Met een kort verslag van de lotgevallen dezer School in het afgeloopen jaar besluit ik mijne rede.

Toen ik het Rectoraat aanvaardde, waren op het album ingeschreven de namen van 83 studenten, wier getal kort daarna nog met één werd vermeerderd.

Daarentegen werd den 11den Mei j.l. een onzer studenten, R. Dost Panman, door den dood ons ontrukt. Den winter had hij voor zijne gezondheid reeds in Davos doorgebracht; maar de borstkwaal, die hem kort na de zomervakantie van het vorig jaar had aangegrepen, was zoo kwaadaardig, dat hij ook in de Zwitsersche berglucht geen herstelling vond en op raad van den geneesheer in het begin van Mei teruggekeerd, enkele dagen daarna tot droefheid der zijnen en van ons allen overleed. Maar zijn heengaan was vrede; hij stierf in den

|53|

Heere. Zijne begrafenis werd door den plaatsvervangenden Rector en door den Praetor der studenten bijgewoond.

Niet alleen echter nam de Heere een jongeling van goeden aanleg uit den kring onzer geliefde studenten weg; zwaarder slag trof ons den 2den Juni nog in het overlijden van onzen hooggeschatten en beminden Leeraar en Broeder Brummelkamp. Wie hij geweest is, weet gij; hoe hij gestorven is, is u allen bekend. Brummelkamp was een Christen, altijd en overal, katholiek in zijne opvatting, ruim van hart, nauwgezet van geweten, in wien eene kostelijke gave aan onze gescheidene kerk en aan deze Theol. School was geschonken. Wij danken God, dat wij hem hebben gekend. Niet lang zal het meer duren, of de meesten onzer zullen hem nog slechts kennen uit beschrijving en afbeelding. Moge dan de winste, welke wij uit zijn omgang genoten, door ons nog jaren lang aan vele anderen ten goede komen!

Bij de overgangsexamens in dit jaar werden allen tot de hoogere klassen toegelaten. Bij het litterarisch examen werden 19 van de 22 candidaten tot de theologische studie bevorderd. Voor het eerste theologisch examen slaagden allen, die aan het onderzoek zich hadden onderworpen. En bij het theologisch eindexamen verkregen 8 van de 11 examinandi den wensch van hun hart.

De nieuwe cursus 1888/9 begon met 89 studenten. Niet minder dan 20 novitii kwamen onze gelederen versterken. Zij waren ook zeer gedund. Niet alleen toch verlieten ons de acht candidaten, die voor de gemeenten beroepbaar werden gesteld en nu reeds allen eene roeping ontvingen of zelfs reeds in de gemeente werkzaam zijn. Maar een van de drie bij het laatste theologische examen niet geslaagden ging naar Amerika; een ander volgde hem nu voor weinige dagen. Twee litterarische

|54|

studenten bleven om bijzondere redenen hun studie te huis voortzetten; terwijl twee theol. studenten het wintersemester aan eene buitenlandsche hoogeschool doorbrengen. Het getal van hen, die verlof ontvingen om in de gemeente op te treden is met 13 uitgebreid.

Dit kort verslag is dor, maar in zijn eenvoud toch welsprekend en getuigend van de goedertierenheid Gods. Hij heeft ons beproefd, maar Hij heeft ons niet minder gezegend. Gezegend met stoffelijke, maar evenzeer met vele geestelijke zegeningen. Van den ijver onzer broederen studenten kan over het algemeen een gunstig getuigenis worden afgelegd. Hun gedrag was, gelijk dat christenjongelingen past. De hoogachting en de liefde welke zij ons, Leeraren, ook mij als Rector hebben toegedragen, heeft aanspraak op een woord van hartelijken dank, dien ik bij dezen openlijk hun breng. Bovenal heb ik reden, om U Hooggeachte Ambtgenooten en onder U weder inzonderheid onzen ijverigen Secretaris, benevens den Praetor der studenten in dezen en den vorigen cursus, erkentelijk te zijn voor de vergemakkelijking mijner taak.

En zoo hebben wij dan allen, onder belijdenis onzer ontrouw en schuld, aan het eind van dit jaar niets dan goeds te getuigen van de ontferming en de trouw onzes Gods, wien nu en eeuwiglijk uit ons aller hart en mond toekome de roem en de eere!

En als ik dan ten slotte er toe overga, Hooggeschatte oudste Ambtgenoot en Broeder van Velzen, om het Rectoraat voor dit jaar aan U over te dragen, dan betuig ik allereerst uit naam van Uwe ambtgenooten en van al deze studenten Gode dank, dat Hij, waar Hij Brummelkamp van Uwe zijde en uit onzen kring wegnam, ons U nog spaarde en de vreugde

|55|

schonk, om nog eenmaal U als Rector onzer School te begroeten. Ik acht het mij eene hooge eere, het bestuur over deze inrichting in Uwe handen neder te leggen, en U in dit oogenblik uit te roepen tot Rector dezer Theol. School. De bede, dat de Heere U ook dit jaar nog spare en sterke, stijgt uit onze ziel ten hemel op. De belofte onzer hulpvaardigheid, indien op zoo hoogen ouderdom sommige werkzaamheden aan het Rectoraat verbonden U te moeielijk mochten vallen, zij uit aller naam U gegeven. En de innige wensch, dat Gij als Rector ook dit jaar nog vele vruchten zien moogt op den arbeid, dien Hij in Uwe jeugdige jaren in Gods kracht ondernaamt, vervult ons het hart. Bloeie en groeie onder Uw Rectoraat deze Theologische School en door haar de kerk, die haar plantte!

Ik heb gezegd.


Bavinck, H. (1888)

  • Rede
  • Fata academica