2
4,129-144
01-04-1876

|129|

De Kerk.

 

Of u dat onderwerp aantrekkelijk voorkomt, lezer! weet ik niet. Over den smaak valt niet te oordeelen. Er zijn, die liefst altijd over Kerk en kerkelijke quaestie’s spreken, en anderen weêr mijden dat onderwerp steeds zoo zorgvuldig mogelijk. Wij willen niet opzettelijk behagen noch kwetsen, maar volgen in dezen onze eigen overtuiging, die ons zegt, dat tijden en omstandigheden vóór de bespreking beslissen. In „de Vrije Kerk” is zeker een onderwerp als dit allerminst misplaatst.

Wij hebben allen belang bij een eenigszins helder

|130|

kerkbegrip, om in den verwarden kerkelijken toestand van onzen tijd uit overtuiging te zijn wat men is, en zich zelven en, des gevorderd ook anderen rekenschap te kunnen geven van zijn doen en laten. Bovendien wekken die Broeders uit de Herv. Kerk, welke ons het best gezind zijn, — er zijn ook, die liefst niets van ons willen weten — ons tot bespreking op. Misschien zijn er meer, die met mij lust gevoelen een woordje in het midden te brengen, en als ieder het nu doet op zijne manier, en allen zóó schrijven, dat de eenvoudige lezers van dit Tijdschrift het ook begrijpen kunnen, dan zal ons geschrijf, vertrouw ik, niet geheel vruchteloos zijn.

Het is nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij over de Kerk spreken, niet denken aan een gebouw. Werkelijk is het bij sommigen met de onkunde zoover gekomen, dat zij volstrekt geen kerkbegrip hebben; alleen weten van een gebouw, waar zij gedurig „kerken,” waar hunne ouders eene plaats hadden, zij gedoopt zijn en ook weer hunne kinderen laten doopen. Zóó vast zijn zij aan dat gebouw gehecht, dat zij het tot geen prijs zouden verlaten, terwijl zij tegen een ander kerkgebouw zoo ingenomen zijn, dat zij er niet zouden komen, al sprak hun eigen leeraar er!

Neen, als wij met de Apostolische belijdenis instemmen: „Ik geloof een heilige, algemeene, christelijke Kerk,” dan denken wij allereerst aan een arbeid der Goddelijke liefde in alle tijden, en langs zoo meer onder alle volken. Hoort den Katechismus: „De Zone Gods,” heet het daar, „vergadert zich eene Gemeente,” die Hij dan voorts „beschermt en onderhoudt.” Aan den Zone Gods wordt dat vergaderen toegeschreven, omdat Hij de menschelijke natuur heeft aangenomen, Middelaar geworden is, die Zijne Gemeente door Zijn bloed heeft gekocht. Hij vergadert

|131|

hen, die „tot het eeuwige leven uitverkoren” zijn. Daarom spraken wij straks van een arbeid der Goddelijke liefde. Die uitverkiezing toch, met heel de verwerkelijking van dat Godsplan in der tijd, is één bewijs dier liefde. De uitverkorenen zijn onder het „gansche menschelijk geslacht” verstrooid, waarom ook de Zone Gods onder heel dat geslacht vergaderende werkt. Hij doet dat „door Zijn Geest en Woord.” Door het Woord maakt Hij het heilsplan en den heilsweg bekend, en door den Geest brengt Hij op dien weg, verwerkelijkt Hij het beloofde.

Zóó is de Zone Gods doende „van het begin der wereld tot aan het einde.” De vergaderden zijn Hem „eene gemeente,” zijn Zijne Gemeente, behooren tot het lichaam van Christus, waarvan zij allen leden in het bijzonder zijn. Met artikel 27 onzer Belijdenis zeggen wij dus: de Kerk „is eene heilige vergadering der ware Christen geloovigen, al hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den H. Geest.” — Tusschen al die leden bestaat een zekere eenheid, hoe ook door tijd en ruimte van elkander gescheiden; die eenheid ligt in den aard der zaak gegrond, omdat zij uit hetzelfde menschelijk geslacht, dat een verloren geslacht is, verzameld zijn, wezenlijk door het zelfde Woord en den zelfden Geest. Zij worden gevoegd tot dezelfde Gemeente, ingeplant in hetzelfde lichaam „in eenigheid des waren geloofs,” door den Geest gewrocht, en ontvangen voor tijd en eeuwigheid de zelfde voorrechten: „vergeving der zonden, wederopstanding des vleesches en het eeuwige leven.”

Die eenheid laat zich ook gevoelen, wordt ondervonden. Eén lust, één leven, één streven wordt bij allen openbaar; in hoofdzaak worden zij langs één weg geleid, terwijl er

|132|

een oprechte liefde van den een tot den ander, en gemeenschappelijk tot den Heere bestaat. Die eenheid spreekt zich ook in het leven uit, is kennelijk door den Heere gewild en moet worden bevorderd. Dit blijkt duidelijk uit het reeds aangehaalde Artikel der Apostolische Belijdenis, waarin „de gemeenschap der heiligen” ook opgenomen is. De openbaring van die eenheid in gemeenschap is naar gelang van tijden en omstandigheden onderscheiden. Denkt maar eens, om weêr met den Katechismus te spreken, aan „het begin der wereld.” „Christus is eeuwig Koning, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan,” zoo lezen wij in Art. 27 onzer Geref. Geloofsbelijdenis. Welnu, in den beginne waren het slechts enkelingen. Een Habel, Seth, Henoch en Noach worden als zoodanig bepaald genoemd. Toch is die eenheid ook toen reeds eenigszins op te merken uit het „Gods zonen” en „de dochteren der menschen.” Van Gods zijde werd ter bevordering van die eenheid ook aanstonds gewerkt, als Hij wel eerst zelf in het Paradijs het Woord als middel tot genadige verlossing bracht, doch al zeer spoedig dat Woord ter verkondiging aan den mensch gaf. Noach heet reeds „prediker der gerechtigheid,” dat wij niet slechts opvatten in den zin van aankondiging van het strenge Godsgericht, maar ook van aankondiging van den rechten weg tot heil. Ons bevestigt dit ook, 1 Petri 3: 18-20, ofschoon wij de groote moeielijkheden in de verklaring van dien tekst ons niet willen ontveinzen.

Later, toen God Abraham en zijn zaad uit al de volken verkoos, werd die eenheid als van God gewild duidelijker geopenbaard. Israël is onder het O.T. de Gemeente, het volk dat de Heer zich ter erve verkoren heeft. In de verkiezing en bewaring van dat volk wordt kenbaar, dat de Heer op aarde eene Gemeente wilde hebben, die zich

|133|

als één geheel, als één lichaam zou openbaren. Hij gaf eenheidsteekenen en banden in de Sacramenten: Besnijdenis en het Pascha. Hij vertrouwde dat volk Zijn Woord toe, binnen welke grenzen dan ook de verzamelingsarbeid des Zoons door Woord en Geest tot de N. Testamentische bedeeling bepaald bleef. — Met de komst van Christus kwam eene nieuwe bedeeling tot stand. Wij zeggen eene nieuwe bedeeling, omdat het wezen onveranderd bleef. Nóg ging de Zone Gods voort met vergaderen. „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn, deze moet Ik ook toebrengen,” zoo sprak Jezus zelf. Van toen af begon de arbeid der Goddelijke liefde onder al de volken. De reeds bestaande gemeente — toen zeer in verval — werd vereenigd om den Christus, en tot die gemeenschap zouden nu uit alle creaturen toegebracht worden door Zijn Geest en Woord. — De bedeeling ging niet weêr achteruit; dus zou ook onder het N. Testament eene gemeenschap of Kerk in zichtbare gemeenschap bestaan, waarin en waardoor de bediening des Woords en de bedeeling des Geestes zou werken. De vereenigingsteekenen en banden werden thans de Sacramenten: Doop en Avondmaal, te bedienen en te bewaren naar Goddelijke instelling. Krachtiger en heerlijker zal deze nieuwe Kerk optreden. Niet meer door die mondelinge openbaring aan de Profeten en door deze aan het volk, gelijk voorheen, neen door den Profeet, Christus, was het Woord ten volle geopenbaard. De uitstorting van den H. Geest op het Pinksterfeest zal onder anderen het middel zijn, dat de Apostelen in alle waarheid geleid worden, om heel de waarheid, het Woord anderen te verkondigen, en straks ook in geschrift gesteld, voor de toekomst te bewaren. Bij de bediening des Woords en der Sacramenten door de gemeente zou de Geest zich voegen tot uitbreiding en opbouwing. Het

|134|

middel om in die Kerk opgenomen te worden zou nu niet, als voorheen, de natuurlijke afkomst uit Abraham of iemand anders zijn, maar de geloovige aanneming van het Evangelie, als oprecht door den wandel bevestigd. Die geloofde werd in de gemeenschap opgenomen, hem werd het teeken dier gemeenschap door den Doop gegeven, waardoor hij tevens verzekerd werd van zijn deelgenootschap aan al de weldaden, die de Heer aan Zijne gemeente had beloofd, om dan voorts in haar midden naar den regel des Woords te leven en in de bediening al de weldaden te genieten, waaraan de bedeeling der genadegaven door den Geest was verbonden. Met de ouders werden ook de kinderen opgenomen. Men kan toch niet aannemen, dat in dit opzicht de bediening des N. Testaments minder ruim zou zijn dan die des O. Testaments, waarin ook den kinderen de weldaad der aanneming was gegund. Op dien Christelijken akker geplant, bleek elke toekomstige spruit daarop, totdat zij zichzelve er afscheurde, d.i. „uit hen uitging,” „afvallig werd,” of „de tegenwoordige wereld weer lief kreeg.” Ook kon men uit die gemeenschap verwijderd worden naar Jezus’ bevel, of de aanwijzing later door de Apostelen gedaan, als namelijk leer of leven noodzaakte, dat iemand hun „een heiden en tollenaar” moest zijn, of als „een kettersch mensch” moest verworpen worden.

Die Kerk, zoo door den Heer gesticht, breidde zich gaandeweg uit, en werd door den Zone Gods kennelijk beschermd en onderhouden. Die Kerk heeft eene geschiedenis, die nauw samenhangt met de geschiedenis der volken. Het ligt niet op onzen weg, die geschiedenis te volgen. Wij maken alleen eenige opmerkingen om het kerkbegrip in verband te brengen met de geschiedenis der Kerk, en alzoo licht te verspreiden over haar toestand in onze dagen.

|135|

De Kerk, ook Koninkrijk Gods genoemd, is niet van deze wereld en toch in deze wereld. Daardoor laten zich twee dingen verklaren. Eerst, dat zij van deze wereld wordt gehaat. Jezus maakte Zijne jongeren hierop van te voren opmerkzaam. En als de wereld dan bovendien bemerkt dat de Kerk haar veroveren wil, of althans zich zoekt te ontwikkelen in de wereld en ten koste van de wereld, zonder zich in de wereld in te wikkelen, met haar mee te doen, haar gelijk te worden — ziet, dan ontstaat er tegenstand, vijandschap en strijd. Reeds in het Paradijs werd die strijd aangekondigd, en behoeft dus niet te bevreemden. Er komen martelaarsdagen. In dien strijd en die vervolgingen werd de Kerk wel eens zeer klein en verborgen. Zóóver kwam het somtijds, dat men haar van de wereld uitgeroeid dacht. Evenals in de dagen van Achab, echter bewaarde de Heer steeds een overblijfsel, dat naar de verkiezing is.

Na zulke donkere dagen kwamen niet zelden dagen van bloei en welvaart voor de Kerk. Zij breidde zich snel uit, en verspreidde hare vertakkingen over tal van landen. Nu en dan, hier en daar werden nagenoeg geheele volken in haar opgenomen, waardoor zij heerschend en hare Godsvereering tot godsdienst van den Staat verheven werd. Dan werd de Kerk terdege openbare in de wereld te zijn en voor haar groote beteekenis te hebben, want op heel de maatschappij had zij een invloed, waarvan de sporen later niet meer uit te wisschen waren. Die bloeitijd echter heeft voor de Kerk zelve zijne schaduwen. Zij kan wel veel in zich opnemen door de eischen ter opneming zeer gering te stellen — helaas, dat zij ook met list en geweld werkte! — maar daarom waren allen daarbinnen nog niet op hunne plaats. De wereld, de menigte des volks, kan zich desnoods een tijd lang schikken in de

|136|

Kerk, doch tehuis gevoelt zij er zich nooit. Naar de Kerk d.i. naar den wil des Heeren, den Koning der Kerk, wil de wereld zich op den duur niet voegen; zij wil haar zin doen, de Kerk naar haren wil vervormen, zij wil heerschen. Wil de Kerk zich niet naar haar schikken, maar getrouw zijn, dan is zij genoodzaakt de wereld weêr los te laten, zich van haar aftescheiden, om in de wereld te zijn, ja, maar niet de wereld gelijk te wezen, alleen op eigen terrein op haar in te werken. Gij ziet dit ook in de geschiedenis: een tijd lang kon de Kerk met de wereld overleggen, verbazend inschikkelijk zijn, meêgaan en alzoo erg onzuiver worden, totdat zij weer wakker geschud, in haar oorspronkelijk eigenaardig leven ontwaakte, waartoe de Heer dan mannen verwekte. De invloed van die tijdelijke, onnatuurlijke vereeniging blijkt in het vervolg blijvende te zijn. Heel de menigte heeft iets Christelijks van de Christelijke Kerk aangenomen en behoudt dat ook na de scheiding. Daar hebt ge b.v. den Christelijken Doop. De volken, die zoo iets in het algemeen gehouden hebben, heeten Christen-volken, zonder dat wij aannemen, dat heel die natie, of al die volken tot de Kerk behooren. Ook in de Kerk is de invloed der wereld te bemerken en nooit geheel te ontgaan. Het is niet mogelijk de wereld geheel buiten de Kerk te houden, zoolang de Kerk nog in de wereld is. Hoe ver dat gaan mag? De Kerk moet steeds zorgen het pand, haar van God toevertrouwd, te bewaren, opdat niemand hare kroon neme. Van de besmetting des vleesches moet zij zich meer en meer zuiveren, de zuiverheid in leer en leven bewaren en bevorderen met al de macht en middelen, die haar ten dienste staan. Toch zal het volmaakte op aarde wel nooit worden bereikt. Calvyn schrijft in zijn Institutie, het 4de boek, zeer uitgebreid over deze vraag, en doet duidelijk

|137|

uitkomen, dat men niet om allerlei oorzaken de Kerk, als geen Kerk meer zijnde, mag verwerpen, noch zich van haar afscheuren. Hoort hem: „Er zal zelfs, of in de bediening der leer, of in die der Sacramenten iets gebrekkelijks kunnen insluipen, hetgeen ons van hare gemeenschap niet behoort te vervreemden. Want alle hoofdpunten van de ware leer zij niet van eenerlei gehalte. Sommige zijn zóó noodzakelijk om te worden gekend, dat zij bij allen voor vast en onbetwijfeld moeten gehouden worden, als eigenlijke grondstukken van den godsdienst zooals: dat er slechts één God is; dat Christus God en Gods Zoon is; dat onze zaligheid gelegen is in de barmhartigheid Gods en dergelijken. Er zijn wederom anderen, waarin de Kerken mogen verschillen, zoo dat daardoor de eenigheid des geloofs toch niet verbroken wordt.”

Met het oog op den wandel spreekt onze Hervormer niet anders. — Onwillekeurig ondervindt de Kerk ook den invloed van den volksaard, de hoogte der wetenschap en den tijdgeest. Wij zouden het dwaas noemen, de Kerk b.v. in Nederland in alles naar die in Engeland te willen voegen, of in bepalingen der leerstukken zich door alle eeuwen heen naar de wetenschappelijke ontwikkeling, bepalingen en vorm van een bepaalde eeuw te blijven voegen. Men zou daardoor de Kerk in haar ontwikkeling en eigenaardige openbaringen gedwongen, en alzoo onnatuurlijk maken. Zelfs is de meer dan behoorlijke invloed van bijzondere personen, toongevers, met het oog op sommige leerpunten nooit geheel te ontgaan, al zijn wij ook nog zoo afkeerig van eene Pauselijke heerschappij in de Kerk van den een boven den ander. Ofschoon er dus eenig onderscheid bestaat in de Kerken der verschillende landen en tijden, belet dit niet, dat zij allen afdeelingen kunnen zijn van de heilige, algemeene, Christelijke Kerk.

|138|

Zelfs kunnen ter zelfder tijd in één land meer dan ééne afdeeling naast elkaâr bestaan: wat echter nooit gewenscht is, omdat daardoor de krachten worden verbrokkeld.

Welke afdeelingen in andere landen met recht den naam Kerk dragen, beslissen wij hier niet; alleen stellen wij ons nog voor de vraag: wat wij moeten denken van den kerkelijken toestand in ons vaderland. Reeds voor lange eeuwen stichtte de Zone Gods alhier Zijne Gemeente. Na eenigen tijd van bloei en ontwikkeling werd zij met de afdeelingen in andere landen, langzamerhand onzuiver, door menschelijke willekeur en Pauselijke heerschappij verontreinigd. Toen de Hervorming uitbrak kwam ook de Kerk in ons land weêr op zuiverder bodem naar Gereformeerden leest geschoeid. Langen tijd hield zij zich staande tegenover de aanvallen der vijanden van buiten, totdat de listige vijand in een anderen vorm binnen drong, van de zorgeloosheid der Kerk partij trekkende. Zóóver kwam het eindelijk, dat in vrijheid van leer en leven menselijke willekeur, en langs dien weg het ongeloof op den troon kwam — synodaal heerschte. Tegen dat willekeurig bestuur mocht niemand zich verzetten. Zich onderwerpen, al was het dan ook met protest, of — tegen de gevolgen kon men zich wapenen.

Dit ondervonden in 1834 eenige leeraars, die niet alleen hunne gemeenten, maar ook heel de Kerk tot den oorspronkelijken Gereformeerden bodem terug wilden brengen. Zij werden niet alleen niet gehoord, maar tot zwijgen en onderwerping aan den bestaanden verkeerden toestand gedwongen. Toen zij verklaarden, dit met Gods Woord voor zich niet te kunnen, noch te mogen, werden zij eenvoudig uitgeworpen. Honderden en duizenden in den lande gingen nu de oogen open, en al was het ook met vele opofferingen en onder hevige vervolgingen, zij wenschten

|139|

Gode meer gehoorzaam te zijn dan den menschen. Om eene ware Christelijke Gereformeerde kerk te kunnen zijn verbraken zij de gemeenschap met de heerschende synode, en vereenigden zich onderling op den basis, waarop wat leer, leven en kerkorde aangaat, ook de vaderen hadden gestaan. Door de van God ontvangen macht zochten zij het binnen dringen der wereld en de heerschappij van on- of bijgeloof te beletten. Dat deze vergadering, die niets anders toelaat dan de rechte prediking des Woord en de bediening der sacramenten, naar de instelling van Christus, die kenmerken der Kerk draagt, zal wel moeielijk kunnen worden ontkend; en omdat zij de Belijdenisschriften der Gereformeerde kerk als de hare heeft aangenomen, heeft zij wel een waarborg voor hare historische voortzetting van de Kerk der vaderen, al mist zij haar kerkgebouwen en kerkelijke goederen ook. Nóg staat zij daar, bekend onder den naam: Christelijke Gereformeerde kerk in Nederland, breidt zich uit in gaven en getal, en zoekt, naar de krachten, die God haar geeft, in elk opzicht aan de roeping eener Kerk te voldoen. Zij wordt bestreden ook. Geen wonder; zij behoort tot de strijdende Kerk op aarde.

Wat echter wèl vreemd schijnt is, dat zij niet zelden het meest miskend en het felst bestreden wordt door hen, die met haar vereenigd behoorden te zijn. Vanwaar dit vreemd verschijnsel? Er zijn velen, die aan straks genoemde afscheiding geen deel genomen hebben, maar bij de oude gemeenschap gebleven zijn, thans bekend onder den naam: Nederlandsche Hervormde kerk. Zij meenen daarbij te kunnen en te mogen blijven, en veroordeelen daarom de afscheiding. Uit hetgeen reeds gezegd is blijkt wel, dat wij met Calvijn gelooven, dat men zich niet om allerlei oorzaken van de Kerk mag afscheuren. Of liever: men

|140|

mag zich van de Kerk nooit afscheiden. De vraag is dus slechts: kan de Herv. kerk aanspraak maken op den naam Kerk? Is daar slechts iets verkeerds binnengeslopen bij leeraars en leden in leer en leven? Was dat zoo, dan kon onze Kerk desnoods een zuiverder openbaring der Kerk zijn dan de Hervormde; doch beiden zouden desniettemin afdeelingen van één lichaam blijven. Maar wat moet men van eene gemeenschap zeggen waar modernen en orthodoxen, met tal van richtingen daartusschen, gelijke rechten hebben; waar reglementen ten grondslag liggen, door de gratie eens aardschen konings in het leven geroepen en bewaard; waar godloochenaars en verachters van Zijn Woord het bestuur in handen hebben; aan welk bestuur allen zich moeten onderwerpen? Omdat de Herv. kerk als Kerk in de prediking des Woords en in de bediening der sacramenten volkomen vrijheid, volslagen willekeur eischt, zeggen wij, dat zij alle kenmerken mist, welke bij eene Kerk niet mogen ontbreken.

Wordt echter het geheel als genootschap verworpen, met enkelen in dat genootschap is dit niet alzoo. Er worden nog altijd duizenden gevonden, die persoonlijk door belijdenis en wandel de kenmerken van ware Christenen dragen, en dus ook tot de Kerk behooren; doch dezen, door zich aan een verwarde en slechte meerderheid te onderwerpen, en uiterlijk te blijven bij een genootschap, dat in zijn geheel niet de kerk genoemd mag worden, zijn daarom niet in de Kerk, ofschoon zij tot haar behooren. Zij oefenen niet de gemeenschap der heiligen, overeenkomstig eens Christens plicht. De geschiedenis bevestigt in hen, dat de Heer niet straffeloos Zijne verordening laat verbreken. De verwarring en verdeeldheid toch wordt bij hen steeds grooter, en zelfs door geen kunstmiddelen kunnen zij den levensstroom der Geesteswerken ter opweeking in hunne

|141|

leden heen leiden. Zij missen de weldaden, aan de gemeenschap der heiligen verbonden, en tot dat zij weder tot een gemeenschap zich vereenigen, al moeten er ook zware stoffelijke offers voor gebracht worden; totdat zij de wereld, die zij nu over zich heerschen laten, weder loslaten, al gat het ook met verlies van aardsche goederen en wereldsche eer gepaard, — zal elk lid in dat Herv. kerkgenootschap, die volgens zijne belijdenis voor een lid der Kerk gehouden kan worden, de noodzakelijke gevolgen van zijne blindheid of moedwillige ongehoorzaamheid ondervinden. Wij zeggen niet, dat zij zich juist aan onze Kerk zullen moeten verbinden. De keus laten wij aan hen. Dat zij zich slechts aan de heerschappij des ongeloofs onttrekken, een onheilige gemeenschap varen laten, en zich dan plaatsen op een grondslag, dien zij in onzen tijd en in ons Gereformeerd Nederland het pssendst oordeelen.

Zulk eene en de Christelijke Gereformeerde kerk zouden altijd als zusters verbazend veel op elkaar gelijken. Maar de wereld, de menigte dan, zullen wij die aan het ongeloof prijs geven? Zoo is gevraagd. Als of men betere hoop heeft de wereld van ongeloof te overwinnen als men zich door haar laat overheerschen en de handen en voeten laat binden, dan als men vrij en op vasten bodem den strijd tegen haar aanbindt. Maar die kerk gebouwen en kerkelijke goederen dan? Neen, wij durven niet aannemen, dat een Christen beweren durft, dat hij om aardsch voordeel zijne hoogere roeping mag verzaken. Maar wij mogen vrij prediken en zullen daarbij veel bidden, dan zal de Heer op zijn tijd de ongeloovigen wel uitdrijven en de Kerk vrij en zuiver maken. En misschien hadden velen reeds gehoopt, toen die opwekkingen in Engeland ter sprake kwamen, dat de Heilige Geest in aantocht was, om al die dingen in den lande in orde te brengen. Neen, neen,

|142|

wij moeten niet denken dat de Heer onmiddellijk zal doen, wat Hij ons ter betrachting heeft aangewezen!

Laat mij tenslotte nog in een beeld de ontwikkelde gedachten voorstellen. — Er werd in ons land een flink huis gebouwd op een goed fondament. In der tijd was het aanmerkelijk vergroot en versierd. De huisgenooten waren wel niet allen even trouw en eerlijk, doch er heerschte zichtbaar eenheid, door orde en tucht bewaard. Die zich aan die orde en tucht niet wilde onderwerpen, kon heengaan, terwijl steeds anderen bereidwillig in de huishouding werden opgenomen. Het werd nu en dan door sterke vijandige legers omsingeld en hevig bestookt, doch het bleef onoverwinnelijk palstaan. De eigenaar van het huis bedacht de huisgenooten tevens goed, zoodat men er veel genot had.

Zorgeloosheid, slapheid en slaperigheid waren echter oorzaak, dat langzamerhand vele vijanden binnenslopen. Deze vijanden groeven met der haast van binnen om de muren tot aan de fondamenten, haalden die er onder weg en vulden de open plaats aanstonds heel zorgvuldig aan met zandgrond. De huisgenooten zagen dit, pruttelden er wat tegen, doch lieten hen overigens begaan, totdat eindelijk eenigen opstonden, allen tegen het gevaar waarschuwden, eischten dat de fondamenten er weêr onder gebracht zouden worden, en niemand langer geduld zou worden, die de fondamenten ondersteboven durfde werken. Men besloot over deze zaak eene zitting te houden. Ongelukkig werd aan de vijanden ook eene stem gegeven. Deze beweerden, dat het huis zonder de fondamenten veel beter was, en daar zij de meerderheid hadden, werd besloten, alles te laten zooals het was en ieder stilletjes te laten begaan. Allen moesten zich aan die stemmenmeerderheid onderwerpen, of anders... verjaagd worden. Die het

|143|

gevaar zagen aankomen, en in geen huis zonder fondamenten wilden wonen, gingen nu heen en trokken hun huis op het oude goede fondament elders op, met achterlating van al het uitwendig schone en kostbare in de oude woning, dat hen anders evengoed toebehoorde, doch dat zij niet mochten meênemen. In dat oude huis werden de vijanden steeds talrijker en stouter. De achtergebleven oorspronkelijke bewoners raakten voor een groot deel gewoon aan den ellendigen toestand van hun huis en het samenwonen met de vijanden. Enkelen vonden het laatste, dat samenwonen met de vijanden, op den duur heel wettig; want omdat niemand het spreken verboden was, kon men die vijanden tot andere gedachten brengen, of het blijven in dat huis door hun spreken zedelijk onmogelijk maken. Men ging zelfs op het weggegeven fondament, of een stuk daarvan zitten, en dacht zoo veilig genoeg te wezen. Anderen echter ontdekten nu en dan met schrift, dat hier een balk verschoof en ginds een muur scheurde. Haastig werd er een stut onder den balk gezet, en de scheur zooveel mogelijk weêr dicht gemaakt. Men dacht het zoo nog wel te redden, of althans tijd te hebben om den vijand te vragen er uit te gaan, en dan kon alles eens recht in orde gemaakt worden. Er werd gewacht en nog eens gewacht; doch de zaken verbeterden er niet op. Er werd aan het huis getimmerd en in het huis gewerkt, altijd zonder het gewenschte doel te bereiken. Zal men heengaan? heen gaan moeten? Bijna waren er weêr velen toe besloten in hun hart, doch wanneer zij zagen op die portretten der ouders en voorouders, aan den wand opgehangen, op die schoone en kostbare meubelen, en bedachten, dat men er toch zoo gemakkelijk zat, en zich zoo vrij in de wijde gangen kon bewegen, neen, dan heette het weer: wij blijven!

|144|

En wat de heer des huizes er van dacht? Hij erkende dat huis niet meer als het Zijne, omdat de fondamenten door Hemzelven gelegd, er onder weggehaald waren. Wel kende Hij nog de zijnen in dat oude huis, en vergat hen niet geheel, doch de bijzondere giften en gunstbewijzen, vroeger aan heel dat huis zo dikwijls geschonken, verminderden; zóóver kwam het dat als eens enkelen hunner ergens elders die gaven een oogenblik genoten, zij bijna uitzinnig werden van verbazing over zulk een genot, en meenden dat nooit te voren zoiets gesmaakt zou zijn.

Dat nieuwe huis op het oude fondament werd groot en sterk. Daar genoot men wat in den goeden tijd in het eerste huis gegeven was, en allen die er in kwamen wonen benijdden het uitwendig schoone en voordeelige in het eerste huis niet. Een onpartijdig vreemdeling, de beide huizen ziende, vroeg: waarom zou men ons den toestand der Christelijke Kerk in Nederland niet meer naar waarheid schetsen?

Midwolda.

T. Bos