kanoniek recht evenmin een vereischte voor de geldigheid van het huwelijk als zij dit geweest waren volgens het wereldlijke recht. Wel konden zij dienen als bewijsgronden voor de totstandkoming van een huwelijk.

 

Verloving.

Het Kanonieke recht onderscheidde in den tijd, waarover ik spreek, 1) evenals het wereldlijke recht had gedaan, tusschen verloving of „voerloftenisse” (sponsalia de futuro) en huwelijkssluiting (sponsalia de praesenti). Naar wereldlijk recht was die verloving, gelijk ons bleek, tenslotte geworden eene tusschen de aanstaande echtgenooten gesloten overeenkomst, waarbij zij beloofden met elkander in het huwelijk te zullen treden. Dezelfde beteekenis had zij ook naar Kanoniek recht: zij was eene „futurarum nuptiarum promissio.” 2) Zij was aan geen enkelen


1) Over de ontwikkeling van het Kanonieke recht betreffende de verloving, in vroegeren tijd, spreek ik niet, omdat ik hier alleen behandel de ontwikkeling van het oud-Nederlandsche recht. De behandeling van ’t eerstgenoemde onderwerp, waarover men kan raadplegen Dr. E. Sehling, Die Unterscheidung der Verlöbnisse im kanonischen Recht (1887), zou schade doen aan het inzicht in de ontwikkeling van het oud-Nederl. recht.
2) c. 3 C. 30 qu. 5; v. Espen, Jus ecclesiasticum universum, P. II, S. I, T. XII, c. I, no. 2. Ook ’t a.g. werkje Van den seven heyl. sacramenten, cap. 1: „soe is alle voer te weten dat sponsalien niet anders en sijn dan ouerdracht ende loftenisse van toecomende huweliken.” Aan dit boekje ontleende ik ook de benaming „voerloftenisse,” waarmede het de spons, de futuro in tegenstelling tot de sponsalia de praesenti aanduidt.

|102|

vorm gebonden. Voldoende was dat partijen verklaarden, elkaar ten huwelijk te zullen nemen. 1)

De verloving was geen noodzakelijk vereischte voor de totstandkoming van een huwelijk, wat zij ook naar wereldlijk recht nooit was geweest. Maar zij was gebruikelijk, en wanneer zij had plaats gehad, kende het Kanonieke recht er wel rechtsgevolgen aan toe. Wij willen thans nagaan, welke dat waren.

Evenals andere overeenkomsten, waren ook de sponsalia de futuro in ’t algemeen voor elk van beide partijen bindend. Met wederzijdsch goedvinden konden zij de verloving verbreken, hetgeen dus ook weer was volgens den gewonen regel bij overeenkomsten. 2) Om gewichtige redenen, opgekomen na de verloving, was ook eenzijdige verbreking geoorloofd. Zoo, wanneer ,,enich van beyden in zware ghebreken valt van liue of ziele, te weten dat een sijn nase of oghe verlore of melaetsche worde, of dat hi met een ander te doen hadde of in ongheloue ende ketterijen ghevallen waer.” 3) Indien na de verloving een huwelijksbeletsel opkwam, bijv. doordat eene van partijen een huwelijk sloot met een derde, werd zij van rechtswege ontbonden. 4)

Wie zonder geldige reden de verlovingsbelofte niet nakwam, beging zonde. Eene andere vraag is echter, of hij ook tot nakoming van zijne belofte kon worden gedwongen. Zoodanige dwang paste eigenlijk niet in het Kanonieke recht, omdat dit voor de totstandkoming van het huwelijk eischte de op een oogenblikkelijk huwelijk gerichte wilsovereenstemming van beide partijen (sponsalia de praesenti). 5) Een decretale van Paus Lucius III bepaalde dan ook dat de onwillige partij liever moest worden vermaand dan gedwongen om zijne belofte te vervullen, „cum


1) Van den seven heyl. sacramenten, cap. 1: „mit ende bij wat woerden gheschien dese sponsalien? .... tgheschiet mits te segghen: ick sel v nemen tot enen wiue of tot enen manne of diergheliker woerden in substancie.”
2) c. 2 X. 4, 1 : Si autem se [sponsi] ad invicem admittere noluerint: ne forte deterius inde contingat, ut talem scilicet ducat, quam odio habet: videtur quod ad instar eorum, qui societatem interpositione fidei contrahunt et postea eandum sibi remittunt, hoc possit in patientia tolerari. Zie ook v. Espen, t.a.p. cap. II, no. 11.
3) Van den seuen heyl. sacramenten, cap. 3, klaarblijkelijk steunend op c. 25 X. 2, 24. Zie ook v. Espen, t.a.p. no. 13 volg.
4) c. 31 X. 4, 1: Si inter ipsos accessit tantummodo promissio de futuro .... si alius mulierem illam per verba de praesenti desponsaverit, etiamsi inter ipsam et primum juramentum intervenerit de futuro, hujusmodi desponsationis intuitu secundum matrimonium non potuit separari, sed eis est de violatione fidei poenitentia injungenda.
5) Zie beneden bl. 114 volg.

|103|

libera debeant esse matrimonia.” 1) Maar niet alle Pausen stelden zich blijkbaar op dit standpunt. Zoo schreef Alexander III voor dat degene die trouwbeloften had aangegaan en onder eede bevestigd, zoo noodig, door kerkelijke tuchtmiddelen moest worden gedwongen tot nakoming van zijne belofte. 2) En Innocentius III bepaalde, zonder onderscheid te maken, of de verloving al dan niet door een eed was bevestigd, dat de onwillige op alle mogelijke wijzen tot nakoming van zijne belofte moest worden gedwongen. 3) En hierbij hebben zich de canonisten in het algemeen aangesloten. 4) Ook in het meergenoemde boekje Van den seven heyligen sacramenten wordt gezegd, dat de verloving „sodanighe crachte” heeft, dat men de verloofden ,,mitten rechte drucken ende dwinghen mach dat si malcander moeten truwen, ter kercken leyden ende dat huwelick te volbrengen.” 5)

Dat dit in de practijk ook wel geschiedde, blijkt uit een proces hetwelk gevoerd is voor den provisor te Middelburg. Zekere Adriaen beweerde dat Lijsbet Peters „hem trouwe gelooft hadde.” Zij ontkende dit, waarop de ander haar dagvaardde voor den provisor. Dezen trachtte zij om te koopen door hem „ses ponden gro.” te beloven, „indien hy huer quyte maken ende helpen mochte van den man ende dat zy dien niet en troude.” Maar na een proces van wel negen maanden sprak de provisor het vonnis uit: dat zij „den man trouwen soude.” Zij heeft dit ook


1) c. 17 X. 4. 1: Cum libera debeant esse matrimonia, monenda est potius, quam cogenda (sc. mulier, quae jurisjurandi religione neglecta nubere renuit). Zie ook ald. c. 29: Cum itaque libera matrimonia esse debeant et ideo stipulatio propter poenae interpositionem sit merito improbanda: mandamus, quatenus si est ita, eundem B. ut ab extorsione praedictae poenae desistat, Ecclesiastica censura compellas.
2) c. 10 X. 4. 1: Mandamus, quatenus si hoc tibi constiterit (nl. dat iemand gezworen heeft een bepaald meisje te zullen huwen), eum moneas, et si non acquieverit monitis, Eccles. cens. compellas, ut ipsam (nisi rationabilis causa obstiterit) in uxorem recipiat et maritali affectione pertractet.
3) c. 2 X. 4. 1: Praeterea hi, qui de matrimonio contrahendo pure et sine omni conditione fidem dederunt, commonendi sunt et modis omnibus inducendi, ut praestitam fidem observent.
4) Verg. v. Espen, t.a.p. no. 3 volg., die o.m. citeert Thomas Sanchez. De laatste maakte deze restrictie: Judicem prudenter debere procedere absque strictissima coactione, ne consensus requisitus ad matrimonium deficiat. (Cursiveering van mij).
5) Bedoeld is, dat de een den ander kan dwingen. De schrijver zegt uitdrukkelijk dat partijen „bij haer selfs consente” de verloving mogen ontbinden.

|104|

gedaan, wat echter den provisor niet belette haar bovendien nog te dwingen tot betaling van de zes pond groten. 1)

 

Huwelijksafkondigingen.

Gelijk ons vroeger reeds bleek, had Karel de Groote voorgeschreven, dat niemand een huwelijk mocht aangaan, voordat van kerkelijke zijde was onderzocht of er ook een huwelijksbeletsel, uit hoofde van verwantschap tusschen partijen, aanwezig was. 2) Hij had echter geene sanctie gesteld op de overtreding van dit gebod, van welks doorvoering in de practijk dus wel niet veel zal zijn terecht gekomen.

Later was het op sommige plaatsen gebruikelijk dat aan de huwelijkssluiting voorafgingen afkondigingen in de kerk (proclamationes seu banna), waarbij aan de parochianen mededeeling werd gedaan van de namen dergenen die met elkander een huwelijk wenschten aan te gaan. De bedoeling van deze afkondigingen was dat ieder, die meende dat naar kerkelijk recht eenig beletsel bestond tegen het huwelijk, daarvan den pastoor in kennis zou stellen. Met hetzelfde doel heeft het vierde Late-raansche concilie onder Paus Innocentius III in het jaar 1215 deze afkondigingen voor de gansche Katholieke Kerk verplicht gesteld, en dus tot algemeene wet verheven wat voorheen slechts hier en daar gebruik was geweest. 3)

Het voorschrift is door de kerkelijke overheden in ons land meermalen opnieuw uitgevaardigd, bijv. voor het bisdom Utrecht door bisschop Jan van Zyrik in zijne Statuten van 2 December 1294: 4) Prohibemus clamdestina matrimonia, que appellamus,


1) Procesverbaal van een getuigenverhoor, van wereldlijke zijde gehouden over de kerkelijke rechtspraak in Zeeland, a°. 1505, art. 16 (Joosting, t.a.p. III, bl. 313).
Onjuist is dus de meening van Mr. S.J. Fockema Andreae, Het oud-nederl. burgerlijk recht, II, bl. 135 en 145, dat in de Middeleeuwen van actiën op grond van trouwbeloften geene sprake was.
2) Zie boven, bl. 93.
3) c. 3 X. 4. 3: Specialem quorundam locorum consuetudinem ad alia generaliter prorogando, statuimus, ut cum matrimonia fuerint contrahenda, in ecclesiis per presbyteros publice proponantur competenti termino praefinito: ut intra illum, qui voluerit et valuerit, legitimum impedimentum opponat, et ipsi presbyteri nihilominus investigent, utrum aliquod impedimentum obsistat. Cum autem apparuerit probabilis conjectura contra copulam contrahendam, contractus interdicatur expresse, donec quod fieri debeat super eo, manifestis constiterit documentis.
4) Joosting, t.a.p. V, bl. 71. Zie ook de Statuten van 21 April 1293, art. 18, ald. bl. 63.

|105|

que sine denunciacione seu bannis in parrochiis contrahentium per presbiteros eorum publice premissis contrahuntur. 1) Dat men het noodig vond het telkens te herhalen, 2) bewijst al dat de naleving ervan veel te wenschen overliet.

Volgens latere voorschriften moest het huwelijk driemaal worden afgekondigd en op drie onderscheidene dagen. 3) De bisschop of zijn gemachtigde kon echter om bijzondere redenen ontheffing verleenen van één of twee afkondigingen. 4)

De afkondigingen waren niet voorgeschreven op straffe van nietigheid van het huwelijk. Bleven zij achterwege, dan was het huwelijk er niet minder geldig om, 5) maar de echtgenooten waren strafbaar. De straf, door de synodale statuten in ons land tegen het clandestien huwen bedreigd, was excommunicatie. 6) Maar men kon absolutie verkrijgen tegen betaling van eene boete, waarvan gewoonlijk het bedrag in elk bijzonder geval werd vastgesteld door den kerkelijken rechter, die daarbij rekening hield met stand en gegoedheid van de schuldigen. 7) Op sommige


1) De benaming „matrimonia clandestina” komt ook wel eens voor in andere beteekenis, bijv. voor huwelijken gesloten zonder getuigen. Ik gebruik haar echter in deze afdeeling steeds in dezelfde beteekenis als bisschop van Zyrik deed in zijne Statuten.
2) Synod. statuten van den bisschop van Utrecht van 5 Mei 1310, art. 32, 33 (Joosting V, bl. 92), 27 April 1350, art. 1 (ald. bl. 125), 2 Oct. 1517, art. 6 sub g (ald. bl. 151), 2 Oct. 1535, art. 7 (ald. bl. 166), 23 Febr. 1549, art. 13 (ald. bl. 218); provinc. stat. van den aartsbisschop van Keulen van 6 April 1549, art. 76 (ald. bl. 327); stat. voor het dekanaat Veluwe van 21 April 1556, art. 12 (ald. bl. 337).
3) Synod. stat. van den bisschop van Utrecht van 27 April 1350, art. 2 (Joosting V, blz. 125), 2 Oct. 1535, art. 7 (ald. bl. 166).
4) A.g. statuten van 23 Febr. 1549, art. 13 (Joosting V, bl. 218): quod nunquam fiat dispensatio super tribus proclamationibus, nisi super una et altera, idque ex legitima causa. Et fiet ad minus una proclamatio uno aut pluribus diebus ante solemnizationem. Verg. ook a.g. statuten van 5 Mei 1310, art. 47; 27 April 1350, art. 2 (t.a.-p. bl. 98 en 125); instructie van den bisschop v. Utrecht voor zijne provisoren van 1 Sept. 1519, art. 12 (Joosting IV, bl. 318).
5) v. Espen, t.a.p., cap. III, no. 14; Van den seven heyl. sacramenten, cap. 13: „al ist dat die heylighe kercke dese heymelike truwe verbiedende is te gheschien, nochtans alse gheschiet isse, houdt ende blijft vast ende ghestade in allen manieren als ofse int openbaer gheschiet waer.”
6) Zie de aangeh. statuten.
7) Syn. statuten van den proost-aartsdiaken van Oudmunster, 26 April 1559, art. 4 (Joosting V, bl. 222): ut decani et commissarii nostri deinceps clandestina matrimonia contrahentes ab excommunicationis sententia .... non absolvant, nisi injuncta eis pro qualitate personarum et delicti salutari et canonica poenitentia; et hinc rationem officiali nostro faciant. Zie ook Joosting IV, bl. 348/9.

|106|

plaatsen echter was het voor absolutie te betalen bedrag door gewoonte of door overeenkomst van den kerkdijken rechter met de ingezetenen eens voor al bepaald. Zoo was het bijv. op Texel, waar de regel gold: ,,zoe wanneer ymant van den ingeseten van den lande van Texel heymelicke trouwe gegeven heeft ende dairom in den banne gevallen is, zoe sal diezelve voir der absolucie-brieff geven XIIII st. na ouder gewoonten.” 1) Ook bij concordaat tusschen de wereldlijke en geestelijke overheid zijn wel dergelijke regelen gesteld. Het meergenoemde concordaat tusschen den graaf van Holland en den bisschop van Utrecht van 1434 bepaalde dat voor de absolutie wegens clandestien huwelijk niet meer mocht worden geëischt dan één Engelsche nobel, met dien verstande dat hierdoor niet zouden „bezwaert wesen die ondersaten van Hollant, van Zeelant ende van Vrieslant, die sekere ordinancie ende costumen hebben dat sy min hier of te gheven pleghen.” 2)

Dergelijke bepalingen, welke toonen dat bij de wereldlijke en geestelijke overheid zelve overtreding van het verbod der clandestiene huwelijken niet zoo zwaar woog, waren zeker niet geschikt om bij de bevolking den eerbied voor het kerkelijke voorschrift te verhoogen. Daarop wezen dan ook terecht de Utrechtsche officialen in hun bezwaarschrift tegen het concordaat. Zij meenden dat men, door een bepaald bedrag vast te stellen als prijs voor de absolutie, het aangaan van clandestiene huwelijken in de hand werkte, en dat met name de aanzienlijken en meergegoeden, voor wie zoo’n luttel bedrag niets beteekende, ,,contraherent sepissime matrimonium in contemtum mandatorum


1) Overeenkomst van den provisor en deken van Kennemerland met de „inwoonres tslants van Texel”, 26 Maart 1495, art. 4 (Joosting III, bl. 271).
2) Zie boven bl. 96, noot 2, en daarbij Priv. van Hoorn 31 Aug. 1424, art. 2 (Joosting VII, bl. 92), Priv. Enkhuizen 17 Sept. 1433, art. 2 (ald. bl. 93), Priv. Enkhuizen, Grootebroek en Westwoud, 3 Oct. 1433, art. 1 (ald. bl. 95). Voorts een brief van het Domkapittel te Utrecht en den proost van West-Friesland aan de burgemeesters van Hoorn, d.d. 14 Jan 1506 (Joosting VII, bl. 126), inhoudende dat zij den deken van West-Friesland hebben bevolen van de ingezetenen der stad niet meer te eischen voor de absolutie wegens clandestien huwelijk „dan sij denselven deken sculdich sijn na vermogen zekere uwen privilegiën, die houdende sijn dat men van elcke alsulcke absolutie niet meer geven sal dan IX boddragers den deken ende enen boddrager den notario.” Dat de deken zich hieraan niet stoorde, blijkt ald. bl. 135 en 137.

|107|

ecclesie, ad ipsorum appetitum, quod valde esset absurdum.” 1)

In dit bezwaarschrift wordt dus werkelijke bezorgdheid over de niet-naleving der kerkelijke voorschriften aan den dag gelegd. Maar zulk eene gezindheid ontbrak helaas ten eenenmale bij vele kerkelijke rechters, aan wie de bestraffing der clandestiene huwelijken was toevertrouwd. Velen van hen beschouwden de kerkelijke wet enkel als een middel om er voor zichzelf financieel profijt uit te trekken. Elk clandestien huwelijk beteekende voor hen een buitenkansje, waarvan zij trachtten te halen wat er van te halen was. Zij marchandeerden met de wetsovertreders over de absolutie, alsof het eene doodgewone koopwaar gold, waarvan zij ten eigen behoeve het monopolie hadden gekregen. En zij beklonken de zaak met een stevig glas. 2) Veelal verkochten zij, in strijd met het kerkelijke voorschrift, reeds van te voren de absolutie voor een clandestien huwelijk dat nog moest worden


1) Zij vonden het daarom beter, „quod in talibus servetur per provisores et decanos consuetudo antiqua observari solita, et quod consideretur qualitas delicti et personarum” (Joosting III, bl. 210).
2) Zie het a.g. procesverbaal van een getuigenverhoor over de niet-naleving van het concordaat van 1434 door de kerkelijke rechters in Zeeland, sub IV (Joosting III, bl. 299 volg.): „Ende als van den clamdestinen ende anderen excessen, die int heymelick hebben moegen gecompenseert zyn mitten provisoers, en soude daeraff niet well weeten te deposeren dan dat zy provisoers, also hy gehoert heeft, daeraff hebben genomen tguent datser aff hebben konnen gecrygen. Hy weet well nochtans dat omme te moegen trouwen clamdestine sonder proclamatiën ene genaemt Jacob Gillisz .... heefft moeten betalen den provisoir ende dekene omtrent 11 £ gro., daerinne begrepen een gelach off twee die daerop verdroncken waren; boven welcken gelagen de provisoir ende dekene ontfangen hebben well tot hueren proffijte negen Rynss-gulden.” Ook ald. bl. 323: „Ende van saicken van clamdestine te trouwen ende voir die absolutie daeraff nemen die provisors gemeenlicken tgene dat zy kunnen gecrygen.” Zie ook. ald. bl. 315, 318, 320. Toen in 1558 een meisje zich beklaagde bij de dochter van den deken van West-Friesland, dat een proces hetwelk voor dezen aanhangig was, zoolang duurde, antwoordde des dekens dochter: „Ghy syt veel te hons ende girich, ghy en wilt nyt geven.” Toen het meisje zeide: „Waerom soude ick wat geven, naedyen ick goet recht hebbe ende mij grote injurie ende ongelyck gedaen wordt,” luidde het antwoord: „Jae het is nu alzoe dye manijer, dat dyegeen, dye goet recht heeft, geven moet; want zy [nl. de geestelijken] willen ende moeten dye wyn drincken. Ende zoverre ghy nyt geven en wilt, zo zult ghy noch in sess jaren geen eynt van u saeck hebben noch sententie crijgen.” (Joosting VII, bl. 450 volg.). Zie ook de vele klachten tegen den deken van West-Friesland in 1506 en volgende jaren (ald. bl. 126, 135, 137, 141, 143) en tegen een van zijne opvolgers in 1544 (ald. bl. 389 volg.).

|108|

aangegaan. 1) Geen wonder dus, dat bij de bevolking het ontzag voor de kerkelijke wet hoe langer hoe meer verloren ging en dat zij redeneerde: „die gelt heeft die mach genoech doen.” 2) Het gevolg daarvan was dat de prijs, dien zij voor de absolutie over had, hoe langer hoe kleiner werd. En het dalen van dien prijs deed op zijne beurt het aantal clandestiene huwelijken nog meer toenemen. Wie om eene of andere reden de huwelijksafkondigingen liefst achterwege zag blijven, hetzij omdat hij wenschte te huwen tegen den wil der ouders, hetzij omdat hij vreesde dat een verboden graad van verwantschap 3) of eenig ander huwelijksbeletsel 4) aan het licht zou komen, betaalde gaarne eenige stuivers aan den provisor om aan den kerkelijken ban te ontkomen. De meeste clandestiene huwelijken zullen echter, naar ik vermoed, tot stand zijn gekomen tengevolge van den Kanoniek-rechtelijken regel dat bijslaap, gevolgd op de verloving (sponsalia de futuro), een huwelijk maakte. 5) Van het oogenblik af dat tusschen verloofden vleeschelijke gemeenschap had plaats gehad, (ook zonder dat huwelijksafkondigingen waren geschied) bestond


1) Zie vorige noot en Ord. van schout, burgem. en schepenen v. Amsterdam, 1524 (Joosting III, bl. 468): „dat verscheyde persoonen .... sedert een geruymen tijdt, sonder zich aan het decreet der heilige Kerke omtrent de heimelyke houwelyken te kreunen, by nacht en ontyde, sonder voorgaande gebooden, getrouwt waren, nadat se eerst aan de opsienders en deekens een seekeren penning, ieder na sijn vermogen, in de handt gestooken hadden;” ... „dat er eenige, die al te vooren (met anderen) door woorden (per verba de praesenti) die een tegenwoordige trouw beduyden, vereenigt waren geweest, ja ook eenige wechgeloopene monniken, nadat se den dekens en opsienders soo een penning toegestooken hadden, van deselve verlof gekreegen hebben om in het heymelijk te trouwen.” Den deken van Amstelland werd te laste gelegd: „concessit clamdestine contrahi, salvo quod sponsa illum ad concubitum admitteret; et post matrimonium contractum illam recusantem concumbere ita vexavit, ut ipsa cum marito cogerentur recedere ab opido.” (Joosting III, bl. 510).
2) Procesverbaal van een getuigenverhoor over het wanbestuur van den deken van West-Friesland, 1544 (Joosting VII, blz. 402).
3) De verboden graden van verwantschap waren, gelijk bekend is, in het Kanonieke recht zeer ver doorgevoerd. De deken van West-Friesland, Mr. Scagius, verleende tallooze malen vrijstelling van de afkondigingen, hoewel hij wist dat de partijen elkaar verwant waren in een verboden graad. Hij deed dit „sub spe impetrande dispensationis apostolice.” Deze pauselijke dispensatie (betreffende den verboden graad) wist hij dan gewoonlijk tegen goede betaling ook te verschaffen (zie het in de vorige noot a.g. procesverbaal).
4) Bijv. vroegere verloving, of zelfs huwelijk, met een derde.
5) Zie beneden, bl. 117 volg.

|109|

er tusschen hen een clandestien maar volkomen geldig huwelijk. Dat dit geene zeldzaamheid zal zijn geweest, behoeft geen betoog voor dengene, die eenigszins bekend is met de thans nog in sommige streken van ons vaderland op dit gebied heerschende zeden. En daarbij dienen wij dan nog wel te bedenken, dat men in de Middeleeuwen uit den aard der zaak veel minder dan tegenwoordig in zoodanig gedrag van verloofden iets bijzonder afkeurenswaardigs zag. Dit bracht zoowel de oude Germaansche beschouwing van het huwelijk als die van de Kerk zelve mede. 1) De laatste immers, hoewel de vleeschelijke gemeenschap tusschen verloofden zonder voorafgaande huwelijksafkondigingen afkeurend en straffend, hechtte daaraan toch in zekeren zin haar zegel, door er geldige huwelijkssluiting in te zien. En de wijze waarop de kerkelijke rechters te werk gingen bij de bestraffing der clandestiene huwelijken, was weinig geschikt om het volk te doordringen van het hooge belang, dat gemoeid was met de inachtneming van de verbodsbepalingen tegen huwelijkssluiting zonder afkondigingen.

Dit alles verklaart dat in de Middeleeuwen het aantal clandestiene huwelijken buitengewoon groot was. In Joosting’s uitgave van de bronnen voor de geschiedenis der kerkelijke rechtspraak komen een paar rekeningen voor van den provisor van Rijnland, welke dit eenigszins kunnen illustreeren. 2) Daaruit toch blijkt, dat die provisor in het jaar 1504 absolutie verleende voor niet minder dan 53 clandestiene huwelijken. In de andere rekening, van het jaar 1507, bedraagt dit aantal 57. De opgelegde boeten varieerden in 1504 tusschen 2½ en 15 stuivers, in 1507 tusschen 2½ en 12 stuivers.

En toch zagen ook de kerkelijke autoriteiten wel de betreurenswaardige gevolgen, waartoe die clandestiene huwelijken leidden: onzekerheid of er in een bepaald geval al dan niet


1) Zie nog bij Voetius, Politica Ecclesiastica, P. I. L. III. Tr. I. S. I. C. VI qu. 4, de vraag behandeld: An positis sponsalibus licitus sit concubitus ante solemnem matrimonii confirmationem? Hij antwoordt ontkennend en bestrijdt verschillende „objectiones”, o. m. van Katholieke schrijvers, bijv. deze: Sponsus per sponsalia aliquod jus justitiae acquirit in corpus sponsae; en deze: nulla lege divina concubitum talem prohiberi, atque in legem Dei non peccari.
2) Deel IV, bl. 310 volg. Ook in de rekening van den provisor van Zuid-Holland van 25 April 1328—1 Juni 1329 (Mr. S. Muller Fz., De registers en rekeningen van het bisdom Utrecht, I, bl. 527 volg.) komen verschillende posten voor van boeten voor clandestiene huwelijken.

|110|

een wettig huwelijk was en of de kinderen wettig waren, 1) huwen buiten weten of consent der ouders, dubbele huwelijken, huwelijken in een verboden graad van verwantschap, verbreking van ’t heimelijke huwelijk als men er genoeg van had enz. 2) Dit is dan ook voor de wereldlijke overheid, hooge en lage, meermalen aanleiding geweest om harerzijds tegen de clandestiene huwelijken op te treden. In verschillende ordonnanties, door haar uitgevaardigd, vinden wij straf bedreigd tegen degenen, die zonder voorafgaande afkondigingen een huwelijk aangingen. 3) Dat de Kerk dit beschouwde als eene ongeoorloofde inmenging in hare aangelegenheden, merkte ik vroeger reeds op.

Het concilie van Trente heeft in zijn decreet van 11 Nov. 1563


1) Verg. Mr. J.A. Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap v. Zuid-Holland, II, bl. 91: Op 28 Febr. 1443 verscheen voor schepenen Jacob Havic en verklaarde onder eede „dat hy Katheline Dircxdochter, Dircx sijns soens moeder, getrouwet hadde tot sinen echten wive tusschen hem ende hoer, ende dat hyse voir die kerck getrouwet soude hebben, hadse te live gebleven. Ende kende dat Dircx sijn soen sijn getrouwet kint was.” Een getuige bevestigde „dat hy van hem beijden voirsz. gehoirt hadde dat sy seyden, dat sy malcanderen getrouwet hadden.” Ald. II bl. 77: Eene vrouw zweert (1437) „op Pieter Wouterssoen den cuper, sijn getruwede kijnderen te wesen, daer sy moeder of is.” Dr. P.J. Blok, Leidsche rechtsbronnen uit de Middeleeuwen, bl. 214: De schout van Leiden eischt eene boete van Aernt Butendijck, op grond dat deze in onechte zit „want Aernt niet bewysen en sel, dat hy dit wijff voir die Heylige Kerc getrouwet heeft.” Schepenen wijzen: „dat Aernt ende Geertruut elc bij horen volcomen ende gestaeffden eede lieflic ende hoichlic ten heyligen zweren zullen, dat sy .... malcander mit hande ende mit monde die ene den anderen hoir rechte manlike ende wijflike truwe gegeven hebben”. Deden zij den eed, dan zou Aernt vrij zijn van boete.
2) Verg. Ordonn. van Baljuw en mannen van Rijnland, 15 Mei 1576, S. v. Leeuwen, Costumen van Rijnland, bl. 410 volg.; Prov. Statuten van den aartsbisschop van Keulen, 6 April 1549, art. 76, Joosting V, bl. 327: Saepius experti, quanta mala ex clandestinis conjugiis oriantur, qualia sunt perjuria, stupra virginum, adulteria, homicidia, parentum et amicorum offensiones, exheredationes .... decrevimus et statuimus, cet.
3) Ordonn. van graaf Willem IV van Holland, 11 Mei 1410, Joosting III, bl. 139 (boete: 10 pond); stadb. Groningen, uitg. Telting, bk. VIII, art. 223 (5 mark boete en verbanning); keurb. Haarlem 1390, art. 139, Huizinga, Rechtsbr. Haarl., bl 79 (10 pond boete); ordonn. Amsterdam 1524, Joosting III, bl. 468 („op seekere boeten”); ordonn. Amsterdam 3 Nov 1525, ald. bl. 536 (18 karolusgl. boete); ordonn. den Briel 1527, H. de Jager, De middeleeuwsche keuren der stad Brielle, bl. 250 (10 karolusgl. boete). Verg. ook Scepene boeck van Utrecht, VII, 1, Muller, Rechtsbr. Utrecht, II, bl. 256: zonder huwelijksafkondigingen treedt geene gemeenschap van goederen tusschen de echtgenooten in.

|111|

het voorschrift van de huwelijksafkondigingen nog eens herhaald. 1) Noodzakelijke voorwaarde voor de geldigheid van het huwelijk waren zij ook volgens dit decreet niet. Wel eischte het, gelijk ons nog zal blijken, op straffe van nietigheid huwelijkssluiting in tegenwoordigheid van den pastoor en twee getuigen. Hierdoor was dus in ieder geval de openbaarheid der huwelijken gewaarborgd, althans in die parochies waar het decreet is afgekondigd. 2) Maar tevens bracht dit voorschrift mede, dat voortaan slechts bij hooge uitzondering de huwelijksafkondigingen achterwege zouden blijven, daar de pastoor in den regel zijne medewerking bij de huwelijkssluiting niet zal hebben verleend, wanneer niet overeenkomstig het decreet de afkondigingen hadden plaats gehad. In zeer bijzondere gevallen liet het concilie huwelijksvoltrekking zonder voorafgaande afkondigingen toe. 3)

 

Huwelijksvoltrekking.

De Kerk leerde oorspronkelijk, in aansluiting aan het Romeinsche recht, dat een huwelijk tot stand komt enkel door de wederzijdsche toestemming van man en vrouw. 4) Deze opvatting


1) Conc. Trident. Sessio XXIV, de reform, matrim. 1: Verum, quum sancta synodus .... gravia peccata perpendat, quae ex eisdem clandestinis conjugiis ortum habent, praesertim vero eorum, qui in statu damnationis permanent, dum, priore uxore, cum qua clam contraxerant, relicta cum alia palam contrahunt, et cum ea in perpetuo adulterio vivunt, cui malo quum ab ecclesia, quae de occultis non iudicat, succurri non possit, nisi efficacius aliquod remedium adhibeatur, idcirco sacri Lateranensis concilii sub Innocentio III celebrati vestigiis inhaerendo praecipit, ut in posterum antequam matrimonium contrahatur, ter a proprio contrahen-tium parocho tribus continuis diebus festivis in ecclesia inter missarum solemnia publice denuncietur, inter quos matrimonium sit contrahendum.
2) Zie beneden, bl. 120.
3) Quod si aliquando probabilis fuerit suspicio, matrimonium malitiose impediri posse, si tot praecesserint denunciationes, tune vel una tantum denunciatio fiat, vel saltem parocho et duobus vel tribus testibus praesentibus matrimonium celebretur.
4) Anders Freisen, Gesch. des Can. Eherechts, bl. 151 volg., die leert dat de Kerk van den aanvang af den bijslaap heeft beschouwd als het eigenlijk constitutieve element van het huwelijk. Deze beschouwing zou zij ontleend hebben aan het Joodsche recht (ald. bl. 205 volg.). Dat het Joodsche recht dit standpunt innam, is juist (zie boven blz 67). Maar de Kerk volgde aanvankelijk den Romeinschrechtelijken regel, dat niet de bijslaap maar de wilsovereenstemming het huwelijk maakt. Zie bijv. c. 1, 2, 4, 5 eet. C. 27 qu. 2. Zoo ook: Dr. E. Sehling, Die Unterscheidung der Verlöbnisse im kanon. Recht, bl. 24 volg.

|112|

heeft eeuwen lang in de Kerk geheerscht, totdat daarin verandering is gekomen door den invloed van het Germaansche recht. 1) De veranderde beschouwing treedt voor het eerst duidelijk aan het licht in de geschriften van den bekenden aartsbisschop Hincmar van Reims (✝ 882), die grooten invloed heeft gehad in de Frankische Kerk. Volgens hem is voor de totstandkoming van een huwelijk niet voldoende de wilsovereenstemming der aanstaande echtgenooten, maar moet daar noodzakelijk bijkomen de bijslaap. Eerst door den bijslaap worden man en vrouw una caro. 2) Eerst daardoor ontstaat tusschen hen die innige betrekking, welke de apostel Paulus vergeleken heeft met de gemeenschap tusschen Christus en zijne gemeente, 3) en welke de Heer zelf onverbreekbaar heeft verklaard. 4) Kortom, dan pas is er een huwelijk in den vollen zin des woords, dat niet kan worden ontbonden anders dan door den dood.

Daarentegen is de huwelijksovereenkomst, waarop nog geen bijslaap is gevolgd, niet volstrekt onontbindbaar. Wel staat het partijen geenszins vrij haar naar believen te verbreken, ook niet met wederzijdsch goedvinden. Zij zijn integendeel uit kracht


1) Den invloed van het Germ. recht neem ik aan, omdat de Kerk oudtijds het Romeinschrechtelijke standpunt innam en de nieuwe beschouwing, welke beantwoordde aan de Germaansche, zich het eerst openbaarde in de Frankische Kerk. Hiermede ontken ik niet, dat ook het Joodsche recht invloed heeft gehad. Deze invloed heeft m.i. hierin bestaan, dat de door de Kerk overgenomen Joodsche beschouwing van het doel van het huwelijk (de voortbrenging van kinderen), de uitdrukking „una caro” (Genesis II: 24) en andere plaatsen uit de H. Schrift de Kerk zeer toegankelijk maakten voor de Germ. beschouwing omtrent de huwelijkssluiting.
2) Sirmond, Hincmari archiepiscopi Remensis opera, II, 652: Tantum dicere necessarium duximus, quia inter ingenuos et aequales legitima fiunt coniugia, cum a parentibus, quorum interest, petita et legaliter desponsata et dotata et publicis nuptiis honestata femina coniugii copulae sociatur et ex duobus unum corpus unaque caro efficitur.
3) T.z.p.: Et tunc habent nuptiae in se Christi et ecclesiae sacramentum et tunc pertinere noscitur muiier illa ad matrimonium, in qua sexuum commixtione et nuptiale docetur fuisse mysterium. Verg. Efez. V: 23-32, i.h.b. vs. 31, 32: „Daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vleesch wezen. Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente.” Men lette er wel op dat Hincmar niet zegt: nuptiae sunt sacramentum, maar n. habent sacramentum. Over de beteekenis daarvan, zie Freisen, t.a.p. bl. 30 volg.
4) Mattheüs XIX: 5, 6: „en die twee zullen tot één vleesch zijn, alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. ’t Geen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet.”

|113|

van het „aangegane” huwelijk verplicht tot de „vervulling” ervan. 1) Die vervulling geschiedt door den bijslaap. Maar wanneer deze niet kan plaats hebben wegens impotentie, komt geen huwelijk tot stand en kan de huwelijksovereenkomst ontbonden worden. 2)

Volgens Hincmar ontstond dus een compleet huwelijk, hetgeen in zijn gedachtengang beteekende een volstrekt onontbindbaar huwelijk, door de wilsovereenstemming van het bruidspaar en bijslaap. Deze beschouwing naderde die van het wereldlijke recht, 3) zooals dit, op zijne beurt beïnvloed door de Kerk, 4) zich ontwikkeld had. Zij is door de Frankische Kerk gerecipieerd, 5) en later ook elders in de Katholieke Kerk aangenomen.

Zoo vinden wij haar ook bij Gratianus. Hij leert dat het huwelijk wordt aangegaan door sponsalis conventio (matrimonium initiatum) en voltrokken door carnalis commixtio (matrimonium consummatum of perfectum of ratum), 6) Het laatste is volstrekt onontbindbaar, maar het matrimonium initiatum kan in verschillende gevallen worden ontbonden. Het wordt met name ontbonden, wanneer ééne van de partijen daarna een huwelijk aangaat met een derde en met deze dat huwelijk door bijslaap


1) Dat deze tegenstelling: „matrimonium initiatum” en „matrimonium perfectum” reeds bij Hincmar voorkomt, daarop wees Freisen, t.a.p., bl. 173 en 159. Hincmar zegt ook dat het huwelijk „carnis unione completur” (Sirmond, II, 664).
2) Sirmond II, 659: pro talibus nuptiis, sicut istae fuerunt, non esse coniugium, quibus defuit coniunctio sexuum ac cum prolis spe fldei sacramentum. Ald. II, 656: Et in synodo apud Liptinas habita .... legitur, ut si vir mulieri desponsatae dotatae ac publicis nuptiis ductae, secundum Apostolum debitum coniugale non potuerit reddere, ... ut separentur, et muiier si continere nequiverit, alteri viro legaliter nubat.
3) Nl. inzooverre dit voor de totstandkoming van een huwelijk eischte wilsovereenstemming en bijslaap. Overigens was er nog wel verschil. Zoo kende het wereldlijke recht geen volstrekt onontbindbaar huwelijk.
4) Zie boven bl. 76 volg.
5) Zie Sehling t.a.p., bl. 47. De Frankische Kerk heeft echter de volstrekte onontbindbaarheid van ’t huwelijk in de practijk niet kunnen volhouden.
6) Dict. ad c. 32 C. 27 qu. 2: Cuncta ergo quae de non separando coniugio inducta sunt, de perfecto intelliguntur, quod sponsali conventione est initiatum et officio corporalis commistionis est consummatum. Verg. ook dict. ad c. 2 C. 28 qu. 2: quia ratum coniugium fuerat inter eos, quod nullo modo solvi potest; en dict. ad c. 34 C. 27 qu. 2: inter copulatos est coniugium ratum. De Codex van 1917 gebruikt de uitdrukking matr. ratum in andere beteekenis, nl. voor het „matrimonium baptizatorum validum ..., si nondum consummatione completum est.” Verg. ook c. 7 X. 4, 19.

|114|

voltrekt. Het matrimonium consummatum blijft dan in stand; het vroeger aangegane maar niet voltrokken huwelijk vervalt. 1) Vooral hierin komt duidelijk uit dat er, volgens deze beschouwing, vóór den bijslaap geen compleet huwelijk is.

Intusschen is tegen deze opvatting nog in Gratianus’ tijd reactie ontstaan door den invloed van den Parijschen bisschop Petrus Lombardus (✝ 1164), die de leer verdedigde, dat een onontbindbaar huwelijk reeds ontstaat door de wilsovereenstemming van man en vrouw, indien deze gericht is op de oogenblikkelijke totstandkoming van een huwelijk (sponsalia de praesenti), ook zonder dat bijslaap is gevolgd. 2)

De Kerk heeft deze opvatting, welke eene scherpe tegenstelling vormde met die van Gratianus, niet ten volle aanvaard, maar wel voor een deel. Terwijl zij eenerzijds tot op den huidigen dag vasthield aan de onderscheiding van het matrimonium consummatum en non consummatum en daaraan belangrijke rechtsgevolgen vastknoopte, heeft zij andererzijds gewichtige concessies gedaan aan Lombardus’ leer. Maar hierdoor is zij gekomen tot een stelsel hetwelk, doordat het een compromiskarakter draagt en hinkt op twee gedachten, m.i. de gewenschte klaarheid mist. 3)

Den eersten stap in de richting van Lombardus’ leer deed Paus Alexander III (✝ 1181), door in afwijking van zijne voorgangers te beslissen, dat sponsalia de praesenti niet worden ontbonden door een daarop gevolgd matrimonium copula carnali consummatum. 4) Hierbij hebben latere pauselijke decretalen


1) Dict. ad c. 50 C. 27 qu. 2. Zie ook Freisen, t.a.p., bl. 171 volg.
2) Sententiarum lib. IV, dist. 27 § 3: Efficiens autem causa matrimonii est consensus, non quilibet, sed per verba expressus, nec de futuro, sed de praesenti. Ald. § 4: ex his apparet, quod consensus, id est pactio conjugalis, matrimonium faciat, et ex tune conjugium est, etiamsi non praecessit vel secuta est copula carnalis. Lombardus wilde met zijne theorie vooral bewijzen dat er tusschen Maria en Jozef een „matrimonium perfectum” was geweest. Hij zegt hiervan o.m. § 7: Tanto enim sanctius fait atque perfectius, quanto a carnali opere immunius.
3) Verg den Codex iur. can., c. 1111 volg. met c. 1081, 1012 en 1013 § 2 (hieronder bl. 117 noot 1).
4) c 3 X. 4, 4: Respondemus, quod si inter virum et mulierem legitimus consensus interveniat de praesenti, ita quidem, quod unus alterum in suo mutuo consensu verbis consuetis expresse recipiat, utroque dicente: Ego te accipio in meam et ego accipio te in meum: sive sit juramentum interpositum, sive non, non licet mulieri alii nubere. Et si nupserit, etiamsi carnalis copula sit secuta, ab eo separari debet, et ut ad primum redeat, ecclesiastica districtione compelli. Quamvis aliter a quibusdam praedecessoribus nostris sit aliquando judicatum.

|115|

zich aangesloten. 1) Bij concurrentie tusschen twee huwelijken, waarvan het eene door bijslaap voltrokken was en het andere niet, week dus nu niet meer noodzakelijk het laatstgenoemde voor het matrimonium consummatum, maar was de voorrang aan dat hetwelk het eerst was aangegaan. Men kende derhalve, in dit geval, aan sponsalia de praesenti dezelfde kracht toe als aan een matrimonium consummatum. Consequent doorgevoerd moest dit leiden tot het aanvaarden van den door Lombardus gestelden regel, dat een onontbindbaar huwelijk ontstaat door sponsalia de praesenti.

Dezen regel heeft de Kerk dan ook in beginsel aangenomen: opvolgers van Alexander III leerden dat het huwelijk tot stand komt door sponsalia de praesenti zonder meer 2) en verklaarden het aldus gesloten huwelijk voor onontbindbaar. 3) Maar toch was er een belangrijk verschil met Lombardus’ opvatting. Volgens deze waren de sponsalia de praesenti onontbindbaar krachtens goddelijk recht, omdat reeds „in illo matrimonio (se. non consummato) typus conjunctionis Christi et ecclesiae”


1) Bijv. c. 5 X. 4, 4. Verg. ook c. 32 X. 4, 1 (hieronder bl. 118 noot 1).
2) Anders Freisen, t.a.p. bl. 205 volg., die met klem de opvatting verdedigt dat de Kerk ook na Alexander III den bijslaap bleef beschouwen als het constitutieve element van het huwelijk. „Zu dieser Annahme”, zegt hij (bl. 218), „zwingt die Logik und die von mir dargelegte geschichtliche Entwickelung”. Dat zijn betoog op zichzelf beschouwd logisch is, zal ik niet ontkennen. Het komt hierop neer: het Christelijke huwelijk is door de Kerk steeds als volstrekt onontbindbaar beschouwd. Volstrekt onontbindbaar is volgens het Kan. recht alleen het matr. consummatum. Dus alleen dit laatste is een huwelijk in den eigenlijken zin.
Ik merk op 1o. dat de Pausen deze redeneering niet hebben gevolgd. Zij leeren, blijkens de bronnen, dat door de sponsalia de praesenti reeds ontstaat een „matrimonium”; 2o. dat ik in Freisen's betoog niet veel meer kan zien dan een strijd over woorden, n.l. over de vraag of een niet volstrekt onontbindbaar huwelijk eigenlijk wel een huwelijk mag heeten. Want over de rechtsgevolgen van den bijslaap, naar Kanoniek recht, zijn wij het wel eens.
3) Bijv. Innocentius III (✝ 1216), c. 25 X. 4, 1: Respondemus, quod matrimonium in veritate contrahitur per legitimum viri et mulieris consensum: sed necessaria sunt quantum ad ecclesiam, verba consensum exprimentia de praesenti. Dezelfde: c. 14 X, 3, 32: Respondemus, quod etsi possit non inconsulte videri, quod ex quo matrimonium inter legitimas personas per verba de praesenti contrahitur, illis viventibus in nullo casu possit dissolvi .... nos tamen nolentes a praedecessorum nostrorum vestigiis declinare, qui respondere consulti, antequam matrimonium fit per carnalem copulam consummatum, licere alteri conjugum, reliquo inconsullo, ad religionem transire, ita quod reliquus extunc legitime poterit llteri copulari, hoc ipsum tibi consulimus observandum in articulo praenotato.

|116|

aanwezig was. 1) Daarentegen beschouwden de Pausen de onontbindbaarheid der sponsalia de praesenti als eene constitutio ecclesiae, 2) waarop dus de Kerk zelve ook uitzonderingen kon maken. Onontbindbaar volgens goddelijk recht achtten zij alleen het matrimonium copula carnali consummatum, omdat eerst door den bijslaap de echtgenooten werden „una caro.” Inzooverre hielden zij dus vast aan de reeds door Hincmar van Reims verdedigde beschouwing.

Daar de Kerk dus bleef aannemen, dat een volstrekt onontbindbaar huwelijk eerst ontstaat door den op den consensus gevolgden bijslaap, zou men prima facie geneigd kunnen zijn te meenen, dat de onder Lombardus’ invloed veranderde beschouwing omtrent de huwelijkssluiting practisch geene beteekenis had, m.a.w. voor het recht eigenlijk irrelevant was. Toch is dit geenszins het geval. Dat die gewijzigde opvatting wel degelijk practisch belang heeft gehad, blijkt reeds uit de meegedeelde beslissing van Alexander III. Maar behalve de „sequens desponsatio carnali copula consummata,” waarover dat decretale handelde, werden in Gratianus’ tijd nog tal van andere redenen erkend, waarom een matrimonium non consummatum kon worden ontbonden. Was zoodanige reden aanwezig, dan konden in den regel de partijen zelf of eene van haar het huwelijk verbreken, zondat dat daarvoor de medewerking der kerkelijke autoriteiten vereischt werd. En dit is onder den invloed van Lombardus’ leer geheel veranderd. De redenen, waarom partijen een matrimonium non consummatum konden ontbinden, zijn in den loop des tijds steeds meer ingekrompen, tot dat daarvan in de 13de eeuw nog maar ééne was overgebleven, n.l. de intrede van ééne der partijen in een klooster. 3) In andere gevallen konden de sponsalia de praesenti, welke niet door bijslaap gevolgd waren, slechts ontbonden worden door den Paus krachtens een hem toekomend dispensatierecht. 4) De Pausen hebben zich als wetgevers tot de uitoefening van zoodanig dispensatierecht bevoegd geacht, omdat de onontbindbaarheid van de sponsalia


1) Sentent. IV, 26 § 7.
2) Zie Freisen, bl. 213.
3) Zie de in noot 3 bl. 115 aangehaalde beslissing van Innocentius III (c. 14 X. 3, 32), waaruit tevens blijkt dat de Paus zijne beslissing beschouwde als eene inconsequentie, welke niet paste in de leer dat ’t huwelijk tot stand komt door spons. de praesenti. Zie ook het decretale van Alexander III in c. 2. X. 3, 32.
4) Dit is het eerst uitgeoefend door Alexander III. Zie bijv. c. 2 X. 4. 13. Anders Sehling, t.a.p., bl. 120.

|117|

de praesenti naar hunne beschouwing niet steunde op het goddelijke recht, maar op de constitutio ecclesiae.

Sindsdien kwam dus de regeling van de huwelijkssluiting in het kort hierop neer:

Het huwelijk ontstaat door sponsalia de praesenti. Het aldus tot stand gekomen huwelijk is als regel onontbindbaar. Op dezen regel bestaan echter twee uitzonderingen: het kan worden ontbonden 1o. van rechtswege door intrede van eene der partijen in een klooster, 2o. om andere redenen door den Paus krachtens zijn dispensatierecht. Maar wanneer de sponsalia de praesenti zijn gevolgd door den bijslaap, kan op grond van het goddelijke recht de huwelijksband niet anders worden verbroken dan door den dood. 1)

De bijslaap had dus nog deze beteekenis, dat daarin lag eene versterking van den huwelijksband.

Maar ook nog in een ander opzicht verbond het Kanonieke recht aan den bijslaap rechtsgevolg in verband met de huwelijkssluiting. Onder eene bepaalde voorwaarde toch kende het daaraan dezelfde kracht toe als aan de sponsalia de praesenti. De voor deze laatste vereischte wilsovereenstemming behoefde zich niet noodzakelijk te uiten in woorden. Voldoende was dat zij zich ondubbelzinnig openbaarde, hetzij dan in woorden, hetzij in teekenen, hetzij in handelingen. 2) Nu was natuurlijk de bijslaap op zichzelf geene handeling, waaruit kon worden afgeleid dat de betrokken personen een huwelijk wilden aangaan. Maar anders was het, volgens pauselijke decretalen uit de 13de eeuw, wanneer aan den bijslaap waren voorafgegaan sponsalia de futuro. In dit geval leidde men uit den bijslaap af dat de wil


1) Zoo ook nog de Codex van 1917, die dus de leer van Freisen niet heeft gevolgd. Can. 1013 § 2: Essentiales matrimonii proprietates sunt unitas ac indissolubilitas, quae in matrimonio christiano peculiarem obtinent firmitatem ratione sacramenti. Can. 1081 § 1: Matrimonium facit partium consensus inter personas iure habiles legitime manifesta-tus, qui nulla humana potestate suppleri valet. Can. 1118: Matrimonium validum ratum et consummatum nulla humana potestate nullaque causa, praeterquam morte, dissolvi potest. Can. 1119: Matrimonium non consummatum inter baptizatos vel inter partem baptizatam et partem non baptizatam, dissolvitur turn ipso iure per solemnem professionem religiosam, turn per dispensationem a Sede Apostolica ex iusta causa concessam, utraque parte rogante vel alterutra, etsi altera sit invita.
2) c. 25 X. 4, 1: Nam surdi et muti possunt contrahere matrimonium per consensum mutuum sine verbis, c. 4 X. 4, 9: Mandamus, quatenus si constiterit, quod miles ignoranter contraxit cum ancilla, ita quod postquam intellexit conditionem ipsius, nee facto, nee verbo consenserit in eandem .... contrahendi cum alia liberam ipsi concedas auctoritate Apostolica facultatem.

|118|

der verloofden gericht was op oogenblikkelijke huwelijkssluiting, een vermoeden waartegen geen tegenbewijs werd toegelaten. Door de copula carnalis werd dus de bij de verloving geknoopte band onverbreekbaar, werd hij een huwelijk. Deze belangrijke regel is het eerst duidelijk neergelegd in een decretale van Paus Gregorius IX van het jaar 1236. 1) Volgens de synodale statuten van den Utrechtschen bisschop Jan van Arkel moest dit decretale elk jaar één of tweemaal door de pastoors worden afgekondigd in de kerk, wanneer het meerendeel der parochianen tegenwoordig was. 2)

 

In de 12de eeuw kwam ook op de leer, dat het huwelijk een sacrament is, 3) Toen de Kerk dit dogma aanvaard had, volgde daaruit — in verband met hare leer, dat het huwelijk tot stand komt door sponsalia de praesenti — dat het sacrament aanwezig is zoodra de partijen hebben verklaard elkaar als man en vrouw aan te nemen. Door het sluiten van het huwelijk trekken partijen zelve de daaraan verbonden goddelijke genade tot zich. Zij zelve, en niet, zooals gewoonlijk bij de andere sacramenten, de priester, zijn de bedienaren van het sacrament. En zij zijn er tegelijk de ontvangers van.

Dit dogma van het sacramenteele karakter van het huwelijk verklaart, dat de Kerk sindsdien steeds heeft vastgehouden aan hare leer, dat het huwelijk tot stand komt door de sponsalia de praesenti zonder meer. Want toen zij eenmaal had uitgemaakt, dat die sponsalia tot onmiddellijk gevolg hebben het ontvangen door de echtgenooten van de aan het huwelijk verbonden goddelijke


1) c. 30 X. 4, 1: Is qui fidem dedit M. mulieri super matrimonio contrahendo, carnali copula subsecuta, etsi in facie ecclesiae ducat aliam et cognoscat, ad primam redire tenetur: quia licet praesumptum primum matrimonium videatur, contra praesumptionem tarnen huiusmodi non est probatio admittenda. Ex quo sequitur, quod nee verum, nee aliquod censetur matrimonium, quod de facto est postmodum subsecutum. Zie ook c. 6 X. 4, 5 en c. 32 X. 4, 1: Adolescens, qui desponsatam sibi per verba de futuro, licet saepe nisus fuerit, carnaliter non cognoscens, cum alia postmodum per verba de praesenti contraxit: non prinam, cum qua nee fuit verum matrimonium ex forma contractus, nee praesumptum cum conatus non habuisset effectum, sed secundam debet habere uxorem.
2) Stat. van 5 Mei 1335, art. 4 (Joosting, t.a.p. V, bl. 139).
3) Volgens de gewone voorstelling is deze leer het eerst verdedigd door Lombardus, die inderdaad het huwelijk noemt onder de zeven sacramenten. Twijfelachtig is echter of hij ’t huwelijk beschouwde als een sacrament in den eigenlijken zin (van genademiddel). Vaststaat dat Thomas van Aquino de woorden van Lombardus wel in dien zin heeft uitgelegd (Freisen, t.a.p. bl. 40).

|119|

genade, kon zij later moeilijk anders verklaren. Het ging toch niet aan die genade nu eens afhankelijk te stellen van deze voorwaarde en dan weer van eene andere. Vandaar dat zij voor de geldigheid van het huwelijk, ook in het vervolg, geene andere vereischten heeft willen stellen dan de toestemming van man en vrouw, met name niet de toestemming van derden (ouders of verdere verwanten) of de huwelijksafkondigingen. Zij eischte wel die toestemming en die afkondigingen, maar niet op straffe van nietigheid.

Tot welke betreurenswaardige gevolgen het ontbreken van deze sanctie leidde, zagen wij reeds. Zij hebben er tenslotte het concilie van Trente toe gebracht een voorschrift uit te vaardigen, dat zooveel mogelijk het oude dogma intact liet, maar tegelijk bedoelde aan de clandestiene huwelijken een einde te maken. In zijn decreet van 11 Nov. 15631) hield het concilie vast aan


1) Conc. Trident. Sessio XXIV, de reform. matr. 1: Tametsi dubitandum non est, clandestina matrimonia, libero contrahentium consensu facta, rata et vera esse matrimonia, quamdiu ecclesia ea irrita non fecit, et proinde iure damnandi sunt illi, ut eos sancta synodus anathemate damnat, qui ea vera ac rata esse negant, quique falso af firmant, matrimonia a filiis familias sine consensu parentum contracta, irrita esse, et parentes ea rata vel irrita facere posse: nihilominus sancta Dei ecclesia ex iustissimis causis illa semper detestata est atque prohibuit. Verum, quum sancta synodus animadvertat, prohibitiones illas propter hominum inobedientiam iam non prodesse, et gravia peccata perpendat, quae ex eisdem clandestinis coniugiis ortum habent, praesertim vero eorum, qui in statu damnationis permanent, dum, priore uxore, cum qua clam contraxerant, relicta cum alia palam contrahunt, et cum ea in perpetuo adulterio vivunt, cui malo quum ab ecclesia, quae de occultis non iudicat, succurri non possit, nisi efficacius aliquod remedium adhibeatur, idcirco sacri Lateranensis concilii sub Innocentio III celebrati vestigiis inhaerendo prae-cipit, ut in posterum, antequam matrimonium contrahatur, ter a proprio contrahentium parocho tribus continuis diebus festivis in ecclesia inter missarum solennia publice denuncietur, inter quos matrimonium sit contrahendum; quibus denunciationibus factis, si nullum legitimum opponatur impedimentum, ad celebrationem matrimonii in facie ecclesiae procedatur, ubi parochus, viro et muliere interrogatis, et eorum mutuo consensu intellecto, vel dicat: Ego vos in matrimonium coniungo in nomine Patris, et Filii et Spiritus sancti, vel aliis utatur verbis, iuxta receptum uniuscuiusque provinciae ritum. Quodsi aliquando probabilis fuerit suspicio, matrimonium malitiose impediri posse, si tot praecesserint denunciationes, tune vel una tantum denunciatio fiat, vel saltem parocho et duobus vel tribus testibus praesentibus matrimonium celebretur .... Qui aliter, quam praesente parocho, vel alio sacerdote de ipsius parochi seu ordinarii licentia, et duobus vel tribus testibus matrimonium contrahere attentabunt, eos sancta synodus ad sic contrahendum omnino inhabiles reddit, et huiusmodi contractus irritos et nullos esse decernit, prout eos praesenti decreto irritos facit et annullat cet.

|120|

het beginsel, dat het huwelijk tot stand komt door de wederzijdsche wilsverklaring van man en vrouw. Maar het eischte op straffe van nietigheid, dat die wilsverklaring zou geschieden in tegenwoordigheid van den pastoor en twee of drie getuigen. 1) Het valt niet te ontkennen, dat de Kerk hiermede het ontstaan van het huwelijk en daarmede ook het ontvangen van het sacrament afhankelijk heeft gemaakt van eene nieuwe voorwaarde. Maar het is andererzijds ook duidelijk dat zij, zooveel als maar eenigszins mogelijk was bij het doel hetwelk zij beoogde — de bestrijding der geheime huwelijken —, ernaar gestreefd heeft, vast te houden aan de oude leer. Zij eischte immers ook nu voor de totstandkoming van een geldig huwelijk alleen de toestemming der aanstaande echtgenooten. Zij eischte daarvoor geene toestemming van derden, geene voorafgaande afkondigingen, geene handeling van den priester. Alleen eischte zij de tegenwoordigheid van den pastoor en twee of drie getuigen, opdat dezen de wilsverklaring van partijen zouden kunnen waarnemen. De pastoor vervulde hierbij, evenals de getuigen, eene zuiver lijdelijke rol. Het huwelijk kwam als vanouds tot stand door de toestemming der partijen. Maar die toestemming moest openbaar zijn. Geheime huwelijken waren voortaan in het gebied, waar het decreet gold, onbestaanbaar. Inzooverre beteekende het Trentsche decreet een keerpunt in het huwelijksrecht van het grootste deel der Christelijke wereld.

Niet in dat van de geheele Christelijke wereld. Want het decreet was alleen verbindend in die parochies waar het was afgekondigd. 2) Hier te lande heeft men zich tegen de afkondiging van de decreten van het concilie van Trente krachtig verzet. Niettemin is deze na de invoering van de nieuwe kerkelijke indeeling der Nederlanden in 1568 en volgende jaren doorgezet.

 

Al eischte de Kerk voor de geldigheid van het huwelijk alleen de toestemming der partijen, zoo was het toch al vanouds gebruikelijk dat met de huwelijkssluiting zekere kerkelijke plechtigheid verbonden was. Aanvankelijk bestond deze in de Ger-maansche landen alleen in de benedictio, de inzegening van het huwelijk door den priester. Deze inzegening had plaats op den dag volgende op dien der huwelijksvoltrekking. De huwelijkssluiting


1) Zoo ook de Codex van 1917, can. 1094.
2) Het decreet bepaalde: Decernit insuper [synodus], ut huiusmodi decretum in unaquaque parochia suum robur post triginta dies habere incipiat, a die primae publicationis in eadem parochia factae numerandos.

|121|

zelve ging dus geheel buiten de Kerk om. Zoo was het nog volgens het Nibelungenlied en ook volgens het Westerlauwersche Seendrecht (13de eeuw). 1)

De normale wijze waarop destijds in Friesland en ook elders in ons land een huwelijk tot stand kwam, was deze:

Eerst heeft plaats de verloving (sponsalia de futuro), de overeenkomst waarbij twee personen beloven elkander als man en vrouw te zullen aannemen.

Na eenigen tijd volgt dan de aangifte van de voorgenomen huwelijkssluiting bij den pastoor.

Deze doet daarvan, krachtens het decreet van het Lateraansche concilie van 1215, afkondiging in de kerk met het verzoek, dat de parochianen die meenen dat er huwelijksbeletselen aanwezig zijn, deze zullen mededeelen.

Eindelijk volgt, als geene beletselen bestaan, op den bepaalden dag de huwelijkssluiting. De bruidegom gaat naar het huis van de bruid, die na hare toestemming in het huwelijk te hebben doen blijken, door haren vader of een anderen verwant wordt overgegeven aan den bruidegom (traditio puellae). Deze voert nu zijne bruid in feestelijken optocht naar zijne woning. Naar kerkelijk recht is er nu reeds een huwelijk, daar de wilsovereenstemming van partijen aanwezig is.

Daarna bestijgt het bruidspaar in het bijzijn van getuigen het huwelijksbed. En nadat het huwelijk door den bijslaap voltrokken is (matrimonium consummatum), gaat het echtpaar den volgenden morgen ter kerke, waar de inzegening plaats heeft.

Van eene „kerkelijke huwelijkssluiting” kan dus in dien tijd zonder twijfel niet worden gesproken. De huwelijkssluiting geschiedt buiten de kerk. Eerst als ’t huwelijk voltrokken is, volgen kerkgang en benedictio. 2)

De kerk heeft er echter op den duur naar gestreefd aan de huwelijkssluiting zelve een meer gewijd karakter te geven en de inzegening te doen voorafgaan aan de cohabitatie. Dit doel werd bereikt doordat men de traditio puellae niet meer liet geschieden in het huis van de bruid, maar vóór de kerkdeur (in facie ecclesie). Daar verschijnt dan het bruidspaar met familie en vrienden en wordt door den priester opgewacht. Deze vraagt


1) Zie boven bl. 85 volg. en 100.
2) Zoo ook Stadb. van Groningen van 1425, bk. VIII, art. 215 (Telting, bl. 77): Voert, als de brudegam de bruet beslapen heuet, so sal he des marghens tho kerken gaen myt synen vrenden ende syne misse horen ghelyke der bruet, of he wil.

|122|

bruid en bruidegom, of zij elkaar willen aannemen als man en vrouw. Na bevestigend antwoord geeft de vader van de bruid haar aan den bruidegom. Daarna volgt, nog altijd voor de kerkdeur, de benedictie door den priester. Heeft deze plaats gehad, dan treedt men de kerk binnen, waar eene mis wordt opgedragen.

De traditio puellae door den vader of een der andere verwanten was, gelijk ik vroeger reeds opmerkte, in dezen tijd niet meer dan eene bloote formaliteit, een overblijfsel van de vroegere overdracht van den mund over het meisje, Sinds voor de totstandkoming van een geldig huwelijk niet meer vereischt was dan de toestemming van bruid en bruidegom, en zelfs het ontbreken van de toestemming van den vader van het meisje, wanneer zij een bepaalden leeftijd bereikt had, geenerlei nadeelig gevolg voor de jonggehuwden medebracht, had de traditio rechtens alle beteekenis verloren. Vandaar dat deze formaliteit even goed kon worden verricht door een ander dan den vader of den verwant van het meisje. Het bruidspaar kon iemand daarvoor uitkiezen, en deed dat ook dikwijls. Het kon dus daartoe ook uitkiezen den priester, die de inzegening verrichtte. En langzamerhand werd het gewoonte, dat hij de traditio deed. Zoo vond de samensteller van de Jurisprudentia Frisica zelfs noodig aan te teekenen: „Wanneer een man zijne bruid met gevolg en in feestelijken optocht voert naar zijn huis, en wettiglijk huwt, hetzij de priester het (n.l. de traditio) doet of een leek, dan is dat beide even geldig, en de kinderen die zij voortbrengen zullen evengoed huns vaders vermogen bezitten.” 1) In diezelfde rechtsbron wordt de traditio genoemd het „gaer iova” (samengeven) van bruid en bruidegom door den priester.

Toen het gewoonte was geworden dat de traditio puellae geschiedde door den priester, bestond dus diens verrichting in verband met de huwelijkssluiting niet meer in ééne handeling, de benedictio, doch in twee handelingen: de copulatio of trouwing (traditio) en de benedictio of inzegening. De plechtigheden, waarmede deze beide handelingen gepaard gingen, waren in de


1) Jurisprud. Fris. (eind 15de eeuw), uitgeg. door Mr. Montanus Hettema, tit. 50 § 41: Hueerso een man syn breyd haleth tho how ende to huus, myt here ende myt drechte, and hym jeft aefftlyck and riuchtelick, hor soe ’t dij prester deth so een leya, so is hyo al ewen aefft, and da bern, deer se tyaet, al euenwel schellet se faders gued bysitta.
De samensteller, een geestelijke, stelt het voor, alsof oorspronkelijk het huwelijk niet geldig was, wanneer de priester bruid en bruidegom niet had „gaer jown.” Later zou dit veranderd zijn. Deze voorstelling berust natuurlijk op fantasie.

|123|

onderscheidene bisdommen verschillend. En het concilie van Trente heeft deze verscheidenheid in den ritus uitdrukkelijk gesanctionneerd. 1) Toch kwam die ritus in hoofdzaak in de verschillende bisdommen wel overeen. 2) Hij kwam in hoofdzaak op het volgende neer.

I. De copulatie of trouwing geschiedde door den priester voor de kerkdeur. Hij vroeg bruid en bruidegom, of zij elkander ten huwelijk wilden nemen. Zoodra zij op de voorgeschreven wijze het jawoord hadden uitgesproken, bestond het huwelijk. Daarna legde hij de rechterhand van de bruid in die van den bruidegom en sprak eene in de verschillende bisdommen verschillend luidende formule uit, waardoor hij in den naam van God het gesloten huwelijk bekrachtigde. 3) Nadat nog eenige gebeden waren uitgesproken en de besprenkeling met wijwater had plaats gehad, trad men de kerk binnen.

II. Hier volgde nu de benedictie, welke bestond in het opdragen van de bruidsmis, waarin verschillende gebeden voor de bruid en het bruidspaar werden ingelascht en de zegen over hen werd uitgesproken. 4)


1) Zie boven bl. 119 noot 1.
2) Ondanks vele nasporingen is ’t mij niet gelukt een Ritus ad celebrandum matrimonium van Nederlandschen oorsprong te vinden. Men vindt echter verschillende ritus meegedeeld in het a.g. werk van Martene, De antiquis ecclesiae ritibus (ed. van 1788), I cap. 9, bl. 120 volg. Zie ook den ritus „ad celebrandum matrimonium coram facie ecclesie” van de kerk van Mainz, uit de 15de eeuw, meegedeeld door Dr. Franz Falk, Die Ehe am Ausgange des Mittelalters in: Erlauterungen und Erganzungen zu Janssens Geschichte des deutschen Volkes, herausgeg. von Ludwig Pastor (Freiburg, 1908) bl. 1 volg. Verg. ook R. Sohm, Das Recht der Eheschlieszung (Weimar 1875), bl. 153 volg., en Dr. N. Gihr, Die heiligen Sacramente der katholischen Kirche, II (Freiburg 1899), bl. 489 volg.
3) Naar den ritus van Mainz luidde deze, volgens Falk: „Bruidegom, ik beveel u de bruid met dezelfde liefde, waarmede onze Heer Christus Zijne moeder den H. Johannes bevolen heeft, opdat gij moogt zijn de verdediger en beschermer van haar ziel, eer en lichaam. In den naam des Vaders”, enz. Zie ook boven bl. 119 noot 1.
4) Zie zoodanige bruidsmis in Missale ad verum ecclesiae cathedralis Traiectensis ritum (Antv. 1540), fol. XLI. Op dit Missale werd mijne aandacht gevestigd door den Zeer Eerw. Pater B. Kruitwagen, O.F.M. te Woerden, die het mij bereidwillig toezond uit de bibliotheek van het klooster aldaar en aan wien ik ook de kennisneming van enkele andere der bovengenoemde werken dank. Hem zij ook hier daarvoor mijn oprechte dank betuigd.
De in de bruidsmis ingelaschte gebeden, zooals die voorkomen in het Utrechtsche Missale, bleken mij woordelijk gelijkluidend te zijn met de „Oratio ad sponsas benedicendas” volgens een handschrift van de 9de eeuw uit Reichenau, meegedeeld door Frank, t.a.p., bl. 95.

|124|

Dat de copulatie geschiedde voor de kerkdeur en niet, zooals de inzegening, in de kerk, was nog eene herinnering daaraan dat die copulatie niets anders was dan de vroegere traditio puellae, dus eene wereldlijke handeling, welke nu echter verricht werd door den priester. Ten overvloede zij nog eens de nadruk erop gelegd, dat die copulatie evenmin als de benedictie was een wezenlijk bestanddeel van de huwelijkssluiting. De laatste geschiedde enkel en alleen door de wilsverklaring van bruid en bruidegom, met dien verstande dat deze sinds het Trentsche decreet openbaar moest zijn. Al wat daar verder bijkwam, bestond uit ceremoniën, welke de Katholieke Kerk wel wenschte, maar waarvan zij nooit de geldigheid van het huwelijk heeft afhankelijk gesteld. Dat ik niettemin eenigszins uitvoerig erbij stilstond, vindt zijne verklaring en rechtvaardiging hierin, dat die ceremoniën later, onder het Gereformeerde recht, ten deele een wezenlijk bestanddeel van de huwelijkssluiting zijn geworden.

Al eischte de Kerk de solemnisatie van het huwelijk niet op straffe van nietigheid, zoo heeft zij toch, nadat die langs gewoonterechelijken weg was ingevoerd, aan het door partijen achterwege laten ervan wel kerkelijke straffen verbonden. Ook gaf zij, wanneer het huwelijk heimelijk gesloten was en eene der partijen weigerde tot de solemnisatie mede te werken, aan de andere partij eene rechtsvordering om de onwillige daartoe te noodzaken. Voldeed deze niet aan het vonnis, waarbij de solemnisatie bevolen werd, dan trachtte men door het uitspreken van den ban haar tot gehoorzaamheid te dwingen. 1)

Na verloop van tijd, hier eerder daar later, is ook de copulatie


1) Zie het a.g. procesverbaal van een getuigenverhoor over niet naleving van ’t concordaat van 1434 door de kerkelijke rechters in Zeeland, 1505 (Joosting, III, bl. 329 volg.): Een meisje „gaff enen jongen man genaemt Adriaen Jacopsz. huere trouwe ende hy haer wederomme de zyne ende bekenden ende besliepen voirts malkanderen, daerinne sy persevereerden zekeren tyt sonder voirts te varen tot consummatie van denzelven huwelicke mitter wet der heiliger kercken, maer stelden dat uuyt onder hem beyden tot sy bat van staden wesen souden.” Het meisje gaf zich daarna af met een anderen man en kreeg van dezen een kind. Niettemin had zij ook nog gemeenschap met Adriaen, die zeide „dat zyt met niemandt bat doen en mochte dan mit hem, want hoewell zy voir de kercke niet getrout en waren, zy waren nochtans getrout geselschap voir Gode”. Maar eenigen tijd later daagde Adriaen haar voor den provisor en eischte van haar „ontslegen” te zijn, omdat de andere man, met wien zij geleefd had, zijn neef zou zijn. Zij ontkende dit. De provisor haalde vonnis uit Utrecht, waarbij beslist werd „dat die gelooifften tusschen den voirs. partyen voertsvaren souden ende procederen totten huwelicke mitter wet van der heiliger kercken”. Adriaen bleef echter onwillig en is daarom „ten banne gedaen”.

|125|

door den priester verplaatst binnen de muren der kerk, zoodat toen de herinnering aan het oorspronkelijk zuiver wereldlijke karakter van deze handeling geheel verloren ging. Echter bleef men ook daarna nog spreken van de solemnisatie van het huwelijk in facie ecclesiae.

Solemnisatie in het geheim, in particuliere woningen of op andere plaatsen buiten het kerkgebouw, is in de 16de eeuw herhaaldelijk door synodale statuten verboden. De solemnisatie moest toen geschieden in de kerk tijdens den eeredienst in tegenwoordigheid van de geloovigen der parochie. 1)

Uit dit alles blijkt, dat de Kerk hoe langer hoe meer waarde is gaan hechten aan de kerkelijke plechtigheden bij de huwelijkssluiting. Dit verklaart ten deele dat er in de 16de eeuw Katholieke auteurs waren, die leerden dat de priester de bedienaar was van het huwelijkssacrament en dat dus zonder kerkelijke solemnisatie een huwelijk niet kon ontstaan. 2) Dat deze leer niet in overeenstemming was met het Kanonieke recht, behoeft na het voorafgaande geen betoog.


1) Bijv. statuten van den bisschop van Utrecht, 2 Oct. 1535, art 8 (Joosting V, bl. 167): quod huiusmodi matrimoniorum solemnizationes et benedictiones non in sacristiis neque in domibus aut cameris seu locis privatis sed publice tempore divinorum in facie ecclesie honorifice celebrentur. Zie ook ’t bevel van dien bisschop van denzelfden datum aan de pastoors (ald. bl. 196): de solemnisatie moet geschieden „publice et palam tempore divinorum in ecclesiis vestris et non in aliquibus locis secretis et abstractis, populi multitudine ad divina audiendum congregata”. Zie ook stat. van 2 Oct. 1517, art. 6 sub g (ald. bl. 153), prov. stat. v. d. aartsbisschop v. Keulen, 6 April 1549, art. 78 (ald. bl. 328), stat. voor het dekanaat Veluwe, 21 April 1556, art. 12 (ald. bl. 337). Verg. ook stat. bisschop v. Utrecht, 5 Mei 1310, art. 48 (ald. bl. 98). Corn. Kempius, De origine, situ, qualitate et quantitate Frisiae (1588) beschrijft de solemnisatie, zooals die kort vóór de Hervorming in Friesland geschiedde, aldus (bl. 65): op den bepaalden dag gaan bruid en bruidegom met hunne verwanten en vrienden „solenni pompa, magnoque ornatu ad ecclesiam parochialem .... ubi sponsa coronata, magna multitudine virginum praecedente, adducitur atque ante summum altare lateraliter cum sponso collocata, utriusque consensu mutuae cohabitationis, tam in prosperis quam in aduersis requisito, per annuli impositionem, sacerdotali benedictione copulantur”. Zie eindelijk de Reformatievoorstellen van Letmatius en Sonnius aan ’t Hof van Friesland van 1555, meegedeeld door Dr. J.S. Theissen in Arch. voor de geschied, v. h. aartsbisdom Utrecht, XXX, bl. 334 en 412.
2) N. Gihr, t.a.p., bl. 483 noemt als zoodanig Melchior Canus (✝ 1560). Voetius, Pol. Eccles. P. I. L. III. T. I. S. II. C. VI § 3 qu. 2 schrijft ten onrechte deze leer aan de Katholieke schrijvers in ’t algemeen toe. De leer is mede te verklaren uit het feit dat ’t huwelijk volgens Kath. beschouwing een sacrament is en dat de andere sacramenten bijna zonder uitzondering bediend worden door den priester.

|126|

Volgens het Kanonieke recht, zooals dit zich in den loop des tijds ontwikkeld had, kwam het huwelijk tot stand door de sponsalia de praesenti. Deze brachten dus de rechtsgevolgen teweeg, door het Kanonieke recht aan het huwelijk vastgeknoopt, zooals het recht van de echtgenooten tegenover elkaar op huwelijkstrouw, de onontbindbaarheid, de wettigheid der kinderen. De wereldlijke overheid erkende deze regeling als voor ieder bindend. Daarentegen beschouwde zij de regeling van de vermogensrechtelijke verhouding der echtgenooten als behoorend tot hare bevoegdheid. Het wereldlijke recht kon de vermogensrechtelijke gevolgen onmiddellijk vastknoopen aan de sponsalia de praesenti, maar het kon ook het intreden ervan afhankelijk stellen van meerdere voorwaarden. Gewoonlijk heeft het ’t laatste gedaan. Veelal liet het bijv. die rechtsgevolgen eerst intreden na den bijslaap, soms pas na de geboorte van een kind enz. 1) Het verdient echter vooral onze aandacht, dat reeds vóór de Reformatie het wereldlijke recht in tal van rechtsgebieden het intreden van de vermogensrechtelijke gevolgen afhankelijk stelde o.m. van de kerkelijke solemnisatie van het huwelijk en van het plaats gehad hebben der afkondigingen. Zoo was het bijv. in de stad Utrecht, 2) Amersfoort, 3) Montfoort, 4) Vianen, 5)


1) De verdere behandeling van dit onderwerp is beter op hare plaats bij de bespreking van het huwelijksgoederenrecht.
2) Scepenrecht 1456, VII (Muller, Rechtsbr. II, bl. 256): „Wanter veel gebreke dagelix geschien in heymeliken truwen, die geschien sonder hoir gebode der heyliger kerken te hebben, dair die lude goede in vreemden handen mede comen ende verdwalen mogen; om dat te verhueden, so en sell geen man noch wijff, die male anderen so getruwet hebben, hoire beyder goede niet gemeen wesen, tensij dat sy eerste hoir volle gebode in der heyliger kerken gehadt ende malcander voir der kerken getruwet ende ingeleit hebben, ende dairna tot eenre tafell mit malcander geweest ende malcander openbairlic beslapen hebben, so is hoirre beyder goet gemeen ende sell gelike deylen” enz.
3) Ordonn. op de administratie der justicie en policie, 1544, art. 82 (Fruin, Rechtsbr. Nedersticht, I, bl. 342), overeenkomend met de Utrechtsche bepaling.
4) Costumen en usantiën, 1570, art. 28 (Fruin, t.a.p. II, bl. 389): „Voorts soe wanneer man ende wijff binnen der stede vryheyt van Montfoort in den echten staete versamen ende vergaderen ende malcanderen trecht van de heylige kerek voldaen hebben, soe worden allen sulcken contrahenten goederen, die zy aen malcanderen gebrocht hebben, ofte die sy noch staende huwelijck moegen vercrygen, verstaen gemeen halff ende halff deylbaer te wesen,” enz.
5) Costumen, 1570, art. 6 (Versl. Meded. Oude Vad. Rbr. II, bl. 185): „Item ende datter tusschen dzelffde persoonen terstondt nae de confirmatie van thuwelick in facie ecclesie geschiet, is gemeenschappe van goederen, soe verre in de voerwaerde vandyen nyet anders gecaveert en is.”

|127|

Rotterdam 1) enz. Op vele plaatsen heeft men dus toen reeds ingezien, hoe noodzakelijk het was, voor het intreden der vermogensrechtelijke gevolgen te eischen de openbaarheid van het huwelijk. 2)

___


1) Costumen 1570, art. 2 (Versl. Meded. Oude Vad. Rbr. IV, bl. 555): „Item soo wanneer het gebuert, dat twee persoonen in huwelick treden, sonder eenige voorgaende contracten antenüptiael mit malcanderen gemaeckt te hebben, soo is terstont nae de solemnisatie van ’t huwelick tusschen de voorseyde parsoonen communie ende gemeenschap van goeden”, enz.
2) Zie ook hieronder bl. 164 en vooral bl. 167 volg.