Lohman/Rutgers (1886)

De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken
Utrecht
Kemink & Zoon
1886

Lohman/Rutgers (1886) Inl

|1|

 

 

Quod initio vitiosum est,
non potest tractu temporis convalescere.

 

Er is een strijd, die op aarde wel niet eindigen zal; een strijd, die even goed in de Kerk als daarbuiten gestreden wordt; een strijd, die een gevolg is zoowel van den val als van den adel der menschelijke natuur. Het is de strijd voor de waarheid. In dien strijd heeft geene menschelijke macht te beslissen, doch moet ieder, al of niet geleid door het oordeel van anderen, weten aan welke zijde hij zich te scharen heeft. Wie dien strijd minacht of uit de hoogte er op neer ziet, toont slechts de ware beteekenis ervan niet te begrijpen.

Maar er is nog een andere strijd, die op genen wel gelijkt, maar er toch eigenlijk slechts de caricatuur van is. Het is de strijd om de goederen.

In den loop der eeuwen hebben zij die in den strijd voor de waarheid belang stelden goederen bijeenvergaderd, zoowel tot persoonlijk gebruik, als ter verbreiding hunner denkbeelden en ter bevordering van het welzijn van anderen. Zoo zijn er allerlei kerkelijke en niet kerkelijke stichtingen, instellingen, vereenigingen en verbindingen ontstaan. Het was en is plicht voor de beheerders dier goederen, om ze te bewaren voor de bestemming waarvoor zij gegeven zijn.

Doch herhaaldelijk is het voorgekomen dat, bij het wijzigen der gezindheid of overtuiging der menschen, het onzeker was, of de goederen in bezit moesten blijven bij de gebruikers wier gezindheid gewijzigd was, dan wel of deze het verband, waarvoor de goederen aanvankelijk bestemd waren, moesten verlaten. Men denke b.v. aan de reformatie der kerken in de 16e eeuw. Moesten de goederen der kerken

|2|

in handen blijven van de Christenen die zich Gereformeerd achtten, of wel, vormden de „Gereformeerde Kerken” nieuwe verbindingen, op welke alzoo de goederen, waarvan de gereformeerden toen zij nog roomsch waren gebruik hadden gemaakt, niet konden overgaan.

Die vraag is in vorige eeuwen herhaaldelijk door de politieke machthebbers der wereld beslist. Gewoonlijk oordeelden zij daarbij over de wijziging der gezindheid zelve; beslisten of deze iets nieuws, dan wel de voortzetting, zuivering en natuurlijke ontwikkeling was van de oude, en, naarmate deze uitspraak viel, werden dan de goederen al of niet toegewezen.

In onze dagen mengen zich die machthebbers niet in dien strijd; mogen zij het althans niet doen, en ligt de beslissing geheel in de handen van de rechterlijke macht. De leden van deze rechterlijke macht zijn gebonden aan juridische beginselen, vormen en uitwendige kenmerken, doch mogen nimmer willekeurig beslissen, noch op grond hunner persoonlijke inzichten aangaande de gezindheid zelve of haren inwendigen samenhang met de vroegere. Dit moge vaak moeilijk wezen; er moge geene macht ter wereld zijn die de rechterlijke macht in dezen kan dwingen haar plicht te doen; maar de plicht bestaat. Gelukkig het land, waar die macht zich nog van het heilige harer roeping bewust is!

 

De strijd, welke thans gevoerd wordt in de Nederlandsche Hervormde Kerk, is van tweeërlei aard. Er wordt een strijd gevoerd om en ter wille van de waarheid. Waren er nu geen kerkelijke goederen; waren elk jaar alle aanwezige fondsen besteed ter bereiking van de geestelijke doeleinden, welke die Kerk op het oog heeft, dan zou de uitwendige strijd veel minder heftig zijn dan thans. Allen die van een zelfde geestelijke gezindheid zijn, zouden, na zich tot een geheel te hebben vereenigd, telkens bijeenbrengen wat zij noodig hadden, b.v. voor predikant, plaats van samenkomst, armen, of wat dies meer zij. Wanneer dan evenwel op den duur een deel dier menschen zich niet meer met het ander deel

|3|

kon verstaan, zoude het zich eenvoudig er van afscheiden, en voortaan ten eigen behoeve het noodige bijeenbrengen, terwijl ook de oude vereeniging op haren weg bleef voortgaan. Wel zou ook dan nog vaak de een den ander veroordeelen wegens het kiezen van den verkeerden weg. Maar tot die belangrijke vraag alleen zou zich dan ook de strijd voor de waarheid bepalen!

Ongelukkig is de toestand anders. Vereenigingen en kerken hebben nu eenmaal bezittingen; zelfs aanzienlijke. Moeilijk zelfs schijnt het zonder eenige bezitting te bestaan, hoewel dit niet ondenkbaar is en zelfs hier en daar plaats heeft. Nu in den loop der eeuwen ook de gezindheden der menschen zich wijzigen, terwijl de bedoelde goederen aan een bepaald verband (stichting, vereeniging enz.) toebehooren, ontstaat er een strijd, die wel met den strijd der geesten in eenige betrekking staat, maar toch eigenlijk loopt over goederen.

In dien strijd nu is het noodig zich van het verband, waaraan de goederen behooren, een juist denkbeeld te vormen, ten einde daarna te kunnen beoordeelen, welke personen over die goederen mogen beschikken.

Zoo is het dan ook met den strijd, ontstaan over de goederen die thans in gebruik zijn bij de Hervormden. Om daarover met juistheid te oordeelen, heeft men zich de vraag te stellen:
is er ééne Nederlandsche Hervormde Kerk, wel is waar verdeeld in locale afdeelingen met een zeker zelfbestuur, doch alzoo, dat die afdeelingen onafscheidbare deelen zijn van de geheele corporatie, wier leden derhalve de individuen zijn, die, waar dan ook, behooren tot genoemde Kerk;
dan wel, zijn er onderscheidene plaatselijke kerken, wel is waar vereenigd tot een geheel met een zeker gemeenschappelijk bestuur, doch alzoo, dat dit geheel slechts de samenvoeging is van deelen die eigenlijk ieder op zich zelf een geheel zijn, welk plaatselijk geheel dan gevormd wordt door de individuen die op die bepaalde plaats tot de Hervormde Kerk behooren?

M. a. w.: is er een genootschap, dat zich over het geheele

|4|

land uitstrekt en dat uit individueele personen bestaat; of wel: is er eene vereeniging van locale kerken, waarin deze hare eigene macht tezamenbrengen, en waaraan, wat de rechtsverhouding aangaat, elke kerk zich ten allen tijde weer onttrekken kan?

Deze vragen moeten en kunnen ook, wat den rechtstoestand aangaat, alleen door den burgerlijken rechter worden beslist. Daarover in de Kerk zelve te twisten is onnoodig. Onlangs is te Amsterdam een groot deel van den kerkeraad geschorst, enkel uit vrees, dat de beheerders der kerkelijke goederen „met de kas” zouden wegloopen, d.w.z., dat de gemeenteleden als individus zich zouden afscheiden, en dat men dan aan hen de goederen zou geven die aan het geheel behooren. Dit zal natuurlijk door den burgerlijken rechter niet worden toegelaten. De beheerders beheeren, hoe zelfstandig dan ook, toch alleen voor de Kerk. Zij zullen dus ten slotte de goederen moeten afstaan. Bepalingen die dit zouden verhinderen hebben geen rechtsgevolg, vermits de beheerders het recht zelf niet kunnen wijzigen. De eenige vraag welke te beslissen valt is deze: aan wien behooren de goederen. Die vraag beslist noch het reglement, noch de kerkvoogdij, maar de rechter. De reglementaire beslissing is of rechtsgeldig of niet. Is zij rechtsgeldig, dan is het noch onrechtmatig, noch revolutionair haar te maken. Is zij niet rechtsgeldig, dan heeft zij geen gevolg. In beide gevallen dus is „schorsing” een volkomen noodelooze daad.

Die strijd, die door den rechter beslist moet worden, is, hoe gewichtig ook, niet van verheven aard; hij loopt slechts over zeker aantal aardsche goederen, Daarom past het een ieder, het geestelijke element, dat hier niets mee te maken heeft, er ook niet in te mengen.

Zoo de rechter beslist, dat het thans bestaande verband door elke kerk op zich zelve mag worden losgemaakt, en dat de kerkeraad alsdan de wettige zelfstandige vertegenwoordiger is van de locale kerk, dan volgen de goederen dat lichaam ’t welk door den kerkeraad wordt vertegenwoordigd, onverschillig of deze zich al dan niet uit dat verband

|5|

losmaakt; want de kerkvoogden mogen alleen besturen voor het lichaam dat rechtens bestaat. Misschien zullen dan alle Kerken zich uit het verband losmaken, en zullen de kerkelijke goederen hier in handen van deze, — elders in die van een andere geestelijke gezindheid of richting komen; misschien ook zal men, alvorens uiteen te gaan, over en weer tot minnelijke schikking zoeken te geraken.

Het kan echter ook zijn, dat naar ’s rechters oordeel de Nederlandsche Herv. Kerk een onverbrekelijk geheel is, waarvan de individu’s leden zijn, op dezelfde wijze als de Nederlanders leden zijn van den Nederlandschen staat; en dat de afzonderlijke kerken tot de geheele kerk staan, als de burgerlijke gemeenten tot den geheelen staat. Wat dan?

Dan behoort men zich aan die uitspraak te onderwerpen. Dan moeten zij, die verklaard worden leden te zijn van dat groote genootschap, of daarin blijven, met het vooruitzicht om ten eeuwigen dage te strijden, niet uit onverdraagzaamheid, maar uit zelfbehoud. Of zij moeten heengaan met achterlating van de goederen, die dan zullen blijken buiten hun wil en weten aan eene nieuwe corporatie te zijn overgegaan. Dit is onaangenaam. Maar die dat er niet voor over heeft, gorde zich niet aan tot den strijd voor de waarheid.

De beslissing des rechters, en zij alleen, kan, tenzij men verkieze minnelijk te schikken, ten dezen aanzien vrede brengen in de gemoederen. Men wachte haar kalm af.

Maar die beslissing drage dan ook zelve de kenmerken van kalm, onpartijdig onderzoek, opdat ieder gevoele, dat hier niet macht of vooroordeel, maar de rechtsregel beslist.

Dit is evenwel in dit geval niet zoo gemaklijk. Om twee redenen. Bij deze beslissing is bijkans elke rechter partij in eigen zaak, zonder dat hij op dien grond kan gewraakt worden. Bovendien zijn bijna alle juristen, ja is schier iedereen door den loop der dingen bevooroordeeld geworden. Sinds 70 jaren hebben wij nooit iets anders voor oogen gehad, dan een groot genootschap, met een centraal geestelijk bestuur, wel is waar gekozen, althans in de laatste jaren

|6|

en tot op zekere hoogte, door de kerken, maar ook tevens over haar heerschende. Dat genootschap heeft al het uiterlijk van hetgeen men in juridischen zin onder zedelijk lichaam verstaat. Reeds de bewering alleen dat de leden van dit genootschap niet zijn individus maar kerken, en dat elke kerk ieder oogenblik recht heeft de banden met het genootschap los te maken, schijnt velen eene onwettige, zelfs revolutionaire daad toe. Nauwlijks zijn zelfs de kalmsten in staat de juridische waarde dier bewering te onderzoeken, vergetende dat vóór 300 jaren, toen tal van kerken zich losscheurden van het Roomsch-Katholieke Kerkverband, hunne voorvaderen diezelfde bewering hebben volgehouden, en zich op grond daarvan in het bezit der locale goederen hebben gehandhaafd.

Doch dit zijn niet de eenige zwarigheden. Ook historische kennis is noodig op een gebied, dat thans door de meeste juristen verlaten is. Hoe die aan te vullen?

Voorzeker is daartoe meer noodig, dan wij in staat zijn hier te leveren. Toch is velen eene bijdrage wellicht reeds welkom. De strijd moet beëindigd worden. Laat het geschieden met kalmte en eerlijkheid; opdat, welke ook de uitkomst zij, althans in Staat en Kerk vrede bevorderd worde.

Er is bij velen een streven om een grondige beslissing door den burgerlijken rechter te ontgaan. Door allerlei middelen tracht men zich te handhaven in het bezit, omdat in een burgerlijk proces de bezitstoestand altijd de voordeeligste is. Uit practisch oogpunt is daar veel voor te zeggen; maar zou, vooral in eene zaak als deze, het niet voegzamer zijn in den strijd meer het recht dan het goed in het oog te houden? Doet men dat, dan kan zonder langwijlige procedure de hoofdvraag spoedig ter beslissing gebracht, en de strijd gevoerd worden overeenkomstig de waardigheid der strijdende partijen.

Nog ééne opmerking. In het nu volgend betoog hebben wij opzettelijk alle beschouwingen van geestelijken aard vermeden. Of de „Nederlandsche Hervormde Kerk” inderdaad eene Kerk is; of het geoorloofd is in dat verband te blijven, en zooveel andere vragen van dien aard meer, vallen buiten

|7|

het kader van dit geschrift, Wellicht zou daar niet buiten vallen de vraag, of eene Kerk, die de wettig bestaande Belijdenis ter zijde stelt, niet eo ipso haar recht op de kerkelijke goederen verliest? In andere landen zou ook die vraag door den burgerlijken rechter beslist moeten worden. Doch zij staat weer met zoovele andere in verband; zij wordt zóó verschillend beoordeeld en brengt den rechter op een terrein zóó vol voetangels en klemmen, dat het ons voorzichtiger scheen de verdediging van het recht der Gereformeerden op de Kerkegoederen niet te voeren. Wij bepalen ons tot het recht der locale kerken, onverschillig welke hare gezindheid zij; hopende dat ook dit tot kalmte en onpartijdigheid iets moge bijdragen.

Lohman/Rutgers (1886) P1

 

§ 1. Toestand vóór de Hervorming.

 

De groote zwarigheid om in de door ons te behandelen quaestie een juist oordeel te vellen, bestaat vooral hierin, dat instellingen en toestanden, die een eeuwenlange geschiedenis achter zich hebben en onder geheel andere, dan de hedendaagsche omstandigheden ontstaan zijn, beoordeeld moeten worden naar de thans heerschende rechtsbegrippen. Velen doen hunne beschouwingen over het hedendaagsche Hervormde kerkrecht met het begin dezer eeuw aanvangen, alsof de kerken der Hervormde gezindheid toen gesticht en dus naar de rechtsbeschouwingen van dien tijd te beoordeelen waren. Zij houden niet genoeg in het oog, dat het recht steunt op de bestaande feiten, en dat dus, ter beoordeeling van den rechtstoestand, kennis van die feiten hoofdzaak is. Om te weten wat, in rechtskundigen zin, onze kerken zijn, moet men nagaan wat zij waren. Voorzeker kan in den rechtstoestand enkel door verloop van tijden wijziging zijn gekomen, hetzij door verjaring naar de regels van het burgerlijk recht, hetzij door wetsbepaling zelfs al is deze met recht en billijkheid in strijd. Maar dan behoort òf de toepasselijkheid der verjaring òf het bestaan der wetsbepaling duidelijk te worden

|8|

aangetoond. Met vaagheden en algemeenheden kan men zich in rechten niet behelpen.

Betrekkelijk den oorsprong en de natuur van het kerkelijk goed bezit ons land een betrekkelijk kleine — Duitschland een zeer rijke rechtsliteratuur. Haar te raadplegen loont ongetwijfeld de moeite. Voor ons doel evenwel is eene uiterst beknopte herinnering aan vroegere toestanden voldoende, omdat wij alleen de rechtsverhouding van de verschillende kerken of gemeenten der Ned. Herv. Kerk tot dit kerkgenootschap wenschen te bespreken, en dus met den rechtstoestand der kerkelijke goederen in het algemeen slechts in zoo ver te maken hebben, als deze dienen kan om bedoelde rechtsverhouding duidelijker in het licht te stellen.

Het is ontwijfelbaar, dat van den aanvang af de Christelijke Kerk, hoezeer één in belijdenis, bestaan heeft uit verschillende Kerken, die, hoezeer ook onderling verbonden, toch elk afzonderlijk een geheel zelfstandig bestaan leidden. Zij werden geconstitueerd door de apostelen en diegenen, die door hen en na hen daartoe onder medewerking der gemeente geroepen werden. Die gemeenten of kerken hadden haar eigen besturen en bezittingen. Hoe haar eigendomsrecht juridisch moet geconstrueerd worden; — of nl. die eigendommen behoorden aan de gemeenten als vereenigingen van personen, dan wel als stichtingen of als bezittingen van corporaties zijn te beschouwen; of, verder, in de eerste eeuwen aan die kerken ook rechtspersoonlijkheid werd toegekend, dan wel of zij met sociëtates gelijk stonden, of ook, als kerken, in ’t geheel geen recht hadden, — dat alles doet hier ter plaatse niets af. Genoeg zoo het maar vaststaat dat die gemeenten of kerken, hoe ook verbonden, in rechtskundigen zin, bepaaldelijk ten aanzien van alles wat haar vermogen aanging, elk een afzonderlijk bestaan hadden. Dit nu behoeft geen betoog. Duizende feiten getuigen het. Reeds l. 26 Cod. 1, 2 zou het voldoende bewijzen. Daar toch wordt meegedeeld dat in vele testamenten of de Heer Jezus Christus, of een der aartsengelen, of der eerbiedwaardige martelaren tot erfgenaam worden ingesteld, en bepaald dat,

|9|

in zoodanig geval, als eigenaar in rechtskundigen zin niet de geheele, maar altijd eene of andere bepaalde, in die wet nader aangeduide kerk als erfgenaam moet beschouwd worden. Die verschillende kerken, zoodra zij als rechtspersonen erkend werden, konden dan ook tegen elkaar procedeeren en met elkaar handelen. Hieromtrent kan moeielijk verschil van gevoelen bestaan.

Even onbetwistbaar is het feit dat die kerken, hoe zelfstandig ook, te samen toch weer een geheel vormden, en wel door hare gemeenschappelijke belijdenis. Hare stichters toch stamden, in geestelijken zin, allen af van de apostelen, die de verkondigers waren van den Heer Jezus Christus en van de leer, waarin hun geloof zich uitsprak. Er was dus een geestelijke band tusschen al die kerken. Op zich zelf is dit voor het recht zonder belang, want enkel geestelijke gemeenschap brengt geene rechtsgevolgen te weeg. Twee omstandigheden evenwel deden die geestelijke gemeenschap ook werken op rechtsgebied: nl. a. de hiërarchie en b. de Overheidsbemoeiing.

a. De hiërarchie. Reeds zeer vroeg ontstond deze, zij het ook maar aanvankelijk in den vorm van jurisdictie over de personen, dus ook over hen, die het beheer hadden van geestelijke of kerkelijke goederen. Ook zonder die jurisdictie zou, wel is waar, elke kerk zedelijk verplicht zijn geweest de haar toekomende en geschonken goederen enkel te bezigen overeenkomstig de haar toebetrouwde leer; doch afwijking daarvan door het geestelijk bestuur der locale kerk, vooral zoo dit door de meerderheid der gemeente gesteund werd, zou door geene macht ter wereld hebben kunnen belet worden, tenzij men aan de rechterlijke macht — eene geheel onkerkelijke macht dus — de beslissing over de geschillen aangaande de leer had willen opdragen. Maar met behulp eener hiërarchie werd het mogelijk den ketterschen ambtsdrager van zijn ambt te ontzetten, en alzoo te waken zoowel voor de zuiverheid van de leer als voor het behoud der kerkegoederen ten behoeve hunner bestemming.

b. De Overheidsbemoeiing. De geestelijke hiërarchie zou, althans in de eerste eeuwen, nog niet bij machte geweest zijn

|10|

de eenheid der kerk te bewaren, omdat de kerk geen ander dwangmiddel tegen ketters had dan „afsnijding.” Dat middel kon weinig baten, wanneer de locale kerk, d.i. de gemeente met hare voorgangers, goedvond zich te onttrekken aan de hiërarchie en dan zich aan die afsnijding niet te storen. Maar van het oogenblik af dat de Staat zich verplicht achtte den waren godsdienst te handhaven door uitroeiing van de heterodoxie, veranderde de toestand geheel. Want bij afwijking van „de ware leer” — welke die was, daaromtrent wisselde de overheid nog al eens van gevoelen! — werd de gemeente of kerk vervolgd en onderdrukt of vernietigd. Zoo bleven de goederen in handen van die personen alleen, die met de algemeene kerkleer vrede hadden. Uit die samenwerking van hiërarchie en staatsbemoeiing ontstond van lieverlede de R. Katholieke Kerk, onder het eenhoofdig gezag van den Paus. Waar deze zijn gezag kon handhaven, stonden niet alleen de kerken, maar ook de kloosters en allerlei geestelijke inrichtingen onder zijn, of althans onder geestelijk toezicht, zoowel wat het geestelijke aanging, als wat de door wie dan ook beheerde kerkelijke goederen betrof. Uit dat recht van toezicht op beheer en beheerders vloeit natuurlijk hoegenaamd geen recht van eigendom voort, gelijk door sommigen beweerd is, en waardoor de vraag, wie recht heeft op de kerkelijke goederen, menigmaal is verduisterd. Jurisdictie en eigendomsrecht hebben niets met elkaar gemeen.

Dat de gebondenheid of eenheid der zelfstandige kerken ten nauwste samenhing met staatsbemoeiing kan o.a. hieruit blijken dat, zoodra de wereldlijke overheid haar machtigen steun onthield, schismaas mogelijk werden. Men denke b.v. aan het schisma, waarbij de Grieksche Kerk ontstond. Zoodra de wereldlijke macht zich tegen de pauselijke oppermacht verklaarde, was de eenheid verbroken. Maar geenszins hielden daarom de locale kerken op te bestaan. Integendeel bleef alles op den ouden voet. De eigendommen veranderden niet van bezitter. Niets werd gewijzigd, dan het toezicht. En ditzelfde zien wij bij de Reformatie in de 16e eeuw gebeuren, waartoe wij thans overgaan.

Lohman/Rutgers (1886) P2

 

§ 2. Toestand na de Hervorming.

 

Welke gevolgen heeft in ons land de Hervorming op den rechtstoestand van de kerken en van hare goederen uitgeoefend?

In elke stad, in elk dorp waar de Hervorming doordrong verwierp de oude, bestaande gemeente datgene wat zij voor dwaling hield; beschouwde zich als de oude, voortbestaande, doch nu gereformeerde kerk, en bleef in het bezit van de haar toekomende goederen, terwijl zij als haren vertegenwoordiger eenig en alleenlijk haar eigen leeraar of leeraars en opzieners, d.i. haren kerkeraad beschouwde. Onderworpenheid aan priesters van hoogeren rang, van welken aard ook, werd verworpen; de rechtmatigheid van elke priesterlijke hiërarchie, de bevoegdheid van hoogere geestelijken om kerkelijke besturen te ontslaan, uit beginsel en geloofsovertuiging ontkend. Soms ging de pastoor met de gemeente over, soms ook niet; maar in alle streken waar de Gereformeerde Overheid haar macht kon doen gelden werd de opvatting gehuldigd, dat de oude gemeente of kerk, nu gereformeerd naar den Woorde Gods, was blijven bestaan.

Wat betreft die geestelijke goederen, welke niet behoorden aan de locale kerk, of niet door locale besturen suo jure geadministreerd werden, — op die goederen deed de Overheid haar recht gelden. Die goederen toch waren wel bestemd voor geestelijke doeleinden, en hunne bestuurders hadden steeds gestaan onder de jurisdictie van kerkelijke overheden, maar zij behoorden noch aan de locale Kerken, noch aan de algemeene Kerk, maar, voor zoover ze geen stichtingen waren, aan de orden waaraan ze gegeven waren. Die orden werden nu opgeheven. Bij opheffing eener orde was, naar canoniek recht, tot dusver de paus of geestelijke overheid aangewezen om eene nieuwe bestemming te geven aan de als ’t ware vrijgevallen goederen; doch nu de burgerlijke overheid de rechtsmacht van paus en geestelijken ontkende, verviel natuurlijk ook de bevoegdheid van deze om aan die goederen een andere bestemming te geven. Zoo verkreeg de burgerlijke overheid het recht om, zij het ook met de zedelijke

|12|

verplichting om de oorspronkelijke bestemming in het oog te houden, over die goederen te beschikken; ’t geen zij gedaan heeft, aanvankelijk door ze ook voor oorlogsdoeleinden te bezigen, doch al zeer spoedig door ze te bestemmen voor predikantstractementen, scholen, enz. Wij kunnen dus hier ter plaatse den rechtstoestand dier goederen buiten beschouwing laten; bij de beoordeeling van het recht der kerken op staatstoelagen is hij evenwel van het uiterst gewicht 1).

De oude bestaande kerken, — dit was gelijk wij herinnerden de rechtsbeschouwing waarvan men uitging, — hernamen haar oorspronkelijke zelfstandigheid, en bepaalden zich eenvoudig tot eigen reformatie, met terzijdestelling van de priesterlijke hiërarchie. Maar daarmee verviel dan ook de waarborg, dat de kerkelijke goederen niet aan hun geestelijke bestemming onttrokken werden. Elke kerk kon met haar goed handelen naar welgevallen, zonder dat iemand het haar kon beletten.

Zoo althans zou het geweest zijn, indien een der beide waarborgen in de vorige paragraaf genoemd niet door een andere ware vervangen, terwijl de tweede bestaan bleef. In de plaats toch van de hiërarchie kwam het synodaal verband, terwijl de Overheid de Kerk, thans natuurlijk de gezuiverde Kerk, gelijk voorheen als publieke Kerk (probata) bleef beschouwen, en de andere Kerken slechts als geduld (toleratae) toeliet.

Beide punten: a. het kerkelijk verband en b. de Overheidsbemoeiing, vereischen, om tot juiste kennis van den rechtstoestand der kerken te geraken, eenigszins uitvoerige bespreking.

a. Kerkelijk verband. Historisch staat vast dat, alvorens hier te lande eene gemeenschappelijke organisatie der verschillende kerken tot stand kwam, in verschillende provinciën, vooral in die welke thans tot België behooren, tal van geheel op zich zelve staande gemeenten ontstonden, onder leiding van eigen leeraars en consistoriën.


1) Zie Bijlage I.

|13|

In 1568 kwamen te Wezel de voornaamste leiders der toenmalige Nederlandsche Gereformeerden bijeen, hoofdzakelijk om een concept te ontwerpen, dat tot leiddraad voor verdere organisatie kon strekken, en waarin men dus de grondlijnen eener op gereformeerde beginselen berustende kerkenorganisatie terugvindt 1). Volkomen diezelfde grondlijnen vindt men in de Acta der eigenlijke Synoden, waar de Kerken zelve met elkaar in verband treden; reeds van 1563 af in de Zuidelijke Nederlanden, 2) en van 1571 af te Emden enz., waar de kerken van het tegenwoordige Nederland hoe langer hoe meer op den voorgrond traden.

In al die vergaderingen, ook in die te Wezel, stond dit beginsel voorop: „geen kercke zal over een ander kercke, geen dienaer des Woorts, geen ouderling noch diaken zal d’een over de ander heerschappij voeren.”

Hooyer 3) zegt omtrent deze bepaling o. a. het volgende:

„De Embdensche kerkordening vangt aan met de woorden: Geen kerke sal over een ander kerke, geen dienaar des Woorts, geen ouderling, noch diaken, sal d’een over d’ander heerschappye voeren, maer een yegelyk sal hem voor alle suspicien, en aanlokkinge, om te heerschappen wachten. Trigland zegt: dat heeft die synodus alsoo ghestelt, omdat sy wel geobserveert hadde, dat uyt die heerschinge der bisschoppen over bisschoppen, ofte herderen over herderen, ghesproten was de grouwelijcke opperhoofdicheydt des Roomschen


1) Men vindt, o.a. in Hooyer, Oude Kerkenordeningen, 1865, bl. 33, en elders, gewoonlijk boven dit concept staan „acta ofte handelingen der Versamelinghe der Nederlandsche Her eken, die onder ’t Cruis sitten, ende in, ende buyten Nederlant allesints verstroyt zijn, gehouden tot Wesel, den 3 Novembris, ende vervolgens in den jaere MDLXVlII.” Ook in het Archief voor Kerkelijke Geschiedenis van Kist en Royaards 1834 bl. 426 vindt men boven den (latijnschen) text „Acta Synodi Wesaliensis.” Daaruit wordt afgeleid dat ook te Wesel de Kerken een Synode gehouden hebben. Dit is echter onjuist. In het authentiek stuk, te vinden in het oud archief der Nederlandsche Hervormde Kerk, en zeer onnauwkeurig overgedrukt in evengemeld Archief van Kist en Royaards, komen deze opschriften niet voor.
2) Hooyer, Oude Kerkordeningen. bl. 1 en vlgg.
3) l. cit. bl. 59, 60.

|14|

paus: hebbende alsoo willen thoonen hoe af-keerich onse kercken daer van zijn, ende hoe sorchvuldelijck de selve soeken te mijden alle de minste beginselen die daer toe eenighe aenleydinghe souden mogen geven (kerkelycke gesch. bl. 162a). Brandt schrijft, dat dit artikel ook gekant scheen tegen de bisschoppelijkheid, die, schoon op eene andere wijze als onder de Roomschgezinden, in de reformatie van Engeland en Duitschland plaats gehouden had (Hist. der refor. I, bl. 524). Maar, als dit artikel niet enkel tegen de Roomsche bisschoppelijkheid gekant is, zouden wij eer gelooven, dat het ook tegen de superintendentie is gerigt, welke in de Nederlandsche hervormde gemeenten te Londen, even als te Embden, was ingevoerd. Men is die gemeenten in Engeland op de Embdensche synode althans gedachtig geweest. Men heeft besloten om haar te vermanen, dat zij hare kerken in dassen verdeelden (art. 12), en daardoor wilde men den weg tot de synodale vergaderingen banen, wier gezag moeijelijk met de superintendentie te vereenigen was. Te Water, die het gezegde van Brandt bestrijdt, beweert, dat die zet-regel van de Embdensche synode eenvoudig gesteld is, om de inwendige kerkregering in de hervormde gemeente te bevestigen (Kort verhaal der ref. van Zeeland, verhandeling II, bl. 398). Ieder weet dan ook, dat met de geloofsbelijdenis der Nederlandsche hervormde kerk het hoofdbeginsel was aangenomen: so veel als den dienaers des woorts aengaet, in wat plaetse sy zyn, hebben een ghelijcke macht ende autoriteyt, dewijle sy alle gader dienaers Jesu Christi, des eenighen Almachtighen Bisschops, ende des eenighen Hoofts der kercken zijn; ende daerom en heeft geen kercke eenige macht noch heerschappie over de andere, om daer over te heersenen (art. 31 van de: waarachtighe Christelicke bekentenisse, ofte belydenisse des gheloofs, 1564. In de belijdenis van 1582 is de laatste zinsnede, betreffende de magt van de eene kerk over de andere, weggelaten). In de vroegere kerkordeningen van Wezel (1568, C. IV, 7, 9, V, 19, VIII, 14) en Antwerpen (1 Mei 1564, art. 2) was dat beginsel dan ook al duidelijk uitgedrukt, en het is geen wonder, dat wij

|15|

het in de Embdensche artikelen wedervinden. Waarom het zoo aan het hoofd van al de artikelen geplaatst staat, dat is eenvoudig geschied in navolging van de Fransche kerk-ordening van 1559, die met dezelfde woorden begint: Aucune église ne pourra prétendre primauté, ni domination, sur l’autre: ni pareillement les ministres d'une église les uns sur les autres, ni les anciens, ou diacres, les uns sur les autres.”

Dit beginsel vinden wij dan ook in alle kerkenordeningen steeds terug, o.a. in art. 84 der Dordsche Kerkenordening, waarmee op dit punt alle provinciale Kerkenordeningen overeenstemmen.

Één der gevolgen van dit beginsel was de bepaling „dat de dienaren des Woorts zich zelven in den dienst der kerken verbinden, daar ze van beroepen zijn.” Daaruit volgde dan wederom „dat de predikanten, ouderlingen, diakenen, leeraars, schoolmeesters” (de gelijkstelling hier ter plaatse van al deze ambten is opmerkelijk) „de gemeynten in welkes dienst zij zijn, niet verlaten zonder wettige kennis der zake, ende tusschenkomende oordeel van de geheele Classis ofte Parochie; gelijk ook niet vrij zal staan de kerken haren Dienaar, Leeraar, Ouderling etc. te verlaten, tenzij met toestaan van de Parochie ofte de Provinciale Classis.” Zoo luidde art. 18 van het Ve Capittel van het Wezelsche ontwerp. Doch om te doen uitkomen hoe zelfstandig de Kerk bleef tegenover eene verzameling van kerken, bepaalde het volgend artikel: „Nochtans staan wij de Classicale Vergaderingen hierin geen recht toe over eenige Kerke ofte hare diensten; tenzij dezelve dat van zelfs zullen toestemmen; OPDAT DE KERKE NIET TEGENS HAAR DANK BEROOFT WERDE VAN HAAR RECHT ENDE GEZAG 1).

Dit beginsel, dat in alle kerkenordeningen teruggevonden wordt en ook gedurende de republiek steeds in praktijk werd gebracht, behoeft geen nadere toelichting.


1) Dienovereenkomstig werd ook later bij de formatie van het Kerkverband gehandeld. Zie Bijlage II.

|16|

Maar als de kerk zelfstandig was, moest zij allereerst de bevoegdheid hebben oppermachtig te beslissen, wie tot haar behooren zou. Die bevoegdheid nu bezat zij zonder eenigen twijfel. Zoo lezen wij b.v. in art. 17 der acta van de Provinciale Synode te Dordrecht van 1574 1): „Geen Minister uit andere kerken komende, zal aangenomen worden, zonder getuigenisse te brengen van de Classe ende Consistorie vandaar hij komt, of daar geen Classe en is, ofte ordentlijke Consistorie, van geloofwaardige Ministers en andere Personen, van welke attestatie de Classe ende Kerke oordeelen zal, ofte genoegzaam is.”

Wat de lidmaten aangaat, deze ontvingen bij het verlaten der gemeente „een getuigenis huns wandels met advys des kerkeraads” (art. 82 Dordsche Kerkenordening), maar daaraan ontleenden zij geenszins het recht om toegelaten te worden tot het Heilig Avondmaal in eene andere kerk, vermits alleen bepaald werd in art 61 dier Kerkenordening, dat „men niemand ten avondmaal des Heeren zal toelaten, dan die naar de gewoonheid der Kerken, tot welke hij zich voegt, belijdenis der gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis eens vromen wandels, zonder welke ook de geene, die uit andere kerken komen, niet zullen worden toegelaten.”

En wil men weten hoe dit laatste in praktijk werd gebracht (weigering van onrechtzinnige predikanten kon niet voorkomen, omdat de kerkeraad zelf beriep), en nog wel in een tijd toen de Overheden zich zooveel mogelijk tegen de beginselen en de toepassing van het gereformeerde Kerkrecht aankantten, dan leze men wat ten tijde der Remonstrantsche troebelen in 1610 en elders geschied is ten aanzien van het weigeren van attestatiën 2).


1) Hooyer, l.c. blz. 99.
2) Uitvoerig, met vermelding en nauwkeurige mededeeling der bronnen, beschreven in F.L. Rutgers: het kerkverband der Nederl. Geref. Kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen Kerkeraad in den aanvang der 17e eeuw. Kruyt, 1882.

|17|

Men behoeft slechts even een blik te slaan in de een of andere kerkenordening vóór deze eeuw, om getroffen te worden door de wijze, waarop daarin de kerkeraden of consistoriën op den voorgrond treden. Letterlijk in alle zaken is de kerkeraad de hoofdpersoon. En toch ontwaart men evenzeer de zucht dat, gelijk wij lezen in de Handelingen der Wezelsche Vergadering, alles in „de Kerke ordentlick, ende eerbaarlick toegaat; opdat een eenparige toestemminge in de Kerke blijcke, ende gevonden worde, niet alleen in de Leere, maar oock in deselve ordre, ende Politie, ende om dusdanige eenparigheyt ook in alle Nederlantsche Kerken te onderhouden.”

De eenheid nu van die kerken bestond allereerst, ja eigenlijk alleenlijk, in de gemeenschappelijke belijdenis. Op die belijdenis berustte het kerkverband. Zij was, gelijk reeds het 2e artikel van de Acta der Embder Kerkenverzameling uitspreekt, de betuiging van de onderlinge verbinding en eenigheid der Kerken. Instemming met haar was de voorwaarde, waaraan, zou het akkoord in stand blijven, voortdurend moest worden voldaan. „Men zeide niet: het kerkverband is gelegen in de gemeenschappelijke onderwerping aan de reglementen; en de eenheid van belijdenis is wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt. Maar juist integendeel: gemeenschappelijke onderwerping aan de belijdenis is voor ons geheele kerkverband het ééne onmisbare; de eenheid van kerkelijke vormen is dan wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt” 1).

Dit alles is trouwens zóó in het oog springend, dat niemand die hetzij van de geschreven stukken, hetzij van de geschiedenis der gereformeerde kerken kennis wil nemen, dit loochenen kan, al zullen wij onzerzijds niet ontkennen, dat in de vorige eeuw, om verklaarbare, hoezeer afkeurenswaardige redenen, (waarover straks sub b) in de handhaving, wel niet


1) F.L. Rutgers, l.l. bl. 55. De aangehaalde woorden zijn de resumtie van hetgeen blijkt uit de daar aangehaalde feiten, die vóór 1618 te Amsterdam hebben plaats gehad.

|18|

van gezegd beginsel, maar van de leer zelve, als accoord van gemeenschap, groote slapheid ontstaan is.

Tot recht verstand van den aard dezer eenheid, veroorloven wij ons hier eene enkele opmerking, hoewel die voor de juridische zijde der quaestie zonder waarde is. Men stelt menigmaal de zaak zóó voor, alsof die belijdenis, in strijd met het protestantsch beginsel, aan iemand werd opgelegd. Dit is echter niet juist. De gereformeerde kerken plaatsen zich op dit eenvoudige standpunt, dat zij, vermits haar bestaan op de belijdenis van haren Heer en Meester berust, niemand in eenige bediening mogen toelaten, zonder zich te verzekeren, dat hij in overeenstemming met die belijdenis die bediening zal uitoefenen. Die eenmaal toegelaten is, heeft het recht om, mits langs den aangewezen weg, bij Kerkeraad, Classis en Synodus zijn bezwaren bloot te leggen en toetsing aan „het Woord” te verzoeken. Die zich met de gevallen beslissing niet vereenigen kan, is de facto geschorst in zijn dienst, iets dat van zelf spreekt en ook, mits de „ware Kerk” niet van overheidswege bezoldigd worde, niet onbillijk is. Ook wordt de zoodanige niet toegelaten tot het Avondmaal. Maar zijne vrijheid blijft overigens onverkort.

Doch keeren wij tot de zaak terug.

Consistorie en belijdenis; ziedaar! zeiden wij, de eenheid en de verbinding.

Die verbinding evenwel was niet enkel inwendig, doch ook uitwendig. Zij openbaarde zich in de instelling „van de vierderlei kerkelijke tezamenkomsten; de Kerkenraad, de Classikale Vergaderingen, de particuliere Synodus en de nationale of generale” (art. 29 Dordsche Kerkenord. van 1619).

Maar die samenkomsten waren geene „kerkbesturen.” De Classikale Vergaderingen bestonden uit genabuurde kerken, die natuurlijk niet in haar geheel kwamen, maar een of meer dienaars en ouderlingen met behoorlijke credentie en lastbrief afvaardigden, zoodat het mandaat van deze afgevaardigden dan ook met het scheiden der samenkomst was afgeloopen. Elke zoodanige klasse vaardigde twee dienaars en twee. ouderlingen af voor de particuliere synode, maar ook hun mandaat

|19|

eindigde met het einde der samenkomst (artt. 41 en 47 Dordsche Kerkenord.). Alleen deputeerden de Synoden eenige harer leden af, om voor de volgende samenkomst alles wat de Synodus geordonneerd had te verrichten bij de respectieve dassen (art. 49), en stelden de Classis eenige dienaren aan die toezicht op de kerken hadden te houden, en de nalatigen in tijds broederlijk te vermanen (Visitatores, art. 44). Verder ging hunne bevoegdheid niet. Ten bewijze dat deze regeling niet alleen toevallig dusdanig gemaakt was, maar op het beginsel berustte, dat geen kerk over een andere kerk en geen Leeraar over een ander Leeraar mag heerschen, verwijzen wij naar de Politica Ecclesiastica van Voetius, waar deze kenner van het gereformeerde kerkrecht zegt, dat „nullas agnoscunt praefecturas, officia etc. aut praefectos et praepositos supra Ecclesias, presbyteria, classes, synodos, ministros, seniores, quorum scil. esset certa, peculiaris, universalis et perpetua potestas ex jure Ecclesiastico, aut ex vi peculiaris vocationis. Alioquin in Episcopos, aut perpetuos Inspectores, aut praesides, eveherentur aliqui ministri; a quo alienissimae sunt Ecclesiae nostrae, uti constat ex communi praxi, et art. 1 constit. Ecclesiast. Nulla Ecclesia supra aliam Ecclesiam, nullus minister supra alium ministrum.” 1)

 

Wij willen ons nu nog de vraag stellen, wat gedurende de republiek rechtens zou gegolden hebben, wanneer de leeraar of kerkeraad afweek van de gemeene belijdenis of andere ergernis gaf. Wat had de rechter moeten beslissen, zoo b.v. eene Kerk van contra-remonstrantsch remonstrantsch werd, en eene minderheid in die Kerk de kerkgebouwen opvorderde? Wij onderstellen natuurlijk hierbij, dat de Overheid niet, jure publico, zich met de zaak bemoeide (gelijk feitelijk in zulk een geval geschied zou zijn, waarover straks sub b) maar dat de rechter naar streng recht te beslissen had.


1) Pol. Eccles. pars III. lib. I. tract. III. cap. III. § 9. (Editio F.L. Rutgers, bl. 270.) Zie ook, ten bewijze van de volstrekte gehoudenheid der gedeputeerden aan hunnen lastbrief, hetgeen Voet verhaalt t.z.p. lib. II. tract. I. caput II. § 1, VI.

|20|

Allereerst was het natuurlijk voor den rechter de vraag, òf er een kerkelijk vonnis was, waaruit bleek, dat de dienaar of de ouderlingen gecensureerd waren. Maar hoe kon zulk een kerkelijk vonnis in de wereld komen, wanneer kerkeraad en leeraar het eens waren? Dat kon alleen, wanneer aan de Classis of aan iemand buiten den kerkeraad de bevoegdheid gegeven ware, om in eene zaak als deze het initiatief te nemen. Het recht tot zulk een initiatief had vroeger wel de Bisschop, maar of de Classis dat had blijkt niet. Het is in allen gevalle twijfelachtig 1).

Aangenomen evenwel, b.v. op grond van art. 3 der Dordsche Kerkord., dat haar formeel die bevoegdheid toekwam, dan waren de kerkelijke dienaren (leeraar, ouderlingen enz.) verplicht, zich te onderwerpen aan de bestaande Kerkenordening ; evenwel niet omdat zij zich daartoe aan anderen buiten hunne Kerk verbonden hadden, maar omdat zij verbonden waren aan hun eigen Kerk, welke in gemeen accoord met andere kerken de kerkenordening had aangenomen, zoodat deze, zoolang dat accoord niet verbroken was, ook hen bond.

Maar wat bepaalt nu die Kerkenordening zelve? In art. 31 der Dordsche lezen wij: „zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, zal hij zich tot een meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen, en ’t gene door de meeste stemmen goed gevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de artikelen in deze generale Synode besloten, zoo lang als dezelve door gene andere generale Synode veranderd zijn.” De tweede zinsnede, die op een fundamenteel beginsel der Reformatie berust, komt in alle kerkenordeningen, zelfs in alle brieven van credentie voor de deputaten naar de classis, terug. En wat was nu het gevolg van de toepassing van dit beginsel? Natuurlijk dat men weerloos stond tegenover den kerkeraad, die op voor hem afdoende gronden de beslissing


1) Zie b.v. hetgeen de Kerken deden tegenover Zwol; te verhalen sub § 5.

|21|

der „meerdere vergadering” in strijd achtte met Gods Woord. Dat ook de rechter op dit punt de beslissing van den kerkeraad niet kon vernietigen, is duidelijk, want dan zoude hij de belijdenis dier kerk (artt. 7 en 32) zelve ter zijde hebben gesteld. Alzoo kon, in het gesteld geval, zelfs zonder formeele losmaking van den gemeenschappelijken band, de kerkeraad vrijelijk zijn gang gaan.

Maar ging dan daardoor de eenheid zelve, die immers evenzeer een fundamenteel begrip was, als de zelfstandigheid der Kerk in geloofszaken, niet verloren?

Schijnbaar voorzeker. Want de band, die allen verbond, was veel meer van zedelijken, van geestelijken, dan van juridischen aard. Natuurlijk waren de overige kerken op haar beurt bevoegd, op denzelfden grond de gemeenschap af te breken met haar weerbarstige bondgenoote, en daardoor zich te hoeden voor hetgeen zij ketterij achtten, zonder haar hoofdbeginsel, nl. dat het Woord Gods in alles richtsnoer is en gaat boven elke menschelijke verordening, te laten varen. Er was nu eenmaal geen hiërarchie meer, noch kerkelijke overheid, doch alleen samenwerking en overeenstemming. Had men, ten aanzien der gemeenschappelijke belijdenis, de overeenstemming vervangen door het beginsel van overstemming, dan ware er een nieuwe hiërarchie in de kerk ontstaan, en alle waarborg, dat in alles de consciëntie getoetst aan Gods Woord zou beslissen, in strijd met art. 7 der Belijdenis 1) verdwenen.


1) Dit artikel luidt: „Wij gelooven, dat deze heilige Schrifture den wille Gods volkomelijk vervat, en dat al ’t gene de mensen schuldig is te gelooven om zalig te worden, daar in genoegzaam geleerd wordt. Want overmits de geheele wijze des dienstes, die God van ons eischt, aldaar in ’t lange beschreven is, zoo is ’t den menschen, al waren het zelfs Apostelen, niet geoorloofd anders te leeren als ons nu geleerd is door de heilige Schrifturen. Ja al ware het ook een Engel uit den hemel, gelijk de Apostel Paulus zegt. Want dewijl het verboden is, den Woorde Gods iet toe of iet af te doen, zoo blijkt daar uit wel, dat de Leere deszelven zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is. Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijken bij de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte bij de waarheid Gods, (want de waarheid ➝

|22|

Dat de kerkeraad, die zich niet aan de beslissing der meerdere vergadering onderwerpen wilde, in rechtskundigen zin wel vrij moest blijven, ligt zoozeer in den aard der zaak, dat men zich zelfs geene procedure kan denken, om hem te dwingen anders te handelen. Want wie zou de actie daartoe hebben ingesteld? Alleen de locale kerk bezat de goederen; niemand had een actie om haar daaruit te ontzetten. De individueele leden der locale kerk hadden wel het recht en ook de verplichting om haar te verlaten, wanneer zij meenden dat de kerkeraad Gods Woord ter zijde stelde, maar als individueele leden hadden zij geen recht op eenig goed der corporatie. Deze, de kerk, werd vertegenwoordigd door den kerkeraad. Alzoo moest, zoolang er geen middel was dezen te verwijderen, de beslissing van den kerkeraad, zoowel tegenover de leden als tegenover de gezamentlijke kerken, in juridischen zin gelden als hoogste wet!

Doch, vraagt men wellicht, waar moet zulk een systeem toe leiden ten aanzien van de leeraars zelve, die wel aan de gemeente verbonden, maar tevens alleen afzetbaar waren door de „meerdere vergaderingen,” juist om niet afhankelijk te zijn van de willekeur van een enkelen kerkeraad?

Stellen wij, om de wederkeerige rechtsverhouding tusschen leeraar en kerkeraad duidelijk te doen uitkomen, het geval, dat òf de leeraar, òf de kerkeraad òf beide roomsch werden. Welke was dan b.v. de verplichting der Kerk nopens de uitbetaling van het tractement, voor zoover de Kerk zelve dit had op te brengen.

Werd de leeraar alleen roomsch, dan zou hij reeds enkel daardoor, de facto gelijk men het noemde, in den dienst geschorst zijn geworden, en vervolgens op voorstel van den


➝ is boven al), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de Conciliën, Decreten of besluiten. Want alle menschen zijn uit zich zelven leugenaars, en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen wij van ganscher harten al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeen komt, gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten of zij uit God zijn. Insgelijks: zoo iemand tot u komt, en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in uw huis niet.”

|23|

kerkeraad door de Classe zijn afgezet. Daarmee zou dan elk recht op tractement vervallen zijn.

Gesteld echter dat de Kerk zelve roomsen, werd, bewerende dat dit de eisch is van Gods Woord, en nu, de tucht uitoefenende , den leeraar van ketterij beschuldigde, dan zou de Kerk toch het tractement hebben moeten blijven betalen, omdat de kerkenordening bepaalt, dat afzetting alleen door de classis kan geschieden. Zelfs losmaking van het synodaal verband door den kerkeraad zou o.i. het recht van den leeraar op tractement niet gewijzigd hebben.

Werden daarentegen leeraar en gemeente beiden roomsch, dan veranderde hun onderlinge rechtsverhouding niet. Natuurlijk zouden zij zich nu moeten losmaken uit het in hun oogen kettersch verband met de andere gereformeerde kerken, maar deze zouden tegen haar geenerlei recht hebben kunnen doen gelden, noch hebben bezeten.

Zoo leert ook Voetius, dat de Classen en Synoden tegenover de enkele Kerk geen afdoende en dwingende macht hebben, doch slechts eene afgeleide, zoodat de Kerken wel alles moeten aannemen en uitvoeren wat de Synode bepaalt omtrent de leer en andere kerkelijke zaken, doch altijd, — met beroep op art. 31 der Dordsche Kerkenordening en op alle brieven, die door de Classen aan hare gedelegeerden naar de Synode worden meegegeven — voor zoover de naleving of het dulden daarvan niet strijdt met Gods Woord. Strijden zij daarmeê, dan moet men òf verbetering òf niet-toepassing verzoeken; is die niet verkrijgbaar, dan moet men dat kwaad dulden, om de goede orde niet te verbreken; d.w.z. enkel dulden op zulk eene wijze, dat men niet genoodzaakt wordt iets te doen of te beloven, dat men met zijn geweten, „per conscientiam Dei”, niet doen of beloven kan. Als het gewicht der zaak het meebrengt, moet men openlijk tegen de opgedrongen ordening protesteeren. Ook kunnen zich gevallen voordoen, dat leden der Kerk zich van de kwaadgezinden afscheiden en zich aan de Kerk onttrekken moeten 1), Gelijk


1) Pol. Eccl. Pars. III, Lib. I, Tract. III, Cap. V, § 2, Rutgers, bl. 294. Hetzelfde leert hij Pars. I, Lib. I, Tract. II, Cap. X, § 5, Rutgers, bl. 236.

|24|

men ziet, berust geheel de band en samenwerking niet op dwang, maar op overleg en overtuiging.

Het is er intusschen verre van af, dat gedurende de republiek bovenomschreven beginselen door elk en een ieder, zonder tegenspraak, zijn beleden en erkend. Integendeel is er steeds eene machtige partij geweest, die een geheel ander beginsel verdedigde; nl. dat de burgerlijke Overheid zich met de zaken der publieke kerk mocht bemoeien en aan deze regelen mocht voorschrijven; zóó dat de Overheid zelve de band werd die de kerken aaneenbond. In dat systeem, dat in Duitschland is aangenomen en daar nog geldt, ging de vrijheid en zelfstandigheid der individueele kerken verloren. Maar dat systeem is hier te lande nooit ingevoerd, dank den hardnekkigen tegenstand der Gereformeerden, welke tegenstand eindelijk op wettige wijze met goed gevolg is bekroond in 1618. Tot viermalen toe heeft de Overheid gepoogd de gereformeerde kerken te overmeesteren, gelijk dit in de Luthersche kerk in Duitschland terstond gelukt was. In 1576 zijn op last van de Staten van Holland en Zeeland kerkelijke wetten ontworpen In 1583 op last van de Staten van Holland. En eindelijk, in 1591, wederom door eene staatscommissie, welke de Overheid ditmaal voor de helft uit predikanten had samengesteld. Dit laatste ontwerp heeft men daarna in 1615 bij de bekende „scherpe resolutie” met geweld pogen in te voeren. Het is bekend, met welk tragisch gevolg. Op onpartijdige wijze en van onverdachte zijde is de toedracht dezer zaak nogmaals duidelijk uiteengezet in het geschrift van Mr. J.C. Naber, „Calvinist of Libertijnsch,” twee jaren geleden in ’t licht verschenen; alsmede in Hooyer, Oude Kerkordeningen, bl. 113, 233 en 324. Wij verwijzen den lezer daarheen.

Voor ons doel is het bovenstaande genoeg, om den oorsprong en den aard te doen kennen van het gezag, dat na de reformatie de roomsche hiërarchie vervangen heeft. Of men dat stelsel goed- of afkeurt, doet er voor den jurist natuurlijk niets toe. Genoeg dat het gegolden heeft tot aan 1816, gelijk wij later nog zullen aantoonen. Mr. van Bosse

|25|

heeft eens in de Kamer verklaard: „het is bekend hoe het Hervormd Genootschap is ontstaan. Het is niet ontstaan uit gemeenten, die zich vereenigd hebhen tot een gemeenschappelijk doel, maar de eerste Kerkordening is in 1568 vastgesteld door de toenmalige uitgewekenen, die zich zonder Commissie van gemeenten of anderen in Synode vereenigd, het Kerkgenootschap gesticht en geregeld en de grondslagen van het Kerkbestuur bepaald hebben. Nooit of nimmer hebben hier te lande de gemeenten iets te zeggen gehad in de organisatie van het Kerkbestuur.” „Zouden die woorden”, zoo schrijft Ds. Segers daarbij, „het vermoeden niet wettigen, dat deze staatsman nooit of nimmer iets meer dan den titel dezer acta gelezen heeft?” 1) Die opmerking is juist, maar geldt dan ook van allen, die zich op even oppervlakkige wijze over deze quaestie plegen uit te laten.

b. Overheidsbemoeiing. Deze bleef, gelijk wij reeds opmerkten, in hoofdzaak dezelfde. Toch is ook zij, om haar eigenaardige inwerking op de nieuwe toestanden, kortelijks te bespreken,

Hing de eenheid der kerken van hare voortdurende samenwerking en samenstemming af, dan was niet alleen de band die haar verbond vrij los, maar kon er ook moeielijk onderdrukking van den een door den ander ontstaan, behalve in de locale kerk zelve, omdat de richting, die daar in den kerkeraad de overhand wist te verkrijgen, tevens en uitsluitend het gebruik had van de kerkelijke goederen en fondsen. Van daar de buitengewone zorg om alle dienaren door persoonlijke en schriftelijke onderteekening te binden aan Gods Woord en de belijdenisschriften; want die onderteekening was eigenlijk de eenige waarborg, dat de kerk in beginsel bleef wat zij was.

Toch zien wij juist het omgekeerde geschieden. Algemeen wordt over de onverdraagzaamheid der Gereformeerde Kerken geklaagd, en tegelijk zien wij dat al die kerken gedurende de gansche republiek bijeen blijven.


1) De verhouding van de locale gemeenten tot de Ned. Herv. Kerk in haar geheel. Leiden 1885. Zie ook Bijlage II.

|26|

Beide verschijnselen zijn het natuurlijk gevolg van de Overheidsbemoeiing.

De Overheid had als Christelijke Overheid velerlei verplichtingen tegenover de ware of publieke kerk. Dit was een sinds eeuwen, overal en ook hier te lande, door alle richtingen gehuldigd beginsel van publiek recht. Wat voor Christelijk te houden was, bepaalde nu niet meer de roomsche hiërarchie, maar werd uitsluitend, in de Synoden (samenkomsten) van onze oude, thans naar den Woorde Gods Gereformeerde Kerken, door de gedelegeerden van deze kerken vastgesteld.

De eerste verplichting der Overheid was natuurlijk de toekenning der rechtspersoonlijkheid aan de kerken; eene verplichting waaraan zij sinds vele eeuwen, waarschijnlijk reeds van ’t begin der 4e eeuw af, voldaan had, zoodat na de Hervorming haar taak ten dezen aanzien zich bepaalde tot het blijven erkennen van de bestaande of publieke kerken.

Als verdere verplichting nam zij de gedeeltelijke bezoldiging der predikanten uit de door haar aangeslagen goederen en uit belastingen op zich. Deze verplichting noemt Johs Uytenbogaert „buiten alle dispute.” Natuurlijk werden enkel de christelijke predikanten bezoldigd, en christelijk waren alleen zij, die door de gezamentlijke Kerken daarvoor gehouden werden.

Eene niet minder, zeker beter te verdedigen, schoon ook hevig betwiste verplichting was de zorg voor de kerkegoederen. Was na de reformatie de pauselijke jurisdictie over de beheerders dier goederen weggevallen, het stond te vreezen dat die beheerders, thans zonder controle, met die goederen naar willekeur zouden leven. Een deel dier goederen was, gelijk wij reeds (bl. 11) opmerkten, aan den Staat vervallen. Maar voor zoover de goederen aan de Kerken toebehoorden, bleven zij wel in het bezit van die kerken, doch, althans gedeeltelijk, onder administratie en toezicht der Overheid, die zorg dragen moest dat zij bestemd bleven voor de Christelijke Kerk waaraan zij geschonken waren. En wat was eene Christelijke Kerk? Al wederom alleen die, welke door de gezamentlijke kerken daarvoor gehouden werd.

|27|

Let men op deze feiten, dan is het duidelijk waarop de in theorie niet te betwisten zelfstandigheid der kerken in de praktijk neer moest komen. Elke kerk op zich zelve mocht zich verzetten tegen de Synode; haar zelfstandigheid handhaven, zoodra men haar iets wilde opdringen dat zij in strijd achtte met Gods Woord; maar dan, indien zij de overheid niet op haar hand had, ten koste van al wat zij bezat; ten koste van kerkegoed en tractement!

Was het dan te verwonderen dat de Kerken harerzijds vaak toegeeflijk waren, en minder streng de leer- en levenstucht handhaafden, terwijl zij daarentegen in de voortaan onbetwiste voorrechten eener publieke kerk bleven?

Maar in den rechtstoestand bracht deze feitelijke verhouding geen wijziging. Onveranderlijk bleef in alle provinciën het beginsel gelden, dat geene Kerk mocht bedrijven of toelaten, wat zij zelve in strijd achtte met Gods Woord. Evenzeer golden er alle beginselen, die in de Nationale Synode van Dordrecht waren aangenomen en bij vernieuwing vastgesteld. Natuurlijk moest de Overheid de Kerkelijke verordening eener publieke Kerk ook zelve goedkeuren en afkondigen, ’t geen dan ook in de verschillende provinciën geschied is. Nu is op deze wijze de Dordsche Kerkenordening nergens ingevoerd, behalve in Utrecht en, met eene geringe wijziging, in Gelderland en Overijssel. De overige provinciën hadden hare eigene Kerkenordeningen. Doch in alle deze golden volmaakt dezelfde beginselen. Wel werden zij afgekondigd door de Staten, die altijd bleven aanhouden op hun beweerd recht om oppermacht in de Kerk uit te oefenen. Zelfs werden sommige, zooals die voor de Ommelanden van Groningen, van het jaar 1595, alsmede die van het landschap Drenthe van 1638, van wege de Overheid ontworpen en ingevoerd. Maar de Kerken zelve beschouwden zulke invoering of goedkeuring door de Overheid altijd als eene „zuiver politieke zaak”; en zij namen dan ook enkel zulke kerkenordeningen aan, als gemaakt of goedgekeurd waren door eene Calvinistisch gezinde Overheid, en geheel in den geest der Dordsche Kerkenordening van 1619, of „in conformiteit”, zooals Graaf

|28|

Willem Lodewijk bij de publicatie van de Kerkenordening voor de Groninger Ommelanden zegt „van den anderen vereenichden provinciën.” De Kerkenordening van de stad Groningen van 1594, ofschoon door burgermeesters en raad op advies van evengenoemden Graaf gearresteerd, behelst in art. 1 een zeer uitvoerige beschouwing over het groote gevaar om aan de Overheid, of aan „de politieken” eenig zeggen in kerkelijke zaken toe te staan, ’t geen ook in strijd zou zijn met het beginsel, dat geen Kerk over de andere zal heerschen; enz.! 1)

 

Uit al het voorafgaande blijkt alzoo, dat gedurende de republiek 1° de Kerken geen gezaghebbend optreden van de Overheid in haar eigen zaken gedoogden; 2° de Kerken, niet op grond van Overheidsmaatregelen, maar op grond van de gemeenschappelijke belijdenis, zich aan elkaar verbonden hebben; 3° de Kerken, juist op grond harer belijdenis (art. 7 en 32), zoodra het op handhaving van Gods Woord aankwam, de souvereine beslissing bezaten; 4° de kerken ook in andere zaken groote zelfstandigheid hadden, en geenerlei bestuur boven zich erkenden; 5° de kerkenraden de voornaamste kerkelijke collegies waren en de gemeente vertegenwoordigden; 6° de kerkelijke goederen aan de locale kerken behoorden, al stonden zij onder toezicht en administratie der Overheid, welke zorgde dat zij aan hunne bestemming niet werden onttrokken.

Hiermede hopen wij voldoende te hebben aangetoond, wat na de reformatie in de plaats gekomen is van de weggevallen hiërarchie.


1) Hooyer, Oude Kerkenorden. bl. 358.

Lohman/Rutgers (1886) P3

 

§ 3. Toestand van 1795 tot 1816.

 

Ook voor dit tijdperk is te onderzoeken, of in de plaats van den vóór de reformatie bestaanden, hiërarchischen band een andere band aan de gereformeerde kerken is aangelegd,

|29|

en zoo ja welke? Wij hebben dus ook thans te letten op
a. het kerkelijk verband.
b. de Overheidsbemoeiing.

a. het kerkelijk verband.

Dit onderging in dit tijdperk geene verandering. Men was zich volkomen van den waren aard der bestaande organisatie bewust. Zoodra de Overheidsbemoeiing, krachtens de staatsregeling van 1795, ophield, kwamen o.a. de „gecommitteerden uit de meeste Nederduitsche Hervormde gemeenten tot de Synoden van Zuid- en Noord-Holland behoorende” bijeen, om te beraden hoe, bij het ophouden van staatshulp, in den nood der kerken te voorzien was. In de toelichting van het in den jare 1800 daarvoor ontworpen plan lezen wij o.a. „de onderscheiden gemeenten, uitmakende de Hervormde Kerk in ons vaderland, waren ten dien einde van ouds af aan elkander door middel van Classen en Synoden, volgens de kerkenordeningen en formulieren van eenigheid, verbonden; en stonden bovendien onder het opzicht van een Hervormde Overheid, een Hervormde Natie vertegenwoordigende, welke uit dien hoofde verplicht was voor alle belangen van de Nationale Kerk zorg te dragen. De omstandigheden der tijden, in welke die weleer zoo bloeiende kerk zich bevindt, maken thans schikking, met opzicht tot het voortdurend bestaan van dezelve noodig. De schikkingen moeten uit den boezem der bijzondere gemeenten zelven komen, en door personen, van wegens dezelve behoorlijk gemachtigd, worden daargesteld 1).

Zij begrepen zeer goed dat de organisatie van gereformeerde kerken niet door dwang en niet van bovenaf behoorde te geschieden, maar door vrij en wederkeerig overleg, waarom o.a. Mr. H. van Alphen, bij de opening der eerste vergaderingvan gemelde gecommitteerden, zoo terecht ook dit zegt, dat, „bijaldien sommige Synodale ressorten, onverhoopt, mochten


1) Stukken betreffende de Vergadering van gecommitteerden uit de meeste Nederd. Herv. gemeenten van Zuid- en Noord-Holland, ’s Gravenhage, bij Thierry en Mensing, 1801; 6e stukje bl. 61.

|30|

goedvinden zich afzonderlijk te houden, men zich vereenigen kan en moet met die, welke zich met ons willen samenvoegen, al was het slechts met één; elk accres is winst, geeft hoop op meerder; en is een spoor voor de achterblijvende, om van gedachten te veranderen, en zich bij ons te voegen, ten einde ook zelve, door die samenvoeging, zich te versterken” 1).

Ter eere van de Kerk, die zoolang publieke en daardoor bevoorrechte Kerk geweest was, moet gezegd worden, dat door haar geenerlei voorstel is gedaan, dat de strekking had om der Burgerlijke Overheid eenig gezag over de kerken toe te kennen, of althans haar met de organisatie der kerken te belasten. Al de ontwerpen en regelingen, waarover wij verder nog te spreken hebben, zijn niet van kerkelijke maar van Regeerings-Commissien uitgegaan.

b. Overheidsbemoeiing.

Merkwaardig voorzeker is het, dat, juist van het oogenblik af, waarop de gereformeerde Kerk ophield publieke Kerk te zijn, en de Overheid zich, krachtens het aangenomen beginsel van scheiding van Kerk en Staat, uit kerkelijke zaken terug te trekken had, de eigenlijke bemoeiing van de Overheid met de Kerk eerst recht is aangevangen Werden aan die, thans eenparig veroordeelde, staatsbemoeiing, niet door velen, bewust of onbewust, rechtsgevolgen toegekend, dan zouden wij het tijdperk van 1795 tot 1870 (toen de elf reserves buiten werking werden gesteld), wat dit punt aangaat, onbesproken kunnen laten. Nu echter juist het omgekeerde geschiedt, moeten wij ons eenige uitvoerigheid veroorloven, om niet onnauwkeurig te zijn. Het zou toch kunnen wezen, dat de wetgever, zij het ook in strijd met goed recht, inderdaad den rechtstoestand had gewijzigd, in welk geval de rechter met die wijziging zal hebben te rekenen. Het zou b.v. kunnen zijn, dat vi legislatoria de bestaande kerken zijn geamalgameerd, evenals dit ten aanzien van de provinciale schulden geschied is, en dat daardoor één groot Kerkgenootschap


1) T.z.pl. 1e stukje bl. 24.

|31|

ontstaan is, waarvan de Hervormden, en niet de Hervormde Kerken, leden zijn.

Aanleiding tot zoodanige onderstelling zou reeds terstond gevonden kunnen worden in het woord kerkgenootschap, voorkomende in art. 20 Algem. Bep. der staatsregeling van 1798, waarbij bepaald wordt, dat elk kerkgenootschap voor het onderhoud van zijn eerediensten, deszelfs bedienaren en gestichten zorgt.

Daar dit woord meermalen in de toenmalige wetgeving voorkomt, en de hedendaagsche beteekenis van het woord „Hervormd Kerkgenootschap” lichtelijk de meening zou doen ontstaan, dat reeds destijds met dat woord steeds hetzelfde bedoeld werd als thans, moeten wij de beteekenis die het in den regel had nader aantoonen.

Gedurende de republiek sprak men, om het geheel uit te drukken, van „de Kerke Gods, of de gemeente onzes Heeren Jesu Christi in deze landen;” doch niet van kerkgenootschap. Dit woord komt wel reeds voor in stukken van de vorige eeuw, maar dan doorgaans in den zin van locale kerk. Zoo sprak men b.v. van het Hervormd Kerkgenootschap te Leiden.

Zoo adresseerde zich, in het begin dezer eeuw, aan de Eerste Kamer van het vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks „de Commissie door de Afgevaardigden der gezamentlijke Walsche Hervormde Kerk-genootschappen, binnen de Bataafsche republiek gevestigd zijnde.”

Dat dit ook de taal des wetgevers is blijkt uit de additioneele bepalingen van dezelfde staatsregeling, waar wij in art. 6 lezen:

„Alle Kerk-Gebouwen en Pastorij-Huisen der voormaals Heerschende Kerk, voor zoo verr’ zij, door aanbouw uit de afzonderlijke Kas der Gemeente, geene bijzondere en wettige eigendommen zijn, worden overgelaten aan de beschikking van ieder Plaatslijk Bewind, om deswege tusschen alle Kerkgenootschappen eenig vergelijk te treffen, en wel binnen de eerstkomende zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling.
„De grondslag van dit vergelijk is, in iedere Plaats, het grootst aantal van Leden der onderscheiden Kerklijke

|32|

Genootschappen, hetgeen alzoo de relative meerderheid van Zielen zal uitmaaken.
„Hetzelve zal de voorkeus hebben omtrend de naasting eener Plaatselijke Kerk en Pastorij, onder bepaaling echter, na gedaane begrooting van de waarde dier gebouwen, van eene maatige uitkeering, hetzij in eens, of bij termijnen, aan de andere Kerk-Gemeenten, naar evenredigheid van derzelver Leden, welke allen, door deze bepaaling, worden gehouden, voor altijd afstand gedaan te hebben van de gemeene aanspraak.
„De alzoo genaaste Kerken en Pastorijen blijven, ten allen tijde, onder de bezitting, beheering, en het speciaal onderhoud dier Kerk-Gemeenten, aan welke dezelven, volgends het hier voorgaand onderling contract, zijn toegewezen.”

Het is duidelijk, dat „Kerkgenootschap” daar niet anders dan in plaatselijken zin kan zijn gebruikt.

In de staatsregeling van 1801 leest men, in de artikelen 11, 12 en 13:

„Alle Kerkgenootschappen, welke ter bevordering van deugd en goede zeden een Hoogst Wezen eerbiedigen en hulde doen, genieten eene gelijke bescherming der Wetten. Ieder Kerkgenootschap belijdt zijne gevoelens openlijk, en vergunt aan een iegelijk den vrijen toegang tot zijne bijeenkomsten.
„Elk hoofd eens Huisgezins, en op zich zelf staand Persoon van beiderlei Kunne mits den ouderdom van veertien jaar bereikt hebbende, doet zich inschrijven bij een of ander Kerkgenootschap, hetwelk vrijwillig kan verlaten worden, om tot een ander over te gaan. Voor ieder Kerkgenootschap wordt van de alzo ingeschreven Leden tot onderhoud van deszelfs Dienaren en eigendommen, eene Jaarlijksche gift gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde Som, achtervolgens het geen aangaande dit een en ander nader bij de Wet zal worden vastgesteld.
„Ieder Kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van hetgeen met den aanvang dezer Eeuw door hetzelve wierd bezeten.”

Let men op de omstandigheid dat de algemeene Kerk

|33|

nooit bijeenkomsten harer leden hield, nooit eenig goed bezeten heeft, enz. en dat dit alleen met de locale Kerken het geval geweest is, dan zal men ontwaren, dat de wetgever ook in 1801 zich onder het woord kerkgenootschap doorgaans de locale Kerk voorstelde.

Wilde men in de staatsregeling van 1798 de algemeenheid der Kerken uitdrukken, dan bediende men zich van het woord „Kerk”, waartegen dan over stond: gemeente en kerkgenootschap 1).

Hetzelfde geldt van de staatsregeling van 1801 2).


1) Men leze, behalve het reeds geciteerde art. 6, ook de artt. 1 tot 5 der additioneele artikelen tot de acte van staatsregeling' van 1798, luidende:
„De Gemeenten der voormaals Heerschende Kerk blijven geduurende de eerstkomende drie Jaaren na de aanneming der Staatsregeling, de gewoone Tractementen van derzelver Leeraren en Hoogleeraren, bij wijze van Pensioen, uit ’s Lands Kas, genieten, ten einde dezelven, in dien tusschentijd, de nodige schikkingen maaken tot derzelver verdere besoldiging.
„Ook tot zoo lang, word aan dezelve Gemeenten het zoogenoemde Kindergeld voor derzelver Leeraren toegewezen.
„Alle Leeraars, Hoogleeraars, en derzelver Weduwen, op 1 Januarij 1798, gepensioneerd geweest zijnde, blijven de hun toegelegde Pensioenen, geduurende hun leven, genieten, mids zij aan het Bewind ter Plaatse, alwaar zij woonen, doen blijken, geene zes-honderd Guldens jaarlijksch inkomen te hebben buiten het gemelde Pensioen. en bewijzen toonen van hunne verknogtheid aan de tegenwoordige orde van zaken.
„Alle Geestelijke Goederen en Fondsen, waaruit te vooren de Tractementen, of Pensioenen, van Leeraren of Hoogleeraren der voormaals Heerschende Kerk, betaald werden, worden Nationaal verklaard, om daaruit, eerstlijk, de nog blijvende Tractamenten en Pensioenen te voldoen, en, daarna, tot een vast Fonds te worden aangelegd voor de Nationaale Opvoeding, en ter bezorging der Behoeftigen; blijvende nogthauds onverlet de aanspraak, welke eenig Lichaam of Gemeente daarop mogt maaken, en, met de nodige bewijzen voorzien, aan het Vertegenwoordigend Lichaam ter beslissing zal moeten inleveren.
„Alle andere Kerklijke Goederen, door vrijwillige gift, erfmaaking, inzameling of aankoop bij eenig Kerkgenootschap verkregen, worden als het Wettig eigendom der Bezitteren erkend, en als zoodamgen, aan hun verzekerd.”
2) Men vergelijke, met de straks reeds aangehaalde artikelen 14 , 12, en 13 — de bepaling van art. 14, luidende:
„Geene uitsluitende Burgerlijke voorregten zijn aan eenige Godsdienstige Geloofsbelijdenis verbonden. De Hoogleeraren, Leeraren, en Kerkelijke ➝

|34|

In art. 4 van de staatsregeling van 1805 leest men:

„Er bestaat geene heerschende Kerk. Het Gouvernement verleent gelijke bescherming aan alle Kerkgenootschappen, binnen dit Gemeenebest bestaande. Het handhaaft dezelve bij de ongestoorde uitoefening van hunne kerkelijke Instellingen, geschikt ter verbreiding van Godsdienstige beginselen en goede zeden, mitsgaders tot handhaving der goede orde. Het neemt de nodige maatregelen, welke de bijzondere omstandigheden van deze Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart, vereischen.”

Vermits niet de algemeene Kerk, maar wel de locale Kerken instellingen bezeten hebben, zoo duidt ook hier het woord Kerkgenootschap blijkbaar op de locale Kerken.

In de constitutie van 1806 komt het woord niet meer voor; in art. 6 spreekt men van „Godsdiensten” en „Eerediensten.” In het Koninklijk Decreet van 2 Aug. 1808, n°. 26, artt. 5 en 6, alsmede in dat van 5 Febr. 1809, artt. 3, 5, 6, 7, 10 en 11 komt herhaaldelijk het woord „kerkgenootschap” voor, doch alleen in den zin van locale kerk.

In de Grondwet van 1814 komt het woord Kerk terug, maar ook hier, evenals in 1798, in den zin van algemeene kerk, niet van locale kerk of kerkgenootschap. Wilde men dit denkbeeld uitdrukken, dan bezigde men het woord gezindheid, gelijk uit de aan den voet dezer bladzijde over-gedrukte artikelen ten duidelijkste blijkt. 1) Immers zijn nooit


➝ Bedienden der voormaals bevoorrechte Kerk blijven, zoo verre die bij de aanneming dezer Staatsregeling in dienst zijn gesteld, en uit eenige Politieke Kassen worden gesalarieerd of gepensioneerd, hunne Tractementen of Pensioenen genieten tot dat het bepaalde bij Art. 42 in werking zal zijn gebragt.”
1) Art. 136. „Aan de christelijke hervormde kerk wordt bij voortduring verzekerd de voldoening uit ’s Lands kasse van alle zoodanige tractementen, pensioenen, weduwen- kinder- school- en academie-gelden, als voormaals aan derzelver leeraren, het zij directelijk uit ’s Lands kas of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten, zijn betaald geworden.”
Art. 137. „Van alle toelagen, welke laatstelijk aan de andere gezindheden uit ’s Lands kas zijn toegestaan geweest, wordt almede het genot, bij voortduring, aan gemelde gezindheden toegekend.” ➝

|35|

„toelagen toegestaan” aan een complex van kerken of aan eene algemeene kerk; kan ook nooit in de „behoeften van gezindheden, welke tot dus ver ontoereikende toelage genoten, voorzien worden,” zoo men „gezindheden” in algemeenen zin verstaat; en komt „inzage van inrichtingen van gezindheden, die toelage genieten” alleen bij locale kerken te pas.

Eindelijk de nog steeds geldende bepaling van de Grondwet van 1815 (art. 194, thans 168), luidende:

„De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
„Aan de leeraars, welke tot nog toe uit ’s lands kas geen, of een niet toereikend tractement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.”

Wat beteekent daar „godsdienstige gezindheden”? De fransche vertaling is zeer onnauwkeurig, en verschaft geenerlei licht. Zij luidt:

„Les traitemens, pensions et autres avantages, de quelque nature que ce soit, dont jouissent actuellement les différens cultes et leurs ministres, leur sont garantis.
„Il pourra être alloué un traitement aux ministres qui n'en ont point, ou un supplément a ceux dont le traitement est insuffisant.”

Let men intusschen op de woorden „thans genoten” (jouir actuellement), en bedenkt men wie genoten, dan zal men


➝ Art. 138. „In de behoeften van die gezindheden, welke tot hiertoe geene of min toereikende toelage van ’s Lands wege genoten hebben, zal, op aanvrage daartoe te doen, in billijkheid door den Souvereinen Vorst, met overleg van de Staten Generaal, kunnen voorzien worden.”
Art. 139. „Onverminderd het regt en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle de godsdienstige gezindheden uitte-oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het regt van inzage en beschikking omtrent de inrigtingen van die gezindheden, welke, volgens een der voorgaande artikelen, eenige betaling of toelage uit ’s Lands kas genieten.”

|36|

ook hier gezindheid alleen kunnen verstaan in den zin van locale kerk.

Dit overzicht van wetsbepalingen leert, dat de wetgever zelf steeds de locale kerken als zelfstandige lichamen heeft beschouwd, en nimmer zich ook maar voorgesteld heeft, dat de bestaande kerken in juridischen zin tot een geheel waren geamalgameerd. Eene wet, waaruit het tegendeel zou kunnen blijken, bestaat er niet, Wel moeten wij nog even de aandacht vestigen op het straks aangehaald artikel 6 addit. bepp. der Staatsregel. van 1798; volgens hetwelk de verdeeling der kerkelijke goederen in elke plaats moet geschieden naar verhouding van het zielental. Blijkbaar gaat die bepaling uit van de onderstelling, dat de goederen der locale kerken voortaan moeten beschouwd worden als toetebehooren aan personen-vereenigingen, en wel aan al de plaatselijke bewoners, gesplitst naar de verschillende kerkgenootschappen. — Deze beschouwing is zeker nieuw, en wellicht met de bedoeling der oorspronkelijke schenkingen in strijd; doch de daarop berustende bepaling blijft niettemin wettig, en zal, uit een oogpunt van billijkheid, zekerlijk door velen worden toegejuicht. Intusschen is deze bepaling niet dan zeer onvolledig uitgevoerd. Zij verviel door art. 13 van de staatsregeling van 1801. Toch heeft Lodewijk Napoleon er op nieuw eene gedeeltelijke uitvoering aan gegeven, bij Decreet van 2 Augustus 1808 (van de Poll, Verz. van Wetten, bl. 419). Misschien grondde hij zijne bevoegdheid daartoe op art. 6 van de Constitutie van 1806, „door het gezag van den Koning en de Wet wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt, betreffende de Organisatie, de Bescherming, en de uitoefening van alle Eerediensten.” Deze bepaling gaf aan den Souverein onbeperkte macht over elke Kerk, en voorzeker had de Koning destijds de Gereformeerde Kerken kunnen organiseeren naar goedvinden, behoudens het recht van ieder om zulke koninklijke stallen te ontvlieden. Hij heeft dan ook niet slechts eenige wereldsche goederen naar zijn inzichten tusschen de bestaande gezindheden verdeeld, maar is ook op het punt geweest om eene Koninklijke

|37|

Organisatie aan de Gereformeerde Kerken op te leggen. Ware dat geschied, dan zou inderdaad de rechtstoestand dier kerken gewijzigd zijn geworden. Maar het is niet geschied, en zijne bevoegdheid om het te doen is niet overgegaan op de Koningen uit het Huis van Oranje. Wel is bij art. 139 der Grondwet van 1814 1) aan den Koning nog een vrij groote bevoegdheid ten aanzien der Kerken toegekend, hoewel veel beperkter dan die aan Koning Lodewijk verleend; maar de bepaling van art. 139 is niet overgegaan in de thans geldende Grondwet van 1815.

Wij mogen dus uit het vorenstaande besluiten, dat, in rechtskundigen zin, de toestand der Gereformeerde Kerken tot 1816 dezelfde gebleven is, als hij was gedurende de republiek, behoudens de hier niet ter zake afdoende bepaling van evengemeld art. 6 der add. bepalingen Staatsregeling 1798.


1) Overgedrukt op bladz. 35.

Lohman/Rutgers (1886) P4

 

§ 4. Toestand sedert 1816.

 

Ook voor deze periode wenschen wij de Overheidsbemoeiing en het kerkelijk verband afzonderlijk te behandelen: doch, terwijl gedurende de republiek het kerkverband hoofdzaak was, en Kerk en Staat met nauwkeurig omschreven bevoegdheid naast elkaar stonden, is, sinds de „scheiding van Kerk en Staat” als beginsel is ingevoerd, het onmogelijk geworden om beide punten zuiver uit elkaar te houden, en moet het hoofdgewicht juist op de Overheidsbemoeiing worden gelegd. Wij behandelen daarom beide punten thans in omgekeerde volgorde, verschooning vragende zoo wij somtijds ons aan eenige herhaling moeten schuldig maken.

a. Overheidsbemoeiing. Bij Besluit van 7 Januari 1816, n° 1, kondigde Koning Willem I het „Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden” af 2).

Vermits dat reglement als bekend mag worden verondersteld,


2) Het is o.a., met de later daaruit voortgevloeide besluiten, te vinden in Hooyer, Kerkelijke wetten, Bommel 1846.

|38|

of althans licht verkrijgbaar is, onthouden wij ons van letterlijke mededeeling van den inhoud, om terstond over te gaan tot de vergelijking van deze nieuwe organisatie met den toestand die vroeger, d.i. tot den 7 Januari 1816, gegolden had. De nauwkeurigheid der vergelijking kan door ieder worden gecontroleerd.

Voorheen geen gezaghebbend optreden van de Overheid door de Kerken gedoogd, dan voor zoover dit, vaak na heftigen, langen, soms zelfs bloedigen strijd, haar opgedrongen werd door de Overheid, en ook dan nog zonder prijsgeving van beginsel.

Thans eene geheele kerkelijke organisatie, uitgaande van de Overheid, en alleen op haren wil berustende: — vgl. de artt. 12, 15, 20, 23, 42, 92 en 93 van het Reglement.

Voorheen een Kerken-ordening.

Thans een Kerk-orde.

Voorheen de kerkeraden de basis der organisatie. Bij de classen en synoden slechts eene beperkte, bedienende, afgeleide, „lagere” macht 1).

Thans de kerkeraden volkomen afhankelijk, en dat nog wel van besturen niet eens door hen zelven benoemd; als „weerstrevers van het algemeen reglement” steeds afzetbaar; ja, heden ten dage 2), zelfs van het „lidmaatschap der Nederl. Herv. Kerk” ontzetbaar. De synodale Besturen daarentegen de absolute, heerschende, hoogste macht.

Voorheen „het kerkbestuur namens de gemeenten opgedragen aan vergaderingen uit die leeraars en andere leden, als gelijke personen, zamengesteld, terwijl de magt, welke door enkelen, onder den naam van deputaten, inspecteren enz. wordt uitgeoefend, aan hun alleen geacht wordt toe te komen, als afgevaardigden van, en namens die kerkelijke vergaderingen;” ’t welk alles „een hoofdbeginsel der hervormde kerk is” 3).


1) Zie daarover Voetius Pol. Eccl. Pars III Lib. I Tract. III Cap. V, (Editio F.L. Rutgers bl. 285 en vlgg) dat, ter kennismaking met den vroegeren toestand, wel in zijn geheel mag worden gelezen
2) Thans vigeerend Regl. Orde en Tucht art. 4.
3) Woorden, voorkomende in de toelichting op het concept regl. op de ➝

|39|

Thans een onafgebroken, tot in de kleinste bijzonderheden doordringend bestuur, dat, door middel der censuur, en, naar de allernieuwste toepassing van het systeem, door het zich in de plaats stellen van de „lagere besturen”, elken wederstand tegen de besluiten der meerderheid van de Synode kan breken.

Voorheen alle kerken gelijk, zoodat nooit de eene over de andere mocht heerschen.

Thans in zoover die gelijkheid gehandhaafd, dat allen gelijkelijk onderworpen zijn aan den wil van een door den Koning benoemd collegie.

Voorheen de Synodus eene „tesamenkomst der Kerken” door hare, aan lastbrieven gebonden, gedeputeerden, zoodat zonder aller samenwerking geen organisatie tot stand kon komen.

Thans een serie van koninklijke besturen en ouderbesturen, gelast eene organisatie in te voeren en aan de kerkeraden op te leggen.

Voorheen hoofddoel, ja bijkans eenig doel, het houden der Kerken bij de gemeene belijdenis, welke dan ook de eigenlijke vereenigingsband was.

Thans de bedoeling, om de Kerk allengskens van elken belijdenisband te verlossen, verscholen achter de dubbelzinnige, van den aanvang af feitelijk terzijde gestelde bepaling van art. 9 (thans art. 11) „dat de handhaving der leer van de Hervormde Kerk hoofddoel van de kerkelijke besturen moest zijn.”

Voorheen Gods Woord eenig richtsnoer, zoodat zelfs de enkele kerk of classis zich aan alle verdere samenwerking onttrekken moest, zoo iets haar voorkwam daarmee te strijden.

Thans gehoorzaamheid aan de Reglementen bovenal, zoo noodig, met terzijde stelling van de gebondenheid der consciëntie aan Gods Woord 1).


➝ organ. v.h. herv. kerkgen. in 1809, door den minister van der Capellen, die zeer sterk voor de koninklijke organisatie van koning Lodewijk gezind was. Zie Hooyer Oude Kerkenord. bl. 515.
1) Dit laatste staat natuurlijk in geen reglement, maar is, zooals nog ➝

|40|

Het is gemaklijk genoeg om de verschillen tusschen voorheen en thans nog breeder uiteen te zetten, doch het vorenstaande, waarvan de juistheid menigmaal door de verdedigers der bestaande organisatie erkend is (Hooyer, Kist, Royaards enz.), is voldoende om aan te toonen, dat in 1816 iets geheel nieuws is tot stand gebracht, met terzijdestelling van de hoofdbeginselen der destijds bestaande kerkenordening. Het is dus van het hoogste belang te onderzoeken, met welk recht deze organisatie van buiten af aan de Kerken is opgelegd?

Wij herinnerden er reeds aan, dat de Grondwet van 1815 den Koning zulk een recht niet toekent, en vermits het recht om Kerken te organiseeren of te besturen ook niet een intrinsiek deel van de Overheidsmacht in het algemeen is, een beginsel dat ten onzent elke regeering thans tegenover de verschillende kerken in acht neemt, zoo moeten wij nog onderzoeken, of koning Willem I recht had om wellicht meer in het bijzonder de Nederl. Herv. Kerk te organiseeren en te besturen?

De Koning zelf verdedigt zijne bevoegdheid o.a. met beroep „op een regt, door de Souvereinen dezer landen sedert de Reformatie onafgebroken uitgeoefend omtrent de regeling niet van de Hervormde godsdienst, maar van het Bestuur en dus der uitwendige belangen van de Hervormde kerk. ... Buitendien betreft de geheele verandering slechts het uitwendig Kerkbestuur, en het maken van diergelijke veranderingen betwist de ware geest van het Protestantisme aan geenen Souverein; vooral niet wanneer die Souverein de Leeraars uit ’s Rijks kas bezoldigt en zich in alles als hun Beschermheer gedraagt” 1). Het mag thans vrij wel overbodig


➝ onlangs Prof. Knappert zeer juist aantoonde, de onafwijsbare gevolgtrekking van het systeem, dat de Nederlandsehe Hervormde Kerk één geheel is, en men zich daaraan niet onttrekken kan; eene gevolgtrekking die dan ook herhaaldelijk feitelijk gemaakt is, o.a. door de Regeering tijdens de Afscheiding, en door de Synode, door het opdringen aan den Amsterdamschen kerkeraad van het afgeven der attesten.
1) Zie het geheele rescript van 28 Maart 1816 o. a. bij Hooyer, Kerkelijke Wetten bl. 22.

|41|

heeten al deze redeneeringen te weerleggen. Wat dat „onafgebroken recht der Souvereinen sedert de Reformatie” aangaat, daarvan hebben wij reeds genoeg gezegd. De Dordsche Kerkenordening en al de andere in beginsel daarmede overeenstemmende, door de Staten afgekondigde, provinciale kerkenordeningen zijn veeleer de negatie van die bevoegdheid. Waar is het, dat zelfs Voetius 1) erkent, dat er gevallen zijn, waarin de Magistraat de Kerken kan dwingen tot het aangaan van een classikaal en synodaal verband (correspondentia). Maar waaruit leidt hij dat recht af? Uit het destijds geldend publiekrechtelijk beginsel, dat de Overheid de publieke Kerk te verdedigen heeft. Weshalve dan ook de eenige straf, die op het verzet staat, de weigering is van de vrijheid van godsdienstoefening (die in beginsel alleen de publieke Kerk had). „Bestond er zulk een verband niet”, zoo argumenteert hij, „dan zoude overal aan alle rechtzinnige Kerken de gelegenheid worden afgesneden, om in eenigen staat als publieke, of ook maar als toegelaten Kerken op te treden. Welke Overheid toch zal duizende Kerken als publieke Kerken behandelen, of zal de zoodanigen, die elken band en samenhang missen, ook maar als publiek-privaatrechtelijk dulden? Wie zou over de toelaatbaarheid van al die Kerken beslissen?” 2) En het is voorzeker op grond van deze beschouwingen, dat Willem Lodewijk en andere Overheden verordeningen invoerden, waarbij niet uit het oog moet worden verloren, dat die verordeningen geheel strookten met den aard der Kerken waarvoor zij dienen moesten, gelijk wij b.v. ten aanzien van de Kerkenordening voor Groningen en die van de Ommelanden gezien hebben, en die dan ook daarom door die Kerken zelve werden aangenomen Doch uit diezelfde beschouwing vloeit dan ook voort, dat, nu de Kerk opgehouden had publieke Kerk te zijn, en de bevoegdheid om zich vrijelijk als kerken te formeeren bij de Grondwet erkend


1) Pars. III Lib. 1 Tract. III Cap. § 1 VIII. (Edit. Rutgers bl. 288).
2) t.z.p. § 2. (Edit. Rutgers bl. 295.) Voetius zou nu zeggen: Omnia jam fiunt, fieri quae posse negabam!

|42|

werd, zoodanige aanleiding om organisaties in te voeren ophield.

Volkomen onjuist was verder de bewering, dat ooit eenige Souverein in deze landen de bevoegdheid gehad heeft om zoo diep ingrijpende maatregelen in kerkelijke zaken te nemen. Het is ook voor den oppervlakkigsten historiekenner geen geheim, dat die bevoegdheid juist ten krachtigste, en steeds met goed gevolg, is betwist.

Nog onjuister is de verzekering, dat de uitwendige organisatie niet den godsdienst zelven raakte. Hoe nauw de organisatie eener Kerk samenhangt met de geloofswaarheden die de Kerk belijdt, bewijst zeker het sterkst de Reformatie zelve, die, als kerkhervorming, voor een groot deel juist de bestrijding was van den hiërarchischen kerkvorm.

Ook Voetius toont aan, dat de Roomschen, de Episcopalen, de Independenten en de Remonstranten juist tengevolge van hunne geloofsovertuiging, andere kerkvormen dan de Gereformeerden bezitten. Ook de Gereformeerden zelven hebben voortdurend, ter verdediging van hunnen kerkvorm, zich op de Heilige Schrift beroepen. Wie trouwens dat punt betwijfelen mocht, behoeft slechts een onbenevelden blik op den tegenwoordigen toestand te slaan!

De Kerkorde van Willem I „betrof ook niet alleen het uitwendig kerkbestuur”, vermits, gelijk uit hetzelfde rescript blijkt, „deze (koninklijke) Synode niet geroepen werd om leerstellige geschillen te beslissen” 1). Reeds dit alleen was een zeer diepe greep in het inwendig bestuur of in geestelijke zaken, vermits tot dusver de hoofdbestemming van geheel de organisatie in „handhaving van de gezonde leer" bestond.

Het was verder niet de vraag, wat „de ware geest van het Protestantisme”, maar wel, wat de Gereformeerde kerken aan den Souverein betwistten, en had koning Willem I zich die


1) Hoe deze woorden te rijmen zijn met de onmiddelijk daarop volgende „maar om de kerk te besturen en om even als alle andere kerkbesturen de leer der Hervormde kerk te handhaven,” is niet in te zien! In de praktijk is wel de in den text aangehaalde, niet laatsgenoem.de verklaring in toepassing gebracht.

|43|

vraag gesteld, dan zou hij zich wellicht van alle bemoeiing hebben onthouden.

Eindelijk: dat een betaalmeester nog niet eo ipso bestuursrecht heeft, is een punt dat heden ten dage geen nadere ontwikkeling behoeft. De toepassing van art. 168 der Grondwet toont dit genoegzaam.

Doch wij stappen af van de vraag, of de Koning bevoegd was het Alg. Reglement aan de Kerken op te leggen. Er is immers in deze dagen geen rechtsgeleerde van naam meer, die, ook na de kritiek van mannen als Mr. Thorbecke 1) Mr. Hingst 2) Mr, Heineken, 3) om van tal van anderen niet te spreken, die bevoegdheid nog verdedigt. Toch moet worden opgemerkt, dat wel is waar reeds sedert 1842 de Regeering zich langzamerhand van het kerkelijk gebied heeft teruggetrokken, en dat vooral sinds het Koninklijk Besluit van 23 Maart 1852 de band tusschen Overheid en kerk losser geworden is; maar dat toch de Regeering ook nog verscheiden jaren daarna zich met kerkelijke zaken bemoeid, en nimmer het besluit van 1816 ingetrokken heeft. Wel is meermalen beweerd dat dit onnoodig was, omdat, sinds de wet op de kerkgenootschappen, elk kerkgenootschap zich vrijelijk organiseeren kan, doch deze bevoegdheid bestond evenzeer vóór dien tijd, zoodat, wanneer de Regeering zich vóór dien tijd de bevoegdheid tot organisatie en bestuur heeft toegekend, er geen reden is om aan te nemen, dat zij, zoolang dat besluit niet is ingetrokken, die bevoegdheid heeft laten varen. Nog altijd kan de Koning geacht worden, zich alleen daarom niet in te laten met het Bestuur der Hervormde Kerk, omdat Hij van oordeel is, dat de door Hem ingestelde, op Zijne besluiten berustende Synode dat bestuur naar behooren uitoefent. Thans Iaat Hij zijn bevoegdheid slapen; maar op die slapende bevoegdheid, of liever onbevoegdheid, is niettemin het geheele synodaal Bestuur gebouwd. Trek het


1) Gids 1846, Boekbeoord. bl. 533 en vlgg.
2) Gids 1863, 2e deel bl. 37 en vlgg.
3) De Staat en het Kerkbestuur, Leid. 1868, waarin het punt zeer uitvoerig en helder wordt behandeld.

|44|

Besluit in, of ontken de rechtsgeldigheid ervan, en het gansche gebouw stort in!

Men betwist dit wel, bewerende dat de organisatie door de Kerk zelve is aangenomen. Wij gaan dus thans onderzoeken, of de Kerk inderdaad zichzelve een ander kerkelijk verband heeft opgelegd, dan dat ’t welk in 1816 bestond; doch wij zullen bij de ontwikkeling ook van dat punt zien, hoe de verdedigers van de synodale organisatie, behalve in die aanneming door de Kerk zelve, ook nog telkens een rechtsgrond zoeken te vinden in de nu behandelde Koninklijke Besluiten. Wil men dus den „vicieusen cirkel” vermijden, dan make men zich, vóór tot het volgend punt over te gaan, eene duidelijke voorstelling van de bevoegdheid des Konings op dit punt. Niemand, zelfs niet een Koning, kan dan eens wel, dan weer niet, en dan toch soms ook weer half bevoegd zijn.

Laten wij thans onderzoeken, of door de Kerk zelve eene andere organisatie gesteld is in de plaats van die, welke nog in 1816 bestond.

b. Kerkelijk verband. Aanneming van eene organisatie, die zoozeer van de bestaande verschilt, als de Kerkorde van 1816 verschilt van de destijds geldende Kerkenordeningen, behoort niet lichtelijk te worden gepraesumeerd.

De Hooge Raad overwoog, in het bekende arrest dd. 2 Januarij 1846, „dat geschiedkundig vaststaat in facto, dat, welke ook de oorsprong van evengemeld reglement van 1816 moge zijn, en aangenomen dat het min bevoegdelijk van den Koning afkomstig is, in allen gevalle het Hervormd Kerkgenootschap als zedelijk ligchaam bevoegd en bij machte was, om dat reglement, van wien ook afkomstig, aan te nemen, en zulks werkelijk heeft gedaan, en zich naar de daarbij gemaakte instellingen heeft gedragen, dezelve daadwerkelijk sedert de aanneming tot op heden heeft erkend als den grondslag van deszelfs bestaan, en daaraan zoowel algemeen als provinciaal en gemeentelijk uitvoering heeft gegeven; zoodat die instellingen niet stilzwijgend, maar uitdrukkelijk, rebus ipsis et factis zijn aangenomen en

|45|

onderhouden door het zedelijk lichaam zelf, als uitmakende de statuten van deszelfs bestaan.”

De juistheid van deze beschouwing en het Arrest zelf zijn zoo uitvoerig bestreden door Mr. Heineken 1), dat wij ons tot verwijzing naar die bestrijding kunnen bepalen. Ter wille van het verband stippen wij even de hoofdzaken, die voor de beslissing van belang zijn, benevens nog eenige, niet door hem vermelde, bijzonderheden aan.

De Commissie, die met de samenstelling van het Algemeen Reglement belast werd, was geene kerkelijke, doch werd buiten medewerking en buiten medeweten der Kerk, bij geheim besluit, aangesteld.

Over dat reglement is nooit eenig kerkelijk lichaam, hoe ook genaamd, van regeeringswege gehoord.

Art. 2 van het Besluit van 7 Jan. 1816 luidde: „dat het bovengenoemd (Algemeen) Reglement met den meesten spoed en in deszelfs geheel in den loop van 1816 in werking zou worden gebracht.” Zelfs geen tijd van beraad derhalve.

Die uitvoering werd dan ook geenszins aan de Kerk, maar eeniglijk aan den Commissaris-Generaal, belast met de zaken der Hervormde Kerk, opgedragen.

Nochtans bracht reeds den 7en Maart, dus 2 maanden na de afkondiging, de classis van Amsterdam zeer bescheidenlijk eenige bezwaren in; maar de Koning verklaarde eenvoudig, dat de adressanten als onderdanen van den Staat het voorbeeld van gehoorzaamheid aan de wetten hadden te geven, en verwees hen tot het inbrengen van nadere klachten „naar het aanstaand Synode;” dus naar het Lichaam welks geldigheid zij juist betwistten!

Bovendien „herinnerde Z. M. er aan, dat de vergadering der Classis, als college van kerkelijk bestuur, met den laat-sten der maand Maart, volgens de orders van Z. M., zal ophouden te bestaan, en als zoodanig niet weder bijeenkomen, maar dat de predikanten van het classicaal ressort zich zullen


1) Eerst in „de Staat en het Kerkbestuur”, bl. 147 en vlgg.; daarna in „de Rechtstoestand der Kerkelijke goederen”, Amsterdam 1873, bl. 94 en vlgg.

|46|

behooren te bepalen tot de werkzaamheden bij het A.R. aan de Classicale en Ringvergaderingen opgedragen.” Wilde de Classis dus nog vóór 31 Maart naar het Synode gaan, dan had zij zich te haasten. Want de koninklijke herinnering was gedateerd 28 Maart!

Nu benoemde, niet de Kerk, maar de Koning alle besturen. Met opzet, en gelijk ook wel niet anders te verwachten was, werden die alleen uit de „goedgezinden” samengesteld; want zij waren het, die met de invoering der nieuwe inrichting werden belast.

Maar het volk bemerkte daar weinig van, omdat de kerkeraden in functie bleven. Voorloopig bleef ten hunnen aanzien alles bij het oude. Men draalde opzettelijk met het maken van verordeningen omtrent de samenstelling der kerkeraden, wegens „de groote omzichtigheid welke behoort in acht genomen te worden omtrent eene zaak, die de bijzondere en huishoudelijke belangen der gemeente zoo onmiddellijk raakt. Veranderingen van dezen aard, ook wanneer zij minder belangrijk zijn, vestigen de aandacht van alle leden eener gemeente, omdat allen zich daarin betrokken achten; ligtelijk dus baren zij opzien, en geven aan velen, niet in staat om derzelver waarde te beoordeelen, ongenoegen, omdat hunne bijzondere wenschen, denkbeelden en vooroordeelen beleedigd werden. Behoedzaamheid te dezen is dus vooral noodig in den aanvang eener nieuwe kerkelijke organisatie, die reeds handen vol werk en veel gelegenheid tot berispen geeft.” 1)

Het was ongetwijfeld die behoedzaamheid, welke de Synode de publicatie harer handelingen ten behoeve van allen belette. In 1820 adviseerde haar Secretaris tot zeer beperkte mededeeling, op grond o.a. „dat zulk eene voorziening overeenkomstig is met het loffelijk gebruik, bij de vroegere kerkelijke inrichting plaats gehad hebbende, door hetwelk jaarlijks de handelingen der respective Synoden gebracht werden ter kennisse van de klassen” (waar alle predikanten konden komen), „welke de acta Synodi hunner provincie


1) Syn. Hand. 1816, bl. 38.

|47|

bewaarden en derzelver inhoud tot een repertorium lieten overbrengen.” Zich met die gronden vereenigende besloot de Synode, in overleg met de Regeering, „dat de notulen der Synodale vergadering, onder toezicht van het Ministerieel Departement van Kerkelijke Zaken, confidentieel zullen worden gedrukt; dat aan elk der drie theologische faculteiten de gelegenheid zal worden aangeboden, en ieder Provinciaal Kerkbestuur (de Commissie der Waalsche Kerken daaronder begrepen) zal verplicht zijn, een exemplaar der aldus uit te geven notulen te nemen tegen behoorlijke betaling, mitsgaders dat aan elken Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, zoowel als aan ieder lid van een Provinciaal Kerkbestuur, de vrijheid zal worden verleend, om zich, op de gezegde wijze, dergelijk exemplaar aan te schaffen.” Voorts werd daarbij nog bepaald, „dat de zaken, waarvan de kennis niet algemeen nuttig geoordeeld wordt, alleen in de secrete notulen zullen worden gerelateerd." Van publiciteit voor de geheele Kerk was dus hier niet de minste sprake.

De kerkelijke synoden hadden tot dusver steeds allen nadruk gelegd op de verplichting tot handhaving der leer, en de Hervormden moesten, door de bepaling van art. 9 (thans 11) betreffende die handhaving, noodzakelijk in de meening gebracht worden, dat op dit punt althans niets veranderd werd. Zij wisten niet en konden destijds ook niet weten, dat reeds van den aanvang af de bedoeling eene andere was, of zou worden.

De Koning trok zich verder ook het beheer der kerkelijke goederen aan; terwijl hem, krachtens de Grondwet, de uitbetaling der tractementen toekwam. Natuurlijk kon nu verzet of tegenstand geen plaats vinden, zonder onmiddellijk, zoowel het recht op tractement en andere uitkeeringen, als het gebruik van de kerkgebouwen te verliezen.

Bij de Synode in verzet komen was bovendien onmogelijk, omdat men daardoor haar bevoegdheid erkende. Voorts konden de oude classikale en provinciale samenkomsten niet meer plaats hebben, daar de Koning bij de invoering van het reglement bevolen had, dat de bestaande kerkelijke Collegien

|48|

en Bestuurders hunne werkzaamheden regelmatig zullen eindigen.

In deze omstandigheden was dus alleen nog feitelijk verzet mogelijk. Een verzet tegen de Regeering! Een verzet in 1816 tegen Koning Willem I! Voorzeker geen kleinigheid. Nochtans bleef ook dit niet geheel achterwege. Wij lezen toch in de Synodale handelingen van 1823 „dat er klachten waren in gekomen uit Zeeland, dat zekere dweepzieke factie in het land van Axel grooten invloed uitoefende, ter verijdeling van de Synodale besluiten en wenschen.” En dit, niettegenstaande, blijkens de Synodale Handelingen van 1819, „het Provinciaal Kerkbestuur van Zeeland in de noodzakelijkheid geweest was, om al de Kerkeraadsleden der Axelsche gemeente, één uitgezonderd, van derzelver posten te ontslaan en door anderen te doen vervangen, om dat dezelve, in weerwil van alle zachte en ernstige middelen, ter hunner teregtbrenging beproefd en op andere plaatsen met vrucht aangewend, openlijk verklaarden, en door hunne daden voor het oog der gemeente toonden, dat zij zich aan de Synodale verordeningen niet wilden onderwerpen.”

Ook op andere plaatsen ontstonden vereenigingen van „afgescheidenen”, d.w.z. van mannen die rebus ipsis et factis zich tegen den koninklijken dwang verzetten, zij het ook, bij het feitelijk ontbreken van besturen, individueel. Doch — de Regeering liet hen vervolgen. De Heer de Bosch Kemper, dit feit mededeelende op bl. 567 van „zijne staatkundige geschiedenis van Nederland”, zegt „dat zich in hen eene reactionaire leerstellige richting openbaarde.” Een ongezocht getuigenis, dat kerkvorm en kerkleer samenhangen!

In 1827 gaf Ds. Molenaar te ’s Hage het „adres aan alle mijne hervormde geloofsgenooten” uit, waarin eene Synode verlangd wordt, gelijk de vroegere kerkvergaderingen, afgevaardigd door de gemeenten. Het adres was aanvankelijk anoniem uitgegeven. Men schijnt achter den naam des schrijvers gekomen te zijn. In antwoord op het adres zegt de Koning ... „Gezien het rekest van evengemelden predikant van 23 Juli, daarbij te kennen gevende een innig smartgevoel

|49|

te hebben, dat deze zaak ter onzer kennis was gekomen en ons ongenoegen had verwekt, en verklarende het geheel tegen zijn doel en wensch te zijn, door zoodanig een adres eenige scheuring of onrust in de vaderlandsche Kerk te verwekken; voorts de stelligste verklaringen afleggende van zijne goede bedoelingen, en daarbij met leedwezen ziet, dat de aangewende middelen eene tegenovergestelde opvatting ondergingen en dus zeker niet doelmatig waren, de hoop betuigende, met deze verklaring, onverminderd in onze goedgunstigheid te deelen, verzekering gevende, dat door hem niets ondernomen zal worden, hetwelk den schijn hebben kon van de rust der Kerk te verstoren;
„Hebben goedgevonden en verstaan, disponerende op het rekest, ons door den predikant M. te ’s H. ingediend, aan denzelven bij deze kennis te geven; dat wij zijn naamloos geschrift: Adres enz., met ongenoegen en afkeuring hebben gelezen; doch niettemin, in aanmerking nemend de betuigingen omtrent zijne bedoeling, gezindheden en leedwezen, door denzelven bij zijn opgemeld rekest gedaan, voor het tegenwoordige, deze voor ons zeer onaangename zaak, daarbij zullen laten berusten, in het vertrouwen, dat de rekwestrant zich zorgvuldig zal onthouden van alles, wat de rust in de Hervormde Kerk zoude kunnen storen, en zich overeenkomstig de wetten en reglementen zal gedragen.”

Toch was de tegenstand nog niet onderdrukt. In 1837 ontstond de groote afscheiding. De geschiedenis daarvan is bekend. Het was de toenmaals zich noemende vrijzinnige richting in de Kerk die, ter wering van scheuring, deze vervolging aanraadde, en om zich te handhaven den wereldlijken arm inriep, niet slechts om de afgescheidenen in het kerkgenootschap machteloos te maken, maar om hen zelfs daarbuiten uiteen te drijven. Ook hier gold het weer de handhaving van de nieuwe Kerkorde. „De vrijheid van geweten eerbiedigde men onbepaald,” maar, „de bestaande kerkorde moest als wettig worden geëerbiedigd, en ieder die ze schond moest, naar de bestaande burgerlijke en kerkelijke wetten, de gevolgen zijner dwaasheid ondervinden.” Zoo

|50|

was, volgens den heer Pape, het gevoelen van den Secretaris Janssen.

Intusschen, den tegenstand der Afgescheidenen geheel te overwinnen ging niet. Doch men liet hen eerst met vrede, nadat zij afstand gedaan hadden van alle rechten op de goederen der bestaande gereformeerde Kerken.

Eene stilzwijgende of daadwerkelijke toestemming aan te nemen, wanneer hun, die geroepen zouden zijn te protesteeren, van ’s Koningswege bevolen wordt niet bij elkaar te komen en verboden wordt te protesteeren; wanneer hun zoo lang mogelijk de toedracht der zaak verborgen wordt gehouden; wanneer elk die zich, desondanks, verzet op de heftigste wijze door het Openbaar Ministerie vervolgd, en met boete en inlegering gestraft wordt; wanneer tegenstand onmogelijk is zonder verlies van al datgene waarop men recht heeft (locale kerkegoed en tractement); — dat is o.i. met alle rechtsbeginselen in strijd, en is ongetwijfeld door den Hoogen Raad bij het straks aangehaald Arrest aangenomen, zonder dat dit rechtscollegie de juiste toedracht der zaak kende, en in de meening, dat het feit zelf buiten redelijk contest was. Men vergete niet, dat het al of niet bestaan van het feit geen onderwerp van het feitelijk onderzoek bij den rechter heeft uitgemaakt, en dat de Hooge Raad het in transitu heeft aangenomen, zonder aanvoering van eenig bewijs.

Het komt ons zelfs niet onwaarschijnlijk voor, dat zoowel de Regeering als de Synode zelve destijds hun goed recht betwijfelden. Hoe anders de toch altijd hatelijke tusschenkomst der Regeering en de maatregelen tegen de Afgescheidenen te verklaren, die immers, wanneer men zijn doel door middel van een gewoon proces had kunnen bereiken, overbodig waren geweest? En waartoe anders dat dwingen van de Afgescheidenen, om afstand te doen van alle aanspraken op de kerkelijke goederen? Waartoe een eisch tot afstand, waar men zeker is van zijn goed recht? De Regeering zal toch tegen eventueele proceskosten wel niet hebben opgezien.

Doch, hoe dit zij, wij zijn niet meer in 1846, maar in 1886. Het zou kunnen zijn dat, al bestond in 1846 de

|51|

kerkelijke organisatie in rechtskundigen zin niet, er sinds dien tijd ’t een en ander is voorgevallen, dat tot een tegenovergestelde slotsom leidde. Ook te dezen aanzien verwijzen wij wederom naar den arbeid des heeren W. Heineken, die verscheiden hoofdpunten goed in het licht heeft gesteld. Laat ons nagaan wat er sedert de vervolging der Afgescheidenen geschied is.

In 1841 hadden de predikanten Moorrees en Bähler zich met anderen tot de Regeering gewend, met verzoek dat de Koning de Synode op een door Hem genomen besluit „dede terugkomen of zelf de noodige Verordeningen bevale, ten einde de Herv. Kerk op den ouden voet worde hersteld, en allen, die daarvan afwijken, uit dezelve gaan.” De Koning stelde het adres bij dispositie van 1 Julij 1842 n° 42 „aan de Algemeene Synode der Nederl. Herv. Kerk, als de wettig bestaande kerkelijke autoriteit ter hand, ten einde in dezen naar bevind van zaken te handelen.”

De motieven voor deze beschikking luiden: „dat de adressanten in dwaling verkeeren, wanneer zij, zooals uit het slot van hun adres schijnt te blijken, mochten vermeenen, dat de Hooge Regeering bevoegd zoude zijn, aan de Algemeene Synode bevelen te geven, om de hangende kerkelijke geschillen in dezen of genen geest te beslissen, of wel, die zelve door verordeningen af te doen” [waaruit de Regeering zoodanige meening van adressanten heeft afgeleid, is bezwaarlijk in te zien]; „dat wel is waar, de thans bestaande inrichting der Herv. Kerk (waarvan de verdere in werking zijnde reglementen een gevolg zijn) in de maand Januarij van het jaar 1816, naar aanleiding der toenmalige geheel bijzondere omstandigheden, tot stand is gekomen, door overleg van de Hooge Regeering van dien tijd, met de Kerk,[?] maar dat, door deze buitengewone tusschenkomst van den Staat, het Hervormd Kerkbestuur eenmaal gevestigd, en sedert eene reeks van jaren algemeen erkend zijnde, geene handeling van dien aard meer kan te pas komen; dat het, noch met de bepalingen der Nederlandsche Grondwet, noch met de bedoelingen der Regeering zou overeenkomen, dat dezelve

|52|

zich een jus in sacra zoude aanmatigen, noch zelfs eenig jus circa sacra uitoefenen, buiten de bestaande reglementaire verordeningen, en de algemeene bevoegdheid en verplichting der Regeering om te waken voor de goede orde en de veiligheid voor den Staat;
„en dat mitsdien alle veranderingen in de bestaande kerkorde, voortaan alleen van de Kerk kunnen uitgaan, en dus derzelver Hoogste Vergadering uitsluitend bevoegd is, om, indien zulks noodig mocht bevonden worden, volgens de bestaande reglementen, de vereischte maatregelen te nemen, of ook, wanneer het belang der Kerk verandering dier reglementen vordert, daartoe, na rijp beraad, en wettig kerkelijk overleg, te besluiten, buiten eenigen invloed der Hooge Regeering, die, wanneer Hare bekrachtiging daarop vervolgens gevorderd werd, alleen zou hebben toe te zien , dat daarbij niets toegelaten werd, strijdig met de Grondwet of met de rust en de veiligheid van den Staat.”

Let men op de door ons gecursiveerde woorden, dan ontwaart men terstond, dat dit besluit wel vrijheid verleent aan het van den Koning afkomstig kerkbestuur, maar geenszins aan de kerken haar vrijheid teruggeeft, of ook maar hare bevoegdheid om zich zelve te organiseeren onderstelt. Juist om die bevoegdheid, geenszins om eene koninklijke beslissing omtrent leergeschillen, gelijk het Besluit voorgeeft, was het te doen. Maar juist die bevoegdheid wilde men niet geven, gelijk ook blijken kan uit het feit, dat in 1843 vierhonderd vier en zeventig predikanten handhaving verzocht hebben van de Kerkorde, die in 1816 ingevoerd was.

De Regeering had eenvoudig verklaard, dat haar bestuur nu de bevoegdheid bezat, die zij tot dien tijd zelve had uitgeoefend, en zelfs nog lange jaren na 1842, zij het ook in veel verminderde mate 1), is blijven uitoefenen.

Ook de Synode vatte dit zoo op. Wel verre van zich verplicht of bevoegd te achten, thans eene toestemming der kerken tot de bestaande organisatie uit te lokken, of een


1) Heineken, de Staat en het Kerkbestuur, bl. 142.

|53|

nieuw reglement te ontwerpen, om daarop de goedkeuring der Kerken te vragen, bepaalde zij zich tot herziening van het bestaande. De Algemeene Synodale Commissie spreekt in haar rapport van 12 Juli 1847 aldus: „tot de wijze van herziening in het algemeen behoort eene andere consideratie, die van niet minder belang schijnt: de Synode herzie dit Algemeen Reglement door de noodige alteratiën in bepaalde artikelen vasttestellen; maar hoede zich zorgvuldig een nieuw Algemeen Reglement te ontwerpen. Door dit laatste zou zij de belangen onzer Hervormde kerk geheel en al verwaarloozen, en, onzes inziens, zou zij zich over dien misgreep te laat beklagen.
„Immers het Algemeen Reglement staat geenszins gelijk met de overige Synodale Reglementen. Deze kunnen geheel en al vernieuwd worden; het eerste niet, zonder hoogere belangen in de waagschaal te stellen. Onze Hervormde kerk dagteekent niet van 1816, evenmin als van 1618, maar van de Hervorming en hare vestiging. Doch onze tegenwoordige kerkvorm is in 1816 in het leven geroepen. Een nieuw Reglement zou dien vernietigen, en eenen nieuwen kerkvorm doen geboren worden. En wij behoeven niet te herinneren, welke gevolgen dit zoude kunnen hebben. Hoe schoon zulk een zuiveringsproces moge schijnen, ligtelijk zou men dan alles op losse schroeven zetten, en hiervan zou in onzen tijd van gisting, tegenstand en ontbinding, gretig worden gebruik gemaakt, om de wettigheid van onzen hedendaagschen Kerkvorm en van ons Kerkbestuur aan te tasten. Door dit voorbij te zien, zou de Synode haar eigen werk vernietigen. Onze tegenwoordige kerkvorm en ons kerkbestuur, op dit Algemeen Reglement gevestigd, is sedert ruim 30 jaren een feit. Daaruit ontleent het zijne vastheid. Als zoodanig is het kerkelijk aangenomen en Staatsregterlijk erkend en bekrachtigd, gelijk het Arrest van den Hoogen Raad, dd. 2 Januarij 1845 1), heeft uitgesproken. Die grond, waarop ook de hoogste Regterlijke Autoriteiten in Nederland, het wettig bestaan van


1) Lees 1846.

|54|

onze tegenwoordige inrigting der Hervormde kerk heeft bekrachtigd, zou ons ontvallen, indien wij een nieuw Reglement beoogden. Alras zouden sectegeest, scheurziekte en zoovele andere onreine beginselen zich hiervan bedienen, om alles omver te werpen. De Synodale Commissie althans zou meenen haren duren pligt voorbij te zien, indien zij niet adviseerde, om, waar het noodig is, de Hervormde kerk te waarschuwen tegen zulk eene gevaarlijke dwaling. Nimmer zou zij verantwoordelijk willen zijn voor de ernstige gevolgen, hieruit te duchten. — Daarom moet het Algemeen Reglement zijn historisch karakter bewaren. Het Algemeen Reglement van 1816 moet blijven bestaan en slechts herzien worden, in die artikelen, welke naar de behoeften van onzen tijd verandering eischen. De kenmerken van dien tijd, in het oorspronkelijke Reglement, mogen dientengevolge daaruit geenzins geligt worden. Men late dus het Algemeen Reglement van 1816, als de Grondwet voor het Bestuur onzer Hervormde Kerk, bestaan, en vermoeije zich geenszins, daaruit al die artikelen te ligten, welke alleen op de eerste invoering betrekking hadden. Dat zij er instaan, schaadt niet, zij hebben hunne werking gedaan, en staan als getuigen van de oorspronkelijke bepalingen, terwijl zij nog duurzaam het radicaal vestigen voor latere Synodale bepalingen omtrent die onderwerpen. Maar alles, wat met de behoeften van onzen tijd in strijd is, worde gewijzigd. Men zal daardoor ontwikkeling geven aan het kerkelijke leven, zonder uit theoretisch purisme het practisch bestaande omver te werpen.”

Den 20en Juli 1847 besluit de Synode diensvolgens: „dat zij zal dienen aan te vangen met de revisie van het Algemeen Reglement op het Bestuur der Hervormde Kerk; dat zij zich echter, zonder een nieuw Reglement te ontwerpen, zal bepalen tot het vaststellen der noodige alteratiën in alle zoodanige bijzondere artikelen, waarin zulks gevorderd wordt, ten einde daarna de alzoo gerevideerde artikelen ter bekrachtiging aan Zijne Majesteit den Koning aan te bieden, en aan het bestaande Reglement toe te voegen.”

De Regeering zelve had den 17en December 1850 in de

|55|

2e Kamer verklaard: „de Grondwet der Hervormde Kerk, de band, die deze met den Staat verbindt, ligt in het reglement van 1816. — Nu moet men in het Reglement datgene trachten te zuiveren en te veranderen, waardoor de zelfstandigheid der kerk belemmerd zou kunnen worden.” Alzoo bleef het reglement de band, aan de Kerken van Overheidswege aangelegd; slechts de band die het synodaal bestuur met de regeering verbond werd feitelijk losgelaten. De Minister sprak, gelijk de Commissie ad hoc, door de Synode benoemd, uitdrukkelijk constateerde, „in al hare mededeelingen alleen van zoodanige banden, waardoor de kerk, op den voet der bestaande reglementen, aan den Staat gehecht is.” En „op dezen grondslag bouwende,” stelde de Commissie o.a. voor, „dat de Synode verklare, dat zij, in overeenstemming met het ministerieel rescript, de vrijheid en de zelfstandigheid der Herv. Kerk wenscht te handhaven en te verzekeren langs den weg, dien zij daartoe reeds sedert eenige jaren is ingeslagen, dat is, door een bedachtzame en gepaste herziening van het Alg. Reglement.”

Er kwam dan ook den 9en Sept. 1851 een nieuw reglement tot stand, maar een, waarop wel de consideratiën van de besturen vernomen waren, maar niet hunne goedkeuring verkregen was. Deze is wel op latere wijzigingen gevraagd, doch zelfs toen alleen aan de leden der provinciale kerkbesturen, geenszins aan de Kerken. En al ware dit zelfs aan de Kerken individueel gevraagd, zou dit het vitium originis toch niet hebben weggenomen, omdat aan die Kerken niet de keuze gelaten werd tusschen de voorgestelde en een door haar zelve vastgestelde Ordening, doch alleen tusschen de voorgestelde en de aan haar opgedrongene bestaande kerkorde.

Het was dan ook volkomen consequent, dat op dit nieuwe Reglement ’s Konings goedkeuring gevraagd en verleend werd. De motieven van dat besluit teekenen op nieuw het stelsel. Het Besluit luidt:

„Wij Willem III, enz.
„Op de voordragt van onzen minister van justitie, voorloopig belast met het bestuur van het Departement voor de

|56|

zaken der hervormde eeredienst enz. van 12 Jan. 1852 n°. 23, omtrent een verzoek van de algemeene Synode der nederlandsche hervormde kerk, strekkende tot het erlangen van onze bekrachtiging op het in afschrift door haar daarbij overgelegd algemeen reglement voor de hervormde kerk in het koningrijk der Nederlanden, door de Synode gearresteerd den 9den Sept. 1851;
Den raad van State gehoord (advies van 15 Maart 1852, N. 5);
Gelet op het nader rapport van onzen voornoemden minister van 19 dezer, N. 11;
Gezien het zesde hoofdstuk der grondwet;
Gezien het bestaande algemeen reglement voor het bestuur der hervormde kerk in het koningrijk der Nederlanden, gearresteerd bij kon. besluit van 7 Jan. 1816, N. 1;
Inzonderheid gelet op art. 15 van dit reglement, luidende, volgens de veranderde, bij kon. besluit van 25 Julij 1843, N. 55, vastgestelde redactie, als volgt:
„Geene veranderingen kunnen in dit reglement gemaakt worden, dan door de algemeene Synode der nederlandsche hervormde kerk, welke echter, vóór en aleer te dier zake een besluit te nemen, daarop de consideratiën zal inwinnen der provinciale kerkbesturen, en zal zoodanig besluit, alvorens te worden uitgevoerd, aan Z M. den Koning ter bekrachtiging worden aangeboden;”
Gezien de bij ons besluit van 15 Mei 1850, N. 81 bekrachtigde wijzigingen in het bestaande algemeen reglement, hoofdzakelijk betreffende de benoemingen tot het kerkbestuur;
Overwegende:
Dat het ter bekrachtiging aangeboden algemeen reglement, overeenkomstig het beginsel door de Synode tot grondslag van het herzieningswerk gelegd, beschouwd moet worden als eene ontwikkeling van het bestaande algemeen reglement, in de rigting der aan de kerk toekomende zelfstandigheid;
Dat de van het bestaande reglement afwijkende bepalingen, die in dit nieuwe algemeen reglement zijn opgenomen, door de Synode zijn vastgesteld, na daarop de consideratiën der

|57|

provinciale kerkbesturen te hebben ingewonnen, en alzoo daaraan onze bekrachtiging kan worden geschonken;
Dat echter het staatsbelang vordert, om aan het verleenen van deze onze bekrachtiging zoodanige bepalingen te verbinden als geëigend zijn om daarvan den zin en de strekking voor de toekomst te bepalen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het algemeen reglement voor de nederlandsche hervormde kerk, door de algemeene Synode der nederlandsche hervormde kerk vastgesteld 9 Sept. l.l., zoodanig als het door de Synode overgelegd afschrift daarvan hiernevens is gevoegd, te bekrachtigen, en er in toe te stemmen, dat met de invoering van dat reglement, buiten werking worde gesteld het algemeen reglement op het bestuur der Nederlandsche hervormde kerk, gearresteerd bij kon. Besluit van 7 Jan. 1816 N. 1.”

Hierop volgen nu de bekende „reserves,” die langzamerhand, van punt tot punt, zijn ingetrokken, zoodat nu de Kerkbesturen feitelijk ontslagen zijn van alle Overheidsbemoeiing.

De Synode zelve heeft zich steeds tegen het geheel losmaken van de banden tusschen Kerk en Staat verzet, blijkbaar enkel uit vrees dat, met de koninklijke besluiten, ook de laatste schijn van de wettigheid van haar bestaan zou verdwijnen, daar zij wel wist, dat die besluiten nooit door de gemeene goedkeuring der kerken vervangen zouden worden. Want uit al haar handelingen blijkt genoegzaam, dat zij voor zich zelve liefst vrij was van allen regeeringsinvloed. De Regeering heeft zich dan ook steeds meer teruggetrokken. De Wet op de Kerkgenootschappen, van 10 Sept. 1853 (Stsbl. 102), heeft de verplichting daartoe nog duidelijker gemaakt, doch in den bestaanden toestand niets hoegenaamd veranderd. Art. 1 dier wet luidt: „aan alle Kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd, alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezen betreft, te regelen.” Alzoo, voortbestaan van het bestaande. Dezelfde bevoegdheid die de Kerk — reeds sints 1814 — had, om zich geheel vrijelijk te organiseeren,

|58|

bleef onaangetast. De regeering zal dan ook, na deze duidelijke wetsbepaling, wel niet meer beproeven de vrijheid der Kerken op eenigerlei wijze aan banden te leggen. Maar tot dusver maakten de Kerken van hare bevoegdheid om zich zelve te organiseeren geen gebruik, en bleef de aan den koninklijken wil ontleende organisatie in werking, zonder dat haar een andere en vastere grondslag verzekerd werd.

Of kan wellicht uit dat niet gebruik maken van de bevoegdheid eene stilzwijgende aanneming en goedkeuring der bestaande organisatie worden afgeleid? Vooral, nu sinds 1 Maart 1867 de Synode aan de leden der Kerk gelegenheid gaf zich uit te spreken. In dat jaar toch werd aan de Kerken vergund een bijkans algemeen stemrecht in te voeren, en verkreeg alzoo in elke gemeente de meerderheid der leden gelegenheid, haar inzichten te doen zegevieren door verwijdering van allen die daarmede niet instemden. Of dit ontwikkelingsproces nu reeds afgeloopen is doet niets ter zake; het is eenmaal begonnen en werkt steeds door. Maar dan moet men ook, zoo concludeert men, thans erkennen, dat de bestaande besturen de uitdrukking zijn van het algemeen gevoelen der Kerk.
Ook deze schijnbaar niet ongegronde bewering vereischt nadere toetsing aan het recht.

De bewering gaat al terstond uit van het wettig bestaan van de Synode. Indien een bestuur op een ongeldig reglement berust, doet het weinig ter zake, of de leden des genootschaps meer of minder invloed hebben op de benoeming der bestuursleden. Deze toch zijn in hunne qualiteit altijd aan dat reglement gebonden, en zijn de voortzetting van het wel onwettig, maar, zoolang de grondslag blijft, onsterfelijk bestuur.

Maar er zijn meer bezwaren.

Aangenomen voor een oogenblik dat niet de Kerken, maar de Nederlandsche Hervormden in het algemeen 1) bevoegd zijn, de bestaande organisatie uitdrukkelijk of stilzwijgend


1) Wij behandelen dit punt later afzonderlijk.

|59|

goed te keuren, dan ontstaat toch de vraag wie, volgens de ordeningen dier kerken, zooals die in 1816, dus even vóór het invoeren der thans betwiste kerkorde, bestonden, tot het deelnemen aan kerkelijke verkiezingen bevoegd waren. En nu lijdt het geen tegenspraak, dat destijds alleen zij bevoegd waren, die zich hielden aan Gods Woord en de Formulieren van Eenigheid. Wel is waar werd daarvoor ieder gehouden, die niet gecensureerd was, en zouden dus ook thans alle niet gecensureerden mogen meestemmen. Maar nu de censuur, althans die wegens afval van de belijdenis der Kerk, tengevolge van de invoering van het Reglement van 1816 en van de daaraan door de Koninklijke besluiten gegeven uitvoering, heeft opgehouden, kan men rechtens onmogelijk de niet-gecensureerden toelaten, zonder de verbindbaarheid van dat Reglement en van wat daaruit voortgevloeid is, dus juist datgene wat in contest is en waarover gestemd zou moeten worden, te erkennen. Wilde men het betwistte punt door alle leden der Kerk doen goedkeuren, dan zou men toch moeten aanvangen om, al ware het alleen voor die ééne stemming, al diegenen uit te sluiten, die verklaren of verklaard moeten worden de belijdenis der Kerk vaarwel te hebben gezegd.

Verder kan men uit het stilzwijgen, of liever uit het zich niet-verzetten — want stilzwijgen aan zijde der individueele leden is er bijkans niet één enkele week geweest — ook hierom niets afleiden ten bewijze der stilzwijgende goedkeuring, omdat zeer vele Hervormden nog in de vaste, o.i. ook juiste, overtuiging zijn, dat de bestaande organisatie berust op koninklijken wil. Daartegen nu, meenen velen, mag men niet in verzet komen, dan voor zoover men persoonlijk gedwongen wordt tegen Gods Woord in te handelen. Tal van Hervormden weten niet dat, feitelijk, de Koning thans alle vrijheid aan de Kerk laat. De ministerieele verklaringen, herhaaldelijk in de Staten-Generaal afgelegd, zijn niet bindend, en dringen niet tot het volk door. Zoodat nog steeds vele duizenden van meening zijn, dat „zich losmaken van het synodaal verband” beteekent: „uitgaan uit de Kerk”, op der Afgescheidenen wijze, en met achterlating van hebben en houden.

|60|

En eindelijk — om stilzwijgende goedkeuring te mogen aannemen, moet er vrijheid van afkeuring zijn. Deze nu ontbreekt geheel, en wel om twee redenen.

Vooreerst heeft de Synode sedert 1862 de bepaling ingevoerd, dat niemand als lidmaat mag worden toegelaten, alvorens beloofd te hebben „tot den bloei van de Nederlandsche Hervormde Kerk met opvolging van hare reglementen te zullen medewerken.” In hoever deze belofte bindend is, zal later onderzocht worden. In allen gevalle belemmert zij zeer sterk de vrijheid van handelen, maar die belemmering is eene daad juist van die besturen, welker wettigheid betwist wordt. Uit het zwijgen van de leden der Kerk kan derhalve niet aanneming van de organisatie worden afgeleid, maar alleen onderwerping, ten einde niet van alle recht verstoken te zijn. De door de Synode afgedwongen belofte komt, wat het beginsel aangaat, vrij wel overeen met die van art. 26 Titel II der Staatsregeling van 1798, welk artikel luidt:

„De benoemde Kiezer en Plaatsvervanger leggen, onverwijld en openlijk, in hunne Grond-Vergadering, af de navolgende belofte:

„Ik beloof, dat ik nimmer mijne stem zal geven, dan aan bekwaame en deugdzaame Mannen, die de vereischten, bij de Staatsregeling bepaald bezitten; en dat ik, als Kiezer, niemand zal benoemen, wien ik houde te zijn een aanhanger van het Stadhouderlijk of Foederatief Bestuur, of voorstander van Aristocratie of Regeeringloosheid.”
Dit verklaar Ik.”

Nu kon het de vraag zijn of, zoolang de Constitutie gold, de kiezer aan de belofte gebonden was; maar het kan geen vraag zijn, of de burgers van Nederland, door zich aan zulk eene bepaling te onderwerpen, gezegd kunnen worden vrijwillig het Stadhouderlijk bestuur, de aristocratie en de anarchie te hebben afgezworen. Want de burgers zijn niet, toen zij die kiezersbelofte aflegden, toegetreden tot eene corporatie, waarin zij vóór die aflegging geen recht hadden; integendeel waren zij vóór dien tijd leden van die corporatie,

|61|

en ontleenden het recht om als kiezers te worden toegelaten nog aan iets anders, dan aan een wetsbepaling. Zij moesten evenwel, om hunne staatsplichten te kunnen uitoefenen, eene belofte van submissie afleggen, ’t geen natuurlijk nooit instemming met of vrije toestemming tot de invoering der nieuwe constitutie beteekenen kon. Hetzelfde nu geldt van de Kerk. „De Kerk bestaat” zegt Mr. Thorbecke zeer juist „ook zonder als rechtslichaam geformeerd en erkend te zijn. Andere universitates bestaan niet dan in en door dien vorm. Bij de Kerk zijn het innerlijk wezen, en de handelingen waarin het zich openbaart, onafhankelijk van de genootschappelijke instelling, die bij andere universitates het gansche leven en al zijn verrichtingen omvat, doordringt en beheerscht” 1). Wanneer derhalve de leden der Kerk, d.i. zij die der Kerkbelijdenis toegedaan zijn, zich aan een hun opgelegde bepaling hebben onderworpen, om het recht dat zij bezaten te kunnen uitoefenen, kunnen zij daarom nog geenszins gezegd worden vrijwillig het bestuur, dat hun die bepaling opdrong, te hebben erkend.

De tweede reden, waarom vrijheid van afkeuring ontbreekt, is de synodale overmacht zelve. Wij hebben gezien hoe vóór 1842 de regeering door politiemacht, de Synode door afzetting van Kerkeraadsleden, elk verzet feitelijk onmogelijk maakten. De politiemacht onthoudt zich thans van alle inmenging. Maar hoe is het met de synodale besturen? Een paar recente voorbeelden zullen het antwoord op die vraag geven.

Het is bekend hoe in de Nederl. Herv. Kerk, thans gelijk vroeger, het beheer der kerkelijke goederen gescheiden is van het geestelijk bestuur. Niet ten onrechte gevoelden zoowel de Synode als vele afzonderlijke kerken, dat de sinds 1869 toegestane vrijheid van beheer de feitelijke losmaking van het in 1816 gelegd verband ten gevolge kon hebben. Eenerzijds bleken vele kerken prijs te stellen op dat vrij beheer, en richtten sommige haar beheersreglementen zóó in, dat zij bij losmaking van het verband geen last konden krijgen


1) Gids 1846, Boekbeoord. bl. 534.

|62|

van synodale besturen. Anderzijds werden jaren lang, reeds sedert 1848, pogingen in het werk gesteld, om der Synode de hoogste macht ook ten aanzien van dat beheer te verzekeren; welke pogingen evenwel tot dusver steeds zijn afgestuit op het bijkans eenparig advies der deskundigen.

Zoo stonden de zaken, toen in 1885 de Amsterdamsche Kerkeraad, waaraan reeds in 1810, niet het beheer, maar de regeling van het beheer der kerkelijke goederen van Amsterdam was opgedragen, eene reglementswijziging tot stand bracht, die naar het oordeel der synodale besturen de onmiddelijke voorbode was van de formeele losmaking van het verband.

Nu zou men allicht gedacht hebben, dat besturen, die niet aan hun eigen bestaansrecht twijfelen, en weten dat verreweg de meeste Nederlandsche rechters tot dusver de verbindbaarheid en onverbreekbaarheid van de synodale organisatie aannemen, de beslissing over den eigendom van kerkelijke goederen veilig aan den burgerlijken rechter hadden kunnen overlaten. Zij hebben dat evenwel niet gedaan, en daardoor rebus ipsis et factis bewezen, dat zij ook nu nog van meening zijn, het uittreden uit het verband feitelijk te moeten beletten, en de macht daartoe aan hun eigen reglementen te kunnen ontleenen. Immers hoe hebben zij gehandeld?

Die leden van den Kerkeraad, welke geen losmaking verlangden, en waarvan sommigen tevens leden waren van het classikaal bestuur, hebben aan dit bestuur de namen opgegeven van diegenen, die vóór bedoelde reglementswijziging hadden gestemd.

Hierop zijn die vóórstemmers terstond, maar zonder dat dit aan iemand bericht werd, in hun kerkelijke bedieningen voorloopig geschorst; voorts gesommeerd om onmiddellijk te erkennen, dat het pas genomen kerkeraadsbesluit nietig was, en, toen dit niet geschiedde, ook openlijk verklaard geschorst te zijn.

Intusschen bleef de aangevallen beheersbepaling bestaan. Wat deed nu het Classikaal Bestuur? Het zette zich in de plaats van den kerkeraad, om „te doen wat des kerkeraads

|63|

is”; eene daad die schijnt gegrond te worden, niet op eene wetsbepaling — gewone grond voor bevoegdheid — maar op „analogie.” In gemeenten, waar tengevolge van gebrek aan beschikbare personen geen kerkeraad kan worden samengesteld, en dus dit college permanent ontbreken moet, treedt het classikaal bestuur op, „om te doen wat des kerkeraads is.” Voorts is het in sommige gevallen bevoegd, ééne enkele bepaalde handeling te verrichten, welke het lager bestuur weigert te doen, op dezelfde wijze als art. 127 der gemeentewet aan den Commissaris des Konings opdraagt, wettelijke verplichtingen uit te voeren, waaraan B. en W. weigeren te voldoen. Uit die bepalingen nu leiden de synodale hoogere besturen, naar het schijnt, de bevoegdheid af, om te gaan zitten in de plaats van een lager bestuur ’t welk niet met hun geest instemt, en dan al de werkzaamheden van dit college te verrichten; zelfs al is niet, gelijk dit in Amsterdam ook niet het geval geweest is, een bepaald reglement overschreden. Natuurlijk komt men dan eindelijk één collegie, nl. het hoogste, te kort; doch dit hindert niet, omdat dit hoogste collegie, zittende in de plaats van het lagere, wel altijd hetzelfde verrichten zal dat het zou verricht hebben, zoo het op zijn eigen plaats ware blijven zitten. Bedenkt men nu dat, zoolang eene zaak niet voor den burgerlijken rechter ter beslissing kan worden gebracht, dat hoogste bestuur onherroepelijk en in laatste instantie over eigen bevoegdheid beslist, dan treedt de kolossale macht, die door deze plaatsverwisselings-bevoegdheid in de handen van de meerderheid der Synode gelegd wordt, duidelijk in het licht.

Het Classikaal bestuur, thans doende wat des Kerkeraads is, zet geheel dit collegie ter zijde, met formeering van een nieuw college, waarin het zelf 80 stemmen uitbrengt; vernietigt het besluit, dat „ergernis gegeven heeft”; verdaagt, zelfs met terzijdestelling van de reglementaire bepalingen, de verkiezingen, zoodat de noodige benoemingen voor den Kerkeraad niet kunnen geschieden; eischt van de geschorsten instemming met het besluit van vernietiging, op straffe van finale verwijdering; wil in het kiescollegie 80 stemmen

|64|

uitbrengen, ditmaal niet „doende wat des kerkeraads is”, maar wat is der tachtig geschorsten; in één woord, verricht alles wat het met eigen wil overeenkomende en voor de omstandigheden passende acht, en schorst of zet af, wie zich tegen dien wil verzet, als „weerstrever der kerkelijke verordeningen”, zelfs nog vóórdat een reglement is overschreden.

In appel te komen is onmogelijk zonder de bevoegdheid te erkennen van het hooger bestuur, en nog wel van een, dat „in de plaats zit van een ander” en dus zelfs niet op het reglement steunt. Komt men niet in appel, dan blijft men rechteloos. En bovendien, wat baat appel, waar het hooger bestuur, gelijk in Amsterdam geschied is, reeds met het lager bestuur geconfereerd heeft, en reeds besluiten genomen heeft die van instemming getuigen! Is daarvan onpartijdige behandeling te verwachten?

Misschien zegt men: er zijn toch gemeenten die zich aan het synodaal verband hebben onttrokken. Het is zoo. Maar hoe? Zoodra het plan vaststond, dat de Kerk van Kootwijk zich wilde losmaken, nam de consulent der Kerk, Ds. Ris Lambers, eerst de houding aan, alsof hij daartoe wilde meewerken; doch twee dagen te voren kwam plotseling het Classikaal Bestuur, door Ds. Ris Lambers gewaarschuwd, bijeen, en, nog even vóórdat de daad van losmaking formeel geschieden kon, werd ook te Kootwijk geheel de kerkeraad geschorst. Door dat voorbeeld geleerd, gaan thans de kerkeraden een anderen weg op, en, alsof zij in een vijandelijk land verkeeren, zijn zij genoodzaakt met de grootste geheimhouding te handelen, teneinde niet door de schorsingsbesluiten der „hoogere besturen” te worden verrast. Kan in zulk een toestand, die, gelijk wij zagen, altijd dezelfde geweest is, van vrijwillige toetreding tot de synodale organisatie sprake zijn?

Maar dat is nog niet al. Er is nog eene groote moeilijkheid. Naar kerkelijke usantiën schijnt de voorzitter van den kerkeraad, die altijd een predikant is, zich het recht toe te kennen persoonlijk te beslissen, wat al of niet met het algemeen reglement strijdt en dus in omvraag gebracht mag worden. Het schijnt zelfs dat, wanneer hij daarover anders

|65|

oordeelt dan de hoogere besturen, hij deswegens berispt kan worden.

Derhalve kan elk predikant, die in het synodaal verband verlangt te blijven, — en het is bekend, dat velen er voor uit komen te meenen, dat dit in hun persoonlijk en finantieel belang is, — zoolang hij presideert zelfs de behandeling van het voorstel tot losmaking beletten. Presideert niet hij, maar zijn collega, dan kan hij toch, door te verklappen wat zijn kerkeraad voornemens is te doen, aan het hooger bestuur gelegenheid geven, door schorsing het plan te verijdelen.

Wat, vragen wij, blijft er dus van de vrijheid om de synodale organisatie af te keuren over, en hoe kan men, waar die vrijheid ontbreekt en nooit bestaan heeft, van vrijwillige aanneming, rebus ipsis et factis, gewagen?

 

Doch wij gaan nog een stap verder, en willen eens aannemen, dat er nooit eenig verzet is geweest; nooit eenige poging om verzet tegen te gaan; nooit eenige misleiding of geheimzinnigheid om verzet te voorkomen; zoodat eene aanneming rebus et factis inderdaad mogelijk zou geweest zijn. Dan blijft nog de vraag te beantwoorden: door wie had die aanneming moeten geschieden ?

„Door het Hervormd Genootschap zelf”, zegt de Hooge Raad in het bekende arrest van 2 Januarij 1846.

Hoe is dat feitelijk mogelijk, vraagt men natuurlijk. Ware in 1816 het Hervormd Genootschap, evenals b.v. de Akademie van Wetenschappen door den Koning, of, evenals het Nut tot ’t Algemeen door zeker aantal personen, gesticht, dan ware het te begrijpen, dat de nieuwe stichting tegelijk met de koninklijke statuten, haar reglement, in het leven ware getreden. Maar er is niemand die beweert, dat het Hervormd Kerkgenootschap in 1816 als eene nieuwe kerkstichting in het leven getreden is. Het thans bestaand Hervormd Genootschap heeft steeds beweerd de voortzetting te zijn van de sinds eeuwen bestaan hebbende Kerken, en kon ook alleen in die onderstelling zich met de bestaande Kerken inlaten.

|66|

Het bestond als zoodanig, als Hervormd Kerkgenootschap, in 1816 niet; hoe kon het dan een „reglement aannemen, of zich aan daarbij gemaakte instellingen gedragen, als uitmakende de statuten van deszelfs bestaan”?

Of bedoelde de Hooge Raad, dat er ook vóór 1816 een Hervormd Kerkgenootschap bestond, want dat men de provinciale kerken als zoodanig behoort te beschouwen, en dat dit genootschap de organisatie heeft aangenomen? Na al het reeds gezegde behoeft het geen betoog meer, dat de Nederlandsen-Gereformeerde Kerken nimmer andere besturen gekend hebben dan de Kerkeraden, en dat de Kerken wel is waar door afgevaardigden bijeenkwamen, doch dat die bijeenkomsten de kenmerken van besturen ten eenenmale misten. Doch stappen wij gemakshalve ook over dit punt heen, en laat ons voor een oogenblik die aldus van tijd tot tijd tot samenkomen verplichte kerken als een genootschap beschouwen , dan kon toch dat genootschap zijn statuten slechts veranderen, overeenkomstig de daarbij vastgestelde bepalingen. Dit is, om de continuiteit te kunnen constateeren, essentieel. De door gemeen accoord tot stand gekomen kerkenordening kon niet anders dan met gemeen accoord gewijzigd worden; d.w.z. na onderling overleg van, en met toestemming door de kerken. Een bestuur dat zonder uitdrukkelijke machtiging voor alle Kerken kon optreden, bestond in 1816 niet en had nooit bestaan. En nu zijn noch de provinciale Synoden, noch de gezamenlijke kerken, noch de afzonderlijke kerken gehoord. Zelfs thans is nog nooit de toestemming der kerkeraden op de synodale voorstellen, veel min nog hunne toetreding tot het synodaal verband, gevraagd.

Nu zullen toch ook voor de Kerk wel deze, nimmer betwistte rechtsbeginselen gelden:
dat georganiseerde vereenigingen (zooals òf de Kerken òf de verzamelingen der provinciale Kerken waren) niet gereorganiseerd kunnen worden, dan overeenkomstig haar eigen wetten en reglementen;
dat het bestaan van een genootschap niet berusten kan op de aanneming van een reglement door dat genootschap;

|67|

dat het zich gedragen als een genootschap nimmer een wel bewezene onwettige geboorte tot eene wettige kan maken;
dat een op onwettige wijze geboren genootschap nooit aanspraak kan maken op beheer of eigendom van genootschappen, die eeuwen lang vóór die onwettige geboorte bestaan hebben.

Het is om die redenen, dat wij het door den Hoogen Raad zonder bewijs aangenomen feit met de wezenlijke feiten in flagranten strijd achten.

Of was wellicht de bedoeling, dat de Hervormden in den lande zich individueel allengskens bij de organisatie hebben neergelegd?

Had Koning Lodewijk Napoleon zijn plan ten aanzien onzer Kerken kunnen ten uitvoer brengen, — ’t geen slechts weinig gescheeld heeft, — dan had men wellicht op vrij goede gronden kunnen volhouden, dat hij aan het bestaan der oude Kerken een einde had gemaakt, om haar te doen plaats maken voor een nieuw, uit alle Hervormden gevormd Genootschap, omdat de Constitutie van 1806 dien Koning een zeer groote macht op dit gebied verleende. Maar Willem I had die macht niet, en heeft dit ook nooit beweerd. Nooit heeft hij de bestaande Kerken vernietigd.

In zijn „Algemeen Reglement” spreekt hij er herhaaldelijk van, en, terwijl de grenzen der Classes veranderd worden, wordt aan de bestaande Kerken zelfs niet geraakt. Evenmin aan de bestaande kerkeraden, waarvoor eerst op 16 November 1825 een reglement is vastgesteld. Die Kerkeraden waren van oudsher de grondslag van alles. „De Dienaren des Woords en de ouderlingen maken t’ samen een collegie of gezelschap, zijnde als een Raet der Kerke, ende vertoonende de geheele gemeijnte daarvan zij verkoren zijn”, luidt het oude Formulier van de Bevestiging der Ouderlingen en Diakenen. „Die Kerkeraden zijn zoo oud als onze Hervormde Kerk”, zegt de Heer Hooyer terecht 1). Zij zijn de schakel die het oude met het nieuwe verbinden.


1) Kerkelijke Wetten, bl. 108.

|68|

Zelfs onze tegenwoordige reglementen toonen ten duidelijkste, dat de kerken de eenheden zijn, waaruit het genootschap „de Nederlandsche Hervormde Kerk” bestaat. Zoo bepaalt b.v. art. 1 van het Algemeen Reglement, dat de Nederl. Herv. Kerk bestaat — niet uit de Hervormden, maar — „uit al de Hervormde Gemeenten in het Koninkrijk der Nederlanden, Waalsche, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche, zoowel als Nederduitsche”.

Sterker nog spreekt het feit, dat niemand lid der Kerk kan worden, maar alleen lid eener bepaalde kerk. Een kerkeraad moet de toestemming geven of de inschrijving doen, en kan ten aanzien van dit punt niet vervangen worden door een ander, meer algemeen bestuur. Van daar de noodzakelijkheid voor het Classikaal Bestuur van Amsterdam om, ten einde de bekende attesten te kunnen afgeven, eerst den kerkeraad gedeeltelijk te ontslaan, en dan in zijn plaats te gaan zitten.

Over het uittreden uit de Kerk spreken wij nog een woord in de volgende paragraaf.

Opmerking verdient verder, dat aan geen lid, noch aan eenige vereeniging van leden, behalve alleen aan de plaatselijke kerk eenig genootschappelijk recht (b.v. afvaardiging) is toegekend.

Ten slotte moeten wij nog op een gewichtig, o.i. afdoend feit wijzen, ten bewijze dat „de Kerk” uit zelfstandige kerken altijd was en nog is samengesteld; nl. op de uitdrukkelijke bepaling van art. 90 van het in 1816 vastgesteld Algemeen Reglement luidende: „in de administratie der Kerk, Pastorij, Custorij en andere gemeente-fondsen, en de betrekkingen tusschen derzelve Bestuurders en de Kerkenraden, wordt door de bepalingen van dit reglement geene verandering gemaakt.”

Het is bekend hoe de Koning, na deze uitdrukkelijke reserve in art. 90, het toezicht op het beheer zelf heeft uitgeoefend, ten dezen opzichte met recht zich kunnende beroepen op het voorbeeld van de Overheid gedurende de Republiek; hoe Hij, na de bestuursbevoegdheid, die hij in 1816

|69|

zich zelven toegekend had, in 1842 aan het Kerkgenootschap te hebben toegestaan, toch steeds uitdrukkelijk dat toezicht op de kerkelijke goederen van die opdracht heeft uitgezonderd, o.a. bij de 2e reserve van het Besluit van 23 Maart 1852; en hoe Hij eindelijk al Zijne besluiten omtrent het beheer heeft ingetrokken, met dit gevolg, dat niet de Synode, maar alleen de gemeenten zelve met het beheer belast zijn geworden. Dit is alles in volkomen overeenstemming met het door ons verdedigd beginsel, dat, bij het wegvallen en van de Roomsche hiërarchie èn van de Overheidsbemoeiing, niets in de plaats daarvan treedt, en de individueele kerken door dat wegvallen geheel vrij en zelfstandig worden.

De Synode heeft harerzijds wel ingezien, dat deze zelfstandigheid der kerken in flagranten strijd is met het systeem eener ééne, ondeelbare Nederlandsche Hervormde Kerk, weshalve zij dan ook voortdurend krachtige pogingen heeft aangewend, om zich dat beheer aan te trekken. Maar wat in haar systeem paste was zóó zeer in strijd met de niet te miskennen werkelijkheid, dat schier alle rechtsgeleerden, hoe overigens ook op de hand der Synode, die pogingen ten krachtigste hebben bestreden. In het Rapport, door de rechtsgeleerden Telting en Nienhuis, den 5en Juli 1851 in de Synode uitgebracht, lezen wij: „het zal toch moeten worden erkend en als buiten allen twijfel beschouwd, dat het Ned. Herv. Kerkgenootschap, als één lichaam gedacht, geene eigendomsrechten kan doen gelden op de goederen van afzonderlijke gemeenten, ook dan niet, wanneer zulke gemeenten geheel mochten zijn te niet gegaan.”

In 1848 ontwierp de algemeene Synode een algemeen reglement, beschikkingen inhoudende aangaande het beheer. Zóó groot was de oppositie daartegen, dat de Synode het niet durfde arresteeren. Men leze daarover o.a. de brochure, uitgegeven door Mr. W.W. Buma, Raadsheer in het Hof van Friesland 1), voorzeker een bevoegd beoordeelaar, die o.a. zegt dat, zoo de Staat zich van het beheer terugtrekt (wat hij


1) De onbevoegdheid van de Alg. Synode enz. Leeuwarden 1851.

|70|

geenszins wenscht), „de Synode niet meer recht verkrijgen kan dan hare voorzaten en zij ooit gehad hebben, namelijk geen”; „dat het hier niet geldt goederen aan de Ned. Herv. Kerk in ’t algemeen eigen, maar goederen, waarvan de eigendom in de gemeenten, in iedere zijn eigen, is gevestigd, en die door geen den minsten regtsband aan eenig Kerkelijk gezag immer zijn onderworpen geweest, of zulks nog zijn; goederen, die ten aanzien der Synode in den volsten zin des woords eens anders goed zijn, waaraan dat Kerkelijk ligchaam noch eigendom, noch bezit, noch eenigerlei regt heeft.”

De Synode heeft dan ook in 1850 zelve hare onbevoegdheid om, zonder vrije toetreding der gemeenten, een reglement op het beheer der kerkelijke goederen in werking te brengen, erkend.

Ook Mr. Boeles en Mr. van der Laan, de zoo bekende deskundige leden van het Algemeen Collegie van Toezicht, achten de zaak niet twijfelachtig.

Toen dan ook in 1869 de gemeenten vrij beheer kregen, hebben zij geenszins rechtspersoonlijkheid aangevraagd, gelijk toch had behooren te geschieden, zoo zij in 1816 als zelfstandige kerken hadden opgehouden te bestaan.

Tweeërlei volgt uit dit alles.

Vooreerst, dat, zoo in en na 1816 de toen bestaande „Kerk” rebus ipsis et factis de nieuwe kerkorde aangenomen heeft, die aanneming geschied is en ook alleen kan geschied zijn door de Kerken; wat echter in volkomen strijd is met de feiten.

Ten anderen, dat, door tegelijkertijd aan te nemen (ten aanzien van het bestuur) één ondeelbare Nederl. Herv. Kerk, en (ten aanzien van het beheer der kerkegoederen) een aantal zelfstandige kerken, men in een labyrinth geraakt, zoowel in theorie, als in praktijk.

In theorie. Hooren wij b.v. wat Mr. van der Laan, president van het Alg. Collegie van Toezicht, zegt 1): „Wordt


1) De Scheiding van Kerk en Staat in haren overgang. Leeuwarden, 1869, bl. 107, 108.

|71|

dus de zaak beschouwd, zooals ze werkelijk is, dan heeft de Hervormde kerk, ofschoon men, in algemeenen zin van haar sprekende, het denkbeeld van éénheid daaraan vastknoopt, twee integrerende onderdeelen, die niet behooren geamalgameerd te worden en die, zoo ze te zamen genomen de Kerk als zedelijk lichaam in den bedoelden algemeenen zin vertegenwoordigen, echter, zoodra het de onderscheiding van bestuur en beheer betreft, zijn aan te merken als twee op zich zelf staande, doch op geheel verschillende wijze tot één hoofddoel werkzame, zedelijke lichamen, die als zoodanig ieder een eigen bestaan en eene eigene organisatie of constitutie vorderen. Of, wil men de zaak anders uitdrukken, men zegge dan, dat de Hervormde Kerk bestaat uit twee bijzondere lichamen, ’t eene voor de geestelijke, ’t andere voor de stoffelijke belangen, en die alleen dan als éénheid onder de algemeene benaming van ’t zedelijk lichaam der Kerk zijn te begrijpen, zoodra niet het een of ander dier op zichzelve staande onderdeelen, maar de geheele Kerk, als zamengevat denkbeeld, wordt bedoeld.”

Hoe deze rechtsgeleerde zich de zaak voorstelt, begrijpen wij niet. Ons althans is het onmogelijk, aan het „zedelijk lichaam der Kerk” twee afzonderlijke lichamen toe te kennen, werkende elk op zich zelf, dus met een eigen hoofd!

In de praktijk. Stel dat een Gereformeerde Synode in zekere kerk alle moderne predikanten, ouderlingen, enz. afzet, en dat de gemeenteleden, krachtens de hun toekomende bevoegdheid, een beheersreglement hebben gemaakt, waarbij zij het beheer der kerkelijke goederen opdragen aan kerkvoogden die geen leden zijn van de Nederl. Herv. Kerk, zoodat de kerkelijke censuur op dezen zelfs geen vat hebben kan. Wat moet nu geschieden? De Gereformeerde Synode kan harerzijds in den herderlijken dienst doen voorzien door een gereformeerden predikant; maar de kerkvoogden kunnen hunnerzijds de kerk beschikbaar stellen voor den door de meerderheid der gemeente verlangden, modernen predikant. Beiden zijn formeel in hun recht. De twee lichamen, elk met hun eigen hoofd, komen in botsing! Wat zal den doorslag geven?

|72|

„De geheele Kerk als samengevat denkbeeld” zou wellicht Mr. van der Laan geantwoord hebben. Maar wat kan de rechter, de partij, de deurwaarder, met dat „denkbeeld” beginnen?

Zoolang de Gereformeerde Kerk publieke kerk was, en de Overheid toezicht op, of beheer over de kerkelijke goederen had, kon er voor den rechter geen moeilijkheid ontstaan, omdat de Overheid zelve te beslissen had, wie voor publieke kerk te houden was. Evenmin kon dit plaats hebben, zoolang de Koning, terecht of te onrecht, bestuur en beheer in ééne hand vereenigde, omdat er dan althans een lichaam was, met één Hoofd, dat werkte door twee organen — Synode en College van Toezicht. Doch nu dat Hoofd, de Koning, is weggevallen, moet het door een ander, doch kan het niet door twee anderen, beide even zelfstandig, vervangen worden. Dat ééne Hoofd moet zijn òf de Synode óf de Kerkeraad.

Zal men het eeuwenoude recht der locale Kerken op hare goederen ten offer brengen aan het, op zoo losse gronden gebouwde Synodaal Bestuur — of zal men liever erkennen dat in onze Kerken thans, in kerk- en civielrechtelijken zin, maar één bestuur mogelijk is, nl. dat des Kerkeraads?

 

Wij kunnen deze paragraaf niet eindigen, zonder een gedeelte mede te deelen van het advies van Mr. Thorbecke, kort na het arrest van 2 Januari 1846 gegeven, naar aanleiding van de „rechtsbeschouwingen van rechters, openbaar ministerie en pleiters”, welk advies op verschillende punten de hier verdedigde beginselen ten krachtigste bevestigt.

„Het meest heeft de stelling mij getroffen van den pleiter voor het kerkbestuur, van den procureur-generaal en van den Hoogen Rand, „dat het regtens onverschillig is, of het genootschap zich grondregelen voorschrijve, deze ter inzage en goedkeuring den Souverein aanbiede, en hij ze bij besluit sanctionere, — dan of de Souverein zelf het initiatief neme, aan eene menigte ééner gezindheid, die in verstrooiing leeft, regelen geve, welke zij dan slechts hebbe op te volgen, om

|73|

als kerkelijk genootschap wettig in den staat aanwezig te zijn, en zij, wie dat vooruit reeds gesanctioneerde reglement wordt aangeboden, het aannemen.”
„Wie toch ziet niet, dat in het laatste geval zij, die in een genootschap willen leven, worden „gedwongen”? Zij zouden, ware het voorstel van hen gekomen, een gansch ander ontwerp hebben geformeerd, met de publieke orde of veiligheid even min, als hetgeen hun wordt aangeboden, strijdig. Doch wat zullen zij nu, na voorlegging van overheidswege, doen? Niet-aannemen? Dan worden zij, die niet aannemen, als genootschap niet erkend. Bedenkingen inleveren? Wie zal bedenkingen inleveren? Er bestaat immers geen vertegenwoordigend ligchaam, ’t welk voor allen te zamen met de overheid zou kunnen handelen, gelijk dat, ’t welk in het ander geval, zoo het voorstel der statuten van de zijde der Kerk ware gekomen, zou hebben bestaan. Nu vinden zich tegenover het Gouvernement, dat het reglement aanbiedt, niet dan bijzondere plaatselijke gemeenten, wier publieke erkenning van de aanneming afhangt, en wier aanneming of liever zwijgende onderwerping, „eene voor eene”, niemand met „gezamenlijke” aanneming, waarop het hier juist aankomt, regtens zal durven gelijkstellen.
„Indien eenig Gouvernement met hen, die een of ander vennootschap, stel voor de walvischvangst, wilden oprichten, zóó handelde, als onze overheid in 1815 met de hervormden deed, men zou uit de aanneming of werkelijke oprichting van het vennootschap kunnen besluiten, dat de vennooten de aangebodene statuten hadden goedgekeurd. Is het met eene kerkelijke geloofsvereeniging eveneens gelegen? Verre van daar. De alom verspreide geloofsgenooten hebben de keus niet, zich al of niet te organiseren. Eene onweerstaanbare behoefte dringt hen tot gezamenlijke, tot kerkelijke godsvereering, tot instelling van een genootschap. Zij moeten zich den vorm laten welgevallen, waarin hen eene overheid brengt, die hun geen vrije beweging, geen initiatief liet. Zij hebben geen orgaan, geen middel van verzet. Zoodat de aanneming „rebus et factis,” waarop men zoo vaak terugkomt,

|74|

slechts dan in regten iets zou beteekenen, indien de hervormden vrij waren geweest niet aan te nemen.
„De verweerder in cassatie doet het voorkomen, alsof het hervormde kerkgenootschap nog in 1816 erkenning van staatswege behoefde, en alsof deze in het reglement van 7 Januarij van dat jaar lag. Volgens hem, hij zegt het met zooveel woorden, had het genootschap aan dat Reglement zijn bestaan te danken. Is deze voordragt wel juist? Verwart hij niet het bestaan zelf van het genootschap met den veranderden vorm van bestaan, die in 1816 van Koningswege werd opgedrongen 1)?”


1) Gids, 1846, Boekbeoord. bl. 543.

Lohman/Rutgers (1886) P5

 

§ 5. Verbreekbaarheid van kerkelijk verband.

 

Is onze historische voorstelling van de wording en ontwikkeling onzer christelijke, bepaaldelijk onzer Gereformeerde Kerken juist, dan volgt daaruit, dat, door het vervallen der hiërarchie en der Overheidsbemoeiing, alle locale Gereformeerde Kerken eo ipso van elken onderlingen rechtsband ontslagen zijn, en zich dus even vrij bewegen kunnen, als b.v. de luthersche of remonstrantsche kerken hier te lande; met dit verschil alleenlijk, dat, naar gereformeerd-kerkrechtelijke beginselen, die kerken, onder bepaalde voorwaarden, en met behoud van eigen zelfstandigheid, zich tot één geheel behooren te vereenigen.

Eene beslissing, dat de reglementaire band eenvoudig niet bestaat, en, rechtens, sints 1816 niet bestaan heeft, behoeft intusschen niemand te verontrusten. De Kerken kunnen zich nog steeds zelve organiseeren; zij kunnen dat ook, zonder dat dit den Staat in gevaar brengt, nalaten. De verandering in den toestand die, bij het ontbreken van den thans feitelijk bestaanden band, dreigt te ontstaan, is op verre na niet zóó ingrijpend, als die welke tijdens de reformatie een gevolg was van de terzijdestelling der hiërarchie. Toch heeft de toenmalige regeering dien stap gedaan, en is, wat niet minder

|75|

gewichtig is, in onze dagen de regeering er toe overgegaan, zelfs haar toezicht op de locale goederen te laten varen, en het beheer daarvan aan de locale Kerken over te laten. Het doorsnijden of verdwijnen van den geestelijken band is, uit het oogpunt van privaat of publiek recht, veel minder bedenkelijk, dan het evenbedoeld verdwijnen van toezicht.

Misschien evenwel wil men dien band toch blijven erkennen, gedachtig aan het woord van Mr. Kappeyne van de Coppello, „dat Willem I een feit gesticht heeft, waarvoor het recht heeft moeten zwichten, zoodat men moet aannemen, zij het dan ook met behulp van erbarmelijke sofismen, dat het Algemeen Hervormd Kerkgenootschap wettig bestaat.” 1)

Verkeerden wij op publiekrechtelijk terrein, dan zouden wij niet durven ontkennen, dat de rechter soms rechtsgevolgen moet toekennen aan feiten, die op onwettige wijze ontstaan zijn. Maar op burgerrechtelijk gebied mag dat niet, dan voor zoover de wetgever zelf dit wil of toelaat. Het zal moeilijk vallen in de wetgeving steun te vinden voor de bewering, dat een bestuur over corporaties, die thans den aard van privaatrechtelijke lichamen bezitten; een bestuur dat in deze eeuw door middel van machtsoverschrijding ontstaan is; tractu temporis een bestuur geworden is, ’t welk die corporaties voortaan als een boven zich staande overheid te erkennen hebben, waaraan zij ten eeuwigen dage gehoorzamen moeten. En wij kunnen ons evenmin voorstellen, dat de Hooge Raad, alleen ter wille van een vastgewortelde meening, zich van „erbarmelijke sofismen” zal willen bedienen.

Doch laat ons voor een oogenblik aannemen, dat de rechter, zij het dan ook in strijd met het thans vigeerend publiek recht, aan de Nederlandsche Hervormde Kerk nog altijd eenigermate het karakter eener publieke Kerk toekent, of dat hij de Gereformeerde kerken, die nu juist 70 jaren lang door alle politieke, administratieve en rechterlijke autoriteiten zijn beschouwd als één zedelijk lichaam uitmakende, ook voortaan als zoodanig blijft beschouwen.


1) Bijblad van de Handel. der Tweede Kamer 1875/6, bl. 553.

|76|

Dan rijst toch nog de vraag: of de leden van dat genootschap zich aan het genootschap niet mogen onttrekken?

Natuurlijk; zal men antwoorden. In Nederland mag zich thans ieder aan een genootschap, waarvan hij lid is, onttrekken.

Ook ons komt dit weinig twijfelachtig voor; ofschoon de „Kerk”, zelfs de „Nederlandsche Hervormde Kerk”, dit wel eens betwist heeft 1). Rechtens kon in onze eeuw nooit, feitelijk kan thans niet meer daartegen bezwaar worden gemaakt.

Doch wie mogen uittreden?

Natuurlijk, alweer, zij die leden zijn.

Is nu onze voorstelling over aard en wezen der organisatie onzer kerken juist, dan volgt daaruit: dat de individus, leden van de locale Kerk zijnde, ook alleen een locale Kerk kunnen verlaten; terwijl, vermits de Nederlandsche Hervormde Kerk eene vereeniging is van kerken, het ook alleen kerken zijn, welke die vereeniging kunnen vaarwel zeggen.

Wat het eerste der beide genoemde gevolgen aangaat, daarvan leveren de synodale reglementen zelve ons ten overvloede nog eenige bewijzen. Zij toch gaan telkens van de onderstelling uit, dat iemand lid is van een locale Kerk, niet van het geheel.

In de in de noot aangehaalde Synodale Resolutie lezen wij, dat een lid, zich wenschende af te scheiden, dit aan den Kerkeraad zal meedeelen, die in dezen als de eenige bevoegde macht om eene beslissing te nemen beschouwd wordt. Deze resolutie is daarom te belangrijker, omdat zij nog gemaakt is, toen het oude Algemeen Reglement nog gold, welks beide eerste artikelen nog twijfel zouden kunnen doen ontstaan omtrent de vraag, of de Hervormden, dan wel of de Hervormde Kerken leden zijn van „het Hervormd Genootschap.” Het behoeft overigens nauwlijks herinnering dat, al ware dit laatste ook zeer uitdrukkelijk bepaald, of al had nimmer


1) Behalve naar de bekende feiten, tijdens de Afscheiding vooral op aandrang van het genoemde genootschap bedreven, verwijzen wij naar de, uit dit oogpunt, merkwaardige Synodale resolutie van 14 Juli 1836, als bijlage III hierachter meegedeeld.

|77|

eenige synodale resolutie het Algemeen Reglement nader verklaard, de zaak er toch dezelfde om gebleven zou zijn, vermits een niet op de wet gegrond koninklijk reglement geen wijziging in het recht zelf heeft kunnen brengen. Maar het kan toch zijn nut hebben telkens aan te toonen, hoe, ook onder de heerschappij van een Koninklijk Kerkbestuur, telkens de natuur weer sterker blijkt te zijn dan de leer. Intusschen heeft het thans vigeerend Algemeen Reglement op dit punt zelfs elken redelijken twijfel weggenomen 1).

Misschien zou art. 4 Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht ten dezen aanzien weer eenigen twijfel doen rijzen, omdat daarin bepaald is, dat iemand „van het lidmaatschap der Nederlandsche Hervormde Kerk” kan worden ontzet. Doch dan bedenke men, dat ten allen tijde, (ook vóór 1816, toen het wel niet twijfelachtig kon zijn, of iemand lid was van eene locale kerk, dan wel van de gezamentlijke kerken) de tucht eene zaak is geweest, die, uit haren aard, alle kerken gezamentlijk raakte, weshalve die nooit werd uitgeoefend, dan behoudens recht van beroep op de verzamelde kerken. De ontzetting van het lidmaatschap der Ned. Herv. Kerk kan niets anders beteekenen, dan ontzetting uit eene bepaalde kerk, en onbevoegdheid om zich in eenige andere, met eerstgemelde kerkrechterlijk verbondene kerk te doen inschrijven. Daarom wordt dan ook zeer juist in art. 38 van datzelfde reglement bepaald, „dat de ontzetting van het lidmaatschap opgeheven wordt, na raadpleging met het Collegie, dat haar uitsprak, door den Kerkeraad der gemeente, onder welke de van het lidmaatschap ontzette woonachtig is, na plechtige vernieuwing van de verklaringen en beloften, bij de belijdenis des geloofs afgelegd, in eene daartoe belegde vergadering van dien Kerkeraad.” De Kerkeraad beslist dus over het voornaamste: het lidmaatschap; de hoogere besturen over hetgeen daarvan afhangt: de bevoegdheid om bedieningen uit te oefenen; eene bevoegdheid intusschen, die alle kerken raakt.


1) Zie het op bladz. 68 aangehaald art. 1 van dat Reglement.

|78|

Wat het uittreden van Kerken uit de vereeniging aangaat, daarover bevatten de synodale reglementen natuurlijk niets, en kunnen zij ook niets bevatten, vermits reeds enkel het voornemen om dat te doen als reden voor toepassing der strengste kerkelijke censuur beschouwd wordt. Doch vermits de in 1816 bestaande Kerken noch bij Koninklijk Besluit, noch door aanneming eener Kerkorde als lichamen ontbonden zijn of zelfs konden worden, en dus als corporaties zijn blijven bestaan, zoo kunnen zij, evenals elk individu, de vereeniging waartoe zij behooren verlaten, met verlies, dit spreekt van zelf, van haar recht op alle genootschappelijke goederen (synodale fondsen) 1), doch, even als elk individu die een genootschap verlaat, met behoud van al wat haar als corporatie toekomt.

Dit alles is uitermate eenvoudig. Toch zijn hierbij nog enkele bezwaren te bespreken, die soms worden geopperd.

Indien de Kerk uittreden mag, dan moet dit natuurlijk geschieden door den kerkeraad, die immers het geheel vertegenwoordigt. Ook al stemt een deel der gemeente met die uittreding niet in, blijft toch de bevoegdheid des kerkeraads onverkort. Evenals in elke corporatie of personenvereeniging, bestaat er ook in de locale Kerk slechts één wil; de genootschappelijke, zooals de Duitschers dien noemen.

Doch nu doet zich de vraag voor of de kerkeraad, die wel is waar de vertegenwoordigster is der gemeente, maar toch niet naar willekeur mag handelen, zijn mandaat niet te buiten gaat?

Dat in kerkrechtelijken zin hier van geen mandaat sprake kan zijn, althans zeker niet naar de beginselen, waarop de Gereformeerde Kerken berusten, kan hier buiten beschouwing blijven. Wij kunnen, waar het een civielrechtelijke quaestie betreft, aannemen, dat het bestuur beschouwd moet worden, even als dat van elk ander genootschap. En dan geven wij toe dat zulk een bestuur niet alles doen kan; b.v. niet de


1) Behoudens de door particulieren titulo particulari verkregen rechten op uitkeeringen.

|79|

vereeniging of het lichaam zelf, ’t welk het heeft aangesteld, vernietigen, althans niet zonder medewerking van de leden. Maar een Kerkeraad, uitgaande uit het verband met andere kerkeraden, vernietigt niet het bestaan van de locale Kerk, maar verbreekt enkel een met andere corporaties aangegaan contract of accoord, en dat wel juist om het in zijn oogen ware verband te beter te kunnen handhaven.

Het is waar dat de Kerkeraad gekozen is volgens de reglementen, door de synodale besturen vastgesteld. Maar daaruit volgt niet dat hij op die synodale organisatie berust. Dit is wel het geval met de Classicale en Provincale Besturen, welke vóór 1816 niet bestonden, en door de Koninklijke Verordening van 1816 in het leven zijn getreden. Maar de Kerkeraden waren er van oudsher, en berusten dus niet op de reglementen. Ook uit de voorstelling, die de verdedigers van de ééne, ondeelbare Nederl. Hervormde Kerk zich van den toestand vormen, moet hetzelfde volgen. Immers, indien de bestaande organisatie, gelijk beweerd wordt, op eene aanneming rebus ipsis et factis berust, dan zal dit toch wel zijn op eene aanneming door de kerkeraden. Wanneer deze nu de bevoegde lichamen waren om aan te nemen, zonder uitdrukkelijk mandaat der gemeenteleden, en zonder rekening te houden met eventueele minderheden, dan zijn zij, op wier wil en instemming de reglementen berusten, ook bevoegd hun wil op dezelfde wijze weer in te trekken, en kan het alleen de vraag zijn of personen en lichamen, welke buiten die Kerk staan, hun, b.v. op grond van contract, dit beletten mogen.

Of zijn het wellicht bijzondere redenen, nl. afgelegde beloften, die hen daarvan terughouden moeten? Sinds 1 October 1862 wordt aan de lidmaten bij hunne bevestiging gevraagd, „of zij beloven tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar hun vermogen volijverig mede te werken?” Wel zijn er feitelijk ook na dat jaar duizende lidmaten aangenomen, aan wie die belofte niet is afgevraagd; terwijl sints 1879 aan die belofte

|80|

zijn toegevoegd de woorden „wat de geest en hoofdzaak betreft,” zoodat dus de gedane belofte, gelijk bekend is, door ieder aannemeling naar eigen opvatting kan worden uitgelegd. Doch wij laten deze bijzondere omstandigheden ter zijde, om de vraag te beantwoorden voor ben, die de belofte inderdaad hebben afgelegd, en zich niet achter „geest en hoofdzaak” verschuilen willen.

Reeds terstond valt het in het oog, dat die belofte betreft, niet de kerkeraadsleden, maar de lidmaten, en dezen natuurlijk slechts kan binden, zoolang zij in bet bestaande kerkverband willen blijven, terwijl zij hen niet kan verhinderen dat te verlaten. Of zal ooit iemand zich op deze belofte beroepen, tegenover een lid dat tot bet Roomsch-Katholieke kerkgenootschap wil overgaan? Natuurlijk niet; want de belofte onderstelt de voortduring van bet bestaande lidmaatschap. Wij kunnen ons wel voorstellen, dat iemand de onverbreekbaarheid beweert van eene aan God afgelegde belofte; maar rechtens noch zedelijk kan eene belofte binden aan een menschelijk bestuur afgelegd, dan zoolang de band met dat bestuur bestaat. De onverbreekbaarheid van den band tusschen een genootschap en een mensch is in ons hedendaagsch recht evenmin bestaanbaar, als die van een op overeenkomst berustend personenverband.

Intusschen is hiermede de vraag nog niet ten volle beantwoord. De leden van bet Kerkgenootschap mogen, ondanks hun belofte, uittreden; maar mogen zij ook, wanneer zij eene bediening op zich genomen hebben, ondanks de bij hunne aanneming als lidmaten afgelegde belofte, in strijd handelen met de reglementen der Kerk, welke zij dienen? Moet diezelfde vraag ook niet aan de predikanten worden voorgelegd, althans aan diegenen onder hen, aan wie, sinds een paar jaren, gelijksoortige belofte is afgevraagd als, sinds 1862, aan de lidmaten?

Hierop kan tweeërlei geantwoord worden. Vooreerst, dat waar twee beloften met elkaar in botsing komen, slechts ééne kan worden opgevolgd. Zulk eene botsing nu is niet zeldzaam. Vele ouderlingen toch hebben, bij hun bevestiging

|81|

voor de gemeente, plechtig voor God en de gemeente beloofd, naarstiglijk toe te zullen zien of een ieder zich behoorlijk gedraagt in belijdenis en wandel, en te zullen verhoeden dat de Sacramenten ontheiligd worden, en toezicht te zullen nemen dat geen vreemde leer worde voorgesteld; — alle welke beloften niet kunnen worden nageleefd, zonder dikwijls in botsing te komen met de synodale reglementen, die, gelijk bekend is, de leervrijheid pogen in te voeren, te handhaven of te bevestigen.

Ten anderen: die beloften worden afgelegd aan de gemeente en ten behoeve der gemeente. Een kerkelijk verband legt eene gemeente zich slechts ten eigen behoeve op. Zij heeft het ter eigen ontwikkeling noodig. Voor de overige gemeenten echter is het volmaakt onverschillig, of het verband met haar verbroken wordt; slechts zal, tengevolge dier breuk, voor het vervolg de wederkeerige steun ophouden. De predikant ontvangt wel zijn toelating van een bestuur, dat alle kerken vertegenwoordigt of, juister, over alle kerken heerscht; maar als hij zijne belofte aflegt, doet hij in werkelijkheid niets anders, dan zich te verbinden aan alle kerken, waar hij zal optreden, voor zoover deze in hetzelfde verband leven. Zoodra dus de gemeente waar hij optreedt zelve hem van de belofte ontslaat, is hij ten haren opzichte ook vrij, terwijl hij in eene voorheen met haar verbonden gemeente niet zal mogen optreden, tenzij deze, na kennis ontvangen te hebben van de intrekking zijner belofte, hem desondanks toelaat dienstwerk in haar midden te verrichten.

De juistheid van dit alles zal, dunkt ons, gevoeld worden, wanneer men zich het geval voorstelt, dat de gemeente, evenals zij vroeger met haren pastoor van roomsch gereformeerd werd, thans weer met haren leeraar tot de Roomsch-Catholieke Kerk terugkeerde. Zal iemand daarin verbreking van beloften, meineed en diergelijken zien?

Ook nog uit een ander oogpunt springt de verbreekbaarheid van den genootschapsband in het oog. Elk genootschap heeft een doel; dit is een wezenlijk vereischte voor zijn bestaan. Het doel eener kerkelijke vereeniging is steeds

|82|

geweest, en was ook in 1816, drieërlei: a. wederkeerige hulp en steun; b. gemeenschappelijk scheidrechterschap voor geschillen en bezwaren van allerlei aard; c. handhaving van de leer. 1)

Nu is het sub c genoemd doel, ’t welk in vroegere jaren hoofddoel was, en volgens art. 11 (vroeger 9) Algemeen Reglement ook thans nog hoofddoel behoorde te zijn, vervallen, doordat het onmogelijk bleek het na te leven. Vermits het nu vaststaat, dat de Kerken voorheen tot zeker verband zijn toegetreden, juist om de leer te handhaven; dat zij vervolgens in een ander verband zijn getreden, ’t welk wederom als hoofddoel noemde „handhaving van de leer”; dat thans evenwel niemand meer weet wat, in reglementairen zin, „de leer” is, terwijl een zeer groot deel der leden van het genootschap juist uit beginsel die handhaving van de leer bestrijdt, en daarin gesteund wordt door geheel den reglementairen toestel, — is het dan niet blijkbaar, dat elke verplichting om. samen te blijven, zoo zij al rebus ipsis et factis ontstaan is, evenzeer rebus ipsis et factis is vervallen?

En wat nu de doeleinden betreft, sub a en b genoemd, die zijn toch zeker niet van zoodanigen aard, dat zij de onverbreekbaarheid van den band zouden medebrengen. Zij beoogen niets dan het eigen gemak en voordeel van de leden der vereeniging, die er dus afstand van kunnen doen. Te dezen aanzien geldt hetzelfde wat geldt op het gebied der kerkelijke goederen. Vele kerken hebben zich vrijwillig onder collegiën van toezicht geplaatst, zoowel ter wederkeerigen steun, als ter beslechting van geschillen. Zoolang zij in dat verband staan, worden zij naar de vrijwillig door haar aangenomen reglementen behandeld, door de besturen waaronder zij zich geplaatst hebben. Maar dezelfde macht die tot aanneming bevoegd was, is ook steeds tot terugtreden gerechtigd.


1) Aan het begrip van Kerk was en is nog het begrip van belijdenis inhaerent. Daarom zeggen wij, dat dit doel altijd bij eene kerkelijke vereeniging bestaan heeft. Een genootschap zonder belijdenis kan nooit, dan in oneigenlijken, onhistorischen zin, Kerk genoemd worden.

|83|

Herhaaldelijk hebben dan ook eerst toegetreden gemeenten zich later weer aan het toezicht onttrokken

Maar, zal men ten slotte nog kunnen opmerken, die vergelijking in niet volkomen juist. In zake de kerkelijke goederen waren het de gemeenteleden die zich stelden onder een collegie van Toezicht, en zijn het dus ook alleen zij, die bevoegd zijn zich daaraan weer te onttrekken. Maar dan moeten het ook de gemeenteleden zijn, die de bevoegdheid bezitten zich los te maken van het synodaal verband, en geenszins de kerkeraden.

Ons antwoord is: de gemeenteleden waren in 1869 de bevoegde personen om het beheer der kerkelijke goederen te regelen, omdat destijds de gemeente geen beheerders had. Het zal zeer de vraag zijn, of thans eene gemeente zich, ook zonder medewerking der beheerders, en anders dan naar de voorschriften harer reglementen, aan het collegie van toezicht kan onttrekken. Hoe dit zij, in geestelijke zaken zijn de gemeenten altijd vertegenwoordigd geweest door hare kerkeraden, weshalve deze steeds voor haar behooren op te treden. De Kerkeraden die zulks doen, oefenen eenvoudig hun oude functiën uit. Ook voordat het genootschap van 1816 bestond, waren de kerkeraden volkomen bevoegd op eigen gezag den band (correspondentie) met andere kerken af te breken, dus juist datgene te doen wat, met een onjuisten term, „afscheiding uit de Kerk,” in plaats van „losmaking van het verband” wordt genoemd.

Tot staving van dit laatste beweren, verwijzen wij in de eerste plaats naar Voetius, die zich de vraag stelt, „of de een of andere locale Kerk het verband met eene classis voor zich en voor hare nazaten ten eeuwigen dage kan aanvaarden, d.w.z. of haar vrijwillige overeenkomst, naar goddelijk recht, de nazaten ten eeuwigen dage (in perpetuum) bindt, zoodat voortdurende en voorafgaande toestemming van deze om de samenwerking (correspondentie) voort te zetten en in praktijk te brengen niet noodig is.” Daarop antwoordt hij: „neen! De kerkeraad van eenige locale Kerk (Ecclesiae parochialis) kan zich alleen voor zich zelve verbinden, niet

|84|

voor hare opvolgers, tenzij met gelijke, opvolgende en medewerkende vrije toestemming van dezen; want onze nazaten zijn evenmin als wij slaafsch en redeloos vee (neque enim posteri nostri magis serva et ἄλογα sunt pecora, quam nos). Blinde gewoonte, opvolging (successio) en gehoorzaamheid laten wij aan het Pausdom over” 1).

Kent men misschien aan dezen op dit gebied zoo geleerden schrijver geen gezag toe, dan beroepen wij ons op de historische feiten; niet slechts op hetgeen voorkomt in het reeds door ons aangehaald geschrift „Kerkverband” bl. 38-44, maar ook nog op het volgende, sterk sprekende feit.

In den aanvang der 18e eeuw werd de Zwolsche predikant, Fredericus van Leenhof, wegens onderscheiden door hem uitgegeven geschriften, door bijna al de kerken hier te lande voor een Cartesiaan en een Spinozist gehouden, en dus der afzetting waardig geoordeeld. Toch bleef de kerkeraad der Zwolsche gemeente, met de Overheid in stad en provincie, hem in de bediening handhaven. Men ging toen evenwel niet over tot de schorsing en afzetting van de recalcitrante kerkbestuursleden te Zwol, zooals uit de toepassing van de nu geldende reglementen zou volgen; want bestuurs-bevoegdheid had men over zulk eene Kerk niet. Maar de maatregelen, welke de andere kerken toen namen, waren o.a., dat in onderscheiden provinciën door de kerken last gegeven werd aan hare gedeputeerden, om in de vergaderingen van classen en synoden te besluiten, dat Ds. F. van Leenhof nergens in eenige kerkelijke functie zou erkend of geadmitteerd worden; dat, zoolang de kerkeraad van Zwol goedvond hem in den dienst te dulden, geen Zwolsch predikant tot een predikstoel elders toegang zou hebben; dat men lidmaten, die naar Zwol vertrokken, uitdrukkelijk tegen hem en zijn aanhang zou waarschuwen; en dat de andere kerken geene attestatiën uit Zwol, door hem geteekend, ja zelfs in het algemeen geene attestatiën van den Kerkeraad van Zwol voortaan meer zou


1) Polit. Eccles. Pars III. Lib. I. Tract. III. Cap. V. § 1. VII (Editio F.L. Rutgers blz. 287).

|85|

respecteeren of aannemen, maar dat bij lidmaten die van daar kwamen opzettelijk onderzocht zou worden, of zij van de gevoelens van Ds. van Leenhof geheel vrij waren, om ze alleen in dat geval als lidmaten in te schrijven. In Gelderland werd ook, wegens de weinig besliste houding van de Overijsselsche provinciale Synode, aan de kerken in overweging gegeven, om „voortaan met de Overijsselsche kerken in het algemeen niet te blijven onderhouden de tot hiertoe met zooveel vrucht en stichting onderhoudene correspondentie; dewijl daarvan geen andere gronden kunnen worden uitgedacht, als uniformiteit, beide in de Leere en in het Kerkbestier” 1). In de provincie Groningen „werd dit besluit in 1710 in zooverre verzacht, omtrent de Zwolsche predikanten, dat men alleen zulken van den predikdienst zou weren, die openlijk voor beschermers van v. Leenhof bekend stonden, en men het aannemen of niet aannemen der lidmaatsattestatiën, van Zwol komende, aan de bescheidenheid en wijsheid der kerkeraden overliet, niemand echter voor lidmaat zou erkennen uit kracht der attestatie, maar wel om de regtzinnigheid van den persoon zelven” 2). Natuurlijk kwamen al de bedoelde besluiten van zelf buiten werking, toen v. Leenhof, die, niettegenstaande zijne afzetting door de Overijsselsche Synode in 1708, toch predikant te Zwol gebleven was, eindelijk in 1711 zijn ontslag vroeg en verkreeg.

Is het niet twijfelachtig, dat in 1816 de kerkeraden volkomen bevoegd waren, enkel in het belang der hun toevertrouwde kerken den samenhang of het verband met andere kerken te verbreken, dan zijn zij ook thans daartoe nog evengoed bevoegd; want, al hebben zij dan ook de


1) Vgl. o.a. „Verklaringe waarbij de Synodus van Gelderlant” enz. (Nijmegen, 1706), blz. 42 vg.; „de Handelingen van de Christelijke Synodus van Noord-Holland” enz. (Amsterdam 1706), blz. 34, 36, 42 en 45 (waar het protest der Zuid-Hollandsche Kerken is opgenomen); „Handelingen der Synode van Stad en Lande van Groningen,” 1709, art. 29 (ook aangehaald bij Ypey en Dermout, Geschied, der Ned. Herv. Kerk. 3e dl. Aanteekeningen, blz. 114 vg.
2) Volgens Ypey en Dermout, l.c. blz. 445.

|86|

tegenwoordige organisatie aangenomen, zij konden toch nooit aan hunne opvolgers meer bevoegdheid geven dan zij zelve bezaten, en zij bezaten zelve de bevoegdheid niet, om hunne gemeenten door een onverbrekelijken band aan anderen vast te hechten.

Ten slotte willen wij, ter staving van de bevoegdheid der kerkeraden om zich los te maken van een eenmaal bestaand verband, ons nog beroepen, niet alleen op hetgeen de gereformeerde kerken èn in de 16e eeuw, èn, naar het gewone beweren, op nieuw in 1816 hebben gedaan, maar ook op een advies, waarvan de bestrijders onzer stelling het gewicht niet zullen loochenen.

In handen van de Synode zelve was, reeds terstond in 1816, gesteld „een zeker adres aan de Synode, door eenige Bedienaren des Goddelijken Woords, onder het ressort der voormalige klassis van Leyden en Nederrijnland, en van Woerden en Overrijnland”, waarop de daarvoor van wege de Synode aangewezen Commissie, bij monde van den Hoogleeraar Royaards, den 16en Julij 1816 het volgend rapport uitbracht:

„Een van de bezwaren van adressanten is: of dan de vorige reglementen, waaraan zij door afgelegde beloften, door onderteekening en plegtige eeden onlosmakelijk verbonden zijn, nu zouden moeten gerekend worden buiten kracht en werking, en dus geheel vervallen te zijn; en of zij zich zelven, elkanderen, of eenig kerkelijk of wereldlijk gezag hen van zulke verbindtenissen zouden kunnen ontslaan, en zij zich deswege voor den Heer der Gemeente zouden kunnen verantwoorden? ... Ofschoon het nu H.E.H. aan de commissie is voorgekomen, dat deze en soortgelijke bedenkingen en bezwaren, door het algemeen reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden en bepaaldelijk door het antwoord, uit naam van Z. M., van Z. Ex. den Heere Commissaris-Generaal enz., de dato 28 Maart 1816 gegeven, en inzonderheid door het reglement op de examina, genoegzaam zijn opgelost en beantwoord, meent echter uwe commissie H.E.H.H. dat, daar in het laatstgemelde antwoord van Z. Ex. aan de Klassis van Amsterdam gegeven, door Zijne

|87|

Majesteit zelve, „de adressanten vrij en onverlet verklaard worden, om de bezwaren, die hun nog mogten overblijven, bij de aanstaande Synode in te brengen; deze Hoog Eerw. Vergadering, op het voorbeeld van onzen geëerbiedigden Koning, en van Z. Ex. den Heer Commissaris-Generaal, wel een blijk van hare vredelievenheid, van inschikkelijkheid voor de bezwaren van anderen, en van hare zucht voor de rust der kerke Gods zou kunnen en mogen geven, door in substantie aan de adressanten te antwoorden:
„Dat schoon de bezwaren en bedenkingen (gelijk bereids gezegd is) meermalen zijn weggenomen, de adressanten echter ter hunner meerdere geruststelling hierop gelieven te letten:
dat wij geen beter middel weten, om de bezwaren van de eerste soort weg te nemen, dan door de zoo duidelijke en alles in zich vervattende woorden van Z. Ex. in het meergemelde antwoord: „de Synode is thans niet opgeroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de kerk te besturen.” „Wat de leer zelve betreft, dat de verpligtingen van deszelfs leden, en die van alle andere Kerkbesturen, begrepen zijn in ’t 9de art. van ’t gemelde reglement, hetwelk met ronde woorden van hen vordert de handhaving van de leer der Hervormde Kerk.” Eene verklaring, welker gewigt hun zoo mannelijk en deftig bij de opening dezer H.E. Kerkvergadering in het openbaar aanbevolen is, door Z. Ex. den Heere Commissaris-Generaal, en door den President dezer Vergadering, overeenkomstig de bedoeling des Konings.
„En dat de H.E. Synode aan dit beginsel zoo gehecht is, dat ze de verplichtingen, tot handhaving der leer, die overeenkomstig het woord van God in de formulieren van eenigheid der Nederlandsche kerk vervat is, bij handteekening laat bevestigen, door zulken, van wie men meent dit te moeten vorderen.
„Waaruit dus volgt, dat de adressanten zich zoo min van die verpligting zullen kunnen ontslagen rekenen, dan anderen, die vervolgens het Leeraarambt zullen aanvaarden, en des getrouw zullen moeten en kunnen zijn aan deze verbindtenissen, ook zelfs aan die, waardoor allerlei verkeerde

|88|

middelen verboden en geweerd worden, om zich in het leeraarambt in te dringen.
Terwijl alle ANDERE verbindtenissen aan een zeker Kerkbestuur, of die alleen in een zeker gedeelte der gemeenten van dit Rijk geldig waren, en waarop derhalve in een algemeen ontwerp van het Kerkbestuur niet kan gelet worden, van zelve moeten vervallen, zoodra zulk een bestuur anders ingericht en gewijzigd wordt.
Dewijl het duidelijk is, dat eene verbindtenis niet meer kracht kan hebben, zoodra de zaak, aan welke men verbonden is, niet meer bestaat, of dat bestuur eene meer algemeene rigting bekomen heeft, die tot nog toe altijd ontbroken heeft.”

Met dit advies vereenigde de Synode zich.

Twee gewichtige lessen ontvangen wij hier dus van de Synode zelve; vooreerst, dat de kerkeraden met de leeraars volkomen bevoegd zijn een andere kerkorde te aanvaarden, zonder zich daarin door eenige belofte belemmerd te achten; ten tweede, dat slechts ééne enkele belofte onverbreekbaar is: nl. die, „om de leer te handhaven, welke overeenkomstig het woord van God in de formulieren van eenigheid der Nederlandsche Kerk vervat is.”

Met dit advies in handen, kan men beoordeelen wie, in 1816, door de Synode zelve voor woord- en belofteschenders zouden gehouden zijn: zij, die, met terzijdestelling van beloften, een nieuwe kerkorde aanvaarden, of zij, die wel aan de bestaande orde getrouw blijven, doch met terzijdestelling van „de handhaving der leer, overeenkomstig Gods Woord in de Formulieren van eenheid vervat”.

 

Ten slotte nog deze vraag. Hoe zal men, wanneer het synodaal verband inderdaad onverbreekbaar is, handelen, wanneer eene geheele gemeente, door leeraar en kerkeraad vertegenwoordigd, zich aan dat verband onttrekt? Het meeste wat de synodale besturen vermogen is, alle leden en dienaren der gemeente als lidmaten der Nederduitsch-Hervormde Kerk te ontzetten. Na die daad is hunne macht uitgeput. Wat

|89|

zal de aldus ontzette gemeente nu doen? Zij zal doen, alsof er niets gebeurd ware! Haar kerkeraad zal kunnen voortgaan met predikanten te beroepen, en zal dan wel alleen de zoodanigen kiezen, die het verbroken verband niet verlangen te herstellen. Zij zal verder de armen onderhouden en de kerk bouwen, ais van ouds. Moet zij proces voeren, dan zal zij, zonder vooraf rechtserkenning te vragen, bij monde van hare kerkvoogden in het gericht kunnen optreden. De kerkelijke besturen, hoe onvergenoegd wellicht over dat alles, zullen noch haar dit kunnen beletten, noch tegen haar eene actie hebben. Wij zouden althans niet weten, welke? De heeren Telting en Nienhuis hebben zich dezelfde vraag ook gesteld, doch haar, in de vergadering der synode van 5 Juli 1851, eenigszins anders beantwoord. Zij betoogen nl. dat, wanneer alle leden zich afscheiden of sterven, de goederen moeten bewaard blijven voor een toekomstige gemeente. Doch zij stelden niet de vraag, hoe te handelen, wanneer de gemeente, als gemeente, d.i. dus in haren kerkeraad vertegenwoordigd, zich afscheidt. Wellicht zouden zij ook voor dat geval geadviseerd hebben, dat door die „afscheiding” de gemeente vervallen is, en dus de goederen voor eene toekomstige gemeente behooren bewaard te blijven. Hunne motieven zijn intusschen uiterst zwak. Op de bedenking, dat eertijds toch de goederen bij de gemeente gebleven zijn, ook nadat deze van Roomsch Gereformeerd geworden was, antwoorden zij, dat dit toen niet anders kon, omdat de hoogste staatsmacht de oefening der pauselijke religie verbood, waardoor de oorspronkelijke bestemming der goederen onbereikbaar werd. Intusschen is het bekend genoeg, dat op vele plaatsen de goederen bij de gemeente gebleven zijn, ook dan, wanneer in het algemeen de pauselijke religie toegelaten werd. Doch wat daarvan zij, de genoemde rechtsgeleerden erkennen, ondanks hun praemissie, zelve, dat de zaak onzeker is; dat het althans voorzichtig is, zulke aanspraken van afgescheiden (naar onze voorstelling, van zich losgemaakt hebbende) gemeenten door wettelijke voorzorgen te voorkomen!

|90|

O.i. is dit dan ook het eenig, ofschoon hoogst onrechtvaardig middel. Doch zoolang die wetten er niet zijn, herhalen wij onze vraag: is het verband onverbreekbaar, welke actie, welk middel bestaat er dan, om een gemeente, die zich aan die onverbreekbaarheid niet verkiest te storen, te beletten haar eigen, vrijen gang te gaan?

Lohman/Rutgers (1886) P6

 

§ 6. Slot.

 

Toen hier te lande de strijd tusschen de Remonstranten en de Contra-remonstranten ontbrand was, zouden velen van laatstgenoemden met eene verdeeling van de kerkelijke goederen (tractementen en kerkgebouwen) tevreden geweest zijn. De tegenpartij, die haar naderenden val niet voorzag, wilde die, zelfs nog in 1617, niet. Twee jaren later was het te laat.

Destijds was de kerkelijke quaestie eene machtsvraag. De politieke macht had te beslissen, wie voor publieke kerk was te houden. Zij heeft beslist, ten gunste naar het scheen van de Contraremonstranten, maar in waarheid, nl. zoo men let op de gevolgen in geestelijken zin, ten nadeele van beide partijen.

De toen gevallen beslissing is, door de toekenning in deze eeuw van kerkgebouwen en tractementen aan de Roomsch-katholieken, voor een deel reeds gewijzigd.

Thans staan wij wellicht wederom voor eene beslissing.

Wij hebben in de vorige bladzijden pogen aan te toonen:
dat zoomin in de plaats van de vroegere hiërarchie als in die van de Overheidsbemoeing, iets gekomen is, waardoor de vrijheid en zelfstandigheid der locale kerken belemmerd wordt, behalve een kerkelijk verband, berustende op de beginselen, welke ook ten grondslag liggen aan de nationale Kerkenordening van Dordrecht;
dat een ander kerkelijk verband nimmer op wettige wijze aan de Kerken is opgelegd, noch door deze vrijwillig of stilzwijgend is aangenomen;
dat, al ware dit anders, dan toch nog elke Kerk rechtens

|91|

bevoegd blijft, ook zonder verlies van eigen goed uit het genootschappelijk verband te treden.

Wij meenen vóór ons te hebben: de geschiedenis; de strenge rechtsbeginselen; de billijkheid; de antecedenten.

Maar wij hebben tegen ons de communis opinio.

De communis opinio is een groot argument, waar de beslissing berust bij degenen, die op vooroordeelen, meer dan op kalm en onpartijdig onderzoek vertrouwen. Maar is zij dit ook bij de rechterlijke macht? Zal niet deze macht — even onvervaard voor de gevolgen, als toen zij, eenige jaren geleden, de onverbindbaarheid aannam van tal van Koninklijke Besluiten — naar streng recht oordeelen, gedachtig aan de voor den rechter zóó verheven spreuk: „fiat justitia, pereat mundus!” Of zal zij voor het extraordinair geval een extra-ordinairen rechtsregel scheppen?

Velen beweren het vaak. Voor ons is het, ook na het Arrest van 2 Januarij 1846, geene vraag, vooral omdat dit arrest de zaak gold, niet van eene Kerk die zich losgemaakt had van het verband, doch van een persoon, die lid was eener tot het genootschap behoorende gemeente.

Maar wel is het voor ons eene vraag, of eene rechterlijke uitspraak, in welken zin dan ook, wenschelijk zij? Zullen de gevolgen thans heilzamer zijn dan twee en een halve eeuw geleden, enkel omdat ditmaal niet de politieke macht, maar de rechterlijke uitspraak deed?

Eén van tweeën is onvermijdelijk: òf de zelfstandigheid der locale kerken zal worden aangenomen, òf de onverbreekbaarheid van het kerkelijk verband.

Wordt het eerste aangenomen, dan zullen terstond alle kerken zich losmaken van het synodaal verband, om zich, met of zonder nieuw kerkverband, naar eigen inzicht en behoeften in te richten. Maar dan zal ook, in elke gemeente waar verschillende richtingen zijn, de een alles verliezen, de ander meer verkrijgen dan hij behoeft; de één armoede lijden, met verbittering in het hart; de ander in het bezit blijven van half ledig staande kerkgebouwen.

Wordt daarentegen het bestaande kerkverband onverbreekbaar

|92|

verklaard, dan zullen zij, wier geloofsovertuiging het samenwonen met allen verbiedt, alles moeten verlaten om, arm naar de wereld en betrekkelijk weinigen in getal, zich naar eigen geloofsregel in te richten. De overigen, dus juist diegenen die het verst afgeweken zijn van de beginselen, waarop sinds de Reformatie tot 1816 het kerkverband berustte, zullen blijven in de toen gecreëerde landskerk, om daar den nimmer eindigenden strijd voort te zetten over de vraag, òf het nu bestaande Kerkgenootschap een belijdenis hebben zal — en zoo ja, welke?

Heerlijk vooruitzicht! In beide gevallen is het waarschijnlijk nog beter alles te verliezen, dan alles te winnen.

En is dit zoo: zou het dan niet beter zijn voor alle partijen, de beslissing der wereldlijke macht niet in te roepen, maar liever tot eene minnelijke deeling over te gaan, en binnen een bekwamen termijn, met gesamentlijk overleg, den bestaanden band te verbreken, en alle kerken de volledige vrijheid te laten, om hetzij alleen te blijven staan, hetzij nieuwe banden aan te knoopen?

Dan valt, dit is zoo, de lands- of liever de schijnkerk ineen.

Maar dan herleeft weer de vrede, en tevens het besef dat eene kerk nog iets beters te doen heeft, dan over haar organisatie en over haar belijdenis te strijden.

Dan verdwijnt de uitwendige eenheid, maar tegelijk de inwendige verdeeldheid.

Dan vervalt een opgedrongen samenzijn, dat in de kerk evenmin als in de school ooit goede vruchten heeft voortgebracht, en treedt de samenwerking, waar en voor zoover eenheid des geestes bespeurd wordt, in de plaats!

Lohman/Rutgers (1886) BI

|93|

 

Bijlage I (zie blz. 12).

 

Wij zijn, blijkens het vorenstaande, niet van het gevoelen, door Mr. Heineken verdedigd, in zijn geschrift: „rechtstoestand der kerk. goed. bij de Herv.” Amst. 1873, — nl. dat alle goederen, die aan de R.C. Kerk hebben toebehoord, Staatsgoed geworden zijn tijdens de Reformatie. De Schrijver acht, voor de juridische beoordeeling van den toestand, het onderzoek naar de vraag, òf en in hoever vóór de Hervorming gesproken kon worden van eigendommen der kerken en kerkelijke gemeenten, van geen belang (bl. 42). O.i. is dit niet goed gezien. Neemt men toch aan, hetgeen ons het juiste gevoelen toeschijnt, nl. dat die goederen voor de Reformatie behoorden aan de Kerken en aan de kloosters, niet aan personenvereenigingen, maar aan instellingen, en in geen geval aan de Regeering, dan komt men tot de slotsom, dat niet, gelijk Mr. H. doet, ten bewijze van het recht der Kerken een eigendomsoverdracht van den Staat aan de Kerken geëischt mag worden, maar dat, integendeel, de Staat, ten bewijze van zijn eigendom, een titel (zij het ook dien van confiscatie) behoort over te leggen. Zulk een titel is wel aan te wijzen voor de goederen jure belli in de handen der Staten gevallen: nl. die welke in de Generaliteitslanden, althans in Brabant, gelegen waren. Die titel is ook aanwijsbaar ten aanzien van die goederen, welke aan de destijds opgeheven vereenigingen (b.v. kloosters) behoorden. Maar nooit had de Overheid vóór de Reformatie eenig recht b.v. op eene Kerk doen gelden, en zij heeft dat ook nooit sedert dien tijd gedaan. — Al de plakkaten, door Mr. H. aangehaald, toonen alleen, dat de Overheid toezicht hield op het beheer der kerkegoederen, en hiertegen hebben ook zekerlijk de Kerken, voor wie zij bestemd waren, minder bezwaar gehad (hoewel reeds destijds dit punt zeer betwist werd), omdat ook in vroegere tijden er een kerkelijk, hiërarchisch toezicht op die goederen bestond. Uit het Plakkaat van 17 April 1577 (Kerk. Plak.-boek I. 215-217) blijkt duidelijk, dat die goederen niet toebehoorden aan de Overheid. Het plakkaat

|94|

heeft betrekking op „alle die goederen, Landen, Renten, Actiën, Crediten ende Inkomsten van alle Pastoryen, Kercken, Memoriën, Costeryen, Beneficiën, Proeven, Vicaryen, Getyden, ende andere Inkomsten van der Kercke (dus juist op die, welke men thans kerkelijke, in tegenstelling van geestelijke, noemt). De Staten gelasten, gemelde goederen en inkomsten van de Kerk „te doen aanbrengen ende opschrijven, omme die penningen van dien ten gemeenen laste, en tot onderhoudt van de Dienaers des Goddelijcken Woordts, ende andere Kercken-Dienaren ende Schoolmeesteren beheert te mogen worden naar behooren.” Uit doel en bewoordingen van het Plakkaat blijkt slechts, dat de Overheid wanbeheer en verduistering wilde voorkomen. Om aan dit bevel kracht bij te zetten, bedreigt het plakkaat de „peyne van verbeurte ende verlies der voorschreve Landen, Goederen en Inkomsten, ofte die waerde daer van, mitsgaders het dubbeldt van dien daarenboven.” De Overheid nu kan niet verbeurd verklaren, wat haar zelve reeds toebehoort.

Ook de Nationaalverklaring dier goederen in 1798 onderstelt, dat de goederen destijds nog niet aan den Staat toebehoorden.

Dat, overigens, geen scherp onderscheid gemaakt is tusschen kerkelijke goederen en die, welke van kloosters en geestelijke orden afkomstig zijn, valt niet te ontkennen. Zoolang alle goederen van geestelijken oorsprong ten behoeve der publieke kerk geadministreerd bleven, was aan die onderscheiding weinig behoefte. Men zag ook destijds geen twee eeuwen vooruit. Toch is het opmerkelijk, dat reeds terstond de pastoralia en de locale kerkegoederen onder verschillende administratie kwamen (Heineken, bl 45).

Dat de Kerk, als geheel genomen, geen eigendom bewijzen kan, — zooals in het begin dezer eeuw, en ook dikwijls door theologische schrijvers, beproefd is — kan men Mr. Heineken gereedelijk toestemmen. Zij heeft zulk een eigendom nimmer gehad, en wij kunnen er dus ook geen rechtsgevolgen op bouwen. Ten aanzien van den eigendom der kerkelijke goederen zij overigens verwezen naar het voortreffelijke en heldere werk van Dr. Meurer, „Der Begriff und Eigenthümer der heiligen Sachen, zugleich eine Revision der Lehre von den juristischen Personen und dem Eigenthümer des Kirchenguts, Düsseldorf 1885.

Lohman/Rutgers (1886) BII

|95|

 

Bijlage II (bij blz. 15 en 25).

 

In den Nederlanden is het kerkverband der Gereformeerde Kerken tot stand gekomen, ongeveer op dezelfde wijze als waarop het 15 eeuwen vroeger oorspronkelijk in de Christenheid was gevormd: door vrijwillige confoederatie der plaatselijke kerken zelve.

In landen, waar de reformatie van de Overheid uitging, werd als uitgemaakt beschouwd, dat door zulk optreden der Overheid het geheele land een Protestantsche Staat was geworden, en dat dus allereerst eene algemeene Protestantsch Landskerk was geconstitueerd; waarna dan van Overheidswege de lokale kerken, als deelen van die Landskerk, werden gereformeerd en gereorganiseerd. Van zelf wordt in zulke landen dan ook voortdurend een met dat begin overeenkomend stelsel van kerkrecht gehuldigd.

Maar in landen, waar de Overheid de Hervorming tegenstond en haar geweldadig zocht te onderdrukken, moest de gang van zaken natuurlijk anders zijn; te meer omdat juist in die landen (en dat zeker niet toevallig) de Gereformeerde belijdenis ingang vond, welke belijdenis zulk een Overheidsrecht in de kerk en zulke Landskerken [niet kent]. In die omstandigheden kon er slechts een nieuw kerkverband komen, doordat de plaatselijke kerken, na van zich te hebben weggedaan wat zij naar Gods Woord misbruiken achtten, waaronder ook de heerschappij den bestaande hoogere besturen en der van hen uitgegane kanonische wetten behoorde, en na zich plaatselijk te hebben gereconstitueerd, weer met elkander in verbinding traden, door in classen en synoden samen te komen, wel niet in haar geheel, maar dan toch door lasthebbers; welke nieuwe verbinding dan geheel vrijwillig geschiedde, alleen door inwendigen drang en uit motieven van geestelijken aard.

Op die wijze is het in de Nederlanden dan ook toegegaan.

Hiervoren in den tekst is reeds gesproken van de confoederatie der Waalsche en Vlaamsche kerken in de zuidelijke Nederlanden; welke kerken, eerst in het geheim, gevormd, en reeds toen in

|96|

geloofsovertuiging één zijnde, daarna, in navolging van de Gereformeerde kerken in Frankrijk, althans sedert 1563 in kleinere en grootere Synoden bijeenkwamen; waar zij, ten aanzien an de kerkelijke inrichting met hetgeen daartoe hoort, met onderling goedvinden gemeenschappelijke bepalingen maakten, alle gekenmerkt zooals Hooyer (oude kerkorden, blz. 5) er van zegt, door „anti-hierarchische, presbyteriaansche en republikeinsche beginselen, en soms letterlijk aan de geloofsbelijdenis, art. 30, 31 en 32, ontleend.”

Door dit kerkverband werden nu niet alle de Gereformeerden in de Zuidelijke Nederlanden tot één groot genootschap vereenigd. Ieder Gereformeerde was en bleef lid van zijne plaatselijke kerk; en het waren deze kerken (niet de individuen waaruit zij bestonden) die het kerkverband hadden aangegaan. Daardoor ontstond er dan ook geenszins een nieuw soort van kerk: men bleef, blijkens de stukken, altijd spreken van „de kerken” (in het meervoud). Er kwam geen centraal bestuur-, de regeering der kerken was en bleef bij de kerkeraden, die haar plaatselijk permanent uitoefenden, en voorts tezamen slechts gedurende enkele dagen over de gezamenlijke kerken, terwijl er tusschen de Synoden in weêr niets anders was dan de plaatselijke kerkenraden. Ook waren de gemeenschappelijk gemaakte bepalingen slechts verbindend door de gemeene toestemming der kerken zelve. En, rechtskundig gesproken, kon natuurlijk iedere kerk zich ten allen tijde weer aan dat verband onttrekken.

Volkomen hetzelfde zien we, reeds ten deele in dezelfden tijd maar vooral eenige jaren later, ook in de provinciën van het tegenwoordige Nederland geschieden. Zoo handelden de enkele kruiskerken, die, zij het ook tijdelijk, hier en daar geformeerd werden. En diezelfde beginselen werden ook gevolgd bij de voorbereidende samenkomst van Gereformeerden uit de Nederlanden, die in October of althans tot 3 Nov. 1568 te Wezel gehouden werd.

Wegens het belang van die voorbereidende samenkomst, om de grondslagen onzer Gereformeerde kerkelijke organisatie te leeren kennen, nemen we een en ander daaruit over, daarbij de gebruikelijke vertaling van den Latijnschen tekst volgende.

Reeds terstond in de voorrede wordt gesproken van „de gemeyne toestemminge van de Dienaren Godts in Nederlant, die tot invoering van het daar voorgestelde noodig is.” In hoofdstuk I, art. 6 lezen we: „Want dat d’eene of andere kercke, of nu, ofte nimmermeer hierna, sig in ’t bijsonder soude aanmatigen ’t gene alle kercken aangaat, sonder toestemming derselver, dat komt niet overeen, nog met auctoriteyt van de H. Schrift, nog met de billijckheyt der

|97|

wetten.” Evenzoo wordt in art. 7, nadat gesproken is van de mogelijkheid, dat de gewenschte Synode niet gehouden kan worden, in dat geval „geoordeeld, dat men uyt alle de voornaemste Gemeynten der Nederl. Provinciën de uytmuntendste mannen zal verkiesen, om eerst elk bij haar selven, of twee, of drie bijeen, te ontwerpen ’t gene dienen sal tot afdeelinge der Classen, instellinge van een Collegie, verklaringe van alle andere sware saken, ende in ’t geheel tot den besten toestand der kercken: daarna zullen zij daarover gesamentlijk handelen, ende daaruyt een gemeyn formulier ontwerpen, om ’t selve door alle ende een ieder kercke goet te keuren, enz.” En wederom desgelijks in hoofdstuk V art. 19, waar gezegd wordt: „Nochtans staan wij de classicale vergaderingen hierin geen recht toe over eenige kercke, ofte hare diensten; tensy deselve dat van selfs zullen toestemmen, opdat de kercke niet tegens haar dank berooft werde van haar recht ende gezag.”

Deze samenkomst werd ook bijgewoond door den beroemden Marnix van St. Aldegonde, die in het algemeen een zoo groot aandeel heeft gehad in het werk der reformatie hier te lande, en met name ook in de formeering van het kerkverband. Zijn belangrijke zendbrief aan onderscheiden Nederlandsche kerken, van 21 Maart 1570 (opgenomen in de uitgave zijner „godsdienstige en kerkelijke schriften” door Prof. J.J. van Toorenenbergen, 1878, Aanhangsel, blz. 3-38) toont voortdurend zijn ijver, om „alle de gemeynten der Nederlanden tot éénen lichaeme in te lijven, opdat sy met eenen ghelijcken voet nae de ophouwinge der Kercken Godes trachten” (ibid. blz. 16). En hoedanig een kerkverband hij daarmede bedoelde, had hij ruim een jaar vroeger reeds duidelijk uitgesproken in zijne twee niet minder belangrijke brieven, den 19 Sept. 1568 en den 10 Jan. 1569 aan Pieter Carpentier in Engeland geschreven (ibid. Deel I, blz. 136-182), waaruit wij ook een en ander willen overnemen, zoowel om het gewicht van Marnix’ gevoelen in dezen, als om zijn invloed op de kerken, en om het samenvallen van den tijd dier brieven met den tijd der Wezelsche conferentie, waar ook Marnix een der leiders was.

In den eersten der bedoelde brieven geeft hij zijn oordeel over een aantal hem gezondene artikelen van den Kerkenraad der Nederl. gemeente te Londen „ongelukkige artikelen” (zooals Prof. van Toorenenbergen ze wel terecht noemt), „wier Engelsche hoogkerkelijkheid den Gereformeerden van het vaste land toen nog niet smaakte” (ibid. Dl. I, blz. 547 en 553).

In het Londensche stuk luidden de artt. 11 en 12 aldus: „XI.

|98|

Ten einde echter de algemeene Kerk hare eenheid behoude, staat het aan eene bijzondere gemeente niet vrij zich heerschappij of meerderheid aan te matigen over eene andere gemeente, zoodat zij haar op eigen gezag oordeelt of verdoemt en zich van hare gemeenschap scheidt, vooral omdat het duidelijk is, dat al de gemeenten Gods van Christus gelijke macht ontvangen hebben. — XII. Voorts indien eenige bijzondere gemeente in eene andere iets gebrekkigs vindt, hetzij in leer, hetzij in leven, en zij niets uitwerken kan door broederlijke en trouwe vermaning, dan zal zij te zorgen hebben (behoudens den vrede en den band der openlijke eenheid) dat het zoo spoedig mogelijk voor eene algemeene Synode gebracht worde, welke dezelfde macht heeft over al de bijzondere gemeenten als de enkele kerkeraden hebben in de hunne.”

Hierop nu is de critiek van Marnix: „De elfste ende twaelfste artyckelen zijn wel waer in ’t ghemeyn, doch niet altijts, ende daerom ist niet recht, dat men een generale reghel daerover sette, want het can geschieden dat de eene kercke sich alsoo vergrijpen sal, dat de andere kercke noodsakelijck sal deselve moeten verdoemen ende een afscheyt daervan maken, sonder een generale Concilium oft Synodum daerover te verwachten. Want daer een ghelijcke reden oft ghelijckformicheyt is van sonderlinghe [bijzondere] kercken tot een generale Concilium, als daer is van sonderlinghe lidtmaten eender kercken tot het generale corpus derselver kercken.” 1)

In de Londensche artikelen luidden de artt. 17 en 18: „XVII. De dienaren der Kerk hebben de macht en het gezag om ordinantiën en voorschriften te geven, en die met de andere gebruikelijke ordinantiën der algemeene Kerk (indien, zij ten minste in de Heilige Schrift haren grond hebben) te handhaven en te beschermen tegen al wie ze veroordeelen, afwijzen of overtreden. — XVIII. Voorts, daar het vast staat, dat de dienaren van Christus, wanneer zij zóó handelen, noch het gezag van Christus, den Heer, in eenigerlei opzicht verminderen, noch aan de Christelijke vrijheid in het minste tekort doen, en volstrekt geen Farizeeuwsch juk op de schouders der geloovigen leggen, maar integendeel veel meer en vóór alles zorg dragen, dat alle verwarring voorgekomen worde en de gezonde leer van Christus tot nut en behoorlijke stichting moge kunnen worden voorgedragen, — spreekt het van zelf dat zij te dezer oorzake noch van Papisme, noch van eenige tiranny te beschuldigen zijn.”

Hierop is de critiek van Marnix: „Dat seventienste artyckel is


1) De vorm „kercken” is hier, en zes woorden vroeger, enkelvoud.

|99|

een recht fondament der papistischer tyrannye; want soo men alles moest onderhouden wat van der kercke bevolen wordt, teghens Godes woordt niet strijdende, soo waren de dienaers der kercke rechte overicheden, en souden alsoo groote heerschappije moghen voeren als eenighe Coningen ter werelt, denwelcken men oock geene ghehoorsaemheyt schuldich en is in ’t gene dat tegen Godes woordt strijdet, ende soo moesten wy noch den meesten hoop der papistischer settinghen ende statuten onderhouden; ymmers deghene die teghens Godes woordt opentlijck niet en strijden, als daer is op sekere tijden te vasten, oly, smeersel, speecksel ende andere dierghelijcke ontallicke ceremoniën, der wekker eersten oorspronck is gheweest eenen ijver tot rechter ordeninghe ende eerbare cierlicheyt in de ghemeynte Godes. Derhalven dat in datselve artyckel volght van rotten, van schande ofte verderf, zijn enckel smuckwoorden die de sake niet en bevestighen, dan slechts verblommen ende uytwendichlijck verderen, mits dat men in alles aansien moet de oorsake der daedt veel meer dan de daedt selve. — Dat achttienste artyckel is gebreckelijck, mits dat hier als in het voorghaende ghehreeckt het onderscheyt van billick ende onbillick, namelick wanneer de dienaers sulcx doen uyt billicke oft onbillicke oorsaken, ende haere constitutiën maken soo als het behoort, na het ghene dat voorseght is, daer het alles aen hanght.”

En opmerkelijk is ook in die brieven de geheele voorstelling die Marnix geeft van de kerkenregeering, en de waarschuwing (bijna eene profetie) die hij daar bijvoegt tegen de overheersching der kerken door reglementen-makende kerkbestuurders, die daarbij „de eene de eerbaarheyt, de ander de stichtinghe, de derde de ordent-lickheyt voorwendden.” „Daarom L.B.," zoo schrijft hij (ibid. blz. 178) „siet doch wel toe ende wilt de sake wel bedencken ende overlegghen, niet alleen dese onse tijden, maer oock de toecommende, want het is te duchten na dat de menschen eeuwelick na uytwendighe dinghen staen ende willen altijd gheboden op gheboden hebhen, reghelen op reghelen, ende soecken God met menschengheboden te dienen onder den mantel van eerbaerheyt, van cierlickheyt, van ordentlickheyt ende andere dierghelijcke; het is, segghe ick, te duchten dat alsulcke gheboden, die wy willen maken ende soecken met gheweld in te dringhen, sullen worden tot stricken ons ende onsen nacomelinghen. Aangaende my, ick verschricke so wanneer ick bedencke de moeyte ende arbeyd die men hebben sal in de Nederlanden, (so God ons de vrijheyt gunt) om alsulcke menschen-gheboden uyt Godes ghemeynte te weren ende

|100|

de lidtmaten Jesu Christi in de vrjjheyt te houden, die by haer met synen bloede verworven heeft. De opgheblasenheyt ende eerghiericheyt is doch al te groot ende de duyvel al te listich, ende de menschen schalck om een verwe ende ghesmuuck te gheven haren ydelen verdichten gheboden, dat is de wercken haerder handen, ende hare eyghene goetduncken, of hare droomen met schoone voorwendinghen te vercieren. Daerom laett ons waken ende den duyvel in tijds wederstaen; de verborghene boosheyt (die aireede werckt) hoeden. Ende insonderheyt laett ons vrede ende eenicheyt soecken; liever onse schuld duysentmael bekennen, dan het lichaem Christi so jammerlick verscheuren. Want dat de predicant ende olderlinghen geene schuld en souden hebben, daer sy alsodanigh een ghebod hebben opgherichtet buyten Godes Woordt, ende onder het decksel van ordentlicheyt hebben hare eyghen goetduncken inghedronghen als nootwendich, doch niet uyt hem selven (want daer ware beter raed toe te vinden) dan [maar] uyt aensien der ghener die het gheboden hadden, ende willen noch moedtwillighlijck dit verdedighen ende sick selven een macht toeschrijven van wetten ende ordonnantiën te maken in de kercke Godes na haren goetduncken, dat sy (segghe ick) daer in niet en souden hebben plompelijck ghefeylt ende desen swaren twist (die daeruyt gheresen is) veroorsaekt, can ick my niet versinnen [uit den zin zetten]. Ick wilde veel liever voor de predicanten staen dan voor deghenen die sich daerteghen werpen. Want ick hebbe Godes dienaers altijd in eeren gehouden, als ick noch doe, maer in dese sake can ickse niet verschoonen; ick moet haer de schuld gheven, wil ick of en wil [of ik wil, of niet], ende oock te meer dat sy behoorden den anderen exempel ghegeven te hebben van alle sachtmoedicheyt ende ootmoedicheyt ende voorganghers der cudde gheweest te zijn ende niet heerschers, ghelyck als het uyt hare articulen schijnt datse wesen willen.”

Geheel dezelfde beginselen die door Marnix, en in het algemeen door de Wezelsche conferentie van 1568 gehuldigd waren, lagen ook ten grondslag aan het werk van de Emdensche Synode der Nederlandsche kerken onder het kruis en in de verstrooiing, gehouden den 4. October 1571 en vervolgens. (Alle gedrukte uitgaven van die kerken ordening noemen den 5. October, maar dit is blijkbaar eene drukfout die de een den ander naschrijft; in de stukken zelven die men uitgaf staat overal zeer duidelijk 4 October). Wel werden daar een aantal besluiten genomen van algemeene strekking, die dus tezamen eene soort van kerkenordening vormden, maar die artikelen waren „met gemein accoort” der daar aanwezige kerken

|101|

gesteld (art. 53), geenszins haar door anderen opgelegd; en zelfs stond als 1e artikel bovenaan: „Geen Kerke zal over een ander Kerke, geen Dienaar des Woorts, geen Ouderling noch Diakon, zal de een over den ander heerschappye voeren, maar een yegelijk zal hem voor alle suspicien ende aanlokkinge om te heerschappen, wachten.”

Het was er dan ook ver van af, dat men op die Synode zou gemeend hebben, dat nu de Nederlandsche Gereformeerde kerken, die er reeds waren of die daarna zouden geconstitueerd worden, rechtens verplicht waren de gemaakte kerkenordening aan te nemen en stiptelijk na te leven. Dat hebben hare leden, en dat hebben de kerken zelve blijkbaar geheel anders begrepen. Hoe het juist is toegegaan, nadat in 1572 de vrijheid is beginnen te komen, moet ten deele nog uit de oude classicale en gemeentelijke archieven worden nagespoord. Maar iets is er toch wel reeds van bekend.

Zoo b.v. kwamen in het „Landt van Cleef” (welks Gereformeerde kerken destijds tot het Nederlandsche kerkverband behoorden) de kerken voor het eerst in eene classis samen op 29 Juli 1572, en toen „verpflichtete man sich auf die belgische confession und die Emdener Artikel” (Lechler, Gesch. der Presbyterial- und Synodalverfassung seit der Reformation, blz. 122). Wat te Emden was vastgesteld, werd dus hier door de kerken nog eens zelfstandig aangenomen. Geheel hetzelfde geschiedde, ook in 1572, in de samenkomst der (tot hetzelfde kerkverband behoorende) kerken van het „Landt van Gulick” (ibid. blz. 124); slechts met dit onderscheid, dat hier „die vander Cuelsscher Gemeynten sich nu ter tijt weigherden de articulen des Emdischen Synodi Generalis te onderschrijven” (Dr. M.F. van Lennep, Gaspar van der Heyden, 1884, blz. 93). En toen den 20. April 1573 de Classis van Zuid-Holland (of van Dordrecht) hare eerste vergadering hield, besloot zij „al hare Handelingen provisioneel naar de Emdesche Synode te verrigten” (Dr. G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, 1841, Dl. I, bl. 85).

Inderdaad zijn de kerken van het tegenwoordige Nederland dan ook zelfstandig te werk gegaan, toen zij na 1572 het kerkverband constitueerden. Wel was op de Emdener Synode eene verdeeling in classen gemaakt voor de provinciën wier kerken konden gerekend worden daar aanwezig te zijn (om welke reden men ook niets bepaalde voor de Nederl. kerken in Engeland, die men enkel „vermanen” kon, zich in Classen af te deelen: art. 12). Maar toen nu in Holland en Zeeland de kerken hiertoe in staat waren, en de Emdener bepaling (art. 11) niet meer op de omstandigheden paste, voegden de genabuurde kerken zich eenvoudig bijeen tot Classen,

|102|

naardat zij dit zelve het meest dienstig oordeelden; en die alzoo geformeerde Classen zonden daarna in 1574 hare lasthebbers naar de Provinciale Synode van Dordrecht; terwijl ook het samenkomen zelf van die Synode weer een uitvloeisel was van de daartoe strekkende besluiten der kerken. In het Oud-Archief der Hervormde Kerk zijn de stukken die dit aantoonen, ook de officieele en op de Classis van wege de kerken geteekende lastbrieven der afgevaardigden, nog in originali aanwezig; terwijl uit die stukken ook duidelijk blijkt, dat de Synode geheel beschouwd werd als eene tijdelijke samenkomst der plaatselijke kerken, en geenerlei macht hebbende buiten de macht, die de kerken zelve daar tezamenbrachten.

Op diezelfde Dordtsche Synode van 1574 werd in de zitting van 16 Juni o.a. ook een besluit genomen tot deeling der classen (welk besluit daarna, toen men de besluiten van algemeene strekking van een cijfer voorzag om ze tot eene kerkenordening aaneen te rijgen, art. 9 genoemd is); en er werden voor Holland en Zeeland 14 classen voorloopig vastgesteld. Maar (opmerkelijk genoeg) van Amsterdam en Haarlem, en beider omgeving, is bij die indeeling nog geen sprake. Daar toch was Spanje weer meester, en waren dus de Gereformeerde kerken weêr verstoord; en nu kon men de later daar te verwachten kerken nog niet indeelen, want dat kon niet geschieden buiten haar om: te dien aanzien hadden zij zelve allereerst te beslissen.

Bij zoodanige beslissing hadden de kerken zonder twijfel te rekenen met hare geestelijke en zedelijke verplichtingen: gelijk in iedere plaats ook geen lidmaat op zich zelf moest blijven staan, maar ieder zich bij de kerk moest voegen, zoo was het ook met de kerken ten aanzien van het kerkverband. Maar die verplichting was alleen zedelijk: er was geen uitwendige dwang. Het was er mede, gelijk b.v. de Provinciale Geldersche Synode nog in 1582 uitsprak: „Het is niet raatsaam nog stigtelijk, dat eenige kerken op sig zelven zouden blijven sitten; maar elke kerke behoort sig tot een Classis te voegen” (J. Smetius, Synodale Ordonnantiën enz., 1736, blz. 68).

 

Dat die plaatselijke kerken, bij al hare vrijheid en zelfstandigheid, zich toch tot een kerkverband vereenigd hebben, is voor wie hare belijdenis kent waarlijk geen wonder; evenmin als het vreemd is, dat bijna ieder individu, bij al zijne vrijheid en zelfstandigheid, zich toch aansloot bij het kerkverband zijner plaatselijke Kerk. Maar ook in het kerkverband bleef toch, geheel in overeenstemming met zijn oorsprong, ieders recht en ieders vrijheid onverkort.

|103|

Daarom juist was men ook daarna zoo afkeerig van al wat maar op hiërarchie geleek, en wilde men geen kerkelijke bestuurscolleges buiten de kerkeraden, classen en Synoden waren slechts tijdelijke samenkomsten van die eeniglijk gedulde bestuurscolleges; en die namen zelven zouden zelfs niet meer passend zijn, als men permanente hoogere besturen wil.

Daarom juist hield men ook daarna zoo nadrukkelijk vast, dat de afgevaardigden der Kerken lastbrieven moesten hebben, en wel zooveel mogelijk van iedere plaatselijke Kerk in het bijzonder. Een andere regeling is wel minder omslachtig, zegt Voetius (Polit. Eccl P. III, L. I, Tr. III, C. VII; Ed. F.L. Rutgers, blz. 302), maar minder veilig en zou eerder tot oligarchie kunnen leiden; terwijl juist bijzonder moet gewaakt worden tegen hen die zulke oligarchie, en als gevolg daarvan eene soort van bisschoppelijke regeering in den zin hebben.

Daarom juist bleef men ook daarna altijd spreken van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken (in het meervoud), ook in het opschrift der kerkenordeningen die toch juist voor het geheele kerkverband golden; en betoogde b.v. Voetius (ibid. P. III, L. I, Tr. III, C. V, Ed. F.L. Rutgers, blz. 286), dat door het kerkverband niet een nieuwe vorm van kerk werd ingevoerd, en dat die gezamenlijke kerken dan ook eigenlijk niet „kerk” (in het enkelvoud) konden genoemd worden.

Daarom juist werd ook daarna erkend, dat het gezag van Classen en Synoden voor de kerken gold, uit kracht van de vrijwillige toetreding tot de correspondentie (ibid. P. I, L. I, Tr. I, C. III, Ed. F.L. Rutgers, blz. 40), en dat het kerkverband rechtens zijn grond had, niet in kerkelijke bepalingen, noch in macht of bevel van de Overheid, noch in kerkelijke nabuurschap, noch in plaatselijke behoeften, noch in besluiten van het voorgeslacht, noch in de gewoonte, noch in verjaring, noch in het behooren tot hetzelfde land of provincie of dergelijken uitwendigen band, noch in de bij de kerkformeering ondervonden hulp van bestaande Classen; maar eeniglijk en alleen, in abstracto en in het algemeen: in Gods bevel; en concreet bij de bijzondere toepassing: in vrijwillige toestemming en verdrag der kerken (ibid. P. III, L. I, Tr. III, C. V, Ed. F.L. Rutgers, blz. 287).

Daarom juist werd ook daarna nog gehandhaafd, dat rechtens geene kerk zich ook voor het nageslacht tot een kerkverband kan verbinden, daar ook de volgende geslachten hierin vrij zijn, en evenmin als degenen die het kerkverband aangingen als dienstbaar en redeloos vee te beschouwen zijn (Voetius, ibid. P. III, L. I, Tr. III, C. V, Ed. F.L. Rutgers, blz. 288). Gewoonte en

|104|

successie en gehoorzaamheid, waaraan men blindelings zou gehouden zijn, laten wij, voegt Voetius er bij, aan het Pausdom over.

En daarom juist (om nog iets te noemen) werd daarna steeds zoo geijverd tegen Overheidsgezag in de kerken, daar hiermede haar recht en hare vrijheid geheel zou te loor gaan. Geene verordeningen werden door de kerken als geldig erkend, dan die door haar zelve waren aangenomen; en door die aanneming hadden zij dan ook aanstonds kracht en gezag. Politieke approbatie was daarvoor volstrekt niet noodig, ofschoon zij altijd gewenscht was, om de uitvoering des te beter te verzekeren, en niet kon gemist worden als de kerken publiek-rechtelijk zouden kunnen optreden. Door die politieke approbatie werden zij dan echter geen kerkenordeningen, maar Staatswetten (vgl. over dat onderscheid tusschen Canones en Leges: P. Voetius, Gisb. fil., De usu Juris civilis et canonici in Belgio unito, 1657, blz. 90 vgg.). En waar zij dat karakter, door gemis van approbatie, niet erlangen konden, werd er in de kerken toch naar geleefd, en liet de Overheid haar, zij het dan ook naar de meening der Overheid „uit eenvoudige inschikkelijkheid en louter vergunning, in de stille possessie en vredige uitvoering van hare kerkenorde van 1619” (D. van Alphen, Het Recht der Overheden omtrent kerkelijke bedieningen, 1756, blz. 280 en 282). Vgl. voor dit alles b.v. Voetius, Polit. Eccl. P. I, L. I, Tr. II, C. IV, Qu. XVIII en C IX, § 2 en C. XI, § 4; Ed. F.L. Rutgers, blz. 165, 223 en 243; en Trigland, Kerckel. Gesch. blz. 717 vgg. en 822b.

Lohman/Rutgers (1886) BIII

|105|

 

Bijlage III (zie blz. 76).

 

Syn. Res. van 14 Julij 1836 (Handelwijs der Kerkenraden omtrent degenen, die zich afscheiden willen).

 

De Algemeene Synode der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden;

In aanmerking nemende, dat de tegenwoordige toestand der Nederlandsche Hervormde kerk algemeene bepalingen noodzakelijk maakt ten aanzien van de handelwijze, die behoort gevolgd te worden, omtrent aanzoeken van dezulken, die, van de gevestigde Hervormde Kerk zich willende afscheiden, royement uit het lidmatenboek, of ook voor hunne kinderen uit het doop-boek, verlangen;

Heeft goedgevonden en verstaan het navolgende te bepalen:

1°. Daar het opzicht over de leden der gemeente aan den Kerkenraad is opgedragen, zoo zullen geene aanzoeken tot afscheiding, hoe ook genaamd, mogen aangenomen worden, tenzij dezelve behoorlijk gerigt zijn aan den Kerkenraad, of aan den Voorzitter des Kerkenraads;
2°. Om dezelfde reden zal de kerkelijke behandeling van gezegde aanzoeken niet door een Predikant of door een ander lid des Kerkenraads op eigen gezag, maar door den Kerkenraad in eene wettige Vergadering moeten plaats hebben en behoorlijk genoteerd worden;
3°. Daar de doop- en lidmaat-boeken aanteekeningen behelzen van daadzaken, die op geenerlei wijze ongedaan kunnen gemaakt worden, zoo zal ook in geen geval het royeren van iemands naam op dezelve kunnen worden toegestaan;
4°. Dat in art. 1 en 2 van het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden bepaald wordt, wie gerekend moeten worden tot het Hervormd Kerkgenootschap te behooren en te blijven behooren: zoo zal,

|106|

daarmede overeenkomstig, niemand, die aanzoek doet tot eenige scheiding, beschouwd worden als werkelijk gescheiden van het Hervormde Kerkgenootschap, tenzij aan den Kerkenraad ten volle blijke, dat zoodanig persoon vrijwillig en duidelijk verklaard heeft, die afscheiding te begeeren;
5°. Ingeval er zulk eene vrijwillige en duidelijke verklaring mogt aanwezig zijn, zal de Kerkenraad alvorens hem als eenen afgescheidenen te beschouwen en aan te teekenen, zich ernstig beraden, of er, en — zoo ja, welke — middelen te beproeven zijn, om den dwalende teregt te brengen;
6°. De openbare afkondiging van de namen der afgescheidenen, noch van de afscheiding zelve zal in geen geval mogen plaats hebben;
7°. Aan de Kerkelijke Besturen wordt overgelaten, verder alle zulke meer bijzondere maatregelen te nemen, als, behoudens bovengemelde bepalingen en in derzelver geest, mogten kunnen strekken om de afscheiding zooveel mogelijk te verhoeden of te verhinderen, alsmede hen, die tot bevordering daarvan de hand leenen, kerkelijk te bestraffen.

Lohman/Rutgers (1886) Inh

|107|

 

Inhoud.

 

Inleiding — 1
§ 1. Toestand vóór de Hervorming — 7
 a. Hiërarchie.
 b. Overheidsbemoeiing.
§ 2. Toestand na de Hervorming — 11
 a. Kerkelijk verband.
 b. Overheidsbemoeiing.
§ 3. Toestand van 1795-1816 — 28
 a. Kerkelijk verband.
 b. Overheidsbemoeiing.
§ 4. Toestand sedert 1816 — 37
 a. Overheidsbemoeiing.
 b. Kerkelijk verband.
§ 5. Verbreekbaarheid van kerkelijk verband — 74
§ 6. Slot — 90
Bijlage I — 93
Bijlage II — 95
Bijlage III — 105